Het Hamburger Geluksmodel

Alle mensen streven naar geluk.
 Maar hoe maak je je keuzes? Streef je naar geluk nu, of stel je een beetje geluk uit om later nóg gelukkiger te zijn. Kun je je geluk bewust volgen en beïnvloeden?

Volgens mij is geluk niet maakbaar. Toch streven we op een bepaalde manier wel geluk na. Hoe doen we dat dan?
Tal Ben-Shahar (hoogleraar op Harvard University) keek om zich heen en zag erg veel mensen met hamburgers. Toen bedacht hij het hamburger-geluksmodel.

1. De smakeloze hamburger
Je snapt niet dat mensen zo’n hamburger eten. Hij is niet lekker en ook nog eens ongezond voor de toekomst. Dit zijn de mensen die de hoop op geluk hebben opgegeven. Het is nu eenmaal zo, het gaat toch niet goed.

2. De vegetarische hamburger
Van deze hamburger geniet je niet echt (vermoedelijk is Tal Ben-Shahar zelf geen vegetariër). Hij is mager, er zit geen vlees in, maar wél is hij zeer gezond. Ik bedoel nu die Hamburger en niet de bedenker van het model.

Dit zijn de mensen die nu niet de winst durven te nemen. Ze genieten niet van hun vrije tijd: er moet gewerkt worden. Vakantie is iets voor later. Maar ja, dat kan wel eens flink tegenvallen…

3. De junkfoodburger
Dat zijn de mensen die nú de winst nemen. Maar ja, straks heb je niks meer, want de hamburger is zó vet en zó ongezond dat je het over een paar jaar moet bezuren. Het zijn de mensen die nu alles op alles willen zetten om maximaal te genieten, maar die geen zinvolle doelen nastreven voor de toekomst.

4. De ideale burger
Mensen die nu durven te genieten van een smakelijke, gezonde burger denken tevens aan hun gezondheid voor de toekomst. Ze lopen niet de eerste de beste fastfoodwinkel binnen, maar gaan bewust op zoek. Ze hebben twee maal winst. Ze kunnen nu genieten, maar investeren ook in het geluk voor de toekomst.

Ben Shahar heeft voor mensen een aantal oefeningen opgesteld om hun geluk in kaart te brengen. Of daar vanzelf uit rolt wat voor soort hamburger je zelf bent heb ik niet uitgezocht…

Muggenbeten

Het was weer zover. Het was bijna zomer en we gingen met vakantie. Bandenplakspul tegen prikken in fietsbanden en anti-jeuk tegen prikkende muggen mee.

Onze fietsbanden zijn niet lek gestoken. Maar de eerste avond verschenen de muggen al op ons vakantieadres. Met haar jagersinstinct sloeg Tineke direct aan het jagen. Het hielp allemaal niets. Ze is nu eenmaal een muggenmagneet. Ze werd dan ook veelvuldig gestoken. En ik had nergens last van.

Muggen zijn voer voor allerlei wetenschappelijk onderzoek. Zo trok ene Richard Gorham in de toendra zijn shirt uit om te kijken hoe vaak hij gestoken zou worden. Dat was in zijn geval in vijf minuten tijds 435 keer. Hij berekende ook hoe lang hij zich op die manier zich bloot kon geven voordat het lichamelijk echt gevaarlijk zou worden. Hij berekende dat het vijf uur zou duren voordat hij aan een tekort aan bloed zou overlijden. Dat lijkt me geen gezonde hobby. Maar voor de wetenschap gaan mensen soms heel ver.

Een lang bestaande verklaring is dat muggen worden aangetrokken door zoet bloed. Dat is net zo’n mythe als het idee dat adellijke mensen blauw bloed hebben.

Er wordt ook beweerd dat mensen met bloedgroep O vaker worden geprikt dan anderen. Dat blijkt te kloppen. Maar het komt gewoon omdat er veel meer mensen zijn met de bloedgroep O dan met de andere zeldzamer bloedgroepen.

Zo las ik ook dat grote mensen vaker worden gestoken dan kleine mensen. Het zou met de uitstoot van kooldioxide te maken hebben. Volgens mij is er ook een eenvoudiger verklaring: grote mensen hebben meer huidoppervlak dat kleine mensen. Het heeft dus niets met de voorkeur van de mug te maken.

Ik heb niet veel verstand van muggen, maar uit wat ik gelezen heb is nog helemaal niet zo duidelijk wie waarom vaker gestoken wordt door een mug. Er zijn wel ideeën over, bijvoorbeeld rond geur, cholesterol en temperatuur, maar dat zijn globale ideeën. Worden Friezen trouwens vaker gestoken dan Belgen? Natuurlijk niet, er zijn veel meer Belgen dan Friezen. Worden conducteurs vaker gestoken dan machinisten? En leraren in het basisonderwijs vaker dan leraren in het voortgezet onderwijs?

