Bomen tellen

Ik bezocht hem in het Huis van Bewaring.

Zijn detentie zat er bijna op. Maar het was wel gewenst dat hij -eenmaal buiten de gevangenis- begeleid werd om wat meer structuur in zijn leven te krijgen.

Vanuit het dossier wist ik wel ongeveer wat er gebeurd was. Maar het is altijd handig om nog eens te checken hoe iemand zélf tegen de oorzaak van zijn detentie aan kijkt.

Hij vertelde het verhaal alsof het een vreemde was overkomen. Alsof het iets was dat onvermijdelijk was geweest. Alsof hij geen enkele invloed had.

Hij had besloten om in een park te gaan wonen. Dat was voordeliger. Maar hij wilde wel een uitkering, om een beetje te kunnen eten en roken. Meestal wiet trouwens. Maar toen hij een uitkering aan vroeg kon hij geen adres opgeven. En om een uitkering te krijgen moet je een woon-adres hebben. Maar ja, hij woonde onder een boom. Een boom-adres is geen woon-adres.

Toen was hij naar het park terug gegaan. Vanaf de hoek van de ‘grote straat’ had hij alle bomen geteld. En toen om de hoek naar de plek waar zijn tent was.

Toen was hij weer naar ‘die sociale dienst’ gegaan en hij had daar opgegeven dat hij 37 bomen van de hoek en dan 22 bomen in het bos woonde. Maar de sociale dienst zei dat dat geen adres was.

Daarom kreeg hij geen uitkering. Maar hij kreeg wel honger. En als je honger hebt steel je wel eens een brood. Maar toen had de politie hem opgepakt. Daarom zat hij nu in de gevangenis.

Het was logisch en onvermijdelijk, het kon niet anders.

Maar, zei hij, het is hier best. Het is hier warm, het is hier droog en je krijgt er eten en drinken. Dus zo gek is de gevangenis nog niet…

Puberbrein

Opeens was het psychologische ei van Columbus uitgevonden. Pubers hadden een puberbrein. Dat verklaarde alles waarom pubers zich zo gedroegen zoals ze zich gedroegen. Tot je 25e ben je in je hersens niet volwassen, dus dat kan er van alles mis gaan. En bij sommige mensen duurt de rijping van de hersenen nog wat langer.

Prof. Micha de Winter veegt verbaal de vloer aan met dit denken (de Volkskrant, 9 juni 2017). Het maakt dat er te gemakkelijk wordt gedacht dat pubers ‘er toch niks aan kunnen doen’. De neurologen die het puberbrein tot uitgangspunt van het gedrag van pubers hebben gemaakt noemt hij ‘hersenfundamentalisten’, die tieners reduceren tot ‘machteloze onrijpe prefrontale cortexen’. 

Nu is het ook weer niet zo dat Micha de Winter dus gewoon maar meent dat pubers overal verantwoordelijk voor kunnen zijn. Als die prefrontale cortex nog niet klaar is, dan moet je er kennelijk een pedagogisch hekje om heen zetten. Dat betekent: pubers afremmen, grenzen stellen, in gesprek blijven.

De Winter heeft de indruk dat opvoeders te snel afhaken. Zoals in de gemeente Utrecht, waar docenten van middelbare scholen het in de klassen niet meer durfden te hebben over de Holocaust of over homoseksualiteit, omdat de lessen dan onmogelijk werden gemaakt door jongeren met een Arabische achtergrond. “Dan heb je dus de strijd verloren”, aldus De Winter.

De discussie over wat pubers kunnen overzien in hun denken zal ook een rol gaan spelen bij de beide jongens die zijn opgepakt vanwege de dood van twee minderjarige meisjes (Bunschoten en De Glind).

Het is goed (en nodig) dat er in Nederland jeugdstrafrecht is dat rekening houdt met de verminderde impulscontrole bij jongeren. Maar dat wil niet zeggen dat ze daarmee helemaal niet de gevolgen van hun daden kunnen overzien. In ieder kind zit ook een stukje vermogen tot empathie, tot inzien van wat goed en kwaad is. Dat voelen jonge peuters zelfs al aan.

Bij jongeren die buitensporig over de schreef gaan is echter vaak sprake ‘van een gevaarlijke ballast, tjokvol kwetsbaarheden’ (de Volkskrant, 10 juni 2017). Het zijn dan niet alleen de hersenen, het is vaak de omgeving die een schadelijke rol speelt.

