Wat is een goede supervisor?

Wat of wie is een goede supervisor? Er zijn mensen die denken dat een goede supervisor vooral veel weet. Hij of zij heeft overal een antwoord op. 
  1. De supervisor is een soort wandelende encyclopedie. Dat is geruststellend. Je spaart de vragen op waar je tegenaan loopt. En je weet: volgende week woensdag komt het antwoord. Tegen mijn collega’s kan ik ondertussen zeggen dat ik nog even over het antwoord na moet denken.

2. Anderen vinden dat een supervisor allerlei rollen moet kunnen spelen. Hij of zij is onwetend, doet net of hij geen idee heeft en laat jou ondertussen oefenen. of hij speelt de vervelende collega waar jij graag tegen bestand wilt zijn.

3. Weer een ander meent dat een goede supervisor iemand is die een veilige leeromgeving creëert waarin degene die opgeleid wordt fouten durft te maken.

4. En een student gaf als antwoord: een goede supervisor iemand is die snel terug mailt zodat je weer verder kunt met je werk.

Als je het zo bekijkt is een goede supervisor een schaap met vijf poten. Die persoon bestaat dus niet. 

Psychiater Joeri Tijdink schreef een boeiende column over supervisie. Hij schrijft dat het eigenlijk best handig is als een supervisors van elkaar verschillen en dus ook verschillende dingen goed of fout doen. Daar leren degenen die supervisie het meeste van. Ik zou zeggen: elke vorm heeft zijn voor-en nadelen, wat bij de één past past niet bij de ander en wat in de ene werksituatie meer geschikt is, is in de andere situatie minder geschikt

Daarnaast zijn persoonlijke (niet veranderbare) zaken ook van invloed. Ik noem alleen al de leeftijd van de supervisor. Soms doet grijs haar wonderen. Daarom snap ik niet zo waarom mensen hun grijze haar willen verstoppen. Met grijs haar kun je veel onzin verkopen terwijl men toch aan wijsheid denkt.

Joeri Tijdink heeft een prachtig overzicht gegeven van mogelijke supervisors. Kijk maar eens welke vorm je herkent in een bepaald persoon. En natuurlijk: gepaste overdrijving past ook wel eens bij het supervisie-vak. Ik neem het verhaal van Joeri letterlijk over, ik kan het echt niet verbeteren.

  1. Verstrooide Shrink. Deze supervisor maakt van orde chaos, en van chaos nog meer chaos. Niet zelden zitten zijn kleren binnenstebuiten, zitten er gaten in schmutzige kleren, en bivakkeren er nog etensresten in zijn/haar baard of haren waarvan het niet duidelijk is of het voedsel van deze of vorige week is. Regelmatig komt de supervisor verdwaasd 15 minuten te laat een gesprek binnenlopen met een verwilderde blik. Hij vergeet je naam best wel eens, maar dat is niet uit verkeerde intenties. Verslaglegging? Daar heeft hij nog nooit van gehoord. Structurele diagnostiek? Onmogelijk. Gek genoeg lopen patiënten weg met deze verstrooide shrink. Hoe de verstrooide shrink contact maakt is eigenaardig. Hij zegt niet veel, maar als hij iets zegt komt er iets verrassend. Daar kun je veel van leren.
  2. De controlfreak. Dit is een supervisor die bij iedereen bevreesd is. Niet zozeer vanwege de strengheid, maar wel vanwege de controlebehoefte. Hij controleert je verslaglegging en alle huisartsbrieven worden voorzien van uitgebreide commentaren in rode letters. Erg secuur, erg anaal zoals Freud dat zou zeggen. Weinig ruimte voor spel in de spreekkamers, gesprekken moeten volgens een structuur lopen en als er iets niet gaat zoals het zou moeten gaan, is er paniek. Meestal neemt hij al snel het hele gesprek over. Dat is niets persoonlijks hoor. Gewoon een minder momentje van de controlfreak. Want vergeet niet, supervisoren zijn ook maar mensen. Tijdens zo’n paniekmomentje is het verstandig om rustig te blijven totdat de paniek wat meer is gaan liggen. 
  3. De stresskip. Ook van de stresskip kun je veel leren. Het water staat hem aan de lippen. Er worden dingen niet afgemaakt, en omdat het niet af is, veroorzaakt het stress, veel stress. Er is angst om het niet goed te doen, onzekerheid over uiterlijk en innerlijk, en de stresskip deelt die belevingswereld uitvoerig met zijn AIOS als ware er geen hiërarchische relatie was. Roddelt net iets te veel over de collega-psychiaters tegen de AIOS, vaak om minderwaardigheidsgevoelens af te weren maar ook omdat het een kwebbelkous is. Mentaliserend vermogen schiet bij enige stress tekort. AIOS voelen zich thuis omdat er direct verbinding is, en het saamhorigheidsgevoel wordt gecultiveerd.
  4. De kritische betweter. Dit is de supervisor die het meest bevreesd, maar daarmee ook weer als een leermeester wordt gezien. Hij weet veel, toont die kennis te pas en te onpas en je voelt zijn kritische ogen in je rug als je in de nacht een beoordeling doet en je weet dat hij de achterwacht is. Zijn afkeurende blik of commentaar doet dan extra pijn omdat het lijkt alsof hij teleurgesteld is. Stelt dan vragen waar hij zelf het antwoord op weet, ter lering natuurlijk, maar het blijft een beetje gek. Opvallend mild en steunend als je kwetsbaarheid toont, iets wat maar weinig AIOS bij hem durven te tonen.
Joeri Tijdink: "Wat moeten jullie nu met deze archetypes? Ik denk eigenlijk niet zoveel, totdat je ze tegenkomt, herkent en je een lichte glimlach niet kan onderdrukken. Je beseft, ze bestaan dus toch. En dan hoop ik dat je met een vrolijk gemoed de tekortkomingen van je supervisor zal verdragen, want er valt altijd wel iets te leren".

