Sneeuwfietsen

Rond 2010 ontwikkelde zich in mijn hoofd en benen een nieuwe hobby: die van het sneeuwfietsen. Als het ging sneeuwen pakte ik de trein en reed de sneeuw tegemoet.

Deze winter is die hobby in het regenwater gevallen. Er viel nergens in de bereikbare omgeving sneeuw te bekennen. Maar afgelopen week dacht ik toch nog een kans te hebben: het zou mogelijk in Zuid-Limburg gaan sneeuwen.

Om half 9 zat ik klaar voor de treinstart. Maar een blik op een Limburgse webcam liet geen sneeuw, maar wel regen zien. Ik ben geen mooiweer-fietser, maar de hele dag regen en kou: dat is een zelfteistering die ik mezelf niet aan wil doen. Dus ik bleef maar thuis: er lag nog genoeg werk.

Een paar jaar geleden nam ik de trein naar Stolberg (voorbij Aken) om een eindje te gaan ‘heuvelen’. Bij Stolberg ligt de Vennradbahn, die is omgebouwd tot spoorlijn. Je kunt helemaal tot Luxemburg door fietsen. Zó ver ben ik in één dag nog nooit gekomen.

Bij mijn weten was er die dag helemaal geen sneeuw verwacht, maar opeens, bijna direct na een stukje viaduct dat de toegang vormt tot deze fietsroute, lag er sneeuw. Die bleef nog liggen ook. En dat in de eerste week van maart.

Het enige probleem vormde de afdaling terug naar Aken (bij Kornelimünster): het werd glad door een opvriezend wegdek en bovendien donker. Af en toe ben ik maar even gaan lopen…

Om toch een beetje aan sneeuw te denken plaats ik enkele foto's van een fietstocht van zeven jaar geleden (begin maart) toen er nog echte winters met sneeuw bestonden (...).

Identificatie en egostructuring (2)

Een kleuter is nog geen geheel. Zijn 'ik' bestaat uit stukjes. Je kunt zeggen: de fundamenten van de persoon liggen er al, de stenen zijn ook al aangekomen, maar nu moeten ze hun plaats nog krijgen. Het ik (ego) is er dus al wel, maar het is nog te fragmentarisch.

Wat gebeurt er als de stenen niet op hun plek komen? Als kinderen om de één of andere reden (vaak een interactie tussen allerlei factoren) hun identiteit in deze periode niet goed kunnen ontwikkelen?

We spreken dan van een gestagneerde (of bij ernstiger vormen: een geblokkeerde) sociaal-emotionele ontwikkeling. In sociaal-emotioneel opzicht blijft zo’n persoon dan de kwetsbaarheid of beperktheid van een kleuter houden. Terwijl de rest van de ontwikkeling verder gaat blijven sommige mensen sociaal-emotioneel in deze fase steken. Door de intelligentie wordt dat vaak gecamoufleerd, maar met name in perioden van stress komen de zwakke plekken boveb.

Neem mevrouw Eringa. Ze lijkt heel zelfstandig. Ze heeft over alles en iedereen haar woordje klaar. Ze weet precies hoe de wereld in elkaar zit. Ze meent goed te kunnen relativeren. Maar als iemand te dicht bij haar emoties komt 'ontploft' ze. Nog nét niet letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk. Ze scheldt een ander de huid vol, ze smijt met spullen, ze verscheurt papieren.

Mensen die haar kennen verbazen zich er regelmatig over. Hoe kan die ogenschijnlijk wijze vrouw soms zó de controle over zichzelf verliezen? Wat is er met mevrouw Eringa aan de hand?

Wat je ziet zijn de gevolgen van een zwakke sociaal-emotionele basis. Er is sprake van veel aangeleerd gedrag, waardoor mevrouw Eringa het onder normale omstandigheden redelijk redt. Maar bij stress komt de kwetsbaarheid en het wisselvallige gedrag van een kleuter boven. Dan functioneert ze bij wijze van spreken opeens als een volwassen kleuter.

Het is dus mogelijk dat iemand een emotionele basiskleur heeft zoals deze past bij een kleuter. Maar omdat het denken verder is gegaan lijkt het of de persoon veel verder is ontwikkeld. Echter: bij stress komt die emotionele basiskleur tevoorschijn. De persoon laat dan de kwetsbaarheid van een kleuter zien.

Brusselse straatkunst

Er bestaan veel soorten van graffiti (letterlijk: inkrassen). Het meeste is puur vandalisme. Het kost o.a. de OV-bedrijven jaarlijks miljoenen euro's om de schade aan graffiti te herstellen.

Toen ik vanuit de trein een aantal filmpjes maakte viel me pas écht op hoe veel gebouwen langs het spoor er totaal verloederd uit zijn gaan zien als gevolg van het prutswerk dat op gebouwen is gespoten.

In de USA is een deel van de graffiti gerelateerd aan gangs die daarmee hun territorium afbakenen. Een soort geurvlag in de vorm van een tag, die in één minuut geplaatst kan worden.

