Hechting in vogelvlucht (8)

Hoe reageert de peuter als de moeder (m/v) terug komt in die vreemde ruimte met die vreemde meneer (m/v)? Dat is de meest cruciale vraag.

a) De peuter met de angstig-ambivalente hechting rent op mamma af en klemt zich aan haar vast. Maar tegelijk gebeurt er iets heel subtiels: mamma krijgt een knuffel, maar ze wordt ook pijn gedaan.

Ik heb een indrukwekkend filmfragment in mijn bezit waarbij de peuter mamma knuffelt en waarbij diezelfde moeder meteen daarna een pets in haar gezicht krijgt. 

Vandaar de naam angstig-ambivalent. Er is sprake van een tegentrijdige reactie. De peuter is blij dar mamma er weer is, maar hij/zij is tegelijkertijd boos vanwege de ervaren verlating.

Belangrijk is daarnaast dat de peuter niet of nauwelijks meer tot spel komt. Hij laat zijn moeder niet meer los, blijft haar angstvallig in de gaten houden of claimen. De ambivalentie kan ook tot uiting komen in bijvoorbeeld langdurig dreinen.

b) De peuter met de angstig-vermijdende hechting reageert niet of nauwelijks op de moeder. Hij is stoer en trekt zich nergens wat van aan. Hij gaat gewoon door waar hij mee bezig is.

Het lijkt zelfs of deze peuter net doet of hij mamma helemaal niet nodig heeft, alsof hij haar vermijdt. Hij zoekt ook geen troost. Het spel gaat ook gewoon door.

c) De peuter met een veilige hechting gaat ook naar mamma toe, maar hij betrekt haar meteen bij zijn spel. “Kijk eens, mamma, wat ik gemaakt heb!” Daarna houdt hij wel een lijntje met zijn moeder, maar gaat gewoon weer door met zijn spel.

Conclusies:

  1. Kenmerkend voor die veilige hechting is dat het kind in staat is om de tijdelijke verlating op te vangen. Het is wel vervelend, maar de vervelende ervaring herstelt zich weer. Dit in tegenstelling tot de angstig-ambivalente hechting.

2. Een tweede kenmerk is dat de peuter met de veilige hechting troost zoekt en het kind met de onveilig-vermijdende hechting zoekt geen troost. Hij ervaart wel stress, maar deelt dat niet met iemand anders. Daardoor blijft de stress in zijn lichaam zitten.

3. Het derde kenmerk is dat de peuter met de veilige hechting een hoger spelniveau heeft. Hij speelt meer samen en herstelt zich ook gemakkelijker in zijn spel.

Deze voorbeelden zijn 'ideaal-typisch'. Het zijn 'model-reacties'. In de praktijk zul je uiteraard in een vreemde situatie niet zo precies zien gebeuren wat er 'in het boekje' staat. Toch heb ik meerdere malen op opnames met voor mij bekende kinderen gezien dat er wel degelijk bepaalde patronen te herkennen vielen. 

Hechting in vogelvlucht (7)

De peuter blijft achter bij een vreemde meneer/mevrouw in een vreemde ruimte. De moeder/vader verlaat de ruimte. Hoe reageert het kind?

Kinderen die veilig gehecht zijn willen hun moeder (m/v) terug, maar herstellen al snel en proberen iets anders te verzinnen, bijvoorbeeld met het speelgoed spelen.

Bij de onveilig gehechte kinderen zie je twee typen reacties:

a) Kinderen die helemaal terugvallen in hun gedrag: ze komen nergens meer toe. Het contact met de vreemde man/vrouw wordt afgewezen, ze komen niet tot spel, ze gaan zitten wiegen (zelfstimulerend gedrag).

b) Kinderen die niet of nauwelijks reageren op het vertrek van de moeder/vader. Ze doen net alsof er niets aan de hand is. Ze komen stevig en stoer over.

De vormen a en b zijn beiden vormen van onveilige hechting. Peuters moeten in principe even wennen in een vreemde situatie en met een vreemd persoon. Voor een kind dat daar niet op reageert zijn personen kennelijk inwisselbaar. Het maakt niet uit wie er is, zelfs niet in een vreemde ruimte. We noemen dat de angstig-vermijdende hechting.