Haasje en Maartje

Laat ik de dames deze keer maar eens bij de naam noemen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze anders te noemen. 

In 1976 kwamen er op mijn werk twee groepen cliënten te wonen die afkomstig waren uit een grote psychiatrische instelling. Het waren allemaal dames op leeftijd. Enkelen van hen hadden het bombardement op Rotterdam nog meegemaakt.

In de psychiatrie woonden ze op een afdeling van 4o mensen en ze sliepen in een slaapzaal voor veertig personen. Nu kwamen ze in een klein paviljoen te wonen, met groepen van 12 en slaapkamers voor drie of vier personen.

De dossiers van de dames waren minimaal. Regelmatig stond er een aantekening van de psychiater in: propf-schizofrenie. Daar had ik eerder nog nooit van gehoord. Het betekent zoiets als schizofrenie in combinatie met een verstandelijke beperking.

Twee dames vormden een onafscheidelijke eenheid: Haasje en Maartje. Ze kwamen beiden uit Scheveningen. Als Haasje boos was ging ze vloeken en tieren dat ze geen garnalen wilde pellen. Maar in welke omstandigheden was ze eigenlijk opgegroeid? We hadden geen idee. Er waren geen familiegegevens bekend.

Haasje en Maartje vormden een onafscheidelijke eenheid. Dat was echter niet in de zin van een leuke vriendschap. Ze leefden in een toestand van permanente oorlog. Zodra de één de ander zag was het schelden. Het maakte niet uit wie er begon: de één of de ander. Er moesten altijd ruzieachtige opmerkingen geplaatst worden. Meestal eindigde het er mee dat Haasje weigerde om nog garnalen te pellen.

De dames zaten samen op een koor en stonden dan uit voorzorg zo ver mogelijk uit elkaar. Ze traden ook op in het engelenkoor tijdens het kerstfeest. Daarbij ontstond er een ruzie tussen de beide engelen waarbij de kribbe met Jezus omver werd gegooid. Gelukkig was Jezus deze keer in de gestalde van een pop in de kribbe gelegd.

In een advertentie in Trouw zag ik dat er een man met dezelfde achternaam als Haasje was overleden. Er werd contact gezocht met het correspondentieadres en ziedaar: Haasje bleek een nicht te zijn. De familie had geen idee waar ze was gebleven. Dat werd het begin van een nieuwe periode voor Haasje. De familie kwam op bezoek en nam haar ook dagjes mee uit naar Scheveningen. Opeens had ze weer voorgeschiedenis.

Het was spannend om een goede benadering voor de beide dames te vinden. Ze hadden geleerd om te overleven. Elke inmenging van buitenaf werd als bedreigend ervaren. Maar geleidelijk lukte het om een betere pasvorm te vinden.

