Stappen in de Theory of Mind (2)

Gisteren beschreef ik de stappen in de Theory of Mind. Maar is het nu zo dat als je het vijfde stadium hebt bereikt, dat je dan altijd volgens de regels van dat stadium naar het gedrag van de ander kijkt?

Golven

Zimbardo (e.a.) hebben kritiek op de statische manier waarop de fasen in de Theory of Mind nogal eens worden omschreven. Volgens deze auteur vindt er altijd een golfbeweging plaats. Je kunt terugvallen in vroegere stappen.

In stresssituaties zijn mensen altijd minder genuanceerd in hun denken en kost het hen meer moeite om vanuit het perspectief van de ander te kijken. Ook daalt het communicatieniveau als mensen veel stress ervaren.

Volgens mij is de kritiek van Zimbardo (e.a.) dan ook terecht. Dat zie je ook bij conflicten. Kijk maar eens naar een TV-programma waarin sprake is van een langlopend conflict (zoals bij de Rijdende Rechter). Vanaf de buitenkant verbaas je je vaak over de starheid waarin beide partijen volharden in hun mening en ook niet meer in staat zijn om zich te verplaatsen in het perspectief van de ander. Het zijn dan net kleine kinderen. Maar hoe reageer ik zelf als ik midden in een conflict zit?

Kennelijk moeten we die fasen meer als flexibele stadia zien. Bij stress is de kans aanzienlijk dat je terugvalt in een vroeger stadium. Ben je meer ontspannen, dan is de bandbreedte van je denken en handelen groter.

Theory of Mind en tijd

Interessant is ook de invloed op de tijd op het perspectief van waaruit je kijkt. Meestal gaan mensen in de loop van de genuanceerder (en dat betekent: milder) denken. Ze krijgen meer oog voor de achterliggende emoties van de ander.

Maar er zijn ook mensen bij wie dat bijstellen niet lukt. Meestal betreft het mensen die van nature zwart-wit denken: iemand is goed of iemand is fout. Dat past bijvoorbeeld bij mensen met een borderline persoonlijkheidstoornis, bij mensen met een antisociale persoonlijkheids en bij mensen met een narcistische persoonlijkheidsstructuur. Je moet het alleen niet omdraaien: dat als iemand niet genuanceerder gaat denken, dat hij/zij dan binnen één van die beelden past.

Een oude man die in de Tweede Wereldoorlog veel heeft meegemaakt weigerde na de oorlog om ook maar ooit nog één Duitser de hand te geven, laat staan te spreken. De Duitsers zaten collectief fout en zo lang ze niet allemaal hun excuses aan hadden geboden bleef het volk collectief fout zitten.

Hij ging met vakantie bijna altijd naar de Alpen, maar hij zou nooit door Duitsland reizen. Altijd maakte hij de omweg via België en Frankrijk.

Ook op hoge leeftijd is zijn standpunt nooit meer veranderd. Duitsers zitten fout, zolang ze niet allemaal hun excuses aan hebben geboden. Als je hem vraagt hoe het dan zit met een jongere generatie blijft hij bij zijn standpunt. Je bent Duitser en dus zit je fout.

Doordat hij nooit meer een Duitser sprak, de TV uitzette als er een Duitse politicus ging spreken, geen Duitse Tv-programma’s zag kon hij zijn standpunt ook niet veranderen. Het denken bleef zwart wit. Je zou kunnen zeggen: de Theory of Mind kreeg geen kans om zich te ontwikkelen.

Andere mensen dachten na de oorlog mogelijk hetzelfde als deze meneer, maar geleidelijk ontstonden er meer variaties in het denken. Zo ‘ontdekten’ ze hoeveel Duitsers het juist niet eens waren met het nazibewind, hoe vaak mensen hebben geprobeerd op hun manier verzet te plegen. Ze ontdekten ook dat Nederlanders niet voor het overgrote deel de ‘good guys’ waren.

Ze leerden ook vanuit het perspectief van de Duitse bevolking te kijken. Stel je voor dat ik daar had gewoond, hoe had ik dan geprobeerd om mijn leven in te richten?

