Oorzaken van rivaliteit (1)

Eén van de thema's in het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham is dat van de rivaliteit. In zijn boek plaatst de onlangs overleden hoogleraar aan de UvA gedragskenmerken van de latere persoonlijkheid tegen de achtergrond van de vroege ontwikkeling van de persoon.

Rivaliteit vormt de drijfveer achter het gedrag van de betweter. Martin Appelo heeft gepubliceerd over de omgang met de betweter. Omdat ik af en toe voor tandartsen werk geef ik een voorbeeld uit die praktijk dat ik eerder meer uitgebreid plaatste op dit weblog.

De patiënt komt bij de tandarts binnen en gaat aan de tandarts uitleggen hoe een goede behandeling er uit moet zien. Geeft de tandarts tegengas, dan is hij bij de betweter aan het verkeerde adres. Hij heeft gelezen dat het allemaal heel anders in elkaar steekt en bovendien heeft hij een goede vriend die hoog in de tandartsen-hiërarchie zit en die het helemaal met hem eens is. Ik ken een man die het verhaal zó goed vertelde dat de tandarts ging twijfelen en dacht dat hij een collega in de stoel had…

Strijd voeren met een betweter heeft geen enkele zin. Hoe meer wapens je als behandelaar in de strijd gooit, des te meer verlies je het. Je moet vooral ‘laten’. “Het lijkt me een prachtig plan, maar helaas, ik heb de vereiste diploma’s niet om u op die manier te behandelen. Is het een idee dat ik contact opneem met die goede vriend van u, met de vraag of hij u kan behandelen?”

Komt een betweter bij de psycholoog, dan is er werk aan de winkel. De kunst is om het als psycholoog niet uit te gaan leggen. Want daar is de betweter allergisch voor. De rivaliteit uit het gezin richt zich nu op de psycholoog. Die vormt een potentiële bedreiging.

De reactie is dat de betweter het natuurlijk allemaal beter weet. Wat de psycholoog vertelt is allemaal psychologie van de koude grond. Je moet eigenlijk zoeken naar een vorm van socratisch motiveren, waardoor de patiënt zelf op een idee komt en bovendien denkt dat het helemaal zijn eigen idee is…

Wat is er aan de hand?

Volgens een aantal onderzoekers zijn mensen die voortdurend aan het rivaliseren zijn in feite heel onzeker over hun functioneren. Die onzekerheid zit zó diep dat ze er eigenlijk niet meer bij kunnen. Ze hebben alle onzekerheid gecamoufleerd door de schone schijn dat ze alles en iedereen onder controle hebben. De onzekerheid leidt er toe dat ze anderen voortdurend moeten overtreffen.

Plaats in de kinderrij

Interessant is de link die Rita Kohnstamm legt aan de hand van de plaats in de kinderrij. Het tweede kind van hetzelfde geslacht in het gezin zou bijvoorbeeld vaker een vorm van rivaliteit met de oudste ontwikkelen. In de Bijbel zie je dat terug bij Jacob die probeert het eerstgeboorterecht van Ezau te verwerven. Prinses Irene zou zich tot buitenbeentje hebben ontwikkeld in rivaliteit bij haar oudste zus Beatrix.

"In alle gezinnen komt rivaliteit voor. Denkt u maar niet dat er ook maar één gezin is waar broers en zussen niet met elkaar in strijd zijn. En als er maar één kind is, is er alsnog strijd, maar dan richting de opvoeder." Aldus een spreker op een congres over gezinsverhoudingen.

Natuurlijk moet je voorzichtig zijn met dit soort observaties. Hooguit “zit er wat in”, een bepaalde lijn die af wat toe wat meer zichtbaar is dan andere lijnen.

Emoties bij baby’s en peuters (2)

Sociale interactie: de peuter

Vanaf de leeftijd van 1 jaar worden de emoties meer complex. Schaamte en schuldgevoelens wijzen erop dat het kind in zekere zin in staat is om de emoties van de ander ‘te vatten’. Schaamte zie je dan bijv. als het hoofd naar beneden gaat, de ogen kleiner worden, de lichaamshouding totaal verandert en er een malle lach op het gezicht verschijnt.

Rond het 2e jaar kan het kind jaloers worden en bijv. het kind dat extra aandacht kreeg gaan slaan. De angst van kinderen op deze leeftijd is niet meer in de eerste plaats gerelateerd aan de zintuigen, maar aan controleverlies, aan het niet meer ervaren van (zelf)bescherming.

