Reacties op ‘splitting’

Henk R stuurde een link naar een artikel van Annemarie de Clerq. Ik haal daar enkele punten uit, en verwerk ze op mijn eigen manier. Ze gaan over de vraag hoe je jezelf kunt beschermen tegen 'splitters'. Daarna stop ik even met de serie over splitting en pak ik even een paar andere losse onderwerpen. Anders ga ik mezelf nog splitsen. 
  1. Geef jezelf de schuld niet. Mensen die splitten verdraaien gemakkelijk de werkelijkheid, dat zit in hun ‘systeem’. Een thema dat daarbij past is de cognitieve dissonantie. Maar dat is hun zorg en niet die van jou. Je hoeft hen niet te overtuigen van het tegendeel.

2. Probeer de ideëen en de gedachten van de ander niet op allerlei manieren te veranderen. Gedraag je dan ook niet als gedachtencontroleur. Dat werkt niet. Naarmate we verder in de strijd zitten zetten we vaak meer manipulatieve technieken in. Dat werkt niet. Bedenk dat iedereen op zijn eigen manier naar een zaak kijkt. “Iedereen heeft recht op zijn eigen ongelijk”.

3. Al weet de ander nog zo zeker dat de één een topper is en dat de ander nergens voor deugt: geef je eigen realiteit over een persoon of groep niet op. Isoleer je niet van gezonde vriendschappen, familie, sociale groepen, alleen maar om ‘de vrede te bewaren’.

4. Meningsverschillen horen erbij. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar. Probeer de ander dus niet op allerlei manieren te overtuigen. Probeer de koers te varen van ‘dit vind ik, dat vind jij’.

5. Aansluitend daarop: Respecteer het recht op een eigen standpunt (ook al weet je voor 95% dat het niet waar is) en geef ook aan dat jij recht hebt op een eigen kijk. “Dank je wel voor het uiten van je mening, maar ik heb duidelijk een verschillende mening over dit onderwerp”.

6. Ga er echter ook niet automatisch vanuit dat alles wat de ander gelooft of zegt, per definitie niet waar is. Dan maak je dezelfde fout als de ‘splitter’.

7. Ik heb al vaker geschreven over de Expressed Emotion. Een hoge betrokkenheid bij een onderwerp is een valkuil, waar iemand die ‘split’ gemakkelijk misbruik van maakt. “Lower your voice”. Probeer zo rustig en objectief mogelijk te blijven. Dus: een lage EE.

8. Je kunt de splitter niet overtuigen van het tegendeel. Dat moet dus ook niet het doel van het gesprek zijn. Agree to disagree. Probeer ermee akkoord te gaan dat we het nu eenmaal met elkaar oneens zijn.

Vrij naar een blog van de Vlaamse orthopedagoge Annemie Declerq, met dank voor de verwijzing door blogvolger en vroegere collega Henk R. 

Splitting (2)

Je bent met een peuter aan het spelen. Bijna elke peuter vindt één op één contact  geweldig. Maar je hebt niet de hele dag de tijd. Er moet ook nog gewerkt worden.  Je bouwt het spel af. Hoe reageert de peuter?

A. De peuter is teleurgesteld. Dat is een normale reactie. Je kunt het vergelijken met het uit bad halen van de baby. Vanuit het warme water de koude wereld weer in. In het geval van de peuter: hij is even teleurgesteld, maar gaat daarna weer verder met dit spel of met een ander spel. Het kind kan het stoppen van het contact verdragen en herstelt zich weer.

B. De peuter is boos. Als er sprake is van ik-ontwikkeling is het een signaal van het zich afgewezen voelen. De peuter voelt zich als persoon afgewezen door een oppermachtige en bedreigende omgeving. Soms komt hij uit boosheid en frustratie ook niet meer tot constructief spel. Er zijn kinderen die vervolgens passief worden, maar de boosheid vertaalt zich in bijvoorbeeld fanatiek duimzuigen of wiebelen (‘rocking’).

