Steunzoekend opvoeden (2)

De Deense gezinstherapeut Jesper Juul verklaart een deel van de gedragsproblemen van kinderen en interactieproblemen tussen ouders en kinderen uit de behoefte van ouders om door hun kinderen gewaardeerd te worden. 

Daarmee leggen ouders een grote emotionele hypotheek op hun kinderen. Deze emotionele afhankelijkheid is ook één van de bronnen van kindermishandeling. Dwars gedrag wordt door deze ouders als krenking ervaren. En krenking werkt als een rode lap op de emotionele stier.

Professionele zorg

Ook in de professionele zorg is deze afhankelijkheid een dagelijks voorkomend thema. De zorg trekt mensen aan die graag willen zorgen. De vraag is: waarom wil je graag zorgen? Is dat omdat je zelf aardig gevonden wilt worden, omdat je graag waardering wilt hebben van de mensen voor wie je wilt zorgen?

Laat ik duidelijk zijn: ieder mens heeft waardering nodig. Maar ook in de professionele zorg leg je op cliënten een emotionele hypotheek als jouw welzijn gevoed moet worden door de cliënten. “Als Myrthe naar mij gelachen heeft heb ik een goede dienst gehad…” Maar wat is dan voor jou het gevolg als Myrthe de hele dag koppig, dwars, eigenwijs of verdrietig was?

Omgeving legt de lat hoog

Soms wordt deze manier van werken ook in de hand gewerkt door ouders (of ook door behandelaars of leidinggevenden) die van begeleiders verwachten dat ze resultaat behandelen met hun cliënten. Je bent pas een goede begeleider als je… (in je eentje met Jeffrey kunt wandelen, Mathilde hebt geleerd om zichzelf aan te kleden, Morris hebt geleerd om vijf woorden te zeggen enz…).

Protocol

Onze samenleving is sterk resultaatgericht. We tellen pas mee ‘als we een prestatie neer hebben gezet’. De zorgverzekeraars hebben steeds meer de neiging om bij behandelingen af te rekenen op het behaalde resultaat. Daardoor verschuift de aandacht van het wie van de cliënt naar het wat van de prestatie. We zijn pas een goede begeleider of een goede behandelaar als er iets gelukt is. We moeten doelen zien te halen. Heb ik het protocol goed gevolgd, dan heb ik mijn werk goed gedaan. Maar wat waar is de cliënt in zo’n manier van denken gebleven?

Afhankelijk

Op een indirecte manier worden zorgverleners op deze wijze opnieuw afhankelijk. In dit geval niet van de relatie met de cliënt, maar van de prestatie die behaald wordt. Daarmee maken we ons welbevinden afhankelijk van het gedrag van de cliënten. Hoe meer we dat doen, des te meer gaan we lijken op de cliënt die de hele dag vraagt of hij wel lief is en of hij het wel goed doet. Deze steunzoekende manier van begeleiding maakt én begeleiders én cliënten kwetsbaar en afhankelijk.

Het werk langer volhouden

Werken vanuit de relatie heeft altijd te maken met wederzijdse afhankelijkheid. Maar als we voor ons welbevinden afhankelijk zijn van de goedkeuring van anderen leidt die afhankelijkheid niet tot groei, maar tot stagnatie.

Zo’n proces vreet energie en vormt zelfs één van de redenen waarom mensen burn-out kunnen raken. Onze psychische energie kunnen we beter op een positieve manier  inzetten. Dat levert zelfs geleidelijk energie op om ons werk langer vol te kunnen houden.

Steunzoekend opvoeden (1)

Een deel van de mensen met een verstandelijke beperking is emotioneel zeer afhankelijk van de mensen in hun omgeving. Ze zijn voortdurend anderen aan het aftasten
  1. of ze het wel goed doen (competenties),
  2. of ze wel lief gevonden worden (emotionele afhankelijkheid)
  3. of nog meer basaal: of ze er wel mogen zijn (emotionele basisveiligheid).

Een destijds verschenen boek over Jolanda Venema geeft met de titel van dat boek precies aan waar de gedragsproblematiek van Jolanda zijn emotionele wortels had. “Ik ben toch wel lief, mamma?” Dat lag niet aan haar moeder, maar aan de stagnatie van de emotionele ontwikkeling aan het begin van de ik-ontwikkeling.

Jolanda had nauwelijks een eigen ik kunnen ontwikkelen. Daarom vroeg ze dag-in, dag-uit af of ze wel lief was. Ze testte dus ook dag-in dag uit of begeleiders haar wel lief vonden.

Afhankelijk of zelf doen?

