Oorzaken van rivaliteit (2)

Als je zelf een haan hebt, en de buurman heeft er ook eentje, dan weet je dat ze elkaar zullen gaan overschreeuwen totdat ze er beiden schor van zijn. En als er geen hek tussen staat zullen ze elkaar daadwerkelijk aanvliegen. Zo is het ook met Donald Trump en de Noord-Koreaanse leider Kim Jung-Un. Aldus een ingezonden in de Volkskrant van gisteren.

Een vorm van rivaliteit wordt niet voor niets haantjesgedrag genoemd. Maar kippen kennen ook hun pick-order. Mensen en dieren, heren en dames: ze lijken op elkaar…

Rivaliteit op de werkvloer

De neiging tot rivaliteit heeft zijn wortels in de peutertijd. Maar het streven om beter of meer gezien te zijn dan de ander blijft altijd wel een beetje aanwezig.

Dat kan heel onschuldig beginnen. Stel je voor dat je een collega hebt die vanwege zijn kennis en de omgang met mensen erg populair is op de afdeling. Je bent jong en je wilt wat. Dus denk je: ik zou wel een beetje meer van die collega willen ‘hebben’. Als ik ,me nu ook eens extra ga verdiepen in bepaalde thema’s en er zorg voor draag voor de mensen op de afdeling belangstelling te tonen, misschien gaan ze mij dan ook meer op handen dragen.

Je manager ziet dat je goed functioneert. Ze vraagt je om tijdens de vakantie de taken van de collega over te nemen. Dat gaat je wonderwel af. Je collega’s zeggen dat je het prima doet en eigenlijk vind je dat zelf ook. Op dat moment kan er rivaliteit gaan ontstaan. Want wat je collega kan, dat kun jij ook. Eigenlijk had je ook in zijn positie kunnen staan. De sluimerende neiging tot competitie is daarmee aangewakkerd. Je collega is niet meer een voorbeeld, je kunt het zelf eigenlijk net zo goed, zo niet beter.

Nieuwkomer

Op die manier kan een nieuwkomer met veel ervaring een bedreiging vormen voor een werknemer die al jaren op dezelfde plek zit. Opeens komt er iemand met nieuwe ideeën. Collega’s luisteren naar hem (en dus minder naar de ervaren werknemer). Die ervaren werknemer moet alle zeilen bijzetten om toch maar mee te blijven tellen. Hij gaat steeds meer verhalen vertellen over vroeger, geeft bij herhaling aan dat hij al die nieuwe ideeën al eerder heeft meegemaakt en maakt er graag melding van dat hij al meer dan 25 jaar ervaring hij heeft. Die nieuwe medewerker is dus eigenlijk maar een snotneus…

Manager met dubbele agenda

Op de werkvloer ontstaat gemakkelijk rivaliteit. En er zijn managers die daar dankbaar gebruik van maken. Managers die zelf een wankele positie hebben kunnen er baat bij hebben dat er op de werkvloer verschillende meningen zijn.

De directeur polste Steven van Dam of hij niet de functie van leidinggevende van de afdeling op zich wilde nemen. Dat was een wat vreemde vraag, want de afdeling had al een manager. Een paar dagen later polste hij Wim de Vries, of die misschien leidinggevende wilde worden. Helaas hadden de beide heren geen enkele belangstelling voor deze functie. De directeur had op het paard van de rivaliteit gewed. Maar deze keer ging de vlieger niet op.

Twee kapiteins?

Maar stel je nu eens voor dat binnen een team één van de medewerkers tot leidinggevende wordt benoemd. Maar binnen dat team waren ook anderen met dezelfde ambities. Dan is er een grote kans dat zo’n besluit de rivaliteit aan zal wakkeren. Als dat niet goed besproken wordt zal de nieuwe leidinggevende er een zware dobber aan hebben om de functie waar te maken.

