Het divergentiesyndroom

Al eerder noemde ik een boek van ouderenpsychiater Martin Kat uit Alkmaar. Het is een compact boek met veel informatie over de diagnostiek van psychische en psychiatrische stoornissen bij ouderen.

Diagnostiek is deels een ‘technisch’ vak en dat is aan dit boek ook te merken. Anderzijds wordt er veel casuïstiek beschreven, dat maakt het boek dan weer goed leesbaar. Aan het slot van het boek is een aantal schalen opgenomen die gebruikt worden in de zorg voor ouderen.

Ik geef één voorbeeld uit het boek over een thema dat mijns inziens nogal eens onderbelicht is: de gevolgen van een verschil in vitaliteit tussen beide partners in een relatie…

Tineke en ik merken dat uit elkaar groeien op een minder belastende manieraan den lijve. Tineke is vroeg uit de veren en functioneert dan in een hoog tempo, dat ik niet bij kan houden. Ik ben dan voornamelijk stram van lichaam en geest. Halverwege de middag begin ik op stoom te komen. Tineke heeft dan al een groot deel van haar energie verbruikt. Ergens tussen 14 en 16 uur hebben we een moment dat we elkaars tempo kunnen volgen....

Uit elkaar groeien

Het lijkt zo mooi, samen oud worden. Maar het kan ook ingewikkeld zijn. Bijvoorbeeld als er verschil in vitaliteit ontstaat.

Meneer van Beuzekom is 75 jaar oud, zijn vrouw is 55 jaar. Ze kregen twee kinderen, die nu volop aan het puberen zijn.. Voor meneer van Beuzekom is het allemaal veel te druk. Hij kan de interacties met zijn kinderen niet bijbenen. Bovendien verwachten ze van hem dat hij nog aan val alles mee doet en ook mee gaat naar een spannend pretpark. Bovendien moet hij in het weekend optreden als privéchauffeur om zijn dochter veilig thuis te brengen. Zijn vrouw verwijt hem dat hij te weinig bij de les is en te weinig beschikbaar voor zijn kinderen.

Eigenlijk zou meneer Van Beuzekom de opa van zijn kinderen moeten zijn. Van een opa mag je verwachten dat hij wat trager is. Dat hoort zelfs een beetje bij de ‘leukheid’ van opa’s.

Als je vitaal 60 en actief 40 bent valt het verschil in leeftijd misschien niet zo op. Maar iemand van 75 jaar, die wordt al best oud, vergeleken met iemand van 55 jaar.

Maar ook bij gelijke leeftijden kan het ouder worden met grote verschillen in vitaliteit gepaard kan. Dat noemt psychiater Martin Kat in zijn vorige week verschenen boek over ouderenzorg het divergentiesyndroom. Dat kan optreden bij partners die samen oud worden, maar bij wie een groot verschil in vitaliteit ontstaat.

Meneer van Gasteren (78 jaar) is nog volop actief. Hij heeft tal van hobby’s en gaat graag het dorp in. Het liefst maakt hij nog iedere dag een rondje op de fiets. Vroeger ging het echtpaar ieder jaar op fietsvakantie. Meneer van Gasteren begrijpt dat dat nu voor zijn vrouw teveel gevraagd is, maar hij zou nog wel graag naar een vakantiebestemming willen en dan de fiets mee. Zijn vrouw ziet dat helemaal niet zitten, ‘want dan zit ik daar maar in mijn eentje en jij bent lekker op stap’. Ze komt weinig meer buiten. Haar man heeft bijna alle taken buitenshuis op zich genomen. Maar ook dat verwijt ze hem. Een bezoek aan de supermarkt kan zomaar twee uur duren omdat hij weer tal van kennissen tegen komt.

