Dementie (2)

Het lijkt alweer lang geleden, maar gisteren gaf ik een cursus over dementie en mondzorg. Eén van de thema's was: hoe zit het met de emoties van mensen die dementeren?

In het verleden hoorde ik nog wel eens de opmerking dat een heftige behandeling niet traumatisch zou zijn voor dementerenden, ‘want ze vergeten het tóch weer’. Daar ben ik het niet mee eens.

Wat mensen met dementie wél vergeten is de feitelijke herinnering, wat ze niet vergeten is de emotionele herinnering. Ze kunnen dus niet meer actief de herinnering oproepen (‘ik ben bang, want de tandarts heeft me de vorige keer pijn gedaan’). Wat nog wél boven komt is de emotie die er bij hoort. Niet vooraf, maar op het moment dat ze bijvoorbeeld de geur van de behandelkamer opnieuw ruiken.

Geriater Anneke van der Plaats heeft dat in verschillende van haar publicaties goed uitgelegd. Ze schrijft over een ‘bovenbrein’ en een ‘benedenbrein’. Het bovenbrein, het denken over, het organiseren van het denken doet zijn werk niet meer goed. Maar het benedenbrein, de zetel van de emoties, werkt nog wel. De emoties zijn wel degelijk aanwezig, maar ze overkomen de persoon vooral. Vergelijk het functioneren wat dat betreft met een baby die nog niet kan bedenken dat hij bang, blij, boos of verdrietig is.

Over dit gegeven schreef ouderenpsycholoog Ad Bergsma gisteren in de Volkskrant een artikel, waar ik een paar alinea’s uit weer geef:

Als psycholoog werk ik met mensen met dementie. Als ik bij hen een geheugentest afneem, begin ik met de vraag wat de datum is vandaag. Zelf weet ik vaak het antwoord niet. Vroeger deed ik zulke haperingen af als verstrooidheid, maar tegenwoordig vrees ik dat het steeds erger begint te worden. Klopt vriend Alzheimer op mijn deur? Ben ik aan het aftakelen tot een vreemde van mezelf?

Deze vragen hangen niet alleen samen met de ernst van de aandoening, maar ook met een denkfout die voortkomt uit wetenschap en logica. We willen precies weten wat iets is en laten artsen diagnosticeren of we al dan niet dement zijn. Zodra het woord alzheimer is gevallen, zien we de mist van vergetelheid opdoemen.

Het logische denken geeft de diagnose dementie betekenis door onwillekeurig vast te stellen wat dementie allemaal niet is, namelijk gezond en succesvol ouder worden. Laten we ook de meer emotioneel beladen ‘nieten’ invullen. Dementie is niet meer wilsbekwaam, niet meer toerekeningsvatbaar, niet meer volwaardig menselijk. Dementie dat we aan de hand van het geheugenverlies definieerden als ‘beroofd van het verleden’, blijkt door de logica van de dualiteit per ongeluk vertaald in ‘zonder toekomst’. “

Waar zowel Ad Bergsma als ik naar toe willen is dat je wel degelijk in het heden momenten kunt hebben van 'genieten'. Ik noem dat 'het samen onder een afdakje zitten'. De regen stopt niet, maar je zit samen even beschut en je kunt op dat moment toch even iets ervaren van dat het leven ook in de ouderdom nog goede momenten kent. Hoe je dat doet, dat is weer een vak apart... 

Is het dementie?

Soms word je er opeens bij bepaald. Ik was helemaal vergeten dat ik een cursus moest geven over 'dementie'. Gelukkig werd ik er op tijd aan herinnerd en kon ik de bijbehorende spullen nog verzamelen. 

Voor alle duidelijkheid: dementie is een zeer ernstig ziektebeeld. Vaak lijdt de persoon zelf ernstig aan het dementiële beeld (vooral in de eerste fasen van dementie). Maar ook voor de naasten betekent dementie veel groot leed. Soms zelfs nog sterker dan voor de persoon in kwestie.

Toch heb ik in de loop van mijn werkzame leven ook een aantal keren meegemaakt dat de diagnose dementie was gesteld, maar dat de verschijnselen veroorzaakt werden door andere factoren. Er was sprake van schijndementie.

Op de check-list die ik nog altijd hanteer staan tal van zogenaamde ‘differentiaal-diagnoses’. Dat zijn zaken die je éérst moet uitzoeken, voordat je van een redelijk vermoeden van dementie kunt spreken.