Een beetje rivaliteit kan geen kwaad

Aan de andere kan kan een beetje rivaliteit ook gezond zijn. Als er niets te winnen valt zijn er alleen maar verliezers. Door het streven ‘beter te zijn’ wordt de creativiteit vergroot en ontwikkelen mensen allerlei nieuwe ideeën.

Een appeltje schillen

Deze zomer ben ik betrokken bij een project rond verpleeghuizen in Rijnmond. Ooit ben ik in mijn vak begonnen met kleine kinderen, maar nu vraagt de ouderenzorg mijn meeste aandacht. Dat is wat je noemt in je vak met je eigen levensloop meegroeien...

Gisteren schreef ik al over de neiging van het management om alle risico’s uit te sluiten. Hoe staat het bijvoorbeeld met het rookbeleid? Ik ken een situatie waarbij de bewoner allerlei gaatjes in zijn brandwerende matras heeft. Hij weigert pertinent om buiten zijn kamer te roken. Het is begeleiding niet gelukt om hem op andere gedachten te brengen.

Moet je trouwens iemand die zijn leven lang in huis heeft gerookt op zijn oude dag verbieden om in eigen omgeving te roken? Aan de andere kant: personeel moet ook (redelijk) rookvrij kunnen werken.

Ik zag in een verpleeghuis een creatieve oplossing: een mevrouw die als gevolg van een CVA niet meer een sigaret vast kon houden. Ze had de beschikking over een een meter lange slang en aan het uiteinde van die slang zat de sigaret boven de asbak: de peuken vielen vanzelf in de asbak. Ze kon niet zelf de sigaret aansteken (daar had ze de fysieke mogelijkheid niet meer toe). Daarin was ze dus wel afhankelijk van de beschikbaarheid van de begeleiding. De begeleidster zei: “Mevrouw mist zo ontzettend veel, moeten we haar dan ook nog het roken afpakken?”

Maar wat te denken van deze maatregel: Mevrouw Dingemanse is al tientallen jaren gewend om ’s middags een appeltje te schillen. Inmiddels is ze dementerend. De psychologe heeft vastgesteld dat mevrouw in de tweede fase van deze vorm dementering verkeert. Het beleid is op de instelling dat mensen in deze fase van dementering geen scherpe voorwerpen meer mogen hanteren. De consequentie is dat mevrouw Dingemanse niet zelf meer haar appeltje mag schillen. Ze is afhankelijk geworden van de begeleiding. Wat moeten we van zo’n maatregel vinden?

Ont-eigenlijken

Deze week had ik het in een teambespreking over het ‘gevaarlijke’ woord ‘eigenlijk’. Binnen de ACT-methodiek bestaat zelfs een hele ‘eigenlijk’-lijst om je eigen denkfouten op het spoor te komen.

Sjaak woont op een ‘begeleidingsintensieve groep’.

Er wonen zes cliënten die veel aandacht nodig hebben. Maar Sjaak heeft zóveel aandacht nodig, dat er voor hem extra financiële middelen zijn aangevraagd én toegekend. Dat maakt het mogelijk om hem één op één te begeleiden.

Het voelt wrang, want op het moment dat Sjaak één op één begeleiding krijgt, moet de andere begeleider vijf cliënten begeleiden. De teamleden van de woning hebben daar dan ook best moeite mee.

Op de kamer van Sjaak lopen personeelsleden dagelijks klappen op. Mijn veronderstelling is dat als de teamleden er in slagen om vóórdat ze de kamer van Sjaak binnen gaan hun hoofd leeg te krijgen, dat dan het aantal agressie-incidenten minder zal worden. Niet dat ze leeghoofden moeten worden, maar ze moeten geen verborgen agenda hebben. Het woordje ‘eigenlijk’ moet uit hun hoofd. Ze moeten ont-eigenlijken.

Maar er is nog iets nodig. Sjaak heeft grote moeite met het verwerken van indrukken. Dat maakt dat het tempo van de begeleiders omlaag moet. Om dat concreet te maken zetten we een stoel in de gang, naast de deur van Sjaak. Daar ga je als begeleider op zitten. Pas als je klaar bent om naar binnen te gaan (je hoofd leeg hebt gemaakt van de drukte van de groep) sta je op.

