Levensloopbestendige mondzorg

Twee zaterdagen ben ik weer - passend bij mijn leeftijd - in de weer met het thema ouderen en mondzorg. Het zijn twee drukbezette congressen van ACTA Dental Education. 

Mede doordat de Inspectie Volksgezondheid constateert dat de mondzorg voor ouderen een terrein is waar de zorg onvoldoende is trekken deze congressen veel deelnemers. Want er valt aanzienlijke winst te behalen.

Vroeger hadden bijna alle 65-plussers een ‘klapper’, zoals patiënten hun kunstgebit nogal eens noemen. Tegenwoordig is er sprake van veel betande ouderen. Hoewel ik onlangs een poging deed om toch een beetje meer in de richting van een kunstgebit te komen werd er slechts één kies getrokken.

Eén van de sprekers op het congres houdt overigens een lezing over het verband tussen het aantal tanden en kiezen en de prognose hoe oud je zult worden. In theorie maakt iedere kies die je mist je levensverwachting een beetje lager. Maar dat is een statistisch verhaal.

Ik heb overigens wél een voordeel ontdekt van mijn missende kies: ik ben sneller klaar met poetsen. Ieder vlak moet 5 seconden gepoetst worden: het scheelt me dus twee maal daags 15 seconden. Een halve minuut per dag meer tijd voor andere dingen.

Mondzorg voor ouderen is bijzonder belangrijk omdat een slechte mondzorg leidt tot veel gezondheidsproblemen. Een aanzienlijk deel van de lichamelijke problemen van ouderen houdt verband met een slechte mondverzorging.

In mijn verhalen/workshops speelt het tempo een belangrijke rol. Uit de samenvatting: “De zintuigen functioneren minder, en de informatieverwerking verloopt trager, er kan nog maar één ding tegelijk. Thuis blijkt het goed poetsen van het gebit blijkt een ingewikkelde klus te zijn geworden. Je moet goed kunnen plannen en organiseren: er moeten vier ‘kwadranten’ worden gepoetst en dat op drie vlakken.

Deze veranderingen vragen van behandelaars (tandartsen, mondhygiënisten, begeleiders) om een omschakeling bij hen zelf.  Hoe schakelen we vanuit onze hoogste versnelling terug naar ‘een tandje lager’ bij ouderen? En wat betekent het voor ons als de weerstand te groot is om te kunnen behandelen?

Hoezo helderziende?

 De meneer had een gave.

Hij beweerde dat hij een zesde zintuig had. Daar was hij achter gekomen toen hij in Amsterdam voor een verkeerslicht stond te wachten en opeens wist wat de meneer in de auto voor hem zat te denken. Aanvankelijk wilde de meneer deze gave voor zichzelf houden. Maar inmiddels had hij ontdekt dat hij met zijn gaven anderen van dienst kon zijn. Hij hoefde er niet rijk van te worden, hij deed dit werk tegen een kleine vergoeding. Misschien wat cynisch van mij gedacht, maar de dure Mercedes voor de deur kwam vermoedelijk vanwege andere inkomsten.

Vanwege deze bijzondere gaven had een moeder deze meneer ingeschakeld. Ze wilde nu wel eens weten wat er met haar dochter aan de hand was. Pedagogen, artsen en psychiaters hadden nooit een verklaring voor het gedrag van de dochter kunnen geven. Hopelijk kon deze meneer dat wél.

Foto’s bekijken

De meneer vertelde dat hij mensen niet hoefde te zien. Hij kon aan de hand van foto’s zien wat er met iemand gebeurd was in een vorig leven. Ook wist hij trouwens waar het lichaam van een vermist persoon lag, waar al maanden naar gezicht werd. Ik zei toen: ‘waarom zegt u dat niet tegen de familie?’ Maar volgens hem was de tijd er nog niet rijp voor.

De meneer wist gelukkig te vertellen dat niemand van de aanwezigen een ernstige ziekte onder de leden had. Wel hadden sommige teamleden last van stress. Daar moesten ze een oplossing voor zien te vinden. Misschien kon hij daarbij behulpzaam zijn.

Gefusilleerd

Eén van mijn cliënten kon op onverwachtse momenten plotseling ter aarde storten. Het was geen epilepsie, maar men was er niet achter wat het dan wél was. Daar wist de meneer een antwoord op. Hij was in zijn vorige leven, tijdens de Eerste Wereldoorlog, gefusilleerd vanwege desertie.

