Kwetsbaar wonen in de samenleving (3)

Het klinkt zo mooi: integreren in de samenleving. Maar je kunt Noorwegen niet zomaar vergelijken met Nederland. In Noorwegen hebben mensen met een verstandelijke beperking veel ruimte om zich heen. In Nederland moet je voortdurend rekening houden met de buren. Daarom werd Gitta opgesloten...

Dat is ook een realiteit in Nederland. We wonen erg dicht op elkaar. Dat maakt ook dat overlast gemakkelijk wordt uitvergroot. Als we integratie perse willen, dan moeten we ook vinden dat de buren het schreeuwen van Gitta maar moeten accepteren. Willen we dat eisen als samenleving? En hoe terecht is het als wij over die buren gaan oordelen dat ze maar wat meer tolerant moeten zijn of anders oordoppen aan moeten schaffen?

Buitenland

Regelmatig kom ik in Duitsland. Dat land doet het qua integratie beter dan Nederland. Maar de gemiddelde Nederlander besteedt weer meer tijd aan vrijwilligerswerk.

Ook heb ik voorzieningen voor gehandicapten gezien in de USA. De voorzieningen die ik in beide landen met eigen ogen heb gezien zijn kleinschalig. Hoe zagen ze er uit? Een woonblokje, wat buiten de woonplaats, met veel ruimte er om heen. Het zag er beslist aardig uit.

Maar kwamen de ‘cliënten’ vaak in de samenleving? In de voorzieningen die ik heb gezien was dat niet het geval. Zo was er geen openbaar vervoer en was de weg te gevaarlijk om langs te lopen of langs te fietsen. Je kon alleen maar naar het dorp onder begeleiding.

En dan een zoon van kennissen in de USA. Hij moet verplicht naar school, een gewone basisschool. Maar de schoolbus is geen optie, hij kan niet tegen de drukte van de andere kinderen. De schoolklas is ook al niet gelukt. Zelfs het ’s morgens groeten van de vlag kan niet. Hij heeft zijn eigen lokaal en ziet verder nauwelijks andere kinderen.

Condities in de samenleving

Integratie mislukt vooral als er niet is voldaan aan condities binnen de samenleving. We maken onze eigen samenleving steeds complexer en steeds minder geschikt voor mensen die minder snel zijn. Wie met het OV gaat moet zo ongeveer een herscholing krijgen op het gebied van in-en uitchecken. Wie besluit om met de fiets te gaan wordt van de weg geduwd of gereden als hij niet genoeg rechts houdt of te langzaam is om nog bij groen de hele weg over te steken. En wie iets aan wil vragen kan dat alleen nog maar digitaal doen.

Dát is de realiteit in de samenleving. Ouderen en licht verstandelijk gehandicapten vallen niet buiten de boot omdat ze in principe niet mee zouden kunnen doen, maar omdat wij met zijn allen de samenleving steeds meer complex maken. Dat betekent ook dat het criterium van het ‘verminderde niveau van sociale aanpassing’ (AAMDR-definitie) leidt tot steeds meer mensen met een verstandelijke beperking. Veruit de sterkste groei in hulpvraag ligt bij de mensen met een lichte verstandelijke beperking.

Ouderen apart, gehandicapten geïntegreerd?

En dan nog: ouderen die hun hele leven in de samenleving hebben gewoond komen soms opeens ver weg van die vertrouwde omgeving te wonen, met mooi uitzicht op de duinen. maar veel ouderen willen mensen zien. Mensen met een verstandelijke beperking die gedwongen het instellingsterrein moeten verlaten laatje op die manier ontwortelen.

Pessimist

Onze samenleving is nog niet toegerust om mensen met een beperking zondermeer op te nemen. Maar ik ben pessimistisch: we zijn steeds minder toegerust. Dat komt omdat wij met zijn allen steeds meer barrières opwerpen die het leven in de samenleving complexer maken.

Willen we voorkomen dat steeds meer mensen afhaken, dan moeten we niet de discussie voeren over wél of niet integreren, maar over hoe we een goede pasvorm kunnen ontwikkelen zodat mensen met een beperking welkom zijn op een manier die past bij hun zorgvraag.

