Na de treinspits

Vanmorgen moest ik om half tien met de trein mee. Volgens de treinplanner zou het redelijk rustig zijn in de trein.
Na de spits is het ook weer druk in de trein

Dat klopte niet. Ziehier een ‘wazige’ foto van het perron in Delft om half tien. Dat ‘wazig’ is niet zo erg: het voorkomt herkenbaarheid. Voor je het weet heb je een rechtszaak aan je broekrok.

Ruim 1½ jaar had ik een groot deel van de coupé voor mezelf. Alleen in de weekends niet. Dan was het een stuk drukker.

Nu de scholen weer zijn begonnen en de lessen grotendeels weer ‘live’ zijn merk je dat in de drukte in het OV. En in en rond Delft (met 30.000 studenten) merk je dat zéker. Ook zes treinen in beide richtingen vangen dat niet allemaal op.

De oude tijden gaan dus herleven. Het is nog niet zo druk als voor maart 2020 in de trein, maar het begint erop te lijken. In elk geval is het weer zoeken naar een plekje. 

California Zephyr

Vandaag plopte er op You Tube een film op over een reis met de California Zephyr: de trein die de verbinding onderhoudt tussen Chicago en San Francisco.

De California Zephyr is een roemruchte trein, bijna net zo beroemt als de Oriënt Expres in Europa. Alleen is er geen boek verschenen over de moord in de California Zephyr.

Nergens in de westerse wereld is de teloorgang van de spoorwegen zó snel gegaan als in de USA. Veel treinverbindingen werden binnen 30 jaar opgeheven. in de USA heeft het vliegtuig de verbinding op de lange afstand bijna helemaal overgenomen.

Halte onderweg in de staat Washington (het noordwesten van de USA)

Ook de California Zephyr dreigde te bezwijken, maar hij bestaat nog, als onderdeel van Amtrak, het landelijke spoorwegnet. Je maakt tijdens een reis van 4000 kilometer kennis met tal van landschappen. Vooral het contrast tussen de weidse prairie van Iowa en het ruige berglandschap van de Rocky Mountains is erg groot. Maar je reist ook door de woestijn van Nevada en de de afgelopen jaren deels uitgedroogde wijngaarden en sinaasappel-boerderijen van Californië.

Verdroogd grasland en gekartelde bergen

In 2004 en 2006 combineerden we een bezoek aan Tineke’s zus met een reis per trein dwars door de USA. De documentaire op You Tube riep herinneringen op aan deze reizen. De vier treinen die we namen kwamen allemaal met vele uren vertraging aan, o.a. vanwege slecht spooronderhoud (gebroken rails en dergelijke). Maar in zo’n wonderlijke wereld vonden we vertraging niet eens zo vervelend.

We reisden in de Sleeper, een coupé die ’s nachts werd omgebouwd tot slaapruimte. Boven de Sleeper was het panoramarijtuig met zicht aan alle kanten en luidruchtig converserende Amerikanen. Een Stiltecoupé was ook wel aantrekkelijk geweest, maar volgens mij doen ze daar niet aan in de USA.

Ik heb in de USA ook een fiets gehuurd. Daar zat geen slot op. Ik kon er wel een geweer bij huren. Dat leek me niet nodig. 

Dopsleutel

In de tijd dat het leven nog eenvoudig was had ik op mijn werk een zogenaamde dopsleutel die deuren opende die voor anderen gesloten bleven. Die anderen waren de bewoners. De meeste personeelsleden hadden zo'n sleutel.

Het voordeel van de dopsleutel was dat hij ook paste op de deuren van de treinen. Op die manier heb ik wel eens iemand uit de trein laten stappen die op het eindpunt Den Helder in een diepe slaap was verzonken en vergeten was uit te stappen. De deuren van de trein zaten inmiddels op slot.

In die tijd probeerde NS uit alle macht fietsers te weren uit de treinen. Wilde je toch je fiets meenemen, dan moest je je melden bij de conducteur die meestal chagrijnig werd dat er weer een fietser de gevestigde orde kwam verstoren. De fiets werd dan opgesloten in de speciale afdeling waar ook kranten, spoedpakketjes en medische organen werden opgeborgen.

Omdat het gehijs met tassen en het uitladen van de fiets een hele klus was liep ik bij de nadering van station Apeldoorn alvast naar het compartiment waar mijn fiets stond. Helaas zat de deur op slot en de conducteur was er niet. Dus opende ik het compartiment met mijn dopsleutel. Ik laadde de tassen op de fiets en was helemaal klaar voor de reguliere uitzetting zonder NS enige vertraging te bezorgen. Ik had immers het beste met de NS voor.

