Introvert/extravert (2)

De Zwitserse psychoanalyticus Carl Jung (1875 tot 1961) had het idee dat de persoonlijkheidstrekken extraversie en introversie te maken hadden met psychische energie.

Alle mensen hebben een bepaalde mate van psychische energie. meende dat het niveau van de dimensie extraversie-introversie afhankelijk was van de focus van de psychische energie van een individu. 

Enerzijds/anderzijds

Opmerkelijk was dat Jung zichzelf al snel omschreef als ‘enerzijds’/ ‘anderzijds’. Hij omschrijft zichzelf als kind als vrij eenzaam en introvert. Maar hij was er ook van overtuigd dat hij twee persoonlijkheden bezat. Enerzijds was dat de moderne Zwitserse, op de buitenwereld gerichte persoonlijkheid nr. 1, zoals hij het uitdrukte, en anderzijds persoonlijkheid nr. 2, die meer in zichzelf gekeerd was.

Jeugdherinneringen

Ik heb al vaker geschreven dat vroege jeugdervaringen de kleur van de psycholoog (deels) bepalen. Dat was voor Jung naar mijn mening duidelijk het geval. Zo had hij een excentrieke moeder die zich echter vaak in perioden van melancholie op haar slaapkamer terugtrok. Ze was perioden wél en perioden niet beschikbaar voor haar zoon. Soms moest hij tijdelijk het huis uit omdat zijn moeder de zorg niet aan kon. Zijn moeder had dus ook twee kanten.

Anderzijds was zijn vader (een predikant) rationeel ingesteld. Vader en moeder vormden dus elkaars tegenpolen en Jung moest – voor zijn gevoel – met die twee achtergronden zien te dealen omdat hij ze (genetisch) in één persoon had verenigd.

Uit een zeer simpele bron – Wikipedia – put ik nog het volgende fragment: “Op 12-jarige leeftijd werd Jung door een andere jongen zo hardhandig geduwd dat hij op de grond viel en even het bewustzijn verloor. Het was toen dat hem de gedachte overviel “Nu hoef je niet meer naar school!”[ Sindsdien verloor hij elke keer het bewustzijn als hij naar school ging of aan huiswerk moest beginnen. De volgende zes maanden bleef hij thuis, tot hij hoorde hoe zijn vader zich tegenover een bezoeker bezorgd uitliet over de toekomst van zijn zoon en vermoedde dat de jongen aan epilepsie leed. Met een schok realiseerde Carl zich dat hij zich vanwege de zwakke financiële situatie van het gezin op een succesvolle academische carrière moest richten. Hij ging onmiddellijk naar het bureau van zijn vader en stortte zich op de studie van Latijnse grammatica. Hij verloor nog drie keer het bewustzijn, maar geleidelijk overwon hij deze drang en viel niet meer flauw. “Hieruit heb ik geleerd wat een neurose is”, schreef Jung later”.

Een vat vol energie

Jung geloofde dat de mens een vat met energie was, maar dat deze energie bij extraverte mensen naar buiten gericht was, naar andere mensen. Introverte mensen hebben ook veel energie, maar dat merk je minder, omdat het naar binnen toe gericht is. Dat maakt dat ze aan activiteiten deelnemen die minder sociaal zijn. Ze kiezen ook voor beroepen die minder sociale eisen aan hen stellen.

Enkele lezers van dit blog hebben er veel meer verstand van dan ik: beroepskeuze. Maar ik kan me voorstellen dat er een duidelijk verband bestaat tussen de dimensies introversie/extraversie en de beroepskeuze. En dat je - als je beroepskeuze niet past bij dit aspect van je temperament- ook veel eerder vastloopt in je vak.

Eysenck geloofde niet in dat aspect van de psychische energie, dat kon immers niet wetenschappelijk worden vastgesteld. Hij meende dat extraversie te maken had met de niveaus van de hersenactiviteit of van de corticale opwinding. 

Daarbij trok hij een conclusie die ook in het ADHD-onderzoek genoemd wordt: de drukkere mensen hebben niet een hoger, maar een lager niveau van corticale opwinding. Dit zorgt ervoor dat ze op zoek gaan naar opwinding uit externe prikkels.

