Peelfietsen (4)

Toen ik jong was vond ik de Peel tamelijk saai. Maar inmiddels kijk ik met andere ogen.

Er zijn in dit deel van het grensgebied van Brabant en Limburg géén historische plaatsen. Er is weinig water. Er is geen spoorlijn. Maar als je geen haast hebt en je hoeft nergens naar toe is het toch niet onaardig om hier te fietsen.

De R.K. Kerk van H. Antonius Abt in Sint Anthonis

De volgende plaats is een uit de kluiten gewassen dorp: Sint Anthonis. Toch telt het nog geen vijfduizend inwoners. Het is wel de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente.

Anders dan in veel andere Brabantse gemeenten heeft Sint Anthonis een overzichtelijke gemeenteraad: zeven raadsleden voor het CDA, zes raadsleden voor Sint Anthonis Nu en twee raadsleden voor de VVD.

Opmerkelijk is dat Sint Anthonis een brinkdorp is. Het lijkt hier Drenthe wel. In het verleden schijnt het er hier wild aan toe te zijn gegaan. Ieder weekend kwamen er touringcars vol jongeren naar de vijf grote discotheken. Voor de ouderen waren er een aantal danscafé’s en een aantal kroegen. Een zondige omgeving dus voor een Sint.

Kerk en parochiehuis Ledeacker

Na Sint Anthonis brengt de weg mij in Ledeacker. Het dorp was een belangrijke bedevaartsplaats en wel omdat de kerk twee maal getroffen werd door blikseminslagen. Ik zou dan uit de buurt blijven, maar in Ledeacker gaan ze juist naar de kerk. “In 1891 kwam het tot een georganiseerde verering en kon men voortaan een volle aflaat op Donatusdag (30 juni) en in het octaaf verdienen.”

Het buurtschap Papenvoort laat ik links liggen. De Batavus Dinsdag brengt bij op deze vrijdag naar Rijkevoort.
Advertenties

Peelfietsen (3)

Het oosten van Noord-Brabant is voor mij het minst bekende fietsdeel van Nederland. Daarom heb ik er nu twee dagen gefietst.
Defensiekanaal

Vanuit De Rips ben ik via de Vinkenpeel naar Vredepeel gefietst. Daar ligt het Defensiekanaal. Ik wist niet wat er hier verdedigd moest worden, maar het feit dat het kanaal in 1939 werd gegraven maakt al iets duidelijk. Hier lag een verdedigingslinie tegen de Duitsers. En die linie heeft ook even stand kunnen

Twistweg in Vredepeel

houden tegen de oprukkende Duitse troepen.

Het gebied is een stukje veenkolonie met rechte wegen en rechte vaarten. Na een haakse bocht kruis ik het Afleidingskanaal: de verbinding tussen de Vredepeel en de Maas. 

Monument en kerk in Westerbeek

De zon staat al vrij laag boven de velden als ik Westerbeek binnen fiets. ooit had ik een collega met de achternaam Westerbeek. Dankzij mijn associatieve geest wist ik wel dat het dorp bestond, maar ik was er nooit geweest. De naam van het dorp is trouwens nog geen honderd jaar oud en het dorp is nog geen tweehonderd jaar oud. Net als elders in de Peel is het ontstaan doordat turfgravers zich hier vestigden.

Het dorp maakt op mij een wat slaperige indruk, maar dat is niet bedoeld om de inwoners wakker te schudden. Het is een verstild dorp met een brievenbus en een monument ter gedachtenis aan de bemanning van een neergestorte bommenwerper. Er is ook een watertappunt, maar daar komt geen water uit. Ik zal droog verder moeten fietsen.

Molen en kerktoren in Oploo

Ik volg de weg die ongeveer parallel loopt aan de Oploosche Molenbeek en kom na vier kilometer in het dorp Oploo uit. Dat is een wat groter dorp met twee molens en een kerk. Er heeft ook een kasteel gestaan, maar dat is ingestort. Ik ken het dorp vanwege een antroposofische instelling voor mensen met een verstandelijke beperking (Bronlaak). 

