Van controle naar controlefreak (1)

Als de baby geboren wordt is het om hem heen chaos. Het is een kakofonie van geluiden, een overweldigende hoeveelheid aan licht, de armen, de benen en het hoofd vliegen alle kanten uit, en dan is er ook nog die aanraking. De baby wordt overspoeld door zintuiglijke indrukken waar hij geen enkele controle over heeft.

Elke maand leert de baby bij. Geleidelijk wordt de wereld wat meer voorspelbaar. Hoe rustiger en voorspelbaarder de ouders zijn, des te meer ervaart de baby houvast. Maar dan groeit er in de baby een eigen ‘ik’. Het is het begin van de eigen identiteit.

Peuters en controle

Die peuter ziet zichzelf als centrum van de wereld. Maar vanuit dat centrum wil hij ook de wereld beheersen. “Ik!” “Van mij!” De peuter wil alles onder controle houden. Niet alleen zijn eigen spullen, hij verzamelt ook spullen van anderen, gaat er desnoods bovenop zitten, controleert eventueel andere (concurrerende) peuters en hij wil ook dat zijn vader en moeder een verlengstuk van hemzelf zijn.

Vanaf de peutertijd, vanaf het ontstaan van het eigen ik, wil elk mens de boel onder controle houden. De keerzijde is de angst: als je de controle verliest is dat beangstigend. Niemand wil namelijk in een onvoorspelbare chaos leven. We houden zelf graag de touwtjes in handen.

Peuters zijn echte ‘controlfreaks’. Het is voor hen moeilijk om iets los te laten. Ze hebben nog niet voldoende overzicht en vaak ook niet voldoende vertrouwen opgebouwd.

Levensgebieden waarop die behoefte aan controle erg duidelijk is zijn bijvoorbeeld:

  • het eten (weigeren is een vorm van controle),
  • het slapen gaan (controle met allerlei rituelen),
  • de spanning tussen autonomie en geholpen worden
  • en het eindeloos herhalen van hetzelfde spel.

Controle houden

Controle willen houden is een normaal menselijk verschijnsel. Geen mens kan zonder controle over zijn eigen leven. Geen controle betekent afhankelijkheid en permanente chaos. We willen kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren en daar heb je controle voor nodig. Je moet eigen invloed kunnen ervaren (Jacques Heijkoop). Angst voor de tandarts heeft voor waarschijnlijk de helft te maken met het ervaren van controleverlies.

Samen in één huishouden

Alle mensen zijn dus bezig met controle. Dat je veel met controle bezig bent merk je vaak niet zo erg. Je ervaart het pas echt als je samen met een ander een huishouden gaat delen. De één heeft namelijk een ander systeem in zijn hoofd dan de ander. De één ergert zich aan het dopje dat ‘wéér’ niet op de tandpasta is gedaan, de ander ergert zich er aan dat er eerst zegeltjes geplakt moeten worden voordat er buiten koffie gedronken kan worden. En dat zijn nog de kleinste dingen waarover gekibbel kan ontstaan.

Behoefte aan controle is niet negatief. Het zit in de mens ingebakken en ieder mens heeft controle nodig over zijn omgeving. Bij regimes waar mensen gemarteld worden denkt men vaak eerst aan fysieke marteling, maar er bestaat daarnaast psychische marteling: het ontnemen van alle regie over het menselijk bestaan. Niemand heeft bezit, niemand weet hoe de dag verloopt, niemand krijgt een paar minuten voor zichzelf.

Als je naar individuele personen kijkt dat valt op dat de één meer behoefte heeft aan controle dan de ander. Wat maakt de één tot een 'punaisepoetser', terwijl de ander van alles over zijn kant kan laten gaan? ('we zien wel?')

Entomofobie (3)

Waarom zijn peuters bang voor insecten? De meest voor de hand liggende reden is dat ze bang zijn voor dingen, mensen en dieren die onvoorspelbaar zijn. Vanaf twee jaar draaien alle angsten om controleverlies.