De bekendste misvatting is het niet maken van onderscheid tussen depressie en dementie. Depressie kan tot een beeld leiden dat lijkt op dementie. Toch zijn er ook duidelijke verschillen, maar die zie je pas als je het door hebt. Oftewel, als je er een lijst bij hebt die je alert maakt op die verschillen.

Beginnende dementie en depressie kunnen ook samengaan. Dan helpen anti-depressiva wel om de stemming enigszins te verbeteren, maar het cognitieve functioneren verandert maar weinig. 

De tweede belangrijke factor is het functioneren van de schildklier. Als de schildklierwaarden te laag zijn leidt dat tot verschijnselen die sterk lijken op dementie.

Deze gang van zaken heb ik meerdere malen gezien bij mensen met down-syndroom. Zelfs bij een waarde aan de ondergrens (maar officieel niet té laag) kunnen mensen met down-syndroom een dementieel beeld vertonen. 

De derde oorzaak is een chronisch slaaptekort. Mensen kunnen lang in bed liggen en toch onvoldoende slaapkwaliteit hebben. Dan rusten ze niet goed uit. Hoe ouder je wordt, des te belangrijker wordt een goede nachtrust voor het ‘organiseren’ van je hoofd.

Mevrouw de Block moet op woensdag naar de tandarts. Ze vindt het spannend, omdat ze niet weet of de taxi wel op tijd komt. Daardoor slaapt ze slecht. Het effect is dat ze de volgende dag haar leven nauwelijks kan organiseren, ghaar medicatie vergeet in te nemen en de deur bij vertrek open laat staan. Zou ze goed hebben geslapen, dan had ze deze dag beter kunnen organiseren.

Een vierde reden is het medicijngebruik. Bij sommige medicijnen moet dit bij het ouder worden naar beneden worden bijgesteld.

Mevrouw de Groot gebruikte al jarenlang een antipsychoticum. Het afgelopen jaar raakte ze steeds meer verward. De inschatting werd gemaakt dat ze in de tweede fase van dementie verkeerde. Nadat de dosering antipsychotica was verminderd verdween ook de verwardheid. 

Een belangrijk onderwerp zijn de zintuigen, vooral het gehoor, maar ook het (niet goed) kunnen zien. Naarmate mensen ouder worden heeft de achteruitgang van de zintuigen ook een groter effect op het dagelijks functioneren. Zo kunnen mensen zich gaan terugtrekken uit de groep of passief worden. De gedragingen kunnen lijken op bepaalde vormen van dementie.

Tenslotte noem ik een tekort aan ijzer, en aan bepaalde vitaminen, vooral aan vitamine B 12. Mensen die (te) weinig buiten komen of die niet gezond eten lopen daarbij extra risico.

Los van het voorgaande: het hoort bij het ouder worden dat functies minder worden. Vanaf je 27e treedt de achteruitgang in de hersenen in. Ik ga al veel langer achteruit dan dat ik vooruit ben gegaan. Geen wonder dat mensen soms gaan twijfelen aan mijn functioneren... Maar dat hoeft daarom nog geen dementie te zijn. 

Poetsen op één been

Eén van de grotere risico's van het ouder worden is: het valrisico. Daar zijn oefeningen voor. Maar de zwaartekracht is vaak wel sterker dan het effect van de oefeningen. 

Ik heb ooit meegedaan aan zulke oefeningen. Dat was in het kader van een cursus, dus ik moest wel. Je moest een dienblad met kopjes met één hand in hoog tempo naar de overkant brengen en ondertussen een hoofdrekensom doen. Eigenlijk iemand van de bediening in de horeca die uit haar/zijn hoofd (m/v) alvast de klant de kosten in rekening brengt.

Ik werd totaal ongeschikt bevonden. Daarom werk ik – ondanks alle vacatures – ook niet in de horeca. Sterker nog: de fysiotherapeut die de cursus gaf meende dat ik zó valgevaarlijk was dat ik beter de rest van mijn leven in een rolstoel kon gaan zitten.

Ik vond het gevaar wel meevallen, maar dat zie je vaker bij ouderen: ze ontkennen de risico’s. En ze hebben gelijk: er moet ook nog wel een beetje geleefd kunnen worden.

De andere opmerking betreft het hoofdrekenen. Dat is bij mij geen kwestie van achteruitgang. Dat is karakteristiek. Ik heb het nooit gekund. In de tijd dat de meisjes op de lagere school ‘nuttige handwerken’ kregen moesten de jongens aan hoofdrekenen doen. Dat is bij mij nooit iets geworden.