Er zijn ook peuters die de draad niet meer op kunnen pakken: ze vallen letterlijk en soms ook figuurlijk stil. Bij die kinderen spreken we o.a. van de angstig-ambivalente hechting. Maar waarom dat zo heet zie je pas als de moeder/vader weer in de ruimte is. Dat is nog meer cruciaal bij de observatie dan het vertrek van de moeder/vader.

Tegenwoordig is er nog een derde vorm van onveilige hechting. Die heet de gedesorganiseerde hechting. Deze kinderen zijn onvoorspelbaar in hun reactie. Dit is de meest complexe vorm van onveilige hechting. Ik vermoed dat er een verband is met het (later) ontstaan van borderline-problematiek. 

Hechting in vogelvlucht (6)

Om de hechting te meten ontwikkelde psychologe Mary Ainsworth een proefsituatie waarbij gekeken wordt hoe de peuter in een vreemde situatie reageert op het vertrek en de terugkomst van de moeder. 

Dit onderzoek wordt dan ook de Strange Situation of Vreemde Situatie genoemd. De peuter komt met zijn moeder in een voor hem onbekende ruimte met een voor hem onbekend persoon. Daarna vertrekt de moeder. De vraag is wat de peuter nu gaat doen.

Ik heb nog een opname van bijna vijftig jaar geleden van één van mijn cliënten. Hij reageert niet of nauwelijks op het vertrek van zijn moeder. De behandelend psychiater (nog in witte jas) probeert contact met hem te maken, maar dat lukt niet. De cliënt (toen drie jaar oud) reageert ook niet op het speelgoed. Hij reageert evenmin op de terugkomst van zijn moeder. Met name dat laatste vond ik destijds het meest belangrijke aspect bij deze observatie. 

Bij het onderzoek naar de Vreemde Situatie let je dus vooral op de reacties van het kind bij vertrek van de moeder (je kunt ook de vader lezen, maar in veel onderzoek gaat het toch om de moeder). Wat echter cruciaal is, is wat de peuter doet als zijn moeder weer terug is in de ruimte.

Bij een gezonde hechting zie je dat de peuter reageert op het vertrek van zijn moeder. Hij vindt het vreemd, en zal haar misschien achterna willen lopen. Na een tijdje herstelt zich dat. De peuter is nog wel wat timide, maar hij gaat in op de uitnodiging van de behandelaar en vindt het speelgoed ook wel interessant. Met andere woorden: na een korte dip herstelt het kind zich weer.

Stel: de peuter gaat samen met de onderzoeker een toren bouwen en daarna komt zijn moeder weer binnen. Dan zal de peuter zijn moeder daar direct bij betrekken. Kijk eens mamma, wat ik gemaakt heb! Daarna gaat hij vrolijk verder met bouwen, samen met de onderzoeker, terwijl hij ondertussen een lijntje met zijn moeder onderhoudt.

Met andere woorden: bij een gezonde hechting mist het kind zijn moeder, maar hij valt niet stil. Na een korte periode van ongemak herstelt hij zich weer. Kinderen met een onveilige hechting komen niet tot herstel. Ze vallen helemaal stil. Of ze reageren helemaal niet op het vertrek van de moeder: ze gaan door alsof er niets aan de hand is. Dat zijn twee varianten op het thema onveilige hechting.

Bij de cliënt die ik aan het begin beschreef kon je overigens niet spreken van veilige of onveilige hechting. De jongen had een extreme vorm van klassiek autisme. Een paar maamden geleden raakte ik weer bij hem betrokken. Hij is inmiddels 50-plus en functioneert nog steeds - bij wijze van spreken - als een eiland tussen de andere mensen in zijn omgeving. Dat wil overigens niet zeggen dat hij geen contact maakt. Maar daarvoor moet je hem eerst goed leren ‘lezen’.  

Hechting in vogelvlucht (4)

Hoe komt het dat kinderen van ongeveer zeven maanden eenkennig worden? Daar spelen zowel de rijping van de hersenen als de ontwikkeling van de zintuigen een rol.