Een begeleider liet hem een andere foto zien (van haar dochter). Ze vertelde er nog iets omheen over exceem en gevoeligheid voor spanningen. Dat leek een inkoppertje voor de meneer. Hij wist direct een hele verklaring te geven voor de stress waar dochter mee te maken had en die ook te maken had met haar grootmoeder die inmiddels overleden was.

Een nieuwe foto

Goed, als het toch allemaal met foto’s verklaard kon worden, dan had ik ook nog wel een foto. De meneer keek aandachtig naar de foto en zei dat er bij hem een beeld op kwam. Daarna ging hij mij een paar vragen stellen. Het was niet aardig van mij, maar ik gaf antwoorden die niet klopten met de werkelijkheid.

De meneer ging echter verder op door op mijn verhaal. De persoon op de foto had in zijn vorige leven veel geworsteld met problemen. Die waren zo heftig dat hij nu niet meer durfde te lopen. Daarom zat hij altijd in de rolstoel of lag hij op de mat. De epileptische insulten waren een gevolg van trauma’s uit het vorige leven waar hij niet aan herinnerd wilde worden.

In werkelijkheid liep deze persoon als een kievit. Hij had ook geen epilepsie. En de meneer was ook niet zo helderziende dat hij door had gehad dat ik hem maar wat op de mouw speldde.

De ouders van de cliënt zagen nu wel in dat deze meneer (on)behoorlijk aan het bluffen was. Ze stelden hem maar geen vragen meer over hun eigen dochter. Want het was voor hen zeer de vraag geworden waarop deze meneer zijn indrukwekkende verhalen baseerde.

Laatste klus: mondzorg

Behalve  een bezoek aan het plaatselijke ziekenhuis lag er op de laatste dag voor de vakantie nog een aanzienlijke klus: ik moest de powerpoint voor twee maal twee workshops op zaterdagen in juni in elkaar zien te flansen.

Op de één of andere manier had ik die opdracht niet goed onder mijn schedeldak opgeslagen. Maar dat zal wel komen omdat ik zelf een dagje ouder aan het worden ben.

Ik werd namelijk nogal verrast door een mail waarin ik hartelijk werd bedankt voor mijn bereidheid om deel te nemen aan twee congresdagen en of ik voor 1 juni mijn presentaties wilde mailen. Nog een geluk dat ik net voor de eerste congresdatum weer in Nederland ben. Mits ik niet weer een keer van mijn fiets val en in een Duits Krankenhuis terecht kom.

De dagen gaan over mondzorg bij ouderen. Ik val ondertussen zelf onder deze doelgroep. in zekere zin ben ik een ervaringsdeskundige aan het worden. Het is natuurlijk geen gezicht als een spreker van 25 jaar iets gaat vertellen over het poetsen bij ouderen (…). Dan denk je ook al gauw: “Maak dat de kat wijs!” (…). Vandaar dat de organisatiecommissie een bejaarde orthopedagoog had besteld. Misschien kan ik ter verhoging van de feestvreugde met een rollator het podium bestijgen.

Met de mondzorg voor ouderen is het niet goed gesteld. Steeds meer ouderen hebben hun tanden en kiezen nog. De tandartsen spreken dan over ‘betande ouderen’. Maar ik zie en hoor ook af en toe hoe in een paar jaar tijds het zorgvuldig gekoesterde eigen gebit helemaal aan verval onderhevig wordt.

Zo zag ik bij een 90-jarige mevrouw een berg tandsteen waarmee ze bijna een heel huis had kunnen bouwen. En dat kwam niet door het harde water ter plaatse, want de mevrouw woont in een regio met zacht water. Een jaar geleden zag dat gebit er nog prima uit (ik ben natuurlijk wel een beetje een vakidioot dat ik dat soort dingen zie).

In mijn verhalen gaat het over de bejegening. Hoe komt het dat mevrouw De Vries zoveel weerstand vertoont tijdens het poetsen? En wat zou je kunnen doen om de mondzorg te verbeteren, zonder dat je over de persoonlijke grenzen van mevrouw De Vries gaat? Dat blijft natuurlijk altijd spannend. Het is geen kwestie van pasklare oplossingen, maar van het vinden van een bepaalde omgangsstrategie. 