En als dat betekent dat het voor veel mensen beter is dat de loketten gewoon weer in de wijk zijn, dat niet alles digitaal hoeft te worden verwerkt, dat we gewoon met euro’s kunnen betalen in de winkel, dat er permanent buurtcentra open zijn, dat er toegankelijk openbaar vervoer is zonder verplichte poortjes, dat er in woonwijken alleen maar stapvoets gereden mag worden. Een ouderenvriendelijke/ gehandicaptenvriendelijke woonwijk vraagt om meer dan een aangepast huis in de wijk. 

Kwetsbaar wonen in de samenleving (2)

Mijn idee was altijd: als je integratie wilt bevorderen, begin dan van jongs af aan en ga niet met mensen ‘sjouwen’ die al dertig jaar op een instellingsterrein wonen. 

Als we dat in de samenleving doen met mensen die weerbaar zijn komen er protestacties. Kijk maar naar de protesten bij de afbraak van oudere woonwijken. Maar mensen op het terrein van een instelling moesten maar al te vaak gedwongen verhuizen. Tenzij die mensen natuurlijk graag zelf willen verhuizen (want die zijn er ook). Het is ook geen kwestie van goed of fout, mijn bezwaar was de druk die werd uitgeoefend.

Martine is twee jaar geleden verhuisd naar een Vinex-locatie in de Randstad. Daarvoor woonde ze dertig jaar op het terrein van een instelling. De familie verzette zich tegen de verhuizing van hun zus, maar het woongebouw werd afgebroken en er was nog maar één alternatief: een huis in een Vinex locatie.

Iedere dag neemt Martine de bus naar het terrein van de instelling. Ze heeft er geen dagbesteding, want dat mocht niet meer. Maar hier kent ze iedereen. Het rondjes lopen op het terrein en het praatjes maken met mensen is haar vorm van dagbesteding geworden.

Er was nogal eens sprake van ‘onheilig vuur’. De eis voor cliënten om te verhuizen kwam maar al te vaak niet voort uit een zorgvraag van een cliënt, maar uit een gecreëerd aanbod: er werden stenen gestapeld in de grote maatschappij en die huizen konden niet leeg blijven staan.

Achterhoedegevecht

De wijk maakt iemand niet gelukkig, de instelling ook niet. Het gaat volgens om een woonplek die gezien de persoonlijke wensen en doelen maximaal bijdraagt aan de kwaliteit van leven. Helaas kregen mensen die kritische vragen stelden ten opzichte van de verhuizingen veel over zich heen. Ze konden niet met de tijd meegaan, ze leverden een achterhoedegevecht. Het meest trieste voorbeeld was de instelling ‘Vijvervreugd’ in Middelburg waar van tientallen kritische medewerkers het contract niet werd verlengd.

In Middelburg werd het hele instellingsterrein – onder druk van een autoritaire directeur – ontmanteld. De directeur omschreef zijn kritische medewerkers als ‘ratten’.

Een aantal jaren later bleek dat deze massieve decentralisatie tot grote problemen had geleid. En nog een aantal jaar later stevende de instelling af op een faillissement.

Margriet - een oudere bewoner met Downsyndroom - mocht elke ochtend in haar eigen tempo naar de dagbesteding. Maar nu woonde ze opeens in een dorp op Walcheren. Voor de dagbesteding moest ze naar Middelburg. Margriet moest elke ochtend om half negen klaar staan voor het busje. Als ze ziek was moest ze ook naar de dagbesteding. Er was overdag namelijk geen personeel op de woning. Ze werd verder verzorgd op de dagbesteding. Maar op deze manier werd de rustige oude dag voor Margriet een gestresste oude dag.

Er zijn mensen die echt beter zijn gaan functioneren in een voorziening ‘in de samenleving’, anderen zijn zich juist ongelukkiger gaan voelen. De plek waar de stenen staan is kennelijk niet dé factor van belang…

Bewegingsruimte

Zo’n 30 jaar geleden schreef ik dat het voor mensen met een ernstige meervoudige beperking misschien wel gemakkelijker zou zijn om in de samenleving te functioneren dan voor mensen met een lichte verstandelijke beperking.

