Begeleiding bij onveilige hechting (2)

Vanaf het begin van mijn werk ben ik altijd erg geïnteresseerd geweest in het onderwerp ‘hechting’. Wat maakt nu dat sommige kinderen zich bij volwassenen of bij leeftijdgenoten nooit op hun gemak voelen? Waarom roepen andere mensen spannen bij hen op?

Chris

Beelden die veel indruk op mij maakten kwamen uit het leven van Chris, een kleuter die op de leeftijd van één jaar was geadopteerd (het eerste jaar van zijn leven verbleef hij in een groot kindertehuis in Brazilië).

Chris was een vrolijke peuter, en hij huilde nooit. Op één van de filmfragmenten is te zien hoe hij zich ontzettend zeer deed. Hij zit zich werkelijk twee minuten lang te verbijten, maar hij zoekt op geen enkele manier troost.

Als je niet huilt en geen troost zoekt blijft de stress in je lichaam zoeken. Die stress kan zich bijvoorbeeld vertalen in heel druk gedrag.

Geen samenspel

Als je beter keek naar de beelden van Chris vielen er nog meer dingen op. Chris zat inmiddels in groep 1 van de basisschool. Van een kleuter mag je verwachten dat hij (in de nabijheid van volwassenen) samen kan spelen met andere kinderen.

Bij Chris zag je weinig tot geen samenspel. Als er drie kinderen de kar de ene kant uit trokken ging Chris de andere kant uit. Als er een opdracht uitgevoerd moest worden was hij nét met iets anders bezig. En bij een polonaise door de klas weet je al waar de ketting breekt: Chris gaat héél iets anders doen.

Geen ingang

De adoptieouders van Chris hebben alles voor hun zoon over. “Maar” zegt moeder, “hoe vaak we hem ook zeggen dat we blij met hem zijn, hoe vaak we ook proberen hem liefde te geven, het landt niet. We hebben na een paar jaar nog steeds het gevoel dat we bij het begin staan.” De ouders ervaren de zorg voor Chris als een ‘bodemloze put’: ze verzenden veel liefdestaal, maar het bereikt de ontvanger niet.

De oorzaak van deze omstandigheden zit in het eerste levensjaar van Chris, toen er niemand voor hem was. Als hij honger had kwam er niemand, als hij huilde was er niemand die hem troostte. En in dat eerste jaar wordt het fundament voor de hechting gelegd.

Behandeling

Er zijn inmiddels allerlei vormen van behandeling om alsnog de hechting op gang te helpen. Maar: hoe later je daarmee begint, hoe lastiger het wordt. Er staat dan al een huis, maar de bodem is er nog niet. Probeer dan maar eens alsnog een fundament aan te leggen.

De situatie van Chris was echter niet hopeloos. Er waren inderdaad mogelijkheden om hem de delen van de hechting die hij gemist had alsnog in te halen.

Overleven

Niemand van ons is echt veilig gehecht. We lopen in onze ontwikkeling altijd deuken en blutsen op. Maar bij kinderen en volwassenen die onveilig zijn gehecht zijn die emotionele deuken en blutsen zó groot dat ze vooral bezig zijn te ‘overleven’. De volgende keer enkele voorbeelden van dat overleven.

 

Begeleiding bij onveilige hechting (1)

Een gezonde (veilige) hechting vormt de basis voor alle emotionele ontwikkeling. Een verstoorde hechting heeft dan ook ernstige consequenties voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

Aangeboren en omgeving

Een veilige hechting is niet alleen van de opvoeding afhankelijk, maar ook van factoren in het kind zelf. Zo heb ik al eerder beschreven hoe een moeilijk temperament (dat is aangeboren) ook de hechting moeizamer doet verlopen.

Maar er zijn wel degelijk opvoedingsfactoren die de hechting negatief kunnen beïnvloeden.

Als er sprake is van ernstige problemen die te maken hebben van aantoonbare lacunes in de opvoeding spreken we van een reactieve hechtingsstoornis. Daardoor is het kind niet in staat geweest om zich niet veilig te kunnen verbinden met (een beperkt aantal) volwassenen.