Je zou kunnen zeggen: toen de oorlog meer in de tijd op de achtergrond raakte was er ook meer ruimte om vanuit het perspectief van de ander te kijken, oftewel: meer Theory of Mind.
Advertenties

Stappen in de Theory of Mind (1)

In de vorige blogs werd het vermogen beschreven om gaandeweg na te denken over de eigen emoties en het eigen gedrag en ook om achter het gedrag van de ander te kijken. Aan de basis van dit vermogen ligt de zogenaamde Theory of Mind. Je bent niet alleen op de wereld, er zijn ook anderen en die denken nogal eens anders dan jij denkt.

Een peuter van 1½ jaar heeft nog geen Theory of Mind ontwikkeld. Mamma wil snel haar zoontje naar de peuterspeelzaal brengen, want ze is al laat. Daar heeft die peuter geen boodschap aan, hij wil nu met zijn Duploblokken  spelen. Hij heeft er domweg nog geen beeld bij dat voor zijn moeder andere dingen belangrijk zijn dan voor hem.

In de literatuur worden meestal vijf fasen genoemd, volgens welke fasen een kind geleidelijk steeds meer invoelt en aanvoelt hoe de ander denkt. Daarbij moet opgemerkt worden dat de leeftijd een heel globale indicatie vormt. Bij een verstoorde hechting verloopt dit proces langzamer. En er zijn heel wat volwassenen die in ieder geval het vijfde stadium niet bereiken.

Dit zijn de fasen:

– 2 jaar: Begrip dat een ander ook kijkt, hoort, voelt, ervaart. De peuter begint te leren dat pappa nu even geen tijd heeft, want hij moet boodschappen doen. Hij begint ook te snappen dat als je mamma met een stok een klap geeft, dat mamma dan pijn heeft, ook al voelt hij dat zelf niet zo.

 – Begin 3 jaar: Het bovenstaande wil nog niet zeggen dat de peuter kan generaliseren dat een ander iets op een andere manier ziet dan hijzelf. De wereld is zo als hij het zelf gezien heeft, een ander perspectief is er niet. Dus als ik heb gezien dat er in de doos voor de krijtjes snoepjes zitten, dan weet mamma natuurlijk ook dat er in de doos voor de krijtjes snoepjes zitten. De peuter van drie kan zich niet indenken dat mamma moet denken dat er krijtjes in zitten ‘want ik heb zelf gezien dat er snoepjes in zitten’. Zoals ik het gezien heb, zo zit de wereld in elkaar. .

 – Aan het einde van het derde jaar: De peuter begint te ontdekken dat er een verschil kan zijn tussen wat je in je hoofd hebt en wat er in het echt is. Ze ontdekken bijvoorbeeld dat iemand die ver weg is niet zo klein is als hij er uit ziet, maar dat hij klein lijkt omdat hij zo ver weg is.

Kleuters zijn dag-in, dag uit aan het oefenen met verschillende werelden: het lijkt wel zus, maar is het misschien toch niet zo? Toch denken ze nog erg zwart-wit: de wereld wordt vooral vanuit het eigen perspectief bekeken. Maar als ze rust en veiligheid ervaren wordt het voor hen steeds meer mogelijk onderscheid te maken tussen wat er in werkelijkheid is en hoe ze het hebben ervaren. Dat zie je bijvoorbeeld bij het voorbeeld van de tijger onder het bed.

– Kleuters van 5 jaar: zij beseffen dat zoals het in je hoofd zit niet zo hoeft te zijn. Ze bedenken soms zelfs dat hun eigen gedachten hen bang maken. Ze zijn af en toe in staat om met hun denken hun fantasie te beteugelen. “Ik dacht dat er een tijger onder het bed lag, maar dat kan helemaal niet, ik dacht het wel, maar het is niet echt zo.”

 – 9/10 jaar: Gedachten in je hoofd zijn geen kopieën van werkelijkheid. Andere mensen kunnen er heel anders over denken. “Zo denk ik, maar jij denkt weer iets anders.”

