Splitting bij kinderen (2)

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van - vaak aantrekken en afstoten - liggen. 

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Er zijn twee vormen van angstige (onveilige) hechting. De vorm die het meest voor komt is de angstig-ambivalente hechting (er zijn onderzoekers die menen dat ruim 20% van de kinderen angstig-ambivalent is gehecht). Kenmerkend is dat deze kinderen dicht in de buurt van de moeder (of een andere belangrijke hechtingspersoon) willen zijn, maar dat ze aan de andere kant die persoon ook afwijzen. Behoefte om in de buurt te zijn en boosheid om verlating liggen bij hen dicht bij elkaar. Het kind kan zijn moeder knuffelen en direct daarna een klap midden in het gezicht geven.

Affecthonger

Je ziet vaak dat deze kinderen vooral naar volwassenen trekken. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Overdracht

We hebben hier te maken met een situatie van overdracht, een psychologisch mechanisme waar iedere hulpverlener mee te maken heeft. Als je als begeleider iets voor kinderen wilt betekenen ontkom je niet aan dit appèl. Je behoefte is om een goede hulpverlener te zijn, om mensen te helpen. Daarvoor heb je immers dit vak gekozen?

Bovendien ben je bang dat het kind nóg een keer afwijzing ervaart. Gevolg: je gaat (te ver) op de vraag in die het kind stelt. Het kind strikt jou in je eigen behoefte om een goed hulpverlener te zijn. Zo raak je in elkaar verstrikt.

Uiteindelijk wordt het jou teveel en stap je gespannen uit de situatie. Pas dán zal het kind zich echt verlaten voelen. En dat was nu juist wat je had willen voorkomen. Bovendien help je het kind op deze manier niet verder in de grote opdracht: om van separatie naar individuatie te komen.

De andere kant

Maar als begeleider kun je ook in een andere valkuil stappen. Je hebt als begeleider geleerd om grenzen te stellen. Immers: deze kinderen zijn grenzeloos. Maar dan gebeurt er weer iets anders. Het kind staat niet centraal: jij zet jezelf centraal. Ik ben hier de baas en ik bepaal wat er gebeurt. Is het niet jouw behoefte om controle te houden die maakt dat je deze grenzen stelt?

Hoe minder je controle hebt, des te meer zul je naar sancties grijpen. Ook hierbij kan het gebeuren dat je een stap mist. Je merkt de behoeften van het kind niet op, omdat je de begrenzing centraal hebt gesteld. Kinderen hebben zeker grenzen nodig, maar ze moeten ook gezien worden.

Ik gebruik hier elke keer weer de metafoor van het kleine scheepje op de ruwe zee. De begeleider is de vuurtoren, die blijft op zijn plek, ook al wiebelen ook vuurtorens een beetje mee met de wind. Het kind is het scheepje op de ruwe zee dat bezig is te overleven. Die begeleider is in de storm toch een stuk houvast: 'die kant moet ik uit.'

Verstandelijk gehandicapt en kinderwens

Eén van de moeilijkste morele kwesties in mijn werk vond ik de vraag of mensen met een verstandelijke beperking kinderen mogen krijgen.

In de loop van de jaren heb ik daar vaak over nagedacht. In wat voor controle-samenleving leven we als de overheid gaat bepalen wie er kinderen mogen krijgen? En als die vraag geldt voor mensen met een verstandelijke beperking, waar ligt dan de grens? Dan moeten we evenzeer (en misschien zelfs nog méér) vragen stellen bij ouders die aan de drugs zijn, of bij ouders met een ernstige psychiatrische stoornis.

We gaan nét zo lang door totdat we er eentje mogen houden

Familie Stomphorst

Eén van de eerste confrontaties met dit onderwerp was de familie Stomphorst uit Rotterdam. Elke keer weer werd er een kind uit huis geplaatst. En iedere keer weer kwam er een nieuwe baby. De ouders: “We gaan nét zo lang door totdat we er eentje mogen houden.” Beide ouders functioneerden op verstandelijk gehandicapt niveau. Maar waarschijnlijk nog schadelijker was het feit dat ze zelf in jeugdzorg-instellingen waren opgegroeid. Er was sprake van een dubbele handicap: verstandelijk én emotioneel. Ondersteuning in het gezin leek geen effect te hebben. De ouders begrepen niet wat kinderen nodig hadden.