Het vermogen om goed en kwaad te onderscheiden kan ondergesneeuwd zijn door slechte voorbeelden, veel te weinig veiligheid in het gezin, gepest worden op school, veel spijbelen, een laag IQ, opgroeien in een achterstandswijk. De 14-jarige jongen op Urk die een vriendje doodde kwam uit een gebroken gezin met 12 kinderen, was bang voor zijn vader en zijn wereld bestond uit video-games met veel agressie. Dan is de drempel om tot agressie te komen bijzonder laag.

Gelukkig is er in Nederland jeugdstrafrecht. Als de straf wordt gegeven in combinatie met een goede orthopedagogische behandeling kunnen deze jongeren alsnog op het goede pad terecht komen. Je helpt hen niet door te denken dat het door de leeftijd kwam (‘dat brein was nog niet klaar’). Je helpt wel door hen handvatten aan te leren om alsnog de weg te vinden in hun leven. Door een relatie aan te gaan, door grenzen te durven stellen.

 

 

Geluk is niet maakbaar

“Wat doe je om gelukkig te worden?”

Dat was een vraag die een tijdschrift mij stelde. Ik gaf als antwoord dat dat onmogelijk is. Je kunt jezelf niet gelukkig maken. Geluk is namelijk niet maakbaar. Eén van de redenen waarom mensen ongelukkig zijn is dat ze perse gelukkig willen zijn.

Vasileimos Thermos

Dat wil niet zeggen dat we niet kunnen en mogen streven naar ‘aangename ervaringen’ zoals de Griekse priester en psychiater Vasileimos Thermos dat noemt. Hij beschrijft drie lagen van ‘aangename ervaringen’.

  1. De eerste laag is die van pleasure, van genot. Dat is de laagste laag. Die is zelfs te koop. Bijvoorbeeld in de vorm van genotsmiddelen: snoep, tabak, alcohol, drugs en sex. Dit is ook de laag van de verslavingen. Je raakt gemakkelijk verslaafd als je niet aan de twee volgende ‘lagen’ toe komt.

2. De tweede laag is die van satisfaction, de voldoening. Dat is de ervaring die je hebt als je een doel hebt bereikt. Dat kan zijn dat je een opdracht af hebt gemaakt, dat je je huis schoon hebt gemaakt of dat je een diploma hebt gehaald.

Die voldoening treedt niet op als je er niets voor hoeft te doen.

  • Bij voldoening past ook dat je er inspanning voor hebt verricht: je wilt iets bereiken en je moet er iets voor doen.
  • Er speelt ook een langere termijn in mee: het duurt een tijdje voordat je dat doel hebt bereikt.
  • Kenmerkend voor de voldoening is daarnaast dat het gaat om klussen die je jezelf stelt en die je in je eentje kunt bereiken.

3. De derde laag is die van de joy, van de vreugde. Die kun je, volgens Vasileimos Thermos, alleen bereiken in relatie tot en met andere mensen. Als je voortdurend ruzie hebt met anderen, alleen maar negatief naar anderen kijkt, kun je niet tot vreugde komen.

Als je de diepere lagen van de aangename ervaringen in je leven niet kent kun je ook verleidingen moeilijk weerstaan. Genot (de snelle ervaring op de korte termijn) wint het dan van de diepere emoties in je leven. Je wilt je hier en nu goed voelen. Het is ik-gericht: ik moet nu scoren.

Aan diepere ervaringen, waardoor je meer mens wordt, kom je niet toe. Die diepere ervaringen maken dat je los kunt komen van de directe ervaring van genot. Ze geven ook ruimte om te ervaren dat er meer is dan alleen het leven hier op aarde.

Emily Esfahani Smith

De Amerikaanse psychologe Emily Esfahani Smith schreef ik 2013 een artikel onder de titel ‘Er is meer in het leven dan gelukkig moeten zijn’. Daar kwamen zoveel reacties op dat ze besloot een boek te schrijven. Dat is nu in het Nederlands verschenen: De kracht van betekenis (Ten Have, 2017).

Ook Emily Esfahani Smith schrijft dat alles in de westerse wereld lijkt te draaien om geluk, maar de zin uit dat leven lijkt maar al te vaak te zijn verdwenen. Ze noemt vier aspecten die bij zingeving een rol spelen:

1. Het besef dat je deel uit maakt van een groep, van mensen om jou heen bij wie je terecht kunt en voor wie jij van betekenis kunt zijn.

2. Het hebben van een doel in je leven.

3. Het ervaren van betekenis in je leven, een verhaal hebben over jouw leven, zodat je identiteit vorm krijgt (‘ik mag er zijn, ik doe er toe’).