Altijd heb ik de neiging om meteen ook even een kijkje te nemen op zo'n terrein, maar deze keer besluit ik toch maar om verder te fietsen. Dat doe ik in noordelijke richting zonder enig idee te hebben wat het volgende dorp is.

Peelfietsen (2)

Als ik dan toch op de fiets zit moet ik ook maar verder fietsen. Ik fietste Deurne uit in noordelijke richting. Want een goed kompas wijst altijd naar het noorden.

Ik kom door de buurtschappen Bankert en Hoeven. Het is niet logisch om daarna af te slaan, maar ik doe het toch. Ik wil wel eens weten wat Milheeze voor een dorp is. De kerktoren wenkt mij al van verre.

De kerk blijkt helemaal niet

Milheezeoud te zijn. Het is een zogenaamde waterstaatskerk, ontworpen door de mannenbroeders van Rijkswaterstaat. Ze bouwden in de 19e eeuw niet alleen sluizen en bruggen, maar ook kerken. In Milheeze was vroeger ook een Lourdesgrot, maar daar waren er zo’n honderd van in Noord-Brabant. 

Milheeze is niet klein, maar zeker niet groot. De mensen groeten mij vriendelijk en doen op dit moment geen vlieg kwaad. Maar wat ik hier verder zou kunnen doen weet ik ook niet. Dus neem ik een weggetje noordwaarts, dat langs diverse recreatieterreinen blijkt te leiden. Die

Klotterpeel

terreinen liggen allemaal aan de rand van een uitgestrekt bosgebied: de Stippelberg. De naam verwijst naar steile zandduinen die hier ontstonden toen de streek nog niet bebost werd. Die werden stippels genoemd. Later werd er een uitgestrekt dennenbos aangelegd.

Dwars door het bos lopen een paar smalle waterlopen. Er is ook nog een klein stukje Peel (als heidegebied) overgebleven: de Klotterpeel. 

Dan kom ik weer in een dorp: De Rips. Hier ben ik nog nooit geweest. Er valt ook niet veel te beleven, al kun je er op een terrasje koffie met appelgebak nuttigen. Eigenlijk had ik even een rondje door het dorp moeten fietsen, misschien zou ik dan nog fantastische dorpsgezichten krijgen. Maar het is al vier uur in de middag. Dan is de tijd van dralen ook voorbij. Dus fiets ik weer verder langs de rechte rijksweg. Maar dan ben ik al snel zat. Dan maar rechtsaf. Geen idee waar ik dan uit kom.

De weg blijkt nog door te lopen ook. Het is een zeer dun bevolkt gebied,

Defensiekanaal

langs deze smalle landweg staan maar twee huizen. Dan kom ik uit op één van de vele kanalen die de Peel (sinds de turfwinning) doorsnijden. Ik heb geen idee hoe de structuur hier ongeveer verloopt. Even verderop zie ik een brug.

En waar een brug is is meestal ook een weg. En dat klopt. De voorspelling is uitgekomen. Ik kan weer verder fietsen...

Peelfietsen (1)

Laat ik bij het begin beginnen. Ik was dus in Deurne, maar ik kwam uit Eindhoven. Valt in die omgeving nog iets te beleven?

Zoals ik al eerder meldde: Eindhoven heeft een mooie fietsomgeving. Deze keer fiets ik in noordelijke richting de stad uit. Eindeloze asfaltbanen waar auto’s rijen dik zich in twee richtingen voortbewegen. Daarnaast groenstroken en dan veel hoogbouw uit de jaren ’60, ’70 en ’80. Er wordt wel gemopperd op de Oostduitse Plattenbau, maar dit is ongeveer hetzelfde. Trouwens: de Plattenbau was destijds een Nederlandse vinding.