Twee basisvoorwaarden voor veilige hechting

Ooit heb ik een vijftiental factoren genoemd die de veilige hechting onder druk zetten.

Ik doe het nu andersom: ik noem nu twee factoren die een gunstig effect hebben op de hechting:

a) Het kind heeft een beperkt aantal vaste opvoeders die jarenlang met het kind optrekken (in ieder geval minstens de eerste drie jaar)

b) De opvoeders zijn sensitief (gevoelig voor de signalen die het kind uitzendt) en responsief (ze weten hoe ze op het kind moeten reageren)

Waarom is veilige hechting belangrijk?

Ook hier kunnen allerlei factoren benoemd worden. Ik beperk me tot drie factoren:

a) kinderen die veilig gehecht zijn ontwikkelen zich meer sociaal, kunnen gemakkelijker met anderen omgaan

b) kinderen die veilig gehecht zijn hebben een meer gezonde emotionele ontwikkeling. Dat maakt dat ze ook minder vatbaar zijn voor stress.

c) kinderen die veilig gehecht zijn hebben meer energie ‘over’. Ze zijn minder angstig en meer weerbaar. Daardoor zijn ze meer in staat om zich te ontwikkelen en nieuwe (en gevarieerde) dingen te leren.

Eén op de drie

Een aanzienlijk deel van de kinderen in Nederland is onveilig gehecht. Er worden cijfers genoemd van ongeveer 1 op de 3 kinderen. Wie onveilig is gehecht heeft weinig vertrouwen in anderen op kunnen bouwen. Dit betekent dat hun leven voor een groot deel door angst wordt gekleurd. Ze zijn bezig te overleven, in plaats van te leven.

Evenwicht

Als werkhypothese bij jonge kinderen wordt genoemd dat veilige hechting zichtbaar is aan het feit dat het kind een evenwicht zoekt tussen het er op uit gaan als de situatie veilig is. Als de situatie onveilig is zoekt het kind de vertrouwde opvoeders op en laat zich door hen beschermen en troosten.

Kinderen die onveilig gehecht zijn ervaren de ouder/verzorger niet als bron van troost. Ze raken bijvoorbeeld gespannen als de opvoeder dicht in de buurt komt of ze vermijden hun ouder of verzorger en gaan (ook in bedreigende situaties) vooral hun eigen gang.

Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.

Meten van emotionele ontwikkeling

Een stukje uit mijn vak. Misschien wat te technisch, maar ik wil het toch even een plekje geven.

Al sinds de eerste proefversie van de SEO (Schatting Emotionele Ontwikkeling, een schaal die de sociaal-emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking in kaart brengt) heb ik gewerkt met deze schaal. Ik volgde toen een intensieve cursus bij Prof. Anton Dosen, de bedenker van deze schaal. Inmiddels ben ik er zo’n twintig jaar mee aan het werk en ik vind het een bijzonder goed bruikbaar instrument.

Kritiek

Al vanaf het begin heeft de schaal echter ook veel weerstand opgeroepen. Eén van de voornaamste kritiekpunten is dat de schaal onvoldoende geformuleerd is in termen van concreet gedrag. Die critici willen veel meer meetbare items zien (zie Jan Gielen in het NTZ, december 2016)

Ik noem als voorbeeld (het item staat niet exact op deze manier in de schaal beschreven): “Raakt gemakkelijk van slag als de belangrijke opvoeder uit de buurt is”, dan wil men dat veel preciezer zien: na hoeveel minuten en hoe raakt die persoon dan van slag, wat zie je aan hem?

Of een ander denkbeeldig item: “heeft moeite om samen te spelen/ samen te werken met leeftijdgenoten”: hoe ziet die moeite er dan uit? Laat iemand de ander links liggen? Wordt speelgoed niet gedeeld? Speelt iemand steeds de baas? Kan hij niet tegen zijn verlies? Kan hij niet met anderen spelen als de moeder niet in de buurt is?

