Volgen, herkennen, voorspellen

We kunnen onderscheid maken tussen volgen, herkennen, voorspellen en beïnvloeden. Deze stappen hangen samen met de ontwikkeling van kinderen. De zintuigen en de executieve functies van de hersenen (kunnen overzien wat er gaat gebeuren) spelen daarbij een essentiële rol.

Dementerende mevrouw

Bijvoorbeeld: als een dementerende mevrouw naar de tandarts gebracht wordt: kan ze dan volgen wat er gebeurt? Herkent ze de patronen van de tandarts en de persoon van de tandarts (weet ze dat ze bij de tandarts zit en niet bij de kapper?). Kan ze voorspellen wat er gaat gebeuren. Die drie stappen heb je nodig voordat je eigen invloed kunt ervaren. Als je dat gevoel niet hebt rest jou vaak de noodrem: vechten, vluchten of bevriezen.

Peter gaat naar zijn kamer

Peter wordt door zijn begeleidster haar zijn kamer gebracht. De begeleidster ziet dat een deur niet goed dicht zit. Ze doet een stap opzij om de deur dicht te doen. Op dat moment grijpt Peter haar bij de keel. Wat is er aan de hand?

Deze situatie besprak ik met de betreffende begeleidster. Het gaat niet om een goed of fout, maar om een proberen te begrijpen wat er aan de hand is. Daarbij gebruikte ik het schema van Jacques Heijkoop over volgen-herkennen- voorspellen en eigen invloed ervaren.

a) Bij het volgen gaat het vooral om het afstemmen via de zintuigen: met de radar van de zintuigen stemt de bewoner af op wie je bent en wat je komt doen, een eerst verkenning. Vooral waarnemen op sensatieniveau.

b) Bij het herkennen zie je dat de beleving sterk mee speelt: het is spannend; leuk, ik word opgehaald. Een witte jas die wordt herkend roept angst op. Vooral waarnemen op sensatie- en presentatieniveau.

c) Bij het voorspellen gaat het o.a. om de aard van de relatie: wie leidt? Hier spelen patronen een belangrijke rol. Als het personeelslid mijn hand pakt gaan we koffie drinken. Hierbij soms ook waarneming op representatieniveau.

d) Het beïnvloeden en invloed krijgen is zeer essentieel. In een gezonde situatie proberen we vooruit te kijken en daarmee weer grip op de situatie te krijgen. “Ik ben de weg kwijt, maar ik kijk op de kaart waar ik ben.” Het kwijtraken van de controle is voor alle mensen beangstigend.

Peter begrijpt het niet

Bij Peter had de begeleidster hem geroepen, en hij volgde zijn begeleidster. Hij had haar ook herkend, hij wist dat hij bij haar hoorde en dat zij de regie had. Het ging mis op het punt van het voorspellen. Peter raakte in paniek omdat hij niet meer begreep wat de bedoeling was.

Veel kinderen zien dat hun opvoeder iets anders gaat doen, maar ze raken niet van slag. Mamma doet even de deur dicht, maar daarna gaat ze met mij mee naar mijn kamer. Peter had dat vermogen niet. Hij kon niet meer voorspellen wat er ging gebeuren. Het gevolg was een totale chaos in zijn hoofd.

Peter kon ook niet zeggen dat hij het niet begreep. Hij kon niet vertellen dat hij iets anders wilde. Hij had maar één optie om de regie terug te halen: hij trok aan de noodrem. Hij zette zijn begeleidster letterlijk stil.
Advertenties

Slapen (2)

Voor een teambespreking van deze week moest ik een stukje schrijven over veel voorkomende problemen bij het gaan slapen van peuters en kleuters. Het stuk is verre van volledig, maar het geeft een beetje een beeld van een aantal mogelijke oorzaken.

