Angst: een noodzakelijk en vervelend kwaad

Zonder angst kan een mens niet leven. Angst maakt dat je alert bent op eventueel gevaar. Teveel angst werkt echter verlammend.

Alle mensen zijn bang. Alleen de Noormannen in Asterix en de Noormannen waren niet bang. Die moesten nog leren om bang te zijn.

Fobische angst

Als een specifieke angst je leven beheerst spreken we over een fobie. Er bestaan honderden fobieën. Dan ben je bang voor iets specifieks, bijvoorbeeld voor spinnen, voor kleine ruimtes, voor besmetting. Vorige week zag ik een man op TV die bang was voor bananen.

Angst is een fobie als het disproportioneel wordt en je leven gaat beheersen. De hele dag loop je er over na te denken hoe je spinnen kunt vermijden. Terwijl de kans dat je een spin tegen komt eigenlijk maar betrekkelijk klein is. En de kans dat een spin je iets aan zal doen is helemáál klein.

Angststoornissen komen veel voor

Angststoornissen komen in de westerse wereld veel voor. In de USA is het de meest gediagnosticeerde psychische stoornis. Amerikanen zijn enorme angsthazen.

We spreken van een stoornis als de angst pathologische vormen aanneemt: je voelt je er ziek door en je leven wordt er in aanzienlijke mate door belemmerd. Soms kan die angst bij vrij geïsoleerd thema beginnen (bijvoorbeeld: bang zijn dat je het niet goed doet op school) en zich vervolgens uitbreiden naar allerlei gebieden van het leven: de gegeneraliseerde angststoornis.

Angststoornissen komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Waarbij ik aanteken dat het volgens mij ook zo kan zijn dat mannen hun angst minder zullen uiten, het zijn net Noormannen.

Cognitieve gedragstherapie

Volgens de cognitieve gedragstherapie zijn angststoornissen vaak gebaseerd op automatische gedachten die tot denkfouten worden. Je leest bijvoorbeeld iets in een krant over een mogelijke aandoening, daarna bedenk je dat je ook van dat soort verschijnselen hebt en een paar dagen later weet je het zeker: ik ben óók ziek.

Zit je psychisch redelijk in elkaar dan kan de dokter jou met een goed gesprek overtuigen van het feit dat het bij jou toch wel wat anders in elkaar steekt. Maar als je een angststoornis hebt, dan blijft dat idee maar doorgaan in je hoofd. Het wordt bij wijze van spreken een obsessie.

Vaak herken je een angststoornis aan het ‘wat als ik’… of ‘als ik…’

Automatische gedachten

Voorbeelden van automatische gedachten bij een angststoornis zijn:

  1. Wat als ik ziek wordt of gehandicapt raak?
  2. Als er een aanslag plaats vindt ben ik vast en zeker één van de slachtoffers
  3. Als mij iets overkomt is er niemand in de buurt die mij op tijd kan helpen
  4. Ik heb vast een enge ziekte, ook al zegt de dokter van niet
  5. Wat als ik op straat een hartaanval krijg?
  6. Als de telefoon gaat krijg ik te horen dat mijn man iets is overkomen
  7. Als ik de lift neem blijft die vast steken en dan zit ik uren vast
  8. Wat als ik in een hotel slaap en er breekt brand uit?
  9. Wat als ik in paniek raak en ik weet niet meer hoe ik thuis moet komen?
  10. Als mijn man overlijdt heb ik geen enkel idee meer hoe ik verder moet.

Op zichzelf gaat het om gedachten die niet vreemd zijn. Iedereen denkt er wel over na hoe het verder moet als je plotseling ziek wordt of als je partner overlijdt. Maar bij een angststoornis gaan deze gedachten je leven beheersen.

Cognitief gedragstherapeuten proberen deze automatische gedachten op te sporen en bij te sturen.

Stel je voor dat…

Bij dit soort denkfouten moet ik vaak denken aan de ‘stel je voor dat-angst’ bij kinderen van 6 tot 12 jaar. Op deze leeftijd hebben kinderen veel van dit type angsten. ‘Stel je voor dat ik mijn zwembroek vergeet, moet ik dan in mijn blote kont zwemmen?’ ‘Stel je voor dat ik thuis kom en mamma is er niet meer’. 