De hogere activatie bij introverte mensen zorgt ervoor dat zij prikkels vermijden die tot een grote opwinding kunnen leiden. Hun emmer zit immers al behoorlijk vol. Daar kan niet zoveel meer bij. Geef mij maar een Stiltecoupé...

Jaimie is autistisch (?)

Jaimie heeft grote moeite met het maken van overgangen. In iedere nieuwe situatie moet hij weer ‘schakelen’. Het kost tijd en energie voor zijn ouders, zijn begeleiders en zijn leerkrachten om hun tempo aan zijn manier van denken aan te passen. 

Maar er zijn mensen die dat op bewonderenswaardige wijze lukt. Ze hebben in hun hoofd geprent dat pas als Jaimie kan volgen wat er gebeurt hij zich ook niet overrompeld hoeft te voelen. Hij kan eigen invloed blijven ervaren. Alleen gaat dat bij hem in een trager tempo.

Allemaal onzin, vond iemand, die geschoold is in autisme. Er wordt rond Jaimie veel te moeilijk gedacht. Ze wist wel wat er aan de hand was met hem. Hij is autistisch.

Niet dat die diagnose officieel en volgens de regels van de diagnostiek is vastgesteld, maar ze heeft allerlei cursussen op het gebied van autisme gevolgd en dan zie je dat meteen. Bovendien zijn haar man en haar zoon autistisch, dus ze heeft ervaringskennis.

En als je maar ziet dat iemand autistisch is, dan weet je ook wat je moet doen. Als Jaimie niet meewerkte was de communicatie was niet duidelijk geweest. Alle andere mogelijke verklaringen deden er niet toe, er was maar één invalshoek, die van de communicatie. Je moest de W-vragen beantwoorden (Wie, Wat, Waar en Wanneer) en dan was de begeleiding van Jaimie geen enkel probleem meer.

Haar advies was dan ook dat ouders, medewerkers en leerkrachten bij haar cursus moesten volgen. Dan loste het probleem rond Jaimie zich vanzelf op. Foto’s, picto’s en ‘klaarbakken’, en Jaimie zou in alles mee gaan werken. Laat hem een foto zien en hij gaat vanzelf naar binnen. En als hij dat eenmaal weet zal het zijn hele leven zo werken.

Zo eenvoudig is de wereld nu eenmaal als je door een autistische bril kijkt. Tenminste: zo had deze mevrouw het autisme gesimplificeerd.

Maar zo simpel is die bril niet. Het gaat bij autisme om een inmiddels zeer breed spectrum aan stoornissen. Elke persoon met autisme vraagt weer om een eigen op maat gesneden benadering.

En Jaimie? We zijn inmiddels een aantal jaren verder. Jaimie was en is niet autistisch. Hij heeft wel problemen met de taalverwerking. Er wordt nu hard aan gewerkt om zorg op maat te bieden. Met Jaimie gaat het ondertussen steeds beter. Zonder die speciale autisme aanpak van mevrouw. 

Affectfobietherapie (4)

In de therapie leren mensen inzicht te krijgen dat hoe jij vroeger in je jeugd met relaties leerde omgaan nu nog steeds een rol speelt. 

Vroeger is nu

McCullough meent dat de patronen om op een bepaalde manier te reageren op conflicten in de kinderjaren zijn ontstaan. Zo ben je als het ware in je jeugd geprogrammeerd. Bijvoorbeeld: je mag niet boos worden op je baas, precies zo als je vroeger niet boos mocht worden op je vader. Ze gaat er vanuit dat dat inzicht kan leiden tot een herstructurering van de gedachten. Je gaat anders denken over wat er gebeurt.

Deze patronen zie je ook binnen teams in de zorg: in de manier waarop leidinggevenden reageren op medewerkers, in de wijze waarop medewerkers reageren op leidinggevenden en collega’s, in de wijze waarop zowel medewerkers als managers reageren op bijvoorbeeld familieleden van cliënten. Met name ook in de omgang met cliënten met een lichte verstandelijke beperking zie je ook nogal eens deze patronen terug.