Gelukkig kunnen we in Nederland grappen maken over muggen. Hier zijn muggen niet echt levensbedreigend. We kunnen ook eindeloos muggenziften. Dan maken we van de mug een olifant. Of we gaan de strijd aan tegen de muggen in de slaapkamer. Volgens mij helpt dat niet, je maakt de mug alleen maar boos. Gewoon lekker onder het dek gaan liggen en de volgende ochtend tellen wie het nu weer heeft gewonnen. Ik niet…

Column die ik schreef voor het Nederlands Dagblad, 9 juli 2017

Overwegstoring

Na het passeren van twee treinen gingen de overwegbomen niet meer open. Een storing dus.

De overweg ligt in een onoverzichtelijke bocht. Bovendien is de dienstregeling op deze plek vrij onregelmatig. Bijna alle fietsers en automobilisten bleven wachten. Je kunt hier sommige treinen echt niet aan zien komen.

Een vrachtwagenchauffeur dacht daar kennelijk anders over. Hij besloot de gaan slalommen. Met gevaar voor eigen leven en dat van anderen…

Onaardige Karl Marx

Er is een maar liefst bijna duizend bladzijden tellend boek verschenen over Karl Marx. In de tijd dat ik studeerde hing zijn foto op menige studentenkamer en ook op de universiteit, als deze weer eens bezet was. Maar hoe aardig was Marx nu eigenlijk?

Ik heb Karl Marx niet persoonlijk gekend. Ik woonde niet in Londen, dus ik kwam hem niet tegen. Het verhaal heb ik dus van horen zeggen. En hij kan me niet tegenspreken. De auteur van het boek (Gareth Stedman Jones) heeft uit duizenden bronnen kunnen putten.

Zo is daar de correspondentie met zijn vader en met zijn moeder. Daar blijkt uit dat Marx al op jonge leeftijd een dwingeland was, die de baas wilde spelen over zijn broer en zijn zusjes. Het overlijden van zijn broer leek hem volkomen onverschillig te laten. En toen hij eenmaal op kamers zat voor zijn studie leek het wel of hij zijn familie helemaal vergeten was. “We hebben nooit een antwoord gekregen op onze brieven. Nooit had jouw brief enige relatie tot die van ons.” Marx schreef over zichzelf, maar wat zijn ouders bewoog kon hem kennelijk niet boeien. Zijn vader vatte het met gevoel voor understatement samen: “Mijn zoon bezit net iets meer egoïsme dan noodzakelijk is voor het zelfbehoud.”

Jaargenoten

Jaargenoten oordeelden eveneens negatief over Marx. “Iedereen die hem tegen sprak behandelde hij met verachting.” schreef de latere minister Carl Schutz. “Elk argument dat hem niet aanstond beantwoordde hij met bijtende hoon jegens de onpeilbare onnozelheid waaruit het was voortgekomen.”

Racisme

Marx (met zelf Joods bloed) minachtte de Joden. Over een vrouw in zijn omgeving: “Ze is het lelijkste wezen dat ik in mijn leven gezien heb, een akelig Joods voorkomen, een scherp uitstekende dunne neus en die haar gehoor onderspuugt in de trance van haar extase.”

Toen een vriend van hem hem een gunst wilde bieden – omdat Karl niet met geld om kon gaan had hij veel financiële problemen – viel dit in totaal verkeerde aarde. “Het is me nu helemaal duidelijk geworden – daarvan getuigen ook de vorm van zijn hoofd en de manier waarop zijn haar groeit – dat hij afstamt van de Negers die Mozes op zijn vlucht uit Egypte begeleidden. Ook de opdringerigheid van die vent is negerachtig.”

Salonmarxist

Maar Marx had – hoezeer hij veel mensen minachtte – ook geld nodig. En als hij geld had verviel hij in een levensstijl die paste bij de door hem zo verachte bourgeoisie met volop luxe en privé onderwijs voor zijn kinderen.

Maar, zo stond er in een rapport dat de Engelse spionagedienst opstelde, “zich wassen, zich verschonen, schone kleding aantrekken zijn zaken die hij zelden doet. Hij houdt er van om dronken te worden en de hele dag gekleed op de bank te liggen slapen.”

Oftewel: maar al te vaak was Karl Marx een onaardige salonmarxist.

Bespreking door Sander van Walsum in de Volkskrant, 1 juli 2017

Bomen tellen

Ik bezocht hem in het Huis van Bewaring.

Zijn detentie zat er bijna op. Maar het was wel gewenst dat hij -eenmaal buiten de gevangenis- begeleid werd om wat meer structuur in zijn leven te krijgen.

Vanuit het dossier wist ik wel ongeveer wat er gebeurd was. Maar het is altijd handig om nog eens te checken hoe iemand zélf tegen de oorzaak van zijn detentie aan kijkt.