Op dat moment kwam de conducteur binnen. Hij brieste verontwaardigd: ‘Hoe komt u hier?’ Ik zei: ‘Door de deur’. Hij zei: ‘was die deur open dan?’ Ik zei: ‘Ik kon gewoon naar binnen.’ Dat geloofde hij niet, maar het was wel zo. Ik kon gewoon naar binnen. Weliswaar met een sleutel, maar het was niet onwaar.

Dit kon dus niet zomaar volgens de conducteur. Ik moest uitstappen, maar er was wel nader onderzoek nodig door de plaatselijke stationschef van het station Apeldoorn. Het gevolg was ook dat de trein een paar minuten te laat weer vertrok. Ik had mijn best gedaan, maar als NS-medewerkers vervolgens problemen gaan maken, dan kan ik daar natuurlijk niets aan doen. Over de dopsleutel heb ik niets gezegd.

Inmiddels kan ik de sleutel bijna nergens meer bij NS gebruiken. Maar wél in Belgische treinen om bij de fietsenafdeling te komen. Daar hebben ze nog steeds hetzelfde inlaadsysteem als in de jaren '70 in Nederland. Dus die sleutel bewaar ik nog even voor toekomstige coronabestendige fietsreizen door België. 

De logica van een treinreiziger

Het is ook allemaal wel erg ingewikkeld in het OV. Al die regels waar je je aan moet houden. Hoe moet je dat allemaal onthouden?

Het was al ingewikkeld om het station binnen te komen. Daar staan poortjes. En dan moet je een pasje voor een glaasje houden. Maar dat was gelukt.

Toen kwam de trein er aan. En weet je, dan ga je gewoon ergens zitten. En dan begin je natuurlijk een gesprek via je telefoon. Wat moet je anders doen in de trein…?

Dat het een Stiltecoupé is? Ik praat toch niet hard? Stilte is dat je niet schreeuwt. Maar je mag gewoon praten met je de telefoon, swa! Als iemand daar last van heeft gaat hij maar ergens anders zitten. Want ik zit hier al en ik ga niet weer ergens anders zitten.

Mondkapje verplicht? Dat heb ik toch bij me? Wie zegt dat ik het dan voor mijn neus moet hebben? Het is toch een mondkapje? Ik heb het hier toch, dat zie je toch?

Nee, ik heb het ook niet voor mijn mond. Nee, dat klopt. Hoe dom kun je zijn, swa? Anders kan ik toch niet telefoneren? Dan kan niemand mij verstaan, swa! Logisch toch? En ik betaal toch ook mijn kaartje? Dan mag ik gewoon bellen. En mijn mondkapje doe ik weer voor mijn mond als ik klaar ben met bellen. Niet voor mijn neus, want daar is een mondkapje niet voor...

Geen 1½ meter!

Weinig treinen als gevolg van vastgevroren wissels? Dat kan ik nog begrijpen. Je wilt ook niet als treinreiziger ergens onderweg in een verlaten witte wereld stranden. 

Gisteren was de dienstregeling van NS rond Delft drastisch ingeperkt. Alle Intercity’s (vier per uur in beide richtingen) vervielen. Van de Sprinters reed maar de helft (er bleef elk half uur een trein over).

Spitssprinter in de vorstperiode in Corona-tijd

Maar als de weinige treinen die wél rijden ook nog eens sterk ingekort worden is de anderhalve meter (maat)regel een lachertje geworden. Ik zou niet weten waarom de lengte van een toch al korte trein gehalveerd moet worden omdat er een probleem is met de wissels.

Dan krijg je dus dit beeld. Mensen die als haringen in een ton opeengepakt staan in een spitstrein. Eén besmettelijk persoon kan op die manier een hoop ongemak veroorzaken (een zogenaam superspreading event). Dan helpen de verplichte mondmaskers ook niet meer.

Ik ben gisteren maar niet ingestapt… Ik heb bijna tien kilometer gelopen. Of liever gezegd: gebaggerd door de sneeuw. Dat was ook wel een bijzondere ervaring... Nu heb ik spierpijn...

Discriminááátie!

"Waarom houd je mij aan?!?!" "We controleren iedereen, meneer!"

