Kinderangsten (10)

Vermijding

Je moet naar de tandarts. Je durft de stap niet te nemen. “Gelukkig” heb je een koutje gevat. Dat is voldoende reden om de tandarts af te bellen. Eerst ben je opgelucht. Daarna neemt de spanning toe. Je moet immers een nieuwe afspraak maken? Dat stel je uit, want je ziet er tegenop.

Uiteindelijk bel je op. Het antwoordapparaat meldt dat de tandarts de komende twee weken met vakantie is. Opnieuw ben je opgelucht. Daar ben je voorlopig vanaf.

Na ruim twee weken begint de spanning weer te knagen. Je ziet nu nóg meer tegen de afspraak op. Niet alleen tegen de afspraak met de tandarts, ook tegen het máken van die afspraak.

Bovendien word je ook nog eens bang dat de tandarts een opmerking zal maken dat je zo’n tijd niet geweest bent. Zo stapelen allerlei angsten zich op. Het vermijden van de afspraak maakt –na een zeer korte opluchting- de angst alleen maar groter.

(zie ook de blogs over oorzaken van uitstelgedrag). 

Gevoelig, maar ook doelbewust

In besprekingen vergelijk ik het hanteren van angsten door opvoeders vaak met judo. Je gaat als opvoeder even mee om daarna bij te buigen. Juist door het delen van angsten creëer je een brug, waardoor gedeelde smart halve smart wordt.

Een vorm van het delen van de angst is het verwoorden van wat je aan het kind ziet. “Ik zie dat je bang bent. Dat begrijp ik best……”  Soms speel je ook even mee en jaag je die rare kerel even weg uit de tuin. Dat wil echter niet zeggen dat je in de angst van het kind op moet gaan. De ouder die mee bang wordt versterkt de angst van het kind.

“Een sensitieve, maar tevens eisen stellende opvoedingshouding” (M.M.W. Oosterhof-van der Pol) is de meest doeltreffende manier om angsten de baas te worden. Denk maar eens aan de bemanning van een vliegtuig. Veel passagiers zijn bang, maar als de bemanning rust uitstraalt is de angst aanmerkelijk minder. Als de passagiers merken dat de bemanning in paniek raakt neemt ook bij hen de angst enorm toe.

Opvoeder als houvast

Opmerkelijk is overigens dat uit een onderzoek onder tandartsen komt naar voren dat patiënten het meest bang worden als de tandarts zelf enorm tegen de behandeling op ziet. Een duidelijke benadering waarbij de tandarts zelf de regie in handen heeft werkt het meest angstreducerend voor de patiënt.

Ik zit in een vliegtuig. Het is erg onrustig door turbulentie. Plotseling zie ik een flits en er klinkt er een harde knal. Het eerste wat ik doe is naar de stewardess kijken. Ze schrikt duidelijk. Ik denk: ‘dit was dus echt heftig’. 

Kinderen hebben de neiging om eerst naar de opvoeder te kijken als er iets spannends gebeurt. Ze lezen angst of vertrouwen af aan de ogen van de moeder (of vader). Een rustige houding van de opvoeder (‘het komt allemaal goed’) leidt tot minder angst bij het kind.

We-dentity en I-dentity

Dat klinkt heel ingewikkeld. Ik heb er al eerder over geschreven. De begrippen komen uit de theorie achter de schaal voor emotionele ontwikkeling (SEO R 2). De theoretische onderbouwing werd voor een deel geschreven door de Belgische orthopedagoge Lien Claes (2016).

Het eigen ‘ik’

In de sociaal-emotionele ontwikkeling is de grootste verandering de ‘ik-ontwikkeling’. De baby en de jonge peuter hebben nog geen eigen ‘ik’. Lien Claes schrijft in dat verband over we-dentity: het kind valt in emotioneel opzicht nog samen met belangrijke anderen. Vanaf ongeveer anderhalf jaar begint het eigen ‘ik’ op gang te komen. Het kind ontdekt dat hij ook iets anders kan willen dan de volwassene.

Twee jaar en drie jaar

In de cursussen die ik geef over sociaal-emotionele ontwikkeling noem ik voor peuters twee fasen:

2 jaar: “Ik ben twee en ik zeg nee”

3 jaar: “Ik ben drie en ik wil de regie.”