Bij een trein weet je hoe hij rijdt: over het spoor. Als je dat eenmaal een paar keer hebt gezien weet je de route van de trein. Daarom zijn veel peuters gefascineerd door treinen. Het gaat hard en toch is het niet eng, want je weet wat er gebeurt.

Maar dat kun je niet van spinnen, torren en insecten zeggen. Ze zijn spoorloos. Je hebt geen idee waar ze neerstrijken. ’s Nachts staan de zenuwen van kinderen die wakker worden extra op scherp (het is immers donker). Ze kunnen zich dan van alles in gaan beelden (illusionaire vervalsingen).

Maar hoe voel jij je als er ’s nachts muggen door de kamer zoemen? Ook de meeste volwassenen worden extra alert. Waarom? Is zo’n mug dan gevaarlijk? Loop je in Nederland malaria op? Ben je bang dat je gestoken wordt? En dan, wat is het gevolg? Als we er over nadenken valt het met de schade die veroorzaakt wordt door een prik best mee. En toch gaan we een halve nacht op muggenjacht… (ik niet, ik word toch niet gestoken, dat laat ik aan Tineke over…).

Voor kinderen is het logisch dat ze bang zijn voor torren, spinnen en insecten. Als kinderen over die angst kunnen praten vertellen ze meestal dat die beesten er eng uit zien, dat het griezels zijn (hoewel je je af kunt vragen hoeveel kinderen echt goed naar insecten hebben gekeken). Er bestaat dus zoiets als een ingebouwde weerstand en dat is omdat die beestjes niet zo aaibaar zijn. Wat er eng uit ziet, dat vinden wel ook eng…

De proef op de som: een lieveheersbeestje is óók een insect. Hoeveel mensen zijn er bang voor een lieveheersbeestje? Zijn er kinderen die bang zijn voor het zevenpuntslieveheersbeestje? Dat wordt door de meeste kinderen als aaibaar beschouwd. En als gevolg van de onhandige motoriek van peuters wordt het ook nog wel eens geplet...

Entomofobie (2)

Bij peuters staat de angst voor insecten op de derde plaats, na de kapper en na de angst voor honden. Waar is de angst voor insecten op gebaseerd?

Volwassenen kunnen bang zijn voor een wesp, meestal vanwege de pijn, soms ook vanwege de kans op een allergische reactie. Hoewel die allergische reacties niet zo vaak voorkomen kun je toch spreken over een reële angst. Ik kreeg een keer hoge koorts aansluitend op een wespensteek, dus daarna was ik wel extra alert. Achteraf gezien was het geen allergische reactie. Bij de volgende steek was er behalve een wat dikke lip en een daarop volgend lichtelijk spraakgebrek was er verder niets aan de hand.

Er zijn in Nederland ongeveer 700 soorten spinnen (geen insecten, maar wel kriebelende sluipers).  En ook Ringo kan goed spinnen.

Je kunt niet zeggen dat een spin geen vlieg kwaad doet. Maar een spin is in Nederland een ongevaarlijk dier. Waarom zijn veel mensen dan toch zo bang voor spinnen?

Als je echt voor een klein dier bang zou moeten zijn, dan zou dat de teek moeten zijn. Teken zijn in Nederland veruit de gevaarlijkste kleine dieren. Maar over een tekenfobie heb ik in de literatuur nog niets gelezen…

Kennelijk onttrekt de angst voor spinnen en insecten zich aan ons rationele denken. Er lijkt iets anders aan de hand te zijn. Dat heeft mede te maken met het feit dat we (toch) extra alert zijn in de buurt van deze dieren. Ons zenuwstelsel stelt zich extra alert op, in zekere zin in de alarmfase. Dat maakt dat we ook kunnen bevriezen in die alarmfase. Dan is er een fobie geboren…

Nu even terug naar de peuter. Alle angsten bij de peuter hebben te maken met angst voor controleverlies. Bij de kapper heb je geen controle over de situatie, honden zijn onvoorspelbare dieren en torren en insecten kunnen overal opduiken. Je weet niet waar ze vandaan komen en je weet niet waar ze naar toe gaan.

