Oplossingsgericht werken (4)

Naar aanleiding van: John Roeden en Fredrike Bannink, Oplossingsgericht werken (met licht verstandelijk beperkte cliënten); Harcourt, 2008, € 27,50.

Er is ook een nieuwer boek dat gaat over oplossingsgericht werken met ouderen. 

Volgens mij biedt het Oplossingsgericht werken goede ingangen omdat de cliënt niet uitgeschakeld wordt maar juist wordt uitgedaagd om mee te doen. Veel cliënten met een lichte verstandelijke beperking zijn gewend dat de ander hen maar moet motiveren. Dat schiet dus vaak niet op.

Eén van de beperkingen ligt mijns inziens bij cliënten met een verslaving, omdat de invloed van de verslaving vaak sterker is dan de eigen motieven.

De methode zou wel een basis kunnen leggen onder de motivatie, maar de werkelijke stappen vragen om meer dan alleen oplossingsgericht werken.

En dan nu de klager. Die heeft wél een probleem. Maar hij vindt dat de ánder het probleem op moet lossen.

In de thuissituatie is de bezoeker de puber die het helemaal niet nodig vindt om zijn kamer op te ruimen. Ambulant begeleiders kennen tientallen voorbeelden (en ook dilemma’s) rond deze bezoekers. Je weet bijvoorbeeld dat een levensstijl funest is, maar de cliënt vindt dat hij gewoon zo door kan gaan…

De klager is de puber die óók vindt dat zijn kamer een puinhoop is, maar zijn moeder moet het opruimen.

Iedereen kent in zijn omgeving mensen die altijd lopen te klagen over wat er niet goed is en wat anderen hen hebben aangedaan. De schoonmoeder is in veel sketches het voorbeeld van zo’n klager.

De klager geeft dus wél aan dat er een probleem is. Je denkt zelfs wel eens: had hij of zij het maar minder over dat probleem! Bij een klaagtypische relatie is ook sprake van lijdensdruk. De cliënt heeft dan ook een hulpvraag. Het probleem moet opgelost worden!

Het probleem bij de klager is dat hij of zij zichzelf niet ziet als een onderdeel van het probleem. Hij hoeft zélf niet te veranderen. De ánder moet veranderen. Of: de ander moet zich meer inzetten zodat het probleem verholpen wordt. Er is geen (zichtbare) motivatie tot verandering van het eigen gedrag aanwezig.

In de opvoeding is dit dus de puber die (ook) vindt dat zijn kamer een puinhoop is. Maar hij vindt dat zijn moeder er voor is om zijn kamer op te ruimen….

In de straat rond een flatgebouw in Amsterdam ligt veel troep. Bewoners zijn gewend om allerlei spullen naar beneden te gooien. Jongeren gooien gewoon lege blikjes op straat. Iedereen vindt het op straat een bende. Maar zij zijn er niet voor om het op te ruimen. Dat is de taak van de gemeente. 

Ja, maar

Een klager is dus iemand die vindt dat er een probleem is, maar dat dat probleem door de ander moet worden opgelost.

Een bekend verschijnsel bij de klager is het ‘ja maar’. Ieder advies dat de ander geeft leidt tot bezwaren. Je kunt adviseren tot je een ons weegt, het helpt allemaal niets. De klager wil het probleem namelijk niet bij zichzelf neerleggen. Dus moet de klager passief blijven. Zo lang dat maar gebeurt ligt de oplossing niet bij de klager, maar degene van wie de hulp verwacht wordt.

Een ‘ja maar’ richt de aandacht op wat er niet is. De oplossing komt niet in beeld, de aandacht wordt weer teruggeleid naar het probleem.

Ja, én…

De grote valkuil voor de hulpverlener is dat hij het ‘ja maar’ ook weer gaat beantwoorden met zíjn ‘ja,maar’. De cliënt zegt dat hij zich eenzaam voelt. De hulpverlener zegt: ‘en als je nu eens naar je werk zou gaan’. De cliënt zegt: ‘ja, maar dan kom ik Arie weer tegen’. De hulpverlener: “Ja, maar als je zó blijft doen blijf je je natuurlijk eenzaam voelen”.