Cliënten die veel bewegingsruimte nodig hebben, maar die niet  verkeersveilig zijn kunnen soms zeer beperkt worden in hun ruimte en vrijheid als ze in een eengezinswoning in de wijk moeten wonen. Ze hebben meer ruimte en ervaren meer acceptatie op een instellingsterrein. Tenzij: er iets radicaal verandert in de wijk…

Gitta woonde op een instelling. Haar familie wilde haar dichter bij huis hebben. Ze verhuisde naar een eengezinswoning in de wijk. Liep ze vroeger vaak buiten, met name in onrustige perioden, en kon ze daar uitrazen, nu moest ze binnen blijven. Meerdere buren hadden geklaagd over de geluidsoverlast die ze veroorzaakte.

Kwetsbaar wonen in de samenleving (1)

Toen ik op zoek was naar iets wat ik kwijt was vond ik van alles wat ik niet kwijt was omdat ik er geen actieve herinnering aan had. Zoals onderstaande bijdrage.

Even een blik in de geschiedenis. Tot de jaren ’70 werden mensen met een verstandelijke beperking opgenomen in grote instellingen, meestal ver van de bewoonde wereld. Een praktisch argument was dat de grond er goedkoper was. Om dezelfde reden werden stations ver buiten de bebouwde kom gebouwd.

Op die manier ontstonden er grote instellingen op de Veluwe en in de Brabantse en Limburgse bossen. Het waren eigenlijk dorpen op zichzelf. Dat gold zowel de psychiatrie als de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. In Ermelo was het helemaal raak: de grootste instelling voor mensen met een verstandelijke beperking in Nederland (‘sHeerenLoo-Loozenoord), een grote psychiatrische instelling (Veldwijk), een grote instelling voor blinden en ook nog eens een sanatorium. Allemaal van protsestants-christelijke signatuur.

Eind jaren ’60 kwam er een kanteling in dit denken. Eerst kwam het begrip ‘normalisatie’. Het moest allemaal zo normaal mogelijk worden. Een hele hausse aan nieuwe termen zag het licht.

Al spoedig werd deze ontwikkeling omarmd door de politiek. Instellingen moeten actief beleid voeren op het verkleinen van het aantal bewoners op het terrein. Er werd uiteindelijk onder druk van dit beleid zelfs min of meer gedwongen ‘uitgeplaatst’. Maar het mocht niet meer kosten.

Mensen die jarenlang op het terrein van de instelling hadden gewoond moesten zichzelf nu zien te redden in de maatschappij. Soms ging dat goed, maar er kwamen ook vaak nieuwe problemen voor in de plaats. Zo vereenzaamden psychiatrische patiënten die niet meer op het terrein konden wonen in hun appartement in de stad.

Top down

Er werd destijds gesteld dat de verhuizingen in goed overleg met de familie en met de betrokkenen werden geregeld. Mijn indruk van de afgelopen 40 jaar is dat dat helaas voor een aanzienlijk deel niet waar was. In ieder geval woei er een beleidswind die maakte dat je je schuldig kon gaan voelen als je op een grote instelling werkte. Je werd min of meer ‘afgerekend’ op het feit dat je niet voldoende cliënten uit had geplaatst. En die druk kwam vooral vanuit het ministerie. Dat had begrepen dat in Noorwegen en in Italië complete instellingen waren ontmanteld. Dat moest dus in Nederland ook kunnen.

Ik deelde de visie dat we voortdurend moesten kijken of mensen met een verstandelijke beperking niet ‘beter af’ waren in de samenleving. Maar de consequentie van het overheidsbeleid was dat er allerlei mensen die jaren lang op het terrein van een instelling hadden gewoond nu opeens móésten verhuizen naar de grote samenleving. Dat heeft veel ellende veroorzaakt. Ik ken tientallen cliënten voor wie die stap niet goed is geweest. Maar hun familie werd onder druk gezet. De gebouwen werden afgebroken en er was alleen nog maar een plek in een eengezinswoning, van oorsprong gebouwd voor vader, moeder, twee kinderen en een poes.