Wat heeft Sandra nodig? (1)

Bij de afname van de SEO- R2, een schaal voor emotionele ontwikkeling, kwam ik bij Sandra (uiteraard een gefingeerde naam en ook andere gegevens heb ik vermengd) uit op een sociaal-emotionele basiskleur van tussen de één of twee jaar. Ze zit in de zogenaamde socialisatiefase en nét een klein stukje in de eerste identificatiefase. Welke consequenties zou dat kunnen hebben voor de benaderen van Sandra? Een poging… 

Puber

Sandra is een kwetsbare puber. Aan de ene kant wil ze met de grote mensenwereld meedoen. Aan de andere kant is die wereld voor haar véél te groot en te bedreigend. Het liefste kruipt ze bij een begeleider op schoot om samen naar Sesamstraat te kijken.

LVB

Sandra heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat wordt vaak niet op tijd opgemerkt, omdat ze best goed haar woordje kan doen. Maar uit een intelligentie-onderzoek kwam naar voren dat haar ontwikkeling te vergelijken is met die van (heel globaal aangegeven) een kind van 7 á 8 jaar. Dan kun je al wel heel veel, maar dat binnen de veilige beschutting van een vertrouwde omgeving. Eenmaal los van je opvoeders is die wereld te groot en te onoverzichtelijk.

Diagnose?

Emotioneel loopt Sandra sterk achter bij haar verstandelijke ontwikkeling. Op de basisschool werd bij haar de diagnose PDD-NOS vastgesteld. Die diagnose zegt niet zoveel, omdat het een vergaarbak is van moeilijk plaatsbare gedragingen. In de nieuwe DSM-V is PDD-NOS dan ook vervallen als aparte diagnose. Een volgende psychiater sprak tijdens de puberteit van een hechtingsstoornis. Een derde opperde borderline…

Geen planning

Opvallend is de grote moeite die Sandra heeft bij het plannen en organiseren. Ze kan zich nauwelijks voorstellen welke stappen ze moet nemen om iets te regelen en te organiseren. Dat is vooral moeilijk voor haar als er iets buiten de deur plaats moet vinden. Ze kan zich dan helemaal geen beeld vormen: ze moet het voor zich zien. Een wegomlegging kan een groot probleem zijn: ze durft dan al helemaal de deur niet meer uit omdat ze bang is dat ze de weg kwijt raakt.

School

Sandra heeft op school gezeten, maar dat was emotioneel erg zwaar voor haar. De bedoeling was dat ze na de schooltijd naar dagbesteding zou gaan, maar tot nu toe is die stap te groot gebleken.

Hoewel je het heel anders zou verwachten is Sandra niet in staat om aan dagbesteding mee te doen. Ze gaat slechts met een begeleider op stap en ze doet in huis klusjes. Die moeten allemaal stap voor stap opgeschreven worden, anders krijgt ze het niet voor elkaar. Het oorspronkelijke idee van begeleid wonen is helemaal losgelaten: ze woont op het terrein van een instelling.

Sociaal-emotioneel

Bij een onderzoek naar zijn sociaal-emotionele ontwikkeling kom ik uit op een basis op de leeftijd van 1 á 2 jaar. Maar dit niveau wisselt ook sterk. Als Sandra gespannen is functioneert ze op een veel lager niveau dan wanneer ze ontspannen is.

Geen ik

Bij Sandra is nog geen sprake van een I-dentity. Ze heeft nog geen eigen ik ontwikkeld. Er wordt wel gesproken over een We-dentity. Ze bestaat slechts bij de gratie van de ander. Dat is in de eerste plaats haar moeder.  Als haar steun van de ander wegvalt, verzinkt Sandra in een emotionele chaos, óf ze trekt zich terug in haar eigen wereld.

Zelfverwonding

De boosheid die ze laat zien is vooral in de vorm van zelfverwonding: zichzelf krabben, nagels pulken en soms ook snijden. Ook laat ze veel passief verzet zien: ze komt dan haar bed niet uit of blijft eindeloos treuzelen voordat ze aan tafel komt.  Maar in feite gaat het niet om boosheid, maar om angst, ontreddering:  ik begrijp er helemaal niets meer van. Ze kan de overgang gewoon niet maken. Als haar gedrag escaleert schopt, krabt en bijt ze de begeleiding.

Flow (2)

Hoe kom je nu in een goede flow?