Wat men dan graag zou willen is dat je aan de hand van waarneembaar gedrag zou kunnen scoren op welke leeftijd iemand functioneert. En wat men verder zou willen weten is: is dit bijvoorbeeld vooral bij jongens het geval, heeft het te maken met de ernst van de verstandelijke beperking, hangt het samen met andere beperkingen, zoals bijvoorbeeld autisme?

Subjectief

De indruk die bestaat is dat de antwoorden op de schaal erg subjectief gekleurd worden door de invuller en door de vragensteller. Het is maar net hoe de vraag wordt gesteld en hoe de vraag wordt beleefd welk antwoord er uit rolt.

Dat kan inderdaad gebeuren. Maar dat was in de ontwerpfase veel sterker het geval dan tegenwoordig. Je kunt deze schaal ook niet zomaar afnemen. Vragenstellers moeten ook erg goed op de hoogte zijn van de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

SEO breder ingezet

Aan de andere kant heeft onderzoek aan de Universiteit van Gent aangetoond dat de schaal wel degelijk in redelijke mate betrouwbaar en valide is. Inmiddels wordt de schaal ook in meerdere landen gebruikt en begint ook de psychiatrie gebruik te maken van de kennis die met behulp van deze schaal kan worden opgebouwd. Daarnaast zijn – met de komst van twee herziene versies – de items ook veel concreter geworden.

Geen diagnostisch instrument

Critici beweren dat de SEO eigenlijk niets meet. Maar daarmee doen ze de bedoeling van de schaal geen recht. De SEO en zijn opvolgers zijn niet bedoeld als een diagnostisch instrument.

Je kunt niet op basis van deze schaal zeggen dat een persoon sociaal op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden functioneert en dat hij emotioneel op de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden functioneert.

De grote winst van deze schaal is dat de afname van de schaal een dialoog tot stand kan brengen tussen hulpverleners, familie en andere betrokkenen over de aard en de mate van ondersteuning die iemand nodig heeft.  Er hoeft dus zeker geen exact aantal jaren en maanden uit te komen.

Korte commandotijd

“Meneer, neemt u maar van mij aan, ik zal u zeggen hoe het zit, mijn zoon heeft 19 jaar bij mij thuis over de vloer gewoond, ik ken hem van die haver tot die gort, hij heeft gewoon van die periodes. Jullie willen hier veel te veel uitleggen. Maar dat hoort hij niet. Hij zit zogezegd in zijn eigen wereld. Dan moet je gewoon een korte commando strooien. Je zegt Zit! (ze knipt hard met de vingers), je zegt Eet!  je zegt Bad! Dat is gewoon die hele eieren eten. En nu zit hij weer in die korte commandotijd. Daar kun je niks aan doen. Dat heeft hij met die wisselende seizoen hier in die Nederland. In de winter, in de lente, in de zomer en in de herfst. Maar het gaat altijd weer over. Neem dat nu maar van mij aan, ik ben zijn moeder, van die haver tot die gort ken ik hem.

Dan moet je ook niet met hem gaan puzzelen. Dat doet hij niet. Jullie willen altijd maar puzzelen. Jij moet ook niet gaan tekenen. Dat leren jullie op die school. Jullie willen allemaal gaan tekenen. Dat doet hij niet. Neem dat nu maar van mij aan want ik ben zijn moeder. En al mijn kinderen, die willen niet puzzelen, die willen niet tekenen. Dat zit gewoon in ons familie. Wij puzzelen niet en wij tekenen niet. Daar zijn wij niet voor in die wieg gelegen.