Rond de zeven maanden ontwikkelt de baby object-permanentie. Dat wil zeggen: ook dat wat je niet ziet bestaat tóch. Voor die leeftijd is mamma totaal van de aardbodem verdwenen als de baby haar niet ziet. Ze is er gewoon niet meer. Dus kan de baby ook niet huilen om haar terug te roepen.

Mamma is trouwens ook verdwenen als ze haar hoofd onder een lapje heeft verstopt. En het flesje is verdwenen als het achter een pak hagelslag is neergezet. ‘Wat je niet ziet bestaat niet’.

Vanaf zeven maanden ontwikkelt het kind het vermogen om te beseffen dat dat wat je niet ziet tóch bestaat. Dat komt omdat het nu een plaatje in zijn hoofd kan maken. Mamma is niet in de kamer, maar mamma is wel ergens.

Het tweede is dat een kind vanaf zeven maanden scherper gaat zien. Eerst lacht een kind tegen alles wat op het gezicht van een mens lijkt (dus ook tegen maskers), vooral als hij ondertussen een prettige stem hoort en zich tevreden voelt.

Vanaf ongeveer zeven maanden is de baby beter in staat om gedetailleerd te kijken. Opeens ziet hij dus verschillen tussen mensen. Mamma heeft een bril op en lang blond haar, de buurvrouw heeft geen bril en kort zwart haar. Vervolgens wordt dat wat er anders uitziet als de meest vertrouwde persoon ‘vreemd’ en soms ook beangstigend.

Het is deze combinatie van ontwikkelingen die de baby eenkennig maken. Er ontstaat een voorkeur voor het vertrouwde en een ‘afkeer’ voor diegene die minder vertrouwd is.

Deze fase is cruciaal voor de ontwikkeling van de hechting. Het betekent namelijk dat mensen niet meer inwisselbaar zijn. ‘Wij horen bij elkaar’.

Nu zal het ene kind meer eenkennig zijn dan het andere kind. Waarom dat zo is? Vroeger werd nogal eens gedacht dat dat kwam omdat het kind teveel bij de moeder was en te weinig andere mensen zag. Ik vind die verklaring te simpel.

Ik denk dat de eenkennigheid veel meer te maken heeft met het temperament van het kind. En vooral met het aspect van de prikkelgevoeligheid. Hoe scherper en meer gedetailleerd een kind waarneemt, des te groter de kans dat hij ook meer eenkennig zal zijn. 

Hechting in vogelvlucht (2)

Ik teken bij de cursus altijd een 'ui-model' als het gaat om het uitleggen van wat hechting is. 

De baby kan zich redelijk op zijn gemak voelen bij een groot aantal mensen (als men hem maar rust, veiligheid, warmte en voeding biedt). Een kind van ongeveer een jaar is vaak eenkennig, maar een paar vertrouwde mensen zijn veilig genoeg. En daarna wordt de wereld van mensen met wie het kind contact heeft weer groter.

Maar hoe zit het voor de geboorte, willen veel cursisten weten. Persoonlijk kan ik me daar niets van herinneren, al zaten mijn ouders in een verhuizing. Maar ze hebben gelijk: de eerste bouwstenen van de hechting liggen al vóór de geboorte. Maar dat onderwerp sla ik nu over. Ik begin op het moment dat de vader voor de baby zichtbaar wordt, dus vanaf de geboorte. 

Vóór de geboorte werken alle zintuigen al, behalve… de geur. De baby krijgt dus via de zintuigen al informatie over de buitenwereld binnen. Erg mooie geluiden zijn dat niet, het klinkt vooral als een bad dat al slurpend en heftig borrelend leegloopt. Baby’s reageren voor de geboorte ook al op muziek.

Opmerkelijk is dat juist de geur het eerste zintuig is waarmee de pasgeboren baby de moeder herkend. Baby's van twee dagen oud hebben al een voorkeur voor een lapje met de geur van de moeder. 

Een baby wordt overspoeld door indrukken. Het is één grote heksenketel aan prikkels. Hij weet niet waar hij kijken moet. Hoewel: vlak na de geboorte kijkt de baby op een afstand van 60 centimeter heel gericht naar de ogen van de moeder. Dar zit al een stukje van de hechting in. En die 60 centimeter is niet toevallig: dat is ongeveer de armlengte.