Het ‘nuttige handwerken’ zou ook niets zijn geworden, trouwens. Het is een wonder dat ik nog enige vorm van vervolgonderwijs heb kunnen genieten. Ik deed daar wel langer over dan normaal, maar elke klas heeft een vaderfiguur nodig.

Afgelopen week hadden we bezoek van een mevrouw die in haar werkzame leven fysiotherapeut was. Zij sprak en zeide dat ik moest oefenenen met het op één been tandenpoetsen. Ik dacht bij mijzelf: wat een onzin, ik woon toch niet in Den Haag waar in het stadswapen een ooievaar staat? Bovendien is al lang al duidelijk dat ouderen beter maar één ding tegelijk kunnen doen.

’s Avonds – toen het idee wat bezonken was – dacht ik: dat moet toch gewoon te doen zijn, een ‘makkie‘. Dat bleek tegen te vallen. Ik kan op mijn rechterbeen niet tandenpoetsen zonder om te vallen, links lukt dat wel. Daar is vast een neurologische verklaring voor. Bij rechts moet ik me ergens aan vast houden, bijvoorbeeld aan de verwarmingsbuis, die vervolgens ombuigt.

Mocht de tandarts de volgende keer zeggen dat ik mijn tanden niet goed heb gepoetst: dat ligt niet aan mij. Het komt door de oefeningen. Ik ben minder valgevaarlijk, maar krijg nu wel een kunstgebit.  

De weg kwijt

Gisteren fungeerde ik als maaltijdbezorger. De bedoeling was dat ik een warme maaltijd zou bezorgen. Het werd echter een koude maaltijd. 

In het zuiden van Delft ligt de laatste wijk die binnen de stadsgrenzen gebouwd kon worden: de wijk Tanthof. Er wonen bijna 15.000 mensen, met een gemiddelde dichtheid van 1,9 persoon per huis.

De wijk is een verlate versie van de beruchte bloemkoolwijken uit de jaren ’70. Dat zijn van die wijken met nummers die doorgaan tot 7844 en met allemaal doodlopende straten. Als je als fietser een nummer zoekt is de logica volledig zoek, want de nummering werd vanuit de auto bedacht.

In de wijk Tanthof heeft men die planologische fout achter zich gelaten, maar de chaos niet. Er is slechts één logische route: die van de tram (uit Scheveningen) die over gaat in de vrije busbaan. Verder bestaat de wijk uit een wirwar aan straten en steegjes die op onlogische wijze doodlopen of om de hoek verder gaan. Dat doet het aardig in Lissabon, maar niet in de Randstad. Want dit stadsdeel is niet geleidelijk gegroeid. Het is op de tekentafel bedacht. En dus zit er niets creatiefs in het ontwerp.

De wijk telt bijna geen hoogbouw, maar wel volop gestapelde woningbouw. Dat zijn eengezinswoningen die gestapeld zijn. Zonder lift, want in eengezinswoningen heb je geen lift. In gestapelde eengezinswoningen dus ook niet. Breek je je been, dan zit je vast in huis. En zoek je de weg: je vindt geen enkel oriëntatiepunt. De drie supermarkten zitten op de begane grond van een blokje gestapelde woningbouw.

Inmiddels is een deel van de eerste bewoners 80-plus. Zij raken geheel het boekie zoek in hun eigen woonwijk. En familie die ’s avonds op bezoek komt raakt al evenzeer zoek. Sterker nog: het schijnt dat sommige mensen de uitgang van de wijk niet hebben kunnen vinden en in hun auto zijn gaan slapen.

In deze wijk moest ik dus een warme maaltijd bezorgen. Dat is bij ons een kerkelijke activiteit. Je kookt voor vier in plaats van voor twee. Tineke kookt en ik bezorg. Andersom kan ook, maar dan haal ik eerst kant-en klare maaltijden die ik vervolgens opwarm.

Helaas kon ik met geen mogelijkheid het adres vinden waar ik de maaltijd moest bezorgen. Het was in de vogelbuurt, dus de Koestraat was niet het goede adres. De straat bleek verstopt te zitten achter andere straten. Pas na drie rondjes door de wijk had ik de straat gevonden. Ik was er al vaker geweest, dus het adres zélf herkende ik aan de voortuin en de gevel. Het eten was inmiddels waarschijnlijk koud geworden, maar werd onder grote dank aanvaard.

