Familieruzie

Rond het overlijden van ouders ontstaan er vaak problemen in de relatie tussen broers en zussen. Het is echter de vraag of die problemen dan ontstaan, of dat de scheuren van vroeger dan manifest worden.

Tijdens de cursus (over het werken in de driehoek en contextuele therapie) kwamen familieverhoudingen ter sprake. Hoe gaat het in het gezin rond de zorg van een kind met een beperking? En hoe gaan kinderen onderling om met de zorg voor hun ouders?

Familieconflict

In de pauze vertelde één van de cursisten hoe hij sinds het overlijden van zijn moeder geen contact meer had met een aantal broers en zussen (hij was de jongste uit een gezin van tien en zei er ook nog bij: “Het had natuurlijk niet veel gescheeld of ik had het downsyndroom gehad…”). 

Over de oorzaak was hij duidelijk. “Die problemen waren er altijd al, maar daar werd niet over gesproken. Er werd nooit met elkaar gesproken, er moest gewerkt worden. Wat we nu in onze familie zien zijn de scheuren van vroeger die breuken zijn geworden.”

‘Ging de ruzie over de erfenis?’ wilde ik weten. Nee, dat speelde eigenlijk geen rol. Hoewel hij dat niet zeker wist, want daar lette hij niet op. Het kon zijn dat het ergens tussen zijn broers en zussen wel had gespeeld. Maar de oudsten waren 20 jaar ouder dan hij, hij wist er te weinig van wat ‘daar’ speelde.

Controle

Volgens hem waren de problemen vooral duidelijk geworden toen zijn moeder ziek werd. De vierde zus had toen alle verantwoordelijkheid naar zich toegetrokken. “Dat was een echte regelbitch, zij zou het allemaal wel even regelen. Alles onder controle, zelfs haar moeder.”  

Hij gaf toe dat dat wel wat scherp gezegd was, maar dat hij daar niet tegen kon, ook niet op zijn werk, ‘die mensen zitten op mijn allergie’. Hij had ook een relatie gehad met zo’n regeltante, het kwam er op neer dat hij op den duur in zijn eigen huis niets meer had in te brengen. ‘Stom, dat je dat niet meteen ziet’. 

Twee kampen

Hij probeerde zich niet zoveel aan te trekken van het gedoe in de familie. Maar wat hij wel lastig vond was dat de zus die alles had willen regelen en een andere zus hun hele familie in het conflict probeerden te betrekken.

“Ze willen dat iedereen partij kiest”. Wat eerst een ruzie was tussen twee zussen was nu een ruzie waar acht van de tien kinderen bij betrokken waren. De ruzie werd o.a. dagelijks op Facebook uitgevochten, maar daar zat hij gelukkig niet op. Hij deed niet mee, net als één van zijn broers. “Maar ja, dat wordt me ook kwalijk genomen. Ze denken dat je goede en foute broers en zussen hebt en daar tussen zit niks. Dus zal ik ook wel fout zijn.”

Rivaliteit

Op mijn vraag of hij wist wat de scheur uit het verleden dan zou kunnen zijn, zei hij: “Jaloezie natuurlijk, wat denk je anders? Dat was vroeger ook al zo tussen beide zussen. Wie krijgt de meeste aandacht van ons moeder?”

Het was wel wat kort door de bocht, maar ik denk dat jaloezie tussen broers en zussen nogal eens tot op hoge leeftijd een rol speelt in de onderlinge verhoudingen. Professor R.E. Abraham zou het rivaliteit noemen. Daar heb ik al eens een serie blogs aan besteed.

ADHD: daar groeit een kind wel overheen…

In mijn studietijd bestond ADHD nog niet. Wel was er sprake van een groeiend aantal kinderen met MBD (Minimal Brain Dysfunction). Eén op de tien luidde het adagium van een ouderverening. In elke klas zouden drie kinderen met MBD zitten. 

Ik dacht toen: als een ‘diagnose’ zich zó als een olievlek uitbreidt verdwijnt hij vanzelf. Want als een afwijking (te) veel voor komt wordt die afwijking normaal. Hoewel er meer vrouwen dan mannen zijn in Nederland is het man zijn met die bijna 49% op zichzelf geen afwijking. Het gedrag van mannen misschien wel, maar het man-zijn niet.

