Weglopen (4)

Jaarlijks lopen in Nederland ongeveer 30.000 kinderen weg van huis of uit de instelling. Ze zijn bijna allemaal boven de 14 jaar. Opmerkelijk is dat twee maal zoveel meisjes weglopen als jongens.

Allochtone gezinnen

Daarnaast wordt gemeld dat ‘allochtone jongeren’ vaker van huis weglopen dan kinderen met Nederlandse voorouders. Een oorzaak die daarbij wordt genoemd is dat deze jongeren de cultuur binnenshuis niet kunnen ‘rijmen’ met de cultuur buitenshuis (bijvoorbeeld de mate van vrijheid). Het is voor een aantal jongeren ook één van de triggers geweest voor het ‘weglopen’ naar IS-gebieden.

Communicatieproblemen

De volgende cijfers haal ik uit een onderzoek in Vlaanderen (2005). Maar ik denk dat de cijfers niet veel zullen verschillen met die van Nederland.

Bij zeven op de tien gezinnen waar een kind is weggelopen spelen communicatieproblemen een grote rol. Kenmerkend is meestal de onmogelijkheid te communiceren binnen het gezin. Ouder en kind slagen er niet in om elkaar emotioneel te bereiken.

Opvoedingsproblemen

Bij vier op de tien gezinnen waarbij een kind wegloopt en/of bij iemand anders ‘onderduikt’ is sprake van forse opvoedingsproblemen. De ouders zijn handelingsverlegen of hebben geen idee hoe ze met puberaal gedrag om moeten gaan. Er is bijvoorbeeld sprake van dan weer strenge regels, dan weer geen regels. Of beide ouders stellen heel verschillende regels. Fysieke mishandeling en het stellen van extreem strenge regels kunnen een uitlokkend effect hebben.

Psychische problematiek

Bij drie op de tien kinderen is sprake van psychische problematiek. Zo kan het weglopen worden uitgelokt door een depressie. Maar ook het zoeken naar de eigen identiteit kan aanleiding zijn tot weglopen. Als een kind zich thuis niet gezien of gehoord voelt en als het op zoek is naar een eigen perspectief (wie ben ik? wat wil ik?) ziet het kind soms maar één oplossing: ik moet hier weg.

Verband met delinquentie

Opmerkelijk is dat aan het wegloopgedrag relatief vaak vormen van delinquentie vooraf lijken te gaan. Drie op de tien kinderen was al in aanraking gekomen met justitie, o.a. vanwege diefstal of het gebruik van drugs. Op school is frequent spijbelen een voorspeller van wegloopgedrag.

In de gehandicaptenzorg komt ook vaak wegloopgedrag voor. Dat geldt trouwens ook voor de ouderenzorg. Bij cliënten die niet kunnen overzien wat 'eigen' is en wat 'anders' is zou ik niet willen spreken van wegloopgedrag, maar van de neiging om te gaan zwerven.

Angst voor straf

Weglopen blijkt een tweetal uitlokkende factoren te hebben. De eerste is de angst voor straf. Als je weet dat je een week binnen moet blijven verkies je misschien je vrijheid boven die week huisarrest. Dat het later nog ingewikkelder wordt neemt een puber zelden direct mee in de afwegingen.

Ruzie

De tweede reden is een crisis of een ruzie. De situatie in huis is zó heftig en/of onvoorspelbaar dat het kind weg wil wezen. Bedenk daarbij dat pubers ook zeer sensitief kunnen zijn en dat een voor volwassenen te hanteren mate van spanning voor hen al snel teveel kan zijn.

Opeenstapeling

Maar er kan ook een kleine gebeurtenis zijn die op zichzelf niet veel te betekenen lijkt te hebben. Dan kan het weglopen het gevolg zijn van een opeenstapeling van vervelende gebeurtenissen waardoor de emmer alsnog over loopt.

Waar naar toe?

Waar lopen de jongeren naar toe? Vier op de tien jongeren bedenken zelf onderdak of hebben dit van tevoren geregeld: bij vrienden of kennissen. Opmerkelijk is ook de rol van grootouders waar sommige kinderen zich kennelijk nog veilig voelen. Een andere groep jongeren loopt weg, maar ‘zien wel’. Ze stappen op de trein, slapen op het strand of komen uiteindelijk iemand tegen die hen onderdak biedt.

