WMO-mantra van een starre gemeente

De gemeente staat bekend als weinig soepel als het gaat om het hanteren van regels rond kwetsbare mensen. Op huishoudelijke hulp voor ouderen en gehandicapten werd bijvoorbeeld maximaal bezuinigd. En wie ooit een PGB had moest het nu via de gemeente met minder dan de helft van het oorspronkelijke budget doen.

Een moeder diende een bezwaarschrift in tegen de gemeente. Bij haar dochter was sprake van complexe problematiek. Ook van dubbele problematiek: zowel een lichte verstandelijke beperking als forse psychiatrische problemen.

Maar de gemeente koerste op een cijfer af. Dat was voor de betrokken ambtenaar een stevig criterium. Een jonge vrouw met een IQ van 73 moest in staat geacht worden om ‘toegeleid te worden tot betaald werk’.

In de afgelopen twee jaar was stapsgewijs geprobeerd om deze vrouw inderdaad in de richting van ‘werk’ te begeleiden. Dat wilde ze zelf ook wel. Ze was bepaald niet lui. Maar zodra de druk maar iets te hoog werd ging het mis. Tot twee keer toe raakte ze in een psychose.

Tijdens de hoorzitting werden zowel de procedure als de gegevens van de betrokken vrouw nog eens op een rijtje gezet. Er lagen twee dikke dossiers op de tafel. Een deel van de stukken bleek niet bij de moeder bekend te zijn. Ze had haar bezwaar op basis van een onvolledig dossier ingediend. Volgens de betrokken ambtenaar kan het een enkele keer gebeuren dat stukken niet bij betrokkenen terecht komen. Maar dat was dan een schoonheidsfoutje. Het ging in dit geval ook niet om belangrijke stukken.

De moeder had steeds moeten wisselen van gemeenteambtenaar. Iedere keer opnieuw had ze haar verhaal moeten doen. Daarbij gaven verschillende ambtenaren verschillende en soms tegenstrijdige informatie. Ook bleek de ene ambtenaar een ruime termijn te hanteren, wat weer door de ander werd tegengesproken. De gemeente meende dat de moeder de termijn voor een bezwaar had overschreden. Maar de andere ambtenaar had ik een mail juist toegezegd dat er een ruimere tijd was. Ook dat werd door de ambtenaar bij de hoorzitting als een futiliteit gezien.

Maar uiteindelijk ging het om zorg op maat voor de dochter. Toen stelde de advocaat een indringende vraag. “Denkt u, mevrouw de ambtenaar, dat u als gemeente voldoende geld beschikbaar hebt om aan de complexe zorgvraag van deze vrouw te voldoen?” Het antwoord van de gemeente: “We hebben ons beleid vastgesteld. Dat hebben we niet alleen gedaan. We hebben dat beleid in samenspraak met andere gemeenten vastgesteld.”

Opnieuw stelde de advocaat de vraag. Het antwoord van de verantwoordelijk ambtenaar: “We hebben hier beleid over vastgesteld. Deze gemeente is niet de enige gemeente die deze criteria hanteert. We zijn het er onderling over eens dat we in het kader van de WMO een verantwoord beleid voeren.”

“Maar” zei de advocaat, “U hebt het over het beleid. Ik wil een antwoord op de vraag: “Kunnen de ouders van deze jonge vrouw voor hun dochter met het bedrag dat de gemeente toekent ook voldoende zorg inkopen?”

De betrokken ambtenaar herhaalde haar antwoord. “De gemeente heeft op basis van voorliggende criteria een besluit genomen. Dat heeft deze gemeente niet op eigen houtje gedaan. Ook andere gemeenten voeren dit beleid uit. En met onze contractpartners zijn we overeen gekomen dat dit de juiste tariefstelling is.”

Nu had geen van de contractpartners waar de gemeente het over had voor deze vrouw een passend aanbod kunnen bedenken. Er zou geld bij moeten om aan de complexe zorgvraag tegemoet te komen. Een gevolg was dat de dochter al een jaar lang thuis zat en dat de moeder haar baan op had moeten zeggen. Verloren ontwikkelingstijd. Hoe zat dat dan? En waarom negeerde de gemeente de adviezen van de behandelend psycholoog en psychiater? Had de gemeente wel voldoende deskundigheid in huis?

De  ambtenaar: “We hebben in overleg met andere gemeenten onze tariefstelling en ons beleid vastgesteld. Daar denkt deze gemeente niet alleen zo over, maar ook andere gemeenten.”