Maar je gaat nog niet naar binnen. Je klopt eerst aan, je klopt nog eens, je roept de naam van Sjaak, je roept nog een keer zijn naam en pas daarna doe je de deur op een kier open. We spreken af dat er minimaal twee minuten tijd verstrijkt voordat je naar binnen gaat.

Het blijkt dat het aantal agressie-incidenten door deze aanpak aanzienlijk vermindert. Ze komen nog wel voor, maar het aantal klappen dat personeelsleden oploopt vermindert met zo’n 60%.

Sjaak heeft mensen nodig met onverdeelde aandacht. Ben je met je hoofd bij iets anders, dan wordt hij onrustig…

Moeten of contact?

“Je bent de hele dag bezig”, zegt Mirjam. “Een pauze zit er niet in. En je hoopt dat het allemaal past in de tijd die je hebt. Maar wat mij steeds zwaarder valt is dat dat ten koste gaat van het contact. Eigenlijk kom ik alleen maar binnen bij mijn cliënten als er iets moet. De tijd voor gewoon contact is er niet meer of neem ik niet meer. En het lijkt wel of de cliënten dat voelen. Ze werken minder mee.”

Mirjam werkt al jaren als begeleidster bij mensen met een verstandelijke beperking. Eén van die mensen is Peter. Een forse man van in de dertig met vaak onvoorspelbaar gedrag. Hij is niet zindelijk en moet iedere dag onder de douche. Maar dat douchen en vooral het uit- en aankleden zijn iedere dag weer een strijd. Mirjam is een begeleidster boordevol inzet en met tomeloze energie. Maar het kost haar heel wat moeite om Peter (en zichzelf) heelhuids door het badritueel te manoeuvreren.

Mirjam heeft een dochter van drie jaar. Wat haar ontwikkeling betreft is ze Peter al duidelijk voorbij. “Hoe doe jij jouw dochter in bad?” vraag ik aan haar. Ze is verbaasd over die vraag. “Gewoon” zegt ze, “zoals iedere moeder dat zou doen”. “Maar moet je dochter schoon worden?” vraag ik. “Daar denk ik niet aan” zegt ze, “dat gaat vanzelf.”  “Wat is het belangrijkste als je je dochter in bad doet? vraag ik. “Dat is het contact” zegt ze. 

 “Wil je dat beeld van je dochter nu eens naast het baden van Peter leggen?” vraag ik. Samen komen we er op uit dat het moeten in de zorg voor Peter teveel de plaats van het contact heeft ingenomen. We willen niet dat hij ziek wordt, hij moet schoon zijn en vooral lekker ruiken, maar waar is de ruimte voor het menselijk contact gebleven?

Natuurlijk is een goede hygiëne belangrijk voor Peter. Maar als de dagelijkse verzorging verschraalt tot een reeks van min of meer technische handelingen die allemaal ook nog eens geregistreerd moeten worden gaat dat ten koste van het contact. Tijd is schaars in de zorg, maar als je alleen op de klok en de hygiëne gaat letten is het samen genieten er niet meer bij. Goede zorgverlening begint niet met moeten, maar met ontmoeten. Daar worden we allemaal meer mens van.

Column die in schreef voor het Nederlands Dagblad, 26 juni 2017

Gebit in de puinpoeier

“Wat een hitte, meneer” zegt de meneer tegen me in de tram.

Ik ben netjes opgevoed en groet de mensen die naast me komen zitten altijd rechthartelijk. Het gevolg is niet zelden dat er een gesprek ontstaat. Soms komt me dat goed uit, soms ook minder. Zo’n gesprek heeft meestal een hoog Erps-Kwerps gehalte. Dat gesprek gaat dan als volgt: “Het regent” Ja, het regent. ”Net was het nog droog”. “Ja, net regende het niet.” Nu het gesprek met deze meneer.

Meneer: “Maar het regent niet.”