C. De peuter is boos, maar ook bang. Boosheid en angst liggen als emoties vlak naast elkaar en zijn voor peuters nauwelijks van elkaar te scheiden. Hij camoufleert zijn angst door zichzelf groot te maken. Hij kan bijvoorbeeld erg brutaal reageren en iets uithalen wat niet mag. In de broek plassen is ook een bekend fenomeen bij peuters.

D. Elk kind wil graag controle (alle volwassenen trouwens ook). Bij het gedrag van kinderen kan zich dat uiten in uitdagend gedrag. De herhaling van patronen: ervoor zorgen dat je (opnieuw) straf krijgt.

Bij volwassenen kun je dit gedrag terug zien bij mensen die zich snel terkort gedaan voelen. Even wat minder aandacht wordt ervaren als afwijzing. Deze reactie past o.a. in sterke mate bij de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Splitting (1)

Bij splitting gaat het om het voetstuk zetten van de één en het degraderen van de ander. Het schijnt tegenwoordig niet meer gezegd te mogen worden, maar de  één is de heilige Sint Nicolaas en de ander is Zwarte Piet. 

Aan de basis van het splitten liggen de separatie en de individuatie (Margareth Mahler, 1975). Dat wil zeggen dat de baby los moet komen van de ouder (separatie, 6 tot 18 maanden) en dat hij een eigen ‘ik’ moet gaan vormen (individuatie, 18 tot 36 maanden).

Die laatste ontwikkeling gaat uiteraard nog veel verder door en in de puberteit ontstaat er ook weer een hobbel in deze ontwikkeling. Bij sommige mensen gaat die hobbel hun leven lang door (Loesje: De ware puberteit duurt je leven lang).

Hoe is het beeld dat je van jezelf ontwikkelt? Dat kan positief en negatief zijn. In de praktijk is het uiteraard vaak gemengd. Dat heet de zelfconstantie.

Maar je ontwikkelt ook een beeld van de ander. Zijn andere mensen te vertrouwen of niet? Dat heet de objectconstantie.

Bij ‘splitting’ kun je stellen dat iemand niet in staat is om zichzelf en de ander in grijstinten te kunnen zien. Hij ziet zichzelf als helemaal goed of als helemaal fout. Je moet perfect zijn of er deugt niets aan je.

Dat geldt ook voor andere mensen. Of ze doen alles goed, óf ze vallen van hun voetstuk en ze deugen nergens meer voor. Iemand die goed is mag geen fouten maken.

Dat elk mens goede en slechte kanten heeft gaat er bij mensen die 'splitten' niet in. Je moet perfect zijn of je deugt helemaal niet.  

Hechting en spel (2)

Ik schreef over de GOrS als manier om spel te observeren bij kinderen. Hoe kun je dat voor je zien?

Je geeft de kleuter een plaat van een (kinder-) boerderij als voorbeeld. Daarna geef je een doos met de voorwerpen, gebouwen en dieren die op die plaat staan. Maar je voegt er nog tanks, vliegtuigen, leeuwen en dinosaurussen aan toe. Hoe gaat die peuter spelen?

Kleuter A. kopiëert de plaat. Zoals het op de tekening of foto staat, zo zet kleuter A. ook alles neer. De tanks, vliegtuigen, leeuwen en dinosaurussen komen er niet aan te pas. ‘Het plaatje moet kloppen’.

Kleuter B. is eerst afwachtend. Hij bekijkt de spullen in de doos, houdt sommige voorwerken wap apart. Daarna zet hij de schapen en konijnen neer en bouwt er een groot hek omheen. Niemand mag er binnen komen. Ter beveiliging worden er ook nog tanks bij de ingang neergezet.

Kleuter C. zet alles weinig geordend neer. Hij gooit het allemaal ongeorganiseerd op tafel. Daarna komen er vliegtuigen al schietend over. Tanks rijden van alles plat. De leeuwen en de dinosaurussen eten de overgebleven dieren op. Na afloop is de speltafel een slagveld, waarbij een deel van de dieren op de vloer ligt.