Dit was dus de mantra van een gemeente die landelijk inmiddels bekend staat als één van de meest ontoereikende gemeentes als het gaat om zorg voor kwetsbare mensen. Geen inhoud, maar een zich herhalende mantra. Dit beleid is nu eenmaal vastgesteld en onze naam is verder haas.

Over drie weken volgt de uitspraak…

Verstandelijke beperking en kinderen

Zo’n twintig jaar geleden was het een documentaire die me weken lang bezig hield. En eigenlijk al die jaren daarna nog steeds.

De familie Stomphorst. Vader Bertus had een geschiedenis van kindertehuizen achter de rug en (waarschijnlijk) een lichte verstandelijke beperking. Moeder Yvonne had een ernstiger verstandelijke beperking.

De beide ouders waren niet in staat om kinderen op te voeden. Alle kinderen – op de jongste na – waren uit huis geplaatst. Nu ging de strijd om het jongste kind. Mocht het thuis blijven wonen of moest het ook in een instelling of in een pleeggezin gaan wonen?

De ouders waren ten einde raad. Het leek erop dat ze opnieuw de strijd zouden verliezen. Maar: “We gaan net zo lang door totdat we er eentje mogen houden.”

Een voorbeeld van het onvermogen van de ouders was het gegeven dat het jongste kind veel slaapproblemen had. Dat kan in ieder gezin gebeuren. Maar het onvermogen kwam tot uiting in de reactie van de ouders toen dit zoontje (een peuter) een nacht wél doorsliep. Ze haalden hem uit zijn bedje om hem te laten ervaren hoe erg het is als je iedere nacht wakker gemaakt wordt. Is dat een kwestie van geen enkele kennis van de ontwikkeling van kinderen of is het een gemis aan invoelingsvermogen. Ik vermoed van beide. Met alleen kennis toevoegen red je het niet.

De ouders heb ik later nog een keer in levenden lijve gegaan. Maar hoe is het verder met de kinderen gegaan? Daarover gaat vanavond een documentaire op NPO 2. Met de kinderen is het niet goed gegaan. Sommigen verhuisden van instelling naar instelling, van pleeggezin naar pleeggezin. Ook (de meeste?) kinderen hebben een verstandelijke beperking. En als die kinderen dan weer kinderen krijgen? Gaat de geschiedenis zich eindeloos herhalen?

Eén van de dochters heeft zich laten steriliseren. Misschien zegt dat al genoeg. Ze heeft de schade van deze ouders aan den lijve ervaren en heeft genoeg emotionele vermogens en intelligentie om te begrijpen dat de opvoeding van kinderen voor haar te hoog gegrepen is.

Het programma van destijds plaatst de kijkers opnieuw voor een moreel dilemma. Vanmorgen had ik daar meerdere gesprekken over.

Willen we leven in een samenleving waar de overheid mensen kan verbieden om kinderen te krijgen? En zo ja, wie bepaalt dan de grens. Mag je boven een IQ van 80 wél kinderen krijgen en beneden een IQ van 80 niet?

Of zijn er nog andere factoren? Kun je verwachten van een moeder met een ernstige en onbehandelde borderline persoonlijkheidsstoornis en een normale intelligentie dat ze wél in staat is om kinderen op te voeden? Moet psychiatrische diagnostiek dan een rol spelen bij de mogelijkheid om kinderen te krijgen of op te voeden? Wil je in een samenleving wonen waar de overheid zoveel macht heeft?

Of omgekeerd: wil je dat kinderen steeds weer de dupe zijn van ouders waarvan voor meer dan 95% te voorspellen valt dat ze niet in staat zullen zijn om hun kinderen voldoende emotionele basis mee te geven? En zo ja opnieuw: wie bepaalt dat dan?

Vanavond in 2 Doc, NTR, NPO 2, van 20.55 tot 22 uur.

 

Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.

Meten van emotionele ontwikkeling

Een stukje uit mijn vak. Misschien wat te technisch, maar ik wil het toch even een plekje geven.

Al sinds de eerste proefversie van de SEO (Schatting Emotionele Ontwikkeling, een schaal die de sociaal-emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking in kaart brengt) heb ik gewerkt met deze schaal. Ik volgde toen een intensieve cursus bij Prof. Anton Dosen, de bedenker van deze schaal. Inmiddels ben ik er zo’n twintig jaar mee aan het werk en ik vind het een bijzonder goed bruikbaar instrument.