Het verschil tussen die twee jaar en die drie jaar is dat een kind van twee jaar nog niet goed kan ‘plannen’. Het weet dus wel wat het niet wil, maar nog niet (goed) wat het wél wil.

Gestagneerd of geblokkeerd? 

Vroeger dacht ik dat de meest spannende fase in de ontwikkeling het zich leren hechten was. Inmiddels denk ik daar anders over: de meest spannende emotionele opdracht is het leren loslaten. Er zijn kinderen bij wie dat niet lukt. Prof. dr. Anton Dosen spreekt daarbij van twee varianten:

a) De gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling gaat op allerlei terreinen wél verder, maar de sociaal-emotionele ontwikkeling stagneert)

b) De geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling op alle gebieden loopt vast, dus ook de intelligentie blijft vér achter).

In vogelvlucht

Er kunnen tientallen aspecten genoemd worden rond de kenmerken van een vroege sociaal-emotionele ontwikkeling. Ik licht er nu uit mijn eigen bevindingen één aspect uit: de sociale ontwikkeling. Hoe reageren mensen in een bepaalde fase op andere mensen? Dat doe ik heel kort, want ook hier valt weer een boek over te schrijven.

a) Tot zes maanden overheerst de chaos. Het kind kan zelf geen structuur in het leven aanbrengen. Dat betekent ook dat de reactie naar anderen toe ‘chaotisch’ is. Het kan uiteindelijk zo zijn dat iemand die op dit niveau functioneert zichzelf af gaat sluiten van de omgeving en daardoor juist heel star wordt.

b) Van zes tot achttien maanden vallen de emoties van kinderen voor een belangrijk deel samen met die van belangrijke personen uit de omgeving.

Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een volwassene die in deze fase is gestagneerd de kleur van de ander aanneemt: houdt de bezoeker van Ajax, dan wordt die persoon ook een fan van Ajax; houdt de bezoeker van klassieke muziek, dan luistert de betrokken persoon ook graag naar klassieke muziek. Maar dat kan dus zomaar omslaan in Feijenoord en in heavy metal. 

c) Van achttien tot zes-en-dertig maanden zie je dat de angst voor controleverlies groot is. Het eigen ik is kwetsbaar. Daarom zijn deze mensen iedere keer weer bang dat een ander de regie overneemt. Deze fase vertaalt zich bijvoorbeeld in verzet tegen alles wat een ander vraagt (‘als het moet doe ik het niet’).

In sociaal opzicht valt o.a. op dat mensen goed weten wat ze zelf willen. ‘Dat wil ik’ is een sleutelbegrip. Maar ook ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken’. ‘Wat wil jij’ komt als wisselwerking en als beurtverdelen nog niet ter sprake.

En als je om je heen kijkt zul je ontdekken dat er heel wat volwassenen zijn die in sociaal-emotioneel opzicht zich vaak nog als peuters gedragen…

Kinderangsten (9)

Angst is dus nodig en nuttig. Niemand kan functioneren zonder angst. Als je niet een beetje bang bent ga je je roekeloos gedragen. Angst kan een prikkel zijn om toch maar even extra alert te zijn of wat extra inspanning te leveren.

Maar: als de angst je hele leven gaat beheersen wordt het pathologisch, ziekmakend. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een fobie: je leven wordt beheerst door een bepaalde angst die voortdurend aanwezig is. Het is géén probleem als je bang bent voor spinnen, want je denkt er in het dagelijks leven niet aan. En angst voor krokodillen kan al helemaal weinig kwaad in Nederland.

Maar: als je iedere dag overal rondkijkt of er niet een spin zit wordt je leven belemmerd door de angst voor spinnen. Dan spreken we dus van een fobie.

Neurotische angst en morele angst vragen soms ook om behandeling. Als alle  energie gaat zitten in de angst dat je het niet goed doet wordt je leven onplezierig. Je haalt geen diploma omdat je geen energie hebt om te leren (Erikson spreekt van ‘waden door de stroop’).

De behandeling van meer concrete situaties gebeurt vaak met gedragstherapie, de dieperliggende spanningen worden vaak behandeld met psychotherapie in combinatie met medicijnen.

Bij psychiatrische ziektebeelden zien we zeer ernstige vormen van angst. Dit is bijvoorbeeld het geval bij psychosen en bij dementie. Het lijden is dan vaak zeer acuut. Men komt er steeds meer achter dat de kleur van de psychose vaak verband houdt met het type angst dat vroeger bepalend was tijdens het kinderleven (bijv. iemand met achtervolgingswaan was vroeger bang dat hij niet gezien en dus vergeten werd).