Gaan slapen is voor peuters en kleuters ingewikkeld. Ze zijn net een stukje eigen ‘ik’ aan het opbouwen, moeten ze dat ‘ik’ weer loslaten. Daarom hebben – zelfs peuters en kleuters die erg moe zijn – vaak grote moeite om in te slapen. Gaan slapen is een vorm van controleverlies. Hoe help je het kind bij een stukje vertrouwen (en daarmee controle) te ervaren en daarmee het gemakkelijker zich durven overgeven?

Oorzaken en interventies in telegramstijl:

  1. Niet durven slapen als gevolg van angst
  • Peuters leven in een magische wereld. Overdag verzinnen ze van alles en ’s nachts wordt dat alles opeens erg groot (‘de tijger onder het bed’). Ieder kind kent angsten. Die kan een opvoeder niet wegnemen, wel doseren (bijv. de tijger wegjagen). De eigen houding is belangrijk: serieus nemen, maar ook uitstralen dat het allemaal goed komt. Er is een periode waarbij je hoorbaar aanwezig moet zijn. Met een keukenwekker of timetimer kun je de tijd zichtbaar maken (‘dan komt mamma nog even kijken’). Het kind zielig vinden roept nieuwe emoties op die de angst versterken.

 2. Niet durven te gaan slapen als gevolg van een heftige belevenis.

Na een ruzie thuis. Een ongeluk. Maar ook na een ziekenhuisopname. In bed ervaren kinderen vaak meer pijn. Bijvoorbeeld: bij een ziekenhuis-opname en dan alleen zijn: daar lig je dan. Dat komt thuis terug.

  • Wél erkennen dat het heftig is maar ook vasthouden aan de wereld die door gaat (‘het herstel van het gewone leven’). Pijn kun je niet altijd oplossen, wel verzachten (‘bakkie troost’). Angst voor pijn door gerust te stellen.

 

  1. Onregelmatig opvoedingspatroon leidt tot inslaapproblemen
  • De ene keer vroeg, de andere keer laat, de ene keer voor Sesamstraat, de andere keer na Sesamstraat, soms is er visite en dan blijft de peuter lang op.
  • Bij peuters is een ijzeren regel: structuur van ruimte en tijd. Peuters hebben grote behoefte aan vaste patronen met soms een uitzondering. Vaste rituelen zijn essentieel bij het naar bed gaan.

 4. De TV (of de Ipad) brengt het kind naar bed, bijvoorbeeld uitkleden met de TV aan, omdat het kind zich anders niet uit wil kleden.

  • Dit is een vorm van pedagogische vervuiling van een belangrijk moment van de dag. Wat je moet doen is het investeren in het persoonlijk contact, in combinatie met vaste rituelen en een vaste plek (bijv. een uitkleedmat).

 5. Het probleem van de tijd

  • Ouders leven met de klok, kinderen met de ‘beleefde tijd’. Dat merk je vooral ’s morgens als kinderen al klaar wakker zijn en de ouders nog uit willen slapen. Om zes uur ’s morgens is het in het weekend al feest. Wat zijn mogelijkheden om het kind meer grip op de tijd te geven? Als dit gebeurt is het tijd. Als de wijzer boven aan staat gaan we naar boven.
  1. Verkeerde verwachtingen en emoties van de opvoeder (‘het moet goed gaan, anders doe ik het niet goed en hebben we continu ellende)
  • Ieder kind kent verzetsfasen. Dat het naar bed gaan op verzet stuit is volstrekt normaal. Maak het dus niet te groot. Peuters zijn erg gevoelig voor de emoties van de opvoeder. Hoe spannender de opvoeder het naar bed gaan vindt, des te ingewikkelder wordt het bedritueel voor de peuter. Wat gebeurt er als je als opvoeder werkt vanuit een ‘lage expressed emotion’ (‘we zien wel, maar het gebeurt wel’).

