Dat voorspelt nattigheid

Hoe ik er verzeild raakte weet ik niet, maar na 120 kilometer fietsen bevond ik mij in Rozenburg aan de Nieuwe Waterweg. Daar voorspelde ik nattigheid.

Nee, ik ben géén Erwin Krol. En mijn wolkenboek (over allerlei typen wolken compleet met ingewikkelde latijnse namen) had ik ook niet bij me. Maar ik dacht wel: ‘ik ben nu nog droog, maar straks ben ik nat’. 

Helaas zit in corona-tijd alles dicht. En het lokale bushokje bood géén beschutting: alle ruiten waren ingeslagen. Onder een boom gaan staan leek me geen veilige optie. Een vallende tak kan hard aankomen.

Er zat niets anders op dan achter een muur gaan staan en daar mijn regenkleding aantrekken. De wind zwol aan, de bomen kraakten en zelfs hagel striemde het wegdek.

Na twintig minuten was de bui voorbij en kon ik alles weer uittrekken. Nee, niet alles, alleen mijn regenkleding.

Zonsopkomst én zonsondergang

Het was Stille Zaterdag. In de media werd niettemin gewaarschuwd voor teveel verkeer op straat. Als je 1½ meter afstand moet houden wordt dat lastig in de spits in een dichtbevolkt land.

Ik kreeg ook een mail van de Fietsersbond (waar we al vanaf het eerste jaar van het bestaan lid van zijn). Destijds was het de ENFB (de Echte Nederlandse Fietsersbond),  maar toen spande de ANWB (de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond) een rechtszaak aan: zij waren dé Nederlandse fietsersbond. Hoewel de ANWB zich in de jaren ’60 vooral op de belangen van automobilisten richtte verloor de ENFB de rechtszaak. Sinds die tijd boycot ik de ANWB.

Maar goed, dit terzijde. Ik kreeg dus een mail om op Stille Zaterdag niet op de fiets te stappen, maar de fietspaden over te laten aan mensen uit vitale beroepen die naar hun werk moeten. En als ik dan tóch wilde fietsen: dan vóór 10 uur of na 16 uur.

Dat begreep ik niet helemaal, want mensen uit vitale beroepen zitten vaak juist vóór 10 uur of na 16 uur op de fiets. Maar goed: ik besloot aan de oproep gehoor te geven. Ik zat vóór 10 uur en ná 16 uur op de fiets. In dier voege maakte ik zowel de zonsopkomst als de zonsondergang mee.

Tussendoor was ik thuis. Thuis had ik ook een vitale functie. Ik heb het huis grondig gezogen. Met de Dyson stofzuiger die ik voor mijn verjaardag had gekregen. Maar verder maak ik geen reclame…

Ik stapte om kwart over zes op de fiets. Het daagde in het oosten, maar het licht scheen nog niet overal. Er stond een frisse oostenwind. De Batavus bracht mij naar Delfgauw. In het buitengebied maakte ik eerst een foto richting het donkere westen. Daar scheen de maan.

Daarna maakte ik een foto richting het oosten. Daar kondigde de zon zich steeds nadrukkelijker aan. Ondertussen lieten de vogels luidkeels van zich horen.

In het gebied tussen de gemeenten Pijnacker/Noortdorp, Delft, Lansingerland (o.a. Berkel & Rodenrijs) en Rotterdam gaan de laatste stukjes authentiek land op de schop. Er worden ontsluitingswegen aangelegd en ter compensatie worden er plukjes parkachtig land aangelegd. Zo ook de Tolhek als buffer tussen Pijnacker en het dubbeldorp Berkel & Rodenrijs. Beide tuinbouwdorpen zijn inmiddels uitgegroeid tot forensenplaatsen met zo’n 35.000 inwoners. Als er geen groene buffer zou worden aangelegd zouden ze binnen tien jaar aan elkaar vastgeklonken zijn.

In die groene buffer zag ik om vijf voor zeven de zon boven de bomen en het water opstijgen. En de vogels bleven maar veel kabaal maken en soms zelfs ruzie. Zwanen verdreven ganzen en die verdreven weer eenden. En een paar Nijlganzen kregen ruzie met elkaar. Stijgen er bijna geen vliegtuigen meer op, krijg je dit weer. En dat op Stille Zaterdag.