“Dat is niet waar. Jullie liegen. Toen ik uitstapte waren er nog meer die uit de metro stapten. Maar mij houden jullie tegen. Waarom doe je dat, l*l?”

“Meneer, die andere mensen waren al gecontroleerd. Ze hadden een geldig vervoerbewijs. En nu vraag ik u om uw vervoerbewijs te laten zien.”

“Daar heb je het recht niet toe. Wat is je nummer?”

“Meneer, als u mij uw kaartje laat zien, zal ik u mijn nummer geven.”

“Ik laat mijn kaartje pas zien als jij je nummer hebt gegeven.”

Ondertussen begint de man de Boa’s nadrukkelijk te filmen, maar die reageren daar niet op. Hij houdt zijn telefoon tot op 20 centimeter afstand, terwijl er een 1,5 meter maatregel geldt.

Een Boa noemt zijn nummer. Gewoon acht cijfers achter elkaar. Maar daar is de man niet van gediend. Hij moet het op kunnen schrijven. De Boa reageert dat hij zijn nummer heeft gegeven en dat de reiziger nu zijn vervoerbewijs moet laten zien. Daarop loopt de man weg, richting de poortjes…

De pootjes, tsja, dat is een probleem. Als je niet ingecheckt bent kun je ook niet uitchecken. Dan wordt meteen het bewijs geleverd. Eén van de Boa’s gaat alvast aan de andere kant van het poortje staan. De ander staat bij de weigerachtige OV-klant.

Die gaat uitgebreid in zijn zakken zoeken. Na twee minuten zegt de Boa dat hij het poortje wel voor de klant open zal maken, dan kunnen ze meteen naar het politiebureau lopen, dat staat naast het metrostation. Maar dat is meneer niet van plan, hij kent de politie maar al te goed, dat zijn allemaal racisten.

De Boa geeft meneer nog één minuut om zijn vervoerbewijs te laten zien en anders wil hij de ID-kaart zien. “Wie geeft jou het recht om mijn ID te vragen? Dat is tegen de privacy. Lees je geen krant ofzo. Heb je daar geen tijd voor omdat je de hele dag bezig bent met mierenneuken?”

De Boa blijft rustig en zegt: “Uw ID, meneer. Anders gaan we naar het bureau.”

“Eerst je nummer” zegt de halsstarrige reiziger. “Dat heb je net gehad” zegt de Boa. “Ja, maar dat kon ik niet opschrijven” zegt de reiziger. Ik zou zeggen: ‘dan had je maar beter op moeten letten’, maar de Boa onthoudt zich van commentaar. Hij gooit geen olie op het vuur.

Ook de ID-kaart blijkt onvindbaar. Die zit natuurlijk in een andere jas. Een snelle check is het adres. Dat blijkt de man wel te kunnen geven. Maar de postcode weet hij niet. Hij is namelijk net toevallig vorige week verhuisd. “Wat was uw vorige adres?” De man geeft een adres op. Helaas, die postcode weet hij niet. Hij heeft er kennelijk maar heel kort gewoond… De Boa controleert wel het adres en dat huisnummer blijkt niet te bestaan. De straat is te kort of het huisnummer te hoog.

“We gaan naar het bureau” besluit de Boa. Hij belt nog even voor overleg. Ondertussen steekt de man een sigaret op, aan de omvang te zien een stevige joint. Een tevreden roker is geen onruststoker. Misschien brengt dat enige rust in de tent. Een vorm van zelfmedicatie. Maar waarschijnlijk is het een vorm van treiteren of van provoceren. Hoewel roken hier niet mag negeert de Boa deze provocatie.

De Boa doet het poortje open zodat de beide mannen naar het bureau kunnen. Op wonderbaarlijke wijze blijkt de man toch opeens zijn ID te hebben gevonden. De agenten noteren van alles en ondertussen slaat de man allerlei boze taal uit. De Boa’s worden natuurlijk extra betaald als ze veel boetes uitschrijven. En vooral als ze gekleurde mensen een bekeuring geven. Dan krijgen ze dubbel. Al die opmerkingen worden genegeerd door de Boa’s.

De man krijgt een boete voor het reizen zonder geldig vervoerbewijs. Het roken, het schelden en het niet willen tonen van het ID-bewijs worden allemaal door de vingers gezien. Het afscheid nadert.