4. De ervaring van een mysterie dat boven het hier en nu uit gaat: er is meer tussen hemel en aarde.

Meer over Thermos en Smith in bijdragen in het Nederlands Dagblad van 7 en 9 juni 2017. 

Iedereen een etiket? (slot)

Maikel heeft ADHD

Maikel is een drukke puber. In de klas valt hij direct op. Hij is vaak te laat, vergeet afspraken, heeft zijn spullen niet mee genomen en het is een rommel op zijn werktafel. Volgens de ouders van Maikel is zijn gedrag erfelijk. Er valt niets aan te doen, ‘want zijn vader heeft het ook’. Maikel krijgt Ritalin voorgeschreven.

Vanwege zijn gedrag houdt de leraar Maikel twee keer tussen de middag binnen om alsnog werk in te halen. Hij mag ondertussen ook niet naar zijn MP-3 speler luisteren en de telefoon is evenzeer taboe.

Wat die leraar vervolgens opvalt is dat het gedrag van Maikel de eerste twee uur van de middag sterk verbeterd is vergeleken met andere dagen als Maikel zich in de pauze uit kan leven met andere pubers.

 Niet meer breed kijken

Het verhaal van Maikel laat nog een andere mogelijke reductie van de werkelijkheid zien: de diagnose ADHD wordt door de ouders gezien als een sluitstuk. Het zit in de genen en dus valt er aan het gedrag niets aan de veranderen.

Deze manier van kijken beperkt het perspectief van mensen. De hele ontwikkeling van dit kind in deze omgeving wordt genegeerd. Dat een mens opgroeit in een bepaalde omgeving, daar van kan genieten of last van kan hebben: het lijkt nauwelijks van belang te zijn.

 Een etiket wordt gemeengoed

Tijdens mijn studie zei een docent: “99% van de Nederlanders is neurotisch en die ene procent die het niet is, die liegt.” Hij wilde daarmee zeggen dat we eigenlijk geen kant uit kunnen met het begrip neurose. Iedereen heeft neurotische trekken. Dat is een gevolg van de gebrokenheid van de samenleving.

Tegenwoordig wordt wel eens gezegd dat alle mannen autistisch zijn. Als dat waar is, is autisme dus geen afwijking (of het feit dat je man bent moet al een afwijking zijn). Wie er eens op gaat letten hoezeer het begrip autisme vervuild is in het dagelijkse spraakgebruik zal merken dat deze diagnose werkelijk te pas en te onpas wordt gebruikt.

Signaal

Het gaat hier niet om erkende diagnoses, maar dit brede gebruik in de taal is wel een signaal. Als de diagnose teveel wordt verbreed heeft hij geen kracht meer. Dat gaat ten koste van de mensen die in ernstige mate lijden onder zo’n stoornis.

Prof. Derksen vreest dat de komst van de DSM V zal leiden tot een sterke groei van het aantal diagnoses. Dat was ook al zo bij de vorige editie.  Miljoenen mensen zullen opeens een stoornis hebben, terwijl ze vroeger misschien als wat meer eenzelvig werden gezien of af en toe wat druk waren. Mogen we misschien nog een beetje onze eigen gang gaan, af en toe dromerig zijn, niet overal aan mee willen doen of niet altijd direct aanvoelen wat de ander bedoelt?

Daar komt nog bij dat veel financiering gekoppeld is aan erkende diagnoses. Op die manier worden behandelaars regelmatig gedwongen om naar een diagnose toe te schrijven. Het is een ontwikkeling die door de zorgverzekeraars als door de media wordt aangewakkerd.

Hulpmiddel en valkuil

Een diagnose kan betrokkenen erg helpen. Opeens vallen de puzzelstukjes op hun plaats. Maar diezelfde diagnose kan ook leiden tot een tunnelvisie. Al het gedrag wordt verklaard vanuit de diagnose. Johan is een autist, Marieke een borderliner.

We hebben het dan niet meer over wie, maar over wat. Wat is Johan? Johan is een autist. Op het moment dat we zo naar mensen gaan kijken zitten we op de verkeerde weg. We zien de mens niet meer, we zien zijn diagnose.

De christelijke mensvisie gaat uit van heel de mens. Dan spreek je niet over autisten of borderliners, maar in de eerste plaats over mensen. Met af en toe natuurlijk een aantal unieke kenmerken waar we mee moeten leren omgaan. Bij onszelf of bij de ander.