En toen werd het 4 uur in de middag. Ik besteeg mijn Batavus weer en fietste via Barendrecht (de Heinenoordtunnel) de Hoekse Waard binnen. Daarna in oostelijke richting over de dijk langs de Oude Maas naar Oud Beijerland. Daar bleek het veer niet te varen, dus door naar Nieuw Beijerland. Daar nam ik het veer naar Spijkenisse. Met een wijde boog kwam ik uiteindelijk via de Beneluxtunnel in Vlaardingen uit. Daar fietste ik weer Midden-Delfland binnen.

Onderweg stuitte ik op een groep schapen en lammetjes die besloten hadden de weg te verliezen boven het grasland. Dat leek me niet zo verstandig: op asfalt groeit weinig gras en Zuid-Hollandse automobilisten verwachten zelden Texelse schapen. Dus bleef ik steken in schaapachtig gezelschap.

Toen de Batavus en ik weer verder konden gaan zag ik in het open land nog nét een klein stukje zon boven de horizon (de vierde foto). Daarna fietste ik door Midden Delfland verder terug naar Delft. De lucht kleurde in steeds meer tinten oranje en rood en boven de sloten verschenen de eerste mistflarden.

Ondanks de gebroken fietsdag telde de fietsteller er 77 fietskilometers bij op. En ik had op één dag een zonsopkomst en een zonsondergang meegemaakt.

Retourtje Maassluis

Gisteren moest ik nogal wat sociale zeilen bijzetten. Eerst ging ik op ziekenbezoek, daarna was er een verjaardag, vervolgens een 12½-jarig huwelijksfeest en tenslotte ging ik op bezoek bij mijn broer. De verbindende factor was de fiets.

Ondertussen zette ik de Strava aan. Dat is toch wel een leuk speeltje om te kijken hoe ik ben gefietst. De weg uiteindelijk naar Maassluis was weinig logisch. Dat kwam door de wind die zichzelf af en toe gevaarlijke krachten aangemeten had. Meerdere malen ben ik – vanwege de veiligheid – even gaan lopen.

Vanuit de kerk (het 12½ jarig huwelijksfeest) fietste ik via het doolhof van de wijk Tanthof de polder in. Daar werd ik voluit gegrepen door de wind benevens een stortbui. Overal wind en geen plek om te schuilen.

Bij Schipluiden twijfelde ik of ik linksaf en rechtsaf zou gaan, maar in de Spreuken van Salomo staat dat de geest van de wijze zich naar rechts keert en de geest van de dwaze keert zich naar links. Ik sloeg dus linksaf. De reden was voornamelijk van windgevoelige aard. Ik vreesde dat ik op de oude trambaan naar Maasland teveel wind zou vangen.

Langs de weg richting Vlaardingen – dwars door de groene buffer van Midden Delfland – staat een aantal huizen en er zijn ook bomen, zodat ik af en toe in de luwte fietste. Daar waar de weg even een bocht maakt werd ik voluit gegrepen door de wind. Die kondigde meteen ook maar een nieuw schip met zure appels aan. Ik had het gevoel dat mijn fiets onder mij vandaan werd geblazen. Dat zou ook wel kunnen want mijn fiets weegt 15 kilo en ik ben vijf keer zo zwaar. Lichtere voorwerpen worden eerder door de wind meegenomen. Je ziet het voor je: de fiets die wegwaait en een bejaarde fietser die in de lucht hangt.

In de buurtschap De Kapel sloeg ik rechtsaf (nu dus wel), met links van mij de noordelijke rafelranden van de gemeente Vlaardingen. De wind was zo sterk dat ik niet sneller fietste dan ongeveer 10 kilometer per uur. Af en toe heb ik gelopen omdat ik dat veiliger vond (met name bij veel zijwind).