Als mensen zich gaan realiseren ‘dat het zo werkt’ worden ze zich meer bewust van de onderliggende afweer. Zoals de patronen in mijn vroege jeugd waren, zo kom ik nu nog steeds diezelfde patronen tegen in de manier waarop ik met mijn collega’s, vrienden, broers en zussen en verdere familie om ga.

Vervolgens is het de bedoeling dat die mensen ook leren hoe ze uit de verlamming van de afweer kunnen komen en adaptief,  passend kunnen reageren, zodat ze weer energiebronnen aan kunnen boren. In het voorbeeld van de persoon die hoofdpijn kreeg: een ik-boodschap aan de baas durven geven.

Afweer

In het eerder in deze serie genoemde voorbeeld van Chris zou je kunnen onderscheiden:

  • Hoe wordt afgeweerd? Chris is eisend ten opzichte van zijn vriendin en erg jaloers als ze veel met anderen praat. Aan de andere kant is hij daarna somber en verongelijkt en hij trekt zich terug.
  • Wat wordt afgeweerd? Onbewust heeft dit te maken met het missen van zijn moeder (rouwproces) en zijn vader (drukke baan) op jonge leeftijd: hij voelde zich niet ‘gezien’. Zijn vriendin moet dit gemis goed maken.
  • Waarom heeft Chris die afweer, die remming? Zijn moeder kon er niet tegen als hij boos werd. Je mag dus niet boos worden. Chris is eisend en jaloers, maar uit zich niet boos. Als zijn vriendin hem toch naar zijn mening te weinig aandacht geeft trekt hij zich terug, precies zoals zijn vader deed.
  • Chris vraagt ook veel aandacht voor zijn ontwikkeling, zijn studie. Zijn vader had weinig aandacht voor zijn schoolprestaties, voor het gevoel van Chris had hij net zo goed kunnen blijven zitten, het was niet eens opgevallen. Bij zijn moeder hoefde hij ook niet met zijn rapport aan te komen. Chris had het gevoel dat hij er niet toe deed.
Een dikke pil over de Affectfobietherapie in mijn boekenkast heet 'Time to ACT!' (Uitgeverij Thema). Auteurs zijn Gijs Jansen en Tim Batink. Aan het boek is een CD-rom toegevoegd met live voorbeelden van behandelingen volgens deze methode. 

Familieverhoudingen

Gisteren schreef ik als diagnostische onderzoeksvragen van psychologe Mc Culloughs: Hoe was het gezin waar in je opgegroeid bent? Welke broers en zussen, en hoe waren die contacten? Hoe waren de relaties met de rest van de familie? Hoe wordt er gesproken over vroegere vrienden, over onderwijzers, over de kerk enzovoorts. 

Ga er maar aan staan! Daar kunnen sommige mensen een boek over schrijven. Maar het is wel belangrijk om te weten welke ‘schema’s’ er ontwikkeld zijn toen je jong was. Die schema’s zijn belangrijk om te weten hoe je later met anderen omgaat. Het plaatje dat je als kind hebt ontwikkeld kleurt de manier waarop je later op anderen reageert.

Therapeuten moeten daarom ook altijd supervisie volgen. Ze zijn opgegroeid tussen belangrijke anderen en dat maakt hen vatbaar voor (voor) oordelen. Dat valt onder het thema ‘overdracht’ en ‘tegenoverdracht’. Stel je voor dat je als behandelaar iemand ‘in de stoel krijgt’ die net zo ‘regelend’ is als je moeder (waar je nooit tegen hebt gekund). Hoe reageer je dan op zo’n cliënt?

In mijn werk heb ik vaak gezien bij vooral jonge begeleiding (die nog niet hadden ontdekt wie ze zelf waren, omdat ze bijvoorbeeld nog naar erkenning zochten bij hun ouders) hoe lastig het was om goed om te gaan met bijvoorbeeld een kritische moeder voor wie je het niet gemakkelijk goed deed.