In het verleden ben ik een paar keer betrokken geweest bij de behandeling van angst voor honden. Daarbij bleek bijna iedere keer de controle de cruciale factor te zijn. Als de hond achter een hek zat was bijna niemand bang. Als de hond aangelijnd was buiten het hek nam de angst wel toe, maar was doorgaans nog beheersbaar.

Maar als de hond los liep nam de angst enorm toe. Eén van mijn cliënten rende dan naar de dichtsbijzijnde boom en klom er dan als een haas in. En om hem er uit te krijgen: dat was een hele klus. Je kon hem ook niet roepen, want hij was doof...

Entomofobie (1)

Entomofobie is de angst voor insecten. De meest bekende vorm is de angst voor spinnen (arachnofobie). In de tweede plaats is er de angst voor wespen (sphexiofobie).

Maar er zijn ook mensen bang voor allerlei ander vliegend ongedierte.
Daar aan verwant bestaat ook nog de angst voor mieren (myrmecofobie). Mieren zijn geen insecten. De angst voor mieren kan wel dezelfde lading hebben.

———————————————-

“Daar heb je weer die mieren. Ze eten alles op!” zegt moeder Inge.

Jeffrey wordt opeens ontzettend bang. Als de mieren alles opeten kunnen ze jou ook opeten, mamma trouwens ook.

De angst van Jeffrey is een voorbeeld van angst die ontstaat door tekort schietend begrip. Jeffrey is nog niet in staat om abstracte taal te begrijpen, hij neemt de woorden van de taal van zijn moeder (te) letterlijk.

———————————————-

Flooding en stapsgewijze gewenning

De bekendste behandelmethoden om met deze angsten om te gaan komen uit de gedragstherapie. De ene is flooding, de andere is stapsgewijze gewenning.

In cursussen gebruik ik daarbij het voorbeeld van iemand die niet het (zwem-) bad in durft. Bij de flooding pak je iemand ‘bij kop en kont’ en jonast hem het water in. De bedoeling is dat iemand daarna ervaart dat hij dat zwembad toch kon overleven. De ervaring dat het dus erg mee viel zou het denken van die persoon dan kunnen veranderen. “Ik heb het overleefd. Ik kan het dus tóch aan…”

De tweede manier van behandeling is de stapsgewijze gewenning. Je gaat iedere keer een stapje verder. Je begint eventueel bij de kleedkamer, maar uiteindelijk kom je dan toch bij de rand van het zwembad en je laat iemand zijn grote teen in het water steken.

Tijdens mijn stage (in 1973) heb ik op die manier iemand met Downsyndroom begeleid. Hij is nooit verder gekomen dan de grote teen… (dat was eigenlijk best wel frustrerend…).

Dit zijn uiteraard twee tegenpolen van gedragsmatige behandelingen. Er zijn ook tussenvormen mogelijk.

Voor kinderen en voor mensen met een verstandelijke beperking vind ik de flooding geen goede manier van behandelen. Het leidt juist gemakkelijk tot trauma's. De stapsgewijze gewenning biedt meer mogelijkheden.

Depressief narcisme

Constance Sedikides schrijft over een bepaalde vorm van narcisme. Het is de meest bekende vorm: die van de expressieve narcist die overal 'in the picture wil zijn'. Je herkent hem/haar o.a. aan de 'blingbling', de opvallende verschijning, het gespeelde theater. Maar er zijn meer vormen van narcisme. Zoals het depressieve narcisme (herplaatsing in enigszins gewijzigde vorm van een blog in 2014)

Martin Appelo maakt onderscheid tussen diverse vormen van narcisme. Ik loop al een tijdje mee in de hulpverlening, maar van deze vormen van narcisme had ik nog nooit gehoord. Eén van die vormen is het depressief narcisme.