Henk: ”Nee, zeg ik, het is weer droog, we mogen niet klagen.”

Meneer: “Niet klagen, niet klagen? We worden allemaal belazerd door dat tuig in Den Haag. Als je een valse naam opgeeft krijg je gratis een paspoort. Nou, dat moet ik eens flikken met mijn uitkering, een valse naam opgeven, dan ken ik meteen de bak in. Maar ja, ik ben hier geboren en die zwarte gasten, die kennen hier alles maken. Tuig is het, meneer, dat ken ik je wel zeggen, het is allemaal tuig. En dat vinden ze in Den Haag allemaal prima. Die wonen natuurlijk in een villa, die merken verder niks van al die ellende. Het zijn de rijken die zeggen: laten de zwarten maar komme. Zij hebben er geen last van, wij wel. Maar as ik u wat vragen mag, bent u eigenlijk al met pensioen?”

Henk: “Ja, maar ik werk ook nog.”

Meneer: “Hoe oud ben u dan, as ik vragen mag?”

Henk: “Ik ben 66.”

Meneer: “Oh, dan ben u nog jong. Ik ben 72, nou, dan willen de beentjes niet meer zo, dan ken je niet meer zo ver. Maar ik kreeg al met m’n 60e een pensioen, dus heb ik er toch nog een beetje van kenne genieten. Maar as ik vragen mag, u ben toch niet ziek?”

Henk: “Nee, hoor, ik voel me prima!”

Meneer: “Ik dach, u stapt bij het ziekenhuis in, bij het VU, misschien ben u wel ziek, heb u de k, wat ik niet hopen mag”.

Henk: “Nee, ik kwam van de tandartsen”.

Meneer: O, van de Acta. Was uw gebit in de puinpoeier?”

Henk: “Nee hoor, soms werk ik daar een dagje”.

Meneer: “Dus u bent tandarts”.

Henk: “Nee…..”

Maar voordat ik mijn zin af heb kunnen maken heeft de meneer zijn gebit er al uit gehaald , doet zijn mond wijd open en laat een fors abces zien….

Meneer: “Vroeger had je goeie tandartsen, maar tegenwoordig doen ze er niet veel meer aan. Die jonkies, die willen niet meer, meneer. En de verzekering ook niet, bent u ook van Agis? (ik schud nee), nee, bij De Agis mag je nog maar één keer per jaar. Met het ziekenfonds mocht ik iedere dag naar de tandarts. Dat deed ik niet, maar het kon wel as ik pijn had.

Nou, ik ben één keer geweest, en dan krijg je dit (laat nogmaals het abces zien). Ik vergaat van de pijn, meneer, maar ja, dat krijg je, je mag maar één keer. Maar ja, dat been is erger, daar kenne ze helemaal niks aan doen en daar mot je op lope. Nou, zo kom je niet ver. Maar hier mot ik er uit. Prettig met u gepraat te hebben. Dat heb je ook niet veel meer dat mensen met elkaar praten. Maar ik ga er uit. Goedemiddag meneer.”

Relationele gebondenheid

Jaren geleden schreef ik een recensie over het boek ‘Van moeten naar mogen’ door Nancy Groom. Het boek is meegekomen met de verhuizing (40% van mijn boeken heb ik weg gedaan) en ik zat er weer eens wat in de bladeren.

Gebondenheid versus verbondenheid

Nancy Groom beschrijft het verschijnsel van de relationele gebondenheid. Dat betekent in feite dat je voor je eigenwaarde ‘afhankelijk bent van de relaties die je hebt’. Eén van de bekendste patronen is de dochter die op haar 40e jaar nog steeds wacht op de goedkeuring door haar moeder. Bij mannen is dat nogal eens het wachten op de waardering door de vader.

Nancy Groom plaatst deze gebondenheid tegenover verbondenheid. Dat betekent dat je vrij bent in je relaties. Je bent niet afhankelijk van de goedkeuring door de ander.