Bij kinderen op deze leeftijd vertalen de angsten zich in rituelen, die als bezwering dienen. Denk aan het liedje van ‘Kinderen voor kinderen’: met één been op de stoep en één been op de straat. En persé met je rechtervoet boven aan de trap uit moeten komen omdat je oma anders dood gaat…

Zeeuws grensfietsen (6)

Ik was ook nog aan het fietsen in onbekend deel van Nederland: de grensstreek tussen Zeeuws-Vlaanderen en Vlaams Vlaanderen. In dit gebied weet je vaak niet of je in Nederland of in België bent. De grens loopt er erg grillig.

Na de economische bedrijvigheid rond het Kanaal van Gent naar Terneuzen (v.v.) fiets ik weer de rust van het platteland binnen. Het landschap bestaat uit akkers, weilanden en percelen bos.

Langs de hele grensstreek liggen kreken die ooit uitmondden in de Westerschelde

Na Oudenburgsesluis fiets ik een paar kilometer precies op de grens. Bij Rode Sluis kom ik weer bij één van de voormalige diepe inhammen van de Westerschelde uit: de Grote Kreek loopt zelfs nog een paar kilometer door, België in. Op deze strategische plek ligt ook een voormalig fort dat de Spanjaarden buiten moest houden.

Tussen 1914 en 1918 was het gebied berucht vanwege de Doodendraad die gespannen was langs de hele Belgisch-Nederlandse grens. Families woonden over en weer langs de grens, maar België was bezet door de Duitsers.

De Doodendraad trok in de jaren 1917 en 1918 een dodelijk spoor in de grensstreek

De Duitse overheid spande hier een voorloper van het IJzeren Gordijn, dat over tientallen kilometers onder stroom was gezet. Er kwamen in de hele grensstreek honderden mensen om die probeerden de grens over te komen door een gat te maken in of onder de versperring.

Pas in Koewacht fiets ik weer een bebouwde kom in. Het dorp is gebouwd rond een voormalig fort, dat weer getuigt van de vele strubbelingen tussen de ‘Staatsen’ en de Spanjaarden en Franse troepen. Het schijnt dat er in het Koewachtse dialect tal van Franse (verbasterde) woorden zitten.

In 1839 werd het dorp Koewacht opgedeeld: het noordwestelijke (en grootste) deel bleef Nederlands, het zuidoostelijke deel ging over naar België. Zulke gedeelde grensplaatsen hebben altijd een eigen sfeer, al is er van de grens niet veel meer te merken.

Ik ken het grootste deel van Nederland redelijk: de kaart zit zo ongeveer in mijn hoofd. Dit gebied is voor mij echt ‘pionieren’. De grotere plaatsen zoals – het voormalige en protestantse eiland – Axel en de belangrijke vestingstad Hulst: daar ben ik regelmatig doorheen gefietst. En vanuit Hulst ben ik regelmatig de grens over gefietst. Maar de oost-west route heb ik nooit eerder gefietst. Ik heb ook weinig idee van de afstanden.

Ik laat me dus verrassen over wat er verder komt. Ergens moet ik weer op de trein stappen en dat zal in België moeten zijn (behalve het veer van Vlissingen naar Breskens er is geen verbinding voor fietsers richting Beveland en de stations aan de Zeeuwse lijn). Dus mijn Batavus zet koers in zuidoostelijke richting. 

SOLK

Heb je zes jaar lang medicijnen gestudeerd, blijk je heel veel niet te weten. Maar liefst bijna de helft van de lichamelijke klachten die mensen ervaren blijft medisch onvoldoende verklaard, schrijft psycholoog  Bart Gooijer. 

Uit een onderzoek kwam dat 9 van de 10 Nederlanders aan gaf ‘in de afgelopen twee weken minstens één fysieke klacht te hebben gehad’. Dat heet PHPD: oftewel Pijntje Hier, Pijntje Daar. Een collega van mij sprak de gevleugelde woorden: “Boven de veertig is het leven één groot lichamelijk lijden.” Ga er maar aan staan…

Maar hoe zit het met die medisch niet te verklaren klachten? Die werden vaak geschaard onder het kopje ‘psychosomatisch’. En psychosomatisch was dan weer hetzelfde als ‘het zit tussen de oren’. En als het tussen de oren zit is het aanstellerij. Maar veruit de meeste lichamelijke klachten hebben niet met aandacht of aanstellerij te maken. Het zijn echte klachten, waar echter geen lichamelijke oorzaak voor te vinden is.