Volgens Appelo werd de depressieve narcist als kind niet ‘gezien’. Hij is een pakketje dat verkeerd is bezorgd. “Wat doe ik hier?” “Ik hoor hier niet”. “Ze zien mij niet”.

Ieder kind zich van nature met een ander verbinden. Maar iemand die depressief narcisme ontwikkelt heeft het gevoel dat er niemand voor hem was.

De reactie die deze kinderen uiteindelijk gaven was dat ze dachten dat ze niemand nodig hadden. “Ik doe het alleen.” Om dat te kunnen laten zien moeten ze zichzelf opblazen. Alleen op die manier voelen ze de pijn van binnen niet. Ze blazen hun eigen autonomie op. Er is niemand om te vertrouwen, dus besteed je je energie maar aan jezelf.

Als kind hebben ze behoefte om hun eigen te gaan. Het zijn de ‘loners’. Later worden ze vaak echte solisten, die heel hard werken en onvermoeibaar, prestatiegericht en perfectionistisch zijn. Deze ‘solistische focus’ is een heel krachtig middel. Je moet in je eentje zien te overleven. Zodra je verbinding met anderen aan gaat overleef je het niet meer.

Nu ik wat meer over jongeren heb gelezen die naar een wapen grijpen en klasgenoten of willekeurige voorbijgangers doodschieten moet ik ook bij hen denken aan het beeld van de depressieve narcist. Veel op en in zijn eentje en dan uiteindelijk toch in het nieuws door een heftig incident dat door henzelf werd veroorzaakt.

De keerzijde van deze solistische focus is dat de verhoudingen zoek zijn. Als het goed is besteed je een deel van je tijd aan je werk en een deel aan sociale contacten. Depressieve narcisten besteden weinig tijd aan relaties. Daardoor houden ze meer tijd over voor hun werk. Ze klimmen gemakkelijk op in een bedrijf. Of ze zonderen zich juist af.

Bij dit depressief narcisme hoort ook dat deze mensen geneigd zijn om neer te kijken op anderen. De carriëretijger die vindt dat de anderen maar lui zijn en niet hard genoeg werken. Of het is de solist die zich terugtrekt in een bastion van zelfverheffing. Bijvoorbeeld iemand die zich nauwgezet houdt aan een streng dieet en neerkijkt op andere mensen die eten wat de Hollandse pot schaft.

‘Loners’ kunnen zó obsessief bezig zijn met één thema dat elk ander perspectief buiten beeld verdwijnt. Dat ze daarmee behoorlijk alleen komen te staan lijkt hen niet te deren. Ze zijn immers gewend om in hun eentje te zijn en op die manier te overleven.

In: Een spiegel voor narcisten, door Martin Appelo (Boom, 2013).

Big Five (2) : veerkrachtig of overgecontroleerd?

Er bestaat meerdere 'uitbreidingen' van de Big Five. Eén van die indelingen komt van Asendorf en collega's (2001) en gaat over kinderen.

Asendorf maakt onderscheid tussen mensen die 1) flexibel, veerkrachtig zijn, 2) mensen die alles onder controle willen houden en 3) mensen die het allemaal niet veel uitmaakt (‘boeit me niet’).

Neem bijvoorbeeld de dimensie extraversie, het naar buiten gericht zijn. Veerkrachtige mensen zijn vaak sterk extravert. Ze staan open in de wereld en houden van dynamiek, maar ook van verandering.

Mensen die ‘overcontrolled’ zijn zijn juist vaak naar binnen toe gericht, ze zijn introvert. Ze hebben meer dan genoeg aan zichzelf, om de boel voor zichzelf onder controle te houden. Mensen die ‘overcontrolled’ zijn hebben veel neurotische trekken. Ze streven naar perfectionisme en zijn daardoor ook erg gevoelig voor kritiek.

Veerkrachtige mensen daarentegen scoren laag op neuroticisme. Ze passen zich gemakkelijk aan.

Gedrag en vlijt

Op de klassieke lagere school zouden zowel veerkrachtige kinderen als kinderen die overcontrolled zijn een hoog cijfer voor én gedrag én vlijt halen.