Hij vertelde het verhaal alsof het een vreemde was overkomen. Alsof het iets was dat onvermijdelijk was geweest. Alsof hij geen enkele invloed had.

Hij had besloten om in een park te gaan wonen. Dat was voordeliger. Maar hij wilde wel een uitkering, om een beetje te kunnen eten en roken. Meestal wiet trouwens. Maar toen hij een uitkering aan vroeg kon hij geen adres opgeven. En om een uitkering te krijgen moet je een woon-adres hebben. Maar ja, hij woonde onder een boom. Een boom-adres is geen woon-adres.

Toen was hij naar het park terug gegaan. Vanaf de hoek van de ‘grote straat’ had hij alle bomen geteld. En toen om de hoek naar de plek waar zijn tent was.

Toen was hij weer naar ‘die sociale dienst’ gegaan en hij had daar opgegeven dat hij 37 bomen van de hoek en dan 22 bomen in het bos woonde. Maar de sociale dienst zei dat dat geen adres was.

Daarom kreeg hij geen uitkering. Maar hij kreeg wel honger. En als je honger hebt steel je wel eens een brood. Maar toen had de politie hem opgepakt. Daarom zat hij nu in de gevangenis.

Het was logisch en onvermijdelijk, het kon niet anders.

Maar, zei hij, het is hier best. Het is hier warm, het is hier droog en je krijgt er eten en drinken. Dus zo gek is de gevangenis nog niet…

Puberbrein

Opeens was het psychologische ei van Columbus uitgevonden. Pubers hadden een puberbrein. Dat verklaarde alles waarom pubers zich zo gedroegen zoals ze zich gedroegen. Tot je 25e ben je in je hersens niet volwassen, dus dat kan er van alles mis gaan. En bij sommige mensen duurt de rijping van de hersenen nog wat langer.

Prof. Micha de Winter veegt verbaal de vloer aan met dit denken (de Volkskrant, 9 juni 2017). Het maakt dat er te gemakkelijk wordt gedacht dat pubers ‘er toch niks aan kunnen doen’. De neurologen die het puberbrein tot uitgangspunt van het gedrag van pubers hebben gemaakt noemt hij ‘hersenfundamentalisten’, die tieners reduceren tot ‘machteloze onrijpe prefrontale cortexen’. 

Nu is het ook weer niet zo dat Micha de Winter dus gewoon maar meent dat pubers overal verantwoordelijk voor kunnen zijn. Als die prefrontale cortex nog niet klaar is, dan moet je er kennelijk een pedagogisch hekje om heen zetten. Dat betekent: pubers afremmen, grenzen stellen, in gesprek blijven.

De Winter heeft de indruk dat opvoeders te snel afhaken. Zoals in de gemeente Utrecht, waar docenten van middelbare scholen het in de klassen niet meer durfden te hebben over de Holocaust of over homoseksualiteit, omdat de lessen dan onmogelijk werden gemaakt door jongeren met een Arabische achtergrond. “Dan heb je dus de strijd verloren”, aldus De Winter.

De discussie over wat pubers kunnen overzien in hun denken zal ook een rol gaan spelen bij de beide jongens die zijn opgepakt vanwege de dood van twee minderjarige meisjes (Bunschoten en De Glind).

Het is goed (en nodig) dat er in Nederland jeugdstrafrecht is dat rekening houdt met de verminderde impulscontrole bij jongeren. Maar dat wil niet zeggen dat ze daarmee helemaal niet de gevolgen van hun daden kunnen overzien. In ieder kind zit ook een stukje vermogen tot empathie, tot inzien van wat goed en kwaad is. Dat voelen jonge peuters zelfs al aan.

Bij jongeren die buitensporig over de schreef gaan is echter vaak sprake ‘van een gevaarlijke ballast, tjokvol kwetsbaarheden’ (de Volkskrant, 10 juni 2017). Het zijn dan niet alleen de hersenen, het is vaak de omgeving die een schadelijke rol speelt.

Het vermogen om goed en kwaad te onderscheiden kan ondergesneeuwd zijn door slechte voorbeelden, veel te weinig veiligheid in het gezin, gepest worden op school, veel spijbelen, een laag IQ, opgroeien in een achterstandswijk. De 14-jarige jongen op Urk die een vriendje doodde kwam uit een gebroken gezin met 12 kinderen, was bang voor zijn vader en zijn wereld bestond uit video-games met veel agressie. Dan is de drempel om tot agressie te komen bijzonder laag.

Gelukkig is er in Nederland jeugdstrafrecht. Als de straf wordt gegeven in combinatie met een goede orthopedagogische behandeling kunnen deze jongeren alsnog op het goede pad terecht komen. Je helpt hen niet door te denken dat het door de leeftijd kwam (‘dat brein was nog niet klaar’). Je helpt wel door hen handvatten aan te leren om alsnog de weg te vinden in hun leven. Door een relatie aan te gaan, door grenzen te durven stellen.