De dames werden oud en Haasje werd ziek. Ze overleed en zou op Scheveningen worden begraven. Die zaterdag reden we vanuit het paviljoen mee naar Scheveningen. De begrafenisauto reed een chique begraafplaats op: Oud Eik en Duinen. Ik dacht: dat kan toch niet… Na een kwartier van overleg bleek dat we ergens anders moesten zijn. Voor de laatste keer had Haasje iedereen op het verkeerde been gezet.

En Maartje? Ze werd stiller. De dames konden niet met en niet zonder elkaar. De dagelijkse ruzies hadden ook een functie gehad. Niet veel later is ook Maartje overleden. 

Zonsondergang in Harlingen

Ik heb weer een paar dagen in Friesland gewerkt. Daar is net een nieuwe locatie open gegaan waar nu 26 cliënten wonen.
De nieuwe woningen liggen naast het station van Harlingen

Het is soms nog behoorlijk passen en meten voor de medewerkers om dagprogramma’s op elkaar aan te laten sluiten en spullen terug te kunnen vinden.

Na een lange bespreking heb ik verder iedereen maar eens ontmoet in de nieuwe omgeving en de afwas gedaan. De cliënt die had gevraagd of hij met mij mocht afwassen afwassen was opeens vertrokken: het water was te heet…

Na zonsondergang aan de haven van Harlingen

Er zijn twee appartementcomplexen: de één voor mensen met een lichte verstandelijke beperking (vooral jongeren), de andere voor mensen die meer intensieve zorg nodig hebben, o.a. als gevolg van dementie. De mensen met een lichte verstandelijke beperking zijn blij met en trots op hun nieuwe eigen huisje. Voor de andere groep is het soms nog erg wennen: van een eengezinswoning van vier naar een vorm van appartementswonen.

Rond 21 uur ben ik nog even via de Waddenzee gefietst. Je hoort overal over grote droogte, maar de zee lag er nog....

In slaap gevallen

Nu we het toch over de slaap hadden een 'annekedote' uit de oude doos.

De medewerker had een afspraak met een manager. Ze klopte aan zijn dichte deur. Geen gehoor. Ze klopte nog een keer. Geen gehoor. Wat doe je dan? Ze dacht: “Ik heb toch een afspraak, ik kijk even.”

En daar lag de manager, voorover over zijn bureau. Dat zag er niet best uit. Ze riep hem. Ze riep nóg een keer. Geen reactie. Toen liep ze naar de medische dienst. Mogelijk was er iemand onwel geworden en moest 112 gebeld worden.

Er was een dokter aanwezig en die liep meteen mee. De dokter wist de manager – door hem op zijn schouder te tikken – tot leven te wekken. Hij bleek gewoon even in een diepe slaap verzeild te zijn geraakt.

Het spreekt vanzelf dat deze manager nog wel een aantal keer geplaagd is met dit voorval. Regelmatig werd hem ’s middags gevraagd of hij lekker geslapen had.

Inmiddels is de betrokken manager met pensioen en kan hij elke middag een middagdutje doen...

Afgunst en zorg

“Je hebt een mooi beroep”. Dat is vaak wat tegen begeleiders in de zorg wordt gezegd. Maar hoe kijken cliënten aan tegen het beroep van de begeleider?

In de bundeling van zijn columns over het verblijf in een verzorgingshuis (Geen patiënten) beschrijft Jan Hein Donner hoe zijn afhankelijkheid van begeleiders leidt tot allerlei negatieve gevoelens. Je zou het een soort van Calimero-effect kunnen noemen: Zij zijn groot en ik ben klein. Als zij koffiepauze nemen moet ik wachten.

Mensen met een beperking hebben ook hun idealen. Vooral als ze het besef hebben dat ze ‘anders’ zijn kan dat schrijnend zijn. Ze willen normaal zijn, ze willen later een huis, een baan en twee kinderen. Tegelijkertijd ervaren ze dat ze die idealen nauwelijks kunnen bereiken. Het lukt meestal niet om de school af te maken, er moet eindeloos gesolliciteerd worden, de wachtlijst voor een sociale woning is ontzettend lang, relaties lopen steeds weer stuk.