Volgens Martin Kat kan het divergentiesyndroom één van de oorzaken zijn van depressiviteit bij ouderen. De manier waarop men elkaar vroeger wist te vinden is er niet meer, het echtpaar sluit niet meer op elkaar aan. Dat verwacht je niet na een huwelijk van ruim 50 jaar…

Drie vormen van divergentie

Martin Kat maakt onderscheid tussen drie vormen van divergentie:

a) divergentie op somatisch gebied: de één is lichamelijk nog gezond en actief, de ander is als gevolg van een wandeling van een kilometer de rest van de dag helemaal van slag.

b) psychische divergentie: de één is mentaal nog snel en flexibel, de ander kan nauwelijks meer veranderingen hanteren en heeft overal veel tijd voor nodig.

c) sociale divergentie: de één wil graag iedere dag op bezoek of ontvangt graag bezoek, houdt ervan om mensen te ontmoeten en deel te nemen aan clubs en de ander zit het liefste gewoon thuis en heeft liever geen drukte om zich heen.

Volgens Martin Kat moet je als behandelaar op deze situatie doorvragen als één van de partners met psychische problemen aanklopt.

Uit: Ouderenpsychiatrie: de praktijk. Herkennen en signaleren van psychische en psychiatrische aandoeningen. Auteur: Martin Kat. Bohn, Stafleu en van Loghum, 2019, 130 bladzijden, 29,50 euro. 

Cognitieve gevolgen van het ouder worden (11)

Jawel, beste mensen, zullen we dan maar weer? Ik hoor jullie al zuchten. Maar vrees niet: dit is de laatste aflevering in deze serie. Ik begin weer met een negatief bericht, maar ik sluit af met een positief bericht.

Het prospectieve geheugen gaat achteruit bij het ouder worden. Wat is dat? Dat is dat je iets van plan bent om te doen, maar vervolgens vergeet je het. Het meest bekende voorbeeld is dat je naar de keuken loopt en dat je daar heel iets anders gaat doen dan je van plan was. Je zou gaan afwassen, maar je eet de trommel met koekjes leeg. Daarna ga je voor de TV zitten. De afwas doe je niet.

Het zal de oplettende lezer duidelijk zijn dat er een verband bestaat tussen het werkgeheugen en het prospectieve geheugen. Beiden hebben te maken met plannen en organiseren. Om het plat te zeggen: ‘de volgehouden aandacht’. Die aandacht zet je soms tijdelijk op een laag pitje, maar als het tijd is activeer je die aandacht weer.

Mevrouw Belinda Pourier heeft onderzoek gedaan naar het prospectief geheugen bij mensen met de ziekte van Parkinson, mensen met dementie, met hersenletsel en na een CVA. Bij alle vormen staat het prospectief geheugen onder druk, maar ook weer op een verschillende manier. Welke verschillende manieren dat zijn, dat wordt te ingewikkeld en ik ben de clou ook weer vergeten, trouwens.

Voor de oudere lezers zal het herkenbaar zijn dat dat prospectieve geheugen – vooral als je het druk hebt – nog wel eens een steekje laat vallen. Je moet steeds meer bij de les blijven om het allemaal te kunnen organiseren.

Zo gaan er bij Tineke op de telefoon talrijke alarmen vanwege zaken waar ze zich toe moet zetten. Bij mij gaat nooit zo'n alarm. Niet omdat ik geen dingen moet onthouden, maar omdat ik niet weet hoe ik het alarm aan moet zetten op mijn telefoon. En dat wil ik graag zo houden. Anders weet ik straks niet meer waarom dat alarm gaat.

Na het slechte nieuws is het tijd voor het goede nieuws. Dat betreft het procedurele geheugen. Je valt in het water en je gaat zwemmen. Hoe kan dat nu? Je hebt al dertig jaar niet gezwommen. Dat is toch kunt zwemmen is te danken aan de kennis van je procedurele geheugen dat de zwemslag had opgeslagen.

Er zijn ook wel zaken die je ooit kon en die je nu niet meer kunt, maar die had je dus niet goed genoeg opgeslagen. Zo moest ik onlangs in een hotel de Senseo bedienen. Het gevolg was dat de prut tegen de muur zat en dat ik die avond geen koffie had. Niet goed opgeslagen dus.

Een kenmerk van het procedurele geheugen is overigens dat je je niet bewust bent dat je die kennis ergens hebt opgeslagen. Je hoeft er niet bij na te denken, het gaat vanzelf. Het zijn geautomatiseerde handelingen. En het gaat om het uitvoeren van motorische handelingen. Er gebeurt iets en je weet wat je moiet doen.

