Versoepeling lock-down

Net zoals veel ouderen hebben ook duizenden mensen met een verstandelijke beperking tien weken lang in afzondering moeten leven. Zo ook mijn broer G.

Sinds de afgelopen week zijn de regels op de woning waar hij woont een beetje versoepeld. Er wordt één keer in de week (onder strikte voorwaarden) bezoek toegestaan.

Meestal stap ik zonder enig doel op de fiets, maar gisteren had ik dus een doel: ik ging op bezoek bij mijn broer. Maar eerst moest ik nog even via zoon en kleindochters om wat planten voor de tuin af te leveren. Kleindochters Droppie en Droffel (opa’s geven soms gekke namen aan kleindochters) waren bezig in de tuin een tent op te zetten.

Daarna fietste ik via de oude trambaan naar de Lier naar Maassluis. Daar wilde ik eerst nog langs twee winkels in het winkelcentrum om wat dingen voor mijn broer te kopen (hij mag zelf niet naar de winkel). Helaas stond er een lange rij voor de beide winkels. Wachten totdat ik aan de beurt was zou van het bezoekuur af gaan.

Broer G. was blij met het bezoek. En ik merkte dat ik best geëmotioneerd was. Het voelde een beetje alsof hij vrij kwam uit gevangenschap, ook al heeft de begeleiding erg zijn best gedaan om goede zorg te leveren. Het voelde ook erg vreemd dat ik meerdere malen door Maassluis was gefietst, maar dat ik hem niet eens heb kunnen zien, laat staan spreken.

Ik weet niet of jullie wel eens op een driewieler hebben gefietst. Mijn eerste ervaring was dat ik rechtstreeks de bosjes in ben gefietst. Zo’n fiets voelt onbestuurbaar aan. Je moet echt opnieuw leren fietsen. Met een maximum-snelheid van 8 kilometer per uur zoefden wij door Maassluis. Bij terugkomst was er koffie met tompouce in de tuin van de woning (het bezoek mag nog niet binnen). Na een uur was de bezoektijd voorbij en vertrok ik weer met onbekende bestemming om uiteindelijk in Delft uit te komen.

Ik fietste over de Zuidbuurtseweg naar Vlaardingen. Dit is één van de weinige overgebleven landelijke stukjes rond Vlaardingen. Helaas wordt er een enorme aanslag op het gebied gepleegd: er wordt een nieuwe autoweg aangelegd die aansluit op de Blankenbergtunnel (in aanbouw).

Bij een plaatselijke boer kocht ik plaatselijke aardbeien. Een medefietser kon niet betalen en had ook zin in aardbeien. Dus die betaalde ik meteen ook. Fietsers zijn betrouwbare mensen en ’s avonds had ik het geld alweer terug op mijn rekening.

Na Vlaardingen volgde Schiedam. Het is hier één groot doolhof aan woonerven volgens het zogenaamde model van de bloemkoolwijken. Er schijnen mensen de wijk in de fietsen en er nooit meer uit te komen. Soms worden ze dagen later pas gevonden als ze kattenbrokjes eten om niet van de honger om te komen.

Het centrum van Schiedam is overigens bijzonder mooi, met o.a. de hoogste molens van de wereld. En Kethel is nog een stukje historisch dorp temidden van de Schiedamse nieuwbouw.

Vanuit Schiedam fietste ik door de groene buffer van Midden-Delfland terug naar Delft. Daar kocht ik nog paprika's en trostomaten bij de plaatselijke groentenman. Goed gevuld kwam ik weer terug in onze flat aan de Delftse Schie. 

Fietsen in Coronatijd (4)

Ja mensen, Henk en de zee, dat is toch wel een aardige combinatie. Mijn stemming kan aanzienlijk gedaald zijn, als ik de zee zie stijgt de stemming weer.

De afgelopen week belandde ik maar liefst drie keer aan zee. En al die keren klotste hij voort in eindeloze deining. Dat houdt maar niet op. Deze keer verschenen Henk & zijn Batavus in Scheveningen, een ooit chique badplaats voor de kust van Den Haag. Tegenwoordig probeert men de plaats weer wat op te peppen door o.a. de bouw van dure appartementencomplexen. Daar zijn de meeste autochtone Scheveningers bepaald niet blij mee.

