Fietsen door Bralim (5)

Nederweert groeit zo langzamerhand vast aan Weert. Maar via enkele buitenwegen kun je nog redelijk groen de oude stad Weert (‘de poort naar Limburg’) binnen fietsen. De gemeente telt maar liefst acht molens. Ik fiets langs de Sint Anthoniusmolen in Laar.

In Weert (40.000 inwoners) ben ik al snel bij de Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal maakt in Nederweert een scherpe bocht in zuidwestelijke richting om van daaruit naar de Belgische grens te gaan. Alleen: toen het kanaal gegraven werd was er hier nog geen grens: Nederland en België vormden één land.

De Zuid-Willemsvaart is maar liefst 122 km. lang. Het kanaal begint bij Den Bosch en eindigt ter hoogte van Maastricht. Maar er zijn ook mensen die vinden dat het kanaal bij Maastricht begint en ter hoogte van Den Bosch eindigt. Het is maar hoe je het bekijkt.

Ik moet lang wachten voor de brug: er passeren twee vrachtschepen en twee plezierjachten. Daarna fiets ik het centrum van Weert in. “Weert bruist” meldt een slogan. Dat wil ik wel eens meemaken. Wat bruist er hier dan?

Weert telt 75 rijksmonumenten. Het is al een oude stad. Helaas is er heel wat historische bebouwing verloren gegaan, o.a. in 1944. Het meest opvallende gebouw in het centrum is de Sint Martinuskerk. De toren was oorspronkelijk 104 meter hoog. Dat hij nu ‘maar’ 78 meter hoog is komt niet door de oorlog. In 1940 woei de complete spits van de toren en vaagde een hotel weg. Sinds die tijd is de toren ‘een koppie kleiner’. 

Het centrum van Weert doet vandaag bourgondisch aan. Alsof het vanmorgen niet maar 4 graden Celcius was zitten er nu tientallen mensen op de terrassen. Ik eet een boterham op een muurtje. Verschil moet er zijn.

Weert was aan het eind van de vorige eeuw geen Intercity-station. Dankzij een gerichte actie van de gemeente beloofde NS dat de Intercity’s (toen: Zandvoort aan Zee naar Maastricht) er zouden gaan stoppen, mits de gemeente er voor zou zorgen dat er voldoende in-en uitstappers waren. Het bleek een succes. Weert bleef een Intercitystation.

Maar ik stap hier niet op de trein. Ik fiets weer verder.

Fietsen door Bralim (4)

Vanuit Meijel fiets ik met onbekende bestemming in zuidwestelijke richting. Ik heb geen idee in welk dorp ik dan uit zal komen. Bij de buurtschap Roggelse Dijk kom ik bij een kanaal waar een drukke weg langs loopt. Volgens mij is dit de Zuidwillemsvaart, één van de vele vaarten die in opdracht van Koning Willem I werd gegraven om de haperende economie na de Franse tijd weer een impuls te geven.

Aan de overkant van het water ligt een fietspad dat deels onverhard is, en op andere delen is geasfalteerd. Ondanks het verkeer aan de overzijde van het water fietst het toch wel aardig en in ieder geval voorspelbaar: ‘immer gerade aus’. Als extra breekt de bewolking. Het land – bestaande uit percelen bos, weilanden, akkerbouw en een stukje heide – ziet er meteen heel anders uit.

Bij kilometerpaal 6 steek ik het kanaal en de drukke weg over en fiets buiten Ospel langs naar Nederweert. Die plaats blijkt aan een kruising van vaarwegen te liggen. Ik zie nu ook dat ik niet langs de Zuidwillemsvaart fietste maar langs de Noordervaart. Dat kanaal was door Napoleon bedacht als onderdeel van het plan ‘Grand Canal du Nord’: een rechtstreekse verbinding tussen Schelde, Maas en Rijn. Dat plan hadden de Spanjaarden al eerder bedacht en in Limburg, maar vooral in de buurt van Viersen in Duitsland zie je stukken kanaal liggen onder de naam Fossa Eugenia. Zowel de plannen van de Spanjaarden als van de Fransen zijn gestrand voor het water op vaardiepte was gebracht.

Nederweert is een uit de kluiten gewassen dorp dat tijdens de ‘Belgische opstand’ (1830 tot 1839) voor aansluiting bij België koos. Hadden de inwoners in een wetgevend referendum kunnen stemmen, dan was het dorp in 1839 een deel geworden van het Koninkrijk België.