Het intoetsen van een pincode of het bedienen van een Senseo-apparaat vallen daar strikt genomen dus niet onder: je weet het en je moet er bij nadenken. Dat gaat dus niet vanzelf…

Tijdens het schrijven van deze serie ben ik weer een stukje ouder geworden. Nu nog een zwembroek kopen om te kijken of ik nog kan zwemmen. 

Zelfscannende komkommers

Gisteren zou ik boodschappen gaan doen. We hebben deze maand elke zondag zes gasten die geen voorkeur hebben voor eten, 'als het maar veel is', dus dan moet je heel wat inslaan.

Ik ben dus ook boodschappen gaan doen. Met enige tijdsdruk, want om half elf had ik een belafspraak. Dat was natuurlijk een ideale omstandigheid om ook eens iets nieuws te proberen: de zelfscan. Daar was ik op tegen, maar nu er tal van vacatures bij de supermarkt waren besloot ik om het concern een handje te helpen. In dier voege verbond ik mijn welzijn dus aan een zelfscan.

Bij de eerste boodschap raakte ik al in verwarring. Tineke had biologische prei op de lijst gezet, maar dat waren hele kleine frutselpreitjes. Daar moest ik er dan wel acht van kopen. Dus belde ik Tineke. Dat is tegenwoordig wel weer handig.

Ze gaf mij advies wat nu te doen in twijfelachtige omstandigheden. Daarop ging ik naar artikel twee: de komkommers. Oh ja, als je komkommers koopt moet je ze ook nog scannen. Maar waar was mijn zelfscan-apparaat gebleven? Niet in mijn tassen, niet in de kar, niet in mijn jaszakken. Vervolgens heb ik de komkommers en de prei nog aan alle kanten opgetild, maar een zelfscan werd tussen deze groenten niet aangetroffen.

Ik besloot weer de winkel te verlaten in de verkeerde richting (door de ingang). Dat gaat zo maar niet, dan moet je snel achter een binnenkomende gast aan. Deze handeling alarmeerde de bewaking. Ik legde mijn probleem voor en uit en ik mocht op zoek naar een nieuw zelfscanapparaat. Dat apparaat kreeg ik niet, want ik had nog een zelfscan in mijn bezit.

Dus ik ging maar weer de winkel in en op zoek naar mijn karretje. Ik had geen idee meer waar het stond. Toen ik het eenmaal gevonden had besloot ik maar weer eens opnieuw op zoek te gaan naar mijn zelfscan. Die heb ik niet aangetroffen. Na een kwartier was ik nog niet verder dan de prei en de niet gescande komkommers.

Degene die de zelfscan heeft aangetroffen krijgt vast mijn klantenkorting. Maar hij moet wel betalen voor de biologische prei die ik gescand had. Ondertussen besloot ik om zonder zelfscan verder te winkelen en gewoon bij de kassa te betalen. Nieuwe winkelmethoden: ik word er - geloof ik - te oud voor. 

Cognitieve gevolgen van het ouder worden (10)

Het temporal order geheugen gaat achteruit bij het ouder worden. Het wordt moeilijker om je 'de volgorde der dingen' te herinneren. 

Sowieso wordt de tijd meer ingewikkeld naarmate je ouder wordt. Ik heb daar al eerder over geschreven. Deels komt dat waarschijnlijk omdat de structuur van de dagen anders wordt. Mij overkwam dat ook toen ik een paar maanden aan huis gebonden was vanwege een complexe beenbreuk. Ik was de grip op de dagen kwijt. Alleen de zondag was nog herkenbaar.

Tegenwoordig houd ik een dagboek bij om de grip op de dagen vast te kunnen houden. Tineke doet dat ook. Anders weten we de antwoorden op de W-vragen gewoon niet meer: Wie, Wat, Waar, Wanneer?

Dit is dus geen kwestie van dementie, maar van normale veroudering.