In het noordwesten van Vlaardingen ligt een uitgestrekt parkachtig gebied. Je kunt er echter slechts met een omweg komen: de eerstvolgende brug over het water ligt bijna 3 kilometer naar het zuiden. Maar toen ik in het park fietste boden de bomen en struiken doorgaans een redelijke beschutting tegen de harde wind. Ondertussen werd het geleidelijk donker.

Bij de Krabbeplas was de fietsroute afgesloten en moest ik zigzaggend door het park mijn weg vervolgen. Maar Maassluis was niet ver meer. Nog vijf kilometer door het (weer meer) open land en toen fietste in de bebouwde kom van de stad van Abraham Kuyper en van Maarten ’t Hart binnen.

De buitenwijken van Maassluis zijn vrij groen en in een parkachtig gedeelte zag ik het achterlicht van een gevallen fiets branden. Ik ging maar even op onderzoek uit: er kon zomaar iemand over een tak zijn gevallen. Er bleek een jongen aan de fiets vast te zitten die inderdaad was gevallen. Zijn voet zat klem tussen de spaken. Met nogal wat moeite lukte het in het donker om hem te bevrijden uit zijn symbiotische relatie met de fiets. Volgens hem had hij verder geen pijn en kon hij zelfstandig zijn huis bereiken.

Maassluis bestaat voor 95% uit nieuwbouw die zich over een lengte van 6 kilometer langs de Nieuwe Waterweg uitstrekt. Er is een klein historisch gedeelte rond de haven achter de sluis naar de Maas. Daar staat ook de Grote Kerk met een beroemd orgel. Ik maakte nog even een foto en fietste daarna door naar mijn broer.

Voor de terugweg koos ik voor een westelijke route. Nu had ik de wind mee en fietste soms meer dan 25 kilometer per uur. In het donker is het niet zo verstandig om alles uit je fiets danwel de beenspieren te halen, want je weet niet wat voor rommel er als gevolg van de harde wind op straat ligt. Ik hield me dus een beetje in.

Al zigzaggend bereikte ik onze woonplaats weer. Ik had koude voeten gekregen (een fietserskwaal), maar in huis was het lekker warm.

 

Sneeuwfietsen

Rond 2010 ontwikkelde zich in mijn hoofd en benen een nieuwe hobby: die van het sneeuwfietsen. Als het ging sneeuwen pakte ik de trein en reed de sneeuw tegemoet.

Deze winter is die hobby in het regenwater gevallen. Er viel nergens in de bereikbare omgeving sneeuw te bekennen. Maar afgelopen week dacht ik toch nog een kans te hebben: het zou mogelijk in Zuid-Limburg gaan sneeuwen.

Om half 9 zat ik klaar voor de treinstart. Maar een blik op een Limburgse webcam liet geen sneeuw, maar wel regen zien. Ik ben geen mooiweer-fietser, maar de hele dag regen en kou: dat is een zelfteistering die ik mezelf niet aan wil doen. Dus ik bleef maar thuis: er lag nog genoeg werk.

Een paar jaar geleden nam ik de trein naar Stolberg (voorbij Aken) om een eindje te gaan ‘heuvelen’. Bij Stolberg ligt de Vennradbahn, die is omgebouwd tot spoorlijn. Je kunt helemaal tot Luxemburg door fietsen. Zó ver ben ik in één dag nog nooit gekomen.

Bij mijn weten was er die dag helemaal geen sneeuw verwacht, maar opeens, bijna direct na een stukje viaduct dat de toegang vormt tot deze fietsroute, lag er sneeuw. Die bleef nog liggen ook. En dat in de eerste week van maart.

Het enige probleem vormde de afdaling terug naar Aken (bij Kornelimünster): het werd glad door een opvriezend wegdek en bovendien donker. Af en toe ben ik maar even gaan lopen…

Om toch een beetje aan sneeuw te denken plaats ik enkele foto's van een fietstocht van zeven jaar geleden (begin maart) toen er nog echte winters met sneeuw bestonden (...).

Huisarrest

Eigenlijk ben ik ontzettend zielig. Ik wil naar buiten en ik moet binnen blijven.

Zoals ik mijn moeder wel vaker heb geciteerd: “Henk knapt pas op als hij naar buiten mag.” Wat dat betreft was ik als eerstgeborene Ezau in huis, die op jacht ging. Mijn jongere broer bleef het liefste binnen bij de potten en pannen van zijn moeder: dat was Jakob.