En inderdaad: tien jaar later bestond het idee van MBD niet meer. De boeken konden verbrand worden. Er kwam een nieuwe classificatie voor in de plaats; ADHD. Met later twee polen: AD(H)D en ADD. De H is van Hyperactief. Dat is de drukke, ontremde variant. ADD is de dromerige kant: de kinderen die weliswaar fysiek in de klas zitten maar in hun hoofd met heel andere dingen bezig zijn. Beide groepen jongeren ervaren – ondanks hun soms zeer hoge intelligentie – grote moeite in het onderwijs. Zeker de overgang naar het wetenschappelijk onderwijs is erg ingewikkeld. Waarom zou je nu al voor een tentamen gaan leren als je pas over drie maanden een tentamen hebt? En als je een dag geen college hebt is dat toch een vrije dag?

Kan een kind over ADHD heengroeien? Die kans is aanwezig, met name binnen een stabiel gezin met weinig stress. De kenmerken verdwijnen niet helemaal, maar ten dele. Het wordt allemaal wel beter werkbaar. En de sterke kanten van ADHD (bijvoorbeeld de originaliteit) kunnen in sommige latere beroepen prima worden ingezet.

Tegelijkertijd is er een andere kant. Elke belemmering verdubbelt de problemen. Zoals: slechts huisvesting, een benedengemiddelde intelligentie, alcohol-en drugsgebruik, taalproblemen en autisme maken dat de combinatie met ADHD (dan) voor pubers en jongvolwassenen een slechte prognose kent. De ontwikkelingsproblemen versterken elkaar dan: er is sprake van een dubbele handicap. Ook kampen kinderen met AD(H)D vaker met angst-en stemmingsstoornissen die de kans op een gezonde ontwikkeling sterk kunnen belemmeren.

De meeste peuters vertonen een zekere mate van ontremd gedrag. Als kinderen groter worden vermindert dit ontremde gedrag en kan het kind zich beter concentreren. Het is de combinatie van bemoeilijkte omstandigheden (van binnenuit of van buitenaf) én AD(H) D die maakt dat een deel van de kinderen toch vastloopt in het latere leven.

Het is dan ook een mythe dat kinderen met AD(H)D vanzelf over hun gedrag heen groeien. Tevens met dank aan Geertje Kindermans van De Psycholoog.

Klem tussen een moeder met borderline en een narcistische vader

"Kinderen van ouders met een borderline persoonlijkheidsstoornis of van ouders met een narcistische persoonlijkheidsstoornis zijn hun leven lang bezig om zichzelf te bevrijden uit hun verwrongen jeugd".

Aldus het begin van een artikel uit Psychology Today door Randi Kreger. Zie hiervoor de reactie van Catharina op Borderline en kinderen (2).

Eén van de thema’s die het probleem nóg complexer maken is dat vrouwen met een borderline-stoornis en mannen met een narcistische persoonlijkheid zich nogal eens tot elkaar aangetrokken voelen. Natuurlijk is dat niet standaard het geval, maar het komt nogal eens voor. Daar heeft Martin Appelo uitgebreid over geschreven in zijn boek ‘Een spiegel voor narcisten’ (al eerder beschreven op dit blog).

Verdriedubbeling

Kinderen van een ernstig narcistische vader en een moeder met ernstige borderline-problematiek moeten niet alleen zien te overleven met de complexiteit die beide stoornissen met zich mee brengen, ze moeten ook nog hun weg vinden in de spanningen die onvermijdelijk zijn in de relatie tussen narcistische mannen en borderline vrouwen. In feite hebben ze te maken met een verdriedubbeling van de problematiek.

(let wel: ik schrijf hier over ernstige problematiek, niet over lichte trekken. De meeste mensen hebben af en toe wel wat trekjes van borderline en alle mensen hebben af en toe narcistische eigenschappen).