Kritiek

Al vanaf het begin heeft de schaal echter ook veel weerstand opgeroepen. Eén van de voornaamste kritiekpunten is dat de schaal onvoldoende geformuleerd is in termen van concreet gedrag. Die critici willen veel meer meetbare items zien (zie Jan Gielen in het NTZ, december 2016)

Ik noem als voorbeeld (het item staat niet exact op deze manier in de schaal beschreven): “Raakt gemakkelijk van slag als de belangrijke opvoeder uit de buurt is”, dan wil men dat veel preciezer zien: na hoeveel minuten en hoe raakt die persoon dan van slag, wat zie je aan hem?

Of een ander denkbeeldig item: “heeft moeite om samen te spelen/ samen te werken met leeftijdgenoten”: hoe ziet die moeite er dan uit? Laat iemand de ander links liggen? Wordt speelgoed niet gedeeld? Speelt iemand steeds de baas? Kan hij niet tegen zijn verlies? Kan hij niet met anderen spelen als de moeder niet in de buurt is?

Wat men dan graag zou willen is dat je aan de hand van waarneembaar gedrag zou kunnen scoren op welke leeftijd iemand functioneert. En wat men verder zou willen weten is: is dit bijvoorbeeld vooral bij jongens het geval, heeft het te maken met de ernst van de verstandelijke beperking, hangt het samen met andere beperkingen, zoals bijvoorbeeld autisme?

Subjectief

De indruk die bestaat is dat de antwoorden op de schaal erg subjectief gekleurd worden door de invuller en door de vragensteller. Het is maar net hoe de vraag wordt gesteld en hoe de vraag wordt beleefd welk antwoord er uit rolt.

Dat kan inderdaad gebeuren. Maar dat was in de ontwerpfase veel sterker het geval dan tegenwoordig. Je kunt deze schaal ook niet zomaar afnemen. Vragenstellers moeten ook erg goed op de hoogte zijn van de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

SEO breder ingezet

Aan de andere kant heeft onderzoek aan de Universiteit van Gent aangetoond dat de schaal wel degelijk in redelijke mate betrouwbaar en valide is. Inmiddels wordt de schaal ook in meerdere landen gebruikt en begint ook de psychiatrie gebruik te maken van de kennis die met behulp van deze schaal kan worden opgebouwd. Daarnaast zijn – met de komst van twee herziene versies – de items ook veel concreter geworden.

Geen diagnostisch instrument

Critici beweren dat de SEO eigenlijk niets meet. Maar daarmee doen ze de bedoeling van de schaal geen recht. De SEO en zijn opvolgers zijn niet bedoeld als een diagnostisch instrument.

Je kunt niet op basis van deze schaal zeggen dat een persoon sociaal op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden functioneert en dat hij emotioneel op de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden functioneert.

De grote winst van deze schaal is dat de afname van de schaal een dialoog tot stand kan brengen tussen hulpverleners, familie en andere betrokkenen over de aard en de mate van ondersteuning die iemand nodig heeft.  Er hoeft dus zeker geen exact aantal jaren en maanden uit te komen.

Korte commandotijd

“Meneer, neemt u maar van mij aan, ik zal u zeggen hoe het zit, mijn zoon heeft 19 jaar bij mij thuis over de vloer gewoond, ik ken hem van die haver tot die gort, hij heeft gewoon van die periodes. Jullie willen hier veel te veel uitleggen. Maar dat hoort hij niet. Hij zit zogezegd in zijn eigen wereld. Dan moet je gewoon een korte commando strooien. Je zegt Zit! (ze knipt hard met de vingers), je zegt Eet!  je zegt Bad! Dat is gewoon die hele eieren eten. En nu zit hij weer in die korte commandotijd. Daar kun je niks aan doen. Dat heeft hij met die wisselende seizoen hier in die Nederland. In de winter, in de lente, in de zomer en in de herfst. Maar het gaat altijd weer over. Neem dat nu maar van mij aan, ik ben zijn moeder, van die haver tot die gort ken ik hem.

Dan moet je ook niet met hem gaan puzzelen. Dat doet hij niet. Jullie willen altijd maar puzzelen. Jij moet ook niet gaan tekenen. Dat leren jullie op die school. Jullie willen allemaal gaan tekenen. Dat doet hij niet. Neem dat nu maar van mij aan want ik ben zijn moeder. En al mijn kinderen, die willen niet puzzelen, die willen niet tekenen. Dat zit gewoon in ons familie. Wij puzzelen niet en wij tekenen niet. Daar zijn wij niet voor in die wieg gelegen.