Het impliciete geheugen gaat niet achteruit bij het ouder worden. Dat scheelt dan weer. Het zijn de herinneringen die je je niet bewust bent, maar die wel ergens in je geheugenkast liggen opgeslagen. Het laatje zit dicht, maar als het open schuift weet je weer wat er in ligt.

Bijvoorbeeld: je herinnert je niet meer dat er een bepaald standbeeld op het Kerkplein in Ulvenhout staat. Maar als je daar bent herken je het opeens weer. “Hé, hier zijn we eerder geweest.”

Of: je komt bij een kruising die niet actief in je geheugen ligt opgeslagen en ter plekke weet je weer dat je rechtsaf moet.

Volgens ouderenpsycholoog André Aleman zijn er 256 verschillende soorten van geheugen. Maar die kan ik toch echt niet allemaal opzeggen. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (9)

Hoe zit het met het werkgeheugen? Daar maak ik me bij mezelf al jaren zorgen over. En terecht. Het werkgeheugen gaat achteruit. Maar daarmee ben je nog niet dement. 

Voorbeelden van het werkgeheugen:

Het berekenen van 15% fooi bij het afrekenen in het restaurant.

Een lange en complexe zin die jou wordt verteld in één keer kunnen bevatten.

Een aantal stappen vooruit denken in het schaakspel

Bedenken hoeveel overstaptijd je hebt vanaf het uitstappen uit de trein t/m het instappen in de stadsbus en ondertussen in je hoofd hebben hoe je moet lopen en hoeveel tijd dat kost.

Wat dat laatste betreft: het gaat niet om het werkgeheugen als het routine is, want dan kun je dat op de automatische piloot. Als ik voor het eerst in Enschede zou komen, en daar op zoek moet naar bus 32 en dan bedenken hoeveel tijd ik nodig zal hebben, dan moet ik verschillende taken combineren en ondertussen in de toekomst kunnen kijken (plannen en organiseren). Tegenwoordig heb ik overigens geen familie meer in Hengelschede, dus het is niet nodig om er te komen.

Bedenk dus bij het ouder worden dat het in je hoofd allemaal langzamer gaat en dat je minder tegelijk kunt. Eén ding tegelijk en dan pas weer het volgende. Je hebt meer tijd nodig. Dat ga je pas zien als je het door hebt.

Mevrouw Veenstra moet overstappen van de Intercity naar Utrecht op de stoptrein naar Houten. Ondertussen galmt er een omroepbericht door het station. Mevrouw Veenstra staat even stil, beluistert het omroepbericht, denkt even na ('de stoptrein naar Veenendaal, is dat de trein die ik moet hebben?'), ze bedenkt dat het bericht niet voor haar bestemd is, gaat weer lopen zet koers naar spoor 18. 

Het goede nieuws is dat het kortetermijngeheugen bij normale veroudering niet achteruit gaat. Dus als ik een telefoonnummer hoor en het moet intoetsen op mijn telefoon gaat dat vanwege mijn leeftijd niet slechter dan vroeger. Er zijn wel andere factoren die het onthouden lastiger maken, bijvoorbeeld het zien en het horen/verstaan. Ook de concentratie/ afleidbaarheid speelt een rol.

Dertig jaar geleden kon ik dat onthouden ook al niet voor elkaar krijgen, dus bij mij is het karakteristiek. Er is geen sprake van achteruitgang, zo ben ik nu eenmaal. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (8)

Het brongeheugen gaat achteruit bij het ouder worden. Dat is natuurlijk een triest gegeven. Je zou graag willen dat het minstens op peil zou blijven. Alleen weet ik niet meer waar het staat dat het brongeheugen achteruit gaat.

Een geluk bij een ongeluk is dat het normaal is op mijn leeftijd dat ik niet meer weet waar staat dat het brongeheugen achteruit gaat. Je brongeheugen is namelijk dat je nog weet waar je iets gezien of gelezen hebt. Heb ik in een boek gelezen dat mijn brongeheugen aan slijtage onderhevig is, heb ik dat tijdens een college gehoord of was het misschien op televisie. Dat weet ik dus niet meer. Dat is één van de mankementen van het ouder worden. En ik kan het ook niet meer opzoeken omdat ik niet meer weet waar ik het gezien, gehoord of gelezen heb.