Al eerder heb ik beschreven hoe jaloers een moeder was dat haar dochter werd uitgenodigd door een vriendje op een schoolfeest. De moeder kon het niet verkroppen dat haar man haar weinig aandacht gaf en dat haar dochter opeens een vriendje had. Ze zag haar dochter als haar vriendin en nu ging die vriendin er met een ander vandoor. Dat werd door haar als verlating ervaren. Uit boosheid knipte de moeder de jurk die haar dochter aan wilde trekken in stukken.  

Waar is de vader?

Maar hoe zat het met de vader? De man wilde zich niet mengen in de strijd tussen moeder en dochter. Dat vond hij ‘typische vrouwenzaken’: jaloers zijn op elkaar en de ander geen aandacht gunnen. De dochter vond geen gehoor bij haar vader: hij was de grote afwezige in dit conflict. Hij verliet het pand en ging op stap met vrienden.

Een jaar later won de dochter een plaatselijk muziekfestival. Nu was de vader opeens wél in beeld. Hij ging op bezoek bij allerlei lokale media om aandacht te vragen voor de prestatie van zijn dochter. Hij stelde zich op als haar manager. En daar waar ze aandacht kreeg van de media had haar vader het hoogste woord. Hij stond ook iedere keer nadrukkelijk op de foto.

Verlengstuk

In feite was de dochter een verlengstuk van de vader. De vader gebruikte zijn dochter om daarmee zélf in de schijnwerpers te komen.

Bij de moeder kon de dochter niet terecht, want op kritieke momenten zag de moeder haar dochter als concurrent. Bij de vader kon ze niet terecht omdat hij haar slechts zag als verlengstuk van zichzelf. En omdat er voortdurend spanningen waren tussen beide ouders was de dochter zich altijd zeer op haar hoede. Ze stelde zich bij voorkeur verdekt op, dan was er de minste kans op allerlei aanvaringen.

Stop walking on Eggshells  is de titel van één van de meest bekende boeken over de borderline persoonlijkheidsstoornis. Niet zo voorzichtig doen, stop met op eieren lopen. Dat is een mooie opdracht voor volwassenen, voor contacten op afstand. Maar van jonge kinderen kun je dat niet vragen...

Splitting (4, slot)

Bij splitting wordt de één op een voetstuk gezet en de ander wordt de zondebok. Hoe valt dat principe vanuit de sociaal-emotionele ontwikkeling te verklaren?

Kinderpsychiater Margareth Mahler bouwde een theorie op rond de hechting en het ontwikkelen van een eigen identiteit van jonge kinderen. Het draait bij haar rond de termen van separatie en individuatie. Je kunt pas los komen van je moeder (separatie) als je ik voldoende ontwikkeld is (individuatie). Die ontwikkeling vindt volgens Mahler vooral plaats in de fase van de object-constantie  (24 tot 36 maanden, oftewel vooral tussen twee en drie jaar).

Vier stappen in het leren loslaten

  1. Eerder heeft het kind al geleerd dat een moeder weg kan zijn en er ergens toch nog is. Nu leert het kind: ook als ik mijn moeder niet zie is ze toch nog voor mij beschikbaar.

2. Het tweede wat kinderen in deze fase leren is: ook als mijn moeder boos op me is mag ik er toch nog zijn. De moeder wordt als een constante factor gezien, de boosheid is iets wat tijdelijk is, maar wat wel weer over gaat.

3. Het derde wat kinderen leren is alvast een beetje in grijstinten denken. Ook lieve mensen kunnen heel boos doen. Toch blijven ze lief. En ook: mamma kan heel erg boos zijn, maar ook een beetje boos. Als ze een beetje boos is is dat geen afwijzing, ze is gewoon even een beetje boos.

4. Ook leren peuters te oefenen in afstand en nabijheid. Dankzij dit oefenen kan het kind leren dat het geen ramp is als mamma niet in de buurt is. En als mamma weg is, is dat geen verlating. Ze is even weg en zo komt straks weer terug.

Geen grijstinten

Als mensen splitten komen ze kennelijk niet aan die derde fase toe: het denken in grijstinten. Mijn vrouw is nu even onbereikbaar, maar straks komt ze weer thuis. Of in de andere dimensie: de ander is er helemaal voor mij óf hij is tegen mij. Het emotionele denken is zwart-wit. De één doet alles goed en de ander kan nooit iets goeds doen.voorafgaande fase steken.