En dan die begeleidster. Ze komt ’s morgens vrolijk fluitend op haar werk (een baan dus) en ze gaat aan het eind van de dienst weer naar huis, naar haar man en naar haar kinderen. Ze is geslaagd in het leven. Als cliënten zich dat bewust zijn kan het leiden tot allerlei vormen van afgunst. 

De meeste vrouwelijke cliënten met een lichte verstandelijke beperking hebben een uitgesproken kinderwens. Toen begeleidster Mirjam zwanger was bleek het contact met één van haar cliënten – Vanessa – veel moeizamer te verlopen. Momenten van betrokkenheid (‘hoe gaat het met je kindje?’) wisselden af met teruggetrokkenheid, maar ook met felle uitbarstingen. “Ik hoop dat je kind dood geboren wordt, dat is dan je eigen schuld!” Zoiets komt ontzettend heftig binnen. Mirjam ervoer deze uitspraak als een vloek over haar kind. Ze ging zelfs denken dat het werkelijk mis zou gaan met de baby.

We hebben over deze situatie gesproken. Mirjam kon wel (aan) voelen dat Vanessa het moeilijk had met deze zwangerschap. Gaandeweg was ze Mirjam gaan vertrouwen. Soms was er misschien zelfs een teveel aan vriendschap ontstaan. Twee vriendinnen die van alles aan elkaar vertelden. Nu kwam de ongelijkheid van de relatie nadrukkelijker naar voren. Mirjam die in de ogen van de cliënt alles had wat ze maar wilde: huisje, boompje, beestje en nu zelfs een kind. En de cliënt die steeds meer was gaan ervaren dat ze steeds weer haar doelen te hoog stelde.

Maar daarmee ben je er nog niet. Mirjam had begrip voor de uitspraken van Vanessa. Ze wilde haar er niet op aanspreken, want ze miste immers al zoveel… Dan moest zij maar de sterkere zijn.

Is dat terecht? Moet je als begeleider alles maar ‘over je kant laten gaan?’ Mijn ervaring is dat het steeds maar weer moeten incasseren van pijnlijke opmerkingen op den duur steeds schadelijker wordt, steeds meer belastend. Je denkt een tijd dat je er tegen kunt, maar er kan een moment komen dat er iets ‘knapt’. Schelden doet namelijk wél zeer. En in een relatie doet het extra zeer, zeker als het schelden een persoonlijke kleur heeft en gericht is op één van jouw kwetsbare plekken.

In het kader van het mentaliseren hebben we er over gesproken wat de persoonlijke aanvallen van Vanessa voor Mirjam betekenden. We hebben de opmerkingen zoveel mogelijk uit de zorgrelatie  gehaald (wat zou je doen als je niet verantwoordelijk was voor Vanessa?). We hebben daarnaast besproken wat het voor de cliënt zou betekenen als ze op een ‘gelijkwaardige’ manier werd aangesproken op haar gedrag. Het moest geen preek worden, maar een gesprek waarbij de cliënt zelf zou inzien wat haar gedrag betekende.

Vanessa werd in het gesprek erkend in haar gemis. Met die opening kon ze ook toegeven dat ze ‘best wel jaloers’ was. Daarbij kwamen de tranen al snel tevoorschijn. Vervolgens gaf ze aan dat ze ook wel blij was met het kindje dat ging komen.

Maar er kwam ook een nieuw dilemma naar voren: ze ging Mirjam drie maanden missen. En dat wilde ze helemaal niet. Toen de kaarten eenmaal op tafel waren geweest waren zowel Mirjam als Vanessa opgelucht. De baby verdween als belast thema van het strijdtoneel.

Praatjes vullen geen gaatjes

Vandaag gaat Maurice naar de tandarts. Dat is altijd spannend Ruim op tijd zit hij in de wachtkamer. 

Eerst wordt er nog een andere patiënt binnen geroepen. Daar heeft Maurice geen problemen mee. Dan is hij tenminste nog niet aan de beurt. Even later hoort hij binnen een vervelend geluid. Dat zal de boor zijn. Als hem dat maar niet overkomt! Boren doe je maar op een booreiland.