 

  1. Niet gezien worden tussen de anderen, aan tafel tussen de gesprekken van de ouders, doordat ouders de hele tijd achter de PC zitten.
  • Het bedmoment is dan een moment om gezien te worden, en dan wordt eindeloos gerekt, want nu heeft het kind alle aandacht. De vraag is overdag of je regelmatig even persoonlijke aandacht hebt gehad voor het kind. Daarnaast kun je het naar bed gaan begrenzen in de tijd. Er komt altijd een ‘nog even’ na, maar dat hoort er bij. Een kind wil nu eenmaal het laatste woord hebben.

8. Aangeleerde gewoonte: teveel prikkels.

  • Bijvoorbeeld in de avond wordt er nog van alles van stal gehaald: stoeien, intensieve spelletjes. Ouders denken: als het kind moe is gaat het wel slapen. Maar dat is juist niet zo. Dit is teveel. De dag rustig afbouwen, geleidelijk minder licht en geluid en minder prikkels.
  1. Ontdekken dat niet gaan slapen, niet naar boven willen, uit bed komen iets oplevert.
  • Naar beneden gaan en toch weer even een stukje TV kijken. Niet gaan slapen, er wordt van alles beloofd voor de volgende dag. De opvoeder hoort de regie te houden. Wel even aandacht, maar niet veel: terugleggen met geruststellende woorden, vooral niet veel doen

10. Strijd

  • Het kind zit in de strijdmodus, er is sprake van oppositioneel gedrag ( ‘ik ben twee en ik zeg nee’). Dit kan ook voorkomen bij kinderen die zichzelf stout vinden. Omdat ze zichzelf als dwars en niet gezien ervaren wordt de strijd nóg heftiger.
  • Deze strijd is deels persoonsgericht. De valkuil is dat je de strijd aan gaat en dat beide partijen willen winnen. Je kunt een beetje minder strijd aangaan als je meer patronen en rituelen inbouwt (‘eerst dit, dan dat’) en daarbij de peuter/kleuter een rol geeft (‘kiezen uit twee’). Daarnaast heeft juist dit kind ook de bevestiging nodig dat je hem waardeert!
Verschillen tussen kinderen: er zijn wat de moeite met het gaan slapen betreft grote verschillen tussen kinderen. Zo zijn prikkelgevoelige kinderen vaak moeizame inslapers. Ze hebben des te meer rust nodig voor het naar bed gaan.

Slapen

Over de slaap kunnen je boeken vol schrijven. In het verleden heb ik wel eens een lange reeks over de slaap geschreven. Maar dat houd je misschien teveel uit de slaap. Dus houd ik het kort.

Iedere volwassene kent momenten dat het slapen moeizamer gaat. En iedere ouder kent op zijn beurt weer situaties waarbij kinderen niet willen/kunnen slapen. Ben je eenmaal ‘functioneel oud’ geworden, dan ontstaan er nieuwe slaapproblemen.

Wat zijn normale hobbels bij het gaan slapen en het doorslapen van kinderen?

  • ’s Nachts huilen (baby’s)
  • ’s Nachts huilend wakker worden (peuters en kleuters)
  • Niet naar bed willen (peuters en kleuters)
  • Moeilijk inslapen (peuters en kleuters, maar ook nog in de verdere loop van de basisschool)
  • ’s Nachts de ouders roepen (peuters en kleuters)
  • Angsten bij het naar bed gaan en het in bed liggen
  • In bed willen liggen bij de ouders
  • Erg vroeg wakker worden en dan willen spelen of bij de ouders willen zijn
  • ’s nachts geluiden maken, praten, gesprekken tegen zichzelf voeren

Deels fysiologische gestuurde reacties die regelmatig voor komen:

  • Tandenknarsen
  • Wiegen met het hoofd om in slaap te komen
  • Met het hoofd bonken

Let op: bovenstaande gedragingen zijn dus niet pathologisch. Ouders kunnen heel sterk benadrukken dat hun kind met geen mogelijkheid in bed is te krijgen en dat het ‘dus’ een slaapstoornis heeft. In een bepaalde fase van de ontwikkeling hoort het niet kunnen slapen er gewoon bij.