Wat jullie kunnen doen is voor die jongen gaan zingen. Wij komen allemaal uit een muzikale familie. Toen ze klein waren ging ik voor al mijn kinderen zingen. Daar werden ze rustig van. Maar je moet niet gaan puzzelen. Nergens goed voor. Niet gaan tekenen. Ook nergens goed voor. Mijn andere kinderen ook. Dat doen ze niet. Maar ze houden wel van die muziek. Daar zijn ze de hele dag zoet mee. Jullie moeten gewoon voor mijn zoon gaan zingen. Dat is goed voor hem. Neemt u dat nou maar van mij aan, want ik ben zijn moeder en ik ken hem van die haver tot die gort. Die jongen heeft 19 jaar bij mij in huis gewoond.

En dan zegt u van die emotie van die jongen. Daar moeten jullie je helemaal niet mee bezig houden. Die emotie gaat gewoon over. Vanzelf. Dat heeft hij in die winter en in die lente en in die zomer en in die herfst. Dat hebben wij allemaal. Maar dat gaat wel weer over. Jullie maken je zorgen, maar dat moet helemaal niet. Het komt allemaal weer goed zo waar als ik hier zit, meneer. Ik weet het toch. Ik ben toch die moeder.

En dan lees ik ook nog over die seksualiteit. Meneer, ik ben zijn moeder en wij gaan daar heel gewoon mee om. Dat heb ik mijn kinderen uitgelegd. Dat zit er allemaal in want mijn zoon is een grote jongen. Hij is een hele kop groter dan zijn moeder. Zijn vader was ook zo groot, maar dat weet hij niet want die kent hij niet. Die man is met de noorderzon vertrokken. Ik weet niet waar die vader zit.

Waar was ik ook alweer gebleven. Oh ja, die behoefte van die jongen. Dat heeft die jongen gewoon. En daar moet je niet moeilijk over doen. Ik zeg tegen hem: als je wat wil doen moet je dat gewoon doen, jongen. Daar word je weer rustig van. Maar niet op de bank. Dat doe je op de WC. Drie keer trekken en het is over. Ja, zo is het toch? Zo gaat dat nu eenmaal. En dan komt hij weer helemaal ontspannen bij mij in de kamer. Ik ken hem toch. Hij heeft 19 jaar bij mij in die huis gewoond. Ik ben zijn moeder. Ik ken hem van die haver tot die gort.

Zo, ik heb genoeg gepraat. Was dit de vergadering? Dan heb ik mijn woordje weer gedaan. Jullie doen zo moeilijk, maar het is heel gewoon zo. Zo is het.

Vorige week heb ik wel op die Merel gemopperd. Ze kreeg zogezegd de storm van voren door de telefoon, maar het was allemaal in mijn hoofd opgestapeld. Dat moest er even uit. Maar die Merel is echt goud waard hoor. Dat is een hele beste begeleiding. Mijn zoon heeft het ook altijd over haar. Dus als ik ga schelden bedoel ik dat niet zo. Het moet er alleen maar even uit. Zo, ik heb gezegd. Jullie weten het weer. Maak je nou maar geen zorgen. Het gaat allemaal weer over. Het is mijn zoon. Ik ken hem van die haver tot die gort. Hij heeft 19 jaar bij mij in huis gewoond. En moeders weten dat gewoon. En ik zeg maar zo: praat niet zoveel tegen die jongen. Hij zit in zijn korte commandotijd. Dat gaat weer over. Vanzelf. Als je je maar geen zorgen maakt. Zo is dat! Ik heb gezegd.”

VRET: angst voor de tandarts

Maandag werd op mijn werk de VRET ‘feestelijk’ in gebruik genomen.

De naam VRET betekent Virtual Reality Therapie. Deze behandelmethode is zeer effectief gebleken bij de behandeling van specifieke angststoornissen. Voorbeelden zijn: de vliegangst, pleinvrees, hoogtevrees en de angst voor spinnen. Maar deze behandeling was nog niet onderzocht bij mensen met angst voor de tandarts.

Tandarts Kumar Raghav Gujjar doet in Maleisië onderzoek naar de behandeling met de VRET van patiënten die erg bang zijn voor de tandarts en hij presenteerde maandag de eerste onderzoeksresultaten. Hopelijk heeft deze tandarts geen vliegangst, want het is een eind vliegen. Hij noemt zijn behandeling het het Dentist Anxiety Treatment System. 

Hoe het werkt? Je krijgt een 3D bril op en op het scherm zie je een behandelkamer (de foto is van een andere behandeling, University of Manchester). Vervolgens worden de stappen doorgelopen die je ook bij de tandarts zou moeten maken.