Toen het driejarig zoontje van de familie Stomphorst eindelijk een keer een nacht dóór sliep wekten ze hem midden in de nacht. Zo kon hij ook eens ervaren wat het betekende om 's nachts uit je slaap gehaald te worden. 

Toch zei de maatschappelijk werker die bij het gezin betrokken was: ‘In een samenleving die de macht hefet om te bepalen wie er kinderen mag krijgen wil ik niet wonen’.

Toen er geen kinderen meer geboren werden was de gezamenlijke strijd ook gestreden en gingen de ouders uit elkaar. Vader kwam later nog in beeld in een programma over de schuldhulpverlening. Hij had geen enkel idee hoe hij zijn financieën moest beheren.

Werk

Later ben ik bij tal van gezinnen betrokken geraakt waarbij er bij de ouders sprake was van een verstandelijke beperking. Ik schreef mee aan een nota over verstandelijke beperking en kinderwens. En ik schreef over het onderwerp voor een krant. Ik vond en vind het één van de meest complexe morele dilemma’s uit mijn werk. En dat zeker ook als kinderen ‘slimmer’ zijn dan hun ouders. Dan zie je dat de dochter van 10 jaar haar moeder op moet voeden.

Niet gehecht

Een tijdje geleden kwam ik weer met het onderwerp in aanraking. De jongen was inmiddels tien jaar oud. Hij zag er leuk uit. Hij kon met zijn mobieltje overweg en liet van alles zien. En hij praatte de oren van je hoofd.

Maar ondertussen… hij kon geen moment alleen gelaten worden. Zelfs het twee meter van je af lopen was vragen om moeilijkheden. Dan was je hem meteen kwijt. Hij zag geen enkel gevaar en liep zo de straat over als hij ergens een tram zag (een obsessie van hem). Of hij liep een sloot in omdat er aan de overkant een bal lag.

Het eten was bizar. Hij kauwde niet. Alles slikte hij in één keer door. Hij at ook voorwerpen zoals legoblokjes. Als hij de kans kreeg likte hij aan stoeptegels of aan muren. Hij was niet zindelijk. Op de WC smeerde hij met ontlasting.

Toen ik een inschatting maakte van zijn niveau van functioneren kwam ik uit op een (globaal) verstandelijk niveau van ongeveer 7 jaar, terwijl hij in sociaal en emotioneel niveau onder een half jaar functioneerde. 

De moeder van deze jongen is verstandelijk gehandicapt. De vader is onbekend. Moeder had geen netwerk om zich heen die de zorg voor haar zoon op kon vangen. Sterker nog: er waren weinig mensen die wisten dat ze een zoon had. Deze jongen lag eerst in de wieg en toen hij ging lopen had zijn moeder hem in een kamer opgesloten. Ze had geen idee wat ze met hem aan moest. Ze wilde echter ook niet hulp vragen, want dan zou ze hem kwijt raken. Ook zij was in een instelling opgegroeid omdat haar ouders de zorg niet aan konden.

Toen het zoontje 2½ jaar oud was kwam uit hoe ernstig de situatie was. Hij werd in een pleeggezin geplaatst. Maar hij bleek zich niet meer te kunnen hechten. Ook niet met een intensieve behandeling. Het was al te laat…

Er zijn inmiddels tal van programma's om ouders met een verstandelijke beperking te helpen bij de opvoeding van hun kind. Als er sprake is van een goed netwerk én als de ouders zelf geen ernstige emotionele problematiek laten zien is er enige kans dat de opvoeding zonder al te grote problemen verloopt. En toch: het blijft een moreel dilemma, waar ik niet echt uit kom. 

Machteloosheid in de interactie

Er zijn relaties waarbij de één uitgeput raakt door de ander. Hij of zij krijgt het gevoel dat niets helpt en dat je door de ander helemaal leeggezogen wordt. Dat komt niet alleen in persoonlijke relaties voor, maar ook in professionele relaties. Daarover schrijf ik in dit blog.

Wekelijks kom ik bij tal van mensen over de vloer. Er zijn bezoeken die mij energie kosten, maar er zijn ook bezoeken die mij energie géven. Op mijn werk had ik dat minder sterk, omdat ik daar meer ‘professionele afstand’ kon houden.

Van wie je ‘moe’ wordt hangt ook van de persoon af. Het gaat niet om goed of niet goed. De één is gevoeliger voor bijvoorbeeld emoties dan de ander, de één kan beter met de ene persoon overweg, de andere met een heel ander persoon.