Kleuter D. maakt allerlei afwegingen. Je ziet haar denken. Wat is handig, wat is verstandig? De schapen en de leeuw zet je niet bij elkaar. Daar moet een hek tussen. Maar die leeuw moet ook wel ergens een plek krijgen. Daar bedenkt ze een speciaal onderkomen voor. De tanks horen in een plaatje van haar niet thuis, die parkeert ze netjes aan de zijkant. De dinosaurus is iets van vroeger, dus die komt ook niet in de kinderboerderij. Het moet allemaal wel kloppen, maar iedereen moet ook zijn eigen plekje hebben en kennen. Als je een vraag stelt kan ze uitleggen waarom ze iets op een bepaalde manier heeft opgesteld. Ze is al bezig met het maken van afwegingen.

Als je dit leest kun je je voorstellen dat er heel verschillende kinderen achter dit spel zitten. Dat zit in dit geval vooral in de structuur van het spel. Bij kleuter A is alleen maar sprake van structuur, variatie komt er niet aan te pas. Bij kleuter C. zie je bijna alleen chaos. Bij kleuter B lijkt de overheersende thematiek zijn behoefte aan veiligheid te zijn. Kleuter B en kleuter D zijn minder snel omdat ze tijdens het spel allerlei afwegingen maken. Dat verraadt een hoger spelniveau. Kleuter B is vooral bezig met de eigen angst: het moet allemaal veilig zijn, Kleuter D maakt tal van afwegingen voor de dieren in het spel. Ze lijkt al een begin te hebben gemaakt in het inleven in de ander. Maar wat niet ‘bestaat’ in deze wereld, dat moet ook geen plek krijgen in het spel. Het wordt niet weggegooid, maar apart gezet.

Zou je een (veel te) snelle conclusie trekken dan zou er bij kleuter A sprake kunnen zijn van een vorm van 'star autisme', bij kleuter B zie je trekken van angst die kunnen passen bij een onveilige vorm van hechting waarbij vooral de onveiligheid overheerst. Bij kleuter C kun je denken aan problemen in de reactieve hecbting of aan vermijdende gehechtheid. Bij kleuter D zie je de meeste kenmerken van de veilige gehechtheid. 

Hechting en spel (1)

Veilig gehechte kinderen laten doorgaans een 'hoger' spelniveau zien dan onveilig gehechte kinderen. 

Onveilig gehecht kinderen zijn bijvoorbeeld vaker destructief in hun spel (dingen stuk maken) en ze hebben meer moeite met samenspel (ze spelen alleen of ze spelen vaker de baas, dat is een vorm van controle over anderen).

In een antroposofische instelling kwam ik de GOrS tegen, een gestructureerde manier om spel bij kinderen te observeren (de Gestructureerde Orthopedagogische Spelobservatiemethode, de r is er tussen geplakt om het netjes te houden). In 2015 promoveerde Pim van der Pol op een onderzoek rond de GORS.

Van der Pol analyseert spel aan de hand van de driehoek herhaling-verbazing-variatie. Is er geen verbazing, dan is er geen spel. Er zijn kinderen die geen rust hebben om zich te verbazen. Er zijn ook kinderen die alleen maar herhaling willen. Ook zij komen niet tot spel. Spel zou je – in navolging van Jacques Heijkoop – kunnen zien als een vorm van geplande variatie.

Daarnaast maakt Van der Pol, in navolging van Vermeer – niet schilder Johannes, maar Dr. E.E.A, het onderscheid tussen realiteit en fantasie. Vermeer ziet in het spelniveau een aantal fasen (geen bloemenvazen, maar stappen). Als een kind alleen maar de realiteit kan spelen is het geen spel. Omgekeerd: als er geen link is met de realiteit is het ook geen spel. Goed spel zit tussen de realiteit en de fantasie in. De realiteit speelt een rol in de fantasie, in het verbeeldend spel.

Spel werkt ook met afspraken. Heel mooi wordt dat in de taal verwoord: zogenaamd. Bijna ieder kind gebruikt dat woord…. Het is een sleutelwoord waaruit blijkt dat kinderen het onderscheid maken tussen realiteit en fantasie.

In de GORS komen al deze elementen terug. Het is een gestructureerde, van te voren opgezette methode, waarbij degene die het spel observeert ook het spel bijstuurt. Je volgt dus niet het kind, je kijkt wat het kind doet in verschillende omstandigheden. Ondertussen speelt de observator ook zijn rol binnen het spel.