Trouwens: in de driehoek ouder-kind-begeleider kwam ik ook mijzelf tegen, want ik heb ook mijn eigen voorgeschiedenis. Dat geldt trouwens nog steeds. Elke keer weer moet ik mezelf afvragen: waarom reageer ik zoals ik reageer? En omdat ik secondair ben ook (niet meteen kan zeggen wat ik denk) vooral ook: waarom voel ik wat ik voel?

In gezinnen lopen lijnen helemaal niet synchroon. ‘Elk kind groeit op met zijn eigen vader en met zijn eigen moeder’. En bij een begrafenis: ‘elk kind begraaft zijn eigen vader en zijn eigen moeder’.

Dat komt op een bijzondere wijze tot uiting in het boek ‘Het zwijgen van Maria Zachea’ door Judith Koelewijn over een moeder van een groot tuindersgezin in Wormer: de kinderen hebben allemaal een verschillend beeld van hun moeder. De één vond haar heel sociaal terwijl de ander meende dat ze zich het liefste van iedereen afzijdig hield. Wij woonden overigens een paar huizen verder en ik heb helemaal geen beeld van de moeder, wel van de vader die met iedereen een praatje rookte, het liefste onder het genot van een sigaar.

Als oudste uit een groot gezin heb ik een heel ander beeld van mijn ouders dan de jongere broers en zussen. Bovendien heb ik een deel van hun geschiedenis gemist. Ik was vaak aan de zwerf, weinig thuis en al op 18-jarige leeftijd de deur uit. De laatste twee verhuizingen van het gezin heb ik ook niet meegemaakt.

Geen wonder dat ik een ander beeld heb van mijn ouders (vermoed ik). Overigens hebben we dat beeld ook nooit met elkaar besproken. Dat zegt ook wel wat over de familieomstandigheden. 

Affectfobie (3)

De Affectfobietherapie probeert bij mensen de onderliggende gevoelens naar boven te halen. Daarbij maakt men gebruik van de zogenaamde personendriehoek. 

In dat verband past dit denken binnen de ontwikkelingsdynamische benadering. Wie was er vroeger belangrijk voor jou, welke gevoelens riep die persoon op en welke gevolgen hebben die (vaak onbewuste) gevoelens voor je huidige functioneren/

De personen uit het verleden zijn bepalend voor de manier waarop iemand in het heden met anderen om gaat. Daarom schrijft Mc Cullough dat een belangrijk aspect van de behandeling is dat mensen van vroeger ‘in beeld’ zijn. Hoe was het gezin waar in je opgegroeid bent? Welke broers en zussen, en hoe waren die contacten? Hoe waren de relaties met de rest van de familie? Hoe wordt er gesproken over vroegere vrienden, over onderwijzers, over de kerk enzovoorts.

De wijze waarop je als kind tegenover belangrijke anderen stond bepaalt voor een aanzienlijk deel hoe je nu met andere mensen in je omgeving om gaat.

 Adriaan van Dis

Belangrijk is dat je je realiseert dat diegene waarvan je nu denkt dat je van die persoon veel last had wel eens helemaal niet zo ‘remmend’ hoeft te zijn geweest. Van andere personen ben je je die remmingen mogelijk veel minder bewust. Een voorbeeld is het meest recente boek van Adriaan van Dis: Ik kom terug. Hij dacht altijd dat hij de meeste moeite had met zijn autoritaire vader, maar inmiddels is hij er achter dat zijn moeder (met veel meer passief-agressieve trekken) voor hem veel meer belastend is geweest.

Het voorbeeld van Peter

Peter had een moeder die alles in de gaten hield. Hij had voortdurend het gevoel dat hij geen kant uit kon. Als het niet precies ging zoals zijn moeder in haar hoofd had werd ze erg boos. Om te voorkomen dat zijn moeder boos werd probeerde hij het haar zoveel mogelijk naar de zin te maken. En verder had hij nog een andere strategie ontwikkeld: hij maakte zichzelf onzichtbaar en ging vooral zijn eigen gang.