Maurice is aan de beurt. Hij kent tandarts Jan al van vorige controles. Hij mag de tandarts wel. Rustig, vriendelijk, legt van alles uit. Maar hij ziet ook altijd wel iets wat niet in orde is. Eigenlijk ziet hij misschien wel teveel. Als je nergens last van hebt, waarom moet er dan toch geboord worden. Gewoon zo laten zitten. Maar dat durft hij niet tegen de tandarts te zeggen.

Maurice heeft zijn eigen manier om de behandeling uit te stellen. Hij gaat niet in de stoel zitten, maar hij gaat in gesprek met de tandarts. Eerst een excuus. Hij is vergeten flos te halen, dus hij heeft gisteravond niet kunnen flossen. Daar kon hij niks aan doen, want het was druk op zijn werk en toen was hij te laat om nog naar de winkel te gaan. Het weer is natuurlijk ook een belangrijk thema. Gelukkig heeft de tandarts airco. Hier zou Maurice ook wel willen werken, altijd koel. Dat kun je op het werk niet zeggen. Bijna niet uit te houden. Er wordt een hittegolf verwacht, of de tandarts dat al heeft gehoord. En Olivia Newton John is overleden. Dat was wel schrikken. Ze was maar één jaar ouder dan zijn moeder. “Ik heb het gehoord” zegt tandarts, “ze kon best mooi zingen. Kom je in de stoel zitten, Maurice?”

Nu is er geen ontkomen meer aan. Het uur van de waarheid. Maar eerst nog even dit. Hij is een beetje moe, want hij is vanmorgen om half vijf opgestaan. “Dat is vroeger dan ik” zegt tandarts Jan, “doe je mond maar open, Maurice”. Als alle tanden en kiezen gecontroleerd zijn zegt de tandarts: “Ik wil graag even een foto maken.” “Eerst mijn kammetje pakken” zegt Maurice, “grapje hoor, moet toch even kunnen?” De foto wordt gemaakt. “Dat was niet erg comfortabel” zegt Maurice, “daar hou ik niet zo van. AZ heeft anders niet best gespeeld, de laatste tijd. Gelukkig maar, want ik ben niet zo van die club”.

De tandarts bekijkt de foto en Maurice vergeet even het gesprek gaande te houden. “Boven ziet het er goed uit, Maurice, maar onderin zit toch een gaatje. Daar moeten we wel iets aan gaan doen. “Wat heeft poetsen dan voor zin?” vraagt Maurice, “elke keer weer een gaatje, terwijl ik elke dag poets. Dat helpt ook al niet”.

Het is zo gebeurd. Even later verlaat Maurice alsnog tevreden de behandelkamer. Maar eerst volgt er nog een mededeling. “Als kind lustte ik geen rijst, maar nu wel. Dat is maar goed ook, want anders kon ik niet naar de Chinees met mijn collega’s.”

Zo krijg je als tandarts heel wat nieuws te horen tijdens een consult. Maar Maurice moet er toch echt even voor gaan zitten. Praatjes vullen geen gaatjes.

Spruitjes bij de tandarts

Glenn zit bij de tandarts in de stoel. Er is afgesproken dat hij zijn hand op mag steken als de tandarts even moet stoppen met de behandeling.

Glenn steekt zijn hand op. De tandarts stopt. Glenn zegt: “Er zijn nog geen spruiten, want het is nog zomer. Spruiten komen pas in de herfst.”

Einde dienstmededeling. Glenn gaat er weer voor liggen en de tandarts gaat verder met het polijsten van de tanden en kiezen van Glenn. 

Abeje doet haar mond niet open

Abeje is een 12 jarig meisje met complex gedrag. Ze heeft regelmatig een afspraak bij de mondhygiënist. Maar bij meer dan de helft van de afspraken  komen moeder en dochter niet. Ze melden zich ook niet af voor de afspraak. Wat is er aan de hand?

Je bent als behandelaar geneigd om in het oordeel te gaan zitten. Moeder verleent immers geen goede zorg. Je zit voor haar klaar en ze komt niet. Ze belt ook niet af.

Maar het verhaal gaat nog verder. Als ze wél komt stelt ze meteen hoge eisen. Daarmee gaat ze op je ‘allergie’ zitten. ‘Eerst wegblijven en dan moeten we opeens alles uit de kast trekken om u ten dienste te staan…’ Ze wil niet eens dat de mondhygiëniste een behandeling inzet, ze wil dat er nú een afspraak wordt gemaakt voor de narcose van haar dochter.