Zelfhantering

Een belangrijke bepalende factor bij het sociale gedrag is de mate waarin het kind leert om zijn eigen emoties te hanteren. Aanvankelijk zijn kinderen hierbij volledig afhankelijk van de opvoeder: ze willen vastgehouden worden, gewiegd worden, iemand moet op zachte toon tegen hen praten. Afleiding kan ook bij jonge kinderen al een positief effect hebben.

Vanaf de leeftijd van 2 tot 3 maanden kunnen kinderen zichzelf ook al enigszins ‘troosten’ door bijv. op hun duim te gaan zuigen en later zelfs door te proberen om in slaap te vallen. Ook kunnen kinderen ‘wegkijken’ als de wereld te spannend voor hen wordt.

Bij het zien van een ‘vreemd voorwerp’ kunnen kinderen zich terugtrekken óf houvast zoeken bij de moeder. Als iets leuks ‘verdwijnt’ kan het kind afleiding zoeken in iets anders of op zoek gaan naar het voorwerp. Uiteraard kunnen ze ook boos en gefrustreerd reageren.

Naarmate het kind ouder wordt vermindert het aantal ‘explosies’ (gillen, schreeuwen, schoppen, slaan) omdat het steeds meer vertrouwt op de mogelijkheid om door woorden aan te geven wat zijn wensen zijn. Een goede taalontwikkeling is een voorspeller voor het beter kunnen hanteren van gevoelens.

Opvallend is het verband tussen het snel ontregeld raken bij baby’s en het niet aansluiten bij de volwassene als peuter. Als een baby snel ontregeld is zie je vaak dat dat gedrag ook op iets latere leeftijd ouders voor meer complexe opvoedingsvragen stelt.

Ook bestaat er een verband tussen het frequent vertonen van boosheid en agressie op de peuterleeftijd en het aangaan van sociale contacten op de basisschool. Als peuters vaak boos en agressief zijn, laten ze meestal als ze iets groter zijn dat gedrag ook vaker zien dan andere kinderen.

Invloed van de ouders

De manier waarop kinderen leren om hun emoties te hanteren heeft voor een deel te maken met de wijze waarop ouders het kind leren om ervaringen op te doen. Geeft de ouder bijv. aan het kind mogelijkheden om tot rust te komen, om te kalmeren, of raakt hij zelf ontregeld van het ontregelde gedrag van het kind?

Als de ouders voornamelijk straffend reageren op het ‘negatieve’ gedrag van het kind leert het kind hier weinig van, het laat dan vaak later dezelfde problemen zien.

Als ouders echter het kind coachen, de emoties benoemen, het kind helpen in het zoeken naar alternatieven, de verschillende mogelijkheden naast elkaar leggen (‘wat gebeurt er als je uit je dak gaat’) leren deze kinderen steeds beter om hun emoties te hanteren en om andere manieren te vinden om met hun boosheid om te gaan.

Uit:

Danuta Bukatko en Marvin W. Daehler

Child Development, A thematic approach,

Houghton Mifflin Company, Boston/ New York

Hoofdstuk 11: Emotion

Emoties bij baby’s en peuters (1)

Pasgeboren baby’s kunnen via hun mimiek al verschillende emoties uiten: interesse, ongenoegen, plezier, verdriet en verrassing. Op de leeftijd van 7 maanden komt daar de uiting van angst bij.

Signalen voor de emotionele ontwikkeling zijn:

  • de differentiatie van de emoties
  • het reflexmatig reageren of meer gedoseerd
  • de gevoeligheid voor de emoties van anderen
  • de sociale interacties
  • het hanteren van de eigen emoties

Lachen

Aanvankelijk lacht de baby alleen tijdens de REM-slaap. Men vermoedt dat dit een uiting van welbehagen is op basis van een fysiologische reactie. Na 2 weken wordt deze glimlach duidelijker en meer ‘leesbaar’ aan de mimiek (niet alleen de lippen, maar ook de wangen en rond de ogen).

Daarna reageert de baby sterker op verschillende omgevingsomstandigheden (geluiden, geuren, smaak): de lach komt niet meer van binnen, maar reageert op ‘prikkels’ van buiten. In deze fase gaat het kind ook met een lach reageren op (vooral) de meest vertrouwde opvoeders (bij de meeste baby’s is dit lachen zeker aanwezig op de leeftijd van 6 weken).