Op je werk wordt verwacht dat je met iedereen op gepaste wijze om kunt gaan. Toch had ik op mijn werk ook regelmatig een ‘pluis-niet-pluis-gevoel’. ‘Dit gaat een complexe situatie worden, die het team of de behandelaar veel energie gaat kosten’. Meestal met allerlei vormen van tegenoverdracht.  Je weet: ‘je gaat jezelf tegenkomen’.

Wat kunnen signalen zijn?

  1. De druk vanuit de omgeving om snel iets te doen. Er moet nú iets gebeuren. Dit wijst op een zeer hoge mate van Expressed Emotion, waarbij de vlam snel in de pan slaat. Zo’n druk gaat meestal gepaard met kritiek op vorige hulpverleners.
  2. Signalen vanuit vorige hulpverlenende instanties. Vaak is een signaal dat de overdracht minimaal is. Als er nauwelijks een dossier is opgebouwd terwijl de patiënt wel een intensieve behandeling heeft gehad is dat een aanwijzing dat de behandeling is vastgelopen. Het kan ook zo zijn dat de persoon niet wil dat informatie naar de volgende behandelaar gaat. Wegstrepingen en een incompleet dossier alsmede het gebruik van vage psychopathologische termen kan wijzen in de richting van een verstoorde behandelrelatie.
  3. Aanwijzingen in het eerste gesprek. Juist als de patiënt zich bijna grenzeloos openhartig toont over alles wat hem is overkomen kan dat een valkuil zijn. De patiënt zal uitentreuren vertellen hoe zwaar hij het heeft gehad en hoe slecht hij is behandeld. Maar nu is er eindelijk een behandelaar die hem begrijpt. Als zulke vormen van ‘splitting’ ontstaan moet je extra zorgvuldig je dossier bijhouden, is één van mijn adviezen.
  4. Als je na afloop van het eerste gesprek merkt dat je zelf in verwarring bent. Je twijfelt of je het wel goed gedaan hebt, je hebt moeite om het gesprek op de goede manier en op tijd af te sluiten, je merkt dat je je leeg gezogen voelt, je voelt een sterke mate van irritatie, je weet niet hoe je goed van dit eerste gesprek verslag moet doen.

Dit kunnen allemaal signalen zijn dat het hulpverleningscontact spannend gaat worden en dat je jezelf als behandelaar en/of begeleider behoorlijk tegen zult komen. En dat inbreng in intervisie of supervisie gewenst is.

(vrij naar een ooit verschenen artikel in het Tijdschrift voor Psychiatrie, waarvan ik wel de aantekeningen bewaard heb, maar de exacte vindplaats niet heb genoteerd)

Dromen

In de loop der tijd heb ik heel wat gelezen over dromen. Maar nog altijd vind ik ze een wonderbaarlijk verschijnsel. Waarom droom je de dromen die je droomt?

Tegenwoordig droom ik veel over bewoners in mijn eerste baan. Dat kunnen ervaringen tot ruim 45 jaar geleden zijn. Zoals een droom over Remco.

Met Remco had ik maar heel af en toe te maken. Hij woonde niet op één van de paviljoens waar ik bij betrokken was. Een enkele keer was ik bij een bespreking op de speltherapie. En ik viel wel eens in voor een collega. En toch droomde ik zo’n veertig jaar later van die Remco.

Ik wist het allemaal nog precies. Waar zijn vader werkte, in welke plaats, welk (eigen) bedrijf hij daar had. Waar zijn moeder werkte. En in welke wijk ze woonden (een nieuwe bloemkoolwijk van begin jaren ’80). En toen ik wakker was geworden meende ik dat ik dat helemaal heel goed had onthouden. Ik checkte het telefoonboek. Het klopte. In ieder geval bestaat het bedrijf nog en het staat in dezelfde wijk waar ik over droomde.

De oma van Remco was overleden. De vraag was of Remco mee zou gaan. Inmiddels waren zijn ouders gescheiden. Zijn vader zou niet komen als zijn moeder met zijn broer en zus zouden komen. En ik moest uit het dilemma zien te komen: is het dan wel goed dat Remco mee gaat? Ik vond dat bewoners niet her recht moet worden ontzegd om afscheid te kunnen nemen van een dierbare, maar ik vond het wel belastend voor Remco als Pa en Ma ter plekke met elkaar op de verbale vuist zouden gaan.