Opeens weet de man het weer. Hij moet het nummer van de Boa’s hebben. Ze noemen het beide, maar de man kan het niet onthouden. Hij wordt boos dat ze het te snel noemen. Het moet cijfer voor cijfer, zodat hij het op kan schrijven “Jullie horen nog wel van me. Ik ga naar jullie baas toe. Die kent mij wel!”

"Prima" zegt één van de Boa's, "dan zien we u wel in de rechtzaal." F*ck You, scheldt de man en spuugt nadrukkelijk op de grond. "Mij moeten jullie hebben en de anderen laat je gaan. Discriminátie. Discriminááátie!" 

Zwartrijder Tom

Achter mij zit een man die opvalt door zijn nadrukkelijke en lawaaierige taalgebruik. Maar als de conducteur langs komt houdt hij zich slapende. 

De conducteur maant hem verbaal om zijn kaartje te laten zien. Hij slaapt echter te diep om wakker te worden. dat heet nu echt in slaap vallen. Twee minuten eerder tegen iedereen praatjes en nu in zó’n diepe slaap. Gevalletje narcolepsie, vermoedelijk. Pas als de conducteur hem aantikt wordt hij moeizaam wakker. De meneer heeft geen idee wat de conducteur van hem wil. “Oh, een kaartje? Ja dat heb ik natuurlijk. Even zoeken. Sorry hoor!”

Er wordt diep gezocht in allerlei zakken, maar er is geen kaartje te vinden. De man is in Amsterdam opgestapt en in Leiden over gestapt. Daar is het vermoedelijk mis gegaan. in de haast zijn kaartje verloren.

Als de tweede conducteur er bij komt heeft de meneer nog steeds zijn kaartje niet gevonden. Hij gaat opnieuw zoeken. Vindt een bonnetje, laat dat aan de conducteur zien. Het bonnetje is van 8 oktober. Het wordt door de conducteur niet als treinkaartje gezien. Maar hij komt er vanaf met een waarschuwing. “Volgende keer beter op uw kaartje letten, deze keer laten we u verder reizen, bij een andere conducteur riskeert u een boete. En waar moet u naar toe? Dan boft u, daar zijn nog geen poortjes…”

Hardcore anarchist

Als de conducteur uit het zicht verdwenen zijn zit de meneer weer helemaal op zijn praatstoel. Hij spreekt allerlei reizigers aan. Hij stelt zichzelf luidruchtig voor als TOM, de T is van Tom, de O is wat moeilijker, want die is van Oliebol, en de M is van Modderfokker. “Ik ben van de hardcore anarchisten. Ik ben heel heftig, niet een gewone anarchist, niet van dat softe, maar hardcore. Daarom koop ik ook geen OV-chipkaart, een echte anarchist koopt geen chipkaart. Dat is allemaal door de overheid bedacht om mensen in de gaten te houden. En de conducteur heb ik lekker belazerd, je moet gewoon een goed verhaal hebben, die gozers trappen echt overal in”. “Maar hoe komt u dan door de poortjes?” vraagt een medereiziger. “Gewoon achter iemand aan lopen, geen enkel probleem” zegt Tom, “en anders trap je gewoon zo’n poortje in. Gaat wel piepen, maar er is toch niemand in de buurt en voordat ze het horen ben jij al weg…”

Volgens Tom is zwartrijden een levensstijl van de hardcore anarchist. “Laatst ben ik nog naar Berlijn geweest met de trein. Denk je dat ik dan een kaartje bij me heb? Heen en terug niet. Heen wilde ik niet kopen, en terug was mijn geld op. Maar daar begin ik ook niet aan, ook niet als ik wél geld heb.  Bovendien moeten ze in Duitsland niet gaan zeuren, want ik ben een echte Rotterdammer en de Duitsers hebben nog wel wat goed te maken tegen Rotterdammers. Weet je, als ik in de trein in Afrika zou zitten, dan zou ik misschien nog wel een kaartje kopen, want dat zijn arme mensen. Maar hier natuurlijk niet. Het moet niet gekker worden!”