Een ‘ja, maar’ gesprek is nooit effectief. Het leidt tot een discussie waarin iedereen zijn gelijk wil halen. Een veel spannender ándere ingang is: ‘ja, en….’

 * Cliënt: “Dan kom ik Arie weer tegen”

* Hulpverlener: “Ja, en wie kom je nog méér tegen?

Klagers erkennen dat er een probleem is. Ze zien echter niet dat ze onderdeel zijn van het probleem. De oorzaak ligt bij de ander die niet hard genoeg werkt aan de oplossing. De ander moet zó veranderen of moet zich op zó’n wijze inzetten dat het probleem er niet meer is.

Niet bagatelliseren

De omgeving heeft vaak de neiging om het probleem te bagatelliseren. “Zo erg is het nou toch óók weer niet?” Dat is bij de klager een misstap. Hij reageert met zijn bekende ‘ja maar’. Hij zal het probleem nóg groter maken omdat hij zich niet begrepen voelt.

Als familie, hulpverlener of in het pastoraat begint het contact met het erkennen van het probleem. “Ik kan me voorstellen dat je dat vervelend vindt”.

Nooit of altijd

Een klager heeft het over ‘nooit’ of ‘altijd’. De kinderen zijn altijd dwars, mijn man luistert nooit en de trein is altijd te laat. Erken dus dat het lastig is. Maar er zijn altijd uitzonderingen.

Daarom is de tweede vraag die naar de uitzonderingen. Wanneer is het probleem er minder? Wanneer heb je er minder last van?

Heb je wel eens een dag waarop je denkt ‘dat was tóch leuk met de kinderen’. ‘Heb je wel eens een moment dat je toch een goed gesprek had met je man?’ ‘Ben je wel eens op tijd gekomen met de trein?’

 

Prostaat

Er zijn van die onderwerpen die tijdens het sociale contact niet zo gemakkelijk worden aangesneden.

Eén van die onderwerpen is de navel. Er is volgens mij nog nooit iemand geweest die aan mij vroeg hoe het met mijn navel gaat. En ik denk dat ik die vraag ook niet aan iemand anders heb gesteld. Kennelijk is dat dus een taboe.

Ik zag een reclame voor (of tegen) de prostaat. Volgens mij is dat ook weer zo’n onderwerp dat min of meer taboe is. Mensen vragen aan mij wel hoe het met mijn been is (daar is kennelijk iets mee), maar niet hoe het met mijn prostaat is. Terwijl bijna alle mannen boven de 50 ‘iets’ schijnen te hebben met hun prostaat.

We zitten met zijn vijven om de tafel. Twee broers, de manager, de dokter en ik. Allemaal 60-plus mannen. Het gesprek gaat over een zesde man. Hoe hij voorbereid moet worden op een operatie. De dokter legt het allemaal nog even uit. De mannen rond de tafel zitten met kromme tenen. “Ja, zegt de dokter, we komen állemaal aan de beurt…”

Ik las zelfs ergens dat fietsers daar nog meer risico op lopen. Zit je op de fiets, lóóp je extra risico. Je kunt maar beter gaan lopen… Of een damesfiets nemen, zoals ik.

Goed, even alle gekheid op een stokje: je zult maar een aandoening hebben aan de prostaat die behandeld moet worden… In mijn eigen omgeving heb ik gezien dat dat geen pretje is. Daar wil ik ook bepaald niet de gek mee steken.

Toch wil ik het even over iets anders hebben, in dit geval in relatie tot de prostaat: die reclame voor een supplement dat goed zou zijn voor de prostaat.

Ik wilde wel eens weten wat er dan in zo’n voedingssupplement zit. Er zitten o.a. in: rood stinkhout, zilverkaars,seleen en zonnebloemolie. Dat klinkt natuurlijk helemaal niet onaannemelijk. Ik kan me heel goed voorstellen dat rood stikhout goed werkt voor een gezonde prostaat. En werkt het onvoldoende, doe er dan nog een snufje zilverkaars bij.

Mijn vraag is alleen: hoe is iemand op dat idee gekomen. Was er een 50-plusser die moeite had met plassen en dacht ‘daar moet iets aan te doen zijn?’ Heeft hij alle planten uit zijn tuin gegeten en ontdekte hij vervolgens dat het plassen beter ging na het eten van rood stinkhout? En hoe is dat effect dan precies onderzocht?