Wat kun je als behandelaar doen?

Stap 1: Eerst kijken hoe je je eigen hartslag naar beneden kunt krijgen. Dat lukt niet op commando. Maar het helpt al als je erkent dat je geïrriteerd raakt en dat is ook niet eens onterecht. Erken dus dat je dat gevoel hebt. Het altijd maar vriendelijk moeten zijn leidt op den duur tot een burn-out omdat je je eigen gevoelens ontkent.

Stap 2: Bedenk dat het waarschijnlijk om een overbelaste moeder gaat. Ouders zijn 24 uur per etmaal bezig met hun kind. In dit geval gaat het om een alleenstaande (!) moeder met twee kinderen met forse problemen. Moeder is acht jaar geleden naar Nederland gekomen. Bekend is dat ze soms haar dochter niet eens mee krijgt omdat ze haar niet aangekleed krijgt. Moeder is dus overbelast. Ook deze moeder wil het beste voor haar kinderen, maar ze krijgt het niet georganiseerd. Bedenk dat moeder minder boos is dan haar stem doet denken en misschien vooral bang is dat het niet goed gaat.

Stap 3: gebruik het model van de Driehoek (Chiel Egberts). Het gaat om de patiënt, de behandelaar en de familie. Hoe komen deze drie partijen tot hun recht? De moeder moet gehoord worden, de patiënt moet goede zorg krijgen, maar jij bent ook nog één derde van de driehoek. Dat wil zeggen dat de klant niet koning is ten koste van de behandelaar.

Stap 4: gebruik een ‘ik’- boodschap: ‘ik hoor (zie) dat u zich zorgen maakt’ (mentaliseren). Daarmee sla je een bruggetje.

Stap 5: Wie is waarvoor verantwoordelijk? Wie is de hoofdbehandelaar in dit verhaal? De mondhygiënist is niet degene die de patiënt aanmeldt voor narcose. Zeg dat je begrip hebt voor de zorg van moeder, maar dat je ook moet overleggen en tijd nodig hebt om tot een goede beslissing te komen.

Stap 6: Moeder komt vaak niet opdagen. Bij goede zorgverlening hoort dat je niet zomaar wegblijft. Laat moeder zelf bedenken wat ze kan doen. OK, het lukt soms niet om uw zoon mee te krijgen, wij willen wel graag weten dat u niet komt (dan kunnen we nog iemand anders laten komen, bijvoorbeeld). Hoe lossen we dat op? Wat kunnen wij doen, wat kunt u doen?

Geslaagde controle

Inmiddels is er een afspraak voor een behandeling onder narcose gemaakt. En – wonder boven wonder – de volgende controle inclusief het schoonmaken van tanden en kiezen verliepen (met instemming van moeder) uitstekend. De mondhygiëniste heeft naar aanleiding van een multidisciplinair overleg het tellen geïntroduceerd (één-twee-drie) en daar deed Abeje het goed op.

De verwachting komt niet uit

Om het gebit van Abeje goed bij te kunnen houden wordt er na een maand weer een afspraak gepland, want de wachttijd voor behandeling onder narcose is lang. Je zou verwachten dat de volgende controle ook goed verloopt, maar ze doet deze keer met geen mogelijkheid haar mond open. Wat is er aan de hand?

Mogelijk horen die wisselende reacties van Abeje bij haar ‘zijn’ of bij haar emotionele niveau van functioneren (als je met iets houvast wilt formuleren). Bij R.E. Abraham heet dat de fase van de structuurloosheid. Je kunt ook denken aan ‘gedesorganiseerde gehechtheid’. Dan is onvoorspelbaar hoe de patiënt gaat reageren omdat zijn thermostaat stuk is. Een klein steentje in de schoen leidt dan al tot een groot gedragsprobleem.

Een advies is om haar ‘te ontvangen’, gewoon te kijken wie ze vandaag is. De patronen zijn niet hét voorspelbare middel dat maakt dat het vandaag goed zal gaan, het is een hulpmiddel.

Een tweede – ingewikkelder punt – is dat je als het een keer goed is gegaan je waarschijnlijk eerder de verwachting zult hebben dat het de volgende keer ook weer goed zal gaan.

Bij erg emotioneel gevoelige patiënten kan die verwachting ook leiden tot een blokkade. “Verwachtingen doden relaties’ schrijft Ann Voskamp.