Zoals: de tandarts verschijnt met zijn grote hoofd en grote handen boven de stoel, hij pakt een spiegeltje, gaat je mond controleren, pakt een spuit om te verdoven, pakt de boor en gaat boren. Het boren kan in twee stappen worden geoefend: zonder geluid en mét geluid.

Het voordeel voor de patiënt is dat hij de behandeling kan stoppen zodra het te spannend wordt. Bovendien zit er een paniekknop op: als het allemaal te spannend wordt kun je meteen (laten) stoppen met de behandeling. Ter controle wordt ook de hartslag gemeten, zodat de observator nog eens extra kan kijken of het allemaal goed gaat. Bij mij ging de hartslag omlaag zodra de tandarts begon te boren. Misschien is geboord worden voor mij wel een rustgevende activiteit (…).

Inmiddels heeft tandarts Kumar een 50-tal patiënten op deze manier behandeld en de resultaten zijn hoopgevend. Bij tien patiënten is uitgebreid geprotocolleerd onderzoek gedaan. Alle angstige patiënten bleken na behandeling met VRET goed behandelbaar te zijn.

De meeste patiënten hadden aan één behandelsessie genoeg, een patiënt werd drie keer met VRET behandeld voordat ze goed behandelbaar was. Alle patiënten gaven ook zelf aan dat ze veel minder angstig waren voor het bezoek aan de tandarts. De stappen die bij de VRET genomen waren bleken nu zonder problemen toepasbaar tijdens de behandeling door de tandarts, inclusief het verdoven en het boren.

 

 

Een volwassen peuter? (2)

Gisteren heb ik Dennis ontmoet. Hij is veertig jaar oud. Tijdens die ontmoeting kreeg ik van zijn moeder een beeldvormingsverslag. Het verslag is geschreven door een behandelaar in de GGZ. Zij geeft het volgende beeld:

Het performale IQ van Dennis ligt op de leeftijd van acht jaar. Performaal heeft o.a. te maken met de manier waarop je je kennis weet toe te passen. Sommige mensen hebben een goed geheugen, maar weten niet hoe ze hun kennis in de praktijk toe kunnen passen. Dat ‘scoor’ je lager op het performale IQ. Het meet hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je praktisch een probleem op bijvoorbeeld. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Dit performale IQ meet ook hoe je kunt plannen en organiseren.

Het verbale IQ van Dennis is qua leeftijd vergelijkbaar met een kind van zes jaar. Daarbij valt ook op dat wat hij begrijpt lager ligt dan wat hij zegt. Hij gebruikt waarschijnlijk soms moeilijke woorden, waarvan hij de betekenis niet kent. Dennis kan een beetje lezen en een beetje schrijven. Maar hij wist bijvoorbeeld niet wat 10.30 uur op de uitnodiging betekende.

De zelfredzaamheid van Dennis ligt op het niveau van zeven jaar. Hij woont zelfstandig, maar dat is allemaal best ingewikkeld voor hem. Hij kan stofzuigen in huis en een pannenkoek bakken. Hij trekt eens in de week schone kleren aan. Maar een heel huishouden runnen is te hoog gegrepen.

De emotionele ontwikkeling van Dennis is vergelijkbaar met een peuter van drie jaar. Hij reageert sterk impulsief. Zijn denken is zwart-wit. Hij is nauwelijks in staat om zich in te leven in anderen. Dennis kan zijn emoties nauwelijks benoemen: hij weet wat boos is en wat blij is, maar de emotie angst is al veel ingewikkelder.

Kunnen en aankunnen

Een cursus die ik regelmatig geef is ‘kunnen en aankunnen’. Wat betekent zo’n profiel nu voor het dagelijks leven? Globaal kun je zeggen dat Dennis zoveel kán als een kind halverwege de basisschool. Maar wat hij áán kan is lastiger. Hij heeft de kwetsbaarheid van een peuter.

Om een voorbeeld te noemen: als een kind van 8 jaar iets niet voor elkaar krijgt zal hij proberen om op een andere manier alsnog iets te regelen. Hij gaat hulp vragen of hij zoekt een andere manier om het doel te bereiken. Bij Dennis gebeurt dat niet. Hij stopt ermee en laat de boel liggen. Als er een paar van die dingen achter elkaar gebeuren stapt hij in bed en komt er voorlopig niet meer uit. Een naar verhouding kleine frustratie heeft voor hem grote gevolgen.