Eenmaal buiten de stad ziet het er allemaal best groen uit. Weilanden die worden afgewisseld door stroken met bomen of struikgewas. Het eerste

Sint Petrus Banden kerktoren en kerk

dorp is het tweelingdorp Son en Breugel. De dorpen liggen pal naast elkaar met het riviertje de Dommel er tussen. Hoewel er hier al mensen in de Steentijd woonden is er nauwelijks historische bebouwing.

In Son staat een eenzame kerktoren. De oude kerk brandde af in 1958. Er (los) naast staat een nieuw kerkgebouw.  Dat is echter niet meer in gebruik en staat er licht wanhopig en tamelijk desolaat bij, omgeven door hekken die waarschuwen voor asbest.

Breugel Sint Genovevakerk

In Breugel is de kerk wel blijven staan naast de toren. De toren ziet er tamelijk gedrongen uit, en dat klopt ook wel. Het bovenste deel is er afgewaaid en men heeft er daarna nooit meer een hoge toren van gemaakt. Ook in Brabant weet men dat hoge torens veel wind vangen.

Wilhelminakanaal bij Lieshout

Na Son en Breugel duik ik het Brabantse platteland in. De weg kronkelt door allerlei buurtschappen en bij het dorp Lieshout kom ik bij een brug die mij droogvoets aan de overkant van het Wilhelminakanaal brengt. Het kanaal werd destijds ontworpen om Eindhoven en Tilburg een verbinding met de Maas te geven. Het komt ten noorden van Helmond uit op de Zuidwillemsvaart.

Toren Sint Trudokerk Stiphout

Na Lieshout duik in de bossen in.  Een mooi gezicht vanwege al het prille groen aan de bomen. Ik heb geen idee welke plaat er straks gaat volgen en ook geen uitzicht: er staan bomen voor. Maar de volgende plaats blijkt Stiphout te zijn, met ook al weer een losse toren zonder kerk. Midden in het dorp is eind 19e eeuw een grote (toen) nieuwe kerk verrezen: de Sint Trudokerk. De naam verwijst naar Sint Truiden (in België).

Stiphout is in de Rooms-Katholieke Kerk bekend vanwege het Mirakel van Stiphout. Toen de kerk afbrandde haastte een plaatselijke boer zich naar de plaats waar de hosties bewaard werden. De pastoor zag het gebeuren en hoe het vuur zich splitste zodat de boer bij de hosties kon komen. Een soort doortocht door de Schelfzee dus, maar nu door het vuur.

Als ’t hemels vier dees kerk soo schrikkelijk dee blaekenen branden

dat geen mensch daar cost ontrent genaecken

laat Jan Baloys syn ploech en met pastoors consent

haelt ongeseert uit ’t vier het heylich sacrament

In wereldse kring was Stiphout bekend vanwege de profronde onder wielrenners. Maar toen de sponsoren afhaakten stopte ook de profronde. Alleen ik ben hier nog op de fiets. Maar ik hoef ook niet te worden gesponsord.
Zuidwillemsvaart Helmond

Door het mooie Warandepark fiets ik Helmond binnen. Helmond is zo’n stad waar het voor opeenvolgende gemeentebesturen moeilijk is geweest om de plaats meer aantrekkelijk te maken. Weinig historie, de industrie trok weg en de plaats verpauperde.

Zuidwillemsvaart Helmond

Ook in politiek opzicht is Helmond een complexe plaats, met 11 politieke partijen in de gemeenteraad. Er deden zes lokale partijen mee aan de verkiezingen. De grootste partij is Groen Links met zes van de 37 zetels. Zie uit zo’n kluwen maar eens een college van B & W samen te stellen.

Ringo wil niet naar Helmond verhuizen, want de bijnaam van de inwoners is Kattenmeppers. Het verhaal gaat dat katten vroeger als delicatesse op het menu stonden.

Eén van de dingen waarbij Helmond opvalt is de (moderne) architectuur. Er is geen historische binnenstad maar in Helmond Brandevoort heeft men zo’n stad proberen na te bouwen. Destijds was ik enthousiast over het idee, maar inmiddels vind ik het veel te veel ‘nep’. Een oude stad moet ‘rijpen’ en komt niet van de tekentafel.