Het lachen is nu dus niet meer reflexmatig, maar gedrag dat in zekere zin ‘controleerbaar’ is, een ‘social smile’. Dit gedrag is voor de ontwikkeling van de baby van buitengewoon groot belang. Opvoeders reageren sterk op de lach van de baby die omgekeerd in zijn ‘social smile’ gestimuleerd wordt door de reactie van de opvoeders.

Huilen

Een pasgeboren baby huilt vooral omdat hij honger heeft, het koud heeft, nat is, pijn heeft of ontregeld is doordat hij niet door kon slapen. Wolff onderscheidt bij jonge baby’s 3 typen huilen: honger (een ritmische vorm van huilen), boosheid (extra lucht door de stembanden) en pijn (lange vocalisatie gevolgd door inhouden van de adem).

Op de leeftijd van 2 maanden is de oorzaak van het huilen bij de baby niet alleen meer fysiologisch. Hij gaat onregelmatiger huilen, op verschillende toonhoogten en in verschillende intensiteit. Het lijkt erop dat de baby nu iets ‘vraagt’, in afwachting is.

Als de baby 8 maanden oud is huilt hij en stopt dan om te ‘horen’ of de moeder of een andere volwassene in aantocht is. De vocalisaties worden steeds meer gevarieerd en de baby kan ook meer controle uitoefenen op de klank van zijn stem. Bij kinderen die in hun ontwikkeling belemmerd worden zien we andere typen huilgedrag ontstaan (bijv. hoger en korter).

Baby’s : sociale interactie

Er zijn onderzoeken bekend waarbij baby’s van 3 dagen oud het gezicht van volwassenen lijken te imiteren. Hoewel onderzoekers van mening verschillen over het antwoord op de vraag waarom baby’s dat doen is wel duidelijk dat jonge kinderen buitengewoon gevoelig zijn voor emotionele uitingen van anderen.

Baby’s van 4 maanden oud zouden aan het gezicht van de opvoeder al emoties zoals blijdschap, boosheid en verdriet af kunnen lezen. De vraag die anderen stellen is echter of de reactie van de baby niet vooral voortkomt uit de veranderingen van het gezicht van de volwassene.

In het tweede halfjaar ontwikkelt zich nieuw gedrag bij de baby. Op het moment dat het kind diepte ziet durft het niet meer een bepaalde ‘grens’ over. Hij kijkt vervolgens naar zijn moeder. Als ze vriendelijk knikt kruipt hij wel verder, als ze angstig kijkt gaat hij niet verder. Kennelijk leest het kind niet alleen de emoties van het gezicht van zijn moeder, hij koppelt die emoties ook aan zijn gedrag (vgl. het thema joined attention).

Ont-eigenlijken

Deze week had ik het in een teambespreking over het ‘gevaarlijke’ woord ‘eigenlijk’. Binnen de ACT-methodiek bestaat zelfs een hele ‘eigenlijk’-lijst om je eigen denkfouten op het spoor te komen.

Sjaak woont op een ‘begeleidingsintensieve groep’.

Er wonen zes cliënten die veel aandacht nodig hebben. Maar Sjaak heeft zóveel aandacht nodig, dat er voor hem extra financiële middelen zijn aangevraagd én toegekend. Dat maakt het mogelijk om hem één op één te begeleiden.

Het voelt wrang, want op het moment dat Sjaak één op één begeleiding krijgt, moet de andere begeleider vijf cliënten begeleiden. De teamleden van de woning hebben daar dan ook best moeite mee.

Op de kamer van Sjaak lopen personeelsleden dagelijks klappen op. Mijn veronderstelling is dat als de teamleden er in slagen om vóórdat ze de kamer van Sjaak binnen gaan hun hoofd leeg te krijgen, dat dan het aantal agressie-incidenten minder zal worden. Niet dat ze leeghoofden moeten worden, maar ze moeten geen verborgen agenda hebben. Het woordje ‘eigenlijk’ moet uit hun hoofd. Ze moeten ont-eigenlijken.

Maar er is nog iets nodig. Sjaak heeft grote moeite met het verwerken van indrukken. Dat maakt dat het tempo van de begeleiders omlaag moet. Om dat concreet te maken zetten we een stoel in de gang, naast de deur van Sjaak. Daar ga je als begeleider op zitten. Pas als je klaar bent om naar binnen te gaan (je hoofd leeg hebt gemaakt van de drukte van de groep) sta je op.

