De IJ is van IJmuiden

Met IJmuiden heb ik wel iets. Net als met Den Helder. De steden hebben een aantal overeenkomsten. Ongeveer even groot, beiden ontstaan door de aanleg van een kanaal, in de oorlog deels zwaar beschadigd, aan zee, een vissersvloot. Alleen heeft IJmuiden geen station meer.

Net als Den Helder wordt IJmuiden door veel mensen verguisd: stugge vissers, noestige fabrieksarbeiders, veel import, weinig centrum, veel boomloosheid en kaalslag, met overjarige nieuwbouw tegen de duinen aan. Maar IJmuiden spreekt mij qua sfeer juist erg aan. Is dat sinds ik in Den Helder heb gewoond of was die voorliefde voor dit wonderlijke geheel van straten, pleinen, kleine arbeiderswoningen en loodsen er altijd al? Een stad die de inwoners tijdens de stormen doet vluchten naar veiliger beschutting? Waar de bomen krom zijn gewaaid, waar je de zee kunt ruiken, je proeft het zout op je lippen.

Tsja, die straten. Kaarsrecht en vaak smal, met kleine arbeidershuizen van rond de (vorige) eeuwwisseling. Richting de duinen en richting het bos bij Driehuis wat duurdere huizen. Overal het geluid van meeuwen. Vaak weinig mensen op straat. Aan de overkant van het water het eeuwig sissende geluid van de Hoogovens. En in de havens veel metaal, klapperende touwen van de schepen, afbladderende deuren (tegen het zout valt bijna niet op te schilderen) en roestige kettingen.

Een tekort aan werkgelegenheid. In de ochtend loopt een deel van de plaats leeg: forensen richting Haarlem en Amsterdam. Ook dat is Den Helder. Ooit een kerks vissersdorp, maar nu vormen de kerkgangers een kleine minderheid van de bevolking. Net als in Den Helder…

IJmuiden is geen gemeente, de plaats maakt onderdeel uit van de gemeente Velsen. En net als in Den Helder vliegen de politieke partijen elkaar voortdurend in de door de wind verwilderde haren. De grootste plaatselijke lokale partij haalde er ooit veertien zetels, kelderde naar drie zetels en is nu weer de grootste partij met zes zetels. Maar liefst 11 partijen bezetten de 33 zetels binnen de gemeenteraad.

Het centrum van IJmuiden werd in de oorlog voor een groot deel afgebroken, o.a. omdat de Duitsers een ruimer schootsveld wilden hebben voor het geval de geallieerden binnen zouden vallen. Daarom ademt de plaats de sfeer van de Wederopbouw. Het stadhuis is het laatste grote ontwerp van architect Willem Marinus Dudok, die ook het inmiddels wereldberoemde stadhuis van Hilversum op zijn naam heeft staan. De winkels staan aan een lange en deels desolate winkelstraat die parallel loopt aan het Noordzeekanaal. Ook dat is een opvallende overeenkomst met Den Helder.

Ik heb wel iets met zulke steden. Was dat al vóórdat we in Den Helder kwamen wonen? Of zijn dat de herinneringen aan 27 jaar wonen in Den Helder. In ieder geval: probeer IJmuiden eens uit. Wie weet vind je het toch ook wel een aardige plaats met een totaal eigen sfeer...
Advertenties

Slechte slapers

Goede slaap is deels een kwestie van een gezonde levenshouding. Bijvoorbeeld: van het geleidelijk 's avonds rust inbouwen en niet te lang naar de televisie, tablet of telefoon kijken.

Maar slaaponderzoeker Eus van Someren ontdekte ook een aantal kenmerken zijn van slechte(re) slapers die ‘aangeboren’ lijken te zijn.

1. Slechtere slapers hebben minder goed door of ze ‘goed liggen’.  Dat heeft met de hersenen te maken. Je slaapt in in een slechte slaaphouding (maar signaleert dat niet) en je wordt daardoor eerder wakker (weinig slaapcomfort).

2. Slechtere slapers zijn langer van slag na een negatieve emotionele ervaring. Je slaat overdag een blunder en ’s nachts blijft dat in je hoofd spoken. Omgekeerd: omdat je minder slaapt heb je er ook meer last van. Want de slaap wist ook een deel van je geheugen en haalt in ieder geval wat scherpe kantjes van je herinnering weg.

3. Slechtere slapers zijn meer gevoelig voor alcohol, cafeïne of theïne. Terwijl goede slapers ‘s avonds best een aantal glazen tot zich kunnen nemen werkt dat bij slechte slapers juist omgekeerd: ze slapen minder door het gebruik van alcohol.