Angst hoort ook bij de normale ontwikkeling van kinderen. Iedere fase binnen die ontwikkeling kent zijn eigen angsten. Maar soms bepaalt ook de angst teveel het leven van kinderen en is er behandeling nodig.

Kun je angsten dan behandelen? Jazeker! Maar niet altijd en ook niet voor 100%. Daarnaast vind ik het wél belangrijk dat je ook in de gaten houdt dat er altijd verschillen in angstgevoeligheid blijven.

Opvoedingsfouten in relatie tot angsten

– Soms hebben ouders de neiging om de angsten van het kind af te doen als onzin. Daarmee laat je het kind alleen met zijn angsten. Het durft zelfs niet meer te zeggen dat het bang is.

– Andere ouders worden boos om de angsten van het kind. Het kind moet zich maar flink gedragen en zich niet aanstellen. Boos worden verhoogt de spanning bij het kind en versterkt de angst.

– Er zijn ook ouders die –vaak vanwege eigen angsten- de angst van het kind bagatelliseren. De meest bekende vorm is de reactie van ouders op een prik. “Doet niet zeer”. Maar een prik doet wél zeer! Ook een uitspraak als ‘de hond doet niks’ zit in deze hoek. Daarmee lijkt de opvoeder ook zijn eigen angst te bezweren. Het kind voelt deze camouflagetactiek vaak haarscherp aan en wordt helemaal niet rustiger door de bezwerende toon van de ouder.

– Sommige ouders confronteren het kind in één klap met het angstige object. Het kind durft bijvoorbeeld niet in het water en wordt door zijn vader in het diepe gegooid. Dit is bij kinderen in 99% van de gevallen geen goede methode. Voor een kind is zo’n situatie oncontroleerbaar en daardoor zeer beangstigend.

– Er zijn ook ouders die teveel mee gaan met de angst van het kind. Ze durven niet door te zetten uit angst dat het kind een trauma oploopt. Daarmee raken ze de regie over de opvoeding kwijt en stimuleren ze in feite vermijdingsgedrag. En juist dat vermijden is één van de belangrijkste bronnen van angst.

 

Kinderangsten (8)

DE INVLOED VAN OUDERS

Volgens een aantal onderzoekers worden angsten vooral bepaald door de ouders. Als je moeder bang was voor onweer word jij dat ook.

In bepaalde gebieden zien we ook specifieke angsten, die van generatie op generatie worden doorgegeven (bijvoorbeeld de angst voor storm in vissersdorpen).

Toch is het idee dat de angst vooral en zelfs bijna alleen door de ouders wordt doorgegeven mijns inziens een te ongenuanceerde visie. Het is wél waar dat ouders medebepalend zijn voor de angsten van hun kinderen. Angstige ouders hebben vaak ook angstiger kinderen.

Maar zelfs dan kun je de ‘kip-of-ei’ vraag stellen. Zijn die ouders misschien ook angstiger omdat ze zelf in aanleg angstig waren en heeft het kind die angstgevoeligheid in aanleg meegekregen? Er zijn ook ouders die erg bang zijn voor bijvoorbeeld honden of onweer, terwijl hun kinderen dat niet zijn.

Laten we het erop houden dat de angst van ouders soms door het kind wordt overgenomen.

Een apart verhaal vormt de neurotische angst. Daarvan is wél aangetoond dat ouders een forse invloed hebben. Als ze eisen stellen waar een kind niet aan kan voldoen maakt dat hem zeer faalangstig.

  1. REELE ANGST, NEUROTISCHE ANGST, MORELE ANGST

Dit is een klassieke indeling van angsten, gebaseerd op Sigmund Freud.

  1. Reële angst kun je aantonen. Het kind heeft zich gebrand aan het strijkijzer en kijkt de volgende keer met angstige ogen naar dat strijkijzer. Deze angst is nuttig, omdat er ongelukken mee worden voorkomen
  2. Neurotische angst is de angst dat je je driften niet kunt beheersen of niet aan de eisen kunt voldoen. Je bent bijvoorbeeld bang dat je je agressie niet tegen kunt houden. Die angst vertaalt zich vaak in allerlei dwangmatigheden.
  3. Morele angst houdt in dat je bang bent dat je in strijd zult handelen met je geweten. Kleuters kunnen erg streng voor zichzelf zijn, om te voorkomen dat ze een fout zullen maken. Dat is een voorloper van de morele angst bij volwassenen. Iemand die alleen maar loopt te denken aan ‘Ik mag niet’ of aan ‘ik moet’ wordt mogelijk belast door deze morele angst.