In die voorgaande fase leert het kind geleidelijk aan om zijn moeder te ‘missen’. Als mamma er niet is kan het kind verdrietig zijn, maar dat hoeft niet te ontaarden in heftige driftbuien, in bijtgedrag, in destructie. En als mamma weer terug komt is alle leed geleden. Het kind zoekt troost en daarna is het weer helemaal goed.

Ziehier het principe van de stalkende echtgenoot die op elk moment van de dag wil weten waar zijn of haar partner is. Het gevoel geen controle te hebben wordt ervaren als verlating.

Bij volwassenen is het vaak geen mamma meer, maar bijvoorbeeld de partner. Het valt niet te verdragen dat de partner aandacht geeft aan een ander. Dat wordt niet in de context geplaatst (hij praat nu even met de buurvrouw, maar straks is hij weer bij mij): de gedeelde aandacht staat gelijk aan verlating. Een zeer heftige reactie tot en met een overvliegend servies kan het gevolg zijn. De partner heeft nu de positie van de moeder ingenomen. Hij moet er helemaal voor mij zijn, want anders voel ik me leeg en ben ik verlaten.

Varianten op het splitten

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden

Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Deze serie blogs werden geschreven vanuit ervaringen in de gehandicaptenzorg. Daaruit geef ik de volgende literatuursuggesties mee: 
* E. de Belie en F. Morisse: Gehechtheid en gehechtheidsproblemen bij personen met een verstandelijke beperking (Garant, 2007) 
* Erik de Belie en Geert van Hove: Wederzijdse emotionele beschikbaarheid (Garant, 2013)

Splitting (3)

Marjanne heeft een begeleidster die op een voetstuk wordt gezet (Sanne) én ze heeft een begeleidster die het niet goed kan doen (Dorien). 

Soms zie je dit verschijnsel ook bij opvoeders. Het ene kind wordt op een voetstuk gezet, het andere is per definitie de zondebok. Wat er dan gebeurt is dan een ouder kennelijk niet in staat is om in grijsdenken te denken en te voelen. Elk kind roept pretttige dingen op, maar kan jou ook confronteren met vervelende herinneringen.

Stel dat het gedrag van je dochter je aan je moeder doet denken en je hebt negatieve herinneringen aan je moeder en misschien zelfs wel elk contact met haar verbroken: loopt er opeens een kopie van je moeder door het huis... 

Een ouder hoort volwassen genoeg te zijn om hier over na te kunnen denken en in te zien dat je dan de boosheid op je moeder projecteert op je kind. Helaas zijn tal van ouders daar niet toe in staat. En zeker niet als ze een stevig emotioneel rugzakje met zich meedragen dat hun sociale en emotionele ontwikkeling heeft belemmerd. Je krijgt dan eigenlijk een kind dat een kind moet opvoeden.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgeplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boevn water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleem-gedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De optimale houding is: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er van vindt’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.
Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Oorzaken van druk gedrag bij kinderen (2)

Gisteren schreef ik over vijf (mogelijke) oorzaken van druk gedrag bij kinderen. Vandaag weer vijf verklaringen. En dan stop ik er weer mee. Er zijn meer verklaringen, maar het moet ook weer niet te druk worden op dit weblog.

6. Onveilige hechting: het gebrek aan basisveiligheid, aan voldoende bodem, vertaalt zich in druk gedrag. Gebrek aan veiligheid kan ook ontstaan doordat het kind onvoldoende begrensd wordt. Dat wordt door een kind worden ervaren als ‘niet gezien worden’. Gedrag dat wordt gediagnosticeerd als ADHD kan dus ook zijn oorzaak vinden in een verstoorde hechting. Daardoor ervaart het kind weinig rust. Het lijkt meer op een vliegwiel: de onrust roept nieuwe onrust op. Het gedrag stoppen is ingewikkeld, omdat het kind geen veilige basis ervaart waar het rust ervaart en getroost wordt. Ook als ouders sensitief zijn (troost willen bieden) heeft het kind niet het vermogen om die troost te ondergaan.