Even terzijde: ik maakte ooit een opmerking tijdens de les dat alle hoofdpijn tussen de oren zit. Daar werd een cursist nogal boos over. Hij vatte mijn opmerking figuurlijk op, en ik maakte een letterlijke opmerking: je hoofd zit nu eenmaal tussen je oren...

Artsen hebben een speciale naam voor klachten waar ze geen lichamelijke oorzaak voor kunnen vinden. Het zijn de SOLK’s: Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten.  Een dokter heeft natuurlijk ook liever dat hij (zij) weet wat er aan de hand is, maar met de huidige stand van zaken van de medische wetenschap weten we nog altijd bar weinig. En vooral de werking van de hersenen is nog voor 80% een groot vraagteken.

Wat we wel weten bij mensen met deze klachten is dat vermoeidheid, stress of een sociaal ingrijpende gebeurtenis vaak een uitlokkende factor zijn. Je raakt uit balans en daar reageert je hele lichaam op.

Daarnaast lijkt het er op dat mensen die vaak last hebben van medisch niet verklaarbare klachten ook meer moeite hebben met het herkennen van hun eigen gevoelens en om deze te onderscheiden van lichamelijke gewaarwordingen. Dat is dan weer voer voor niet alleen de huisarts, maar ook voor de psycholoog of de fysiotherapeut.

Een inmiddels 58-jarige man liep twee jaar lang rond met ernstige pijnklachten in de buik en de onderrug. Twee familieleden waren overleden aan prostaatkanker. Hij was erg bang dat hij 'het ook aan zijn prostaat had'. De pijn werd zo hevig dat hij niet meer kon fietsen en nog maar halve dagen werkte. De huisarts en de specialist konden niets vinden. Dat maakte de man alleen nog maar banger. Uiteindelijk bleek dat de angst voor prostaatkanker bij hem de pijn had veroorzaakt. Toen hij zijn stressvolle reactie op de ziekte van beide familieleden beter onderkende verdween ook de pijn. Hij fietst weer lange afstanden en is hele dagen aan het werk...

De H is van Haaksbergen

De bedoeling was om aandacht te geven aan kleinere plaatsen, maar mijn oog viel op Haaksbergen. En Haaksbergen is niet zo klein uitgevallen. het is zelfs een zelfstandige gemeente met ruim 20.000 inwoners. Vandaag opnieuw de provincie Overijssel, maar helemaal aan de andere kant van de provincie, niet de Kop, maar de Staart van deze afwisselende provincie.

Toch is Haaksbergen niet zo bekend. Waarschijnlijk komt dat door de grote ‘broers’ in de directe omgeving: Hengelo en Enschede (samen: Hengelschede). Bovendien ligt Haaksbergen in een uithoek van Nederland. Als je niet goed uitkijkt fiets je zo Duitsland in. Daar moet je in alle winkels een mondkapje opzetten anders wordt je er direct weer uitgeknikkerd.

In een verder verleden was er trouwens nauwelijks sprake van een landsgrens. Net zoals in Limburg liepen boeren, handelaren, familieverbanden en verkeringen over en weer en alle mensen sprake ongeveer hetzelfde dialect.

Het dorpscentrum van Haaksbergen

Haaksbergen leefde in de 19e en de 20e eeuw van de textiel-industrie. Halverwege de vorige eeuw werkte 80% van de bevolking van de textiel. Maar daar kwam de klad in toen met name India veel goedkoper bleek te kunnen produceren.

De politieke kleur van Haaksbergen munt uit in onderlinge ruzies binnen lokale partijen, waarvan leden zich afsplitsen, een nieuwe partij vormen en weer samengaan met andere afgesplitsten. Kennelijk bieden de landelijke partijen meer stabiliteit: CDA, PvdA en VVD vormen samen het College van Burgemeester en Wethouders.

Het station van Haaksbergen

Haaksbergen heeft een station. Toch vind je de plaats niet in het nationale spoorboekje dat door Rover wordt uitgegeven. Dat komt omdat hier alleen een toeristische stoomtrein met veel gesis en gefluit en ook met veel bombarie stopt. Het is net zoals in Medemblik: in de winter kun je lang wachten voordat je met de trein kunt vertrekken.