Kinderen op deze leeftijd zijn dus in staat om zich te verplaatsen in het perspectief van de ander. Bij pappa en mamma eten ze vlees en bij Tante Mathilde mag je juist geen vlees eten. Bij mij thuis wordt aan tafel gebeden voor het eten, maar bij mijn vriendje doen ze dat niet. Bij Oom Frederik wordt altijd naar voetbal gekeken, maar bij mij thuis kijken we nooit voetbal.

In deze fase is het wel mogelijk om te beseffen dat een ander op een andere manier kijkt, maar het is nog wel moeilijk om zich in te leven in de manier waarop de ander kijkt. De ander kan wel op een andere manier denken, maar hij heeft toch geen gelijk. Jij hebt het gelijk aan je zijde.

Woonplaatsen (9)

Na Waardhuizen, Onnen, Borneo, Gorkum, Wormer, Amsterdam, Den Helder en Alkmaar was het tijd voor nóg een verhuizing. Twee jaar geleden verhuisden we naar Delft.

Ondertussen was ook de vraag waar mijn ouders waren gebleven. Want ik verliet het ouderlijk huis in Wormer om mij metterwoon in Amsterdam te vestigen, zoals dat in ambtelijke taal heet. Ondertussen zaten mijn ouders ook niet stil. Ze verhuisden naar Sliedrecht en daarna naar Maassluis. Mijn moeder vond altijd ‘dat we zo ver weg woonden’,  maar nu had ze tevreden kunnen zijn. Alleen heeft ze die laatste verhuizing niet meer mee gemaakt.

Delft had niet mijn voorkeur. Ik houd van ruimte en rust, van Groningen en Friesland vooral. Die rust is hier ver te zoeken en bijna niemand spreekt hier Fries.

Maar we vonden een mooi plekje, een lot uit de loterij volgens sommige Delftenaren. Een ruim appartement met een eigen werkkamer op de begane grond en een parkeergarage zonder dat we een auto hebben. We wonen aan het water en aan een fietsroute. Ondanks de Randstedelijke drukte is het hier goed toeven.

Voor mijn werk maakt de woonplaats niet zoveel meer uit. Ik heb geen vaste baan meer, en als ZZP’er heb ik opdrachten door het hele land. De NS doet ondertussen weer goede zaken…

Of we nóg een keer gaan verhuizen? We dachten ook dat het huis in Alkmaar ons laatste huis zou zijn, maar daar zijn we ook niet blijven hangen. Voordeel van het huis in Delft is dat het meer levensloopbestendig is. En omdat mijn werkkamer voorzien is van douche en sanitair kan ik zelfs nog op mezelf gaan wonen....

De behandelaar is ook ‘maar’ een mens…

In de hulpverlening is het belangrijk dat je niet alleen naar de cliënt kijkt, maar vooral ook naar jezelf. Wat gebeurt er met mij als de cliënt zich op deze manier gedraagt?

Maar kun je altijd op die manier reageren? Nee, dat kan niet. De hulpverlener is ook ‘maar’ een mens. Psychiater Dorien Philipszoon schreef in het Tijdschrift voor Psychiatrie’ (oktober 2018) dat het ‘mentaliserend vermogen’ van een psychiater tijdelijk kan worden uitgeschakeld als hij of zij teveel ‘geraakt’ wordt door de cliënt. Dat is met name het geval in de omgang met mensen met een persoonlijkheidsstoornis. En in de psychiatrische hulpverlening heeft ongeveer de helft van de cliënten een persoonlijkheidsstoornis…

Ik had een afspraak met de moeder van één van mijn cliënten. Het was een goed gesprek. Moeder bedankte mij na afloop en zei dat ze zelden zoveel had durven te vertellen tegen een behandelaar. De volgende dag belde dezelfde moeder mij op. Ze was woedend, want ik had haar uitgehoord. En daardoor had ze dingen gezegd die ze niet had willen zeggen. Ze ging een klacht indienen bij de manager. En ze wilde nooit meer in gesprek met mij. En ik mocht ook niet meer als orthopedagoog betrokken zijn bij haar zoon, want ik ging hem vast uithoren over zijn moeder.