De remming zit bij Peter in het gevoel dat hij het nooit goed genoeg kan doen. Daarop heeft hij een disadaptieve reactie ontwikkeld: hij duikt onder. Een andere vorm van afweer is dat hij zich voortdurend gecontroleerd voelt. Daardoor reageert hij heftig op mensen waarvan hij het gevoel heeft dat ze een oordeel over hem kunnen hebben. Dat leidt regelmatig tot conflicten met zijn baas, sommige collega’s en familieleden.

De reden waarom Peter zo gevoelig is voor reacties uit de omgeving is hij zich eigenlijk niet bewust. Hij weet dat hij ‘allergisch’ reageerde op zijn moeder. Maar hij had geen enkel idee dat dat ook in andere relaties een rol speelde.

Conflictdriehoek

Even terug naar het eerder genoemde voorbeeld: “Nadat mijn baas mij een berisping had gegeven kreeg ik vreselijke hoofdpijn en moest ik thuis meteen op de bank gaan liggen.”

Een tweede element uit de Affectfobietherapie is de conflictdriehoek. Aan de ene kant is er de afweer (in het voorbeeld is dat de hoofdpijn), aan de andere kant is er de remming (de boosheid die niet geuit kan worden) en tenslotte zijn er activerende adaptieve gevoelens (passende vormen van reactie op de situatie, een houding waar je energie van krijgt).

Die laatste komen in het voorbeeld niet naar voren: de reprimande van de baas kost de betrokkene veel energie, maar er staat niet iets tegenover. Aan dat voorbeeld zie je al dat zo’n conflict, waarbij de gevoelens geen ruimte krijgen, een persoon alleen maar energie kost. Als dat wekelijks gebeurt en er staat niets tegenover ben je al snel door je emotionele boekhouding heen.

NB: deze samenvatting en eigen interpretatie van de affectfobie en de mogelijke behandeling met AFT (AffectFobieTherapie) heb ik ontleend aan een artikel van Quin van Dam en Marc Hamburger in het Tijdschrift voor Psychotherapie, 2014 (40). 

Affectfobie (2)

De afweer tegen de emoties die niet gevoeld mogen worden kan zich uiten in gedrag, maar ook in gedachten of gevoelens. Bij depressies of angststoornissen en bij persoonlijkheidsstoornissen waarbij angst op de voorgrond staat (cluster C: afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis in de oude DSM). 

Mensen met deze stoornissen hebben last van sociale vermijding, dwangmatig handelen en ze hebben de neiging om veel te ‘leunen’ op anderen. De omgeving zegt bij hen vaak: ‘er komt veel minder uit dan er in zit’. Volgens Leigh Mc Cullough zou dat ‘onderpresteren’ met de afweer te maken kunnen hebben. ‘De energie gaat in de verkeerde dingen zitten’.

Chris

Een voorbeeld is Chris. Hij voelde zich als kind niet gezien en niet erkend. Zijn moeder maakte jaren van rouw mee door de ziekte en het overlijden van één van de kinderen. Chris had het gevoel dat het overleden kind op de eerste plaats kwam. Zijn reactie was dat hij zich emotioneel af sloot en zich terug trok. Hij kon en durfde als kind niet boos te zijn op zijn moeder en zijn eigen plek op te eisen. Hij wilde zijn moeder ook beschermen, want ze had het al zo moeilijk (‘parentificatie’).

Nu Chris volwassen is spelen die patronen nog steeds mee, maar op een heel andere manier, in de relatie tot zijn vriendin. Chris durft nu wel gezien worden, maar zijn gedrag is uit balans. Hij eist van haar alle aandacht op. Als ze op een verjaardag veel met vriendinnen praat kan hij daar helemaal niet tegen en wordt hij ontzettend boos en jaloers. Het gevoel als kind niet gezien te zijn vertaalt zich nu in verlatingsangst: hij wil en kan geen aandacht delen. Alleen als hij alle tijd en aandacht van zijn vriendin krijgt kan hij zich gezien voelen. Dat er onder dit gedrag een zich eenzaam voelend jongetje schuilt is een emotie die Chris zich niet bewust is.