Vanuit Delft was ik met gezwinde spoed via Rijswijk naar de buitenwijken van Den Haag Zuid gefietst. Elke keer is het weer een verrassing waar ik uit kom. Kijkduin wilde ik deze keer niet aan doen (dat wilde ik Kijkduin niet aan doen). Halverwege Kijkduin en Scheveningen botste ik met mijn fiets op een hoop zand. Het lag wat verstopt achter de bosjes. Dit bleek een zogenaamd duin te zijn.

Voor de mensen die niet weten wat een duin is: dit is een heuvel van fijn zand. Je vindt duinen o.a. langs de Nederlandse kust. Er zijn twaalf verschillende typen van duinen. Ik heb niet onderzocht wat voor type duin dit was.

Een fietspad deed mij bijna 20 meter klimmen, waardoor ik een mooi uitzicht had over het duingebied bij Den Haag. En het wonderlijke was: de stad was compleet verdwenen. Alleen zon, zee, en strand en honden die hun aangelijnde baasjes uit lieten.

Bij Strandslag 10 werd ik gebeld vanwege een noodzakelijk en onwerkelijk werkgesprek. Dat heb je in Corona-tijd: je wordt zómaar overvallen door een onverwachtse vraag. Pas na een half uur kon ik verder fietsen in de richting van de haven van Scheveningen (de foto’s zijn kwalitatief zwak, gemaakt met mijn – goedkope – telefoon).

De mensen hebben het wel over de Rotterdamse haven, maar Scheveningen heeft ook een haven. Er zijn zelfs drie havens. En er is een pier. Niet één, maar twee zelfs. Ik fietste de Zuiderpier op: dat is de langste pier. Hij steekt een kilometer de zee in. Er waren tal van mensen aan het pierewaaien. De andere mensen waren aan het roken, aan het blowen of aan het vissen: allemaal voor mij onbegrijpelijke bezigheden.

Ik toefde hier niet lang en vertrok naar de Noorderpier. Je moet dan een aanzienlijk ommetje maken. Het ging mij niet om die pier, maar om de vuurtoren. Die is identiek aan die van Den Helder, alleen een paar meter lager.

Op de boulevard reden auto’s met open dak en dreunende muziek af en aan. Kennelijk vallen de stilte en/of zeegeluiden zelfs in Coronatijd maar moeilijk te verdragen. Vóór de kust lag een vijftien tal zeeschepen met corona-problemen te wachten op betere tijden. Het parkeren op zee is gratis, in de haven moet je dokken.

Na een korte break met water en een koekje erbij stapte ik weer op de fiets. Den Haag was stil en ik heb menig rood verkeerslicht genegeerd. Ik fietste nog even om via de regeringsgebouwen, maar trof daar geen minister aan. Na een uur was ik weer heelhuids op de thuisbasis aan de Schie in Delft. 

Fietsen in Coronatijd (2) : Ter Heijde

Op 10 augustus 1653 woedde voor de kust van Ter Heijde een zeeslag tussen de Nederlandse en de Engelse vloot. Dat was de schuld van de Engelsen.

De Engelsen hadden de Nederlandse havens geblokkeerd, waardoor de Nederlandse economie dreigde in te storten. Ja, de mensen hebben het wel over Corona, maar de Engelsen waren ook geen lieverdjes.

Teneinde een einde aan die blokkade te maken deden Nederlandse oorlogsschepen een uitval. Ter hoogte van Ter Heijde troffen de beide vloten elkaar. De Engelsen wonnen de slag en de Nederlandse admiraal Maarten Harpertszoon Tromp stierf als gevolg van de actie van een sluipschutter. Toch behaalden de Nederlanders ook een overwinning. De Engelse vloot was zó gehavend dat men onvoldoende schepen (over) had om de blokkade voort te zetten.

Om dat te gedenken stapte ik gisteravond – na een familie Zoommeeting – op de fiets om nog even aan zee te kijken of er niet mogelijk weer een Engelse vloot in aantocht was. Je weet het immers maar nooit met Boris Johnson en zijn Brexit-acties aan het roer.

Er stond een krachtige zuidwestenwind. Omdat de zee in onze omgeving in het westen ligt moest ik eerst stevig tegen de wind in stampen. Ik fietste door Rijswijk en allerlei wijken van Den Haag. Overal langs de randen wordt weer nieuwbouw gepleegd, vooral bij Madestein. Uiteindelijk kwam ik bij de watertoren aan de Monsterseweg uit. Daar vandaan was het nog vijf kilometer fietsen naar Ter Heijde.