En daar moesten dan vier verstandelijk gehandicapte mensen zich min of meer vanzelf gelukkig gaan voelen. Daar zou de samenleving vanzelf voor gaan zorgen. 

Scheldende treinreiziger

De man was me al opgevallen toen hij in Helmond de coupé binnen kwam vallen. Het was meer vallen dan lopen geweest.

In Eindhoven moest ik overstappen. Voor mijn fiets stond een barrel van een Giant. Dat is ook een fiets. Omdat ik mijn tassen nog aan de fiets moest bevestigen zette ik de Giant even netjes opzij.

Toen kwam de man de trap af denderen. Het was overigens weer meer vallen. Of ik met mijn poten van zijn fiets af wilde blijven.

Ik zei dat ik over moest stappen en dat ik mijn fietstassen anders niet aan de fiets kon hangen. Daar had de man niets mee te maken. Ik had toestemming moeten vragen om aan zijn fiets te zitten. Tegen beter weten in vroeg ik nog hoe ik kon weten dat het zijn fiets was. “Dat zie je toch? Ben je blind of zo, kale? Is het niet tijd dat je in je graf gaat liggen?”

Er volgden nog een aantal knetterende scheldwoorden en de man vervolgde zijn toespraak. “Met je vieze …poten van mijn fiets afblijven, ja, …., …., …., vieze kale! Wie denk je wel dat je bent? Denk je dat je hier alles kunt maken? Denk je dat je beter bent dan mij?”

De man zette zijn fiets recht voor de uitgang. Helaas met het voorwiel de verkeerde kant uit. Dus de deur ging aan die kant niet open. Hij eiste van een andere reiziger dat die op het knopje drukte. Dat deed die man niet, want de deuren aan de andere kant gingen open.

Dat was aanleiding voor een nieuwe scheldkannonade. “Zie je wel. Allemaal jouw schuld. Dat heb jij veroorzaakt met je stomme …gedrag!…. die je bent!”

Moet je nagaan wat voor invloed ik heb. Zelfs het spoor van de trein wordt speciaal door mij gewijzigd. Om deze man te pesten, natuurlijk.

De man zwaaide zijn fiets om en raakte ondertussen een andere reiziger. Daarna denderde hij met fiets en al het perron op. Met een typisch loopje van iemand die aan middelen verslaafd is liep hij naar de lift. Die bleek defect. Kun je nagaan wat voor invloed ik heb!

Ook al moest ik van perron wisselen, voor deze keer vond ik het helemaal niet erg dat de lift stuk was. Maar ik bleef voor de zekerheid wel even een beetje uit de buurt van de man...

Het Rijnlandse model (7)

Naar aanleiding van de verschillen tussen het anglo-Amerikaanse model en het Rijnlandse model werd een conferentie georganiseerd waarbij de deelnemers voor-en nadelen konden benoemen.

Veel mensen hebben in de afgelopen decennia de nadelen van het anglo-Amerikaanse model ervaren. Het kwam in de jaren ’60 de USA binnen zeilen. De ‘tegencultuur’ (hippies, flowerpower) zag de bui al hangen, maar trok zich teveel terug op een eigen eiland. Verschillende Amerikaanse regeringen omarmden het model. Het gevolg was een groeiende tweedeling in de samenleving. Onder Donald Trump kreeg het anglo-Amerikaanse model een nieuwe ‘boost’.

In West-Europa kreeg het model de eerste impuls onder leiding van Margareth Thatcher. De economie groeide weer en dat werd als bewijs gezien dit dit dé manier van bedrijfsvoering voor de toekomst was. Inmiddels is dit technocratische model toonaangevend in alle West-Europese landen. Het is ook diep in de sociale sector binnen gedrongen.

Het meest typerend vind ik de geschiedkundige vergelijking tussen het leiding-geven in de beide modellen. In het anglo-Amerikaanse model is de manager een leidinggevende op afstand, een MBA, want managen is een vak. Het maakt hem niet uit wat het product is, als er maar productie gedraaid wordt.

In het Rijnlands model is de manager een meewerkend voorman, te vergelijken met het gildensysteem in de Middeleeuwen. Er is het besef dat iedereen met elkaar te maken heeft en dat het – als het met de één niet goed gaat – ook met de ander niet goed gaat. Van top tot basis heb je elkaar nodig.