Maar er is ook positief nieuws. Je herkenningsgeheugen gaat niet achteruit bij het ouder worden. Dat wil zeggen dat als je iets terug ziet, dat je het dan ook weer weet. Dus als ik straks in een boek zie staan dat mijn brongeheugen achteruit gaat bedenk ik wel: “Oh ja, daar staat het. Daar was ik naar op zoek.”

Wij maken dat regelmatig mee tijdens sijkeltochten. Dan heeft Tineke bijvoorbeeld geeen idee waar ik het over heb (dat we ergens al een keer eerder zijn geweest). Maar als we dan weer in dezelfde omgeving zijn ziet ze opeens het licht. "Hé, daar hebben we nog tamme kastanjes geraapt."

Wat ook niet achteruit gaat is het semantische geheugen. Dat is de opgeslagen feitelijke kennis. Zo weet ik nog steeds dat de Slag bij Nieuwpoort in 1600 was. Ik was er net bij, maar het stond als plaatje op de kaart van de Nederlandse geschiedenis. En in 1525 werd Jan de Bakker vanwege zijn geloof verbrand.

Ook weet ik dat Gorinchem op de oude schoolkaart een plaats was met een zwarte rand en een rode binnenkant: plaats met 10.000 tot 20.000 inwoners. Mijn hele schooltijd heb ik zitten wachten totdat er een stip in kwam te staan. Dat gebeurde niet. Het aantal inwoners bleef bij 19.000 steken.

De feiten vergeet je dus niet zo snel. Wat wel een probleem is is het opdiepen. Meedoen aan een quiz gaat niet meer gemakkelijk. Ik weet een aantal antwoorden wel, maar ik kan er nét niet opkomen. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (7)

Dus Henk 50 gaat even moeilijk doen? Jazeker. Henk 50 bedenkt het niet zelf, maar hij haalt het uit een boek. Dat klinkt moeilijk, maar ik geef toe dat ik het ook niet wist.

Hoe zit het met de vrije uitgestelde reproductie? Geen idee wat dat is. Dat zoeken we dus op. Dat is het spontaan uit het geheugen opdiepen van informatie, zonder dat je daar een zichtbare herinnering aan hebt.

Een voorbeeld is: het je zonder een boodschappenlijstje herinneren wat de benodigde zes boodschappen zijn. En het antwoord luidt: dat vermogen gaat bij veel mensen drastisch achteruit. Dat is geen kwestie van dementie. Het hoort gewoon bij het ouder worden.

Er is overigens een lichtpuntje: ik kon dit nooit goed. Ik mag er dus een K bij zetten, van ‘karakteristiek’. En nu ik niet meer brood, kaas, melk, karnemelk, slabonen en twee taartaartjes mag halen is dat al helemaal logisch. Het moeten nu een speciaal soort brood, een speciaal soort kaas, havermelk, sojadrink, buitenbeentjes en vegaburgers van een speciaal merk zijn. Naarmate ik ouder word wordt het leven ook nog eens ingewikkelder. Dat is geen ouderenvriendelijk beleid.

Het kopen van een treinkaartje

Dat brengt mij op een concrete casus. Donderdag had ik zes minuten overstap op station Venlo. De Batavus en ik moesten voor die overstap een trap af en een trap op. Maar eerst moest ik in de stationshal een fietskaartje kopen. Naast mij – bij de genabuurde automaat – vroeg een duitstalige mevrouw mij ondertussen hoe ze een treinkaartje naar Helmond kon kopen.

Ik klikte voor haar even de goede toetsen in. Zo ben ik wel. Ondertussen moest ik ook mijn eigen treinkaartje in de gaten houden. Toen bleek dat de buurvrouw contant wilde betalen. Met muntgeld, want papiergeld pikt de automaat niet. Ze vroeg of mijn automaat wel muntgeld accepteerde. Nee, ook deze gleuf was gesloten. Toen bedacht ik dat ze misschien nog een optie aan moest klikken. En ja hoor: dat was de optie ‘met muntgeld betalen’.