Is Dennis daarmee een peuter van drie jaar? Nee: hij is een man van middelbare leeftijd met veertig jaar levenservaring. Maar bij stress valt hij terug op ‘coping-mechanismen’ (omgang met stress) die passen bij de peuter: heel boos worden, er mee stoppen, niets meer willen. Hij heeft niet genoeg emotionele kracht om zelf actiever naar oplossingen te zoeken.

Vader en zoon

Onlangs kwamen vader en zoon el Hassan op het spreekuur. Het is de eerste keer dat ze een afspraak hebben. De zoon is 20 jaar en heeft een lichte verstandelijke beperking. Hij heeft een slechte mondzorg, en vindt het ook niet nodig om te poetsen. Bovendien drink hij zo’n 10 blikjes energydrank per dag: dat is één van de beste manieren om je gebit in een paar jaar tijds helemaal te verwoesten. Waarschijnlijk moeten er dan ook allerlei tanden en kiezen worden getrokken.

De zoon wil eigenlijk niet praten. Hij houdt zijn jas aan en zijn pet (achterstevoren) op. Dat de zoon niet praat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vader. Dat zijn zoon dwars ligt bij de behandeling is geen wonder. Dat ligt niet aan zijn zoon, maar aan het feit dat ze lang moesten wachten in de wachtkamer. Dat is een kwestie van organisatie.

De tandarts legt uit dat er een spoedgeval tussendoor kwam. Maar daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Ook dat is een kwestie van organisatie. Dan had een andere tandarts dat spoedgeval maar moeten doen.

De tandarts probeert meneer el Hassan uit te leggen dat soms dingen anders lopen dan zij zelf zou willen. Maar ook daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Hij heeft speciaal vrij genomen voor de afspraak met zijn zoon en nu moet hij nog meer vrij nemen omdat de tandarts te laat is. Daarbij richt hij zich vooral tot mij, alsof er met mannen beter te praten valt dan met vrouwen.

Te verwachten is dat de zoon van meneer el Hassan niet goed behandelbaar zal zijn als er zoveel stress vooraf is. Eerst moet er rust komen. Maar daar is meneer el Hassan het niet mee eens. Hij heeft het volste recht om boos te worden. Hij laat zich de mond niet snoeren door een tandarts. Hij is namelijk voor niemand bang.

Ontwikkelingsprofiel

Zou je het ontwikkelingsprofiel van dr. R.E. Abraham naast het gedrag van de heer el Hassan leggen, dan zou je daar een aanzienlijk aantal gedragingen in kunnen zien die passen bij het egocentrische wereldbeeld van de peuter. Hij ziet zichzelf als superieur aan de ander en de ander is er om zijn doelen te verwezenlijken (‘leverancier’). Hij heeft een overwaardig beeld van zichzelf: hij weet het beter hoe gebitten in elkaar zitten dan de tandarts. Het oplossend vermogen bestaat vooral uit het ageren tegen de ander en het benadrukken van de eigen kennis.

De wereld draait om hem en de wereld moet zich aan zijn wensen en behoeften aanpassen. Dat andere mensen met andere omstandigheden te maken hebben, daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Dat beeld past o.a. bij mensen die veel narcistische kenmerken hebben.

Kwetsbaarheid kleurt conflict

Zie ik in het gesprek nu een peuter voor me? Natuurlijk niet. Meneer el Hassan is een man die veel heeft bereikt en zich heus niet overal op deze manier zal gedragen. Wat ik daarnaast zie is dat diezelfde meneer kennelijk soms erg kwetsbaar is. Onder invloed van spanningen (bijvoorbeeld als de dag niet zo verloopt als hij gepland heeft) valt hij terug op een veel vroeger niveau van sociaal-emotioneel functioneren. Maar daarmee is meneer el Hassan natuurlijk geen peuter geworden.

Hoe iemand in emotioneel opzicht functioneert is een stukje van de totale persoon, waarbij ook veel andere aspecten (levensverhaal, ervaring, verstandelijke ontwikkeling enzovoorts) een rol spelen. Wie alleen maar in termen van leeftijden denkt doet de werkelijkheid van de persoon geweld aan.

Wat je wel ziet is dat de emotionele basiskleur meer een rol gaat spelen op het moment dat er sprake is van spanning. Wat meneer el Hassan doet is eigenlijk de controle over de situatie terug te halen door zichzelf ‘paradoxaal genoeg’ emotioneel kleiner te maken. Juist door zo hoog van de toren te blazen komt het kleine kind meer tevoorschijn.