Haaksbergen kwam in 2014 op trieste wijze in het nieuws toen een monstertruck op het publiek inreed. Er vielen drie doden en tientallen gewonden. Daarna was er veel gebakkelei over wie er verantwoordelijk was. Er zijn betere manieren om in het landelijke nieuws te komen.

Een mooie droom van stoom

Opmerkelijk is dat de gemeentelijke statistiek ook het aantal corona-patiënten meldt. Er werden ruim 3000 mensen positief getest (op ruim 20.000 inwoners), er werden 98 mensen in het ziekenhuis opgenomen en er zijn 32 mensen aan corona overleden. Er zijn negen huisartsen in Haaksbergen gevestigd. Die hadden het er maar druk mee.

In 2020 werden er maar liefst 54 (brom-) fietsen gestolen in Haaksbergen. Dat is dus niet best. Ik fiets voortaan met een grote boog om de plaats heen.

De meeste inwoners van Haaksbergen (84%) hebben een voortuin en een achtertuin. De zogenaamde ‘gestapelde woningbouw’ is hier nog niet zo ingeburgerd. De bevolkingsdichtheid ligt dan ook lager: gemiddeld wonen er in de Nederlandse dorpen en steden twee keer zoveel mensen op dezelfde oppervlakte. Waarschijnlijk zijn er ook meer tuincentra, maar dat heb ik niet bestudeerd. Misschien zijn er ook meer mensen die Henk Jan (de tuinman) heten.

De inwoners van Haaksbergen kunnen op zondag naar de Rooms-Katholieke Kerk, de protestantse dorpskerk (PKN) of de Evangelische Gemeente Joshua. Door de week kunnen de inwoners kiezen uit negen brievenbussen. 

De droom van de logopedist

Psycho-analyticus Carl Jung heeft veel geschreven over 'droomduiding'. En nog altijd zijn er psychiaters die gebruik maken van droom-analyses.

Ooit heb ik mijn dromen bijgehouden. Dat vraagt enige oefening. Ik had een schrijfblok naast mijn bed en meteen zodra ik wakker werd moest ik opschrijven waar ik over gedroomd had. Als je daar een paar minuten mee wacht ben je (bijna) alles kwijt. Uiteindelijk kon ik soms meer dan tien dromen reproduceren. Maar dit soort bezigheden werkt verstorend op de nachtrust. Ik ben er dus maar weer mee gestopt.

In dromen van veel mensen komt het thema ‘controleverlies’ – danwel machteloosheid – voor. Hoe ouder mensen worden, hoe vaker deze thema’s naar boven schijnen te komen.

Zo droom ik regelmatig dat ik in een kerkdienst voor moet gaan en dat ik al mijn papieren kwijt ben. Ook het begin van de dienst (het uitspreken van het votum en de zegengroet) is me compleet ontschoten. Gelukkig kan ik een lied opgeven en dan heb ik even de tijd om votum en zegengroet op te schrijven. Zodra ik kan schrijven weet ik het weer.

Tegenwoordig leid ik geen kerkdiensten meer, maar het droomthema komt nog wel steeds terug. Ik droom niet over het geven van cursus (daar heb ik kennelijk meer het gevoel over dat ik voldoende controle heb).

Vorige week moest ik een lezing verzorgen op een gesticht waar ik vroeger gewerkt heb. Voor een deel van de medewerkers was ik dus nog een bekende verschijning.

De logopedist die bij de organisatie van de dag betrokken was vertelde dat ze had gedroomd dat ik op het terrein liep, dat ik vervolgens als grap over een heg was geklommen, maar dat ik niet wist dat er direct achter de heg een sloot lag. Ik was pardoes in de sloot gevallen.

Het probleem was nu hoe ik verantwoord uit die sloot gevist kon worden en weer voldoende toonbaar mijn verhaal zou kunnen doen. Wat had deze droom haar te zeggen? 

Aardbeienpoes

In de omgeving van Hoogstraten (België) loopt de aardbeienroute. Vreemd: de route loopt, maar het is een fietsroute. Langs die route worden dan ook veel aardbeien verkocht.

In Meersel-Dreef (net over de grens bij Breda) staat voor het voormalige klooster een aardbeien-automaat. Je kunt hier tegen betaling een doosje aardbeziën scoren.