Hoeveel uren hebben kinderen aan slaap nodig?

Dat is niet exact vast te stellen. De slaapkwaliteit is belangrijker dan de duur van de slaap. Bovendien heeft het ene kind wat meer slaap nodig dan het andere kind.

Gemiddeld slaapt een baby 20 tot 22 uur per etmaal. Een kind van een half jaar slaapt ongeveer 18 uur per etmaal. Rond een half jaar heeft zich doorgaans ook een dag-nachtritme ontwikkeld (behalve bij baby’s met ernstige ontwikkelingsproblemen).

Peuters slapen ’s nachts 11 tot 12 uur en hebben vaak overdag ook nog een slaapje nodig om de dag door te komen.

Kleuters slapen gemiddeld 10 uur per nacht.

Culturele verschillen

Ouders in Zuid-Europese landen maken zich weinig zorgen als hun kind rond 22 uur nog niet slaapt. Maar die kinderen doen vaak wel een ferme middagtuk.

Daar is de Nederlandse samenleving niet op ingesteld. Van kinderen boven de zes jaar wordt verwacht dat ze de hele middag wakker blijven.

Biologische klok

Het voordeel van kinderen is dat ze doorgaans hun eigen biologische klok volgen. Je kunt niet zeggen tegen een kind dat het maar extra moet gaan slapen omdat er morgen een feestje is. Of de volgende dag extra slapen omdat er gisteren een feestje was.  Doorgaans geven kinderen zelf aan hoe groot de slaapbehoefte is. Als de klok niet meer klopt raken ze van slag en halen de tijd op hun eigen moment vaak weer in.

Later in het leven wordt het aantal uren slaap wat meer ‘stuurbaar’. Toch zijn onregelmatige diensten (zoals in de zorg) zwaar omdat daardoor voortdurend de biologische klok ontregeld wordt.

Narcistische ouders

"Verwachtingen doden relaties". Aldus schrijfster Ann Voskamp. Toch verwacht iedere ouder iets van zijn kind. Wat gaat er dan mis bij kinderen van ouders met een narcistische persoonlijkheidsstoornis?

Kinderen van narcistische ouders moeten meer nog dan andere kinderen voldoen aan de verwachtingen van (hun) ouders. Als ze niet aan die verwachtingen voldoen worden ze veroordeeld en afgewezen.

Ooit noemde ik in een blog een gesprek met een vader van een beoogd zwemkampioene. Toen het meisje 15 jaar oud was wilde ze niet meer trainen. De vader was in alle staten. Iedere dag stond hij om zes uur - vóór zijn werk - voor haar klaar en nu deed ze hem dit aan. De dochter was dus een verlengstuk geworden van de roem en de glorie die de vader nodig had. Voortaan werd zijn dochter maximaal genegeerd, de vader toonde geen enkele belangstelling meer voor andere gebeurtenissen uit het leven van zijn dochter.

De vader vond zichzelf dus het slachtoffer van zijn dochter. Hij had alles voor haar opgeofferd. En nu was ze hem ondankbaar.

Kinderen van narcistische ouders worden niet ‘pedagogisch gestraft’ als ze grenzen overschrijden, ze worden gestraft als ze hun eigen grenzen aangeven. Desnoods worden ze net zo lang gechanteerd en gemanipuleerd totdat hen geen andere keuze rest dan te voldoen aan de behoeften van hun ouders.

Narcistische ouders willen vaak scoren via hun kinderen. Als er niet te scoren valt wordt het kind het middelpunt van kritiek. Of er wordt een andere zondebok aangewezen: de school, de zwemleraar, een verkeerd vriendje.