Kubuswoningen Helmond

Bekend in Helmond zijn ook de kubuswoningen (hetzelfde ontwerp als bij Rotterdam Blaak). Ze zien er in Helmond beter geconserveerd uit dan in Rotterdam. Overal door de stad vind je projecten met moderne en soms gedurfde architectuur, soms niet geslaagd, maar er zijn (vind ik) ook bijzondere projecten bij. Je kunt zeggen wat je wilt, maar men doet zijn best om er iets van te maken.

Eigenlijk bestaat Helmond trouwens niet. Het is een verzameling aan kernen die zich over een lengte van ongeveer 10 kilometer van west naar oost uitstrekken. De stad telt in totaal tegen de 100.000 inwoners. Katten heb ik in Helmond niet aangetroffen.

Helmond ligt aan de rand van de vroeger desolate moerasgebieden van de Peel. Een kronkelende weg leidt mij verder oostwaarts naar Deurne. Over die plaats heb ik al geschreven.

Zandmotor

Deze keer zijn we dichter bij huis. Het was een uurtje fietsend balanceren tussen de stad Den Haag en de kassen van het Westland. En toen waren we bij de Zandmotor. 

De smalle duinenrij voor de kust van het Westland is kwetsbaar. Bij zware storm zou de rij door kunnen breken. Dan zouden honderdduizenden bewoners benevens veel tomaten, paprika en prei last krijgen van natte voeten.

De oude oplossing was een stevige dijk, zoals de Hondsbossche Zeewering bij Petten. Maar voor de kust van het Westland werd gekozen voor een andere oplossing. Er werd veel zand opgespoten voor de kust, waardoor er een kunstmatig schiereiland ontstond.

Inmiddels ligt er een uitgestrekt zandgebied voor de kust dat menige storm heeft doorstaan. Dankzij dit project hoefde er al tien jaar geen extra zand meer op het strand opgespoten te worden.

Nadeel was dat de stroom vanuit de nieuw ontstane lagune bij lager water  zeer sterk was waardoor zwemmers en zelfs waders gevaar liepen. Dus moesten er enkele maatregelen worden genomen teneinde het gevaar letterlijk in te dammen.

Maar de Zandmotor ligt er nog en doet zijn werk. Het strand is qua breedte meer dan verdubbeld. En dat gaat min of meer vanzelf dankzij de stroming.  

Saaksum

Vanwege pedagogisch kluswerk bevond ik mij in het hoge Noorden. Dan moet ik natuurlijk ook weer even op de fiets. Zo kwam ik in Saaksum terecht.

Saaksum ligt in het Groningse Westerkwartier. De wegen zijn hier zeer kronkelend. Dat komt door de grillige loop van het Reitdiep, de vroegere verbinding van de stad Groningen met de Noordzee.

Saaksum ligt onder de rook van een wat grotere plaats: Oldehove. Maar wees gerust: uit Oldehove komt weinig rook. Er is nauwelijks industrie en de 1500 inwoners van het dorp roken lang niet allemaal.

Saaksum is een beschermd dorpsgezicht. Het is een wierdedorp. De mensen woonden hier op terpen, omdat het land regelmatig overspoeld werd door het water van de zee.

Ik dacht dat de kerk ook erg oud was, maar dat is niet het geval. Alleen de toren is antiek. Het kerkgebouw zelf dateert uit 1850. Een vorig exemplaar was afgebroken en op die plek werd een nieuwe kerk gebouwd, maar wel in de stijl van zijn voorganger.

Hoewel niet zo oud, werd de kerk liefdevol gerestaureerd. Dat was ook nodig: het dak lekte, het orgel was door alle nattigheid onbespeelbaar en je liep grote kans om door de vloer te zakken.