Het anglo-Amerikaanse model is er op gebaseerd dat de markt regeert. Daar moet de overheid zich niet mee bemoeien. Een bedrijf dat schadelijke producten verkoopt mag dat best blijven doen, want op den duur keert de wal het schip en willen de mensen het product niet meer.

Het Poldermodel was destijds een voorbeeld van het Rijnlandse model: er moest maatschappelijke consensus worden verkregen en de overheid deed daar actief aan mee.

Binnen het anglo-Amerikaanse model is veel sprake van wantrouwen. Dat is geen wonder, want schadeclaims zijn ook een winstmodel. Wat er vervolgens gebeurt is dat bedrijven gaan juridiseren. Er worden complete juridische handboeken bedacht en geschreven om je maar zoveel mogelijk in te denken. Het anglo-Amerikaanse model is een goudmijn voor bijvoorbeeld advocatenkantoren.

Maar wat dat betreft komt het Rijnlandse model er ook niet zo goed vanaf. Ook daar heerst toenemend wantrouwen. Daar dekt men zich in door een overmaat aan regels, procedures en protocollen. Geen juridisering, maar bureaucratisering.

Binnen het anglo-Amerikaanse model geldt: ‘Wie de baas is mag het zeggen’. Binnen het Rijnlandse model is de regel: ‘Wie het weet mag het zeggen’.

Zijn er ook mensen die minder presteren binnen de beide modellen? Binnen het anglo-Amerikaanse model word je al heel snel uitgerangeerd, want je hebt je targets niet gehaald. Vandaar dat de werkloosheid stijgt: er is een groeiende klasse van werklozen. En in de USA hebben die mensen ook nauwelijks een ziektenkostenverzekering. Want als je maar goed je best doet heb je vanzelf werk.

Binnen het Rijnlandse model blijven deze mensen vaak wel ergens binnen de organisatie hangen. Denk aan de vroegere bedrijven die altijd wel een aantal mensen in dienst hielden uit sociale overwegingen.

Zo heeft een kennis van ons de 40 jaar binnen het bedrijf gehaald omdat de baas (een familiebedrijf) hem zijn plekje gunde. Werd een taak voor hem te zwaar, dan werd er wel weer een andere baan binnen het bedrijf gevonden. 

Bij dat laatste past de visie op werk. Dat heeft binnen het Rijnlandse model tevens een sociale component. Mensen kunnen zinvol bezig zijn: het is goed als ze invulling aan hun leven geven. Het gaat om de waardigheid van de mens. Dat niet iedereen evenveel produceert is geen ramp: samen komen we als bedrijf wel verder.

Binnen het anglo-Amerikaanse model is werk productie: je targets halen. Wie niet voldoende produceert is daarmee tevens niet nuttig: je hebt niets aan de persoon. Arbeid wordt vooral gezien als kostenpost. Als het goedkoper kan (met minder mensen) moet er een reorganisatie worden doorgevoerd. Vervolgens krijgt de manager weer een bonus: hij heeft een kostenpost van 300 medewerkers geschrapt.

Hoe dat werkt kun je soms op Linkedin zien, waar managers er prat op gaan hoe ze hebben geholpen om bedrijven te 'stroomlijnen' (dat staat er vaak in dure termen).  En daar zijn ze dan ontzettend trots op. Sorry, ik word een beetje cynisch, want helaas hebben ook in de zorg dit type managers nogal eens de overhand gekregen. 

Het Rijnlandse model (6)

In het anglo-Saksische model zijn managers managers. Ze sturen de organisatie aan. Met de inhoud bemoeien ze zich niet. Het gaat om de winst.

Volgens de auteurs versterkt de hedendaagse opleiding bedrijfskunde deze ontwikkeling. Binnen de opleiding ligt de nadruk op het analytisch oplossen van problemen. Managers blijven maar kort, en zien dus niet de negatieve effecten van hun handelen op de werkvloer. Aldus het artikel in Holland Management Review.