7. De emotionele ontwikkeling blijft achter bij andere ontwikkelingsgebieden van het kind. Het kind is op sociaal en emotioneel gebied kleiner dan op andere gebieden. Dat betekent dat het meer kán dan dat het áán kan. Er wordt verwacht dat het zich gedraagt als een kind van zeven jaar, terwijl het in sociaal en emotioneel gebied nog maar twee jaar oud is en gedrag vertoont dat past bij die leeftijd.

8. Stress, spanning, angst. Denk bijvoorbeeld aan de periode voor Sinterklaas; dan zijn bijna alle kinderen drukker. Een oorzaak kan ook zitten in de voortdurende spanning in het gezin. Dat hoeft zeker niet in de relationele sfeer te zitten, het kan ook te maken hebben met bijvoorbeeld geldzorgen of een te kleine woonruimte.

9. Onvoldoende mogelijkheden tot beweging. Alle kinderen hebben bewegingsruimte nodig: ze moeten hun lichaam dagelijks kunnen ervaren. Als kinderen daar geen kans toe krijgen (van hot naar her achter in de auto – de ‘achterbank-generatie’) of thuis alleen maar op de bank achter de laptop vertaalt zich dat in drukker gedrag op andere momenten.

10. Pijn en ander lichamelijk ongemak. Bij kinderen die oorpijn hebben zie je vaak aan het gedrag dat ze ergens last van hebben. Het kind ‘onderdrukt’ de pijn met zijn gedrag. Nog beruchter is het ervaren van jeuk. Dat kan zó ondraaglijk worden dat het kind er helemaal turbo van wordt.

Let er daarnaast op dat druk gedrag deels leeftijdsgebonden is. Peuters zijn vaak drukker dan kleuters. En zoals gisteren al gemeld: jongens zijn vaak drukker dan meisjes.

Oorzaken van druk gedrag bij kinderen (1)

Wat zijn mogelijke verklaringen voor druk gedrag bij kinderen? Ik noem er tien, maar er zijn er meer.
  1. Temperament. Het temperament is aangeboren. Het is de gedragsmatige vingerafdruk die het kind meekrijgt vanaf de geboorte. Het ene kind is ‘van nature’ actiever met zijn lichaam dan het andere. Dat zie je vaak al vanaf enkele maanden. De ene baby/peuter is meer een kijker, de andere is meer een doener. Bij de ene baby is het badje na tien minuten leeg en al het water ligt naast het badje, de andere baby is vooral met kleine druppeltjes bezig en is zuinig met water. Voor de ene baby heb je handen en voeten nodig om hem aan de kleden, bij de andere baby gaat dat veel gemakkelijker. Over het algemeen zijn jongetjes meer actiever met hun lichaam en zijn meisjes wat meer ingehouden. In elk geval bestaan er aangeboren verschillen tussen kinderen: het ene kind heeft meer bewegende en lichamelijk actieve genen in zijn lijf dan het andere kind.
  2. Over- of ondergevoelige zintuigen. Kinderen die qua zintuigen overgevoelig zijn kunnen al die prikkels vertalen in druk gedrag. Ze horen bijvoorbeeld teveel en worden daar onrustig van. Let maar eens op het gedrag van sommige kinderen als het hard waait: dan kunnen ze veel minder goed stil zitten. Bij kinderen die ‘tactiel’ (op de huid) ondergevoelig zijn zie je vaak dat ze prikkels opzoeken: ze willen toch iets van hun lichaam ervaren en zoeken dan stevige prikkels op. Dat is in de ouderenzorg soms ook een verklaring voor onrustig gedrag (zelfstimulering).
  3. Over- of onderprikkeling: dit punt staat in verband met het vorige punt. Het ene kind kan meer prikkels aan dan het andere kind. Kinderen die meer prikkels/indrukken moeten verwerken dan ze aankunnen zijn vaak drukker in hun gedrag. Kijk maar naar een drukke omgeving: daar worden de meeste kinderen nóg drukker van. Het worden druktemakers die niet tegen drukte kunnen. In onze samenleving krijgen kinderen vaak meer prikkels te verwerken dan goed voor hen is. ‘Rust, regelmaat en reinheid’ zijn belangrijke ingrediënten om het kind minder overprikkeld te laten zijn. Daarnaast zijn kinderen soms lichamelijk  ondergevoelig. Zij zoeken juist extra prikkels op.
  4. Gezinssituatie: in gezinnen waar onvoldoende structuur is, waar kinderen niet leren om aan tafel te zitten, waar de dag onvoorspelbaar, waar veel geluiden door elkaar zijn vertonen de kinderen bijna altijd drukker gedrag.
  5. Fysiologische factoren zoals voeding, honger of slaap. Eenzijdige voeding versterkt het drukke gedrag. Een knorrende maag maakt kinderen drukker, als kinderen tegen de slaap vechten vertonen ze drukker gedrag. Een klein deel van de kinderen is gevoelig voor bepaalde voedingsstoffen.
Voor de volgende vijf punten moet je nog even geduld hebben. Of je verzint ze zelf. Dan zal de meester jullie later zeggen of je de goede antwoorden hebt bedacht. 