Afbeeldingsresultaat voor flow CsikszentmihalyiDat heeft Mihaly Csikszentmihalye in een cirkel vastgelegd. Op de één of andere manier is de cirkel hier vierkant geworden.

Links zie je de uitdagingen en onder de vaardigheden.

Apathie

Heb je weinig vaardigheden, maar ervaar je ook weinig uitdaging, dan leidt dat tot apathie. Dat soort situaties zie je bijvoorbeeld in verpleeghuizen. Er is weinig uitdaging, maar de mensen die daar zijn opgenomen hebben ook weinig mogelijkheden om aan die saaie situatie te ontkomen.

Maar: stel dat ik de opdracht krijg om een auto te reapareren, ik mag geen hulp vragen en ik moet de klus in een week klaren, dan komt er niets uit mijn handen. Ik zie het repareren van een auto niet als uitdaging én ik heb op geen enkele manier vaardigheden ontwikkeld om ook maar iets te bedenken hoe ik zo’n auto zou kunnen repareren.

Computersystemen

Ik houd van mijn vak. Maar een negatieve ontwikkeling binnen mijn vak is de hoge mate van automatisering. Niet dat de opvoeding geautomatiseerd is, maar je moet wel alles registreren. Het ene systeem is nog maar nét ingevoerd of het wordt alweer afgeschaft. In de afgelopen jaren heb ik in toenemende mate ervaren dat computer-systemen voor mij een bron van stress vormen.

Ik kom dan uit op een hoge mate van angst. Mijn werk zie ik als een uitdaging, maar ik heb onvoldoende vaardigheden om aan de eisen te voldoen. Ik wil graag verder met mijn vak, maar ik krijg het allemaal niet meer geregistreerd in de diverse digitale systemen. Dus word ik gespannen. Ik heb stress omdat ik de boel niet meer onder controle heb en ik word bang dat ik mijn baan kwijt raak.

Matig/matig

Als ik ervaar dat ik een redelijk aantal vaardigheden heb om mijn werk uit te voeren en ik ervaar ook een zekere mate van uitdaging, dan heb ik mijn werk redelijk onder controle. Voor een aantal medewerkers is dat voldoende. Zo haal je je pensioen wel…

Maar stel je voor dat je veertig jaar oud bent en je bedenkt dat je op deze manier nog 28 jaar verder moet tot je pensioen: zou je dat dan willen? Ik vraag het me af. Wil je dat niet, dan moet je dus nog een aantal bronnen aanboren om alsnog in de flow te komen.

Flow

Heb je een baan met veel uitdaging, maar heb je ook het gevoel dat je ruimschoots voldoende vaardigheden hebt, dan kom je in de zogenaamde ‘flow’.

  • Er is voldoende spanning om het werk leuk te blijven vinden.
  • Dat betekent ook dat je je voldoende kunt blijven concentreren.
  • De taak op zich is een bron van voldoening
  • Daardoor heb je tevens het gevoel dat de tijd voorbij vliegt

Als ik regelmatig contact had met medewerkers en cliënten, kon nadenken over mogelijke oplossingen én niet teveel belast werd met regels en computersystemen, dan was het altijd alweer na vijven voordat ik door had dat ik mijn werk voor vandaag af zou moeten ronden. Kennelijk zat ik dan in een goede flow.

Flow (1)

De psycholoog heeft zo’n ingewikkelde naam, dat ik die naam maar niet uit mijn hoofd kan reproduceren. Het is dan ook een Hongaar. En Hongaren hebben vaak ingewikkelde namen. Daarom zijn Hongaarse vrachtauto’s ook zo lang. Anders past de naam er niet op.

Ik heb het nu over de Hongaarse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi. Hij groeide op in het totaal ontregelde Midden-Europa in de jaren ’40 en ’50. Al vroeg vroeg hij zich af hoe het kon dat kinderen nog redelijk leken te kunnen functioneren in deze turbulente tijden, terwijl volwassenen vaak helemaal ontregeld waren.

Na lang zweten, ploeteren en nadenken kwam hij een halve eeuw later met een model op de proppen waarbij hij omschrijft hoe je een optimale toestand van gelukzaligheid kan bereiken wat betreft je prestaties. Het gaat dus niet om meditatieve geluksmomenten of een roes als gevolg van middelengebruik. Nee: krijg krijg je het gevoel dat je bestaan er toe doet? En dan toegespitst op de prestaties die je wilt/kunt leveren.