Wat jullie kunnen doen is voor die jongen gaan zingen. Wij komen allemaal uit een muzikale familie. Toen ze klein waren ging ik voor al mijn kinderen zingen. Daar werden ze rustig van. Maar je moet niet gaan puzzelen. Nergens goed voor. Niet gaan tekenen. Ook nergens goed voor. Mijn andere kinderen ook. Dat doen ze niet. Maar ze houden wel van die muziek. Daar zijn ze de hele dag zoet mee. Jullie moeten gewoon voor mijn zoon gaan zingen. Dat is goed voor hem. Neemt u dat nou maar van mij aan, want ik ben zijn moeder en ik ken hem van die haver tot die gort. Die jongen heeft 19 jaar bij mij in huis gewoond.

En dan zegt u van die emotie van die jongen. Daar moeten jullie je helemaal niet mee bezig houden. Die emotie gaat gewoon over. Vanzelf. Dat heeft hij in die winter en in die lente en in die zomer en in die herfst. Dat hebben wij allemaal. Maar dat gaat wel weer over. Jullie maken je zorgen, maar dat moet helemaal niet. Het komt allemaal weer goed zo waar als ik hier zit, meneer. Ik weet het toch. Ik ben toch die moeder.

En dan lees ik ook nog over die seksualiteit. Meneer, ik ben zijn moeder en wij gaan daar heel gewoon mee om. Dat heb ik mijn kinderen uitgelegd. Dat zit er allemaal in want mijn zoon is een grote jongen. Hij is een hele kop groter dan zijn moeder. Zijn vader was ook zo groot, maar dat weet hij niet want die kent hij niet. Die man is met de noorderzon vertrokken. Ik weet niet waar die vader zit.

Waar was ik ook alweer gebleven. Oh ja, die behoefte van die jongen. Dat heeft die jongen gewoon. En daar moet je niet moeilijk over doen. Ik zeg tegen hem: als je wat wil doen moet je dat gewoon doen, jongen. Daar word je weer rustig van. Maar niet op de bank. Dat doe je op de WC. Drie keer trekken en het is over. Ja, zo is het toch? Zo gaat dat nu eenmaal. En dan komt hij weer helemaal ontspannen bij mij in de kamer. Ik ken hem toch. Hij heeft 19 jaar bij mij in die huis gewoond. Ik ben zijn moeder. Ik ken hem van die haver tot die gort.

Zo, ik heb genoeg gepraat. Was dit de vergadering? Dan heb ik mijn woordje weer gedaan. Jullie doen zo moeilijk, maar het is heel gewoon zo. Zo is het.

Vorige week heb ik wel op die Merel gemopperd. Ze kreeg zogezegd de storm van voren door de telefoon, maar het was allemaal in mijn hoofd opgestapeld. Dat moest er even uit. Maar die Merel is echt goud waard hoor. Dat is een hele beste begeleiding. Mijn zoon heeft het ook altijd over haar. Dus als ik ga schelden bedoel ik dat niet zo. Het moet er alleen maar even uit. Zo, ik heb gezegd. Jullie weten het weer. Maak je nou maar geen zorgen. Het gaat allemaal weer over. Het is mijn zoon. Ik ken hem van die haver tot die gort. Hij heeft 19 jaar bij mij in huis gewoond. En moeders weten dat gewoon. En ik zeg maar zo: praat niet zoveel tegen die jongen. Hij zit in zijn korte commandotijd. Dat gaat weer over. Vanzelf. Als je je maar geen zorgen maakt. Zo is dat! Ik heb gezegd.”

Oplossingsgericht werken (5, slot)

Klagers hebben ook vaak baat bij problemen. Het is hún manier om aandacht te leiden en af te leiden. Ze kunnen dus ook niet zonder problemen. Veel therapeuten benoemen dat verschijnsel als ziektewinst. Maar op die manier verleg je de hulpverlening weer naar het oordeel. Dan ben je als hulpverlener de klager die de oorzaak bij de cliënt zoekt: hij moet veranderen.

Een manier waarop je verder kunt denken om uit deze impasse te komen is opnieuw het stellen van oplossingsgerichte vragen. Je hebt een probleem, maar wat wil je voor dat probleem in de plaats? Als het probleem wordt opgelost, wat doe je dan anders? Heb je zelf een idee en kan ik je daarbij helpen?