Terheijde is ook een beetje Monster aan Zee. Maar zo heet het toch niet, want dan zouden de mensen gaan denken aan haaien of aan leviathans. Een aanzienlijke paniek zou kunnen gaan heersen over de strandgangers. Hoewel de GGZ-kliniek van Parnassia dichtbij is valt zo'n noodopname toch niet aan te bevelen.

De mensen hebben het wel over de gevaren van de stijgende zeespiegel, maar in 1470, 1530, 1546 en in 1570 werd Ter Heijde overspoeld door de golven van de Noordzee. In 1928 besloot de gemeente Monster het dorp af te breken en nieuwbouw te plegen. Tien jaar later braken de Duitsers de nieuwbouw weer af. Alleen de kerk lieten ze staan (het torentje op de foto).

Nu schijnen er wéér plannen te zijn om het dorp af te breken en er luxe nieuwbouw voor in de plaats te zetten. Die kant moeten we toch niet uit…

Na deze overpeinzingen fietste ik volgens de Strava over een niet bestaande weg naar het centrum van Monster om aan de voet van de massieve toren een stevige boterham te eten. De schaduwen werden langer en het werd steeds frisser.

Vanuit Monster fietste ik via Naaldwijk naar natuurgebied de Wollebrand. Nergens in Zuid-Holland zijn de fietspaden zó slecht onderhouden als in het Westland, maar dit terzijde. In de Wollebrand bleef ik steken vanwege een afgesloten brug. Lock-down of niet, in het park was een illegale bijeenkomst van een grote groep jongeren aan de gang. Politie verwacht je niet aan een doodlopende weg.

Na mezelf uit dit doodlopende gebied bevrijd te hebben fietste ik weer verder. Het beschermde dorp(sgezicht) 't Woudt tekende zich als silhouet af tegen de laatste weerkaatsing van de zon. Tegen 23 uur was ik thuis en kon ik mezelf opwarmen met warme chocolademelk, een warm vest en een spinnende huiskater op schoot.

Fietsen door drie provincies (3)

De streek aan de overzijde van de Gouwe is één groot tuindersgebied. Wie nog plantjes wil kopen kan hier zijn hart ophalen.

Maar dat was toch eigenlijk niet de bedoeling. Ik dacht één van de weinige fietsers te zijn, maar her en der ontstaat bijna een file aan 65-plussers die zich op de E-bike verplaatsen. Daar mag ik niet over oordelen, natuurlijk, ik doe ook mee aan deze filevorming.

Wie nog plantjes zoekt kan ik deze streek wél aanraden. Een enorme variatie aan planten, sierheesters en kleine bomen. Ik had eigenlijk een extra fietstas mee moeten nemen, dan was het dakterras nóg groener geworden dan het al is.

Ik heb geen geplande richting voor ogen en fiets mijn neus maar achterna. Dan opeens ben ik in Reeuwijk Dorp. Dat was ik niet van plan, een fietstocht is net een levensweg. Dan kom je opeens op een plek die je niet gepland had. Reeuwijk Dorp is een heel andere plaats dan Reeuwijk: eigenlijk is Reeuwijk de uitbreiding van Reeuwijk Dorp omdat iedereen opeens aan het water wilde wonen.

Na Reeuwijk Dorp kom ik over allerlei voor mij onbekende wegen en kruis af en toe een andere weg die ik al eerder bereden heb.

Bodegraven laat ik rechts liggen. Over een mooi landelijk fietspad bereik ik uiteindelijk Zwammerdam. Dat is een klein dorp met een grote inrichting. Daardoor heeft 1/3 deel van de plaatselijke bevolking een verstandelijke beperking. Onlangs is de zoon van vrienden hier opgenomen. Ik bedenk dat ik hem wel even op kan zoeken. Maar helaas: de corona-maatregelen gelden ook voor een groot instellingsterrein. Ik word niet toegelaten.

Zwammerdam heeft een klein maar aardig en knus dorpscentrum. Ooit hadden alle huizen hier rieten daken. Toen er bij de bakker brand ontstond fikte meteen een deel van het dorp af. Een deel van die huizen is herbouwd.

In Zwammerdam zie ik een bordje richting Nieuwkoop. Dat vind ik wel een aardig volgend doel. Wat volgt is een prachtige smalle weg door weids polderland. Rechts liggen de Nieuwkoopse Plassen. En als er water is trekt dat vanzelf ook geld aan: er worden tal van dure huizen neergezet waardoor er weer mooie plekjes verdwijnen.