Toen ik bijna de wijk uit was ontdekte ik dat ik nog een glazen schaal van de vorige maaltijd op moest halen. Opnieuw moest ik de wijk in en opnieuw kon ik het adres niet vinden. Ik heb toen maar als fietser de vrije busbaan tot mij genomen. Toen was ik er binnen twee minuten.

Dat je de weg kwijt raakt is een verontrustend verschijnsel in het kader van het proces van het ouder worden. Voordat je het weet belandt je op een gesloten afdeling waar je de weg niet kwijt raakt. Hooguit weet je dat de bekende deur naar buiten achter een foto van een boekenkast zit. Dit in het kader van: ‘hoe zorg ik dat ouderen gedesoriënteerd raken?’

Het was gisteren een goede oefening. Wat gebeurt er met mij als ik de weg kwijt raak? Meestal kan ik overal prima en kaartloos de weg vinden. Maar daar zitten kennelijk grenzen aan. De landkaart moet toch wel een beetje logisch in elkaar zitten...

Borderline en hechting

Mijn cursussen over hechting begin ik met koffie. En voor sommige dames thee. Daarna gaat het over hechting. En dan is mijn eerste stelling: "Niemand is volledig veilig gehecht." 

Als er vervolgens niemand van zijn stoel gevallen is kan ik verder gaan met de cursus. Als er tenminste niet nét naast het cursuslokaal een trauma-helicopter landt, zoals een tijdje geleden gebeurde.

De Zweedse psychiater Johan Cullberg schreef het boek ‘Moderne Psychiatrie’. Ik ben het daar niet mee eens. Ik bedoel: met die titel. Die zet je op het verkeerde been. Het boek dat ik in de kast heb staan (de 14e druk) is uit 2004. De DSM-5 staat er al niet meer in. Hoezo ‘Moderne Psychiatrie’? Maar verder is die Johan Cullberg een aardige man die bepaald geen kul verkoopt.

Johan Cullberg werkt vanuit de ontwikkelingsdynamische visie. Plat gezegd: in je leven heb je ontwikkelingstaken en ontwikkelingsfasen. Daar kom je meer of minder heelhuids uit. En in elke volgende fase heb je te maken met de emotionele verbindingen die je in een vorige fase meegemaakt hebt.

Bijvoorbeeld: een peuter die op de leeftijd van 1½ jaar (als hij een sterke band heeft met zijn moeder) definitief van haar gescheiden wordt zal daar in de volgende fasen in emotioneel opzicht mee te maken hebben, ook al kan hij het zich zelf niet herinneren. Die scheiding kleurt de volgende fasen. Op welke wijze en in welke mate dat gebeurt hangt af van de vraag wie de peuter zelf is en van de vraag hoe de omgeving het gemis goed kan maken. 

Latere persoonlijkheidsstoornissen zijn vaak terug te voeren op vroegere ervaringen van mensen. En zelfs de hoge ouderdom kan gekleurd worden door die vroege ervaringen (aldus geriater Bére Miesen).

Eén van de persoonlijkheidsstoornissen waar de kwaliteit van de hechting heel sterk in naar voren komt is de Borderline Persoonlijkheids Stoornis (tegenwoordig vaak emotieregulatiestoornis genoemd: een mooi woord voor scrabble).

Wat zegt Cullberg (o.a.) over de Bordeline Persoonlijkheids Stoornis? Wat hij er over zegt weet ik niet, ik versta geen Zweeds. Maar wat hij er over schrijft is enige overdenking waard.

"Alle mensen bezitten het potentieel tot een borderline-problematiek. Niemand heeft in zijn vroegste jeugd een zo complete separatie/individuatie meegemaakt of zijn zelfbeeld zo goed geïnternaliseerd, dat hij niet, in bijzonder lastige situaties, dezelfde mechanismen in zijn functioneren vertoont als de personen die wij mensen met borderline noemen."

Separatie is het los kunnen laten, individuatie is het een eigen ik ontwikkelen. Ik ben twee en ik zeg nee. Soms plakken ouders hun kind dan achter het behang. Tegenwoordig worden er minder kinderen geboren en zijn er minder huizen met behang, dus dat komt minder vaak voor.

In de cursus ga ik in op de gevolgen van het loslaten: dat doet altijd pijn. Er hangt een stevig prijskaartje aan. In een term uit de christelijke theologie: dat is de prijs die we betalen voor onze gebrokenheid.