Deze bijdrage heb ik enkele jaren geleden geschreven voor het blad ‘Wegwijzer’. 

Iedereen een etiket? (2)

De mens wordt gereduceerd

Door de manier waarop mensen worden zonder voldoende onderbouwing worden ‘gediagnosticeerd’ lopen we het risico dat ze niet meer als persoon wordt gezien. Ze worden ingeperkt tot classificeerbare afkortingen (PDD-NOS, ADHD). Vanuit diezelfde diagnose wordt vervolgens weer het gedrag verklaard.

 Dirk is autistisch

In een ondersteuningsplan: “Dirk is een autistische man van 44 jaar oud. Vanwege zijn autisme heeft hij behoefte aan een strakke structuur. Daarom liggen alle afspraken voor hem vast.”

Het hele ondersteuningsplan van Dirk blijkt een opsomming te zijn van afspraken die volgens zijn begeleiders nodig zijn om zijn leven te ordenen. Die afspraken kunnen misschien nodig zijn, maar beantwoorden ze ook de vraag wie Dirk is? Dirk wordt gereduceerd tot zijn diagnose. Op een bijna logische manier volgen daar de afspraken uit. Het zit allemaal helder in elkaar, maar de persoon van Dirk is uit beeld verdwenen.

Martijn heeft ODD  

Bij Martijn lijkt alle gedrag te zijn gebaseerd op de uitspraak: “Als het moet doe ik het niet!” De kinderpsychiater heeft hem gediagnosticeerd met ODD, een oppositionele gedragsstoornis.

Ondanks het gebruik van medicatie en een op ODD aangepaste begeleiding verergeren de problemen. Ook het slapen (dat in het verleden weinig problemen gaf) is nu problematisch. De hypothese is dat behandeling en begeleiding van Martijn toch niet voldoende zijn ingesteld op zijn gedragsbeeld. De medicatie wordt opnieuw bekeken, de ouders krijgen psycho-educatie, er worden op school extra middelen ingezet, maar het gedrag van Martijn verbetert niet.

Totdat een stagiaire op school vraagt of Martijn misschien ergens allergisch op reageert. Een onderzoek door de huisarts bevestigt dit vermoeden. Martijn had al die tijd last gehad van jeuk, zonder dat dat iemand was opgevallen. Binnen enkele weken was het gedrag van Martijn weer als voorheen. “Ik heb mijn oude Martine weer terug. Koppig, dwars en eigenwijs, maar ook erg gezellig” zei zijn moeder.

Iedere opvoeder, behandelaar of arts ziet bepaalde factoren over het hoofd, maar de kans dat we maar in één richting zoeken is groter als we meer met vastomlijnde diagnoses werken.

Iedereen een etiket? (1)

Menselijk gedrag is altijd complex. Daarom is al eeuwen lang geprobeerd om dat gedrag begrijpelijk te maken door er een bepaald ‘etiket’ aan te geven. Zo wordt de veelheid van gedragingen of emoties eenvoudiger in beeld gebracht. Op die manier kwamen de oude Grieken tot het idee van het temperament. Dat verklaarden ze aan de hand van lichamelijke factoren. Iemand die overal tegenop ziet zou teveel zwarte gal in zijn lichaam hebben. Daar komt ons woord zwartgallig (Grieks: melancholisch) vandaan.

Het meest gebruikte handboek om gedrag in kaart te brengen is in onze tijd het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Je zou het het internationaal erkende spoorboekje van de psychiater kunnen noemen.

Dit handboek geeft behandelaars over de hele wereld houvast met een eenduidig systeem aan criteria voor honderden diagnoses. Dat is handig, omdat je dan overal dezelfde ‘diagnostiektaal’ spreekt. Maar er is ook een keerzijde. Het reduceert de complexe werkelijkheid van de menselijke psyche tot een serie van kenmerken.

Doe je dan de individuele mens nog wel recht?

De blindedarm van kamer 316

“Op kamer 316 ligt een blindedarm.” Iedereen beseft dat degene die dat zegt niet bedoelt dat in die kamer van het ziekenhuis slechts een lichaamsdeel ligt (dat overigens nu juist verwijderd is…).

Maar dan de volgende zin: “Op Eekhoorn 4 wonen allemaal autisten.” Doe je dan de zeven individuele bewoners van die woning wel recht? Het kan zo zijn dat ze allemaal de diagnose ‘autisme’ hebben gekregen. Toch is Martijn een héél ander persoon dan Pieter.