Een plaatselijke poes blijkt dol op deze aardbeziën te zijn. Hij zit te wachten totdat er weer iemand aardbeien uit de automaat haalt.

Zo schijnen tal van katten er bijzondere eetgewoonten op na te houden. Onze huiskater Ringo is dol op chips. Helaas voor hem kopen we die niet meer. Maar hij lust ook nog wel kruimels van koeken/koekjes. Die eten we nog wel.

Een aantal lezers heeft vast ook wel kennis gemaakt met katten met bijzondere eetgewoonten. Ik ben benieuwd...

Hechting in vogelvlucht (11)

In haar boek 'De taal van het huilen' beschrijft Aletha Solter tal van soorten huilen bij de baby. Het huilen heeft ook verschillende functies.

Uiteraard gaat ze ook in op het onderwerp ‘huilbaby’. Maar dat thema heeft weinig met ‘hechting’ te maken. Hoe heftig ook, ik ga er in deze serie niet op in.

Tot de leeftijd van een half jaar kan de baby niet huilen om mamma ‘terug te halen’. Het huilen kan dan ook geen vorm van aandacht zoeken zijn, zoals sommige ouders denken. De baby kan niet huilen om de aandacht, omdat hij/zij nog geen ‘object-permanentie’ heeft. Object-permanentie wil zeggen dat je weet dat iets bestaat, ook al zie je het niet.

De baby van een half jaar kan dus niet weten dat mamma bestaat als mamma buiten beeld is. Mamma is compleet verdwenen. Laat staan pappa. Die is al helemaal nergens te bekennen.

Daarom kun je – volgens Solter – een baby ook niet verwennen met aandacht. De baby heeft veel aandacht nodig, maar het is niet zo dat je – als de baby huilt – hem verwent met aandacht zodat hij straks niet zonder kan.

Rond de zeven maanden ontwikkelt de baby deze object-permanentie. Hij kan nu huilen om zijn mamma (of pappa). Er komt nu dus een nieuwe dimensie in het huilen: huilen om mamma of pappa terug te halen.

Dit is een belangrijke fase in de hechting. De baby is in de wieg niet meer alleen op de wereld: er zijn anderen en hij heeft (onbewust) het idee dat die anderen nodig zijn. Met ‘onbewust’ bedoel ik dat de baby het nog niet kan beseffen of bedenken, het is een ‘gevoel’ dat vooraf gaat aan het kunnen bedenken.

Vanaf deze fase ontwikkelt het kind de eenkennigheid. Hij heeft steeds meervoorkeur voor de vertrouwde opvoeder en wijst steeds meer andere (‘vreemde’) mensen af. Hij laat zich gemakkelijker troosten door de meest vertrouwde mensen dan door anderen.

Het betekent dat het besef groeit dat mensen niet meer inwisselbaar zijn. 'Wij horen bij elkaar'. 

Hechting in vogelvlucht (10)

Chris was stoer. Hij huilde nooit, ook al deed hij zich nóg zo'n pijn. Hij zocht ook geen troost bij zijn vader of moeder. 

Aletha Solter heeft een boek geschreven over ‘de taal van het huilen’. Ze heeft twintig jaar onderzoek gedaan naar het huilen van baby’s en peuters. Toch is ze nog redelijk vrolijk gebleven.

Uit haar onderzoek kun je o.a. halen hoe belangrijk het is dat kinderen huilen. De opmerking dat jongens niet (mogen) huilen is helemaal strijdig met de wijze waarop Solter naar het huilen kijkt. Door het (kunnen) huilen raak je cortisol (het stress-hormoon) kwijt. Dat zit namelijk in het traanvocht.

Een oplossing zou kunnen zijn dat jongens collectief uien gaan snijden en op die manier via het traanvocht de stress kwijt raken. Maar zo zijn we helaas niet getrouwd. Als je uien snijdt komt er geen cortisol vrij, tenzij je in je vinger snijdt en het alsnog op een brullen zet. 

In de loop van de behandeling door Truus Bakker-van Zeil (‘inhaalstrategie’) van de verstoorde hechting bij Chris bleek dat zijn drukke gedrag minder druk werd. Hij kon zich langer concentreren, kon taken langer volhouden, werd minder beweeglijk (hij bewoog bij alles ‘van top tot teen’). Ook bleek hij meer in staat tot samenspel. Vóór de behandeling speelde hij vooral alleen en als andere kinderen in zijn spel invoegden werkte hij hen vooral tegen.