Om groter te groeien moet de moeder het kind los kunnen laten en het kind de moeder. Dat is de moeilijkste fase in de emotionele ontwikkeling. Het is ook de fase die het vaakste mis gaat: de stap wordt onveilig gezet.

Bij de Borderline persoonlijkheid is het effect: aantrekken en afstoten. Een moeder met borderline is vaak heel grillig naar haar kind toe.

Wordt de peuter zelfstandig, dan wordt dat door moeder als verlating ervaren. Claimt het kind de moeder, dan is het ook niet goed, de moeder wil ruimte hebben. "Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt!" Probeer daar maar eens als kind mee om te gaan...

Borderline en leeftijd

Als mensen ouder worden, worden ze dan ook ongelukkiger? Tegenwoordig is meten weten en dus is er ook een schaal ontworpen die meet hoe gelukkig we zijn: de HR-QoL. Dat betekent: Health Related Quality of Life. 

De mens slijt. Sommige mensen hebben bij het ouder worden steeds meer vervangende onderdelen nodig: een bril (loerprothese), een gehoorapparaat, een kunstgebit of een kunstheup. Maar wat betekent dat voor de mentale gezondheid?

Mentale kwaliteit van leven

Bij de mentale aspecten van de kwaliteit van leven gaat het om thema’s zoals:

  • Lichaamsbeeld en uiterlijk
  • Negatieve gevoelens
  • Positieve gevoelens
  • Gevoel van eigenwaarde
  • Denkvermogen, leervermogen, geheugen en concentratie

En wat blijkt? Ouderen ervaren doorgaans een duidelijk betere mentale kwaliteit van leven dan jongere volwassen. Je hoeft niet meer zo bezig te zijn met de vraag hoe je er uit ziet. Dat scheelt al veel tijd. Daarnaast hoeft er ook niet zoveel meer, je mag meer zijn en je hoeft minder te presteren. Oftewel: ouder worden is zo gek nog niet. Je denkvermogen gaat achteruit, dat kan wat lastig zijn, maar je hoeft ook minder snel.

Fysieke kwaliteit van leven

Iets anders is de fysieke Quality of Life: die wordt inderdaad als lager ervaren. Je fietst geen 250 kilometer meer op een dag, je hebt sneller last van je knie en veel mensen krijgen er een paar pilletjes bij. Maar het hoeft ook allemaal niet zo, dus je emotionele kwaliteit van leven lijdt er niet onder. Sterker nog: veel ouderen melden dat ze zich prettiger voelen.

Borderline

Maar hoe zit het bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis? Bij heb gaat de ervaren kwaliteit van leven juist achteruit. Een vrouw die altijd in het centrum van de belangstelling stond omdat ze zo’n knappe verschijning was kan het niet verkroppen dat ze steeds vaker genegeerd wordt. De applaus-machine dooft uit en dat is onverdraaglijk.

Verklaringen: mentaal

Een verklaring die hiervoor wordt gegeven is de volgende: “Aangezien een tekort aan emotionele copingvaardigheden een van de kernsymptomen is van borderline persoonlijkheidsstoornis, is het denkbaar dat oudere volwassenen met borderline persoonlijkheidskenmerken niet profiteren van de groei in emotionele vaardigheden die anderen bij het ouder worden wél ervaren.”

Er kan ook in meespelen dat mensen met borderline vaak meer ellende meemaken in hun leven. Ze hebben vaker dan anderen te maken met o.a. ernstige conflicten, echtscheiding, en andere life-events. Als je daarbij bedenkt dat een veilige hechting de kans op het oplopen van ernstige trauma’s vermindert kun je je ook voorstellen dat een onveilige hechting de intensiteit van die trauma’s juist uitvergroot (naar mijn mening is borderline voor een deel te verklaren uit onveilige hechting).

Verklaringen: fysiek

Maar ook de ervaren fysieke kwaliteit van leven gaat meer dan bij anderen achteruit. Het kan zijn omdat mensen met borderline ook vaker lijken te roken of overmatig alcohol en medicatie lijken te nemen. Dat verzacht de pijn, maar het is niet gezond: je wordt sneller oud. Het zou ook zo kunnen zijn dat ouderen met borderline-kenmerken meer moeite hebben met de fysieke verschijnselen van het ouder-worden. Ze willen dat alle onderdelen van het lichaam nog goed functioneren en kunnen maar niet wennen aan een pijntje hier, een ongemakje daar en een leesbril op de neus.