Vroeger stond er in Saaksum nog een school. Daar is het dorp (met 90 inwoners nu te klein voor). Er is zelfs geen brievenbus meer. Maar de vroegere onderwijzer Rosingh hield van de Groningerlandsche taal. Zo vermeldde hij de volgende dialoog:

Pyt. – Dag Klaas! hou gait ‘t?
Klaas. – Nog zond; hou gait joe?
P. – Nog al mooi zond; hou gait ’t hûs?
K. – Ook nog goud; bi joe ook?

Mocht je dat niet kunnen lezen, de meeste Groningers zijn prima te verstaan. En ook aardig. Dus breng eens een bezoek aan dit hoge Noorden!

Langs de Merwede

Door alle inpolderingen in de Biesbosch ontstonden er nieuwe polders: waarden. Met allemaal hun eigen naam.

De Bandijk brengt mij langs de Polder Oude Hardenhoek, de polder Binnenjager, de Middelste Kievitswaard, de Kleine Muggenwaard, de Galeiwaard, de Kalverwaard en de Polder Keizersguldenwaard. Daarna komt de brug over het Steurgat, één van de oude kreken die nog altijd diep het land doorsnijdt. Tien kilometer zuidelijker ligt een fietsveer over de Steur, maar die vaart nu niet. Dit is de enige manier om uit dit gebied te komen.

Hier begint de bedrijvigheid. Want de inwoners van Werkendam zijn een nijver volk, dat over de hele wereld zijn sporen na heeft gelaten, vooral vanwege de baggerindustrie. Langs de Merwede is veel metaalindustrie, die vooral een relatie heeft met de scheepsbouw. Vroeger vonden veel mensen werk in de grienden. De takken van de wilgen werden gebruikt voor de dijkverzwaring.

Ook Anton Mussert groeide hier op. Hij kwam van buiten, en bleef min of meer een buitenbeentje. Zijn vader was hoofdonderwijzer van de openbare school. Aan het begin van zijn biografie lees je veel over het dorp Werkendam in de crisisjaren.

Werkendam is een stevig gegroeid dorp met zo’n 13.000 inwoners. Het oude centrum (langs de dijk) telt een aantal voorname woonhuizen. De Maranathakerk is van na de oorlog. In 1944 werden hier veel gebouwen stukgeschoten. De Merwede was de grens tussen het bezette Holland en het bevrijde Noord-Brabant.

Werkendam is ook een zeer kerks dorp. Op zondag kun je in het dorp kiezen uit kerkdiensten in maar liefst tien protestantse kerkgebouwen, allemaal aan de rechterflank van de kerken. Werkendam is dan ook een dorp in de Bible Belt. 

Er vaart een veerpont naar Hardinxveld, maar ik ben te laat: de laatste afvaart is al geweest. Dus fiets ik verder over de dijk, die ik als ‘jongeling’ regelmatig befietste. Nog altijd zijn er weidse vergezichten over de brede en drukbevaren rivier, maar aan de landzijde rukt de bebouwing op.

Dan ben ik bij de Merwedebrug. Dag in dag uit en op ieder moment van de dag en van de nacht dendert het zware vrachtverkeer over deze brug. Geen wonder dat het metaal daar moe van werd. Ik heb deze brug zien bouwen en vaak fietste ik naar de brug om te kijken hoe het met de bouw gesteld was. Toen de brug geopend werd mochten we als kinderen met vlaggetjes uitgedost naar Koningin Juliana staan zwaaien.

Gorkum zat destijds klem tussen de Merwede, de autowegen en de grens met de provincie Gelderland. Burgemeester Jonkheer Ridder van Rappard kwam toen met het idee om een groot deel van de destijds verpauperde historische binnenstad af te breken en te vervangen door hoogbouw. Gelukkig is dat plan gesneuveld. En doordat de provinciegrens een paar kilometer oostelijk kwam te liggen kwam er voldoende ruimte voor uitbreiding.

Ik fiets naar het station en neem daar de Arrivatrein (de Merwelijn is geprivatiseerd) naar Dordrecht. 
De overstap op dit station (zie foto) brengt mij vervolgens in een half uur naar Delft. In vier uur tijds kun je als fietser heel wat zien en beleven...