Ondertussen liep Remco rondjes in mijn werkkamer. Hij zong steeds hetzelfde liedje, knakte ondertussen met zijn vingers en keek kort af en toe naar mij. Alsof hij wachtte op antwoord.

Waarom zit die herinnering nu nog steeds in mijn hoofd? En waarom weet ik al die gegevens nog. Zou er niet meer ruimte in mijn hoofd kunnen komen als ik al die overtollige balast weg zou kunnen wissen? 

Terug naar Friesland

Anderhalf jaar lang heb ik alleen zoombijeenkomsten gehad voor mijn werk in Friesland. 
De haven van Harlingen

Op de maanden september en oktober na. Toen waren er teambijeekomsten in een plaatselijke kerk.

Bezoek aan de woningen was niet toegestaan. De bewoners heb ik 1½ jaar niet kunnen zien. Behalve op enkele filmpjes die mij waren toegestuurd ter beoordeling van bepaald gedrag. En sommige bewoners hebben mij gebeld. En er kwam natuurlijk af en toe post.

Deze week is het eindelijk weer zo ver. Ik werk drie dagen in Friesland. Dat blijft toch een thuisbasis voor mij. Niet alleen Friesland met die heerlijke taal van thuis, het Fries. Maar vooral de woningen met de bewoners en de begeleiding in Harlingen.

Mijn fiets is er inmiddels helemaal toegedekt door spinnenwebben. En de banden staan leeg.  Maar hij staat er nog...

Stichtelijk Gestichtsbezoek (2)

Ik moet een dag cursus geven op een instelling op degelijke zeeklei. Dat slaat verder nergens op, maar soms vraag ik me af of er een verband is tussen persoonlijkheid en grondsoort.

Bij de ingang spreekt een vrouw mij aan. “Meneer, als ik spuitpoep heb, hoef ik dan niet naar mijn werk?” Ik zeg: “Daar ga ik niet over, daar gaat het personeel over.” Ik probeer het gesprek over een andere boeg te gooien en vraag haar naar haar naam. Dat helpt niet. Mevrouw zegt dat ze ‘Mevrouw Spuitpoep’ heet.

“Maar als ik érge spuitpoep heb, hoef ik dan écht niet naar mijn werk?” Ik herhaal mijn antwoord. Ik ga daar niet over, daar gaat het personeel over. “Maar als ik héle erge spuitpoep heb, kan ik dan niet met het busje mee?”

Op dat moment klinkt er een zwaar ondergronds gerommel en gesputter. Even later zie ik dat de broek van mevrouw bruin kleurt. Ook is er sprake van een aanzienlijke mestgeur.

Volgens mij kán mevrouw in deze toestand niet naar haar werk. Ik verwijs haar door naar de woning. Die zullen dit verhaal wel vaker hebben gehoord. En hoe een onwetende bezoeker mogelijk nét het verkeerde antwoord heeft gegeven. 

Levende voorbeelden

Soms ben je als docent een levend voorbeeld. De afgelopen week gaf ik drie maal cursus voor medewerkers in de ouderenzorg. Maar er vielen af en toe hiaten in mijn verhaal.

Die hiaten ontstonden vooral doordat ik niet op namen kon komen. Dat heet een ‘opdiepprobleem’. Het niet op namen kunnen komen staat op 1 in de ergernissen-lijst van ouderen. Ik zou zeggen: ‘Mens erger je niet. Er zijn ergere dingen’. Maar op zo’n moment zit je denken anders in elkaar. Het ingewikkelde was dat ik vaak niet op de namen kan komen, maar wel op de plaatsnaam waar de persoon in kwestie woont danwel zijn vak uitoefent. Professor Dinges is verbonden aan de universiteit van Dundee in Schotland en geriater IJ is woonachtig in het Limburgse Montfort.

Naarmate de stress toeneemt, nemen de opdiepproblemen ook toe. Maar het kan ook met vermoeidheid te maken hebben. De beste manier om je namen te binnen te laten schieten is om ze je niet te binnen te laten schieten. Dan ploppen ze vanzelf op. Maar dat is dan weer hetzelfde als het ‘Denk niet aan die roze olifant’.

Omdat ik mijn gehoorapparaat was vergeten begreep ik ook een deel van de vragen niet. Vraag: Meneer A, wat hebt u gisteren gedaan? Antwoord: ‘Goede vraag, de komkommers zijn ook in de aanbieding’.