In het dorp staat de fors uitgevallen Sint Lambertuskerk met een torenhoge toren. Door een doolhof aan bloemkoolwijken fiets ik in westelijke richting het dorp weer uit. Daarbij mijd ik de drukke provinciale wegen in dit gebied.

Naar de bollen

Louis Davids zong het al:

Naar de bollen, naar die prachtige bollen,
Waar je sprakeloos geniet, van de kleuren, die je ziet,
Naar de bollen, naar die heerlijke bollen,
Want die zie je maar eenmaal per jaar.
Alleen ging Lous Davids naar Hillegom. Ik moet je aanraden om naar de Kop van Noord-Holland te gaan. Daar zijn veel meer bollenvelden te vinden.
Donderdag had ik een werkdag in de Noordkop en ik had mijn fiets mee.
Op de terugweg naar Alkmaar stond er een stevige zuidwestenwind, waardoor de teller af en toe tot onder de 10 km (per uur) daalde. Maar ieder nadeel heeft zijn voordeel: ik had daardoor alle tijd om de bloembollenvelden visueel tot mij te nemen.
De narcissen en hyacinten zijn bijna uitgebloeid en de tulpen zijn bezig hun plek in te nemen. Sommige bollenboeren waren al bezig de tulpen machinaal te koppen. Dan wordt in een uur tijds een heel bollenveld onthoofd. Jammer voor mij maar beter voor de kwaliteit van de bollen.
Vanaf 29 april t/m 3 mei worden in Anna Paulowna en Breezand weer de jaarlijkse Bloemendagen gehouden. Dan kun je – naast de bollenvelden – ook ruim honderd bloemenmozaïeken bekijken.

Fietsen door Bralim (3)

Naar huis

’s Avonds keren de mannen/ uit de onmeetlijke velden, de lijven ontspannen, moegesloofde helden.

Maaiers, machtig, stout…/ die schoven bonden; allen, die het goud, van de aarde vonden.

‘k Hoor hun mompeldeunen/ door d’avond slaan/ de lijven lijken te leunen/ in hangend gaan.

Vier seizoenen in ’t uur. Een sneeuwbui in de voorjaarszon, zachte half op brandstof beknibbelde grond, water, pijpestro, je voeten breken/ zachte spinters biels.

Bleke, bloedeloze Peel maar boven/ in blote lucht een schitterende wolk:

hoog boven dit binnenstebuiten eiland/ een uitgeloogde ravekop.

Peter van Lieshout, 1980.

Dat is wél de ontgonnen Peel. Toen deze streek nog een oneindige moeras was viel er niet veel graan te oogsten.

Meijel

Ondertussen nader ik het einde van de Peel. Een sluis brengt mij aan de westkant van de Helenavaart. Achter de bloeiende fruitbomen doemt een kerktoren op. Dat moet Meijel zijn. Ooit was het een in strategisch opzicht belangrijke plaats, omdat hier één van de weinige ‘doorwaadbare’ routes door de Peel liep: de weg van Den Bosch naar Keulen. Terwijl Meijel lange tijd Spaans was, behoorde het nabijgelegen Helden tot Pruisisch Gelre. Dat leidde tot diverse knokpartijen.

Maar tegenwoordig is Meijel een vriendelijk dorp met een torenhoge toren (80 meter). Omdat de kerk in 1944 totaal werd verwoest staat er een nieuwer kerkgebouw waarbij wel de stijl van de vroegere kerkbouw werd aangehouden.

Land van melk en piepers (3)

In een voor mijn leeftijd aanzienlijk tempo fiets ik naar de dijk toe. Want – zoals gemeld – ik wil de zon in de Waddenzee zien zakken.

Ik kruis de Hoarnestreek, een weg die zo’n 20 km lang langs de buitenste bebouwing van de provincie loopt. De sloten door het land lijken af en toe de vroegere geulen van de Waddenzee te volgen. Dat weet ik hier niet zeker, ik ken dit verschijnsel vanuit de Kop van Noord-Holland.

Ik ontstijg mijn fiets en zie dan dat de zon helemaal niet in de zee zakt. Laaghangende zeemist maakt dat er een vroegtijdig einde komt aan de zonnestralen. Het wordt meteen ook een stuk frisser.

Bij helder weer kun je hier op de dijk drie Waddeneilanden zien. Ik kan nog wel een eind kijken, maar niet vér genoeg. Dat maakt dat de zee eindeloos lijkt te zijn.

Kijk ik naar het zuiden, dan zie ik de Slachtedyk het Friese land intrekken. Iets meer naar links staat de hoge toren van Oosterbierum fier naar de hemel te wijzen.