Ik ben dan wel 65-plusser, maar er valt nog véél te leren!

Slaapproblemen bij ouderen

De slaapbehoefte bij volwassenen is per persoon verschillend. ‘Gemiddeld’ slapen volwassen mensen 7 á 8 uur per nacht. Ook mensen die menen dat ‘ze de hele nacht geen oog dicht hebben gedaan’ blijken meestal in de praktijk toch een aantal uren te hebben geslapen.

Twee modellen: inslapen of doorslapen

Globaal genomen kun je het verloop van de slaapproblemen in twee ‘modellen’ indelen. Ze hebben mede te maken met temperament van mensen en met de wijze waarop prikkels verwerkt worden.

  1. Mensen die veel moeite hebben om in te slapen. Ze moeten eerst alle indrukken van de afgelopen dag verwerken. Dat herkennen de meeste mensen wel als ze ’s avonds op bezoek zijn geweest en veel gesprekken hebben gevoerd. Die mensen hebben dus een inslaapprobleem.
  2. Andere mensen hebben veel moeite hebben met doorslapen. Ze vallen snel in slaap (de lichamelijke vermoeidheid wint het van de geestelijke vermoeidheid), maar als ze de eerste slaapcyclus doorlopen hebben worden ze wakker uit de diepe slaap en kunnen vervolgens niet meer in slaap komen.

Ouderen en aantal uren slaap

Het beeld bestaat dat ouderen weer meer slaap nodig hebben. Dat is echter niet juist. Het slaappatroon van ouderen verandert. Ze slapen minder een hele nacht door en meer in korte stukken. Dat verklaart ook waarom een aanzienlijk deel van de ouderen een middagdutje doet.

Ouderen en slaapkwaliteit

De slaapkwaliteit van ouderen staat wél onder druk. Bij een gezonde slaap heb je een afwisseling van lichte slaap, diepe slaap en REM-slaap nodig (Rapid Eye Movements: de slaap waar je het meeste bij droomt). Ouderen slapen lichter en komen daarmee minder aan de diepe slaap toe. Om uitgerust wakker te kunnen worden en ‘de hersens gewassen te hebben’ moet je de afwisseling van de verschillende fasen ‘meemaken’.

Volgens sommige onderzoekers is bij vrouwen de overgang een forse ontregelaar in het slaappatroon. Je kunt maar beter man zijn.

Volgens een onderzoeksbureau heeft de helft van de ouderen een slaapstoornis. Als 65-plusser kan ik gelukkig melden dat ik (nog) bij de andere helft hoor.

Waarom slapen ouderen minder ‘gezond’?

Enkele factoren op een rijtje (er zijn er veel meer).

  1. Omdat ouderen lichter slapen zijn ze ook meer gevoelig voor omgevingsinvloeden, zoals geluiden van buiten, een snurkende partner of een te lichte slaapkamer.
  2. Daarnaast ‘komt de ouderdom met fysieke gebreken’. Als je vaak moet plassen, ben je vaak wakker. Maar het is ook omgekeerd: als je lichter slaapt ervaar je ook eerder een volle blaas.
  3. Een ander veel voorkomend probleem bij ouderen betreft de slaap-apneu. Het betekent dat je vele malen per nacht een zuurstoftekort hebt en daardoor uiteindelijk ’s morgens uitgeput wakker wordt. Je hebt het gevoel dat je van het in bed liggen alleen maar meer moe wordt.
  4. Ouderen hebben doorgaans een minder strak dag/nachtritme. Een goed dag/nachtritme met vaste tijden van het naar bed gaan en weer opstaan helpt bij een gezonde nachtrust.
  5. Ouderen bewegen vaak minder. Lichamelijke beweging stimuleert de nachtrust. Een ommetje ’s avonds werkt vaak beter dan een slaappil. Maar de meeste ouderen gaan ’s avonds eigenlijk liever de deur niet meer uit.
  6. Een vitamine-tekort (vitamine D, vitamine B 12, magnesium).
  7. Ouderen hebben vaker last van pijn. Als je lichter slaapt word je ook weer eerder wakker van de pijn.
  8. Tenslotte: de temperatuurregulatie. Heb je het te koud bij het in bed stappen, dan kom je moeilijk in slaap. Krijg je het daarna te warm, dan slaap je wéér niet goed en krijg je bijvoorbeeld eerder last van rusteloze benen. Maar in de loop van de nacht koel je ook weer af en kun je te vroeg wakker worden omdat je het te koud hebt. Het is dus ook nooit goed… Aan de Technische Universiteit in Delft is men bezig met innovatietechnieken die deze wisselende temperaturen kunnen reguleren (zie Somnox op You Tube).