Toen ik thuis kwam zei Tineke: ‘Heb je echt zó les gegeven?’ Ik vroeg: ‘Hoe anders?’ Volgens Tineke was mijn kleding niet op orde. ‘Dat kon zo echt niet’. Daar kun je je van alles bij voorstellen. Vroeger was ik daar altijd bang voor. Als er cursisten begonnen te giechelen vreesde ik als mannelijke docent tussen bijna alleen vrouwelijke cursisten het ergste. Later bedacht ik dat er ergere dingen zijn.

Van de cursisten heb ik geen opmerking gehoord. Ik wacht de evaluatie maar af. 'De docent paste zijn wijze van optreden goed aan aan de inhoud van de lesstof'. 

Agendaperikelen

Oude tijden herleven weer. Destijds had ik regelmatig drie afspraken tegelijk op één avond. Dat had zo zijn voordelen.

Ik kon dan namelijk bij alle afspraken zeggen dat ik elders moest zijn. Omdat ik zelf geen oorzaak was van die dubbele afspraken (ze werden gewoon ingepland) hoefde ik me ook niet zo schuldig te voelen. Dat leverde dan vervolgens een vrije avond op. Maar dit excuus lukt me nu niet.

Mijn agenda is inmiddels aan lager wal geraakt en dat leidt tot nieuwe problemen. Juist op een leeftijd dat het geheugen dramatisch achteruit gaat moet je zorgen dat je je agenda goed bijhoudt. Zodra je dat niet doet gaan er zaken mis.

Van Tineke, die ik verdenk van een stalen geheugen (net als haar vader) had ik agendafouten niet verwacht, maar zij had gistermorgen toch drie afspraken tegelijk staan, terwijl ze in fysiek opzicht maar op één plek kon zijn.

Van mezelf kon ik voorspellen dat een agenda wel handig zou zijn, maar ik paste mijn gedrag niet aan. De meeste afspraken staan op de kalender in de woonkamer, maar ik ben daar niet helemaal consequent in. Vooral als er een datumprikker in omloop is heb ik niet in de gaten wat me boven het hoofd hangt.

Zo moest ik gisteren een cursus geven. Dat wist ik nog. Het stond ook genoteerd. Die cursus zou plaatsvinden in de middag, zo had ik bedacht. Dat leek me wel een mooie tijd. Langzaam opstarten in het kader van het leeftijdsvriendelijke ouderenbeleid. Daarna als een speer cursus geven. En ’s avonds weer geleidelijk uitdoven.

Helaas bleek de cursus ’s avonds gegeven te worden. Ondertussen had ik ook een datumprikker voor een vergadering rondgestuurd. En ik had zelf besloten dat de dinsdagavond de meest geschikte avond was. Vervolgens meldde Tineke dat ik verwacht werd vanwege een activiteit van huishoudelijke aard wegens het feit dat haar oudste zus een halve eeuw is getrouwd met de één of andere Jan.

Tineke heeft ook een broer die Jan heet. Dat is weer iemand anders. Die was net voor coronatijd ook een halve eeuw getrouwd. Dat hebben we hier in huis op gepaste wijze gevierd, inclusief een vrouwelijke burgemeester, liederengezang en taart. En het voordeel van twee Jannen in de familie is dat je minder moeite hoeft te doen voor het bedenken van de goede naam.

Maar nu had ik dus weer drie afspraken op één avond. De Zoomvergadering moest ik met gekleurde kaken van schaamte afzeggen. Dan gaat de vergadering alsnog door. Ik ben niet de voorzitter, maar slechts een schermheilige op afstand.

De familiebijeenkomst: daar kon ik bij zeggen dat ik slechts een aangetrouwde versie van de familie ben en dus onmogelijk verder kom dan een bijrol aan de zijlijn. Aan de familie van Tineke kan ik toch niet tippen.

Maar de cursus die ik moet geven kon ik moeilijk afzeggen. De cursisten komen uit het hele land en dan voor niets naar Rotterdam.

Bovendien gaat de cursus over het geheugen en geheugenproblemen. Oftewel over vergeetachtigheid. Hooguit zou ik door mijn afwezigheid een treffende illustratie kunnen zijn van wat er gebeurt als mensen vergeetachtig worden... 