Eigenlijk is het de omgekeerde wereld. Het kind heeft bevestiging van zijn ouders nodig, maar deze ouders verwachten bevestiging door hun kinderen. De ouder zet zichzelf in de kindpositie en het kind moet zo volwassen zijn dat het zorg draagt voor de vervulling van de wensen van de ouder.

Op intellectueel gebied zie je dit verschijnsel bij ouders die pronken met de leerprestaties van hun kinderen. Iedere verjaardagsvisite zijn de verhalen weer te horen over de topprestaties van de kinderen. Eigenlijk gaat het dan niet om de kinderen, de ouders zetten zichzelf centraal.  Op sportgebied zie of hoor je dezelfde verschijnselen: het kind moet scoren om daarmee de ouders groter te maken. En vergis je niet in de aanstormende muzikale talenten en de play-blackshows…

En tenslotte het vroegere TV-programma Praatjesmakers: dat ging helemaal niet om de kinderen, de ouders op de tribune wilden gloriëren vanwege de verbale assertiviteit van hun kinderen. Dat soort programma's zou eigenlijk verboden moeten worden...

Thuis samen eten als goede gewoonte

Je hebt goede eters en je hebt slechte eters. Dat zie je nogal eens vanaf de baby- of peutertijd. Los daarvan zijn er bepaalde gewoonten in het gezin die kinderen stimuleren om goed (beter) te gaan eten.

Samen eten

Bij het (leren) eten hebben ouders een voorbeeldfunctie. Als ouders onregelmatig eten, zie je dat vaak terug in het gedrag van de kinderen. Want ‘zien eten doet eten’.

Een voorbeeld is een moeder die besluit dat ze voor de zomer flink moet afvallen, anders kan ze zich niet meer vertonen op het strand. Moeder begint aan een speciaal diëet uit een blik en eet niet meer met de pot mee. Op zo'n moment zie je bij peuters en kleuters ook nogal eens dat het eten 'minder' wordt.

Thuis of buitenshuis?

Het regelmatig uit eten gaan kan ook het gebruikelijke eetpatroon van kinderen doorbreken. Dat kan gebeuren omdat ‘ergens uit eten gaan’ ook leidt tot heel andere vormen van eten (‘kip, patat en appelmoes’), maar ook omdat het gebruikelijke eetritme aan tafel doorbroken wordt.

Weinig regelmaat

Datzelfde geldt voor onrust rond etenstijd. Bijvoorbeeld als ouders rond etenstijd gaan winkelen en dan een patatje meenemen naar huis. Het gaat hierbij niet om iets wat ‘een keertje voorkomt’, maar als dit min of meer een gewoonte is geworden.

Te lang aan tafel

Dorothea Timmers-Huigens wijst nog op een ander verschijnsel rond het eten: je kunt de maaltijd ook té belangrijk vinden. Bijvoorbeeld: je houdt er van om vaak ‘bijzonder’ te eten, vooral geen gewone pot. Een gevolg kan daarbij ook zijn dat je voor kinderen veel te lang aan tafel zit. Als de maaltijd te lang duurt kan dit voor kinderen als straf worden ervaren.

Regelmaat is belangrijk

Eten hoor je aan tafel te doen, maar niet voor de televisie. Het is een gezinsmoment. Met de TV aan of tijdens een film zijn kinderen veel minder met het eten bezig en veel meer met wat ze zien op het beeldscherm. Je kunt wel een keer een uitzondering maken, maar het is goed om te investeren in een vaste structuur, met af en toe een uitzondering.

Bij de goede gewoonten rond de maaltijd horen structuur van ruimte (de tafel), van tijd (hoe laat gaan we eten?) en van persoon (wie zitten er aan tafel?).

Narcisme en opvoeding

Regelmatig heb ik me verbaasd over hoe ouders die uit de ouderlijke macht waren gezet zich ontfermden over kinderen die tekort kwamen.