Munchhausen by Proxy (slot)

Wat zijn signalen voor een mogelijke herkenning van het syndroom van Munchhausen by Proxy? Wanneer moeten er alarmbellen gaan rinkelen? 
  • De gerapporteerde signalen en symptomen zijn alleen gezien door de ouder en niet door anderen (bij beroepsopvoeders: alleen bij deze begeleider).
  • Bij echtparen: de vader is buiten beeld in gesprekken met de arts of komt niet aan het woord.
  • De ouder meldt steeds weer met nieuwe symptomen.
  • Het kind heeft een lange geschiedenis van behandelingen op allerlei gebied met verschillende disciplines
  • Er zijn gaten in de medische diagnostiek, de gegevens zijn incompleet
  • Er is gerommeld in en met de dossiers (doorstrepen, weglakken)
  • Het kind blijkt niet te reageren op de voorgeschreven medicijnen of behandeling of het reageert er onverklaarbaar op.
  • De historie van gebeurtenissen is medisch gezien zeer onwaarschijnlijk.
  • Ondanks een definitieve medische conclusie blijft de ouder of verzorger op zoek gaan naar nieuwe behandelaren.
  • De ouder heeft de neiging om conclusies van artsen aan te vechten en leest zich voortdurend in in nieuwe behandelmethoden.
  • Het kind wordt vaak thuis gehouden van school.
  • Familie of andere professionals geven aan dat ze zich zorgen maken over de situatie,  zoals het vele doktersbezoek.

Multidisciplinair

Als artsen een vermoeden van het Münchhausen-by-Proxysyndroom hebben, is het belangrijk dat ze samenwerking zoeken met andere medische disciplines. In de meeste situaties is het de hoofdbehandelaar die een vermoeden krijgt. Deze zoekt dan de samenwerking met een kinderarts, forensisch arts en vertrouwensarts van Veilig Thuis. Gezamenlijk moeten zij tot een volledig overzicht van het medisch dossier van een kind komen, zodat ziekteverloop en verwijspatronen zichtbaar worden.

Behandeling

Bij het syndroom van Munchhausen by Proxy gaat het om het hele gezinssysteem. De pleger is ziek, het kind is ziek gemaakt en de andere gezinsleden vormen onderdeel van dit systeem. Alle betrokkenen in het gezin hebben dus behandeling nodig.

Dit is ook van belang omdat het gezin uit balans raakt wanneer blijkt dat de ouder ziek is en het kind niet. Alle gezinsleden krijgen te maken met een nieuwe situatie binnen het gezin. Het kan ook zijn dat (bijna altijd) de moeder uit het gezin moet vertrekken vanwege een behandeling.

De pleger heeft een langdurige behandeling nodig. Hij of bijna altijd zij moet zich bewust worden van wat er bij het kind teweeg is gebracht. De glansrol van de zicht opofferende moeder wordt een schandpaal. Omdat deze ouders zelden in staat zijn tot reflectie is de behandeling langdurig en de prognose niet gunstig. 

Munchhausen by Proxy (3)

De emotionele gevolgen voor kinderen die slachtoffer zijn van het Münchhausen-by-proxysyndroom zijn vaak zeer ingrijpend.