Een citaat van een autismedeskundige: “Misschien wel 90% van de studenten aan de wiskundefaculteit heeft een stoornis binnen het autistisch spectrum.”

Een uitspraak van een leerkracht op een reguliere basisschool: “De helft van de kinderen in mijn klas heeft ADHD”. Misschien is de helft van de kinderen opvallend druk is, maar dat is nog geen ADHD. Als het wél zo is: is ADHD dan een gewone menselijke eigenschap die nu eenmaal hoort in de huidige samenleving met zijn vele indrukken…?

Twee spanningsvelden

Uit de voorgaande citaten komen twee spanningsvelden naar voren. Het eerste is dat je het risico loopt de mens teveel te reduceren tot zijn diagnose. Bovendien kijken we door die diagnose vaak niet goed meer naar andere factoren. Jacques Heijkoop, psycholoog en auteur van het boek ‘Vastgelopen’:  “Een etiket vertroebelt onze blik”.

Het tweede bezwaar is dat bepaalde diagnoses dusdanig gemeengoed lijken te zijn dat het gewoon wordt om een bepaald ‘etiket’ te hebben. Prof. Dr. J. Derksen, hoogleraar klinische psychologie in Nijmegen: “Het lijkt wel Sinterklaas. Op den duur heeft iedereen zijn eigen etiket.”

Deze bijdrage heb ik eerder geschreven voor het Tijdschrift ‘Wegwijzer’. 

Tijdgeestziekten (2)

Maar niet alleen bij lichamelijke ziekten meende men dat elektrische ontlading een rol speelde. Ook bij psychiatrische aandoeningen meende men elektriciteit toe te kunnen passen.

In de tweede helft van de 19e eeuw waren tal van zenuwartsen bezig met ‘medische elektriciteit’: het gebruik maken van elektrische ontlading bij verlamming, krampen, hysterische uitingsvormen. “In het achttiende-eeuwse wereldbeeld ontstond aldus de definitie van ziekte als ‘een tekort of een teveel aan elektriciteit in de zenuwen of door onregelmatigheden in de geleiding”. Manieren van vervoer, zoals de tram en de lift, zouden omgevormd kunnen worden tot effectieve behandeling van het zenuwlijden.

Meer behandeling en dus meer ziekte…

Opmerkelijk is dat juist sinds het hanteren van deze methoden het aantal ziektebeelden fors toenam. Men meende de ziekten nu eindelijk effectief te kunnen bestrijden, maar het omgekeerde gebeurde: er kwamen veel meer nieuwe patiënten bij! Met name de behandeling van neurasthenie was ‘booming business’. De opkomst van de vele ‘Kurorte’ in Duitsland is daar een gevolg van.

Verandering van de samenleving

Een bekend zenuwarts en electrobehandelaar (George Miller Beard) had wel een verklaring voor deze ontwikkeling. Het lag niet aan de electrotherapie, maar aan veranderingen in de samenleving. Er waren vijf oorzaken waarom er meer mensen met zenuwlijden waren:

a). de stoomkracht

b). de pers (kranten en tijdschriften)

c). de telegraaf

d). de wetenschap

e). de intellectuele ontwikkeling van de vrouw.

De elektrotherapie bleef decennia lang de voorkeursbehandeling van neurasthenie, totdat Sigmund Freud er in slaagde om op een andere wijze de neurose in kaart te brengen.

Technologische ontwikkelingen

Volgens filosofe en antropologe Elke Müller houden ook nieuwe en opkomende ziektebeelden verband met de schoksgewijze ontwikkeling van de samenleving. Technologische ontwikkelingen worden als bedreigend gezien én ingezet als behandelmethode. Bovendien gaan de ontwikkelingen zó snel dat de individuele mens er geen grip meer op heeft.

In het vervolg van haar bijdrage gaat de auteur o.a. in op de ontwikkeling van de hysterie als diagnose in de 19e eeuw en het verdwijnen van dezelfde diagnose in de 20e eeuw. In een meer recent verleden zijn de traumatische ervaringen vanuit de beide wereldoorlogen bekend.

Hedendaagse ziekten

Momenteel steekt een aantal ziektes de kop op die vermoedelijk zijn gerelateerd aan ontwikkelingen binnen de media en ICT. Een reducerend model zoals de neurobiologie of de neuropsychologie volstaat volgens de auteur niet om deze verschijnselen te verklaren of te behandelen. Er zijn bij nieuwe ziekten ook gekeken moeten worden naar allerlei ontwikkelingen die het maatschappelijke krachtenveld bepalen.