(G) een avontuur

Het weglopen voor een avontuur komt naar verhouding weinig voor. Er zijn maar weinig jongeren die ‘zoek’ raken om iets spannends mee te kunnen maken. Was het een halve eeuw geleden nog een topprestatie om al liftend in Parijs terecht te komen en dan toch maar een keer op een avond je moeder te bellen dat je nog in leven was, tegenwoordig lijkt dit type van weglopen minder gebruikelijk te zijn.

Weglopen als signaal

Weglopen is een signaal. “Kinderen lopen niet weg om hun ouders pijn te doen” schrijft het blad J/M. Kinderen lopen meestal weg als er een communicatieprobleem is. Straf en boosheid na het weglopen werken meestal averechts omdat je dan de communicatie nog meer blokkeert.

Het belang van goede communicatie

Geef als opvoeder wél aan dat je je zorgen hebt gemaakt, maar ook dat je blij bent dat het kind weer thuis is. Probeer de draad van de communicatie weer op te pakken. Geef aan dat weglopen niet de oplossing is, maar dat je graag wilt werken aan een oplossing waar het kind zich ook in kan vinden.

"Weglopen kun je niet tegenhouden. Werken aan goede communicatie is de meest effectieve manier om de kans op weglopen te verminderen."
Advertenties

Weglopen (3)

Ben jij wel eens weggelopen? En waarom liep je dan weg? Paste je ook in één van die zes hokjes uit het vorige blog?

Mevrouw Jongsma sluit de gordijnen

Maar je kunt ook weglopen door gewoon thuis te blijven. Zoals mevrouw Jongsma, die de deur op slot deed, de gordijnen dicht deed en geen telefoon beantwoordde. Toen ze er later op terug keek zei ze: “Daarmee maakte ik iedereen ongerust“. De bedoeling was dus hetzelfde als bij die man die zich in de bosjes verstopte en vervolgens ging kijken of mensen hem gingen zoeken. Het is een vorm van gezien willen worden.

Dit gedrag komt o.a. voor bij mensen die trekken van een borderline- stoornis vertonen. Ze vertellen in goede perioden dus zelf dat ze -als ze niet lekker in hun vel zitten- de deur dicht doen en niet op de bel en de telefoon reageren.

Samenvattend

De in het tweede blog genoemde vormen van weglopen waren het weglopen als gevolg van 1) een bodemloos bestaan, 2) als outcast, zondebok, 3) vanwege de chaos in het gezin, 4) vanwege de te strenge regels, 5) als uittesten, en 6) als manier om duidelijkheid te krijgen.

Lichamelijke oorzaak

Er zijn ook vormen van weglopen die organisch/ neurologisch bepaald zijn. Er gebeurt iets in het lichaam of in de hersenen waardoor de behoefte aan weglopen (onbewust) gestimuleerd wordt.

Dit zien we o.a. 7) bij epilepsie. De persoon weet eigenlijk niet eens dat hij weg loopt. Er gebeurt iets in zijn lichaam waardoor hij weg moet lopen.

Bij meisjes wordt 8) het pre-menstrueel weglopen genoemd. De hormonale veranderingen leiden tot een veranderde prikkelgevoeligheid.

Bij 9) snel overprikkelde kinderen zie je weglopen soms als vluchtgedrag. In de drukte van het gezin of van de instelling is de enige manier om rust te krijgen: weglopen. Je kunt je verstoppen op de WC, je gaat op de zolder zitten, of je loopt het dorp uit. Dit kan op den duur een patroon worden dat moeilijk te veranderen valt.

Er is ook een vorm van 10) psychotisch weglopen. Bij een psychose staan lichaam en geest onder invloed van ‘vreemde’ belevingen. Je ziet bijvoorbeeld dingen die er niet zijn of je hoort stemmen. Deze mensen kunnen zeer gevaarlijk en roekeloos weglopen omdat hun denken gestuurd wordt door vreemde belevingen. Daarbij hebben ze o.a. de neiging om counterfobisch gedrag te vertonen: opzoeken waar ze zelf bang voor zijn.

Tien vormen van weglopen. Maar er valt nog meer over te schrijven. Daarom volgt er nog één blog. Niet meer, anders lopen jullie als lezers weg.

Weglopen (2)

In dit tweede blog noem ik enkele vormen van weglopen.

1) Kinderen met een ‘bodemloos’ bestaan hebben -soms al heel jong- de neiging om weg te lopen. Ze lopen niet ergens naar toe. Het is een onbestemd weglopen. Zo ken ik iemand die als kind regelmatig zoek was. Dan liep hij ergens in zijn eentje te dagdromen. Vaak was hij ook helemaal de tijd vergeten. Soms was onderweg zijn aandacht getroffen door iets bijzonders. Daar bleef hij dan steken. Omdat hij zijn huis niet als een thuis ervoer was de drijfveer om naar huis te komen nauwelijks aanwezig. Hij was een zwerver die zich overal en nergens kon bevinden.

2) De wat oudere kinderen, pubers en volwassenen kennen het outcast-weglopen. Dit is ook een vorm van weglopen omdat het kind geen bodem ervaart. Maar nu komt er nog iets bij: het kind heeft het gevoel verstoten te worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij kinderen die geen aansluiting vinden in de groep. Soms is er binnen het gezin ook een kind dat als zondebok wordt gezien (of dat denkt dat het de zondebok is). Dat kind heeft veel sterker dan de anderen de neiging om weg te lopen.

3) Er zijn ook kinderen die weglopen omdat ze de chaos en structuur-loosheid van het gezin niet aankunnen. Kinderen hebben naast een relatie met de opvoeder (ad 1) ook een structuur nodig die hen houvast geeft. Dat bouwt zich al in de vroege peutertijd op: structuur van ruimte, tijd en persoon. Een vaste plek, een vaste tijd en enkele vaste personen. Als een kind helemaal geen grip ervaart, als het verloop van de dag onvoorspelbaar is, als eten en naar bed gaan op volstrekt willekeurige momenten plaatsvinden raakt het kind zoek in een structuurloos bestaan. De paradox is dat het dan door weg te lopen enige controle over zijn leven krijgt.

4). Het omgekeerde komt ook voor. De structuur binnen het gezin (of de instelling) is dermate strak dat het kind geen enkele ruimte meer rest. De regels houden geen rekening met het individuele karakter van het kind. Binnen dit strakke regime zal het kind spanning op gaan bouwen. Op een bepaald moment móét het wel vluchten. De kinderen in de eerste en derde groep zullen niet zo gedreven weglopen, ze zwerven meer en verdwijnen dan. Bij de tweede en vierde groep overheerst de boosheid. Deze kinderen proberen vaak zo snél mogelijk zo vér mogelijk weg te komen: de spanning is te groot geworden.

5) Bij de eerste vier vormen kun je zeggen dat er (te) weinig relatie is met de opvoeder of dat de regels de relatie in de weg zitten. Maar er zijn ook kinderen die weglopen om de relatie uit te testen. Het weglopen wordt als psychologisch wapen gebruikt. Dat zie je al op jonge leeftijd (de peuter die wegloopt en omkijkt of iemand hem zoekt).

Kees loopt soms weg en verstopt zich dan in de bosjes. Vanuit die bosjes kijkt hij of hij wel gemist en gezocht wordt.

Peter woont een jaar op de instelling. Nu hij begint te wennen aan het wonen constateert de begeleiding dat hij sterk de neiging krijgt om weg te lopen. De angst voor binding leidt tot de behoefte om weg te lopen en tegelijkertijd de relatie uit te testen.

6) De laatste vorm die ik noem is het kind dat wegloopt om duidelijkheid te krijgen. Dat klinkt tegenstrijdig, maar in de relatie gebeurt er na het weglopen vaak iets vreemds. Opvoeders worden namelijk opeens weer erg duidelijk. De regels worden opnieuw helder. Het kind forceert dan dus met zijn gedrag meer duidelijkheid. Dat zie je soms ook bij kinderen die de geboden vrijheid eigenlijk niet goed aankunnen. In zekere zin is er een overlap met de derde genoemde vorm.

Er zijn nog meer varianten op het thema weglopen. Dus volgen er nog twee wegloopblogs.

Weglopen (1)

Je hoeft maar naar ‘Vermist’ te kijken, of je weet dat er nogal wat mensen weglopen. Ze verdwijnen en laten soms niets meer van zich horen. Vaak willen ze wel, maar durven ze niet (meer). Maar ook gebeurt het dat iemand niets meer te maken wil hebben met het thuisfront.

Weglopen wordt vaak als een afwijking gezien. Maar wie kent niet de innerlijke drang om alles achter te laten en gewoon op reis te gaan? Niet voor niets was Swiebertje jarenlang één van de meest populaire personen op de televisie. Hij was geen echte zwerver, maar liet zich zeker ook niet ‘vastpinnen’ op één adres. Swiebertje deed een appel op onze behoefte aan vrijheid en ongebondenheid: gaan en staan waar je wilt. Een romantisch ideaal dat in de praktijk heel wat minder romantisch is dan het oogt.

Ook de gesloten behandelinstellingen kennen het verschijnsel van het weglopen. Er is zelfs een paradox aanwezig: hoe meer gesloten de instelling is, des te sterker de behoefte om weg te lopen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het niet (willen) weglopen ook een signaal kan zijn dat er iets mis is met het kind.

Kijk je naar het weglopen zélf, dan zie je vaak een ambivalente houding. Er spelen tegengestelde bewegingen. Eerst wint het niet willen blijven, maar geleidelijk wordt de kracht om terug te gaan sterker. Het snelle weglopen verandert in een langzamer tempo en uiteindelijk staat het kind in twijfel stil: teruggaan of verder gaan? Veel kinderen willen wel weer terug, maar de angst voor straf weerhoudt hen.

Ik kan me uit mijn jeugd één keer herinneren dat ik bewust ben weggelopen. Ik herinner me van dat weglopen inderdaad de spanning: verder weg gaan of toch maar terug gaan? Mijn vader kwam me achterna. Ik kon sneller lopen dan hij, maar dat deed ik niet. Hoe dichter hij me naderde, hoe langzamer ik ging lopen…

Bij kinderen die tóch niet terug gaan hoor je vaak dat ze allerlei redenen bedenken. Het kind werd mishandeld, gepest, er werd streng gestraft, het eten was slecht. Bij sommige media gaan die verhalen er in als koek. Maar omgekeerd zie je ook vaak dat de instellingen het weglopen als een krenking ervaren. Er wordt niet geluisterd naar de klacht van het kind omdat er te zeer van tevoren vanuit wordt gegaan ‘dat deze kinderen nu eenmaal graag fantaseren’.

In ‘Vermist’ zie je vanuit de achterblijvers een tweetal reacties. Het meest komt de zorg voor de wegloper naar voren. Waar ben je en hoe gaat het nu met je? Maar ook de andere reactie komt vaak voor: de krenking, het verwijt, de boosheid. “Je had mijn nummer, waarom heb je nooit contact opgenomen?” Die laatste reactie maakt het voor de wegloper juist moeilijker om het contact weer te herstellen.

In een volgend blog worden enkele vormen van weglopen genoemd.

De blauwe plekken van de jeugd

Zowaar heb ik in de eerste week van januari alweer een film bekeken. Gezien mijn gemiddelde van maximaal twee films per jaar zit ik al bijna aan de tax...

De film heet The Meyerowitz Stories. Het is een psychologische film met scherpe dialogen tussen twee broers. Zoon Danny heeft zijn muzikale talent verspild en slaagt er niet in om aan het werk te komen. Hij woont noodgedwongen in bij zijn vader en diens derde vrouw Maureen, omdat hij in een scheiding ligt. Broer Matthew is als enige in de familie rijk en succesvol als financieel expert. Maar dat past weer niet in het plaatje van de artistieke familie. Hij is op grote afstand van de familie gaan wonen.

Maar hoe artistiek is artistiek? Vader Meyerowitz snakt naar erkenning en zit boordevol sarcasme richting de kunstenaars die overal kunnen exposeren. Datzelfde sarcasme uit hij ook naar zijn zoons toe, die het voor hun idee maar niet goed kunnen doen. Overal trekt hij zijn eigen spoor, vol verwensingen en moppers op meer succesvolle mensen.

Dan is er nog een zus, de oudste. Ze is zwaar gehavend opgegroeid in het vrije hippie-klimaat van de jaren ’60. Toch is ze de meest milde van de drie kinderen (van drie verschillende moeders).

Wat in vorige blogs naar voren kwam over de blauwe plekken in de jeugd blijkt ook in deze film. Alle oude en onuitgesproken kwetsuren komen naar boven als vader Harold in het ziekenhuis belandt met een hersenbloeding. Wie neemt de zorg op zich? Danny verwijt Matthew dat hij een aantal besluiten heeft genomen zonder zijn broer en zus te raadplegen. Maar Matthew heeft gehandeld in overeenstemming met zijn moeder, de derde vrouw van Pa Harold.

Ondertussen is deze moeder voortdurend spoorloos en ze rijdt ook nog eens met haar auto in beschonken toestand tegen een boom in de tuin. Daardoor zijn de zus en de broers op elkaar aangewezen. De rivaliteit tussen de beide broers ontaardt uiteindelijk een fysieke knokpartij terwijl Pa bijna op sterven ligt.

Maar Pa komt er weer bovenop en laat zich weer zien van zijn egocentrische kant. De anderen zijn er om hém zorg te verlenen. Danny verleent die zorg, maar besluit op een gegeven ogenblik dat het genoeg is geweest. Hij vertrekt uit huis, en laat de zorg voor Pa over aan een verpleegkundige. Voor Pa is dat onbegrijpelijk: je hoort als zoon je vader te verzorgen. En dat terwijl Pa een afwezige vader was voor zijn zoon.

De film zet het klimaat neer van een vrijblijvende hippie-opvoeding in de jaren ’60, waarbij de kinderen het zelf maar uit moesten zoeken. Toch bleven ze wanhopig op zoek naar erkenning. De kinderen zagen elkaar nauwelijks, want binnen het gezin was geen verbinding. De boosheid op hun ouders komt pas tot uiting rond het ziekbed van hun vader. Maar die boosheid richt zich niet op de zieke vader, maar op elkaar. De blauwe plekken van de jeugd komen nu pas tot uiting in onderlinge rivaliteit.

Levenscyclus en familieverhoudingen (10)

Even een intermezzo over obsessieve liefde. Psychotherapeute Susan Forward schreef een boek dat (vertaald) heet: Obsessieve liefde. De ondertitel luidt: 'Wanneer loslaten teveel pijn doet'.

Obsessieve liefde en emotionele chantage

Susan Forward ziet bij obsessieve liefde een patroon dat gebaseerd is op de behoefte aan controle. Deze kinderen leren al in de vroege jeugd dat ze zich beter voelen als ze de controle over situaties (en daarmee ook op andere mensen) vast kunnen houden. Van haar komt de term FOG die ik al eerder op dit blog noemde (Fear, Obligation, Guilt). Als deze kenmerken een rol spelen in onderlinge verhoudingen tussen familieleden spreekt Forward van emotionele chantage.

Voorbeelden van emotionele chantage zijn:

> Als je niet iedere dag op bezoek komt geef ik je geen aandacht meer (de dreiging van de straffer)

> Als je niet iedere dag op bezoek komt word ik depressief en dat is dan jou schuld (de dreiging van de zelfbestraffer)

> Als je niet iedere dag op bezoek komt word ik depressief (de dreiging van het slachtoffer)

> Wie van de kinderen het meeste op bezoek komt heeft het meeste mijn liefde verdiend (de dreiging van de verleider).

Dit mechanisme is o.a. bekend bij de relationele benadering van eetstoornissen. Bijvoorbeeld als de moeder zich afgewezen voelt als het kind ‘haar’ lekkere eten afwijst.

Emotionele chantage is overigens zelden een bewust proces. Maar onder goedbedoelde zorg kunnen allerlei onderbewuste motieven schuil gaan.

Rouw en loslaten

Chiel Egberts beschrijft in ‘Moeders met een missie’ meerdere voorbeelden van mensen met een verstandelijke beperking die erg lang onder de hoede (en vaak onder één dak) van hun ouders (meestal: de moeder) hebben geleefd. Ook Bert(je) was bijna een halve eeuw bij zijn moeder blijven wonen.

Op het moment dat die twee-eenheid wordt doorbroken komt er een derde in beeld. Dat is vaak de zorgverlener. Staat de moeder toe dat een professionele zorgverlener die zorg over neemt? Het ingewikkelde is dat het veelgenoemde ‘loslaten’ hier niet werkt. Volgens Chiel Egberts moet de moeder eerst een rouwproces door kunnen maken voordat er ruimte is voor volgende stappen.

Nieuwe dynamiek met oude patronen

Maar ook de dynamiek van het gezin moet opnieuw ‘uitgevonden’ worden. De zorg voor Bert(je) had van jongs af aan allerlei gevoelige snaren bij zijn broer en zussen geraakt en die gingen nu weer opspelen. Maar doordat mevrouw Boonstra zelf ook meer hulpbehoevend werd ontstond er parallel nog een ander proces dat ook zijn wortels vond in het vroege verleden. Gaan de kinderen Boonstra er in slagen om oude patronen los te laten?

Levenscyclus en familieverhoudingen (9)

Het is een opmerkelijk geheel in de familie Boonstra. Broer Johan is betrokken op de zorg van zijn jongste broer Bertje. Maar omdat hij in psychisch opzicht tijdelijk is uitgeschakeld neemt zijn vrouw de zaken waar. Dat levert boosheid op bij de beide zussen: zij zijn immers de echte zussen van Bertje?

Maar tussen de beide zussen botert het ook niet. Martine woont in hetzelfde dorp als moeder Boonstra. Zij is het meeste betrokken bij de zorg voor haar moeder. De tweede dochter – Merel – woont aan de andere kant van de provincie. Ze voelt zich gepasseerd en buitengesloten. Ze meent dat haar zus Martine de zorg voor haar moeder naar zich toe heeft getrokken.

Contextueel

De contextuele benadering maakt duidelijk dat wat je  bij het ouder worden in de gezinssituatie ziet te maken heeft met processen van vroeger in het gezin. Bij de familie Boonstra was er in de jeugd sprake van een voortdurende rivaliteit tussen de beide zussen. De één meende dat de ander voor werd getrokken. Beiden vochten ze als kinderen om de aandacht van hun moeder.

Datzelfde thema speelt nu weer. Moeder is kwetsbaarder aan het worden. Het geven van zorg biedt – bij wijze van spreken – een herkansing op het krijgen van aandacht van moeder.

Het kan ook anders. Zoals bij Bart, de middelste zoon uit een groot gezin. Hij werkt in de zorg. De andere broers zijn 'techneuten'. Zijn beide zussen werken in het onderwijs. Zijn moeder is dementerend, maar woont nog in het oude huis. Vijf keer op een dag komt er thuiszorg langs. Bart coördineert de thuiszorg en is korter gaan werken om een stukje zorg aan zijn moeder te kunnen bieden. Ik vroeg aan hem hoe zijn broers en zussen dat vinden. Zijn reactie: "Dat vinden ze geweldig. Ze zijn er blij mee dat ze dat met een gerust hart aan mij en aan mijn vrouw over kunnen laten."

Archief van gevoelens

Ds Rein Hoekstra schrijft over een archief van gevoelens uit de jeugd, dat bij het ouder worden binnen gezinnen een rol speelt.  “Later komen dan oude, al lang verdwenen gewaande, gevoelens opeens weer in beweging. Dat heeft allemaal te maken met onze eigen jeugd. Hoe heb je je eigen vader en moeder beleefd? Hoeveel pijn en verdriet heb je in die relatie opgelopen? Welke gevoelens mochten wél van je ouders en welke niet? Waar heb je jezelf in vastgebeten? Hoe heb je teleurstelling en boosheid leren verwerken?  Er blijkt dus een archief van gevoelens te bestaan waaruit van alles weer kan tevoorschijn komen, in beweging worden gebracht, door een ingrijpende ervaring” (in: Oneindig loyaal, Meinema).