Naarmate mensen ouder worden, worden ze niet ook ‘vanzelf’ milder. De problematiek kan zelfs scherper naar voren komen. Mede daarom is kennis van psychopathologische processen in de ouderenzorg gewenst. De borderline-problematiek speelt in alle fasen van het leven. Indien onbehandeld speelt ze ook een grote (negatieve) rol bij de emotionele en lichamelijke functioneren van ouderen.

L.Botter e.a.: Impact of Borderline trait disorders in the association between age and mental health related Quality of Life. In Euraopen Psychiatry, Cambride University Press, 26 april 2021. 

Dromen van machteloosheid

‘Het was weer een bloedbad vannacht’, verzucht de 84-jarige oud-militair. Dit slaat op zijn dromen, nachtmerries dikwijls, waarin hij zijn diensttijd, meer dan 40 jaar geleden, opnieuw beleeft. Het gebeurt niet elke nacht, maar wel een paar keer per week (uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde).

Al sinds die oorlogstijd sliep hij onrustig; zijn vrouw werd er wakker van als hij met armen en benen sloeg. De laatste jaren, nu hij wegens rugklachten zijn werk had moeten staken, is het veel erger geworden. ‘Wij slapen niet meer bij elkaar, ik ben mijn vrouw een paar keer naar de strot gevlogen,’ zo legt hij uit. Hij slaapt slecht in: ‘Het is dat ik niet durf te slapen, bang voor lawaai, dat je aangeschoten wordt.’ Dit gaat over de gevechtshandelingen die hij meemaakte. ‘De ergste dingen waren niet de acties, maar dat je bijvoorbeeld alleen in een putje zat, er niet uit kon en anderen om je heen omkwamen.’

Dit existentiële-stress-syndroom is een overblijfsel van extreem bedreigende situaties waarin men zich machteloos voelde. Mensen die concentratiekampen meemaakten, tonen vaak een dergelijk beeld. Juist bij het ouder worden gaan de gruwelijke herinneringen meer dan voorheen kwellen. Verminderde weerstand, lichamelijke kwalen, sociale neergang, isolement en teleurstelling over het leven spelen een rol. Het wezenlijke van die droom is de herbeleving van al die ellende, vooral in de nachtelijke uren.” Tot zover dat artikel uit het NTG.

De ex-militair is niet de enige. Veel ouderen kunnen vertellen van enge dromen waarin gebeurtenissen uit het verleden herbeleefd worden. Mijn grootvader (hij was politiek gijzelaar in kamp Beekvliet in Sint Michielsgestel) sloeg af en toe mijn oma het bed uit. Dan was hij weer in gevecht geraakt met de Duitsers.

Machteloosheid

Het schijnt daarbij vooral te gaan over het thema ‘machteloosheid’. Mijn vroegere hoogleraar theoretische pedagogiek dr. J.W. van Hulst vertelde in een interview (hij was toen 102 jaar) hoe hij regelmatig droomde over de Joodse kinderen die niet bevrijd hadden kunnen worden. je zou denken: hij heeft met zijn medewerkers maar liefst 600 kinderen uit de handen van de Duitsers weten te houden. Maar waar droomde hij van? Van de kinderen bij wie dat niet gelukt was. Het thema machteloosheid…

Van een hoogbejaarde man hoorde ik hoe hij (‘niet elke nacht, maar wel vaak’) droomde van de situatie waarin hij – alleen- met een legertruck met voedsel in de blubber op Sumatra vast was komen te zitten, terwijl Indische verzetsstrijders naar hem op zoek waren. Er waren inmiddels tal van zijn kameraden omgekomen. Het was nacht en hij kon niemand bereiken om om hulp te vragen. Opnieuw het thema machteloosheid.

Een andere man vertelde tijdens een bezoek hoe hij vaak ’s nachts wakker werd en riep om zijn dochtertje. Dat dochtertje was na de bevalling overleden, zijn vrouw had de baby niet gezien, hij slechts enkele seconden. Ze hadden nooit afscheid kunnen nemen.

De meeste ouderen vertellen dat deze dromen vooral optraden nadat ze met pensioen waren gegaan. Dus als de drukte verdwijnt komen de thema's naar boven die alsnog verwerkt moeten worden. Ze hebben liggen te sluimeren, maar ze waren als een onderhuidse veenbrand, wachtend op het moment om via de doom tot het bewuste door te dringen. 