Maar je gaat nog niet naar binnen. Je klopt eerst aan, je klopt nog eens, je roept de naam van Sjaak, je roept nog een keer zijn naam en pas daarna doe je de deur op een kier open. We spreken af dat er minimaal twee minuten tijd verstrijkt voordat je naar binnen gaat.

Het blijkt dat het aantal agressie-incidenten door deze aanpak aanzienlijk vermindert. Ze komen nog wel voor, maar het aantal klappen dat personeelsleden oploopt vermindert met zo’n 60%.

Sjaak heeft mensen nodig met onverdeelde aandacht. Ben je met je hoofd bij iets anders, dan wordt hij onrustig…

Relationele gebondenheid

Jaren geleden schreef ik een recensie over het boek ‘Van moeten naar mogen’ door Nancy Groom. Het boek is meegekomen met de verhuizing (40% van mijn boeken heb ik weg gedaan) en ik zat er weer eens wat in de bladeren.

Gebondenheid versus verbondenheid

Nancy Groom beschrijft het verschijnsel van de relationele gebondenheid. Dat betekent in feite dat je voor je eigenwaarde ‘afhankelijk bent van de relaties die je hebt’. Eén van de bekendste patronen is de dochter die op haar 40e jaar nog steeds wacht op de goedkeuring door haar moeder. Bij mannen is dat nogal eens het wachten op de waardering door de vader.

Nancy Groom plaatst deze gebondenheid tegenover verbondenheid. Dat betekent dat je vrij bent in je relaties. Je bent niet afhankelijk van de goedkeuring door de ander.

Kenmerken van gebondenheid

Nancy Groom noemt als kenmerken van deze gebondenheid o.a.:

  1. Je bent een ‘adoratie-junk’: je bent een gijzelaar van de meningen en oordelen van anderen. Je kunt dus niet jezelf zijn, maar je laat je leiden door de (al dan niet ingebeelde) waardering door de ander.

2. Mensen die relationeel gebonden zijn leven in voortdurende angst dat ze afgewezen zullen worden. “Ik kan pas een goed beeld over mezelf hebben als de ander mij nadrukkelijk waardeert. Als ik niet word gewaardeerd betekent het dat ik afgewezen word.”

3. Je bent buitengewoon sensitief voor hoe de ander naar jou kijkt. “Slechts een enkel woord, een blik, een stilte, het even niet bevestigd worden, het feit dat je niet begroet wordt kan je emotioneel uit het veld slaan en zelfs verminken.”

4. Je hebt de neiging om patronen uit het verleden te herhalen. Je voelt je bijvoorbeeld afgewezen door je vader die nooit iets positiefs over jou zei, maar je hebt een relatie met een man die ook niet in staat is om iets positiefs over jou te zeggen.

5. Je hebt de neiging om anderen voortdurend te controleren. Ondanks je negatieve zelfbeeld heb je de neiging om de ander geen ruimte te geven. De ander mag beslist geen fouten maken. Je wilt daarom voorschrijven hoe de ander moet handelen. Als die persoon in jouw ogen wél een fout maakt vergroot je dat uit: het is verschrikkelijk!

6. Daaruit vloeit voort dat je perfectionistisch bent ingesteld. Je hebt het dwangmatige verlangen om in iedere situatie zélf de touwtjes in handen te houden. Degene die jou daarbij in de weg loopt (‘niet doet wat jij als de perfecte manier van handelen ziet’) loopt daarbij de klappen op.

7. Je wilt onafhankelijk zijn. Het idee dat je iets nodig hebt van de ander ervaar je als iets heel ergs. Afhankelijk zijn is iets waarvoor je je schaamt. “Zelluf doen!” is je lijfspreuk.

Dwangmatig helpen

Nancy Groom vertaalt deze patronen o.a. naar de wijze waarop mensen zorgen voor anderen.

Ze heeft het over ‘compulsive helpers’: mensen die op basis van hun eigen gebondenheid de zorg voor anderen naar hun eigen hand willen zetten.

Zie daarvoor ook het boekje van Paula Lampe: Het Moeder Theresasyndroom’.  Of ook de recente serie blogs over het Syndroom van Munchhausen bij Proxy.

Nancy Groom: Van moeten naar mogen (Navigator Boeken, 2000).  