Helaas is dat ook de realiteit geworden van het management in veel zorginstellingen. Mijn vroegere collega en vriend Chiel Egberts schreef: “Het zijn net meeuwen. Als ze genoeg gepikt hebben vliegen ze weer naar de volgende organisatie.” Maar hij schreef ook zeer positief over een betrokken leidinggevende die we samen hadden en die het team vleugels had gegeven.

In het Rijnlandse denken zijn managers vakmensen. Ze kennen de inhoud en als ze die niet kennen zorgen ze dat ze op welke manier dan ook toch betrokken zijn. Zoals één van mijn vroegere directeuren die ondanks zijn drukke baan elke week een dagdeel reserveerde op met bewoners en medewerkers op de woning in gesprek te kunnen gaan.

Wat opvalt in het Rijnlandse model is ook dat managers langer blijven. Ze voelen zich deel van de organisatie. Ze streven er naar om medewerkers kennis op te laten doen. En dan niet in trendy thema’s met vaak Engelstalige moeilijke woorden, maar nieuwe ontwikkelingen en bijscholingen om het vak bij te kunnen houden.

Door deze stijl van leidinggeven blijken medewerkers meer tevreden te zijn, wordt de motivatie vergroot, daalt het ziekteverzuim, daalt het verloop en stijgt de kwaliteit van het werk.

Een voorbeeld uit de zorg: grote zorgorganisatie X heeft 22% aan vacatures en ziekteverzuim. Een andere kleine zorgorganisatie Y heeft 0 vacatures en 5% ziekteverzuim. Je kunt beide organisaties niet in alles met elkaar vergelijken, maar de verschillen zijn té opmerkelijk om toevallig te zijn. 

Het Rijnlandse model (5)

De titel is 'het Rijnlandse model'. Maar gaandeweg merk ik dat ik steeds in ga op het anglo-Amerikaanse model. Ik denk namelijk dat dat model de sociale schade in Nederland veroorzaakt.

Wat zijn gevolgen van het werken volgens het anglo-Amerikaanse model?

Om op korte termijn zoveel mogelijk winst te kunnen maken moet er bezuinigd worden. Dat wordt gedaan door het stroomlijnen van processen en alle op die manier overbodig geworden medewerkers uit het proces te halen. Dus de werknemer met een lichte verstandelijke beperking die vroeger een klusje hier en een klusje daar deed (koffie halen voor medewerker X, de planten water geven op afdeling IJ): die heeft geen plek meer, want hij zit niet in het proces.

Het tweede is dat de procedures steeds strakker worden gehanteerd. Alles wordt maximaal vastgelegd, zodat voor iedereen duidelijk is hoe het moet. Een werknemer van McDonalds hoeft 0,0 verstand te hebben van voedsel, hij moet gewoon precies doen wat er in de procedure staat. Verstand hebben van voeding zou zelfs een nadeel kunnen zijn, want die mensen hebben de neiging om af en toe eens iets af te wijken van het proces.

Neem de werknemer in de zorg die - toen een bewoner onwel was - hem onmiddelijk te hulp schoot zonder voldoende beschermende kleding. Die medewerker kreeg een officiële waarschuwing omdat ze zich niet aan de procedures had gehouden....

En dan heb je alles gestroomlijnd, maar het gaat nog niet allemaal naar wens. Dan gaan we ‘outsourcen‘. Het bedrijf doet alleen nog maar in de ‘kerntaken’. De rest wordt uitbesteed. Het gevolg is dat het vakmanschap verdwijnt. Er wordt geen fiets meer gefabriceerd, er worden onderdelen samengevoegd. Als dat gaat goed wordt het iets op twee wielen dat door trappers en menskracht aangedreven tot snelheid komt.

Ooit had ik een fiets waarvan de spaken voortdurend sprongen. Het stellen van spaken is een ingewikkelde klus. Draai je de ene spaak aan, dan staat de andere weer te los. Hoe meer je er aan sleutelt, des te ingewikkelder wordt het stellen van het wiel. Je moet het op je gevoel in één keer goed doen. De betrokken fietsenfabrikant had besloten de wielen elders te bestellen. Daar had men geen fietsenmakers in dienst, maar mensen die wielen volgens vaste procedures spaakten. De mens was onderdeel geworden van een vast programma, zonder iets met het eindproduct te maken te hebben. Dat leidde tot slechte kwaliteit van de fietswielen. Het betekende op den duur ook het einde van die fietsfabrikant. Goedkoop bleek duurkoop. 