Opvallend is ook in de film dat hij veel meer de nabijheid van zijn moeder zocht. ‘Mamma, aan mij raken’ is een ontroerend fragment uit deze film. En in een spannende situatie in de Efteling gaat hij er niet op af (opzoeken waar je bang voor bent), maar hij wil bij zijn vader op de arm naar die enge figuur kijken.

Als je oppervlakkig naar Chris keek zou je kunnen denken dat hij een erg drukke peuter was bij wie mogelijk sprake was van ADHD. Maar als je naar zijn voorgeschiedenis kijkt is er iets anders wat het drukke gedrag veroorzaakte: een gebrek aan basis, onvoldoende hechting.

Hoe het verder is gegaan met Chris weet ik niet. Ik vermoed dat hij altijd een stevige actieve knul is gebleven. Maar wel met minder turbulentie en ook iemand die meer heeft geleerd om emoties samen te delen en daardoor met minder stress in zijn lijft. Want: 'gedeelde smart is halve smart'. 

De G is van Genemuiden

In het kader van Stoptober gaf het dorp Genemuiden het goede voorbeeld. Sinds 1780 geldt er op de openbare weg een rookverbod.  
Genemuiden stadsboerderijen

Dat lijkt me ook wel verstandig als ik de foto van deze woonstraat met hooibergen weer eens bekijk.

Maar liefst vijf keer werd de plaats grotendeels verwoest door brand en toen was het dus welletjes. Geen vuurtje stoken meer.

Of Genemuiden trouwens een dorp of een stad is: daarover kun je van mening verschillen. In ieder geval kreeg de plaats al vroeg stadsrechten.

Genemuiden is een zeer kerks dorp. In de afgelopen jaren verrezen er twee grote nieuwe kerkgebouwen, waarvan de torens al van verre te zien zijn: van de Gereformeerde Gemeente (ruim 1800 zitplaatsen) en van de Hersteld Hervormde Kerk (voldoende plaats voor de 1500 leden). De gebouwen zijn op de groei gebouwd, er is ruimte gecreeerd om verder uit te breiden. Het boek Zwarte Dauw van Rachel Visscher gaat over het leven in de bevindelijke Gereformeerde Gemeente.

Genemuiden 2

Genemuiden telt ruim 10.000 inwoners. Er staan nog meer kerken in Genemuiden. Kennelijk ben je hier een uitzondering als je niet naar de kerk gaat. Dat kwam ook tot uiting bij de verkiezingen in 2021: de SGP kreeg meer stemmen dan alle andere partijen samen.

Het stadje telt verder twee supermarkten, twee bakkerijen, twee slagerijen, twee fietsenzaken, twee drogisten, twee doe-het-zelf-zaken en twee banken. Er zijn acht brievenbussen.

Belt Schutsloot rietschoven

Genemuiden is vanouds bekend als dé plaats waar biezen werden geteeld. Hier komt ook de in bevindelijke kring bekende zang met bovenstem’ vandaan. Psalmen, gezongen op hele noten, met een speciale toonzetting die je verder nergens vindt.

Het herdenkingboek van de Gereformeerde Gemeente heet ‘Aldaar zal riet met biezen zijn’. Deze biezen werden thuis gevlochten. Daarna volgden na de Tweede Wereldoorlog de kokosmatten. De huisteelt verdween. Tegenwoordig wordt de helft van de Nederlandse tapijten in Genemuiden gefabriceerd, niet meer aan huis maar in de fabriek.’ Ook wordt er in Genemuiden veel kunstgras geproduceerd. Je kunt er ook het Tapijtmuseum bezoeken.

Qua bevolkingsopbouw valt op hoe jong de plaats is vergeleken met eerder beschreven dorpen in deze serie: 6600 inwoners beneden de 45 jaar. Er werden in 2020 vijf fietsen gestolen. Of geleend en niet teruggebracht.

Genemuiden Veer

Genemuiden ligt aan het Zwarte Water. Niet dat het water zwarter is dan andere wateren, de naam schijnt iets met ‘grens’ te maken te hebben. De rivier is kort maar krachtig: 19 km. lang. Hij mondt even voorbij Genemuiden uit in het Zwarte Meer. Vroeger was dat een deel van de Zuiderzee.
Om hier aan de overkant van het water te kunnen komen moet je een pont tot je nemen. Dat kan een hachelijke onderneming zijn, want in 1922 zonk een vorige versie van de veerpont. De veerbaas wilde vanwege de harde wind niet varen, maar de burgemeester haalde hem over. Met als gevolg: elf doden, waaronder de veerbaas en zijn vrouw en de burgemeester en zijn vrouw.