Kenmerken van gebondenheid

Nancy Groom noemt als kenmerken van deze gebondenheid o.a.:

  1. Je bent een ‘adoratie-junk’: je bent een gijzelaar van de meningen en oordelen van anderen. Je kunt dus niet jezelf zijn, maar je laat je leiden door de (al dan niet ingebeelde) waardering door de ander.

2. Mensen die relationeel gebonden zijn leven in voortdurende angst dat ze afgewezen zullen worden. “Ik kan pas een goed beeld over mezelf hebben als de ander mij nadrukkelijk waardeert. Als ik niet word gewaardeerd betekent het dat ik afgewezen word.”

3. Je bent buitengewoon sensitief voor hoe de ander naar jou kijkt. “Slechts een enkel woord, een blik, een stilte, het even niet bevestigd worden, het feit dat je niet begroet wordt kan je emotioneel uit het veld slaan en zelfs verminken.”

4. Je hebt de neiging om patronen uit het verleden te herhalen. Je voelt je bijvoorbeeld afgewezen door je vader die nooit iets positiefs over jou zei, maar je hebt een relatie met een man die ook niet in staat is om iets positiefs over jou te zeggen.

5. Je hebt de neiging om anderen voortdurend te controleren. Ondanks je negatieve zelfbeeld heb je de neiging om de ander geen ruimte te geven. De ander mag beslist geen fouten maken. Je wilt daarom voorschrijven hoe de ander moet handelen. Als die persoon in jouw ogen wél een fout maakt vergroot je dat uit: het is verschrikkelijk!

6. Daaruit vloeit voort dat je perfectionistisch bent ingesteld. Je hebt het dwangmatige verlangen om in iedere situatie zélf de touwtjes in handen te houden. Degene die jou daarbij in de weg loopt (‘niet doet wat jij als de perfecte manier van handelen ziet’) loopt daarbij de klappen op.

7. Je wilt onafhankelijk zijn. Het idee dat je iets nodig hebt van de ander ervaar je als iets heel ergs. Afhankelijk zijn is iets waarvoor je je schaamt. “Zelluf doen!” is je lijfspreuk.

Dwangmatig helpen

Nancy Groom vertaalt deze patronen o.a. naar de wijze waarop mensen zorgen voor anderen.

Ze heeft het over ‘compulsive helpers’: mensen die op basis van hun eigen gebondenheid de zorg voor anderen naar hun eigen hand willen zetten.

Zie daarvoor ook het boekje van Paula Lampe: Het Moeder Theresasyndroom’.  Of ook de recente serie blogs over het Syndroom van Munchhausen bij Proxy.

Nancy Groom: Van moeten naar mogen (Navigator Boeken, 2000).  

 

Weinig gemotiveerd (?)

Er is mij gevraagd om voor een ROC iets te vertellen over probleemgedrag bij mensen met een verstandelijke beperking.

Nu zit lesgeven mij wel een beetje in het bloed. Maar deze les vindt plaats onder een ongunstig gesternte. Precies zoals toen ik een keer in het zuiden des lands op een vrijdagmiddag een cursus moest geven terwijl in de zaal er naast geoefend werd voor het carnaval dat ’s avonds zou beginnen.

Deze keer betreft het een groep van 60 (!) leerlingen. In dit geval 56 dames en vier heren. Zo’n grote groep was kennelijk efficiënter voor het ROC. Hoeven ze maar één keer een gastdocent te betalen. Maar 60 leerlingen passen niet in één lokaal. Ze zitten dus in de aula. Het is vrijdagmiddag half drie en het is erg warm.

Er komen direct een paar leerlingen naar mij toe. Dat ziet er gemotiveerd uit! “Meneer, mogen we u iets vragen? Kunt u wat eerder stoppen, want we hebben al de hele dag les gehad…” 

Uiteindelijk zijn ze toch wel ruim 1½ uur gebleven. Er ontstond zelfs af en toe een leuke interactie. De laatste vijf minuten heb ik hen een bonus gegeven vanwege het mooie weer….