Maar er bestaat ook mooie ‘straatkunst’. Die wordt meestal met toestemming aangebracht. De kunstenaar maakt eerst een ontwerp en gaat daarna aan de slag.

In het havengebied van Antwerpen zag ik graffitikunst van misschien wel honderd meter lang op een schutting bij een bouwterrein. Het zou jammer zijn als die schutting weer wordt afgebroken.

Brussel is bekend om zijn vele striptekeningen op blinde muren van particuliere huizen. Er zit een grote variatie in stijlen in. Maar je kunt er een hele dagtocht aan besteden.

Wij maakten tijdens een twee uur durende wandeling een aantal foto’s van de schilderingen op gebouwen en viaducten.

Identificatiefase en egostructurering (1)

Tsja, dat zijn een paar moeilijke termen. Maar ik zal het proberen uit te leggen. Daar neem ik meerdere blogs de tijd voor.

Ik heb het over de periode tussen drie en zeven jaar. Zeg maar: ruim de kleuterperiode. Maar eerst even dit:

De basis van alle emotionele ontwikkeling ligt in de eerste drie jaar van het leven van kinderen. Dat zijn de fundamenten waarop de persoon gebouwd wordt.

Daarna moet die basis verder uitgebouwd worden. Deze fase (3 tot 7 jaar) wordt wel de eerste identificatiefase genoemd. Het is de periode waarbij je voorbeelden hebt (‘mijn pappa is de sterkste’) en op die voorbeelden wilt lijken (je wereld zo ordenen dat je een beetje op je voorbeeld gaat lijken.

De kleuter kan bijna alles
Kleuters hebben een goed ontwikkelde motoriek, beschikken over een goede sensorische integratie (samenwerking tussen de zintuigen), ze kunnen verbaal communiceren, ze kunnen goed waarnemen en het gevoelsleven is redelijk gedifferentieerd. Het zijn dus in zekere zin al kleine volwassenen.

De kleuter moet nog veel bijleren
Maar ze moeten nog heel wat bijleren. De losse fragmenten van het ik moeten structuur krijgen. Plannen en organiseren zijn zeker nog niet uitgekristalliseerd. Daar hebben kleuters volwassenen bij nodig. Ze moeten ervaren dat ze erkenning krijgen van die volwassenen. Die volwassenen moeten ook hun voorbeeld zijn: iemand op wie ze willen lijken.

Volgens Erik Erikson is die behoefte het sterkste richting de ouder van hetzelfde geslacht. De peuter (jongen) kan verliefd zijn op zijn moeder, maar de kleuter (jongen) wil vooral op zijn vader lijken en dingen met zijn vader doen.

Magisch denken
Kleuters denken nog sterk magisch. Ze trekken allerlei conclusies en verbanden zonder deze voldoende aan de realiteit te toetsen. Ze kunnen leven in een imaginaire wereld, een wereld die alleen in hun fantasie bestaat. Binnen die wereld voelen ze zich vaak ook almachtig.

Schone schijn
Er zijn kinderen die deze fase niet goed door komen. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat fantasie en werkelijkheid ook op latere leeftijd door elkaar blijven lopen. Aanvankelijk valt dat misschien helemaal niet zo op. De klasgenoten begrenzen zijn wereld en houden hem bij de les. Maar vooral vanaf de puberteit wordt de structuur minder en vervallen ze steeds meer in deze schijnwereld. “Keeping up appearances.”

Dat is ook de wereld waarin dictators als Nicolas Ceaucescu, Erich Honnecker en Saddam Hussein leefden. Ze misten de erkenning die  een kleuter nodig heeft om groter te groeien. Dus zochten ze zelf wanhopig naar erkenning. Ze raakten de band met de realiteit kwijt. Ze meenden dat iedereen hen waardeerde en voelden zich almachtig.
Het is ook de wereld van de oplichters van Tros Opgelicht. Ook die mensen kunnen het niet laten om te fantaseren over hun kwaliteiten. En daarmee palmen ze bijna iedereen in.

Maar ook dichterbij huis bestaat een wereld van mensen bij wie in hun verhalen ook fantasie en werkelijkheid steeds weer door elkaar loopt. Omdat ze in willen halen wat ze gemist hebben. De eigen wereld wordt mooier ingekleurd omdat de werkelijkheid hen teveel tegenvalt.

Naar de zee

We zijn steeds verder van zee gaan wonen.

Eerst woonden we 1200 meter van zee in Den Helder. Aanvankelijk zelfs met zicht op de vuurtoren. Daarna aan de rand van de binnenstad. Twaalfhonderd meter van de Texelse boot. Daar heet het het Marsdiep, maar het is eigenlijk toch nog de zee.

Vervolgens verhuisden we naar Alkmaar. Aan de westrand van de stad. We fietsten de polder in en dat kwam je bij Egmond uit. Fietste je door, dan was je in Egmond aan Zee. Daar was dan ook de zee, dus het klopte weer precies. Dat was bijna tien kilometer fietsen.