Het eerste deel van de GORS is het ‘wereldmateriaal’: allerlei poppetjes, dieren, auto’s  en huisjes van zeer realistisch naar erg vaag. Je kunt er ook van alles mee bouwen: een hek, een gevangenis, een ziekenhuis.

Het tweede deel van de GORS is het winkeltje. Daarbij speelt het kind de verkoper en de observator is de klant. Ook hier weer een heel realistische sinasappel en banaan, maar ook allerlei voorwerpen die allerlei betekenissen kunnen hebben (een blokje kan kaas zijn, maar ook een pak margarine). Wat ‘doet’ een kind met de verschillende voorwerpen?

Een derde onderdeel van de GORS is een individueel thematisch spel. Een baby is ziek en de dokter moet opgebeld worden. Hoe pakt het kind die rol van dokter op? De observator speelt ‘zogenaamd’ de vader of de moeder van het kind.

Het laatste onderdeel van de GORS is het spel met zand en water, waarbij een vader en een moeder eend, 2 kinder-eenden, een krokodil en een persoon aanwezig zijn. Hoe speelt het kind in deze omgeving zijn spel?

De observatie gaat om het spelbeeld (bijv. chaos) en het niveau van het spel, de thematiek (bijv. welke thema’s komen steeds terug?) en de kwaliteit van interactie met de observator (bijv. langzaam wennen, claimen enz.).

In een volgend blog geef ik ter illustratie drie vormen van spel weer van kleuters op dezelfde leeftijd en met dezelfde cognitieve ontwikkeling. 

Eigen hechting en opvoeding (6)

‘Om je goed los te kunnen maken, moet je goed vast gezeten hebben’ En ik voeg daar aan toe: 'Om goed los te kunnen laten als opvoeder moet je....' En de rest moet ik nog invullen. 

Het volgende gedeelte komt deels uit de cursus van orthopedagoog en psychotherapeut Truus Bakker-van Zeil (1944-2020).

Er op uit en weer veiligheid zoeken

Een kind heeft het nodig om zijn opvoeders als een veilige (uitvals)basis te ervaren. Om de wereld te gaan ontdekken is het nodig dat het kind ervaart dat het terug kan vallen (voor hulp) op de opvoeder. Het kind moet zijn opvoeder als een veilige (toevlucht)haven ervaren. 

Het kind moet ervaren dat het de ruimte en het vertrouwen krijgt van de opvoeder om de wereld te ontdekken. Een kind heeft het nodig dat zijn opvoeders hem los kunnen laten. Het kind zal hen dan als een veilige basis ervaren. Bij onveilig gehechte kinderen is deze balans verstoord.

Angstig-vermijdende gehechtheid

Bij de angstig-vermijdende gehechtheid van de kant van de opvoeder ervaart het kind de opvoeder wel als een veilige basis en niet als een veilige haven. Dus het kind gaat wel op onderzoek uit: het wordt niet afgeremd, maar juist gestimuleerd. Het accent ligt op het kunnen en het durven. Maar: Het kind ervaart de opvoeder niet als een veilige haven als het hulp nodig heeft. Het kind zal, als het stress heeft,  het contact met de opvoeder zoveel mogelijk vermijden. Het zoekt het zelf wel uit. Deze stoere buitenkant gaat ten koste van de kwaliteit van het leren oplossen van problemen. Deze kinderen zijn wel veel bezig met ‘doen’, maar ze denken te weinig na over de oplossingen. Dat zie je o.a. terug in het spelniveau.

Angstig-ambivalente gehechtheid

Bij angstig- ambivalente gehechtheid van de kant van de opvoeder is het omgekeerd. De opvoeder is weliswaar een veilige haven, maar geen veilige basis. En die veilige basis heb je nodig om op onderzoek uit te kunnen gaan. Omdat het kind angst ervaart van de kant van de opvoeder houdt het hem of haar in de gaten. Want je weet maar nooit wat voor gevaren er overal zijn. Het kind gaat dus veel minder op onderzoek uit, mogelijk mede omdat het onbewust ervaart dat de opvoeder bang is om los te laten. Het kind kan wel bij de opvoeder terecht voor troost, maar er is minder ruimte voor het loslaten. De haven om in terug te keren is er wel, maar het kind durft niet goed buitengaats.