Natuurlijk, mensen moeten ergens wonen, maar ik vind het Deense idee veel aardiger. Mooie plekjes zijn voor iedereen. Wil je een huis bouwen, dan moet je ruimte vrij laten voor anderen. Oftewel: een huis bouwen is OK, maar je laat een voetpad langs het water vrij voor anderen.

Nieuwkoop is een lintdorp. Achter de lintbebouwing liggen nieuwbouwwijken. In het centrum van het dorp staan enkele oude gebouwen, zoals het vroegere Regthuys en de toren van een voormalig kasteel. Nieuwkoop had ook een station, maar de spoorlijn werd in 1935 opgeheven. Toen heeft men het station ook maar afgebroken.

Na Nieuwkoop fiets ik in oostelijke richting naar Noorden. Hoe logisch wil je het hebben. Aan stuurboord liggen nog steeds de Nieuwkoopse Plassen, vooral in de vorm van legakkers: smalle percelen grasland met daar tussen veel water.

Fietsen door drie provincies (2)

Na Nieuwerkerk aan den IJssel fiets ik de Zuidplaspolder in. Het is een uitgestrekte polder met een zeer strak wegenpatroon. Het gebied werd pas in 1825 droog gelegd.

Als oriëntatiepunten voor de indeling van de polder golden de kerktorens van Moerkapelle en Moordrecht. Ook nu nog is te zien dat de Breede Weg – de hoofdweg door de polder – precies tussen het centrum van Moerkapelle en van Moordrecht loopt. Het land werd uitgegeven is strakke coupures van 800 bij 800 meter. Je kunt in de polder ook alleen maar haakse bochten maken: je fietst zuidwest/noordoost of zuidoost/noordwest. Meer smaken heeft de polder niet.

De Zuidplaspolder vertoont overeenkomsten met de Haarlemmermeerpolder (die uit dezelfde tijd dateert). Ook op de prairies in o.a. Iowa heeft men naar dit voorbeeld het land verdeeld, maar daar zijn de verhoudingen in mijlen.Ze geloven er niet in kilometers.

Voor een deel heeft de polder nog zijn authentieke karakter behouden, maar langs de randen wordt aan alle kanten landbouwgrond afgestaan ten behoeve van bedrijventerreinen. Het zijn de bekende grote blokkendozen, de lelijkste vorm van architectuur die er bestaat. Als men de daken van zonnepanelen zou voorzien zou er nog iets nuttigs ten behoeve van de natuur uit voortkomen, maar dat gebeurt ook al niet.

Halverwege de polder heb ik een haakse bocht in noordwestelijke richting gemaakt. Hier fiets ik over de Breedeweg. Uiteindelijk maak ik weer een haakse bocht en daarmee fiets ik Waddinxveen binnen. Zeg nooit dat dit een dorpje is, er komt maar geen einde van de (nieuw)bouw. Pas na bijna 4 kilometer bebouwde kom ben ik bij de Hefbrug, het beroemdste bouwwerk van Waddinxveen. De plaats telt inmiddels drie stations.

Waddinxveen blijkt een zeer kerks dorp te zijn. De inwoners van het dorp kunnen kiezen uit een twaalftal kerkgebouwen, waarbij in de meeste kerken op zondag dubbele diensten worden gehouden. Maar nu even niet, vanwege de corona-maatregelen.

Bij de Hefbrug neem ik op een bankje een pauze tot mij. Ik eet twee boterhammen en drink een halve liter water. Na uiteraard eerst mijn handen grondig te hebben gereinigd vanwege het risico op een mogelijke Corona-besmetting.

Die hefbruggen (er zijn er drie over de Gouwe: Alphen aan den Rijn, Boskoop en Waddinxveen): dat zijn toch wel mooie objecten van werktuig- en waterbouw. De bruggen werden gebouwd door de firma de Vries-Robbé in Gorkum (wij hebben tegenover die fabriek gewoond, maar nadat we verhuisden ging de fabriek failliet).

De hef kan tot 35 meter hoogte worden opgehesen. Daar kan dus een aardig bootje onderdoor. Toch is het niet altijd goed gegaan met deze brug. Twee keer kwamen er zware onderdelen met donderend geraas naar beneden en de brug is ook een keer geramd door een binnenvaartschip. Een gevolg was toen dat de brug drie maanden lang buiten westen lag en onbruikbaar was. En dat terwijl het de enige oeververbinding is over dit deel van de Gouwe.