Wat was mijn reactie?

A. Ik zou kunnen zeggen of denken: je raast maar een eind door, typisch gevalletje borderline, de ene dag sta je op een voetstuk en de volgende dag val je kneiterhard in de put. Dat wordt de ‘alsof-modus’ genoemd. Ik koppel dan mijn gevoel los  van de werkelijkheid. Ik voel weinig, ik zet mijn eigen emoties buiten spel, ik rationaliseer, ik ben weinig empathisch.

B. Een tweede reactie is de teleologische modus: er moet nu iets gebeuren. Bijvoorbeeld: ik bied direct mijn excuses aan, zodat de angel uit het verhaal is gehaald. Of ik hoop het gesprek snel te kunnen beëindigen om dan direct  de manager te bellen om te voorkomen dat deze moeder mij vóór is met haar verhaal. De teleologische modus is dat ik iets moet doen, om zo mijn eigen ongeruste gevoelens weer kwijt te raken.

C. Een derde reactie is die van de  psychische equivalentie. Dat wat ik denk wordt direct realiteit. Als deze mevrouw mijn manager belt krijg ik een berisping en dan kom ik ook in het zwartboek van de aan lager wal geraakte GZ-psychologen.

In alle gevallen, schrijft Dorien Philipszoon, als je een stap over. Als je bedenkt dat er nu iets met jou gebeurt ben je al een klein stapje onderweg. Je kunt jezelf gaan bevragen. "Wat gebeurt er nu? Wat voel ik? Wat denk ik?" 

Wat is er aan de hand met mij?

Ad A. Als je denkt: ‘daar gáán we weer, altijd weer hetzelfde, hoe lang moet ik dat nog gaan meemaken’ heb je grote kans dat je in de alsof-modus functioneert.

Ad B. Als je snel iets wilt doen, dan zit je in de teleologisch modus: je wilt redden wat er te redden valt om erger te voorkomen.

Ad C. Als je bijvoorbeeld boos wordt op de patiënt heb je een grote kans dat je in de modus van de psychische equivalentie zit. De cliënt heeft jou zó geraakt dat je niet meer helder na kunt denken.

In alle gevallen ben je in feite het adequate contact met de patiënt kwijt, maar tegelijkertijd ook het contact met jezelf. Philipszoon schrijft: Je zou het gesprek eigenlijk even stop moeten zetten. Je zou tegen jezelf kunnen zeggen: ‘Wacht even, begrijp is zelf nog wel wat er nu gebeurt?’ Zijn mijn gevoel, mijn verstand en mijn handelen nog wel met elkaar in verbinding?

Volgens Philipszoon kun je - door jezelf even stil te zetten en jezelf te bevragen - vaak weer je mentaliserende vermogen terugkrijgen. De behandelaar is immers ook 'maar' een mens die geraakt kan worden door wat anderen bij hem of haar op kan roepen. Het hoort bij je professionele gereedschapskist dat je daar dan even bij stil probeert te staan.

Hechting en psychopathologie (2)

Ik waarschuw jullie alvast. Nu volgt er een ingewikkeld stukje. Er is een nieuw onderzoeksgebied dat zich richt op het vermogen om na te denken over het eigen denken. In hoeverre ben je in staat om na te denken over hoe je handelt. We hebben het dan o.a. over reflectie.

Stel dat je kritiek van iemand krijgt en je schiet direct in de verdediging. Het is allemaal niet waar! Op zo’n moment ben je niet in staat om na te denken over je eigen gedrag. Je slaat een paar stappen over en je gaat in de aanval of je trekt jezelf terug (‘vechten’ of ‘bevriezen’).

Op een simpele manier zou je dit vermogen vanuit de Transactionele Analyse kunnen omschrijven als de Volwassen-positie: je bent in staat om te geven en te nemen (‘dat wil ik, wat wil jij’). Als je direct in de aanval gaat kies je voor de Boven-positie ( de Ouder-Positie), als je ‘bevriest’ is het gevolg dat je in de Onderpositie terecht komt (de Kind-Positie).