Gedesorganiseeerde gehechtheid

Bij gedesorganiseerde gehechtheid en bij een reactieve hechtingsstoornis  ervaart het kind de opvoeder niet als veilige basis én niet als een veilige haven. Deze schade gaat het meest diep. Het kind durft én niet op onderzoek uit te gaan én het durft geen troost te ontvangen. Veel van deze kinderen blijven steken in tal van vormen van stereotyp gedrag (eindeloos herhalen), in afleiding door videospelletjes en paradoxaal genoeg: in het zoeken van gevaar (counterfobisch gedrag). Vanaf de puberteit neemt de kans op verslaving toe. Als het kind in de problemen komt zoekt het de opvoeder niet op voor hulp of troost: het kan zelfs averechts reageren op het bieden van troost.

Uiteraard zijn de gevolgen van onveilige hechting bij de opvoeder niet 1 op 1 zichtbaar bij het kind. Omgeveerd is het ook niet zo dat een onveilig gehecht kind 'dus' een onveilig gehechte opvoeder heeft. Wat hier beschreven is is een algemene tendens: een vorm van risico-taxatie. 

Eigen hechting en opvoeding (5)

Een cursus bij orthopedagoog en psychotherapeut Truus Bakker- van Zeil heeft mij veel geleerd over verstoorde hechting bij adoptiekinderen. In sommige opzichten zorgde deze cursus zelfs voor een kanteling in mijn denken.

Truus Bakker gaat er vanuit dat – hoe moeizamer opvoeders gehecht zijn – des te lastiger het voor hen wordt om veiligheid aan kinderen (door) te geven. Daar komt de term ‘transgenerationele problematiek’ vandaan. Een onveilig gehechte ouder geeft die onveiligheid door aan het kind. Zo kunnen onveilige ervaringen in de hechting van generatie op generatie voort blijven bestaan.

Omdat adoptiekinderen vaak uit onveilige situaties komen vraagt deze opvoeding extra van de adoptieouders. Vaak komt er een kind in huis dat onvoldoende basisveiligheid heeft ervaren. Het betekent dat je als opvoeder extra geconfronteerd wordt met de deuken en blutsen in je eigen opvoeding.

Gehandicaptenzorg

De kennis vanuit de cursus kon ik doorvertalen naar het werk in de gehandicaptenzorg. Kinderen met een verstandelijke beperking zijn veel vaker onveilig gehecht dan ‘gemiddeld’ in Nederland. Dat betekent dan ook dat het werk in de gehandicaptenzorg hoge eisen stelt aan de persoon van de begeleider.

Maar wat betekent dat als je (vroeger) als jongere van 17 jaar en 7 maanden de deur uit ging, om intern de opleiding te volgen en meteen zelf aan het werk ging in de zorg? Je was nog bezig met het los komen van je ouders en dan moest je meteen aan de slag met mensen met een vaak onveilige basis.

Het was dan ook geen wonder dat veel begeleiders ergens onderweg zichzelf stevig tegen kwamen. Dat gold trouwens ook voor mijzelf., al kwam ik vanuit een andere positie de zorg binnen fietsen. Al tijdens de stage had ik gemerkt dat een deel van het werk mij om die reden niet goed af ging.

Het voorgaande vraagt misschien om een uitwerking, maar nu even niet. Eerst een ander onderwerp.

Twee opvoeders

Hoe gaat het als de ene ouder onveilig gehecht is en de andere ouder is veilig gehecht? Dan kan de veilige hechting van de ene ouder de onveiligheid van de ander compenseren. Het geeft ook aan dat het moeten ‘opvoeden in je eentje’ de opvoeding extra kwetsbaar maakt.

Als er sprake is van twee opvoeders kan het 'meer' van de ene opvoeder het tekort van de ander aanvullen. Opvoeden doe je niet in je eentje. Een alleenstaande ouder heeft extra baat bij ondersteuning door andere opvoeders, zoals de opa en de oma.

Eigen hechting en opvoeding (4)

Hoewel ik vanaf mijn studietijd belangstelling had voor het thema 'hechting' is de kennis over dat onderwerp pas in de afgelopen decennia sterk gegroeid. En vaak denk ik: had ik dat maar eerder geweten!

Wat zijn kenmerken van de veilig gehechte opvoeder?

De opvoeder is sensitief én responsief. Dus: hij/zij voelt aan wat het kind ‘ervaart’ én hij/zij komt tot een passende reactie.

Natuurlijk kun je er ook ‘naast’ zitten, want je tast soms in het duister wat er met een kind aan de hand is. Het gaat bij sensitiviteit vooral om de attitude: de gerichtheid op het kind. Je weet ook niet altijd de passende oplossing (responsiviteit). Het gaat er wél om dat je actief bezig bent met het zoeken naar een passende reactie.

De opvoeder stimuleert én begrenst. Angstig-ambivalente ouders hebben de neiging om het kind meer bij zich te houden (‘pas op, kijk uit!’). Angstig-vermijdende opvoeders laten het kind teveel gaan (zolang zij er maar geen last van hebben). Veilig gehechte ouders vinden gemakkelijker voor hun kind een evenwicht tussen het op weg laten gaan en het er ook op tijd weer bij zijn om het kind veiligheid te bieden. Ze durven ook grenzen te stellen aan het gedrag.

Veilig gehechte ouders zien andere opvoeders niet als ‘concurrenten’. Ze kunnen samenwerken met de zwemleraar en met de leerkracht op school Ze gaan uit van een geven en nemen: de school is een andere situatie dan thuis. Natuurlijk kunnen er zich hier ook situaties voordoen waarbij het gedrag van één van de betrokkenen niet goed is voor het welzijn van het kind. Geven en nemen betekent niet dat je overal het midden op kunt zoeken. Maar ook hier gaat het vooral weer om de intentie.

De opvoeder kan zijn eigen emoties hanteren in relatie tot ontregeling van het kind. Dus hij of zij raakt niet totaal van slag als het kind van slag is, hij wordt niet boos op het kind omdat het kind boos is op hem (dus: gevoel van afwijzing). De opvoeder is in zekere zin een vuurtoren die op zijn plek blijft als het kind in stormachtig water belandt.

Rest nog de vraag: volwassenen zijn allemaal zelf op een bepaalde manier gehecht. Maar is het nu ook zo dat een bepaalde hechtingsstijl van de kant van de opvoeder beter pas bij dit kind en minder goed bij een ander kind? Ik denk van wel, maar het antwoord op die vraag 'puzzelt' ook nog in mijn hoofd.

Eigen hechting en opvoeding (3)

Van de verschillende soorten hechtingsstijlen vanuit de opvoeder leidt de gedesorganiseerde gehechtheid tot het meest sterke gevoel van emotionele onveiligheid bij het kind.

De ouder is niet de bron van veiligheid voor het kind, maar de ouder vormt juist de bron van onveiligheid, van angst. Toch blijven alle kinderen – zeker de jongere kinderen – de veiligheid bij de ouder zoeken. Kinderen zijn oneindig loyaal, totdat ze uiteindelijk de moed opgeven.

De ouder is onvoorspelbaar: het kind weet niet waar het aan toe is. De ene keer reageert de ouder met liefde en met troost, de andere keer krijgt het kind er juist erg van langs terwijl het zich op dezelfde wijze als op een eerder moment gedroeg.

Het wisselende beeld dat de opvoeder laat zien is voor kinderen in emotioneel  opzicht nog schadelijker dan een kille, maar voorspelbare opvoeding.

De ouder vertoont sterk wisselende emoties, die vaak een extreme kleur krijgen. Van hyper-positief en warm tot extreem kil, en dat kan binnen enkele minuten omslaan. Grijstinten (een beetje blij, een beetje boos) bestaan niet. Het kind is daardoor altijd op zijn hoede.

In dat verband schreef ik het verhaal over Johan, 'de jongen onder de tafel'. Johan ging altijd onder de tafel zitten als zijn vader de trap van de Amsterdamse bovenwoning op kwam. Van onder de tafel observeerde hij dan eerst hoe de stemming van zijn vader was. Was de stemming negatief, dan liet Johan zich uren lang niet zien. 