Voorbeelden van klagers

Vraag je aan hulpverleners wat door hen als zware contacten worden ervaren, dan kom je vaak op de klagers uit. Dat zijn de mensen die het meeste opvallen. Uiteindelijk (als je na een lange reeks van jaren kijkt) denk ik dat tóch de klagers niet het meest belastend zijn. Maar daar zou ik een andere keer over moeten schrijven.

De klager geeft je het gevoel dat het nooit goed is. Je komt één keer in de maand op bezoek, maar het moet iedere week. Je komt iedere week op bezoek, en het moet iedere dag. De hulpverlener moet dag en nacht bereikbaar zijn.

Of de mevrouw die vertelt dat ze nooit kan slapen. Altijd maken de buren lawaai, tikt de klok te hard, blaft de hond en heeft haar lastige zus weer ’s avonds opgebeld. Al die mensen moeten veranderen en de dokter moet de goede medicijnen voorschrijven.

De moeder die vertelt dat haar kinderen nooit luisteren. Altijd maar weer heeft ze het over de last van het moederschap. En over al de ziekten van haar kinderen waar ze altijd maar weer voor klaar moet staan. De dokters die haar niet begrijpen. Komt er een advies, dan is het direct: ja, maar (‘dat helpt tóch niet’).

Een blik in het verleden

Soms kan het nodig zijn om dieper in de achtergrond van een persoon te duiken. Dat is strijdig met de oplossingsgerichte methodiek die ik heb beschreven. Die methode gaat er vanuit dat je blik op de toekomst gericht moet zijn. Vanuit mijn achtergrond zie ik echter belangrijke sleutels voor ‘begrip’ in het verleden liggen. Die moeder heeft ook een reden om te klagen. Die reden kan in het heden liggen, maar ook zijn wortels diep in het verleden hebben.

Een persoonlijk verhaal. Jarenlang had ik contact met een bejaarde mevrouw die mij ‘te pas en te onpas’ belde. Zelfs op feestdagen (als ik dacht rustig bij het gezin te kunnen zijn) belde ze op ‘waar ik bleef’. Totdat ik er in een gesprek achter kwam dat ze als jong kind uit huis was geplaatst na het overlijden van haar zusje. Toen kon ik opeens de ‘link’ leggen tussen het ‘nooit genoeg aandacht’ en haar geschiedenis. Dat maakte voor mij het klagen beter hanteerbaar.

De ander moet mij helpen 

Het Handboek Oplossingsgericht Werken (door John Roeden en Fredrike Bannink) omschrijft de klager als een persoon met lijdensdruk. Maar de klager ziet zichzelf niet als onderdeel van het probleem. De ander is er om het probleem op te lossen. De klager kan zijn of haar dagen vullen met verhalen wat anderen hem of haar aandoen, zonder zicht te hebben op het eigen gedrag. “Ik krijg nooit van iemand post”. Maar diezelfde klager zal de ander nooit een kaartje sturen.

De klager herken je in zijn klachten aan woorden als ‘altijd’ of ‘nooit’. Vaak is je eerste reactie: tegengas geven, ontkennen. Daar reageert de klager op met een ‘ja, maar’. De valkuil is dat je de klachten niet serieus neemt. Want als iemand eenmaal de naam van een klager heeft opgebouwd hebben we de neiging om die persoon niet serieus te nemen en hem of haar te mijden. Daarmee maak je het probleem alleen maar groter.

Het probleem (h) erkennen

Je antwoord begint dus met de erkenning van het probleem. En dat moet je ook nog eens serieus menen! “Ik begrijp dat u het jammer vindt dat er zo weinig psalmen worden gezongen” (daar zit al een relativering, een bijsturing in, want je gaat niet mee in het ‘nooit’ van de klager).

Dat klagers lang niet altijd gelijk hebben blijkt uit de uitspraken over het OV (‘de trein is altijd te laat’, in werkelijkheid rijdt meer dan 90% op tijd) en over het weer (‘het regent altijd’, in werkelijkheid heb je op 90% van de dagen geen paraplu nodig).