Het vermogen om na te denken over je eigen gedrag heeft volgens recent onderzoek te maken met de kwaliteit van hechting. Dat geldt ook voor de andere kant van hetzelfde proces: de wijze waarop je in staat bent om je te verplaatsen in de motieven van de ander (dus achter het gedrag van de ander kijken). Voor mensen die dat kunnen is de ander ook beter voorspelbaar.

Vragenlijsten

Er bestaan vragenlijsten die in kaart brengen in hoeverre volwassen mensen veilig zijn gehecht. Eén van de opvallende uitkomsten van deze onderzoeken is dat slechts een deel van de mensen in staat is om tijdens het gesprek met nieuwe inzichten te komen door na te denken over het eigen denken.

“Ik zei dat ik de neiging heb om wat afstand in te bouwen jegens mijn vader.  Nu ik er wat meer over nadenk besef ik dat ik ook afstand houd omdat ik bang ben voor zijn cynische opmerkingen. Maar als ik er zo naar kijk besef ik ook dat mijn afstandelijke houding kan maken dat hij zich ook bij mij thuis minder op zijn gemak voelt. Nu ik dat allemaal op een rijtje zet bedenk ik dat we elkaar dan misschien op die manier wel emotioneel gevangen houden.”

Beeld van de ander en innerlijk observator

Wat je in het bovenstaande voorbeeld ‘ziet’ gebeuren is dat deze persoon een innerlijk observator heeft: hij kijkt naar zijn eigen denken en komt daarmee tot nieuwe inzichten. Maar diezelfde persoon heeft ook een beeld van de ander. Op basis van het kijken naar zichzelf en het beeld van de ander komt hij tot nieuwe inzichten.

Complexe zorgprocessen

Ontwikkelingen in de gezondsheidszorg laten zien dat het met name bij complexe zorgprocessen belangrijk is dat medewerkers en behandelaars in staat zijn om zowel achter het gedrag van de ander te kunnen kijken als om een goede innerlijke observator te hebben. ‘Als zij dat op die manier zegt zou dat wel eens te maken kunnen hebben met de manier waarop ik me op dit moment opstel’. En dat laatste heeft dan weer te maken met de thema’s overdracht en tegenoverdracht.

Beide termen werden door Sigmund Freud bedacht. Dokter Sigmund is al lang overleden maar zijn vindingen galmen nog steeds na. De overdracht kan twee kanten uit gaan.

Het kan zijn dat de patiënt in de behandelaar iets van (bijvoorbeeld) zijn eigen vader herkent. De boosheid op zijn vader kan een rol gaan spelen in de relatie tussen patiënt en behandelaar.

Afbeeldingsresultaat voor Sigmund therapieHet kan ook omgekeerd. De behandelaar herkent in de patiënt iets van zijn eigen ouders (zie het cartoon van dokter Sigmund). Op dat moment is het erg nodig dat de behandelaar inziet wat er nu met hem gebeurt…

Persoonlijkheidsstoornis

Als je naar de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis kijkt, dan zie je dat één van de kenmerken is dat mensen met een persoonlijkheidsstoornis vaak vast zitten in één patroon van reageren.

Bijvoorbeeld bij de narcistische persoonlijkheid: zodra iemand kritiek heeft wordt dat als een narcistische krenking gezien. Kritiek wordt ervaren als controleverlies en die controle moet direct worden teruggewonnen. De ander wordt meteen overdonderd met een spervuur aan woorden of gedrag. Er vindt geen nadenken over het eigen handelen plaats, maar ook geen ‘inleven’ in het waarom de ander zo handelt zoals hij handelt.

Volgens recente inzichten is er bij persoonlijkheidsstoornissen sprake van een gestagneerde emotionele ontwikkeling. Je zou daarmee ook kunnen zeggen: de hechting is niet voldoende tot rijping gekomen. En daardoor zijn mensen niet in staat om naar hun eigen emoties en gedrag te kijken en evenmin in staat om achter het gedrag van de ander kunnen kijken.