De rol van angst, schuld en schaamte    

Angst, schuld en schaamte hebben vaak een remmende invloed op het functioneren. Mensen kunnen minder (aan) dan je van hen zou verwachten. Maar er is ook een adaptieve kant: angst kan wijzen op gevaar en schuld en schaamte kunnen de aanleiding zijn om schoon schip te maken. In de psychologie van de jaren ’70 en ’80 werd er teveel op gespeculeerd dat bijvoorbeeld schuld en schaamte bij het calvinistisch erfgoed behoorden en zoveel mogelijk verbannen zouden moeten worden uit het gevoelsleven van de Nederlanders.

Als we ons bepaalde gevoelens niet bewust zijn kan dat leiden tot afweergedrag dat op een heel andere manier tot uiting komt. Bijvoorbeeld: “Nadat mijn baas mij een berisping had gegeven kreeg ik vreselijke hoofdpijn en moest ik thuis meteen op de bank gaan liggen.” De persoon in kwestie benoemt niet dat ze bang was voor de baas, of boos, maar ze noemt alleen de vermijdende reactie.

Affectfobie (1)

Een bekend Nederlands cabaretier vertelde dat hij de afgelopen jaren minder cynisch was geworden. Hij had in de afgelopen tijd het verdriet in zijn leven (een gevoel dat hij altijd had vermeden) een plek kunnen geven. Dat had hem de ruimte gegeven om meer ‘de diepte in te gaan’. 

Het gevolg was dat hij minder kritisch naar anderen toe was geworden. Hij was nu in staat om meer op zoek te gaan naar de zin van het leven. Zijn verhaal zou kunnen passen bij het onderwerp ‘affectfobie’.

Bij een fobie denk je aan een angst voor iets buiten de persoon. Er zijn mensen bang voor spinnen, anderen zijn bang voor kleine ruimtes. Er zijn ook mensen bang voor honden, of mensen die bang zijn om te vliegen. Weer anderen zijn bang voor de tandarts of voor injecties.

Een fobie gaat overigens dieper dan een angst: een fobie beheerst je hele leven. Je kunt ook bang zijn om te vliegen, maar gewoon bedenken dat je dan dus maar niet gaat vliegen. Dan gaat het leven daarna wel weer verder. Je ziet ze alleen af en toe vliegen.

Van een affectfobie wordt gesproken als er spanningen zitten in de persoon. Het is dus geen externe fobie, maar het zit van binnen. Er zijn emoties die taboe zijn. De afweer om deze emoties te kunnen vermijden roept veel angst op.

Volgens de Amerikaanse psychotherapeute Leigh McCullough ontstaan deze spanningen in de loop van de ontwikkeling van het kind. Je maakt als kind bepaalde emoties mee, waar je niet over na kunt of durft te denken, of er zijn emoties die taboe zijn binnen het gezin. Die emoties leiden tot ‘afweer’, de emoties en gevoelens worden onderdrukt en dat beïnvloedt de manier waarop de persoon naar zichzelf en naar de ander kijkt.

Verboden gevoelens

Als een kind in de loop van zijn ontwikkeling leert dat bepaalde gevoelens (zoals woede, verdriet of opwinding) niet geaccepteerd worden, dan worden deze verbonden met angst-, schuld-, of schaamtegevoelens (Quin van Dam en Marc Hamburger, Tijdschrift voor Psychotherapie 2014, nummer 40).

De woede, het verdriet of de opwinding worden omgezet in een disadaptieve reactie. Daarmee bedoelen we een reactie die eigenlijk niet ‘geestelijk gezond’ is, omdat het leidt tot vervreemding bij de persoon zelf en bij zijn omgeving.

Voorbeelden van dergelijke reacties zijn zelfhaat, onverwachtse woede-uitbarstingen, slachtoffergedrag. Deze reacties bewerken juist het omgekeerde bewerkt van wat de persoon in kwestie zou willen.

In plaats van nabijheid gaan anderen de persoon mijden, ze raken gefrustreerd, de persoon in kwestie wordt eenzaam of gaat zich wanhopig voelen. Dat wordt er bedoeld met een disadaptieve reactie.