Dat betekent niet dat de mondhygiënist haar werk niet goed heeft gedaan. Verwachtingen kweken, perspectief ontwikkelen, het hoort bij ons mens-zijn. Toch gaat het bij de zorg voor kwetsbare mensen vooral om het ontvangen. Onbevangen kijken hoe deze ontmoeting gaat verlopen...

Kwetsbaar wonen in de samenleving (3)

Het klinkt zo mooi: integreren in de samenleving. Maar je kunt Noorwegen niet zomaar vergelijken met Nederland. In Noorwegen hebben mensen met een verstandelijke beperking veel ruimte om zich heen. In Nederland moet je voortdurend rekening houden met de buren. Daarom werd Gitta opgesloten...

Dat is ook een realiteit in Nederland. We wonen erg dicht op elkaar. Dat maakt ook dat overlast gemakkelijk wordt uitvergroot. Als we integratie perse willen, dan moeten we ook vinden dat de buren het schreeuwen van Gitta maar moeten accepteren. Willen we dat eisen als samenleving? En hoe terecht is het als wij over die buren gaan oordelen dat ze maar wat meer tolerant moeten zijn of anders oordoppen aan moeten schaffen?

Buitenland

Regelmatig kom ik in Duitsland. Dat land doet het qua integratie beter dan Nederland. Maar de gemiddelde Nederlander besteedt weer meer tijd aan vrijwilligerswerk.

Ook heb ik voorzieningen voor gehandicapten gezien in de USA. De voorzieningen die ik in beide landen met eigen ogen heb gezien zijn kleinschalig. Hoe zagen ze er uit? Een woonblokje, wat buiten de woonplaats, met veel ruimte er om heen. Het zag er beslist aardig uit.

Maar kwamen de ‘cliënten’ vaak in de samenleving? In de voorzieningen die ik heb gezien was dat niet het geval. Zo was er geen openbaar vervoer en was de weg te gevaarlijk om langs te lopen of langs te fietsen. Je kon alleen maar naar het dorp onder begeleiding.

En dan een zoon van kennissen in de USA. Hij moet verplicht naar school, een gewone basisschool. Maar de schoolbus is geen optie, hij kan niet tegen de drukte van de andere kinderen. De schoolklas is ook al niet gelukt. Zelfs het ’s morgens groeten van de vlag kan niet. Hij heeft zijn eigen lokaal en ziet verder nauwelijks andere kinderen.

Condities in de samenleving

Integratie mislukt vooral als er niet is voldaan aan condities binnen de samenleving. We maken onze eigen samenleving steeds complexer en steeds minder geschikt voor mensen die minder snel zijn. Wie met het OV gaat moet zo ongeveer een herscholing krijgen op het gebied van in-en uitchecken. Wie besluit om met de fiets te gaan wordt van de weg geduwd of gereden als hij niet genoeg rechts houdt of te langzaam is om nog bij groen de hele weg over te steken. En wie iets aan wil vragen kan dat alleen nog maar digitaal doen.

Dát is de realiteit in de samenleving. Ouderen en licht verstandelijk gehandicapten vallen niet buiten de boot omdat ze in principe niet mee zouden kunnen doen, maar omdat wij met zijn allen de samenleving steeds meer complex maken. Dat betekent ook dat het criterium van het ‘verminderde niveau van sociale aanpassing’ (AAMDR-definitie) leidt tot steeds meer mensen met een verstandelijke beperking. Veruit de sterkste groei in hulpvraag ligt bij de mensen met een lichte verstandelijke beperking.

Ouderen apart, gehandicapten geïntegreerd?

En dan nog: ouderen die hun hele leven in de samenleving hebben gewoond komen soms opeens ver weg van die vertrouwde omgeving te wonen, met mooi uitzicht op de duinen. maar veel ouderen willen mensen zien. Mensen met een verstandelijke beperking die gedwongen het instellingsterrein moeten verlaten laatje op die manier ontwortelen.

Pessimist

Onze samenleving is nog niet toegerust om mensen met een beperking zondermeer op te nemen. Maar ik ben pessimistisch: we zijn steeds minder toegerust. Dat komt omdat wij met zijn allen steeds meer barrières opwerpen die het leven in de samenleving complexer maken.