Er bestaat geen algemeen recept voor een goede slaap. Slaapadviezen zijn deels individeel gekleurd. Zo zijn er mensen die vijf uur voor het slapen gaan geen druppel koffie of thee meer moeten nemen. Want dan kunnen ze het slapen wel vergeten... Anderen kunnen in slaap vallen terwijl ze 's avonds nog vijf koppen koffie hebben genuttigd.

 

Braine-le-Comte

Vanuit Ronquières moet er pittig geklommen worden om uit het dal van de Sennette te komen. Het hellingspercentage bedraagt over een vrij lange afstand 8%. De eerste echte hellingproef voor mijn Batavus Dinsdag (met acht versnellingen).

De Batavus slaagt met vlag en wimpel. Zonder halverwege uit te hoeven rusten kan ik de steilte overwinnen. Boven blijkt langs de randen van de wegen nog steeds ijsvorming te zijn. Kennelijk is het hier vandaag niet boven nul geweest. Maar voor de eeuwige sneeuw zit ik waarschijnlijk toch weer te laag.

Nadat de weg steil omhoog is gegaan volgt er een steile afdaling. De Batavus heeft zeer sterke remmen, maar ze hebben de neiging om te blokkeren bij langdurig krachtig remmen. Dat is nog een punt van aandacht.

Eenmaal beneden vraag ik me af wat de zin van het leven is. Want als je beneden bent ligt er voor je weer een weg die steil naar boven leidt. Het landschap had hier toch wat efficiënter kunnen worden aangelegd.

Op de volgende heuvelrug ligt een bosgebied. Het ziet er mooi uit, met veel beuken die een rood bladerdek op de grond hebben veroorzaakt. De meeste wegen zijn beblubberd, daarom blijf ik maar op de hoofdweg.

“What goes up must come down” zong Spinning Wheel in 1969 (jaja, ik ken mijn klassiekers). Een lange afdeling over een wat Amerikaans aandoende rechte weg (rommelige bebouwing) brengt mij in het volgende dorp: Braine le Comte. Dat is een deel van een reeks van dorpen die allemaal Braine heten, afgeleid van het Vlaamse Brakel. Dit is dus ’s Gravenbrakel. 

De grootste groei maakte deze plaats mee in de tweede helft van de 19e eeuw. In 1842 kwam de spoorlijn van Brussel naar Parijs klaar met een station in ’s Gravenbrakel. Dat station staat er nog steeds, het is het oudste nog bestaande station van België.

De afgelopen decennia bleef het inwonertal stabiel, ruim 20.000 inwoners. Veel industrie trok weg, maar daar staat tegenover dat Brusselse forensen het wel een aantrekkelijke woonplaats vonden, omgeven door veel groen.

Wat moet ik verder van de plaats zeggen? Er staan tal van gebouwen uit het eind van de 19e eeuw, maar men lijkt niet altijd zo zorgvuldig te zijn geweest met het historisch erfgoed. Er is een aardig marktplein, maar daar dendert veel verkeer van een doorgaande weg langs.

Inmiddels is het donker geworden. Het vriest een beetje, de wegen zijn vochtig en er is kans op gladheid. Ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen en mijn fiets in de trein te hijsen. Met één overstap in Brussel kan ik Roosendaal bereiken. Daar zet ik weer voet op Nederlandse bodem.

Ronde bewegingen

Deze week ben ik vooral bezig met het thema mondzorg bij ouderen.  Volgens onze zoon mag ik wel uitkijken. "Straks houden ze je daar..." En ziedaar: ik was op een afdeling en toen dacht één van de begeleiders dat ik een bewoner was. Ik mocht niet zomaar naar buiten....

Mevrouw Bootsma ligt in de stoel bij de tandarts. Het was een hele hijs voor haar. Ze moet echt even uitrusten. Daar neemt de tandarts de tijd voor. Ze heeft alle begrip. Hoe ouder je wordt, hoe meer het motto geldt van één ding tegelijk.

Van mevrouw Bootsma is bekend dat ze problemen met haar evenwicht heeft. Daardoor heeft ze waarschijnlijk ook veel hersteltijd nodig voordat ze zichzelf weer ‘evenwichtig voelt’. Om die reden heeft de tandarts ook besloten dat de stoel niet extra achterover gaat.

Dan is het tijd voor de controle van het gebit. De tandarts vraagt: “Mevrouw Bootsma, bent u er klaar voor?” Belangrijk is wel dat mevrouw Bootsma begrijpt dat ze bij de tandarts in de stoel ligt. Er zijn ook ouderen die denken dat ze bij de kapper in de stoel liggen. Dan is het wel raar om je mond open te doen.