Ik had ondertussen mijn fietskaartje betaald. Maar om dat te laden op mijn OV-chipkaart moest ik de kaart voor een scherm houden. Dat is natuurlijk magisch, want dan floept er zomaar een onzichtbaar kaartje op je chipkaart. Maar dat vergat is dus. Ik was tezeer met de buurvrouw begaan.

Conclusie: op mijn leeftijd moet ik me niet met de buurvrouw bemoeien als ik niet eerst mijn eigen handelingen heb afgerond... de trein heb ik overigens nog wel gehaald. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (6)

Een ingewikkeld thema zijn de executieve functies. Daar valt een groot aantal planmatige gedachten en handelingen onder. 

Executieve functies kun je onderscheiden in gedrag en cognitie.

Onder het gedrag valt:

  • de taakinitiatie (je ergens toe zetten)
  • de emotieregulatie (gepast reageren in een bepaalde situatie)
  • de volgehouden aandacht (iets waar je mee bezig gaat ook afmaken)
  • de responsinhibitie (je in kunnen houden, niet meteen iets pakken bijv.)
  • de flexibiliteit (lukt het één niet, dan doe ik het ander)
  • het doelgerichte gedrag (ik ga nu dit doen en daarna iets anders)

Het zal duidelijk zijn dat het ouderen meer moeite kost om op het gebied van de executieve functies ‘te presteren’. Deels komt dat doordat het tempo lager ligt, de schakeltijd meer tijd vraagt en het overzicht (buiten de vaste patronen) moeizamer verloopt. Ook is bekend dat ouderen vaak meer emotioneel zijn (het tweede punt), maar dan nog zie je verschillen. De één flapt iets er uit en de ander weet zich aan te passen, al naar gelang de omstandigheden.

De heer en mevrouw Peereboom wonen nog bij elkaar. De verpleegkundige komt binnen en zet voor hen beiden de pillen klaar. 'Hé', zegt mevrouw Peereboom, 'een snoepje op tafel'. Ze steekt het medicijn van haar man in de mond en slikt de pil meteen door. Bij mevrouw Peereboom zie je op dat moment een tekort aan responsinhibitie. 

Dat het allemaal meer tijd kost valt onder de normale veroudering. Iemand van 71 jaar kan niet meer zo flitsend reageren en handelen als iemand van 21 jaar. Je kunt je ook wel voorstellen wanneer het allemaal meer ‘bijzonder’ wordt.

Onder de cognitie valt:

  • de planning, de prioritering (‘eerst ga ik dit doen, dan dat en daarna weer iets anders. Maar als er iets tussen komt moet ik dat misschien voorrang geven’). Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om het gedrag, maar om het bedenken wat je wilt gaan doen.
  • de organisatie. Het meest eenvoudige voorbeeld is het bereiden van een maaltijd. Als je er bij nadenkt komt daar heel wat organisatie bij kijken. De boodschappen doen, het klaar maken van de groenten, de volgorde waarop je de gerechten aan de kook brengt.
  • het werkgeheugen (al eerder beschreven) : in je hoofd verschillende zaken met elkaar combineren, bijvoorbeeld de groenten op de markt kosten 1.20 euro, 2,70 euro, 5,10 euro en 2.70 euro, dus ik heb een briefje van tien en nog wat kleingeld nodig.
  • timemanagement (bijvoorbeeld: hoeveel tijd heb ik nodig om me aan te kleden, te ontbijten zodat ik klaar kan zitten als de taxi komt).
  • metacognitie: nadenken over de interactie tussen jou en de ander: als ik dit zeg tegen de verpleegkundige zal ze er waarschijnlijk op die manier op reageren…

Gaan de executieve functies achteruit bij het ouder worden. Ja! Maar het is niet bij iedereen en op alle punten het geval. Enige achteruitgang is ‘normaal’.

Als het berijden van een maaltijd helemaal niet meer lukt, als de persoon helemaal niet meer kan bedenken wat er vandaag moet gebeuren, als hij al om vier uur opstaat om op tijd aangekleed te zijn, dan is de achteruitgang ernstig en is er meer ondersteuning nodig. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (5)

Gaat de taal achteruit bij het ouder worden? Nee, dat valt zo mee. Ouderen kennen niet minder woorden dan toen ze jonger waren. Soms leer ik zelfs nog een nieuw woord bij... 