Eerlijk zijn

Nee, kaartjes zijn niet aan Tom besteed. “Weet je, je moet gewoon eerlijk zijn tegen die gasten. Ik zeg gewoon dat ik eerlijk ben en dat ik dat van iedereen verwacht en daar waren ze het helemaal mee eens. Die praatjes hou ik al jaren en ik heb nooit problemen. Met eerlijk zijn kom je echt het verste. Ik heb nog nooit een boete gehad. De trein is gewoon van ons allemaal, dan hoef je toch geen kaartje te kopen. Het moet niet gekker worden. Weet je, ik ben gewoon van de hardcore anarchisten en daarom heb ik zo’n mooi leven. Ik geniet elke dag. Daar hoef je ook niet voor te werken. Daar begin ik ook niet aan. Want dan steekt de baas jouw geld in zijn zakken. Vandaag weer garnalen gegeten bij zee, ergens in Noord-Holland, en dan weer lekker met de trein terug. Dan ga je natuurlijk toch geen kaartje kopen. Die garnalen moeten betaald worden, dat snap ik ook wel, maar de trein is van ons allemaal. Daarom heb ik ook zo’n mooi leven. Dat komt omdat ik in mijn leven vermenigvuldigd ben. En als je vermenigvuldigd bent kun je niet aan treinkaartjes beginnen. Dat wordt allemaal veel te duur.

Maar als je geen kaartje hebt, dan ontmoet je ook veel meer mensen, zoals jullie. Anders zit je maar op je kaartje te kijken, heb ik het goede kaartje en waar gaat dat heen en stap ik wel goed uit? Dat heb ik allemaal niet.

Ik kom overal en ik weet niet waar ik naar toe ga. Mooi leven toch? En je reist ook nog gratis, kost je niks en erg gezellig. Ja, ik heb een mooi leven. Dat komt omdat ik hardcore anarchist ben. Dan krijg je dat vanzelf..."

Cursusdag

Vrijdag heb ik voor de eerste keer cursus gegeven mét gehoorapparaat. Op één na alle vragen kon ik verstaan. Dat was toch wel een wereld van verschil met de vorige keer.

De cursus was voor muziektherapeuten in opleiding. Ik ben niet muzi, maar wel kaal. Desalniettemin werd mijn eerste lesdag verlengd met een tweede en een derde lesdag. Kennelijk hoef je niet zo muzi te zijn om toch voor zo’n groep les te geven. Het feit dat je kaal bent is voldoende.

Dat cursus geven voor deze groepen doe ik trouwens al zeker 20 jaar. Eerst op het Conservatorium van Alkmaar, toen op de Hogeschool Inholland in Alkmaar en nu in een gebouw voor allerlei kunstuitingen (van bakken en braden via knippen en plakken tot dansen en drummen). Omdat ik me in Alkmaar nog steeds thuis voel was het dus een thuiswedstrijd.

Spitstrein bij Den Haag

’s Morgens moest ik op het hoogtepunt (vroeger: het dieptepunt) van de spits op de trein stappen. Hoe zo’n spitstrein er tegenwoordig uitziet kun je op de foto zien. Er zit bijna geen kip in. Kippen zie je trouwens zelden in de trein. Alleen een enkele keer op het Kippenlijntje bij Barneveld.

Bij Zwanenburg

Onderweg was het nogal mistig. Ik vroeg me af hoe de machinist de weg naar Amsterdam Sloterdijk en vervolgens naar Alkmaar kon vinden. Op Amsterdam Sloterdijk wilde ik koffie scoren bij AH to Go. Op de automaat stond ‘gratis’. Daar ben ik altijd als de kippen bij. Maar er waren geen bekers. Dat was ook een leuke actie.

Een uniek gegeven in Alkmaar was dat alle apparatuur om cursus te kunnen geven het in één keer deed. De vorige keer wilde de computer niet opstarten en de keer daarvoor verscheen het beeld op de kop. Die dag moesten alle cursisten op hun kop gaan staan. Vroeger had je gewoon een schoolbord en een krijtje. Dat deed het altijd. Alleen de sleutel van het lokaal was soms zoek.

Muzieklokaal

Op de foto zie je het leslokaal. Die vazen in de kast zijn trommels. Ik wilde er nog een bos bloemen in zetten, maar dat kon niet.

Je kunt jezelf voortdurend bekijken vanwege de grote spiegels in het lokaal. Dat is niet omdat musici zo graag zichzelf zien, het is ook een danslokaal. Dan schijn je jezelf te moeten zien. Je moet er wel rekening mee houden dat het in spiegelbeeld is, anders beland je tijdens het oefenen van de

Westzijderveld bij Koog aan de Zaan

Andalusische tango met je castagnetten in het bezemhok. Ook moet je goed onthouden wie jij bent in de spiegel, anders denk je dat je net een bocht hebt gedraaid terwijl jij het niet was en beland je op schoot bij de dansleraar.