Mevrouw Bootsma zegt dat ze klaar is en de tandarts rijdt de stoel verder naar haar toe en beweegt in de richting van de mond van mevrouw. Dan opeens klapt ze haar mond dicht.

De tandarts neemt weer even pauze. Het is een voorbeeld van respectvol en gedoseerd benaderen. Maar wat was er aan de hand?

Opnieuw vraagt de tandarts of mevrouw Bootsma er klaar voor is. Ja, ze is er klaar voor. “Doet u uw mond maar open, alstublieft.” Mevrouw Bootsma doet haar mond open.  “Dankuwel” zegt de tandarts, “zo kan ik het goed zien.” Daarna gaat ze met het spiegeltje in de richting van de mond van mevrouw Bootsma. En meteen klapt mevrouw Bootsma haar mond dicht. Ik vraag me (als bijzitter) af: ‘wat gebeurt hier nu eigenlijk?’

De tandarts neemt weer even pauze. Even nadenken wat er gebeurt. Wat maakt dat mevrouw Bootsma op het laatste moment toch niet mee werkt? Is dat een kwestie van coöperativiteit? Begrijpt ze iets niet? Schrikt ze ergens van?

Mondzorg bij ouderen is vaak een puzzel. De persoonlijkheid van vroeger speelt mee in het hier en nu, het gedrag wordt beïnvloed door tal van (deels fysieke) factoren, de werking van het geheugen speelt een aanzienlijke rol bij het praktisch functioneren (mondverzorging is het meest complexe deel van de zelfverzorging), maar ook problemen met de zintuigen kunnen een grote rol spelen.

En als het tempo nu nog eens wat meer omlaag gaat bij mevrouw Bootsma? De tandarts geeft weer dezelfde instructie. Ze vraagt aan mevrouw Bootsma of ze ‘er’ klaar voor is. Dat is ze. Ze vraagt of de mond open kan. De mond gaat open. En dan gaat de tandarts in een langzaam tempo in de richting van de mond. De mond van mevrouw Bootsma blijft open.

Als we de situatie nabespreken komen we tot het volgende. Bij mevrouw Bootsma gaat het tempo van de informatieverwerking erg langzaam. De tandarts heeft zich op dat lagere tempo ingesteld: ze straalt alle rust uit. Maar als mevrouw Bootsma 'er' klaar voor is gaat het tempo opeens omhoog. Want nu moet er behandeld worden. Deze versnelling van het tempo kan mevrouw Bootsma kennelijk niet aan.

Daar komt nog iets anders bij. Eén van de visuele problemen bij ouderen is een verstoring van het bewegingszien. Dat houdt bijvoorbeeld in dat je niet kunt inschatten hoe snel een auto gaat. Dus blijf je maar op de stoep staan: je durft niet over te steken. Met die visuele verstoring schrik je ook van snelle bewegingen.

De tandarts geeft aan dat ze van nature geneigd is om wat ‘rissig’ te doen. In haar werk met oudere patiënten heeft ze dat voor zichzelf wel afgeleerd, maar zo nu en dan komt het toch boven. Dat is geen fout, het is juist heel professioneel dat ze op deze manier naar zichzelf kan kijken. En dus ook haar gedrag kan bijsturen.

We komen tot de volgende hypothese: het tempo van bewegen is tijdens de behandeling van kwetsbare ouderen van groot belang. Daarbij lijken ronde bewegingen beter voorspelbaar te zijn dan hoekige meer versnelde bewegingen. Of het waar is: dat moet ik nog verder gaan observeren...

 

Ronquières

Ik moest weer helemaal terugfietsen en kwam uiteindelijk weer uit bij Ecaussinnes. Gelukkig heb ik geen echt doel en geen haast.

Tijd om nog eens om me heen te kijken. Het verbaast me hoe rustig dit land is. Veel akkerbouw, af en toe een stukje weiland, af en toe een paar boerderijen bij elkaar, wegen die her en derwaarts gaan, zonder dat er een plan aan ten grondslag lijkt te liggen. Een deel van de wegen bestaat uit betonplaten. Langs de weg palen die bovengrondse stroomdraden begeleiden. Naar het westen toe wat glooiingen met zo te zien percelen bos.

Uiteindelijk kom ik alsnog bij het Hellend Vlak van Ronquières uit. Van beneden af kan ik de rails zien liggen waar de twee waterbakken voor de scheepvaart op naar boven worden getrokken. Helaas is er geen enkel schip in aantocht. Het lijkt wel een stilleven in een tijd van economische malaise.