Een nieuwe groep

Ik maak kennis met een nieuwe groep studenten. Het zijn er twaalf. Omdat ik graag wil weten wat voor cursusvlees ik in mijn kuip heb laat ik ze zichzelf voorstellen. 

Martin vertelt dat hij met gehandicapten werkt. Hij houdt van actie en van onvoorspelbaarheid. Vooral het werken met mensen met een lichte verstandelijke beperking vindt hij een uitdaging.

Marieke heeft een gehandicapte broer. Ze heeft veel voor hem gezorgd. En nu werkt ze op een verzorgingsgroep in een instelling.

Rick vertelt dat hij in de ICT werkte. Daar kwamen de muren op hem af. Hij wilde meer vrijheid. Hij is ambulant begeleider.

Jim zegt: “Ik ben Jim, en ik woon in Landsmeer. Mijn hobbies zijn wielrennen, muziek maken en gamen. Ik heb geen vast contract, maar val overal in.”

Christa is nauwelijks te verstaan. Ze praat zacht en tijdens het zich voorstellen maakt ze zich kleiner.

Chayenne vertelt dat ze uit Curacao komt. Haar moeder is twee keer gescheiden en moet van een kleine uitkering leven. Ze wil graag haar moeder financieel ondersteunen. Bovendien wil ze een goed voorbeeld voor haar jongere zusje zijn.

Merel heeft tal van vrienden en vriendinnen die in de problemen zijn geraakt. Ze wil andere jongeren helpen om het niet zo ver te laten komen. Ze wil graag sportinstructrice worden. Want met sport voorkom je veel ellende. Ze wil ook graag een wereldreis maken voordat ze zelf kinderen krijgt. Maar eerst wil ze een betere kamer, ‘dus als jullie nog iets voor me weten…’

Wendy is getrouwd met Peter. Ze heeft twee ‘kids’ van 9 en 6 jaar. Ze zorgt graag voor anderen. Ze voelt zich als een vis in het water in de gehandicaptenzorg. Ze vindt het heerlijk om te ervaren hoe blij de bewoners zijn als ze binnen komt.

Koen wil graag veel leren. Hij wil weten hoe mensen in elkaar steken. Hij is benieuwd waarom mensen psychische stoornissen ontwikkelen. Hij bekijkt allerlei colleges die online op internet te vinden zijn. Maar hij vindt het moeilijk om die kennis toe te passen in de praktijk van zijn werk bij een groep mensen met ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’. Hij hoopt dat het met mijn lessen allemaal wat duidelijker gaat worden.

Dat waren ze niet allemaal. Opvallend is het grote aantal mannen in de klas: de helft. Meestal zitten er maar één of twee mannen in de groep.

De eerste kennismaking geeft al een beeld van wie er in zo’n groep zitten. Vooral als je iedereen voor de vuist weg laat vertellen wat er in hem of haar opkomt.

Het begint al met de vraag wie zich het eerste voorstelt. In dit geval ging het vanzelf, de groep ging op het rijtje af. Alleen zag ik bij Christa dat ze desondanks twijfelde. ‘Spreek ik niet voor mijn beurt?’

Als je kijkt naar de voorrang die denken, voelen of handelen krijgen, dan zie je dat Koen zich in de kennismaking ontpopt als de denker. Hij wil graag veel weten. Ik verwacht dat hij veel vragen gaat stellen waar hij nog meer te weten kan komen. Hij zal me ook vragen gaan stellen waar ik geen antwoord op weet, over video’s die ik nooit heb gezien en sprekers waar ik nog nooit van heb gehoord. Het is de kunst om er geen wedstrijd van te maken wie het meeste weet.

Wendy is vooral een gevoelsmens is en Marieke waarschijnlijk ook. Ze zullen heel intensief gaan luisteren naar de verhalen die ik ga vertellen over hechting, over verstoorde hechting en over de vraag hoe je als begeleider een steentje kunt bijdragen in de opbouw van (alsnog) een stukje hechting. Ze zullen daarbij wel zichzelf tegen komen en ook af en toe emotioneel op de rem moeten staan.

Merel en ook Martin houden van actie. Ze zijn handelaars, en daarmee ook oplossingsgericht. Ze houden zich niet aan protocollen, dat is allemaal flauwekul. Als het werkt is het goed. Ze schudden de boel op. Ik moet ook zorgen dat de lessen voor hen spannend genoeg blijven door bijvoorbeeld op de persoon af te vragen wat ze met een bepaald idee zouden kunnen doen.