Emotionele hypotheek

Marina was op bezoek. Een verlegen tenger ogend meisje, een muisje eigenlijk. Ze praatte zacht en weloverwogen. Ze vertelde dat ze nu bij haar vader en zijn nieuwe vriendin woonde. Ze had hem jaren bijna niet gezien. Haar moeder hield alle bezoekregelingen af en stelde bezoeken uit. Maar nu mocht ze zelf kiezen.

Marina vertelde dat het bij haar moeder niet leuk was. Niet omdat mamma niet lief kon zijn. Wat ze moeilijk vond was dat haar moeder zo onvoorspelbaar was. “De ene keer wilde ze dicht bij me op de bank zitten en zei ze hoeveel ze van me hield en een uur later zei ze dat ik haar kind niet was en dat ik een verlopen hoer was”. Ik vroeg wanneer dat gebeurde. “Als ik een berichtje van een vriendin kreeg. Daar kon ze niet tegen. Ik denk dat ze dan jaloers was…”

Marina vertelde ook dat ze niet wist wanneer haar moeder boos zou worden. Dat kon zomaar opeens gebeuren. En dan was ze ook verschrikkelijk boos en ging ze gooien met spullen, slaan met deuren en schelden. Dat gebeurde vooral als haar moeder gedronken had. Ze vertelde dat ze daarom altijd op haar hoede was. Als haar moeder had gedronken zorgde ze dat ze uit de buurt bleef. Als haar moeder nuchter was kon de stemming ook zomaar door één opmerking omslaan. Vriendinnen nam ze nooit mee naar huis, want ze wist niet hoe de vlag er voor zou staan.

Even later nuanceerde ze haar verhaal. Haar moeder hield van haar. Ze kon er ook niets aan doen dat de stemming zomaar om sloeg. Kinderen zijn oneindig loyaal. Als het even kan gaan ze voor hun ouders zorgen. Dat bleek Marina ook te doen. Als haar moeder van slag was ging ze extra opruimen, dingen schoon maken, de dieren verzorgen, om maar te zorgen dat haar moeder niet nóg meer van slag zou raken.

Inmiddels woonde Marina bij haar vader. Daar voelde ze zich weer schuldig over. Maar ze was ook boos. Haar moeder had al haar spullen waar ze vaak mee bezig was geweest weg gegooid. Die troep wilde ze niet meer in huis hebben. “Ik had het nog op willen halen, maar het was al weg” zei Marina. Maar ze voelde zich ook weer schuldig. Je mag toch niet boos zijn op je moeder?

Moeder strafte haar dochter en haar dochter voelde zich schuldig. Ze werd dus dubbel gestraft. Hoe onredelijk haar eigen gedrag ook was, de moeder van Marina zag toch nog steeds kans om de last bij haar dochter te leggen. 

Stoorzenders bij de opvoeding

Er zijn vijf boosdoeners in de dagelijkse omgeving die de gezonde ontwikkeling van kinderen verstoren: 

1. chronisch lawaai (dat heeft vooral gevolgen voor de concentratie, voor het geheugen en de taalontwikkeling). Denk hierbij aan verkeerslawaai, aan altijd maar ‘muzikaal behang’ in huis of radio en TV die altijd aan staan, aan veel roepen en schreeuwen in huis.
2. teveel drukte, een ‘volle omgeving’ (dat heeft vooral gevolgen op de prestaties en denktaken). Hierbij kun je o.a. denken aan een huis waar weinig wordt opgeruimd en alle spullen rondslingeren, kleren her en der worden neergekwakt, een aanrecht dat niet wordt opgeruimd, alles waar kinderen mee bezig zijn blijft liggen.
3. afwezigheid van rituelen (dat leidt vooral tot gedragsproblemen). Vaste rituelen zijn belangrijk om kinderen het gevoel van een voorspelbaar leven en houvast te geven.