Bij Ronquières ligt ook de monding van het riviertje de Samme, dat door middel van sluizen is afgesloten van het Kanaal van Brussel naar Charleroi en omgekeerd. Die omgeving ziet er schilderachtig uit, een plaatje uit vroeger tijden, met een aantal aan lager wal geraakte schepen die kennelijk bewoond worden (er stijgt rook uit de pijpen aan dek omhoog).

Ronquières zelf blijkt een vriendelijk dorp met steil oplopende straten en een kerkplein met de kerk in het midden. De plaats ontstond aan de samenvloeiing van de Sennette en de Samme. 

Je zou het niet zeggen, maar dit dorp vormt de geboortegrond van een speciaal soort kalkoen. Ik citeer: "Iedereen dacht dat de Ronquières-kalkoen was verdwenen. Opgegeten tijdens de barre oorlogsjaren van 40-45, meegenomen door de Duitsers, die verder fokten met de Hermelijnkleurigen onder de naam Cröllwitzer. Maar dan blijken er, tientallen jaren later, tot veler verrassing nog een paar authentieke exemplaren over. Nazaten van ‘onderduikers’. Met dank aan een paar boeren, die het kennelijk niet over hun hart konden verkrijgen om zulke prachtige dieren in de pan te doen."

Borderline en therapeut (2)

Mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis denken sterk zwart-wit. Het onvermogen om in nuances te denken wordt wel gezien als éém van de grootste problemen voor mensen met borderline problematiek. De wereld is namelijk niet zwart-wit. En mensen zijn dat al helemaal niet...

Wat gebeurt er bij mensen met borderline-problematiek? Als de ander maar een kleine aanwijzing geeft bij bijvoorbeeld een bepaalde opdracht wordt die aanwijzing direct geplaatst in een zwart-wit schema. Het is dus niet: ‘ik heb negen dingen goed gedaan en één ding kan nog wat beter’. De balans slaat direct door: “Zie je wel, ik kan het niet, ik ben dus waardeloos.”

Een daarop volgend probleem is dat de persoon met borderline problematiek zelf geen extremen kan hanteren. De hele gevoelsthermostaat slaat direct op hol. Daar ontstaan weer een volgend probleem door: de omgeving probeert om die escalaties te vermijden. In dit verband schreef Paul Mason het boek ‘Stop walking on eggshells!’ Stop  met het op emotionele eieren lopen, want uiteindelijk red je het daarmee óók niet.

Mevrouw Voerman is niet tevreden over de wijze waarop haar man zijn bijdrage levert aan de huishouding. Hij doet nooit iets in huis. Maar ze zegt er niets van. Want (en dan komt de grootste angst naar boven): 'als ik er iets van zeg gaat hij bij mij weg'. Mevrouw Voerman durft niet te zeggen dat ze ontevreden is over haar man. De spanning slaat naar binnen toe. Ze verwondt zichzelf (automutilatie komt veel voor bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis). Meneer Voerman reageert geschokt en gaat voor haar zorgen. Daarmee bindt mevrouw Voerman haar man weer aan huis: hij is niet weggelopen. Het gaat goed totdat zich een nieuwe spanningsbron aandient (voorbeeld uit Wies van den Bosch, Gedachten uitpluizen, jaargang 25/02).

Omdat mevrouw Voerman bij herhaling op de eerste hulp van het ziekenhuis terecht komt vanwege zelfverwonding en onverklaarbare ongelukjes adviseert de huisarts haar om contact te zoeken met de GGZ. Hij omschrijft in de verwijsbrief een aantal symptomen van het gedrag van mevrouw Voerman.

De huisarts is inmiddels de vijfde arts in haar woonplaats die mevrouw Voerman ‘versleten heeft’. Iedere nieuwe intake verliep goed. Mevrouw Voerman had de indruk dat ze eindelijk een dokter had die haar begreep. Maar al snel was het vertrouwen weg. De huisarts was van zijn voetstuk gevallen. Eerst was hij de beste huisarts van de stad, maar na drie maanden deugde er niets meer van hem.

De huisarts kent deze voorgeschiedenis. Zijn vermoeden dat er mogelijk sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis zet hij niet in de brief. Ook de huisarts loopt dus inmiddels op eieren. Veel van wat hij denkt zal hij niet tegen mevrouw Voerman zeggen.

Met een omschrijving van de problemen die mevrouw Voerman in haar leven ervaart vindt een intake plaats bij de GGZ. Wat zullen de behandelaars zeggen (of meer nog: niet zeggen?). Dat is een thema in de bijdrage van klinisch psychologe Wies van den Bosch.