Dat is een volgend thema. Om de hechting te begrijpen moet je iets weten van de zintuigen. Mijn stelling is dat de zintuigen de voertuigen van de hechting zijn. Via de zintuigen leert het kind de vertrouwde mensen om zich heen kennen. Staat één van de zintuigen te scherp afgesteld of werkt één van de zintuigen niet, dan leidt tot altijd tot problemen in de ontwikkeling van de hechting.

Dat zien we vooral bij kinderen met een auditieve beperking. Vraag aan de cursisten is of ze kunnen bedenken waarom dat zo is. 

Hechting in vogelvlucht (1)

Ik ben dan wel 70 plus, maar in het najaar moet ik weer meerdere cursussen geven over hechting. Wat ik in twee dagen vertel past niet in enkele blogs. En het videomateriaal kan ik ook niet laten zien. Toch doe ik een poging om iets over hechting te schrijven in tamelijk hapklare brokken. 

1.  Wat is hechting?

Het mooiste woord dat past bij hechting is ‘verbondenheid’ : wij horen bij elkaar. Hechting staat aan de basis van alle menselijke (emotionele) ontwikkeling.

Het is opmerkelijk dat er pas de laatste decennia veel aandacht wordt gegeven aan het belang van een gezonde hechting. Toen onze dochter N de eerste zes weken van haar leven in de couveuse verbleef was het nog gebruikelijk dat ouders op afstand werden gehouden. Inmiddels doet men er alles aan om ouders van juist deze kwetsbare kinderen te betrekken bij de zorg.

Ziekenhuisopname

De eerste aandacht voor het onderwerp hechting kwam van een zekere dr. Spitz, die directeur was van een ziekenhuis in Düsseldorf. Hij vroeg zich af waarom er zoveel kinderen in zijn ziekenhuis (tot 30%). Hij dacht dat het aan de gebrekkige hygiëne lag. Het verbeteren van de hygiëne leidde wel tot verbetering, maar er stierven nog steeds kinderen. Toen kwam Spitz op het idee dat dit sterftecijfer te maken zou kunnen hebben met het missen van de belangrijkste opvoeders. Helaas werd er met zijn conclusie niets gedaan.

Gevolgen van de oorlog

Dat werd pas anders aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Alleen al in het Verenigd Koninkrijk waren één miljoen kinderen gescheiden van hun ouders. Als je op jonge leeftijd gescheiden wordt van je ouders, beïnvloed dat dan je hele leven? Bij wijze van spreken: moesten er voor die één miljoen kinderen op termijn plekken in de GGZ worden gereserveerd? Daar deed John Bowlby in opdracht van de VN onderzoek naar. Zijn conclusie kwam er globaal op neer dat kinderen bij het gescheiden worden van de ouders wel tijdelijk ongemak ervaren, maar dat de schade herstelbaar is. Een kind dat al een beetje basis aan veiligheid heeft heeft ook veerkracht voor herstel.

Adoptie, vluchtelingen

In de jaren ’90 van de vorige eeuw kwam het onderzoek naar hechting in een stroomversnelling vanwege de chronische en moeilijk te behandelen problematiek in kindertehuizen en de vele problemen met adoptiekinderen (met name uit Zuid-Amerika). Je zou daar in deze tijd de miljoenen kinderen van vluchtelingen aan toe kunnen voegen.

Bodemloos?

Zonder hechting kan een kind niet uitgroeien tot een gezond persoon. We spreken bij kinderen die zich onvoldoende aan mensen hebben kunnen hechten ook wel van ‘bodemloze kinderen’. Het is overigens de vraag of er bodemloze kinderen bestaan. In dat verband geef ik de cursisten twee stellingen mee om over na te denken. Dan kan ik ondertussen voor mezelf een tweede kopje koffie inschenken.

Stelling 1: Er bestaat géén kind dat zich niet hecht!       

Steling 2: Niemand is voor 100% veilig gehecht

Jullie mogen als lezers zélf nadenken over deze stellingen...  Ik ga ondertussen het tweede blog in deze serie schrijven.  