Moet ik me zorgen maken over Christa? Ik denk dat dat wel meevalt. Ze heeft de tijd nodig. Ik hoop dat ze een veilige werkplek heeft waar ze rustig kan groeien in haar werk.

Het wordt vast een leuke cursusgroep. Net zoals een team met denkers, mensen die voelen en mensen die oplossingsgericht zijn tot mooie resultaten in de zorg kan komen. Mits het team veilig genoeg is en iedereen zijn woordje kan doen en met zijn specifieke talenten aan bod kan komen. 

Splitting (4, slot)

Bij splitting wordt de één op een voetstuk gezet en de ander wordt de zondebok. Hoe valt dat principe vanuit de sociaal-emotionele ontwikkeling te verklaren?

Kinderpsychiater Margareth Mahler bouwde een theorie op rond de hechting en het ontwikkelen van een eigen identiteit van jonge kinderen. Het draait bij haar rond de termen van separatie en individuatie. Je kunt pas los komen van je moeder (separatie) als je ik voldoende ontwikkeld is (individuatie). Die ontwikkeling vindt volgens Mahler vooral plaats in de fase van de object-constantie  (24 tot 36 maanden, oftewel vooral tussen twee en drie jaar).

Vier stappen in het leren loslaten

  1. Eerder heeft het kind al geleerd dat een moeder weg kan zijn en er ergens toch nog is. Nu leert het kind: ook als ik mijn moeder niet zie is ze toch nog voor mij beschikbaar.

2. Het tweede wat kinderen in deze fase leren is: ook als mijn moeder boos op me is mag ik er toch nog zijn. De moeder wordt als een constante factor gezien, de boosheid is iets wat tijdelijk is, maar wat wel weer over gaat.

3. Het derde wat kinderen leren is alvast een beetje in grijstinten denken. Ook lieve mensen kunnen heel boos doen. Toch blijven ze lief. En ook: mamma kan heel erg boos zijn, maar ook een beetje boos. Als ze een beetje boos is is dat geen afwijzing, ze is gewoon even een beetje boos.

4. Ook leren peuters te oefenen in afstand en nabijheid. Dankzij dit oefenen kan het kind leren dat het geen ramp is als mamma niet in de buurt is. En als mamma weg is, is dat geen verlating. Ze is even weg en zo komt straks weer terug.

Geen grijstinten

Als mensen splitten komen ze kennelijk niet aan die derde fase toe: het denken in grijstinten. Mijn vrouw is nu even onbereikbaar, maar straks komt ze weer thuis. Of in de andere dimensie: de ander is er helemaal voor mij óf hij is tegen mij. Het emotionele denken is zwart-wit. De één doet alles goed en de ander kan nooit iets goeds doen.voorafgaande fase steken.

In die voorgaande fase leert het kind geleidelijk aan om zijn moeder te ‘missen’. Als mamma er niet is kan het kind verdrietig zijn, maar dat hoeft niet te ontaarden in heftige driftbuien, in bijtgedrag, in destructie. En als mamma weer terug komt is alle leed geleden. Het kind zoekt troost en daarna is het weer helemaal goed.

Ziehier het principe van de stalkende echtgenoot die op elk moment van de dag wil weten waar zijn of haar partner is. Het gevoel geen controle te hebben wordt ervaren als verlating.

Bij volwassenen is het vaak geen mamma meer, maar bijvoorbeeld de partner. Het valt niet te verdragen dat de partner aandacht geeft aan een ander. Dat wordt niet in de context geplaatst (hij praat nu even met de buurvrouw, maar straks is hij weer bij mij): de gedeelde aandacht staat gelijk aan verlating. Een zeer heftige reactie tot en met een overvliegend servies kan het gevolg zijn. De partner heeft nu de positie van de moeder ingenomen. Hij moet er helemaal voor mij zijn, want anders voel ik me leeg en ben ik verlaten.

Varianten op het splitten

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden

Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Deze serie blogs werden geschreven vanuit ervaringen in de gehandicaptenzorg. Daaruit geef ik de volgende literatuursuggesties mee: 
* E. de Belie en F. Morisse: Gehechtheid en gehechtheidsproblemen bij personen met een verstandelijke beperking (Garant, 2007) 
* Erik de Belie en Geert van Hove: Wederzijdse emotionele beschikbaarheid (Garant, 2013)