Dit in tegenstelling tot de mensen die ‘undercontrolled’ zijn: ze maken hun huiswerk niet, letten niet op, en zijn met van alles bezig behalve de les.

Agressie, stiekem gedrag

Maar hoe zit het dan verder met dat gedrag? Zowel veerkrachtige kinderen als kinderen die overcontrolled zijn, zullen weinig agressie vertonen. De flexibele kinderen zijn vaak beter in het aanvoelen van anderen en neigen er toe om problemen op te lossen. De kinderen die ‘overcontrolled’ zijn trekken zich eerder terug. Hun boosheid treft niet anderen, maar zichzelf.

Kinderen die ‘undercontrolled’ zijn hebben onvoldoende rem: zij neigen dus juist wel tot agressie.

Uit het voorgaande komt ook dat kinderen die overcontrolled zijn vatbaarder zijn voor een depressie. De agressie slaat naar binnen.

Een probleem met de overcontrolled kinderen is dat ze wél geneigd zijn tot stiekem gedrag. De boosheid wordt indirect geuit. Dat kan ook zijn in de vorm van weglopen, stelen, met vuur spelen. Ze lijken erg aangepast, maar je moet hen wel in de gaten houden.

Kenmerken van begeleiders (3)

Niet iedere cliënt heeft baat bij dezelfde omgangsstijl. Wat bij de één werkt, werkt niet bij de ander.  Er zijn bijvoorbeeld kinderen die weinig begrijpen van een vriendelijke begeleidingsstijl. Daar worden ze onzeker van.

Aan de andere kant weten we ook dat een bepaalde begeleidingsstijl averechts kan werken. Als je bijvoorbeeld bij cliënten met een lichte verstandelijke beperking op een assertief controlerende manier werkt is de kans aanwezig dat je juist een averechts effect creëert.

Vriendelijk is (meestal) het meest effectief

Mensen met een vriendelijke begeleidingsstijl bereiken bijna altijd meer, ook omdat ze meer de tijd nemen. Maar als die vriendelijke stijl ook steunzoekend is, ontstaat de psychologische valkuil dat je je eigen welbevinden afhankelijk maakt van de manier waarop de cliënt zich gedraagt. Je hebt dan erg je best gedaan om vriendelijk te zijn en te blijven, maar je gaat dan ook van de cliënt verwachten dat hij aardig terug doet.

Maar zo zit de zorg niet in elkaar… Uiteindelijk kom je dan gemakkelijk in een rad van depressieve interactie terecht, één van de belangrijkste redenen waarom mensen uiteindelijk in een burn-out kunnen geraken.

Lager niveau, meer controle

Uit het onderzoek komt o.a. naar voren dat er min of meer automatisch meer sprake is van assertieve controle als cliënten jong zijn en bij lagere IQ’s. Dat is niet zo verwonderlijk: hoe lager het niveau, hoe meer je als begeleider geneigd bent om de grenzen vast te leggen. Bij iemand met een ontwikkelingsniveau van twee jaar kun je niet zeggen: ‘hij mag zelf bepalen dat hij de stad in gaat en hij mag ook weer zelf uitzoeken hoe laat hij weer thuis komt’. Maar juist bij die cliënten zou je vervolgens moeten bedenken hoe je toch kunt komen tot een ‘gentle’ manier van benadering.

Teveel controle willen houden

Het blijkt overigens ook dat een proactieve stijl leidt tot meer assertieve controle. Daar moest ik even over nadenken. Als je veel vooruit denkt, wil je mogelijk ook veel dingen vooraf regelen: het moet allemaal ‘lopen’.  Als je zo doelgericht aan het werk bent loop je echter wel het risico dat je de omstandigheden meer onder controle wilt houden. Anders ‘loopt het niet meer’.

Er valt nog veel te puzzelen en uit te zoeken… Hoe meer flexibel begeleiders kunnen zijn qua begeleidingsstijl, des te meer kunnen ze goede doelen bereiken met hun cliënten.