Kinderangsten (7)

Iedere ouder kan er over meepraten: het ene kind is veel angstiger dan het andere kind. Erzijn stoere peuters die weinig huilen en nergens bang voor lijken te zijn. Maar er zijn leeftijdgenoten die juist overal bang voor zijn. Ze hebben er weinig vertrouwen in dat het goed komt en worden heel snel overspoeld door angst.

Voor een deel hebben deze verschillen te maken met de hechting. Zo komen vermijdend gehechte kinderen vaak ‘stoer’ over. Ze doen nét of ze alles aan kunnen. Maar wat je niet ziet is de binnenkant: meer stress en een verhoogde hartslag.

Dienstkeuring

Toen ik 19 jaar was werd ik – zoals toen nog gebruikelijk was – opgeroepen om gekeurd te worden voor de militaire dienst. Een onderdeel van deze keuring betrof het georganiseerde vampirisme: er moest bloed worden afgenomen. Tegelijk met mij waren er een paar Helderse vissers aan de beurt: stoere mannen die een orkaan konden doorstaan. Een prikje stelde dus helemaal niks voor. Tot mijn verbazing gingen twee van deze mannen frontaal tegen de vlakte, terwijl ik als angsthaas overeind bleef. Oftewel: wat je hoort of ziet is niet de angstige binnenkant.

Aangeboren verschillen

Er bestaan ‘aangeboren’ duidelijke onderlinge verschillen tussen kinderen in angstgevoeligheid. Catell heeft hier onderzoek naar gedaan. Steeds duidelijker wordt dat dit te maken heeft met de prikkelbaarheid van het autonome zenuwstelsel. Daarbij moet ook weer worden meegenomen dat stress tijdens de zwangerschap van invloed is op datzelfde autonome zenuwstelsel.

Gevoelige zintuigen

Kinderen die gevoeliger zijn voor zintuiglijke ervaringen (bijvoorbeeld voor geluiden) zijn ook eerder angstig. Denk maar eens aan de vele geluiden om je heen. Als je die geluiden niet kunt plaatsen roept dat vanzelf al angst op. Een deel van de extreme angsten bij kinderen met autisme vindt zijn wortels in hun prikkelgevoeligheid.

Temperament

Uit temperamentsonderzoek is gebleken dat kinderen met een zgn. moeilijk temperament eerder angstig zijn. Deze kinderen hebben vaak grote moeite met logeren, met nieuw voedsel, met veranderingen. Het is voor hun ouders (of andere opvoeders) moeilijker om pasvorm voor de opvoeding te vinden.

Als deze kinderen uit hun evenwicht zijn herstellen ze zich moeizamer. De angst blijft langer hangen omdat ze moeilijker zijn te kalmeren. Ze laten zich niet snel gerust stellen. Dus blijven ze ook lang bezig met datgene wat hen angstig zou kunnen maken.

Kinderangsten (6)

Prikkelgevoeligheid

Het hele lichaam reageert op angst. Als je langer bang bent heeft dat dan ook altijd invloed op je totale lichamelijke functioneren.

Ook neemt de prikkelgevoeligheid toe: je hebt bijvoorbeeld meer last van licht en geluid. Dat komt o.a. door een hogere mate van alertheid. Dat is één van de verklaringen waarom mensen met autisme extreem prikkelgevoelig zijn: ze hebben meestal een hoger angstniveau.

Maar het is ook omgekeerd. Als je prikkelgevoelig bent ben je vaak ook angstiger: er komt (te) veel informatie binnen.

Lichamelijke signalen

Er bestaat een aantal lichamelijke klachten die verband (kunnen) houden met langdurige angst. De bekendste zijn:

  • buikpijn
  • braken
  • flauw vallen
  • diarree
  • duizeligheid
  • bed- of broekplassen
  • hyperventileren
  • lusteloosheid
  • veel moeten plassen
  • slaapproblemen (vooral: licht slapen)

Gedrag en emotioneel niveau

Qua gedrag zie je angst bij kinderen (maar ook bij volwassenen) vaak terug in erg druk gedrag.