Dansende letters

Marjon geeft aan dat ze soms bijna niet kan lezen. De letters blijven niet op het papier staan. Ze gaan dansen en het lukt haar dan niet meer om die letters te vangen. Het lezen lukt dan dus niet meer. Wat is er aan de hand? 

Dat weet ik ook niet. Hoewel: het is mij ook wel (een enkele keer) overkomen. Dat lag niet aan mijn ijdelheid (geen leesbril), maar – voor mijn idee – aan een te vol hoofd. De hersenspons zat vol: er kon geen nieuwe informatie meer bij. Het enige wat mij dan hielp was ‘even niks’.

Overbelasting van de ogen

Mijn indruk was (al) dat die dansende letters te maken zouden kunnen hebben met overbelasting van de zintuigen. Toen ik op zoek ging kwam ik het verschijnsel o.a. tegen in een artikel over Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH). Inderdaad: als de ogen teveel informatie te verwerken krijgen kan er een soort van kortsluiting optreden: de boel gaat op slot. Kenmerken van die overbelastig zouden kunnen zijn:

  • Dubbel zien
  • Wazig zien
  • Slecht kunnen lezen
  • Dansende letters
  • Oogvolg bewegingen (niet vloeiend, snel heen en weer)
  • Veel knipperen met de ogen
  • Overgevoeligheid voor licht (graag een zonnebril op hebben)

Horen én zien is (te) veel

In de loop van de jaren heb ik de indruk gekregen dat met name de combinatie van veel horen én van veel zien het hoofd sneller vol maakt. Er zijn dan ook mensen die bewust in een drukke ruimte oordoppen in doen of omgekeerd zich meer afsluiten van wat ze zien. Het lijkt een combinatie van een neurologisch probleem en een zintuiglijk probleem: er komt teveel binnen en dat kan niet verwerkt worden: de waarneming gaat op slot. Het leidt ook tot problemen in de motoriek en het evenwicht.

Lichaamsbesef en – ordening

Daarmee kom ik op een volgende waarneming: die van het proprioceptieve systeem. Hoe zit je lichaam in elkaar? Hoe reguleer je je handelen? Bijvoorbeeld: als ik een heel klein schroefje aan moet draaien moet ik langzamer handelen. Als ik een volle beker water op de tafel wil zetten moet ik voorzichtig manoeuvreren. Als ik een ijshoorntje aan pak moet ik daar niet in knijpen. Proprioceptie is eigenlijk het leren hanteren en kennen van je eigen lichaam. Het is heel goed zichtbaar bij het wassen en bij het tandenpoetsen.

Bij mensen met een verstoorde proprioceptie zien we:

  • Vaker struikelen of vallen (onvoldoende kijk op je lichaam in de ruimte en oneffenheden in de ruimte en de consequenties die dat voor je lichaam heeft
  • Onhandig, zoals veel dingen laten vallen (problemen met doseren van bewegingen)
  • Onvoldoende samenwerking tussen beide handen en vaak ook voeten
  • Problemen in ritme en volgorde in handelen en soms ook in de mogelijkheden van de taal
  • Vaker emotionele problemen (zelfbeeld/zelfvertrouwen)
  • Lagere alertheid, niet bij de les kunnen zijn, beperkte aandacht regulatie
  • Moeite met dubbeltaken: dingen na elkaar in plaats van tegelijk
  • Meer moeite met het snel opnemen van informatie.
Naarmate mensen ouder worden hebben ze meer moeite met de afstemming van de proprioceptie. Het valgevaar neemt bijvoorbeeld toe, ze kunnen maar één handeling tegelijk. Dat maakt het noodzakelijk dat ook het tempo verlaagd wordt.

Levende voorbeelden

Soms ben je als docent een levend voorbeeld. De afgelopen week gaf ik drie maal cursus voor medewerkers in de ouderenzorg. Maar er vielen af en toe hiaten in mijn verhaal.

Die hiaten ontstonden vooral doordat ik niet op namen kon komen. Dat heet een ‘opdiepprobleem’. Het niet op namen kunnen komen staat op 1 in de ergernissen-lijst van ouderen. Ik zou zeggen: ‘Mens erger je niet. Er zijn ergere dingen’. Maar op zo’n moment zit je denken anders in elkaar. Het ingewikkelde was dat ik vaak niet op de namen kan komen, maar wel op de plaatsnaam waar de persoon in kwestie woont danwel zijn vak uitoefent. Professor Dinges is verbonden aan de universiteit van Dundee in Schotland en geriater IJ is woonachtig in het Limburgse Montfort.