Op organisatieniveau gaat het – zoals al eerder geschreven – om het draaien van winst. Financiële doelen worden ingezet om de prestaties te beoordelen. Het maakt niet uit waar het geld vandaan komt.

Als je een flinke subsidie van de overheid binnenhaalt telt dat ook als winst en krijg je een fikse extra bonus. Dat die door de belastingbetaler wordt opgebracht doet niet ter zake. Ethisch zakendoen is van vroeger, het gaat nu om de winst. 

Het Rijnlandse model (4)

Hoewel ik niet meer door Katwijk aan den Rijn ben gefietst ga ik toch weer verder met het Rijnlandse model en met de Anglo-Amerikaanse visie op organisaties. 

De Anglo-Amerikaanse visie wint steeds meer terrein. Je ziet deze visie o.a. terug in het neo-liberalisme van veel West-Europese regeringen. Het lijkt het in economisch opzicht goed te doen, je ‘scoort’ er mee tijdens de verkiezingen, maar is het wel goed voor de mensen en voor de samenleving.

Volgens Poul Bakker, Sjaak Evers, Nol Hovens, Herman Snelder en Mathieu Wagenaar (in Holland Management Review) is het model op macro-economisch niveau uiterst discutabel. Het ziet er aan de buitenkant mooi uit, maar het goud dat er blinkt dekt niet de lading. De buitenkant laat grote winsten zien en multi-miljonairs worden steeds meer TV-persoonlijkheden. Wat dat betreft is het Rijnlandse model aanzienlijk saaier.

Het prijskaartje dat betaald moet worden in de zorg is het streven naar omzet en efficiëntie onder strak geformuleerde kriteria. “Een heel circus aan handboeken, kwaliteitsdeskundigen, certificeerders, proefvisitaties en visitaties wordt opgetuigd. Dat kost handen vol geld terwijl het de vraag is of dergelijke systemen werkelijk kwaliteitsverhogend zijn.”

Wie is de baas in organisaties binnen het Anglo-Amerikaanse model? Dat is de aandeelhouder. Hij is vooral geïnteresseerd in het maximaliseren van de winst op korte termijn. En in de zorg is dat volgens mij de bestuurder die op grote afstand van de werkvloer ook probeert om zoveel mogelijk omzet te draaien.

Hoe zit dat dan bij het Rijnlandse model? Daar waren ook aandeelhouders. Maar ze bleven het bedrijf veelal trouw, in goede en in slechte tijden. Het was ‘hun’ bedrijf. Ze gingen wel voor winst, maar ook voor hun bedrijf. Aanvankelijk waren dat o.a. de familieleden bij tal van familiebedrijven.

De nieuwe aandeelhouder gaat voor de snelle winst. Maakt het bedrijf niet genoeg winst, dan worden de aandelen verkocht, waardoor de koersen dalen. Dat zet druk op het management om zoveel mogelijk ‘te presteren’.

In het Rijnlandse model gaat het om Profit, People en Planet: om winst, om de mensen, om de kwaliteit van de samenleving. In het Anglo-Amerikaanse model draait het om Poen, Pecunia en Pegels, oftewel om Geld, Geld en Geld. 

Ik ben een spammer

Eens in de maand verzend ik voor de kerk de Bladwijzer. Dat is een blad waarin o.a. staat welke kerkdiensten er zijn, wat nieuwe ontwikkelingen zijn enz. Het moet allemaal passen op vier bladzijden A 5. Dus het is altijd wat redactioneel puzzelen. 

De naam Bladwijzer verwijst naar het kerkgebouw. Het is een nieuwe kerk in een voormalige bibliotheek. Daarom heet het kerkgebouw ‘Het Boek’. Dankzij veel technisch inzicht van tal van kerkleden is het een prachtig en leefbaar gebouw geworden (zoals een goede klimaatbeheersing). Niet alleen voor de kerkleden, ook voor de mensen uit de buurt.