Ook is er een samenhang tussen het emotioneel niveau van functioneren en het type angst. Zo zijn kinderen die op een sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau van twee jaar functioneren vaak ‘panisch’ voor iedere vorm van controleverlies. Dat leidt ook weer tot druk, maar ook tot oppositioneel gedrag.

Je moet bij deze kinderen een omslag in je denken maken: ze lijken boos, maar ze zijn niet boos, ze zijn vooral bang.

Kinderangsten (5)

VAN 6 TOT 12 JAAR

De wereld wordt groter 

Rond de 6 á 7 jaar zijn kinderen vaak wat onrustiger. Er komt een heel nieuwe wereld op hen af met allerlei nieuwe indrukken. Ze leren schoolse vaardigheden zoals lezen en schrijven, maar die vaardigheden stellen ook weer hoge eisen aan hen. Ook gaat er een nieuwe wereld open: je leest dingen zonder dat je vader of je moeder er bij zijn. En tegenwoordig vooral: je ziet veel dingen op TV of internet. De meeste kinderen worden inmiddels dagelijks overspoeld door informatie die door niemand voor hen wordt vertaald. In feite worden ze daarmee overvraagd.

Stel je voor dat

De meest bekende angst in deze leeftijd is de ‘stel je voor dat’ angst. Het kind gaat zich allerlei situaties inbeelden. Stel je voor dat pappa niet meer thuis komt, stel je voor dat het oorlog wordt, stel je voor dat ons huis afbrandt.

Rituelen

In dit kader passen de vele –soms op het eerste gezicht bizarre- rituelen van het kind op de basisschool. “Met één been op de stoep en één been op de straat”. Veel kinderen ontwikkelen op deze leeftijd een teldwang. Anderen willen persé met hun rechterbeen bovenaan de trap uit komen. Weer een ander raakt alleen de witte strepen van de zebra aan. Dat zijn allemaal bezweringen. “Als ik het niet doe gaat mijn oma dood, brandt ons huis af, heb ik een onvoldoende voor rekenen….”

Hoe kijken ze naar mij?

Kinderen in deze leeftijd zijn gevoelig voor de mening van klasgenoten. Ze worden bang dat ze niet mee kunnen doen of niet meetellen, en wat later in de ontwikkeling: dat ze niet geaccepteerd zullen worden. Overgevoeligheden kunnen zijn: de kleding, het idee uitgelachen te worden, het gevoel dat je niet mee kunt doen en buiten de groep valt, je uiterlijk.

Faalangst 

Een deel van de kinderen wordt faalangstig. Ze denken: ‘dat kan ik toch niet’. Sommige kinderen zijn angstig op bepaalde gebieden (bijvoorbeeld angst voor de gymles), anderen worden ‘over de hele linie’ angstig. Deze kinderen stellen zulke hoge eisen aan zichzelf dat de kans om te falen ook steeds groter wordt. Ze komen dus in een vicieuze cirkel terecht. Een deel van de leerproblemen bij kinderen is op deze angsten gebaseerd.

Machteloosheid

De betrokkenheid bij een groter wordende wereld waar ze weinig invloed op hebben roept ook angst op in de leeftijd van de basisschool. Kinderen worden erg vroeg via de media geconfronteerd met bijvoorbeeld de gevolgen van honger, oorlog en milieuvervuiling. Naast de feitelijke risico’s van deze mondiale problemen roepen deze situaties ook een gevoel van met machteloosheid verbonden angst op: ik kan er niks aan doen, het overkomt iedereen maar….

Angst per levensfase

Een indeling van ‘typen angst’ volgens Verhulst:

* 0 – 3 maanden: fysiologische reacties, niet objectgebonden

* 3 – 6 maanden: schrikreacties, verbonden aan een object (bijv. een washand)

* 6 maanden tot 2 jaar: angst voor vreemden, angst voor verlating

* 2 jaar tot 3½ jaar: angst voor verlies van liefde, angst voor straf

* 3½ jaar tot 6 jaar: angst dat het lichaam beschadigd raakt, dat jou iets overkomt

* vanaf 6 jaar: gewetensangst (ik doe het niet goed), sociale angst (ik durf niet mee te doen)

* vanaf 8 jaar: angst voor de dood van jezelf of van geliefden