Bouwstenen van de hechting

Eén van de cursussen die het meeste van invloed op mijn denken is geweest werd gegeven door orthopedagoge mevrouw Truus Bakker - van Zeil. Zij ontwikkelde een 'inhaalstrategie voor hechting bij adoptiekinderen'. 

Centraal in de cursus stond Chris, een jongen die op de leeftijd van één jaar uit een Braziliaans kindertehuis naar Nederland was gekomen. Chris was een vrolijk en ondernemend jongetje, maar hij was ook ernstig ontremd. Samenspelen met andere kinderen kon hij niet. Hij vertoonde tal van kenmerken van hechtingsproblemen op jonge leeftijd. Dat zou je niet meteen zeggen, omdat hij zo vrolijk was en met iedereen contact maakte.

Eén van de stellingen van mevrouw Bakker was dat élk moment dat een kind geniet van de onvoorwaardelijke aanwezigheid van een volwassene een bouwsteentje vormt voor de hechting.

Dat was voor de cursisten (bijna allemaal werkzaam in de Jeugdzorg) een bijzondere ingang. Ze leerden juist om afstand te houden. Deze kinderen moest je niet nabij komen, want je was slechts een voorbijganger die tóch weer weg ging.

Mevrouw Bakker keerde het dus om. Nee, je moet deze kinderen niet bedelven onder jouw liefde. Daar kunnen ze niet mee omgaan. Dan draag je bij aan hun ontsporing. Maar je kunt er wel voor ze zijn. Iets met hen ondernemen, iets doen. Als je dat doet ervaren deze kinderen dat het goed is om met anderen te zijn. En dat is toch een stukje hechting.

Pas later realiseerde ik me dat de afstand die ook ik wel bij mezelf inbouwde te maken had met mijn eigen angst voor verlating. Dat projecteerde ik op de kinderen. Ze moesten niet de ervaring hebben dat ze verlaten werden. Dus moest je niet te dichtbij komen.

Mevrouw Bakker: "Zelfs al ben je maar één dag als stagiaire op de woning, die ene dag is al een bouwsteentje in de hechting voor een kind."

Telefoonverslaving (1)

Bestaat er een verband tussen afhankelijkheid van je smartphone en narcisme, angst of persoonlijkheidsfactoren? Daar wilden drie psychologen van de Universiteit van Derby (VK) wel eens meer van weten. Ze belden 640 mensen op en gingen met hun verhaal aan de haal. 

Die 640 mensen (van 13 tot 69 jaar oud) kregen een aantal vragenlijsten voorgelegd. Dat blijft natuurlijk altijd subjectief, maar je moet toch wat. Ook werd (en dat klopt dan wel) hoeveel tijd deze mensen aan hun smartphone besteedden. Waarschijnlijk meer dan aan hun partner als ik de uitkomsten zie.

Een paar cijfers uit eerder onderzoek (onder 2100 Amerikaanse jongeren):

  • 60% van de ondervraagden werd onrustig als ze een uur lang hun smartphone niet konden raadplegen
  • 54% checkte de smartphone als ze in bed lagen
  • 39% keek tussendoor op de smartphone terwijl ze in de badkamer bezig waren
  • 30% checkte de telefoon tijdens de maaltijd in aanwezigheid van anderen.

Het meest verontrustende vind ik overigens de hoeveelheid tijd die ouders aan hun telefoon besteden als ze met de kinderen bezig zijn. Ik zie dat in de trein en in de speeltuin: kinderen gaan vooral hun eigen gang en ouders kijken vooral op hun smartphone. Voorlezen, iets laten zien (buiten), samen spelen is er weinig meer bij. Gelukkig zijn er natuurlijk ook goede uitzonderingen.

De ontwikkeling in de samenleving past in de lijn van de vorige blogs over de veronderstelling van het groeiend narcisme in de samenleving: mensen gaan steeds meer hun eigen gang. Kinderen die een groot deel van de dag op de ipad zitten en ouders die voortdurend hun smartphone checken.  

Check habit

Het checken van de telefoon wordt wel ‘check habit’ genoemd. Regelmatig botst er iemand bijna tegen mij aan die bij het uitstappen van de trein of op de fiets nog even moet kijken wat er voor berichtje binnen komt.