Persoonlijkheid en ouder worden

Je hoort vaak zeggen dat – als mensen op leeftijd komen – de persoonlijke problematiek afvlakt. De problemen worden milder. Maar is dat wel zo?

In navolging van psychiater Bére Miesen meen ik dat de hechting op jonge leeftijd de oudere leeftijd mede kleurt. Zo zal iemand die zich op jonge leeftijd voortdurend verlaten voelde waarschijnlijk op oudere leeftijd veel claimend gedrag vertonen.

Zieke moeder met borderline

Een tijdje geleden sprak ik een mevrouw die dochter is van een moeder met borderline-problematiek. Ze vertelde dat ze als kind altijd in angst zat vanwege het onvoorspelbare gedrag van haar moeder. Bovendien moest alles verlopen zoals haar moeder dat in haar hoofd had (controle).

Nu was haar moeder ziek geworden. Ze lag meestal op bed. Dat is niet de beste manier om de controle te behouden. Ik vroeg deze mevrouw daarom hoe het nu ging in de relatie met haar moeder. Volgens de dochter waren de problemen alleen maar erger geworden. Vanuit haar bed probeerde moeder over alles de controle te houden, maar bovendien was het nooit goed.

“Kom ik met een kopje thee aan, omdat ze dat ’s middags drinkt, begint ze te schelden dat ze koffie wilde, vraag ik wat ze wil drinken dan wordt ze boos, want ik kan toch als volwassen dochter weten dat ze ’s middags altijd thee drinkt?”

“Ben ik in huis, dan klaagt mijn moeder dat de hele tijd de kinderen over de vloer komen. Ben ik er niet, dan is het wéér niet goed, want ik laat als dochter haar zieke moeder in de steek.”

Ouderen met een gebruiksaanwijzing

Oudere mensen die op zo’n manier op de omgeving reageren worden wel eens ‘ouderen met een gebruiksaanwijzing’ genoemd (in: Noud Engelen en Bas van Alphen: Ouderen met karakter, Garant, 2016). De ouderen zelf vinden dat overigens meestal niet, ze vinden dat de omgeving een gebruiksaanwijzing nodig heeft.

Evenwicht

Ouderen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen redelijk functioneren als er weinig sprake van stress is. Maar als het evenwicht verstoord raakt, raakt meteen ook alles ontregeld. Het zet ook meteen de relatie met anderen onder druk.

Iemand die zich vaak afhankelijk opstelde zal opeens totaal hulpeloos zijn, iemand die doorgaans dominant was zal nu opeens alles precies zo willen hebben zoals het in zijn of haar hoofd zat.

Mevrouw van duizenden woorden

Over dementie en andere ongemakken…

Ik hoorde het al op het perron. “M’n schoonvader was dement en m’n schoonmoeder ook. Maar mijn eigen moeder, die was toch dement. Dat wil je niet weten zo dement als die was. Dat was echt heel erg. En ze was ook nog depressief. Dat hoort bij die vorm van dementie. Ik heb haar naar een tehuis gebracht, want dat kon echt niet meer. En binnen een paar weken herkende ze me niet meer. Dat is toch ook wat, dat je moeder je niet meer herkent. Dat vond ik echt heel vreselijk. Daar heb ik onder geleden”.

In de trein ging het gesprek ‘vrolijk’ verder. “M’n ex, die dementeert ook vreselijk. Door de week stond bij droog, maar in het weekend zette hij het op een comazuipen. En als je zo zuipt, dan zakt je niveau. Dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Dan zak je van VWO naar HAVO, bijvoorbeeld. Laatst zag ik hem, maar hij herkende me niet eens. Hij zei helemaal niks tegen me. En zijn nieuwe vriendin, die hielp hem, want hij begreep niks meer. Dat was altijd al een moeder-zoon relatie. Hij wilde geen vrouw, maar een moeder die voor hem zorgde. Nou, dat was zij wel, zo’n moederfiguur. Dat wilde ik dus niet, dat begrijp je. Dus toen is hij ergens anders gaan wonen. Had ik tenminste rust.