Tegenwoordig is de situatie van het veer vanuit economisch gezichtspunt hachelijk. Uitbater Connexxion heeft aan de gemeente Genemuiden om subsidie gevraagd, maar de gemeente wil geen geld geven, men vindt verlies een bedrijfsrisico. Wij bereiken echter veilig de overzijde van deze heen-en-weer.

Als het water er niet tussen zou zitten zou je in tien minuten van Genemuiden naar Zwartsluis kunnen fietsen.

Mocht een jongeman uit Genemuiden het in zijn hoofd halen om verkering te krijgen met een meisje uit Zwartsluis, dan moet hij wel op tijd weer terug fietsen. De pont vaart maar tot  9 uur 's avonds.

Hechting in vogelvlucht (9)

Kinderen die angstig-vermijdend gehecht zijn zoeken weinig troost. Ze verbijten zich. Ze lossen het allemaal in hun eentje op.

Voor de buitenwereld zijn deze kinderen stoer’. Ze geven geen kik als ze zich pijn doen. Ze zullen ook niet gaan huilen.

Is dat nu zo erg? Psychologe Truus Bakker-van Zeil heeft een film gemaakt over Chris, een jongen die op de leeftijd van ruim een jaar geadopteerd is. Voor die tijd woonde hij in een Braziliaans kindertehuis met zo’n 600 kinderen.

Chris is een vrolijk en actief jongetje. Je ziet op het schoolplein hoe hij op zijn knieeën achter een wagentje aan getrokken wordt. Toch reageert hij niet op de pijn die dit moet doen.

Op een andere opname zit hij – samen met zijn zusje – in bad. Hij stoot ontzettend hard zijn hoofd. Veel kinderen zouden gaan huilen en hun mamma of pappa roepen. Dat doet Chris niet. Hij zit zich te verbijten, terwijl zijn zusje (dat voor hem in bad zit) niets door heeft. De scene duurt meer dan een minuut. Daarna zoekt Chris (die inmiddels vier jaar oud is) alsnog troost. Hoe doet hij dat? Door zijn zusje op de rug te gaan likken. Dat is een heel primitieve manier van het zoeken van troost.

Het oudere zusje van Chris is ook geadopteerd vanuit Brazilië. Zij ontwikkelt zich vanuit de optiek van de hechting veel meer ‘normaal’ dan Chris. Toen ze net uit Brazilië kwam bleek ze een tropische infectie te hebben, waardoor ze maandenlang ziek is geweest. Daardoor werd ze maandenlang verzorgd. Dat was een geluk bij een ongeluk. Chris heeft deze fase bij zijn adoptie-ouders niet meegemaakt. De eerste dag dat hij bij hen was bleek hij al op straat te lopen. Gewoon over de rand van de box geklommen en naar buiten gegaan.

In het verschil tussen Marina, het zusje van Chris, en Chris zélf zit ook de sleutel voor de behandeling van kinderen met hechtingsstoornissen zoals Truus Bakker – van Zeil deze heeft ontwikkeld. Ze zegt dat er moet worden nagegaan welke fase(n) in de sociaal-emotionele ontwikkeling het kind gemist heeft. Ze pleit ervoor om die fase alsnog in te halen.

Bij Chris betekende dat o.a. het geven van baby-massage. Dat bleek geen succes. Chris was inmiddels op een leeftijd waarbij hij zich schaamde tussen de andere blote baby’s. Dat zie je bij peuter-jongetjes aan het feit dat ze angstigvallig hun piemeltje verstoppen in de buurt van vreemden. Dat deed Chris ook. Geen manier om tot ontspanning te komen.

In de thuissituatie reageerde Chris echter goed op de baby-massage. Het opvallende was dat hij na afloop een half uur niet meer praatte, maar brabbelde. Tegelijkertijd kon hij een half uur lang rustig aan het spelen zijn. Dat was zonder die baby-massage onmogelijk. Hij rende steeds van de ene activiteit naar de andere activiteit.