Die Bladwijzer verstuur ik al een paar jaar. Maar gisteren ging het mis. Alle mails kwamen als onbestelbaar retour.

Ik deed een tweede poging. Opnieuw kwamen de mails terug.

De derde keer heb ik de adressen gesplitst in kleine bundels. Maar toen ging het helemaan mis. Mijn mail-adres werd geblokkeerd, want ik werd verdacht van ‘spammen’. En als je eenmaal verdacht bent, word je niet direct meer vrijgesproken.

Via mijn werkmail kan ik ook mails verzenden, maar da moet ik de bulk splitsen. Zo verstuur ik regelmatig werkinhoudelijke mails in een grote oplage (350 stuks), maar die heb ik dan in onderdelen geknipt, zodat het aantal te verzenden mails binnen de verdachte limiet blijft. Dus zette ik mijn werkmail nu even in voor het verzenden van de kerkmail. Maar dan de adressen handmatig gesplitst. Voor de zekerheid heb ik er nog een mail achteraan gestuurd met de vraag of de kerkleden de Bladwijzer hebben ontvangen.

Vanmorgen kwamen er tal van reacties. Het lijkt wel een loterij. Sommige leden hebben de Bladwijzer drie maal ontvangen, anderen nul maal. Er schijnt dus ook nog iets anders achter te zitten, een soort uitverkiezing. Sommige mensen krijgen geen enkele mail, anderen worden voortdurend bestookt.

Wie het weet hoe het werkt mag het zeggen. Vanmiddag probeerde ik een andere mail (zonder bijlage) naar vier adressen te sturen. Die mail kwam terug, omdat ik 'geblockt' ben. De helpdesk heeft mijn vraag hoe het zit in behandeling. Wanneer er antwoord komt? Ik heb geen idee... 

Zondebokken in de zorg

Eén van de meest bizarre medische tuchtzaken uit het afgelopen jaar is die van een Specialist Ouderen Geneeskunde ('verpleeghuisarts') die een berisping kreeg omdat ze een medische fout had gemaakt. 

Alle artsen maken fouten. Soms wordt er werk van gemaakt. Dat overkwam deze arts. Maar wat was er aan de hand? Ze werkte dag- en nacht onder veel te grote werkdruk op vier locaties. Andere collega’s waren al vertrokken naar elders. Zij was gebleven omdat er anders niemand meer was voor de patiënten.

Je zou denken dat het Medisch Tuchtcollege dan haar situatie in de context van de chaos binnen de organisatie zou beoordelen. Maar dat gebeurde niet. Danka Stuijver schrijft dan ook in de Volkskrant (12 mei 2022): “Zorgverleners zijn vaak de zondebokken in een slecht functionerend zorgsysteem.”

In de USA maakt het medisch tuchtrecht het nog veel bonter. Een 38-jarige verpleegkundige had een medicijnvergissing begaan, waardoor een 75-jarige patiënt was overleden. Maar: de fout die ze had gemaakt was mede ingegeven door het beleid van de organisatie. Het computersysteem zat zo complex in elkaar dat de directie had opgedragen om meldingen van het systeem niet allemaal voortdurend langs te lopen om tijdverlies te voorkomen.

Het prestitieuze VanderBilt-ziekenhuis in Nashville ging echter vrijuit, maar de verpleegkundige mag nooit meer in de zorg werken en ze krijgt als bonus een gevangenisstraf tot acht jaar.

Ziehier de ontwikkelingen in het medisch tuchtrecht. Er moet een zondebok worden gevonden, maar dat is niet de organisatie. Hoe groter de organisatie, des te beter zijn de advocaten die ze in kunnen huren. De zondebok is dus de kwetsbare zorgverlener.

Eenzelfde risico gaat zich voordoen op de Eerste Hulp. Artsen zijn daar verantwoordelijk voor het door hun gegeven advies, maar de SEH’s staan op instorten.

In de USA hebben tientallen zorgverleners ontslag genomen naar aanleiding van de veroordeling van de verpleegkundige uit Nashville. Ik ken ook twee artsen die de verantwoordelijkheid op deze manier niet meer willen dragen. De zondebokkencultuur maakt de gezondheidszorg ziek.