 Mijn zoon praatte nog niet toen hij vier was. Toen gaven ze mij de schuld. Maar ik heb m’n tong lam gepraat tegen hem. Ik gaf echt het goede voorbeeld. Maar hij vertikte het gewoon om te praten. Ja, toen hij bij de kleuters kwam, toen ging hij opeens praten. Toen wist hij dat het ergens goed voor was. Hij woont nu in Groningen, maar hij wil bij mij in de buurt komen wonen. Dat hoop ik toch van niet, want dan staat hij iedere avond voor de deur en dan kan ik geen kant meer uit. Weet je wat het is met hem, hij kan geen contacten leggen, maar hij wil wel tegen iemand aan praten. En dat stopt dan niet. Nou, daar zit ik niet op te wachten”.

Vriendin zegt: “Ik moet even naar de WC”. Zij: “Dat kan hier niet, want het is een sprinter en in sprinters hebben ze geen WC. Dat moet je dus goed onthouden, als het een sprinter is kun je niet naar WC”. De vriendin zegt: “Maar er staat een pijltje naar de WC, waarom is dat dan?” Zij: “Dat is dan zeker van vroeger toen hij er nog wél in zat”. De vriendin is eigenwijs en gaat toch op onderzoek uit. Bij deze mevrouw is dat wel zo wijs, want de trein is helemaal geen sprinter, maar een luxe dubbeldekker. Zij: “Maar dan moet je wel het nummer onthouden van de trein, want anders zit je in de verkeerde trein, onthoud je het nummer? 9405. Dus 9405. Dat uit het hoofd leren van het nummer heeft geen zin, want de hele trein heeft hetzelfde nummer, maar sommige mensen moet je niet tegen spreken”.

Vriendin is weg, maar mevrouw praat gewoon door. “Hé, dit is station Zaandam. Daar hadden we ook over kunnen stappen. Waarom wilde zij dan in Sloterdijk overstappen als het hier ook kon?  Dit is veel handiger. Hé, daar staat een molen. Wat doet die molen daar eigenlijk tussen de huizen. Dat is zeker van vroeger, dat ze die huizen er later omheen hebben gebouwd’.

Vriendin komt terug. Zij: “Zie je wel dat er geen WC was, ik zei het toch, het is een sprinter en die hebben geen WC”. Vriendin: “Er zit wel een WC in, ik ben gewoon gegaan.” Zij: “Oh, dat is dan zeker nieuw, want in de spinters zit geen WC. Maar daar hebben ze in de Kamer vragen over gesteld, dus misschien heeft deze daarom nu wél een WC”. Dat deze trein overduidelijk geen sprinter is, dat heeft de mevrouw nog steeds niet door, er is maar één verklaring mogelijk.

“Ik werd dus knettergek van mijn schoonvader, want die praatte de hele tijd. En dat huwelijk, dat was ook niks. Want hij had verkeerde vrienden. Maar toen hij dement werd zei hij helemaal niks meer. Maar zeg, weet je wie mij belde? Ik was net aan het wandelen in Valkenburg en toen ging de telefoon. Precies op een kruising. Het was Simon. Hij belt anders nooit. Maar hij vroeg of ik mee ging naar de reünie van school. Ze hadden mijn adres niet, want ik ben drie keer verhuisd. Maar ik kon dus niet, want ik was aan het wandelen in Valkenburg. Maar waar is het dopje nu. Ik heb wel duizend dopjes, maar die liggen allemaal thuis. Ik ben m’n dopje kwijt”.

Ondertussen roept de machinist station Castricum om. “Hé. Castricum, we zijn te vroeg. Zo snel was het anders nooit. Dat kan helemaal niet. Hij vergist zich.” Vriendin zegt dat het wél Castricum is. Een hoop gerommel, want allerlei spullen moeten nog worden ingepakt.