Na deze overwegingen bestijg ik de Batavus weer en kom ik veilig aan de overkant van de Gouwe uit. Daar bevindt zich een uitgestrekt tuinbouwgebied. Boskoop vormt het centrum van dit gebied, maar het strekt zich uit tot aan de rand van Gouda.

Fietsen door drie provincies (1)

De zon scheen uitbundig en de felle oostenwind van de afgelopen dagen was gaan liggen. Er stond slechts een zacht oostelijk briesje. Hoogste tijd om op de fiets te stappen.

Maar voordat het zo ver was moest er eerst voor mijn werk nog enig corona-overleg gevoerd worden. We leven immers in corona-tijden, daar valt niet aan te tornen. De klok van de Nieuwe Kerk sloeg elf en precies op dat moment besteeg ik het zadel van de Batavus Dinsdag. Dat was opmerkelijk, want het was donderdag.

Midden Delfland

Drie kilometer lang fietste ik door de nieuwbouwwijken van Delft en toen was ik in Midden Delfland: de laatste buffer aan groen tussen de regio Rijnmond en de regio Den Haag. Slechts een schamele vijf kilometer is er over gebleven van deze buffer. De aanleg van de A4 en straks van de Blankenbergtunnel maken het schaarse natuurgebied nóg schaarser.

Van Delft naar het centrum van Schiedam is het slechts tien kilometer fietsen. En het aardige is dat je in Schiedam eerst helemaal niet door hebt dat je je in een stad met zo’n 80.000 inwoners bevindt. Eerst is er de

Weggetje in de buurtschap Kethel

buurschap Kethel, waar het nét lijkt of de wereld helemaal niet veranderd is. Daarna kun je door een park, omgeven door volkstuinen: nog drie kilometer groen verder fietsen. Daar eindigt de fietsroute in de buurt van station Schiedam Centrum in een wirwar van wegen: hier is het echt de beton-en asfaltjungle.

Als je hier niet bekend bent raak je hopeloos verstrikt in een doolhof aan wegen, zijwegen, viaducten, opbrekingen en wegomleggingen. Want Schiedam gaat deels op de kop: wijken uit de jaren ’60 worden opgekalefaterd en routes verlegd. Soms moet je lang voor een verkeerslicht wachten om dan aan de overkant de haakse bocht te nemen. Daar staat uiteraard ook een verkeerslicht. Daar sta je ook weer te wachten. En dan ontdek je dat je daar niet verder kunt omdat het fietspad geheel omgeploegd is. Adequate borden ontbreken vaak. Kortom: na die aardige start kom je hier behoorlijk in de fietsproblemen. Je zou vanwege de frustratie bijna een Schiedamse oude klare tot je nemen. Maar ik drink geen alcohol en ik zou als gevolg van een paar slokken van mijn fiets storten.

Ik besluit een stukje de metro te nemen. Het betekent dat ik ondergronds ga. Het centrum van Rotterdam gaat aan mijn neus voorbij: dat scheelt een groot aantal verkeerslichten. Na ongeveer zes kilometer stap ik op het metrostation van de Gerdesiaweg weer uit de metro en kom ik weer bovengronds. Hier heb ik een goede uitgangspositie om oostwaartse te fietsen. Eerst door 19e eeuwse Rotterdamse wijken, dan door naoorlogse nieuwbouw en tenslotte fiets ik Capelle aan den IJssel binnen.

Capelle aan den IJssel is weer zo’n uit de hand gelopen groeikern die verkleefd is met Rotterdam. De plaats telt bijna 70.000 inwoners en Jan Peter Balkenende. Van oorsprong is Capelle een tuindersdorp: een aantal parallelwegen lopen van west naar oost en tussen die wegen waren tuindersgebieden.

Het aardige van Capelle is dat die oude wegen – zoals de kilometers lange ’s Gravenweg – hun karateristieke kenmerken redelijk hebben weten te bewaren: je hebt bijna niet door dat je door een uitgestrekte forensenplaats fietst. Wel zijn er helaas tal van oudere huizen afgebroken en op die percelen verschijnen dan protservilla’s met vogelonvriendelijke pannendaken en twee of drie auto’s op het eigen erf. Nog een groot hek er voor en je bent hier in België.

Hoewel er best veel hoogbouw uit de jaren ’60 en ’70 is bezit Capelle aan den IJssel opmerkelijk veel groen,waaronder een enorm stadspark met veel koolzaad, maar ook veel in corona-tijd illegale samenscholingen.