Tussen de middag pingelde het carrillon van de Grote of Sint Laurenskerk er wel een half uur lang lustig op los. Volgens de cursisten was het o.a. een stuk van Henri Purcell. Dat zal best waar zijn. Ik kan geen noot lezen, laat staan kraken.

Op de terugweg scheen de zon uitbundig. Eigenlijk had ik nog wel een rondje Alkmaar willen fietsen. Maar deze cursusdag deed ik zó vanuit mijn gevoel dat ik alle energie weg had gegeven. Ik ben gewoon maar in de trein gaan zitten en liet me comfortabel vervoeren naar Delft. 

Geen stilte in de Stiltecoupé

De trein gebruik ik vooral als een verlengde studeerkamer. Dat gaat bijna altijd goed. Tijdens een treinreis heb ik alle tijd voor mezelf en kan ik me goed concentreren. Een enkele keer gaat het niet goed. Zoals deze week.

Omdat ik mijn cursus nog even goed moest bekijken nam ik voor de zekerheid een kaartje eerste klasse. Ik ging in de Stiltecoupé zitten teneinde mij in gepaste stilte voor te kunnen bereiden op de al dan niet belangrijke boodschap die vandaag op gepaste afstand gegeven moest worden.

Hoewel het de ochtendspits was zat de trein lang niet vol, zag ik bij binnenkomst. Ik had ook gewoon in de tweede klasse kunnen gaan zitten.

Waar ik helemaal niet op gerekend had was dat deze stilte nadrukkelijk zou worden doorbroken door rumoerige medereizigers. Eentje zei dat er toch geen conducteur langs zou komen, dus dat ze best eerste klasse konden reizen. Ze hielden zich ook niet aan de verplichting van de mondkapjes, ‘want er kwam tóch geen conducteur langs’.

Ik heb al eens eerder de vergelijking getrokken met de gewetensontwikkeling van kinderen. Een peuter van drie denkt dat hij een koekje mag uit de trommel mag pakken als mamma niet in de buurt is. De regel geldt voor hem namelijk alleen als mamma (m/v) in de buurt is. Zonder mamma geldt de regel niet. Dat heeft niets met stiekem gedrag te pakken: de peuter kan nog niet anders denken. Waren deze reizigers op dat niveau blijven steken of waren ze bewust ongehoorzaam? 

Het gesprek dat gevoerd werd was zó luidruchtig dat ik me onmogelijk op de lesstof kon concentreren. Ik wist dat de heren een tweedeklas-kaartje hadden, maar daar ga ik niet over en daar hoef ik me niet mee te bemoeien. Maar ik was niet voor niets in de Stiltecoupé gaan zitten. Dus ik vroeg de heren op gedempte en vriendelijke toon of het wat zachter kon. Dat was dus niet de goede vraag. “Als je er last van hebt ga je toch ergens anders zitten? Er is plek zat…”

Eén van de heren merkte op dat ik asociaal was als ik geen rekening wilde houden met hen. Zij hadden immers recht op een leuk gesprek met elkaar? Op zo’n moment sta of zit ik met de mond vol tanden. Ik heb ze allemaal nog, behalve vier verstandskiezen. Die heeft mijn zwager met ferme kracht verwijderd. Ben ik nou gek of zijn zij gek?

Stiltecoupé in de boekentrein

Ik merkte nog even op dat er ook elders in de trein genoeg plek was, maar dat was niet handig. Het leidde tot de reactie dat ik ‘dus’ best ergens anders kon gaan zitten. Zij waren met zijn vijven en hier konden ze mooi bij elkaar zitten (niet op gepaste afstand en zonder mondkapjes, maar dat terzijde).

Op zo’n moment gaat er van alles door me heen. Ik had de neiging om het woord ‘Stilte’ aan te wijzen en aan iemand te vragen welk woord daar stond. De inhoud van het gesprek ging over het zuipen van bier en verdiensten in bed, dus mogelijk was de betekenis van het woord stilte nog doorgedrongen.

Ik was hier gaan zitten en daarna kwamen deze heren en ze vonden dat ik me sociaal moest gedragen, terwijl zij zich niet aan de regels hielden. Als ze naar Engeland zouden gaan met de auto, zouden ze dan ook van de rest van de Engelse bevolking eisen dat die rechts zou gaan rijden omdat zij dat nu eenmaal gewend waren?