Gelukkig moet er nog een mevrouw met scootmobiel de trein in geholpen worden. Daarom staat de trein wat langer. Anders was de mevrouw van de duizenden woorden mee gereden naar Alkmaar…

Ouderen en visuele problemen (2)

b) Vergeling. Naarmate we ouder worden gaan we bepaalde kleuren steeds minder goed zien. In onze studentenstad valt me dat trouwens al op bij veel jongeren: ze zien de kleur rood niet. Dus fietsen ze gewoon door rood. Maar als je ouder wordt zie je naar verhouding de kleuren rood, oranje en geel beter en bijvoorbeeld kleuren als indigo en violet steeds minder. Pasteltinten zijn dan niet handig. Een stevige rode mok voor de koffie, een knaloranje tandenborstel.

In dit verband bedacht de Schotse onderzoekster Diana Kerr rode toiletbrillen. En wat bleek: zelfs dementerende ouderen herkenden de rode toiletbril gemakkelijker, maar ze zaten ook veel beter op het toilet. Daar waren dus helemaal geen hulpmiddelen voor nodig: de kleur maakte de herkenning…

c) Een verstoring in de ruimtelijke cognitie. Dit is één van de redenen waarom ouderen met een elektrische fiets vaker een ongeluk krijgen: het wordt moeilijker om de afstand in te schatten. Hoe breed is de straat die je moet oversteken? Hoe ver ben ik nu vanaf de stoeprand? Op welk moment moet ik gaan afremmen? Je kunt het effect van deze verstoring voor jezelf ervaren als je bijvoorbeeld door een verrekijker kijkt en dan gaat lopen. Dan vergis je je iedere keer weer in de afstand… Als iemand een verstoorde ruimtelijke cognitie heeft wordt het dus erg moeilijk om te lopen en te fietsen, en zéker om auto te rijden.

d) Problemen met het bewegingszien: deze problemen hebben ook met verkeersveiligheid te maken. Mensen met een verstoring in het bewegingszien kunnen moeilijk inschatten hoe snel iets gaat en in welke richting.

Dat zie ik bijvoorbeeld ook rond de tandartsstoel: een patiënt op leeftijd kan erg schrikken van een instrument dat opeens in de buurt van zijn gezicht komt. Of van een beweging door de tandarts.

In de gymzaal (of gewoon buiten in het spelen met de kleinkinderen) zie je soms dat oudere mensen grote moeite hebben met het overgooien van en reageren op de bal.

De verstoring van het bewegingszien leidt uiteraard ook tot grote problemen in het verkeer: hoe moet je inschatten hoe snel de auto rijdt die er in de verte aan komt? Ouderen die zich deze moeite bewust zijn wachten vaak extra lang en worden vervolgens nerveus van het achterop komende en toeterende verkeer.

e) Simultaanagnosie. De begeleiding had met kerst de tafel leuk gedekt, maar Johan begreep er niets meer van. Hij kon nergens zijn bord vinden en de hagelslag al helemaal niet. Op een gegeven ogenblik probeerde hij de afbeeldingen van dennentakjes van het tafelkleed te plukken. Dat lukte niet en daar werd hij onrustig van.

Bij simultaan-agnosie kun je de beelden niet meer van elkaar onderscheiden, ze gaan door elkaar lopen. Hoe voller de tafel, hoe slechter het eten verloopt. Hoe meer spullen bij de wasbak, des te minder lukt het wassen en het tandenpoetsen. Een kamer vol met ‘Jordaan-renaissance’ (de kamers vol met beeldjes en prullaria in Amsterdamse volksbuurten) is erg gezellig voor oma, maar als ze last heeft van deze afwijking in de waarneming zal ze gemakkelijk de weg kwijt raken in haar eigen huis.

f) Problemen met het waarnemen en herkennen van vormen en objecten. Een voorbeeld daarvan is natuurlijk het lezen (alexie): je moet letters herkennen om te kunnen lezen.

Dit probleem van de herkenning van voorwerpen doet zich vooral voor bij mensen die dementeren, maar toch ook niet alleen bij hen. In een tijd waarin veel verandert wordt het voor ouderen (die meer stabiliteit nodig hebben) steeds lastiger om al die nieuwe voorwerpen te herkennen. Wat ligt hier nu weer voor lang wit voorwerp bij de TV? Is het een mobiele telefoon of is het de afstandsbediening?