Eén van de weinige stukjes authentiek Nieuwerkerk aan den IJssel

Aan de oostzijde van Capelle is nauwelijks meer groen over gebleven. De laatste stukken buffer tussen Nieuwerkerk en Capelle worden volgebouwd. Aan de noordzijde van Nieuwerkerk aan den IJssel is de Vinex-wijk Nesselande gebouwd. Er zijn nog maar een paar stukjes authentiek Nieuwerkerk over gebleven. Langs de oudere wegen hebben ook hier de authentieke huizen plaats moeten maken voor wanstaltige nieuwbouw. Waar halen architecten tegenwoordig hun diploma. Ik hoop niet dat dat in Delft is.

Een aardige bijzonderheid van Nieuwerkerk aan den IJssel is dat hier het laagste punt van Nederland ligt: min 6,76 meter onder NAP. Dankzij het droge weer kom ik toch droogvoets aan de andere kant van de gemeente.

Even de provincie uit: Utrecht

Tot een aantal weken geleden was ik meer buiten de provincie aan het fietsen dan binnen de provincie. Nu kom ik de provincie nauwelijks meer uit. Niet met de trein, niet op de fiets.

Maar een enkele keer neem ik nét een puntje andere provincie mee. Vorige week was dat de provincie Utrecht. Het was al gebeurd voordat ik het door had.

Nietsvermoedend fietste ik naar Oudewater (op het meest oostelijke punt van de Strava-kaart).  Ik had altijd goede cijfers voor topografie, maar die kennis is kennelijk wat weggezakt. Ik dacht dat Oudewater in de provincie Zuid-Holland lag. Blijkt de gemeente in de provincie Utrecht te liggen.

Het gebeurt wel eens dat plaatsen van provincie veranderen. Dat gebeurde met het nabijgelegen Woerden. Die plaats hoorde tot 1989 bij de provincie Zuid-Holland en is nu een Utrechtse gemeente. De burgemeester en de gemeenteraad sprake in 2013 uit dat ze weer terug willen naar Zuid-Holland. Dat is niet gebeurd. Je moet een burgemeester niet altijd zijn zin geven.

Helemaal in de bonen ben ik trouwens niet. Een blik in de geschiedenis van Oudewater leert mij dat de gemeente in 1970 vanuit Zuid-Holland is overgeheveld naar de provincie Utrecht.

De Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben onlangs uitgesproken dat Oudewater weer bij die provincie gevoegd moet worden. Straks breken hier nog schermutselingen uit tussen Staatse en Trechtse troepen. 

Hoe dan ook, mijn topografische kennis was op het niveau en de tijd van de lagere school blijven steken. Daarna heb ik niets meer bijgeleerd…

Oudewater is de oudste stad in het Groene Hart, nog ouder dan Gouda. Het is een prachtig oud stadje, dat zijn welvaart o.a. ontleende aan de ligging aan de Hollandsche IJssel.

Maar nu heeft de plaats een griezelig randje: de stad hoort bij de meest getroffen gemeenten als gevolg van het corona-virus. De weekmarkt doet bijna spookachtig aan: er staan maar een paar kramen en er lopen nauwelijks mensen. De anders overvolle terrassen langs het water van de gracht liggen er verlaten bij. Ik merk dat ik extra alert ben, heel omzichtig ergens ga zitten en als ik weer op de fiets stap desinfecteer ik eerst mijn handen. Je weet immers maar nooit….

Na Oudewater fiets ik verder noordwaarts, naar Papekop. De naam herinnert er aan dat dit gebied ooit eigendom was van de bisschop van Utrecht (paap= katholiek). Vroeger stond hier het station van Oudewater, maar als ik nu op de trein wil stappen kan ik lang wachten. Dat alles is vergane glorie. Er staat wel een mooie bank die herinnert aan dit station. De drukke spoorwegovergang is inmiddels vervangen door een tunnel.

Daarna fiets ik verder naar Waarder. Het is een heel oud dorp, maar van die geschiedenis is weinig meer over gebleven. De dorpskerk en enkele monumentale boerderijen laten nog iets zien van de vroegere architectonische geschiedenis.

Een deel van Waarder heeft decennia lang deel uit gemaakt van de provincie Utrecht, maar tegenwoordig behoort de hele plaats weer tot de gemeente Zuid-Holland. Ik ben de provincie Utrecht weer uit en daarmee blaas ik ook dit fietsverhaaltje uit.