Zoals Marieke, een vrouw van zo’n veertig jaar. Haar man zat op de grote vaart. Haar kinderen woonden elders omdat het thuis niet goed ging. Het was uitgerekend deze Marieke, die steeds weer kinderen uit de buurt opving. Wat maakte dat ze niet voor haar eigen kinderen kon zorgen, maar kennelijk wel een goede verzorger kon zijn voor andere kinderen?

Of zoals meneer van Vliet. Hij staat bekend om zijn zeer autoritaire gedrag. Werkelijk met iedereen ligt hij overhoop. Zijn zes kinderen hebben met conflicten vroegtijdig het ouderlijk huis verlaten. Het is deze meneer van Vliet die altijd klaar staat voor kinderen van asielzoekers. Iemand uit de wijk wilde hem voordragen voor een koninklijke onderscheiding. Deze meneer had toch wel een lintje verdiend.

Volgens psychotherapeut Frans Schalkwijk zit de sleutel in de rol die de ouder voor zichzelf ziet. In de ontwikkeling van kinderen moet je blij zijn als ze geleidelijk hun vader en moeder minder nodig hebben.

In het meest gelezen bericht op mijn weblog (‘Borderline en kinderen’) schreef ik dat moeders met borderline als moeder emotioneel in de problemen komen als hun kinderen zich proberen van hen lost te maken. Dat wordt door deze moeders als verlating ervaren. De link met narcisme heb ik nooit gemaakt. Maar Schalkwijk schrijft dat hetzelfde probleem zich voordoet bij narcistische ouders.

"De gezonde toestand van het groter worden keert zich bij een narcistische ouder dramatisch om. Het kind wordt niet gezien als een peuter of kleuter met kindgedrag, maar het wordt beleefd als een volwassene die de ouder als persoon afwijst, pest of dwars zit."

Schalkwijk geeft als voorbeeld een kleuter die even alleen wil zijn. Dat zou je als ouder heel bijzonder kunnen vinden dat een kleuter dat zelf aangeeft. Kleuters willen niet zonder hun ouders, maar ze willen wel meer ruimte voor zichzelf.

Een narcistische ouder vindt dit – aldus Schalkwijk – een vorm van verzet. En omdat mensen met narcisme problemen hebben met de emotieregulatie reageren ze hier buitenproportioneel op.

Het zorgen voor kinderen buiten het gezin kent een heel andere dynamiek. Die kinderen gaan niet zo snel in verzet en hun dwarse gedrag komt minder ‘hard’ binnen. Bovendien heb je meer kans op waardering van de buitenwereld. Voor je eigen kinderen zorgen is een ‘gewone’ opdracht, dat hoort gewoon zo.

Samengevat:

Narcistische ouders duiden het groter groeien van hun kind als verzet. En uiteindelijk ook als krenking. “Ik ben een bijzondere vader, ik heb alles voor je over, ik verwacht van jou dat je mij bewondert als jouw heel speciale vader. Als je dat niet doet ben je een rebel en dan zal ik jou eens leren wie hier de baas is. Jouw verzet moet de kop ingedrukt worden.”

Ouders met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis ervaren het groter groeien van hun kind als verlating. “Ik word door iedereen in de steek gelaten en nu zelfs door mijn eigen kind. Als jij me verlaat heb ik geen leven meer en dat is allemaal jou schuld. Jij moet weer zorgen dat ik me gelukkig ga voelen.”

Vroege herinneringen

Onze kleindochter van drie jaar vertelt regelmatig tot in detail wat ze een paar weken of zelfs een paar maanden geleden meemaakte. Meestal roept een beeld bij haar weer een herinnering op: ze associeert dus bij een visueel plaatje een gebeurtenis uit het verleden.

Ik heb het me vroeger ook wel afgevraagd hoe onze eigen kinderen zich later dingen zouden kunnen herinneren. Maar mijn geheugen is feilbaar. Ik ben dus ondertussen vergeten wat ik er toen over bedacht heb. Er is echter ook nieuw onderzoek beschikbaar.