Genoeg uitdaging, voldoende vaardigheden

Om een voorbeeld te noemen: als je je werk prima aan kunt, maar je hebt het gevoel dat er weinig uitdaging in zit, ben je toch niet tevreden met je werk. Of omgekeerd: als je een uitdagende baan hebt, maar je moet teveel op je tenen lopen omdat je het gevoel hebt dat je die baan eigenlijk niet aan kunt ben je ook niet tevreden met je werk.

Oftewel in relatie met het blog van gisteren: er moet een evenwicht zijn tussen ‘prikkels’ en ‘uitdagingen’ en het gevoel dat je controle hebt over je werksituatie.

Mihaly Csikszentmihalyi spreekt in dit verband van de flow die iemand kan ervaren. Bij een maximale flow ben je één en al concentratie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een kind dat voor het eerst op een fiets fietst zonder zijwieltjes. Het kind denkt even nergens anders aan: alle aandacht is gericht op het gelukzalige gevoel van ‘ik kan het’.

Drie factoren

Csikszentmihalyi noemt drie factoren:

a) je moet een balans ervaren tussen de ervaren uitdagingen en het gevoel dat je genoeg vaardigheden bezit om je taak goed uit te voeren

b) Tijdens het uitvoeren van je taak moet er voldoende feedback beschikbaar zijn om te kunnen checken of je op de goede weg bent

c) Je moet zicht hebben op het doel waar je naar toe werkt.

Controle over jezelf en over de ander (2)

G. Jansen en T. Batink (in: Time to Act, 2015) noemen controle de disfunctionele manier om met stress om te gaan. Bijvoorbeeld: omdat je je rot voelt ga je snoepen, drinken of anderen controleren.

Grip noemen ze een gezonde manier om met stress om te gaan. Zoals: accepteren dat je je af en toe erg rot voelt, de ander ruimte laten, en het vinden van eigen manieren om je spanning te hanteren, zoals bijvoorbeeld lichaamsbeweging of een hobby.

Vorige week had ik een teambijeenkomst waarbij de zogenaamde Flexibiliteits Index ter sprake kwam. Deze index brengt o.a. in kaart in hoeverre je in staat bent om tekortkomingen te accepteren, in welke mate je afstand van jezelf kunt houden (naar je eigen denken en handelen kunt kijken) en hoe gevoelig je bent voor het oordeel van anderen.

De medewerkers herkenden bij zichzelf dat een negatief beeld van zichzelf en druk van buiten leidden tot een grotere behoefte aan controle van de omgeving. “Dan raak ik mezelf en het contact met mijn cliënten kwijt” zei iemand. Ze vertelde dat ze meer gericht was op de details, kritischer werd naar collega’s toe en moe werd van zichzelf. Dat laatste vertaalde zich o.a. in slaapproblemen (wel inslapen, maar niet doorslapen).

Een controlebehoefte kan ook ontstaan als er teveel druk van buitenaf is. De ene controle roept de andere controle op. Zoals in het geval van Job, een man met een verstandelijke beperking en autisme.

De pillen van broer Job

Mevrouw Jongsma is mentor van haar broer Job. Op de woning staat mevrouw bekend als ‘kritisch’. Begeleiders hebben het gevoel dat ze het nooit goed kunnen doen.

Eén van de zaken die opvallen in het gedrag van mevrouw Jongsma is dat ze veel moeite heeft met ‘loslaten’. Ze wil voortdurend van alles op de hoogte zijn.

Onlangs is de medicatie van Job veranderd. Het lijkt wel of deze verandering voor mevrouw Jongsma een obsessie is geworden. Ze wil alles weten over bijwerkingen en effecten op de langere termijn. Ook eist ze van de begeleiding nauwgezette rapportage hoe haar broer reageert op zijn nieuwe medicijnen.

De medicatie is op dit moment allesbepalend geworden voor het contact met de woning. Eén van de begeleiders merkte op: ‘ze ziet niet meer of het goed gaat met haar broer, ze wil alleen maar weten wat voor pillen het zijn’.

Het effect van dit gedrag van mevrouw Jongsma was dat begeleiders meer krampachtig gaan werken als het om de zorg van Job gaat. Er zijn dus alleen maar verliezers.

De psychiater, die vanaf een afstand naar het geheel kan kijken, zei wat ontnuchterend: ‘ik denk dat mevrouw zélf een pilletje nodig heeft’.