In latere fasen van dementie, als de neurologische defecten groter worden, herkennen ouderen soms zelfs de meest gebruikte voorwerpen uit het dagelijks leven niet meer. Datzelfde probleem is overigens ook kenmerkend voor een aantal mensen met een stoornis binnen het autistisch spectrum.

Tenslotte

Zien en vervolgens betekenis verlenen aan wat je ziet is een complex neuropsychologisch fenomeen. Dat merk je eigenlijk pas vooral als je ziet hoe moeilijk mensen het hebben bij wie dat niet meer vanzelf gaat…

Door goed te observeren wat er precies gebeurt en door ons eigen tempo te verlagen kunnen we soms op een vrij eenvoudige manier een aantal aanpassingen bedenken waardoor de omgeving toch een beetje meer ‘behapbaar’ blijft.

 

 

Ouderen en visuele problemen (1)

(N.B. : dit is een nadere uitwerking van een eerder verschenen blog).

Vaak wordt gedacht dat hét visuele probleem bij het ouder worden het verschijnsel van de leesbril is. 0p zichzelf is die leesbril nog niet zo’n probleem. Het probleem is dat je hem steeds kwijt bent. Dat heeft te maken met teruglopende geheugenfuncties.

Er zijn overigens mensen die twintig leesbrillen in huis hebben en ook dan nog hun leesbril niet kunnen vinden. Ze hebben zóveel leesbrillen dat ze het overzicht kwijt zijn. Daar moet je ook rekening mee houden als je ouder wordt: de executieve functies gaan achteruit.

Leesbril, langzaam en staar

Op mijn leeftijd (65 plus) draagt 98% van de mensen een bril. De mensen die geen leesbril hebben zijn meestal analfabeet. Ik heb trouwens ook nog geen leesbril, terwijl ik van mezelf vind dat ik toch geen analfabeet ben. Mogelijk is het een kwestie van ijdelheid. Of ik wil de kleine lettertjes gewoon niet zien.

In zijn algemeenheid moet je er bij het ouder worden rekening mee houden dat veel bewegingen (dus ook oogbewegingen) langzamer gaan. Als ik probeer tafel te tennissen met een puber is het balletje al gepasseerd voordat ik het gezien heb.

Een ander bekend fenomeen bij het ouder worden is de staar. Dat kan zich op allerlei manieren uiten. Bij veel ouderen is sprake van een vertroebelde lens. Maar vaak wordt het niet gesignaleerd of zijn de verschijnselen nog niet zo beperkend voor het dagelijks leven. Met een beetje staar kun je een heel eind komen.

Wat is er met Willeke aan de hand?

Er zijn echter heel andere verschijnselen in het zien, die vaak niet worden opgemerkt en die toch zeer verstorend zijn voor het dagelijks leven.

Zoals bij Willeke, een vrouw met Downsyndroom die dagen lang kan zitten te borduren. Begeleiding denkt dat haar ogen nog prima zijn. Wel heeft Willeke de laatste tijd veel moeite met het lopen. Daardoor wordt gedacht dat ze misschien artrose heeft. Wat is er met Willeke aan de hand?

a) Een verstoring van het dieptezien

Toen er wat nauwkeuriger werd gekeken wat er bij Willeke aan de hand zou kunnen zijn bleek dat ze met name moeite had met overgangen. Dat kon bijvoorbeeld zijn: een drempel, de traptreden, maar ook de overgang van een lichte naar een donkere vloerbedekking. Ze vermeed zelfs een donker vloerkleed omdat ze leek te denken dat het een gat in de vloer was.

Eens in de week ging Willeke in bad, maar ze durfde nauwelijks nog in bad te stappen en het was al helemaal ingewikkeld om er weer uit te stappen. Ook leek het af en toe of Willeke hoogtevrees had. Daarnaast viel op dat ze niet alleen bij het bewegen moeite had. Ze knoeide ook vaker met het drinken.

Uiteindelijk bleek dit gedrag niets te maken te hebben met pijn in de gewrichten of met problemen in de spieren; Willeke bleek niet meer goed diepte te kunnen zien. Daarom moest ze bijvoorbeeld steeds aftasten (voelen met haar voeten) hoe hoog de drempel of hoe groot de traptrede was.