Bij de kinderen die te maken hebben gehad met de meest ingrijpende vorm van dit syndroom is sprake van ernstige lichamelijke klachten omdat zij onnodige operaties of behandelingen ondergaan en last hebben van bijwerkingen en complicaties. Ze begrijpen ook vaak hun eigen lichaam niet meer.

Bovendien loopt hun psychosociale ontwikkeling vaak achter door het veelvuldige ziekenhuisbezoek, waardoor ook sprake is van veel schoolverzuim. Zij hebben bijvoorbeeld moeite om vriendschappen aan te gaan met leeftijdsgenoten en kunnen moeilijk loskomen van hun ouders.

Veel kinderen zijn angstig, veel bezig met hun (vermeende) ziekte en hebben het gevoel dat zij tekortschieten. Het regelmatige schoolverzuim kan leiden tot leerachterstanden. Veel van deze kinderen ontwikkelen posttraumatische stressverschijnselen door de medische onderzoeken en behandelingen.

Maarook bij de mildere vormen komen psychosociale klachten voor. Dat kan samenhangen met de verlatingsangst van de kant van de moeder. Het syndroom komt bijna alleen bij moeders voor. Het groter en zelfstandiger worden van het kind wordt door de moeder niet als gezonde groei ervaren, maar als in de steek gelaten worden. Ik vermoed dan ook dat er bij moeders met dit syndroom vaak sprake is van kenmerken van borderline-problematiek.

Er lijkt bij deze moeders vaak sprake te zijn van borderline-problematiek

Signalen onderkennen

Om verschillende redenen duurt het vaak lang voordat een vermoeden van münchhausen-by-proxysyndroom ontstaat. Een van de redenen is dat münchhausen-by-proxy in de extreme vorm zeer zeldzaam is.

Een tweede reden is dat de moeders vaak zeer behulpzaam en begrijpend zijn naar de artsen toe. Ze kunnen prima ‘levelen’ en kennen ook het medische jargon. Een arts vertelde dat hij zelfs dacht met een collega-arts te maken te hebben.

Een derde reden is dat als de arts niet meewerkt de moeder gewoon vertrekt en een nieuwe behandelaar voor haar kind zoekt, zonder bij de nieuwe behandelaar te vertellen dat het kind eerder is onderzocht. Bij elke arts begint het medische circuit weer opnieuw.

Een vierde reden is dat artsen (zeker in de USA) bang zijn voor claims als ze een ziekte over het hoofd zien. De kans is daardoor niet denkbeeldig dat er teveel onderzoek wordt gedaan, om maar zeker te kunnen weten dat alles onderzocht is.

Een vijfde reden is dat zowel de partner (die zelden mee komt) als het kind zich loyaal opstellen naar de ouder toe. Ze zullen niet uit de school klappen.

Een zesde reden is dat als de arts een vermoeden krijgt de moeder dit meestal aanvoelt en niet meer bij deze arts terug zal komen.

Kortom: wat zo duidelijk lijkt te zijn in documentaires (je ziet een moeder op beeld die haar kind een stof toedient) is in de praktijk veel moeilijker vast te stellen. 

Hoe gaat het nu met de kinderen van Ruinerwold?

Ze behoorden tot de meest heftige beelden die ik ooit op de televisie heb gezien. Maar wat mij vooral intrigeerde was de loyaliteit waarmee de oudste vier kinderen uit het gezin in Ruinerwold (een nadere toelichting is niet meer nodig) spraken over hun vader, hun moeder en de andere kinderen uit het gezin.

Op de documentaire kwam een vervolg, en er komen er nog meer. In dit praatprogramma spreken Israël en Edino over de gevolgen van de documentaire-serie. Ze hebben de keuze voor het (laten) maken van de serie weloverwogen gemaakt. Ze zijn ook blij met het resultaat.

Maar wat me vooral opvalt is hun voortdurende vermogen tot reflectie op het eigen denken en handelen. Ik zou denken dat dat vermogen door het geïsoleerde wonen flink zou zijn onderdrukt. Maar veel beter dan miljoenen andere Nederlanders zijn juist deze beide zoons is staat om naar hun eigen gedrag en denken te kijken.

Voor wie het kijken wil: de link staat hier onder: