David wordt niet tegengesproken

Toen ik op een VWO iets vertelde over de gehandicaptenzorg vroeg één van de leerlingen: "Meneer, komt 'het' vaker voor bij tweelingen?" Ik zei: "Ja, dat komt vaker voor." Daarop bulderde de hele klas van het lachen. "Zie je wel, we dachten het al!" Er zat een tweeling in de klas...

David is één van een tweeling. Hij is erg slim. Hij heeft een lichamelijke beperking, waardoor hij aan een rolstoel gebonden is. Maar het gemis aan fysieke mogelijkheden compenseert hij ruimschoots met zijn intelligentie.

Zoals in alle gezinnen met meerdere kinderen is er ook tussen David en zijn broer Jesse sprake van rivaliteit. David kan heftige discussies voeren om zijn gelijk te halen. Dat lukt hem bijna altijd. Het lijkt ook wel of hij daarmee zijn handicap wil compenseren.

David wordt in de strijd gesteund door zijn moeder. Als er weer eens een discussie is over het gelijk van de één en het ongelijk van de ander zegt zijn moeder tegen Jesse: “Wees jij nou maar de wijste. Je broer mist al zoveel.” 

Het lijkt er op dat de moeder een schuldgevoel heeft over de handicap van haar lichamelijk beperkte zoon. Ze probeert op allerlei manieren zijn leed te verzachten. Maar ook Jesse loopt een schuldgevoel op. Als hij de discussie met zijn broer aan gaat krijgt hij het gevoel mee dat hij onvoldoende rekening houdt met de moeiten die de broer in zijn leven ervaart.

Eigenlijk zijn er zelfs drie verliezers. Want op deze manier leert David niet echt om met andere mensen om te gaan. Hij leert wel om de baas te zijn. Dat helpt bijvoorbeeld bij het uitoefenen van bepaalde functies. Hij zal het straks – ondanks zijn lichamelijke beperking – met zijn intelligentie en zijn verbale gehaaidheid vast ver schoppen. Maar het maakt hem niet meer mens. In sociaal opzicht hapert zijn ontwikkeling.

Om te groeien als mens tussen andere mensen en goed samen te kunnen werken heb je nu eenmaal regelmatig ook tegenwind nodig.

Puberbrein

Opeens was het psychologische ei van Columbus uitgevonden. Pubers hadden een puberbrein. Dat verklaarde alles waarom pubers zich zo gedroegen zoals ze zich gedroegen. Tot je 25e ben je in je hersens niet volwassen, dus dat kan er van alles mis gaan. En bij sommige mensen duurt de rijping van de hersenen nog wat langer.

Prof. Micha de Winter veegt verbaal de vloer aan met dit denken (de Volkskrant, 9 juni 2017). Het maakt dat er te gemakkelijk wordt gedacht dat pubers ‘er toch niks aan kunnen doen’. De neurologen die het puberbrein tot uitgangspunt van het gedrag van pubers hebben gemaakt noemt hij ‘hersenfundamentalisten’, die tieners reduceren tot ‘machteloze onrijpe prefrontale cortexen’. 

Nu is het ook weer niet zo dat Micha de Winter dus gewoon maar meent dat pubers overal verantwoordelijk voor kunnen zijn. Als die prefrontale cortex nog niet klaar is, dan moet je er kennelijk een pedagogisch hekje om heen zetten. Dat betekent: pubers afremmen, grenzen stellen, in gesprek blijven.

De Winter heeft de indruk dat opvoeders te snel afhaken. Zoals in de gemeente Utrecht, waar docenten van middelbare scholen het in de klassen niet meer durfden te hebben over de Holocaust of over homoseksualiteit, omdat de lessen dan onmogelijk werden gemaakt door jongeren met een Arabische achtergrond. “Dan heb je dus de strijd verloren”, aldus De Winter.

De discussie over wat pubers kunnen overzien in hun denken zal ook een rol gaan spelen bij de beide jongens die zijn opgepakt vanwege de dood van twee minderjarige meisjes (Bunschoten en De Glind).

Het is goed (en nodig) dat er in Nederland jeugdstrafrecht is dat rekening houdt met de verminderde impulscontrole bij jongeren. Maar dat wil niet zeggen dat ze daarmee helemaal niet de gevolgen van hun daden kunnen overzien. In ieder kind zit ook een stukje vermogen tot empathie, tot inzien van wat goed en kwaad is. Dat voelen jonge peuters zelfs al aan.

Bij jongeren die buitensporig over de schreef gaan is echter vaak sprake ‘van een gevaarlijke ballast, tjokvol kwetsbaarheden’ (de Volkskrant, 10 juni 2017). Het zijn dan niet alleen de hersenen, het is vaak de omgeving die een schadelijke rol speelt.

Het vermogen om goed en kwaad te onderscheiden kan ondergesneeuwd zijn door slechte voorbeelden, veel te weinig veiligheid in het gezin, gepest worden op school, veel spijbelen, een laag IQ, opgroeien in een achterstandswijk. De 14-jarige jongen op Urk die een vriendje doodde kwam uit een gebroken gezin met 12 kinderen, was bang voor zijn vader en zijn wereld bestond uit video-games met veel agressie. Dan is de drempel om tot agressie te komen bijzonder laag.

Gelukkig is er in Nederland jeugdstrafrecht. Als de straf wordt gegeven in combinatie met een goede orthopedagogische behandeling kunnen deze jongeren alsnog op het goede pad terecht komen. Je helpt hen niet door te denken dat het door de leeftijd kwam (‘dat brein was nog niet klaar’). Je helpt wel door hen handvatten aan te leren om alsnog de weg te vinden in hun leven. Door een relatie aan te gaan, door grenzen te durven stellen.

 

 

Kenmerken van disfunctionele gezinnen

Ooit schreef ik een serie blogs over disfunctionele gezinnen. Kenmerkend voor deze gezinnen is de codependency: men is afhankelijk van elkaar. Maar deze afhankelijkheid ziet er anders uit dan je zou verwachten. Men heeft elkaar nodig omdat anders ‘het systeem instort’.

Oorspronkelijk komt de term uit gezinnen met een ouder die verslaafd is aan alcohol. Het hele gezin werkt er aan mee om maar te voorkomen dat de boel niet helemaal uit de hand loopt (bijvoorbeeld: de moeder zorgt dat de vader niet boos wordt als hij weer eens teveel op heeft, de kinderen zorgen dat ze ‘onzichtbaar’ zijn als pappa weer eens aan de drank is geweest).

Later bleek dat deze problematiek in veel meer gezinnen speelt, bijvoorbeeld in gezinnen met een ouder met psychiatrische problematiek.

Een interview in de Volkskrant herinnerde me aan wat ik eerder over deze gezinnen schreef. Zoals: wat zijn belangrijke kenmerken van disfunctionele gezinnen?

Zeven eigenschappen

1. De gezinsleden proberen onafhankelijk van elkaar te functioneren. Maar dat lukt niet goed. Men kan niet mét en niet zonder elkaar. Men voelt zich bij elkaar niet veilig. De schijnbare onafhankelijkheid is dus geen gezond emotioneel verschijnsel.

2. De gezinsleden zijn zeer kritisch tegenover elkaar. Vaak heeft men het gevoel op eieren moet lopen. Eén verkeerde opmerking tijdens een verjaardag en de vlam slaat zomaar in de pan. In deze gezinnen gebeurt het uiteindelijk ook vrij vaak dat kinderen jarenlang het contact met de familie verbreken.

3. Er ontstaan coalities, bijvoorbeeld tussen een dochter en haar moeder. Om stand te kunnen houden heeft de coalitie een zondebok nodig. Dat kan de vader zijn, of een ander kind uit het gezin. Valt er iemand uit (bijvoorbeeld door overlijden), dan ontstaat er weer een nieuwe coalitie. In de zondebok-functie zitten ook bepaalde patronen, maar dat is weer voer voor een ander blog.

4. Ook het taalgebruik is disfunctioneel, waarbij o.a. opvalt dat er in extremen wordt gesproken: ‘je luistert nooit’, ‘ik krijg altijd op mijn donder’, ‘jij communiceert niet’, ‘altijd moet je mij hebben’.

5. Hoewel de onderlinge band tussen de gezinsleden zwak is wijt men de problemen aan de boze buitenwereld. “We wonen in een slechte buurt, de onderwijzer begrijpt ons kind niet, de buren gedragen zich negatief, de mensen in de kerk zijn achterbaks, de hulpverlening deugt niet”. De kinderen krijgen vaak een boodschap mee om anderen niet te vertrouwen: “Blijf maar uit de buurt. Je weet hoe Oom Gerard is”.

6. Onderling wordt er tussen de gezinsleden weinig informatie uitgewisseld. Toch denkt, voelt en spreekt men voor elkaar. Men vult in voor de ander zonder de ander gesproken te hebben.

Vaak wacht men ook tot de ander in actie komt. Zo verwijt Mevrouw Veenstra haar broer dat hij nooit op bezoek komt terwijl zij ook nooit het initiatief heeft genomen om hem op te zoeken.

7. In disfunctionele gezinnen is veel vaker dan in andere gezinnen sprake van psychische en psychosomatische klachten. Vaak zijn meerdere kinderen in het gezin om psychosociale redenen ‘in therapie’.

Er is veel vaker dan in andere gezinnen sprake van vage lichamelijke klachten, die bovendien slecht behandelbaar blijken te zijn (bijv. moeilijk instelbare diabetes, slaapproblemen, allerlei vage hartklachten, langdurige rugklachten zonder duidelijke medische oorzaak).

Het komt nooit meer goed…

In het interview in de Volkskrant had de vader het contact met zijn moeder verbroken. Zijn moeder werd door hem omschreven als een zeer complexe vrouw. Maar twee van zijn eigen kinderen hadden later op hun beurt het contact met hém verbroken. Dat was een staaltje van transgenerationele problematiek.

De vader wilde proberen om het contact met zijn kinderen te herstellen, maar de psychiater was behoorlijk stevig in haar repliek. “Ga er maar vanuit dat het nooit meer goed komt.”

Iedereen een etiket? (slot)

Maikel heeft ADHD

Maikel is een drukke puber. In de klas valt hij direct op. Hij is vaak te laat, vergeet afspraken, heeft zijn spullen niet mee genomen en het is een rommel op zijn werktafel. Volgens de ouders van Maikel is zijn gedrag erfelijk. Er valt niets aan te doen, ‘want zijn vader heeft het ook’. Maikel krijgt Ritalin voorgeschreven.

Vanwege zijn gedrag houdt de leraar Maikel twee keer tussen de middag binnen om alsnog werk in te halen. Hij mag ondertussen ook niet naar zijn MP-3 speler luisteren en de telefoon is evenzeer taboe.

Wat die leraar vervolgens opvalt is dat het gedrag van Maikel de eerste twee uur van de middag sterk verbeterd is vergeleken met andere dagen als Maikel zich in de pauze uit kan leven met andere pubers.

 Niet meer breed kijken

Het verhaal van Maikel laat nog een andere mogelijke reductie van de werkelijkheid zien: de diagnose ADHD wordt door de ouders gezien als een sluitstuk. Het zit in de genen en dus valt er aan het gedrag niets aan de veranderen.

Deze manier van kijken beperkt het perspectief van mensen. De hele ontwikkeling van dit kind in deze omgeving wordt genegeerd. Dat een mens opgroeit in een bepaalde omgeving, daar van kan genieten of last van kan hebben: het lijkt nauwelijks van belang te zijn.

 Een etiket wordt gemeengoed

Tijdens mijn studie zei een docent: “99% van de Nederlanders is neurotisch en die ene procent die het niet is, die liegt.” Hij wilde daarmee zeggen dat we eigenlijk geen kant uit kunnen met het begrip neurose. Iedereen heeft neurotische trekken. Dat is een gevolg van de gebrokenheid van de samenleving.

Tegenwoordig wordt wel eens gezegd dat alle mannen autistisch zijn. Als dat waar is, is autisme dus geen afwijking (of het feit dat je man bent moet al een afwijking zijn). Wie er eens op gaat letten hoezeer het begrip autisme vervuild is in het dagelijkse spraakgebruik zal merken dat deze diagnose werkelijk te pas en te onpas wordt gebruikt.

Signaal

Het gaat hier niet om erkende diagnoses, maar dit brede gebruik in de taal is wel een signaal. Als de diagnose teveel wordt verbreed heeft hij geen kracht meer. Dat gaat ten koste van de mensen die in ernstige mate lijden onder zo’n stoornis.

Prof. Derksen vreest dat de komst van de DSM V zal leiden tot een sterke groei van het aantal diagnoses. Dat was ook al zo bij de vorige editie.  Miljoenen mensen zullen opeens een stoornis hebben, terwijl ze vroeger misschien als wat meer eenzelvig werden gezien of af en toe wat druk waren. Mogen we misschien nog een beetje onze eigen gang gaan, af en toe dromerig zijn, niet overal aan mee willen doen of niet altijd direct aanvoelen wat de ander bedoelt?

Daar komt nog bij dat veel financiering gekoppeld is aan erkende diagnoses. Op die manier worden behandelaars regelmatig gedwongen om naar een diagnose toe te schrijven. Het is een ontwikkeling die door de zorgverzekeraars als door de media wordt aangewakkerd.

Hulpmiddel en valkuil

Een diagnose kan betrokkenen erg helpen. Opeens vallen de puzzelstukjes op hun plaats. Maar diezelfde diagnose kan ook leiden tot een tunnelvisie. Al het gedrag wordt verklaard vanuit de diagnose. Johan is een autist, Marieke een borderliner.

We hebben het dan niet meer over wie, maar over wat. Wat is Johan? Johan is een autist. Op het moment dat we zo naar mensen gaan kijken zitten we op de verkeerde weg. We zien de mens niet meer, we zien zijn diagnose.

De christelijke mensvisie gaat uit van heel de mens. Dan spreek je niet over autisten of borderliners, maar in de eerste plaats over mensen. Met af en toe natuurlijk een aantal unieke kenmerken waar we mee moeten leren omgaan. Bij onszelf of bij de ander.

Deze bijdrage heb ik enkele jaren geleden geschreven voor het blad ‘Wegwijzer’. 

Wie is Sebastiaan? (8)

En nu volgt er een hypothese die op zijn minst ‘gewaagd’ is. Ik kwam hem tegen in een boek over ontwikkelingsdynamiek. Alleen ben ik helaas vergeten bij welke auteur. Dus mocht iemand die zin herkennen, dan lees ik het graag terug.

“Om zich los te maken uit de emotionele omklemming van de moeder heeft het kind een vader als identificatiefiguur nodig”.

De stelling uit dat boek is gewaagd. Toch neem ik hem even mee in het verhaal van Sebastiaan. Tijdens de gesprekken met Sebastiaan valt op dat zijn vader nauwelijks een rol speelde als persoon die een voorbeeld voor hem was. Sebastiaan was en bleef een moederskindje.

————–

Bij verklaringen voor gedrag wordt veel te vaak gezocht naar een monocausale oorzaak. Bijvoorbeeld: het is ‘alleen’ een neurologisch probleem. Het kind heeft dit…. en dus vertoont het dat gedrag. Dat vind ik een veel te ‘platte’ redenering. “Alles beïnvloedt altijd alles.”

Als ik naar de ontwikkelingsdynamiek kijk zou ik ook kunnen zeggen: Sebastiaan was een gevoelige en daardoor ook gemakkelijk angstige baby. Die angst maakte dat hij extra de veilige nabijheid van zijn moeder op zocht. De angst veroorzaakte vervolgens dat de ‘ik-ontwikkeling’ moeizaam op gang kwam. Sebastiaan ging niet op onderzoek uit. Hij bleef in de buurt van zijn moeder. Dat heeft niet met een onjuiste houding van zijn moeder te maken, maar wel met de gevoeligheid van Sebastiaan.

Om groter te groeien heeft het kind een tweede, een derde, een vierde en een vijfde hechtingsfiguur nodig. Die sprong heeft Sebastiaan te weinig gemaakt. Zonder zijn moeder was hij als peuter ‘nergens’. Bij zijn vader voelde hij zich niet veilig. Er waren ook geen andere directe hechtingsfiguren. Dat betekende voor Sebastiaan dat in emotioneel opzicht alle eieren in één mandje waren gelegd.

—————-

Dit is één van de verklaringen waarom de ontwikkeling van Sebastiaan stagneerde. Het is niet dé enige mogelijke verklaring. Het heeft ook niet met schuld van welke ouder dan ook te maken. Het zijn processen die op de één of andere manier hun loop hebben bij kwetsbare kinderen.

Middelbare school

Erik Erikson ziet de puberteit als een soort herkansing.

Alle ervaringen uit de eerste levensjaren worden nog een keerte door elkaar gehusseld en opnieuw op een rijtje gezet.

In zekere zin is de puberteit een herhaling van de peutertijd: de puber moet, nét als de peuter, leren los te komen van zijn ouders. Maar de peuter deed dat in een veilige omgeving: de beschutting van huis en tuin. Voor de puber is de wereld veel groter, met een oneindige reeks aan keuzemogelijkheden.

Tijdens de puberteit bleek dat het emotionele fundament van Sebastiaan niet zo stevig was als hij nodig had om deze turbulente periode door te komen. Hij had grote moeite om zijn wereld te ordenen en voldoende te kunnen plannen en organiseren.

Sebastiaan had er bijvoorbeeld grote moeite mee om zijn huiswerk te maken. Hij was zó lang bezig met het maken van lijstjes wanneer en hoe hij zijn huiswerk zou maken dat de tijd dat hij werkelijk aan zijn huiswerk zat er onder leed.

Zowel op school als bij zijn vader bestond het beeld dat Sebastiaan onder zijn niveau functioneerde. Helaas leidden zijn onvoldoende schoolprestaties er toe dat hij niet op het VWO kon blijven. Volgens zijn vader lag dat aan het schoolsysteem. De school zou zijn luie zoon meer op zijn verantwoordelijkheden moeten wijzen en een veen strakker regime moeten hanteren.

De communicatie tussen vader en zoon verliep overigens voornamelijk via de moeder van Sebastiaan. Voor Sebastiaan was zijn vader vooral een afwezige vader. Hij was zéker geen voorbeeld voor zijn vader. Het liefste zat Sebastiaan bij zijn moeder aan tafel. Of hij hield zich op zijn kamer bezig met schema’s en plannen voor het huiswerk of met dagdromen.

Sebastiaan gaat van school

Erik Erikson heeft het over ‘waden door de stroop’.

Daarmee bedoelt hij dat mensen die vastlopen zwoegend hun weg gaan. Alle bezigheden kosten energie.

De energie gaat in feite in de verkeerde dingen zitten. Het op zien tegen het schrijven van een werkstuk kostte hem meer energie dan het schrijven van het werkstuk zelf.

Uiteindelijk liep Sebastiaan vast op de Havo. De eindstreep heeft hij nooit gehaald. Zonder diploma op zak verliet hij in de vierde klas de school.

Sebastiaan ervoer dat niet als ramp. Het was meer iets wat bij het leven hoorde. Zo ging dat nu eenmaal met hem. De enige die zich vreselijk opwond over zijn ‘lamlendige zoon’ was zijn vader. Hij had veel meer aangepakt moeten worden. Hij verweet zijn vrouw dat ze van hun zoon een ‘watje’ hadden gemaakt.

 

Wie is Sebastiaan? (7)

Hoe ging het verder met de ontwikkeling van Sebastiaan?

Sebastiaan was als emotioneel gevoelige, maar ook prikkelgevoelige baby.

Maar hij ontwikkelde zich verder ‘volgens het boekje’. Daarbij viel wel op dat zijn ‘grove motorische ontwikkeling’ trager was dan zijn spraakontwikkeling. Het kostte Sebastiaan nogal wat moeite om te gaan lopen. Hij was bang om te vallen. De fijne motoriek (met zijn vingers) was daarentegen prima ontwikkeld. Sebastiaan had een scherp oog voor details.

Er was geen reden voor zijn ouders om zich zorgen te maken over de ontwikkeling van Sebastiaan. Maar achteraf vraagt zijn moeder zich wél af: was Sebastiaan niet wat te stil? En was hij als peuter niet teveel op mij als moeder gericht? Als hij moe was of verkouden was slaagde niemand er in om Sebastiaan te kalmeren. Dat lukte alleen zijn moeder.

Zijn moeder vertelt dat het altijd iets ‘meer’ of iets ‘minder’ was dan bij de andere kinderen, maar ze vond het niet verontrustend. Sebastiaan was wat meer van slag als er iets bijzonders gebeurde, hij wilde iets meer rust, hij had minder de neiging om op onderzoek uit te gaan, hij speelde minder met vriendjes dan de andere kinderen in het gezin.

Als zijn moeder ’s avonds de deur uit was kostte het Sebastiaan meer moeite om in slaap te komen. Maar het lukte uiteindelijk wel. Ze denkt dat een oorzaak was dat haar man de kinderen nooit naar bed bracht. Hij vond dat teveel gezeur en liet het bedritueel liever aan zijn vrouw of anders aan de oppas over.

Tijdens de vakanties was haar man nog altijd met zijn werk bezig. Hij bemoeide zich niet met de opvoeding van de kinderen. “En ik vond het juist leuk om met de kinderen op te trekken, dus daar zat ik niet zo mee” vertelde zijn moeder destijds.

Tussen andere kinderen

Thuis leek Sebastiaan weliswaar kwetsbaar, maar in zijn eigen tempo en in zijn eigen omgeving voelde hij zich er wel veilig.

Tussen de kleuters gaf Sebastiaan veel problemen. Hij leek de situatie in de kleuterklassen niet te kunnen overzien. Hij had de neiging om zich terug te trekken. Kwamen andere kinderen te dicht bij hem in de buurt, dan kon hij agressief reageren. Als de juf in de buurt was ging het wél goed.

Vanaf groep 3 ging het volgens zijn moeder eigenlijk wel goed met Sebastiaan. Hij bleek goed te kunnen leren. Zijn favoriete vakken waren taal, aardrijkskunde, geschiedenis en muziek. Maar ook op alle andere vakken haalde hij met gemak minstens een 7 op zijn rapport. “We dachten dat Sebastiaan gewoon een langzame starter was” vertelde zijn moeder. Haar man is het daar niet mee eens. Volgens hem was er veel meer uit te halen. “Hij verveelde zich op school. En hij is nu eenmaal ook lui aangelegd. Dat hadden ze aan moeten pakken.”

Sebastiaan kreeg op school ook een paar vriendjes. Zijn favoriete leerkracht was een wat strengere, oudere man die veel gezag uitstraalde en daarmee rust in de klas bracht.

Alles leek er op te wijzen dat Sebastiaan het wel zou gaan redden. Hij was er slim genoeg voor. En hij kreeg ook vriendjes. Niet veel, maar wel een paar.

 

Wie is Sebastiaan? (6)

Zoals ik al eerder heb geschreven: als kinderen vastlopen en je probeert een oorzaak te vinden, dan moet het niet gaan om de schuldvraag.

Sommige kinderen zijn kwetsbaarder en angstiger dan andere kinderen. En hoe angstiger het kind is, des te moeilijker maakt het de stap naar een eigen ‘ik’.

Daarbij zie ik een verband tussen prikkelgevoeligheid en angsten. Hoe meer prikkels er binnen komen, des te angstiger zal het kind vaak zijn. Wie alles ziet en alles hoort heeft immers veel meer te verwerken?

Arnoud

Neem bijvoorbeeld Arnoud. Als baby was hij snel van slag. Hij schrok vaak van geluiden. Een volle kamer met visite kon hij al helemaal niet lang aan. Zijn moeder had al snel in de gaten dat het van tante naar tante verplaatst worden voor Arnoud veel te veel was. Bezoek moest gedoseerd worden.
Toen Arnoud acht maanden oud was werd hij – je zou kunnen zeggen: keurig volgens het boekje- erg eenkennig. Alleen zijn moeder slaagde er in om hem te troosten.

Zijn vader vertelde mij: “Toen Arnoud een peuter was lukte het me nog steeds niet om hem te troosten. Dat kon mijn vrouw alleen. Zij was ook de enige die hem zó in zijn bedje kon leggen dat hij ook snel kon slapen. Ik was daar meer dan een uur mee bezig. Ik kreeg wel eens het gevoel dat Arnoud mij niet vertrouwde….”

Die lijn bleef zich voortzetten, ook toen Arnoud een kleuter was. Daar waar andere kinderen ‘een hiërarchie van hechtingsfiguren’ opbouwen blééf Arnoud erg afhankelijk van zijn moeder…. Dat wordt ook wel een separatie-angststoornis genoemd.

Ontbreken van ordening

Het eigen ‘ik’ is nodig om de wereld te ordenen.

Wie onvoldoende ik heeft wordt overspoeld door prikkels van buiten. Je wordt dan voortdurend overspoeld door indrukken, waaronder het gedrag en de emoties van anderen. Er is te weinig onderscheid tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’. Lien-Claes noemt dit We-dentity (er is nog geen I-dentity). 

Maar wie weinig ik heeft opgebouwd kan ook zijn eigen wereld niet ordenen. Een kenmerk van zo’n persoon is de structuurloosheid. Het ordenen in tijd en ruimte wil maar niet lukken.

Ordenen van tijd

Bij Sebastiaan (van wie ik de beschrijving twee weken geleden begon) uit het gebrek aan ordening in de tijd zich in de grote moeite die hij heeft om afspraken te maken. Er is (aldus Erik Erikson) sprake van een vervaging van tijds-perspectief. Sebastiaan kan het erg druk hebben met een hele dag niets doen, omdat de tijd hem door de vingers glijdt.

Ordenen van ruimte

Bij Sebastiaan zie je ook een probleem in het ordenen van de ruimte. Het lukt hem bijvoorbeeld maar niet om zijn studeerkamer op orde te krijgen. Hij geeft zelf aan dat hij eigenlijk beter zou kunnen functioneren in een kleine ruimte. Daar kan weinig in, dus hoeft er ook minder te worden opgeruimd.

Prof. Dr. Anton Dosen noemt in dit verband de neiging van mensen om zich ‘te verstoppen’ in een kleine ruimte. Die ruimte is bij Sebastiaan het huis. Hij komt nauwelijks de deur nog uit.

Ordenen van denken en handelen

Het derde aspect dat samenhangt met het ontbreken van ordening is het onvermogen om richting te geven aan het eigen denken, voelen of handelen. Dat onvermogen lijkt op autisme, op ADD en op ADHD, maar als je het vanuit ontwikkelingsdynamisch standpunt bekijkt zou je ook aan een andere verklaring kunnen denken.

Sebastiaan heeft voortdurend het gevoel dat hij in een cirkel denkt. Hij slaagt er niet in om plannen te maken. Hij blijft voortdurend in zijn eigen piekers steken. En daar wordt hij zó ontzettend moe van….