Een aantal stenen in de dijk geeft aan hoe deze dijk in de loop van de eeuwen steeds verder verhoogd moest worden, om het zilte water tegen te houden.

Ik stap weer op de fiets en rijd in de nu snel invallende duisternis terug naar Harlingen, waar ik deze week drie dagen aan het werk ben.

Land van melk en piepers (2)

Met alleen de autoweg in het zuiden is het verder in de polders ten noorden van Franeker opmerkelijk stil. Ik kom ook weinig verkeer tegen. De weinige fietsers die ik tegen kom hebben opvallende kuiten. Dat komt door het zwoegen in weer en wind.

Midden in de polder ligt een enorm windmolenpark. Ik vind het jammer dat Friesland zo ontsierd wordt door deze metalen giganten. Maar ja, we kunnen straks niet meer leven van het aardgas en de olie en zullen toch andere energiebronnen aan moeten ‘boren’.

Ondertussen zakt de zon in het westen geleidelijk naar de horizon. Dat brengt mij op een nieuw idee: ik wil de zon in de Waddenzee zien zakken. Harlingen is nog te ver weg, dus fiets ik in noordelijke richting waar ik aan de einder de Waddenzeedijk meen te zien.

Even verderop ligt Sexbierum, een naam die voor sommige mensen doet denken aan een losbandig leven. Maar ik kan jullie geruststellen: ik ken verschillende mensen die in dit dorp wonen of er uit afkomstig zijn en die hebben allemaal een zeer degelijke inborst.

Ik bevind me hier op de Slachtedyk. Zoals Noord-Holland zijn Westfriese Omringdijk heeft, zo heeft Friesland de Slachtedyk. Het is een 42 km lange slaperdijk, die vanaf de Waddenkust tot voorbij Sneek loopt. In 1825 hield de dijk voor het laatst het zeewater tegen. Daarna ging de dijk met pensioen, langs de Waddenzee werd de dijk steeds verder verhoogd en verstevigd.

Land van melk en piepers

In Nij Altoena sla ik linksaf – een stukje over de Oude Bildtdijk, de langste straat van Nederland – en bij de volgende kruising weer linksaf. Oplettende lezertjes zullen daarbij kunnen visualiseren dat ik een stukje terug fiets. Het is net als in het gewone leven: je doet een paar stappen vóóruit en je gaat weer een paar stappen achteruit.

Het land is hier voorspelbaar, net zoals op de prairie van Iowa, waar ik ook al eens voorspelbaar heb gefietst. De polderaars van de voormalige Middelzee hebben het land in rechte stukken geknipt, met verbindingswegen die loodrecht op elkaar staan. Dicht bij de Waddenzee bestaat het land voornamelijk uit akkerbouw, meer naar het zuiden is meer veeteelt.

Zo kom ik uiteindelijk uit in het dorp Berlikum. Hier had mijn moeder haar eerste (tijdelijke) baan als onderwijzeres aan de Christelijk Nationale School. Ze moest door weer en wind vanuit Leeuwarden (Huizum) naar Berlikum fietsen.

Berlikum is ooit ontstaan als terpdorp. De terp ligt er nog. Mocht de Waddenzeedijk doorbreken, dan kun je in de Koepelkerk droge voeten houden.

De Koepelkerk is naar het voorbeeld van de moeder aller koepelkerken (Willemstad) in een achtkant gebouwd. Deze bouwstijl was al bekend uit de Byzantijnse bouwstijl, maar kwam in de 17e eeuw terug als typisch protestantse vorm van architectuur. Bijzonder was dat de achtkante bouw in Willemstad op voorschrift was van Prins Maurits: de kerk moest in deze stijl worden gebouwd, anders kreeg men geen subsidie van de Prins. De vorm van deze kerken past bij de protestantse traditie met de preekstoel centraal in het midden. Dit als antwoord op ‘volger’ Rob Albers.

Van Berlikum wordt gezegd dat het de twaalfde van de Friese Elfsteden is. Dat was ontdekt door een onderzoeker uit Alkmaar. Maar de Fryske Academie ontkent dat Berlikum ooit de twaalfde stad zou zijn geweest; ze houden het liever vertrouwd met elfsteden. De Friese Elfstedentocht komt ‘voor het geval dat’ toch maar door Berlikum. Hoeft er eventueel later niets aan de route veranderd te worden.

Na dit bezoek aan Berlikum sla ik de ogen op in westelijke richting. Langs het Berltsummer Wiid ligt een mooie fietsroute naar het dorp Ried, met zes rijksmonumenten, één brievenbus, een haventje en een kaatsvereniging.