Dat zou olie op het vuur zijn geweest. Bovendien had ik mezelf er mee. Soms heeft een gesprek geen enkele zin. Ik zat gewoon verbaal klem. "Wees jij maar de oudste en de wijste" zei mijn moeder dan vroeger. Dus ik besloot maar in de tweede klasse stiltecoupé te gaan zitten. Daar kon ik de les verder voorbereiden. Nadat mijn hartslag wat lager was geworden lukte dat prima. Voortaan toch maar weer tweede klasse reizen. 

Jullie discrimineren alleen maar

Conducteurs zie je tegenwoordig zelden meer in de trein. Maar deze keer was er een conducteur die haar werk zeer serieus nam.

Voor vertrek meldde ze dat het dragen van een kapje over mond én neus verplicht is in de trein. Als iemand dat niet wilde kon hij of zij de trein verlaten. Straks zou ze langs komen en de reizigers aan een controle onderwerpen. Bij mijn weten stapte niemand uit de trein.

Ter hoogte van Oss verscheen de conducteur in vol ornaat met coupe soleil in de coupé, compleet met een kunststof scherm om haar hoofd. Het zoent wat lastig, maar je kunt wel de mimiek van de conducteur (m/v) lezen. De kaarten werden gecheckt en een reiziger werd erop geattendeerd dat het mondkapje ook over zijn neus getrokken diende te worden. Mijn kaart en Fries mondkapje bleken in orde te zijn.

De man achter mij leek van toeten noch blazen te weten. Hij moest op zoek naar zijn mondkapje. Ondertussen wilde de conducteur zijn kaartje zien. Hij pakte een OV-chipkaart uit zijn zak en gaf die aan de conducteur. Daarop vroeg ze: “Waarom bent u niet ingecheckt?” “Ik heb problemen met de OV-kaart” zei de man. “Hoe lang hebt u die al?” wilde de conducteur weten. “Een tijdje al” zei de man, “ik kan er ook niks aan doen.” “En wat voor actie hebt u ondernomen?” vroeg de conducteur. “Jullie nemen nooit de telefoon op” zei de man, “dan kan ik er ook niks aan doen.” “Maar ik zie op uw kaart dat die al zeven maanden is verlopen” zei de conducteur, “is het dan niet tijd om er wél iets aan te doen.” “Geen tijd voor gehad” zei de man.

Hier zien we het voorbeeld van de 'klager' bij het oplossingsgericht werken.Hij heeft een probleem en de conducteur is er voor om het op te lossen. Mijn vingers jeukten om de man een vraag te stellen over zijn kennelijk overvolle agenda. 

“Mag ik uw postcode?” vroeg de conducteur. Die wist de man niet. “Dan uw adres.” De man noemde een adres. Het bleek in Helmond te zijn. De conducteur checkte het adres. Het bleek niet te bestaan. Maar misschien was die vraag ook te ingewikkeld en wist de man aleen dat hij bij het groene hekje woonde.

“U geeft mij een fout adres op” zei de conducteur. “Ik moet u waarschuwen om dat niet weer te doen, anders haal ik de spoorwegpolitie erbij. “Dat doen jullie altijd” reageert de man fel, “omdat ik gekleurd ben halen jullie de politie erbij. De andere mensen loop je gewoon voorbij in de trein, en je pikt mij er uit omdat jullie de pik op zwarten hebben!”

Er is een verschil tussen je gediscrimineerd voelen en gediscrimineerd worden

Nu gingen mijn vingers opnieuw jeuken. Ik had toch gezien dat iedereen gecontroleerd was in de trein? Hoezo deze man er uit pikken? Er is een verschil tussen je gediscrimineerd voelen en werkelijk gediscrimineerd worden. Maar ja, als je je steeds weer gediscrimineerd voelt ga je vanzelf geloven dat dat een feit is.

De conducteur ging niet in op de beschuldiging van discriminatie. Op basis van zijn ID-kaart schreef ze een kaartje uit + boete. “Je doet je werk voor niks” zei de man. “Die hoef ik toch niet te betalen” zei de man. “De vorige keren kreeg ik ook mijn geld terug. Als jullie foute chipkaarten verkopen kan ik daar niks aan doen. Jullie discrimineren alleen maar! En de rechter geeft mij gelijk.”

Gelukkig: mijn pappa is de sterkste en de rechter geeft mij altijd gelijk. Inderdaad, een kind moet altijd het laatste woord hebben...