Persoonlijkheidsfactoren

Heeft die afhankelijkheid van de telefoon ook met persoonlijkheidsfactoren te maken? Het blijkt dat de hoge frequentie aan ‘check habit’ o.a. te maken heeft met leeftijd (jongeren onder de 20 jaar doen dat het vaakst) en dat mensen met een laag gevoel van eigenwaarde ook veel vaker hun telefoon checken.

Extraverte mensen checken de telefoon o.a. om goed op de hoogte te blijven van gebeurtenissen in hun sociale omgeving. Introverte mensen gebruiken de telefoon meer om rond hun eigen leven informatie te verstrekken.

Gevoeligheid voor telefoonverslaving

Welke mensen zijn gevoelig voor een telefoonverslaving? Er wordt o.a. een verband gezien met neuroticisme; neurotische mensen willen alles onder controle houden. Je mag dus ook niets missen. Mensen die de neiging hebben om dwangmatig te zijn (obsessief-compulsieve stoornis) zijn ook gevoeliger voor obsessief gebruik van de telefoon.

Deze trekken staan ook in verband met depressies (dwang en depressie gaan vaak samen). Geen wonder dus dat er ook een verband wordt gezien met depressieve kenmerken. En tenslotte blijken mensen met ADHD gevoeliger voor telefoonverslaving. Eerst kon ik dat verband niet direct begrijpen, maar het is toch wel logisch: met de telefoon in de buurt word je meteen afgeleid.

Uit: An investigation into problematic smartphone use. The role of narcissism, anxiety and personal factors. Door Zaheer Hussain, Mark D. Griffiths en David Sheffield, University of Derby, najaar 2017. 

Narcisme en opvoeding (slot)

Als ouders een narcistische persoonlijkheidsstoornis hebben heeft dat gevolgen voor de opvoedingsstijl. Aldus vier Engelse psychologen, verbonden aan de University of Southampton. 

Uit de studie komt in zijn algemeenheid naar voren dat persoonlijkheidstrekken van invloed zijn op de opvoedingsstijl. Dat verbaast me niets, het kan zelfs niet anders. Dat is dus een open deur, die men nu probeert te onderbouwen.

Het tweede aspect is dat de auteurs constateren dat er een variatie aan narcisme bestaat en dat die variatie leidt tot een genuanceerder beeld dan wanneer je alleen de term narcisme gebrukkt. Dat komt overeen met mijn onderzoek in het afgelopen voorjaar toen ik (illegaal) maar liefst 24 soorten aan narcissen wist te plukken.

De sleutel is het vermogen tot empathie

Maar nu alle gekheid op een stokje. De sleutel voor het goed kunnen opvoeden is volgens de auteurs het begrip empathie. Narcistische mensen die veel vormen van ongezonde coping vertonen scoren vaak ook laag op empathie.

Met coping bedoelen we de manier waarop iemand problemen oplost. Bijvoorbeeld: je krijgt een klein beetje kritiek en je gaat volledig uit je plaat. Je krijgt een bekeuring en je staat te schelden tegen de politie-agent. Je ziet ergens tegenop en je stelt de handeling eindeloos uit totdat het te laat is. Je zit in de problemen en je probeert dat te vergeten door veel te gaan drinken. Je hebt gefaald en om dat te verbloemen blaas je je prestaties extra hard op.

Het bleek dat narcistische mensen die niet in staat waren om goed met problemen om te gaan aanzienlijk lager in empathie scoorden. Ze hadden niet de antenne om goed aan te voelen wat hun kind nodig had. Ze reageerden bijvoorbeeld niet op pijnsignalen van het kind, negeerden de pijn of zeiden: ‘stel je niet zo aan.’

Leerproces?

Kun je dan als opvoeder leren om meer sensitief te reageren? Daar is onderzoek naar gedaan. Dat blijkt te kunnen. Je kunt ouders trainen op het beter en meer sensitief reageren op hun kind. We weten niet hoe lang die resultaten beklijven.

Ik denk dat er een voortdurende onderhoudsdosering nodig is bij ouders die niet van nature gewend zijn om sensitief te reageren op hun kind. Bovendien vraagt elke fase in de ontwikkeling van kinderen ook om nieuwe sensitieve vaardigheden. Een puber heeft een andere sensitiviteit nodig dan een peuter.

Een veronderstelling van de auteurs is dat de behoefte aan controle van de kant van de narcistische opvoeder leidt tot vormen van het kleineren van het kind (verbaal), tot pestgedrag van de kant van de opvoeder, tot het gebruik van fysiek geweld.

Narcistische mensen kunnen slecht met tegenstand omgaan. Het zijn geen teamplayers. Ze doen het goed als ze de baas kunnen spelen. Een peuter die niet doet wat pappa zegt of een puber die tegen zijn ouders in gaat: een narcistische opvoeder kan dat gedrag niet in perspectief zien. “Ik ben je vader, dus ik bepaal!”

Het gevolg is dat er een machtsstrijd ontstaat waarbij er alleen maar verliezers zijn. En als het kind zich thuis niet gehoord voelt leidt dat buitenshuis ook vaak weer tot nieuwe problemen: kinderen houden zich thuis in, maar zoeken buitenshuis de grenzen op. 

Narcisme en opvoeding (2)

Narcistische ouders neigen naar een verwaarlozende opvoedingsstijl óf naar een autoritaire opvoedingsstijl. Ze bemoeien zich weinig met hun kinderen óf ze zijn sterk controlerend en geneigd tot veel en streng straffen.

Het meest bekend zijn de autoritaire opvoeders. Ze zijn directief, verbaal kritisch en ook te scherp en vernederend, geneigd tot fysieke straffen, ze verwachten onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Als kind mag je niet tegen hen in gaan en ook geen vragen stellen. Straffen kunnen zeer disproportioneel zijn. Een extreem voorbeeld uit de serie over Ruinerwold was dat een zoon een jaar lang door zijn vader werd opgesloten.

De verwaarlozende ouders zijn afwezige ouders. Ze laten de kinderen hun gang gaan. “Als ik er maar geen last van heb.” Ze hebben geen belangstelling voor de bezigheden van hun kinderen. Ze letten ook niet op hoe laat kinderen bijvoorbeeld thuis komen of wie ze meenemen naar huis. Een 12-jarig meisje was een nacht van huis, de ouders merkten het zelfs nauwelijks, en toen ze het merkten ondernamen ze geen actie. ‘Ze komt vanzelf wel weer boven water’.

Zowel de kinderen van ouders met een autoritaire opvoedingsstijl als de kinderen van ouders met een verwaarlozende stijl lopen 'gemiddeld' veel meer risico op antisociaal gedrag, zijn minder vaardig in sociale contacten, hebben een lager zelfbeeld en presteren minder goed op school. 

Narcistische ouders hebben vaak ook een lager zelfbeeld, maar dat wordt gecompenseerd door het zichzelf op moeten blazen. Ze vragen veel aandacht voor zichzelf (‘aandachtvragend gedrag’). Ze zetten zichzelf centraal (dat kan ook in de vorm van ziektewinst zijn). Hun kinderen kunnen dienen als verlenstuk voor hun roem (de prestaties van kinderen moeten worden onderstreept, niet omdat het leuk is voor het kind, maar omdat de ouders dan kunnen gloriëren).

Heeft het kind kritiek op de ouders, dan is het niet best, want dat is een narcistische krenking. 

Probleem bij narcistische ouders is dat ze slecht overweg kunnen met diepere persoonlijke contacten. Gevoelens zijn te ingewikkeld, daar wordt niet over gesproken. Daardoor leren ze dat ook niet aan hun kinderen. Ook leren de kinderen onvoldoende van hun ouders om empathisch te zijn naar anderen toe. Het kind heeft niet zijn ouders als voorbeeld wat zorg voor de behoeften van anderen betekent.

Claire M. Hart, Reece D. Bush-Evans, Erica G. Hepper en Hannah M. Hickman (pedagogen aan het Universiteit van Southampton) menen dat het huidige opvoedingsklimaat ertoe bijdraagt dat meer kinderen dan voorheen zich in de richting van narcisme zullen ontwikkelen. En deze narcistische millennials zijn de ouders van de toekomst. Valt daar nog iets aan bij te sturen? (in: The Children of Narcissus: Insights into Narcissists' Parenting Styles).