 

Munchhausen by Proxy (slot)

Toen ik zo'n 15 jaar geleden op TV een documentaire zag over het Syndroom van Munchhausen by Proxy kon ik mijn ogen en oren niet geloven. Hoe is een moeder in staat om haar kind zó te laten lijden? Deze documentaire kan via internet bekeken worden.

Inmiddels is er meer bekend over de achtergronden van de moeders. Wat zijn redenen om het kind ziek te maken?

‘Ziektewinst’

  • Het is een manier van aandacht om genegenheid, erkenning en zorg te krijgen. Munchhausen by proxy heeft dan een functie in het bestrijden van gevoelens van bijvoorbeeld eenzaamheid of minderwaardigheid.
  • De zelf veroorzaakte klachten dienen om spanning in het gezin te reduceren. In vele gevallen blijkt er sprake te zijn van huwelijks- en relatieproblematiek. De moeder heeft het gevoel miskend te worden en probeert op deze manier via ‘toewijding’ en ‘opoffering’ alsnog aandacht te verwerven.
  • Het gezin waar de moeder is opgegroeid laat ook veel spanning zien. Sommige moeders hopen door hun zorg voor een ernstig ziek kind alsnog erkenning te krijgen van de eigen ouders. Ook kan er sprake zijn van rivaliteit om de aandacht van de ouders binnen het gezin. Een ziek kind leidt dan soms tot ziektewinst. De aandacht gaat naar jou als verzorger van een ziek kind toe en niet naar je zus.
  • Het gedrag fungeert als middel om andere verantwoordelijkheden te ontlopen, zoals werk, de zorg voor een lastige puber in het gezin of de aandacht die ouders vragen.

Persoonlijkheidsproblematiek

  • Voor zover we nu weten blijkt bij nader onderzoek dat er bij de daders eigenlijk altijd sprake is van ernstige persoonlijkheidsproblematiek, waarbij vooral de borderline persoonlijkheidsstoornis wordt genoemd.
  • Soms lijden ze aan somatisatiestoornis (de psychische problemen worden opgezet naar lichamelijke verschijnselen.
  • Het gedrag van de dader kan soms ook gezien worden als een uiting van min of meer onbewuste gevoelens van agressiviteit. Deze kunnen voortkomen uit de jeugd, maar ook naar de partner (het kind heeft een goede band met de vader en wordt door de moeder op deze manier onttrokken aan de zorg door de vader; de moeder bindt het kind aan zich).
  • In situaties van een vechtscheiding kan de moeder de ziekte van het kind aanwenden om de bezoekregeling naar eigen inzicht bij te sturen. Een moeder kan haar kind zo bij de biologische vader ‘weg houden’.
  • Soms is er ook sprake van rivaliteit jegens artsen en verpleegkundigen. De moeder geeft aan beter te weten wat het kind mankeert en wat het aan behandeling nodig heeft en zet daar haar medische kennis bij in.

Behandeling

Behandeling van het Syndroom van Munchhausen by proxy is ingewikkeld.

  1. In de eerste plaats is het lastig om de diagnose goed boven water te krijgen.

2. In de tweede plaats moet de dader geconfronteerd worden met de schade die bij het kind is aangericht, terwijl die dader er vaak helemaal van overtuigd is geraakt goede zorg te bieden. Met de erkenning dat het toch niet goed ging valt ook de facade weg die zorgvuldig was opgebouwd richting andere familieleden.

3. Omdat het om diepgewortelde problematiek gaat vraagt dit syndroom, meestal in combinatie met een ernstige persoonlijkheidsstoornis, ook om langdurige behandeling. Daarbij moet voorkomen worden dat het kind opnieuw slachtoffer wordt.

4. In de vierde plaats heeft het hele systeem rond moeder en kind behandeling nodig. En met name het kind dat slachtoffer was zal opnieuw moeten leren de eigen geschiedenis te herschrijven (een vrouw die zelf slachtoffer was heeft hier een boek over geschreven).

Ik kom later mogelijk nog een keer op het onderwerp terug, maar dan in een wat andere vorm, waarbij een diagnose een eigen leven gaat leiden bij de familie.

Mocht je twijfelen/ vragen hebben, dan geef ik je in dringende overweging om vrijblijvend advies te vragen bij de regionale afdeling van 'Veilig Thuis'.