Willen we voorkomen dat steeds meer mensen afhaken, dan moeten we niet de discussie voeren over wél of niet integreren, maar over hoe we een goede pasvorm kunnen ontwikkelen zodat mensen met een beperking welkom zijn op een manier die past bij hun zorgvraag.

En als dat betekent dat het voor veel mensen beter is dat de loketten gewoon weer in de wijk zijn, dat niet alles digitaal hoeft te worden verwerkt, dat we gewoon met euro’s kunnen betalen in de winkel, dat er permanent buurtcentra open zijn, dat er toegankelijk openbaar vervoer is zonder verplichte poortjes, dat er in woonwijken alleen maar stapvoets gereden mag worden. Een ouderenvriendelijke/ gehandicaptenvriendelijke woonwijk vraagt om meer dan een aangepast huis in de wijk. 

Kwetsbaar wonen in de samenleving (1)

Toen ik op zoek was naar iets wat ik kwijt was vond ik van alles wat ik niet kwijt was omdat ik er geen actieve herinnering aan had. Zoals onderstaande bijdrage.

Even een blik in de geschiedenis. Tot de jaren ’70 werden mensen met een verstandelijke beperking opgenomen in grote instellingen, meestal ver van de bewoonde wereld. Een praktisch argument was dat de grond er goedkoper was. Om dezelfde reden werden stations ver buiten de bebouwde kom gebouwd.

Op die manier ontstonden er grote instellingen op de Veluwe en in de Brabantse en Limburgse bossen. Het waren eigenlijk dorpen op zichzelf. Dat gold zowel de psychiatrie als de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. In Ermelo was het helemaal raak: de grootste instelling voor mensen met een verstandelijke beperking in Nederland (‘sHeerenLoo-Loozenoord), een grote psychiatrische instelling (Veldwijk), een grote instelling voor blinden en ook nog eens een sanatorium. Allemaal van protsestants-christelijke signatuur.

Eind jaren ’60 kwam er een kanteling in dit denken. Eerst kwam het begrip ‘normalisatie’. Het moest allemaal zo normaal mogelijk worden. Een hele hausse aan nieuwe termen zag het licht.

Al spoedig werd deze ontwikkeling omarmd door de politiek. Instellingen moeten actief beleid voeren op het verkleinen van het aantal bewoners op het terrein. Er werd uiteindelijk onder druk van dit beleid zelfs min of meer gedwongen ‘uitgeplaatst’. Maar het mocht niet meer kosten.

Mensen die jarenlang op het terrein van de instelling hadden gewoond moesten zichzelf nu zien te redden in de maatschappij. Soms ging dat goed, maar er kwamen ook vaak nieuwe problemen voor in de plaats. Zo vereenzaamden psychiatrische patiënten die niet meer op het terrein konden wonen in hun appartement in de stad.

Top down

Er werd destijds gesteld dat de verhuizingen in goed overleg met de familie en met de betrokkenen werden geregeld. Mijn indruk van de afgelopen 40 jaar is dat dat helaas voor een aanzienlijk deel niet waar was. In ieder geval woei er een beleidswind die maakte dat je je schuldig kon gaan voelen als je op een grote instelling werkte. Je werd min of meer ‘afgerekend’ op het feit dat je niet voldoende cliënten uit had geplaatst. En die druk kwam vooral vanuit het ministerie. Dat had begrepen dat in Noorwegen en in Italië complete instellingen waren ontmanteld. Dat moest dus in Nederland ook kunnen.

Ik deelde de visie dat we voortdurend moesten kijken of mensen met een verstandelijke beperking niet ‘beter af’ waren in de samenleving. Maar de consequentie van het overheidsbeleid was dat er allerlei mensen die jaren lang op het terrein van een instelling hadden gewoond nu opeens móésten verhuizen naar de grote samenleving. Dat heeft veel ellende veroorzaakt. Ik ken tientallen cliënten voor wie die stap niet goed is geweest. Maar hun familie werd onder druk gezet. De gebouwen werden afgebroken en er was alleen nog maar een plek in een eengezinswoning, van oorsprong gebouwd voor vader, moeder, twee kinderen en een poes.

En daar moesten dan vier verstandelijk gehandicapte mensen zich min of meer vanzelf gelukkig gaan voelen. Daar zou de samenleving vanzelf voor gaan zorgen.