Naarmate de stress toeneemt, nemen de opdiepproblemen ook toe. Maar het kan ook met vermoeidheid te maken hebben. De beste manier om je namen te binnen te laten schieten is om ze je niet te binnen te laten schieten. Dan ploppen ze vanzelf op. Maar dat is dan weer hetzelfde als het ‘Denk niet aan die roze olifant’.

Omdat ik mijn gehoorapparaat was vergeten begreep ik ook een deel van de vragen niet. Vraag: Meneer A, wat hebt u gisteren gedaan? Antwoord: ‘Goede vraag, de komkommers zijn ook in de aanbieding’.

Toen ik thuis kwam zei Tineke: ‘Heb je echt zó les gegeven?’ Ik vroeg: ‘Hoe anders?’ Volgens Tineke was mijn kleding niet op orde. ‘Dat kon zo echt niet’. Daar kun je je van alles bij voorstellen. Vroeger was ik daar altijd bang voor. Als er cursisten begonnen te giechelen vreesde ik als mannelijke docent tussen bijna alleen vrouwelijke cursisten het ergste. Later bedacht ik dat er ergere dingen zijn.

Van de cursisten heb ik geen opmerking gehoord. Ik wacht de evaluatie maar af. 'De docent paste zijn wijze van optreden goed aan aan de inhoud van de lesstof'. 

De oude PC

De computer die ik dagelijks gebruik is zo'n tien jaar oud. Voor mensen is dat jong, voor poezen is dat van middelbare leeftijd en voor PC's is dat hoogbejaard.

Ooit is het geheugen van de PC uitgebreid. Dat geldt ook voor het opstartgeheugen. Ik weet niet of ik de goede termen gebruik, ik ben niet zo van de ICT. Zoiets moet het doen, maar ik moet er niet teveel over na moeten denken.

Bron: Freshgadgets (internet)

Mijn schoonvader was één van de eerste programmeurs van de NMB (tegenwoordig de ING). Zijn computer was drie klaslokalen groot, maar kon minder dan de hedendaagse PC die mensen thuis hebben staan. Hij spuugde dagelijks de halve Veluwe aan papier uit in de vorm van ponskaarten.

Het geheugen van mijn PC is destijds uitgebreid. Maar verder is er niets aan veranderd. Toch wordt hij steeds langzamer. Dat is niet zo erg, want ik word ook steeds langzamer.

Het langzame tempo merk ik vooral bij het opstarten. Dan schijnen er allerlei onderdelen wakker te moeten worden en die programma’s moeten elkaar niet in de weg lopen, want dan loopt de computer vast. Als ik het opstarten wil versnellen heb ik mezelf daarmee. Ik verstoor het begin van de dag voor mijn computer. Er is dan zelfs een kans dat hij vastloopt.

Wachten duurt altijd lang. Dus als ik ga zitten wachten totdat de PC is opgestart heb ik de neiging om alsnog een toets in te drukken om het proces te versnellen. Tegenwoordig loop ik eerst de trap af naar mijn werkkamer, daar start ik de PC op, dan ga ik weer naar boven om mijn tanden te poetsen, een paar spullen in de vaatwasser te zetten en koffie te zetten. Als ik daarmee klaar ben ga ik weer naar beneden en ziedaar: de PC is opgestart. Ik moet me dan alleen nog het wachtwoord zien te herinneren voor de laatste stap. Dan duurt het starten nog twee minuten, maar in die tijd geef ik de planten water of leeg ik een prullenbak.

Het geheugen van de PC is niet minder geworden. Er is nog altijd veel restcapaciteit. Wat opvalt is dat het werkgeheugen veel trager is geworden. de programma’s moeten één voor één in hun eigen tempo worden opgestart. Dat proces moet je niet willen versnellen, want dan raakt de PC in de war,

Zo is het ook met oudere mensen. Hun geheugen heeft nog genoeg capaciteit, maar het heeft meer tijd nodig om tot actie te komen. De activiteiten kunnen niet meer tegelijk, ze worden veel meer na elkaar gedaan. Als oudere mensen meerdere dingen tegelijk willen doen loopt het systeem eerder vast. Geef ze dus de tijd door informatie één voor één aan te bieden. Of door handelingen ná elkaar te doen.

Zo begon ik gisteren een cursus over de gevolgen van het ouder worden. Overigens passen mijn leeftijd en die van mijn PC prima bij elkaar. Een te snelle PC kan ik niet meer volgen.