En zoals ook al eerder gemeld: ooit ben ik toch stiekum het ouderlijk huis ontvlucht. Ik was toen 8 of 9 jaar en zat al een week binnen. Mijn moeder ging ’s middags altijd een uurtje rusten. In die tijd stapte ik een uur op de fiets. Ik ben er niet zieker van geworden.

Maar als ik binnen moet blijven, blijf ik ook ziek. Als mijn moeder gelijk had, tenminste. Ik maakte met de telefoon (daardoor is de foto niet al te best) een plaatje van het uitzicht vanuit onze woonkamer. Moet je kijken: al die crocussen in bloei!

Ik vraag me af: zal ik toch even naar buiten gaan? Tineke heeft vandaag een werkafspraak in Noord-Brabant. Zij merkt er als controlerend geneesvrouw dus niets van... Dus toch nog even de Batavus Dinsdag consulteren? Die staat ook maar zielig alleen in de garage...

De winter van 1929

Het wil dus maar niet vriezen. Ik hoor mensen zeggen dat de Elfstedentocht inmiddels historie is geworden. Althans: op de schaats. Op de fiets kun je hem nog steeds rijden.

Maar hoe zat het met de winter van 1929. Mijn moeder kon zich die winter nog goed herinneren. Ze vertelde ook dat ze in de herfst bijna niet kon lopen vanwege de wintervoeten/tenen. Volgens haar en Hans Pelleboer was dat een aankondiger van een strenge winter.

Maar die winter van 1929 wilde ook niet echt doorzetten. Het had half januari ’s nachts even heel flink gevroren, maar overdag zat de temperatuur toch dicht tegen het vriespunt aan.

Pas rond 12 februari kwam er een koude-inval. Begin februari ging het op de Balkan en zelfs in Italië hard vriezen, een week later was Polen aan de beurt en op 11 februari viel de kou Nederland binnen. Het ging direct hard vriezen, met zelfs overdag strenge vorst. De koudegolf hield lang aan: ook begin maart vroor het nog stevig. Het leek wel of de winter gewoon twee maanden was opgeschoven…

Tijdens die strenge vorst brandde - zoals eerder gemeld - het stadhuis van Leiden af. Het bluswater bevroor vrijwel direct. Of de strenge winter van 1929 ook de beurscrash van Wallstreet heeft veroorzaakt vermeldt het KNMI niet.

Waar gaat de zon onder?

Gisteren bleek onverwachts de zon her en derwaarts te gaan schijnen, vooral in het zuidwesten. Ik had geen afspraken en zette mijn fiets op de trein naar het zuidwesten. Mijzelf trouwens ook.

In Rilland-Bath stapte ik uit. Daar scheen namelijk de zon. Ik fietste naar de Westerschelde. Ik hield halt bij één van mijn favoriete plekjes: de dijk langs de Westerschelde bij het Nauw van Bath.

Vervolgens fietste ik België in. In de loop van de dag besloot ik mezelf te helpen door mezelf een eindje met de trein te verplaatsen. Helaas raakte er iemand in de trein bewusteloos. De trein bleef in Mol steken in afwachting van medische hulptroepen. Dus besloot ik de Batavus Dinsdag maar weer te beklimmen.

Toen ik bij Luykgestel de grens over was gefietst kwam de zon weer tevoorschijn. Hij ging ook meteen maar onder. We weten nu dus dat de zon in januari in Noord-Brabant onder gaat.

Kaartloos en zigzaggend door het donker wordende land fietste ik verder in de richting van Eindhoven. Ook op de smalle landwegen was sprake van veel spitsverkeer. Veel automobilisten reden behoorlijk hard. Kennelijk zijn dat favoriete sluiproutes. Ik voelde mij mijn leven niet altijd zeker.

Rond zeven uur was ik in Eindhoven. De fietsteller had er ruim honderd kilometer bij opgeteld. Dankzij het zachte winterweer heb ik in januari ruim zeshonderd kilometer gefietst.