Münchhausen by Proxy (Hans, vervolg)

Achteraf zou je kunnen zeggen dat de moeder van Hans in haar gedrag een aantal signalen liet zien die passen bij het Syndroom van Münchhausen by Proxy. Andere kenmerken liet ze echter weer niet zien. Het beeld was ook niet zo dat ik denk dat moeder haar zoon ziek maakte. Wel werd hij sterk belemmerd in zijn ontwikkeling en daarmee ook in zijn kwaliteit van bestaan.

Ziekmakende moeders

Er zijn situaties bekend waarbij moeders hun kind moedwillig ziek maken. Ik schrijf moeders, omdat totnutoe geen gevallen beschreven zijn waarbij een vader het kind op deze manier ziek maakte.

Het thema kan soms ook uitgebreid worden naar andere verzorgenden (andere familieleden, maar ook zijn vergelijkbare situaties met professionele begeleiders bekend). Daarbij kan het gedrag van de persoon in kwestie extreem ver gaan.

Zelfs tijdens een ziekenhuisopname zagen sommige moeders nog kans om het kind alsnog middelen toe te dienen waardoor het kind ziek werd. Er is zelfs een film van een moeder die ondanks cameratoezicht kans ziet om haar kind gif toe te dienen. Er zijn kinderen die zelf zijn gaan geloven dat ze heel erg ziek zijn.

Op TV vertelde een dochter zo’n (levens)verhaal waarbij ze was gaan denken dat ze erg ziek was en dat haar moeder haar de medicijnen toediende om haar beter te maken. Dat mocht ze niet tegen de dokter zeggen, omdat haar moeder de enige was die haar beter kon maken.

Nog een rijtje kenmerken

Nog enkele kenmerken die genoemd worden bij het Syndroom van Münchhausen by Proxy:

  • De moeder heeft een medische of verpleegkundige opleiding, ambieert deze en vertoont een bovenmatig grote belangstelling voor allerlei medische ontwikkelingen
  • De moeder heeft nogal eens een sterk joviale houding naar de behandeld artsen toe, waardoor de professionele afstand lastiger wordt.
  • De moeder vertoont een manipulerende en/of dominante houding om controle te verkrijgen over de medische behandeling of deze in verregaande mate te bepalen
  • De moeder ‘verwelkomt’ ingrijpende diagnostiek en ingrepen ‘ ondanks het feit dat deze pijnlijk en belastend voor het kind zijn.
  • Dit kan ook zo zijn ten aanzien van pedagogische maatregelen, zoals een buitengewoon streng dieet zonder dat is aangetoond dat dit werkt of veel beperkingen in de bewegingsvrijheid (bij Hans: niet zelfstandig kunnen lopen).
  • Als de behandelend arts probeert om van het kind zelf een antwoord te krijgen ‘breekt de moeder in’. Ze blijft spreken voor het kind, terwijl de indruk bestaat dat het kind best zelf tot antwoorden in staat is.
  • Toen de moeder even naar het toilet was gaf Jeffrey opeens doelgerichte antwoorden aan de behandelaar. Zijn moeder had bijvoorbeeld gezegd dat hij geen contact wilde met zijn vader, maar hij vertelde opeens dat hij zijn vader twee keer in de maand zag en dat hij dat erg prettig vind.
  • Een houding van de moeder die gericht is op het (sociaal) isoleren van het kind en het gezin
  • Informatie over vroegere medische behandelingen is moeilijk te verkrijgen, doordat de betrokkenen geen toestemming verlenen, of doordat er belangrijke informatie mist.

“Die dokter begreep helemaal niks van haar zoon”, zei de moeder van Jeffrey. Ze wilde ook niks meer met hem te maken hebben. Het was een waardeloze dokter. Daarom had het ook geen zin om bij die arts informatie op te vragen.

Diagnostiek

Het vaststellen of er sprake is van het Syndroom van Münchhausen by Proxy is bijzonder complex. Het is niet alleen moeilijk om de informatie te achterhalen en op de juiste wijze te ‘kaderen’. Er hebben zich in de geschiedenis ook allerlei situaties voorgedaan waarbij moeders ten onrechte beschuldigd werden van dit syndroom. Daarom is goede dossiervorming en multidisciplinaire samenwerking vereist.

Het is daarnaast ingewikkeld om te bepalen hoe je het beste zou kunnen handelen. In dat verband is het belangrijk om advies te vragen en te overleggen met instanties die ervaring hebben op dit gebied en geen directe behandelrelatie hebben met het kind (zoals ‘Veilig Thuis’).