Opmerkelijk is dat ze opvoeder zich als Redder ziet (‘Ik vecht als een leeuwin voor mijn kinderen’ zegt de ‘pannenkoekenmoeder’ in een TV-documentaire over de Jeugdzorg). De opvoeder weet het ook altijd beter dan anderen, zoals de leerkracht op school. Soms weet een ouder het ook echt beter, maar kenmerkend voor deze ouders is dat ze alle controle willen houden en geen andere mening toelaten. Ernstiger is dat dezelfde ouder als het er op aan komt niet beschikbaar is voor het kind.

Het gevolg van deze opvoedingsstijl is dat kinderen altijd op hun hoede zijn. Ze ontwikkelen gedragskenmerken waarbij afhankelijkheid en vijandigheid door elkaar lopen. Ze ontwikkelen ook geen emotionele stabiliteit, er is sprake van voortdurende onrust. De 'gevoelsthermostaat' is en blijft van slag. De psychopathologie die met dit gedrag verband houdt is die van de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Eigen hechting en opvoeding (2)

De tweede vorm van onveilige hechting is de angstig-ambivalente hechting. De ambivalentie komt bij peuters tot uiting in de behoefte aan aandacht en de boosheid om de verlating (mamma bij hereniging knuffelen en pijn doen tegelijk). Maar hoe zit dat bij de opvoeder.

Opvoeders met een angstig-ambivalente stijl van hechting zijn vaak bezorgde ouders. ‘Als dát maar goed gaat!’ ‘Kijk uit!’ Het kind neemt de angst van de ouder gemakkelijk over.

Daarmee verband houdend geeft de opvoeder het kind weinig fysieke ruimte. De paniek slaat toe als het kind maar even uit beeld is. In zicht blijven is bij peuters noodzakelijk, maar kleuters en kinderen op de leeftijd van de basisschool kunnen al wel meer ruimte aan.

De ouder slaagt er niet in om de emoties van het kind te verwoorden. Daardoor komt het leren ‘mentaliseren’ onvoldoende op gang. De ouder verwoordt alleen – op vaak heftige wijze – de eigen schrik, waardoor het kind ook weer meer van slag raakt.

Omdat de ouder gemakkelijk van slag raakt ‘ziet’ het kind vooral heftige emoties. De ervaring is dat het moet oppassen, anders gaat het wéér mis. Het kind probeert dan ook het eigen gedrag zó vorm te geven dat de opvoeder zo weinig mogelijk van slag raakt. In dat verband wordt wel gesproken over ‘parentificatie’: het kind gaat voor de ouder zorgen.

Een andere reactie van het kind is het ‘klampgedrag’, het claimen van de ouder. De opvoeder ervaart dat als lastig, maar ook als compliment. ‘Mijn dochter wil alleen maar bij mij zijn en bij niemand anders’. Maar omdat de opvoeder ook weer moeite heeft met nabijheid ontstaan tegengestelde emoties (‘kom eens wat dichter bij mij uit de buurt’). En als er iets is waar kinderen slecht tegen kunnen, dan is dat zo’n dubbele boodschap.

Als opvoeder en kind fysiek verder uit elkaar zijn mist het kind zijn opvoeder, maar de opvoeder mist ook het kind. Het kind wordt dan soms van school gehaald, of eerder van een logeerpartij naar huis gehaald. Een kind dat net op een instelling is geplaatst (na drie jaar wachtlijst) wordt weer naar huis gehaald. Het kind wordt als zielig gezien en de reactie is dat de nood per direct moet worden opgeheven. Even aankijken en proberen door te zetten is er niet bij.

In veel gezinnen kom je dit soort patronen tegen. Het heeft alles met vasthouden en loslaten te maken. Dat is de meest moeilijke pedagogische opgave. Dat is op zichzelf niet verantrustend. De opvoedingsstijl wordt problematisch als de behoefte aan nabijheid en controle en de ambivalentie in de emoties de hele kleur van de opvoeding gaan bepalen.