Geen woorden

Anna Enquist is schrijfster, musicus en psycho-analytica. In een interview in het Nederlands Dagblad (22 juni 2018) legt ze uit waarom we ons niet meer kunnen herinneren wat er in ons leven gebeurde toen we peuter waren.

Enquist: “Muziek is onze eerste taal. Die ervaring begint al in de baarmoeder. Pas als we een paar jaar oud zijn gaan we in woorden denken. Daarom hebben we ook zo weinig herinneringen aan onze jongste jaren: die zijn niet in woorden opgeslagen.”

Een aardige verklaring, maar er is meer nodig. Want als het verhaal van de taal klopt moeten peuters zich toch veel kunnen herinneren. Ze kunnen de oren van je hoofd kletsen, dus ze zouden zich via dat vermogen ook gebeurtenissen uit hun tweede en derde jaar voor de geest moeten kunnen halen.

Vanaf vier jaar

De Amerikaanse onderzoekers Patricia Bauer en Martina Larkina hebben enkele jaren geleden onderzoek gedaan naar het functioneren van het geheugen van kinderen. Ze kwamen – in lijn met de conclusies uit eerder onderzoek – tot de ontdekking dat kinderen zich nauwelijks iets herinneren van wat er voor hun vierde jaar gebeurd is (een uitzondering doet zich voor bij een aantal volwassenen met autisme). 

Onderzoek

De onderzoeksters lieten ouders bepaalde spannende gebeurtenissen navertellen en herbeleven door hun kinderen (bijvoorbeeld het bezoek aan een spannende attractie, het overlijden van een opa of oma of de geboorte van een broertje of zusje). Op die manier werd de herinnering nog eens extra bekrachtigd. Maar bleef dat verhaal bewust in het geheugen opgeslagen? Wél zo lang de kinderen kleuter waren. Maar opvallend was dat de herinnering aan die gebeurtenissen vaak sterk terugliep toen de kinderen zeven of acht jaar oud waren. Er wordt zelfs gemeld dat die herinneringen ‘opeens’ verdwijnen. Er was iets aan de hand waardoor die oude herinneringen vervaagden. Maar wat dan?

De ontwikkeling van het zelf

Ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma heeft wel een vermoeden. Rond de zeven jaar verandert het zelfbeeld van het kind: het leert om naar zichzelf te kijken en zichzelf een plek te geven in relatie tot anderen. Ze denken over zichzelf en over de ander en zien verbanden tussen het gedrag van henzelf en dat van anderen. Ze gaan ook begrijpen waarom de één een andere kijk heeft op de wereld dan de ander.

Dat is een ingewikkeld proces dat een groot beroep doet op de geheugenfuncties. Breeuwsma vermoedt dat deze verandering een zó groot beroep doet op de beschikbare geheugenfuncties dat de hersenen als het ware ‘gereset’ moeten worden. Daardoor zouden dan veel herinneringen ‘vrij plotseling’ zoek raken.

Zelf en autisme

Professor Uta Frith heeft veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van het zelf bij mensen met autisme. Deze ontwikkeling stagneert volgens haar (‘de musici zijn allemaal aanwezig, maar er is geen dirigent’). Daardoor kost het mensen met autisme veel meer moeite om naar zichzelf te kijken en hun eigen gedrag in relatie te zien tot het handelen van anderen. Dat is de stap die kinderen van een jaar of zeven vanzelf maken.

Als het idee van het ontwikkelende zelf een verklaring vormt waarom kinderen van een jaar of zeven zoveel herinneringen kwijt raken zouden de opvattingen van Uta Frith volgens mij kunnen verklaren waarom sommige mensen met autisme zoveel vroege jeugdherinneringen tot in detail kunnen beschrijven. Een voorbeeld van gedetailleerde vroege autoiografische herinneringen is het boek 'Een echt mens' door Gunilla Gerland.