Veel klagers vertellen verhalen als ‘dat kan ik toch niet’, ‘dat durf ik toch niet’, ‘ze luistert toch niet naar me’ (toch is ook een sleutelwoord!). Je moet er dan achter komen of de klager niet alsnog een héél kleine uitzondering ziet.

Bij sommige mensen regent het altijd, maar soms regent het iets minder hard.

Daar moet je op doorvragen. Dat moet je heel concreet en in kleine stappen doen. We maken de stappen vaak veel te groot, veel te abstract en in de toekomst gericht ( ‘loop er maar gewoon naar toe, het lukt je wel’).

Bij de klager begin je niet met oefenen (dan haken ze al direct af). Je laat ze eerst observeren of ze niet ooit uitzonderingen hebben meegemaakt. “Loopt de baas echt alleen maar te mopperen op jou? Wat zei hij vanmorgen tegen jou?”

Vragen die je kunt stellen aan klagers

Dit zijn een paar voorbeelden van vragen aan klagers:

 * “Ik kan de wereld niet veranderen. Hoe kan ik je wel helpen?”

* “Wat heb je wel eens geprobeerd? Wat ging er beter? Wat ging er minder goed?”

* “Het is een groot probleem voor je. Wanneer is het probleem ietsje minder?”

* “Je hebt verteld wat je niet wilt. Kun je bedenken wat je wél wilt?”

* “Wanneer had je voor het laatst een goede dag? Welke dagen gaan beter dan andere dagen?”

“Zit je ’s morgens minder goed in je vel of ’s middags?”

* “Wat kunnen anderen doen zodat het beter met jou gaat?”

En nu maar stevig oppassen dat we de wereld niet gaan opdelen in ‘bezoekers’ en ‘klagers’. Want dat zijn we allemaal wel eens! Het gaat uiteindelijk toch steeds weer om unieke mensen!

Pedagogisch Weltevree

Eindelijk wisten we hoe het zat. Als we maar positief genoeg zouden opvoeden zou iedereen gelukkig worden. Gelukkige ouders omdat ze geen conflicten meer hebben met hun kinderen, gelukkige kinderen omdat ze overal over mee mogen denken. Ouders en kinderen samen in het sprookjesachtige Pedagogisch Huisje Weltevree.

Nou ja, als we eerlijk zijn waren we niet de eersten. Jean Jacques Rousseau had in de 18e eeuw ook al van die ideeën. Zijn vijf kinderen kwamen in kindertehuizen terecht, dus dat experiment was niet helemaal geslaagd. Maar wij zijn nu heel wat wijzer, wij maken die fouten niet meer…

En dan komen er opeens een paar pedagogische hotemetoten die beweren dat het allemaal niet zo goed is. Wat zullen we nú krijgen? We hadden toch eindelijk het pedagogische wiel uitgevonden? Maar helaas, dat wiel blijkt niet helemaal zo goed te draaien. Sterker nog: het loopt spaak. De verlichte ideeën van de flowerpower blijken uiteindelijk een kweekvijver voor narcisten te zijn. Positief opvoeden heeft negatieve effecten op kinderen. Ze worden allemaal prinsessen (m/v) op erwten met ouders die in de bonen zijn.

Opmerkelijk was dat uitgerekend de links-liberale Volkskrant destijds één van de eerste media was die het aandurfde om de praatjesmakers-subcultuur de bel aan te binden. Dat resulteerde twintig jaar geleden in een bundel bijdragen van historisch pedagoge Mirjam Schöttelndreier: Monsters van kinderen, draken van ouders. Kinderen zijn zo bewust gepland en zó gewenst dat ze worden gebruikt als trofeeën van fantastisch ouderschap. Maar er ging nog bijna een generatie overheen voordat de gevolgen van de pedagogische grenzenloosheid echt in de publiciteit aan de orde werden gesteld.