4. gebrek aan structuur van ruimte, tijd en persoon. (dit leidt tot hechtingsproblemen en daardoor tot gedragsproblemen, zoals verzet, wisselend gedrag, slaapproblemen en problemen met de zindelijkheid). Het kind wordt als een postpakket van de ene plek naar de andere verplaatst zonder dat er voldoende tijd is voor een vaste basisplek.


5. rommeligheid en gebrek aan organisatie bij opvoeders (dit leidt tot gedragsproblemen maar ook tot taalproblemen bij kinderen).

Het zal duidelijk zijn dat sommige kinderen al met een achterstand beginnen voor de geboorte, maar dat deze door bovenstaande omgevingsfactoren alleen nog maar groter wordt. Als ouders nooit het goede voorbeeld hebben gegeven, hoe moeten hun kinderen dat aan de kleinkinderen doorgeven? 

Endelicomorfie

Volgens het boek 'Kijk op mensen' van Robert A. Liston is endelicomorfie: het toeschrijven van eigenschappen van volwassenen aan kinderen.

Het voorbeeld dat Liston in dit verband beschrijft is dat van minderwaardigheidsgevoelens. Volgens Alfred Adler (die ik de afgelopen dagen beschreef) is de belangrijkste drijfveer van mensen: het gevoel van minderwaardigheid en de drang om meerderwaardigheid te verwerven. Adler schrijft dat dit streven al bij de kleuter ingebakken zit en het belangrijkste motief is voor zijn handelen. Volgens Liston kijkt Adler hiermee door de ogen van de volwassene, zonder vanuit het speciale perspectief van het kind te kijken.

Iemand die dat wél op heel bijzondere wijze is gelukt is Selma Fraiberg (De magische wereld van het kind). Zij is er in geslaagd om vanuit het perspectief van kinderen de wereld te bekijken. Dan begrijp je opeens ook waarom een peuter bang is om door het afvoerput van het bad of door de WC gespoeld te worden of die bang is voor de stofzuiger. Een volwassene die dat maar onzin vindt (‘je kunt toch zien dat je daar niet door past’) is eigenlijk bezig met een vorm van endelicomorfie. De volwassene kan vanuit zijn perspectief en denkvermogen inderdaad zien dat het niet past, dat kan een kind niet.

Als een volwassene zegt over een peuter dat hij een ander expres pijn doet, is dat ook een vorm van endelicomorfie. Een peuter is nog niet in staat om zich echt in te leven in de gevoelswereld van een ander. Hij weet wel wat het effect kan zijn op de ander, maar hij kan zich nog niet voorstellen dat hij de ander echt pijn doet. Het is geen pesten, maar testen. Als een volwassene datzelfde gedrag zou vertonen zou het wél expres zijn. Een goed ontwikkelde volwassene is in staat om zich voor te stellen wat hij de ander aan doet.

Een paar maanden geleden moest een echtpaar zich verantwoorden voor het gedrag van hun zesjarige zoontje. Ze hadden netjes gemeld bij de naschoolse opvang dat ze hun zoontje samen met een meisje van de opvang half ontkleed op de slaapkamer aan hadden getroffen. Ze vroegen aan de naschoolse opvang om de beide kinderen een beetje in de gaten te houden. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want nu ging er een hele machinerie in werking. Zo deed de naschoolse opvang een externe melding, waardoor de ouders zich moesten verantwoorden bij een officiële instantie.

Ook dit was een voorbeeld van endelicomorfie. De beide kinderen waren wat giechelend bezig geweest. Maar vooral: een kind kan nog niet weten waar het mee bezig is. Het is nog maar net bezig om seksualiteit als gevoel te ontdekken. Het kan dus ook nog niet kijken door de ogen van de volwassene. Het weet al helemaal niets van mogelijke consequenties.

Maar er klonken grote woorden. De ouders hadden het jongetje mogelijk verwaarloosd en hij vormde daarmee een potentieel gevaar voor zijn omgeving.

De ouders werden op onjuiste wijze verdacht gemaakt. En dat allemaal omdat behandelaars er niet in slaagden om door de ogen van kinderen te kijken. Ze keken door het vergrootglas van de volwassene.