Tegenwoordig wonen we 15 kilometer van de zee vandaan. Maar ik 'moet' nog steeds af en toe de zee zien en het zout op mijn lippen voelen. Dus fietste ik weer naar de zee (bij Den Haag). Op een duintop maakte ik deze foto. De zon ging ondertussen bijna onder.

Dwang bij de tandarts

Het is nog maar één generatie geleden dat bij de standaard-uitrusting van de tandartsstoel in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking polsbanden hoorden. De meeste patiënten werden standaard in de stoel gefixeerd.

In de USA is verzet gekomen tegen deze vorm van behandeling, ook vanuit de kring van tandartsen zélf. Een redenering is: dat hoeft toch niet? We hebben toch genoeg vormen van sederende medicatie om patiënten rustiger te maken/houden?

Dat is typisch de situatie in de USA. Voor elk ongemak bestaat een pilletje. Onlangs was ik betrokken bij een consult waarbij de patiënt voor iedere controle (dus niet: behandeling) standaard onder narcose ging. Elk half jaar vond een narcose plaats. Inmiddels zag de patiënt de bui al hangen en ging hij vóór de narcose dusdanig in verzet dat er drie man (m/v) nodig waren om hem in bedwang te houden. Van een narcose leer je namelijk weinig. Het is eerder een vorm van vermijding.

Op de foto zie je een behandeling bij de tandarts die nog niet zo lang geleden plaatsvond. De patiënt verzette zich niet. In het dossier was dan ook niets te vinden over enige vorm van verzet. Als je zo gefixeerd wordt kun je je eigenlijk ook niet verzetten: je kunt (bijna) geen kant uit. Hoewel: je kunt nog een poging wagen om in de vinger van de tandarts te bijten.

We weten inmiddels dat het grootste deel van de patiënten met een verstandelijke beperking zonder dwang behandeld kan worden. In een (intern) artikel heb ik een aantal alternatieven voor dwang tijdens de behandeling kunnen beschrijven. Maar er zijn nog altijd ‘gevallen’ waarbij we nog geen alternatief hebben kunnen bedenken.

In maart vindt een avond plaats met tandartsen uit de gehandicaptenzorg en de geriatrie. Hoe kunnen we dwang zoveel mogelijk beperken? En hoe gaan we met die dwang om in het kader van de nieuwe Wet Zorg en Dwang?  De avond is inmiddels overtekend, dus er volgt een herkansing.

Medische vragenlijsten

Ik voel me niet ziek, hoewel mijn eerste elektrische typmachine een Smith Corona was. Toch moest ik gisteren een reeks aan medische vragenlijsten invullen.

Ik moest namelijk drie afspraken in het medische circuit maken, die ik maandenlang heb uitgesteld.

In de eerste plaats moest ik een afspraak maken met een endodontoloog. Dat is een wortelkanaaldeskundige. Bij toeval was er 2½ jaar geleden een ontsteking in een wortelkanaal ontdekt. Die is behandeld, maar het duurt twee jaar voordat de ontsteking verdwenen is. Blijft de ontsteking dóórgaan, dan heb je kans op allerlei gezondheidsproblemen, tot aan dementie toe. Dus dat moet even gecheckt worden. Het maken van de afspraak is gelukt, nu nog zien of ik de praktijk zonder ongelukken kan bereiken.

In de tweede plaats moest ik een afspraak maken met een slaapkliniek. Zo’n 15 jaar geleden heb ik een keeloperatie ondergaan omdat er sprake was van ernstige apneu. Dat was grotendeels verdwenen, maar die klachten komen nu terug. Dus moet er iets aan gedaan worden, want apneu is niet ongevaarlijk. Maar voordat je toegang krijgt tot een slaapkliniek moet je eerst een heel pakket aan vragen beantwoorden… Hoe je je voelt, of je energie hebt, hoe vaak je ’s nachts moet plassen, of je tijdens een gesprek spontaan in slaap valt enzovoorts. Ik ben wat dat betreft wel een treffend voorbeeld, want ik ben ooit op de fiets in slaap gevallen.

In de derde plaats moet ik een gehooronderzoek ondergaan. Dat heb ik al eerder laten doen en toen vond de KNO arts dat ik eigenlijk een gehoor-apparaat nodig had. Ik vond van niet, het was wel lekker rustig zo. Als je de bel niet hoort koop je ook geen verkeerde dingen van colporteurs. En van de autoweg heb ik ook geen last, die heb ik in ons huis nog nooit gehoord (en Tineke hoort hem altijd).

Maar als je het Journaal alleen nog met ondertiteling kunt volgen wordt het toch wat ongemakkelijker, zeker als je voor het volgen van die ondertiteling eerst je bril moet opzoeken. Die kun je weer niet vinden omdat je voor het vinden van je bril eerst je bril op moet zetten. Maar wat je allemaal niet moet beantwoorden voordat je toegang krijgt tot een gehooronderzoek… Tien bladzijden aan medische vragen…

We zullen maar zeggen: de ouderdom komt met gebreken. Ik vind dat ik voor mijn leeftijd (bijna 70) verder nog best aardig kan meekomen... En de lezers van dit blog raad ik aan om de ouderdom nog even uit te stellen...