Wel zou er een knik in het taalgebruik zitten in de eerste jaren na pensionering. Ik weet niet meer wie dat schreef, dat heeft met mijn leeftijd te maken. Mogelijk was het André Aleman, maar als ik het fout heb heeft dat ook met mijn leeftijd te maken.

Om een al te grote achteruitgang voor mezelf uit te stellen heb ik mijn pensionering overigens ook uitgesteld. Op 31 december loopt mijn BIG-registratie af, dus volgend jaar weet ik opeens veel minder woorden.

Op een bepaald gebied is er wel sprake van verbale achteruitgang bij het ouder worden. Dat is in de eerste plaats de woordvloeiendheid (het gemak waarmee je woorden en zinnen uitspreekt). Het gaat meer haperend, alsof de zinnen over een oneffen traject hun weg moeten vinden.

In de tweede plaats heb je meer moeite met de ‘visuele benoemingstaken’. Dat wil zeggen dat je weliswaar iets ziet staan of liggen, maar dat je niet meer kunt bedenken hoe het voorwerp heet.

Vreemd genoeg wordt het (be) noemen van namen hier niet bij genoemd. Daar hoor ik veel ouderen over. En dat geldt niet in de laatste plaats mijzelf in hoogst eigen persoon al zeg ik het zelf. Dat heet een 'opdiepprobleem'. Het komt in de beste families voor. 

Cognitieve verandering bij het ouder worden (4)

Gaat het geheugen achteruit bij het ouder worden? Vaak wordt daar 'ja' op geantwoord, maar het is de vraag of dat waar is. 

Ik vergelijk mijn eigen hoofd wel met mijn bejaarde PC. Alles zit er gewoon nog in, maar er zit zóveel in, dat de computer tijd heeft om het allemaal op te diepen. Bovendien gaat het opstarten moeizamer, want je kunt minder dingen tegelijk. Het moet allemaal na elkaar.

Tegelijkertijd vraag ik me af waarom al die oude zaken nog in mijn geheugen zitten. Waarom weet ik ons telefoonnumer uit 1960 nog? Als ik al die oude gegevens weg zou kunnen gooien zou er ruimte ontstaan voor nieuwe gegevens.

Je zou kunnen zeggen: het is niet zozeer een probleem van het geheugen, maar van de opslagcapaciteit en van de verwerkingssnelheid. Het geheugen wordt minder efficiënt en gaat in zekere zin achteruit. Maar dat je de zaken wat minder gemakkelijk opdiept wil niet per definitie zeggen dat je geheugen achteruit gaat. Het antwoord is dus ‘ja’ en ‘nee’.

Hoe zit het met de visuospatiële vaardigheden en met de visioconstructie? Jawel, gooit u dat maar in mijn pet! Dit zijn de vaardigheden die het mogelijk maken voorwerpen te manipuleren door middel van mentale beelden, zowel in twee als in drie dimensies. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het berekenen of inschatten van de positie van een voorwerp als je het draait. Maar er valt ook onder: het herkennen van gezichten, van de weg, van voorwerpen in een andere omgeving. Een bekend onderzoek is de opdracht om op een blaco vel een klok te tekenen en de wijzers op kwart voor twee te zetten.

Bij simpele taken is dit voor ouderen geen probleem. Ze kunnen nog een goede inschatting maken hoe je een voorwerp al draaiend op de juiste plek kunt krijgen, gezichten herkennen in een andere omgeving is geen probleem (de naam vaak wel), de weg naar huis wordt gemakkelijk weer gevonden en de klok wordt moeiteloos getekend (behalve door iemand met autisme die die klok niet wil tekenen omdat het geen kwart voor twee is).

Maar... als het om meer complexe  visuospatiële vaardigheden gaat blijkt het voor alle ouderen allemaal ingewikkelder te worden. Daar moet bij worden aangetekend dat ook de achteruitgang van het zien en moeite met het evenwicht verstorend kunnen werken.