De kern van deze vragen ligt in de emotionele ontwikkeling tussen de één en drie jaar. Dan komt de ik-ontwikkeling op gang en ontstaat de strijd tussen het afhankelijk blijven van de ander en zelf iemand mogen en kunnen zijn. Het is Erik Erikson die – voortbouwend op het denken van Sigmund Freud – de basis heeft gelegd voor de theoretische onderbouwing van deze emotionele ontwikkeling.

Peuters en pubers

In de relatie met andere mensen zit altijd een stukje onzekerheid. Ieder mens kent vragen als mag ik er wel zijn en doe ik het wel goed? Je kijkt dus altijd (deels) naar jezelf door de ogen van de ander. Of – beter geformuleerd – door hoe je denkt dat de ander naar jou kijkt. Vooral peuters en pubers zijn hier erg gevoelig voor.

Peuters tasten vooral bij volwassenen af of ze het wel goed doen (in die leeftijd ontstaan schaamtegevoelens). Pubers willen vooral van leeftijdgenoten weten of ze er wel mogen zijn en of ze ‘geliked’ worden.

Ouder of kind?

Om goed op te kunnen voeden en te kunnen begeleiden heb je een bepaalde mate van zelfvertrouwen nodig. Je moet aan de ene kant open staan voor feedback vanuit de omgeving (je partner, mensen in de omgeving, de leidinggevende, een coach). Je moet dus pedagogisch gevoed willen en kunnen worden.

Aan de andere kant moet je naar kinderen toe emotioneel niet afhankelijk zijn van hún goedkeuring. Dat is één van de meest complexe thema’s binnen de opvoeding. In hoeverre slaagt de opvoeder er in om niet afhankelijk te zijn van de manier waarop het kind naar jou kijkt. Ben je als opvoeder nog niet voldoende in staat om emotioneel op eigen benen te staan, dan maakt jou dat afhankelijk van de manier waarop je denkt dat het kind jou beoordeelt.

Om het in termen van de transactionele analyse te zeggen: daarmee word je zelf een kind en eigenlijk zet je daarmee het kind in de ouder-positie.

In de SIG-B, een schaal die de interactie tussen begeleiders en medewerkers in kaart brengt (ontworpen door Arno Willems), wordt deze opvoedingsstijl samengevat onder de noemer ‘steunzoekende begeleidingsstijl’. 

Gedragsproblemen bij kinderen (3)

Waar kun je aan denken bij het gedrag van deze kinderen (vroeger samengevat als antisociaal, of als ODD).

Verschijningsvormen

  • Pest, bedreigt, intimideert
  • Lokt vechtpartijen uit
  • wapengebruik (pubers)
  • mensen mishandeling
  • dieren mishandeling (vaak begint het zelfs bij dierenmishandeling)
  • beroving
  • heeft iemand tot seksuele contact gedwongen
  • opzettelijke brandstichting
  • opzettelijke vernieling
  • liegen en doelbewust misleiden
  • diefstal als ‘hobby’, vorm van spanning zoeken
  • komt ’s avonds later thuis dan toegestaan
  • is ten minste tweemaal van huis weggelopen en ’s nachts weggebleven (of eenmaal gedurende een langere periode)
  • spijbelt vaak

Zijn en ook factoren die het kind beschermen of van het verkeerde pad af te helpen?

  • Veilige gehechtheid,
  • hoog IQ,
  • gemakkelijk temperament,
  • hoog niveau van moreel redeneren

Goede opvoedingsvaardigheden ouders

Sterke etnische identiteit: ik mag er zijn, welke ‘kleur’ ik ook heb.

Positieve rolmodellen (zoals de leerkracht op school)

 Sociale vrienden

Goed functioneren op school

Algemeen: succeservaringen

Gedragsstoornissen bij kinderen (2)

We spreken bij gedragsstoornissen liever niet van 'oorzaken', maar van risico-factoren. Dat komt omdat er geen één-op-één verband bestaat. Het is namelijk niet zo in de opvoeding dat als je 'dit' er in stopt, dat dan 'dat' er uit komt.

Een aantal risicofactoren op een rijtje:

  1. We weten nog altijd niet hoe het zit, maar genetische factoren maken het ene kind meer gevoelig voor gedragsproblemen dan het andere kind. Denk bijvoorbeeld ook aan bepaalde genetische afwijkingen, die bijna altijd samengaan met als zeer moeilijk ervaren gedrag.

2. Moeilijk temperament. Het temperament is aangeboren. Bij een moeilijk temperament is het moeilijk om de pasvorm voor de opvoeding te vinden. Er ontstaat dus gemakkelijk pedagogische kortsluiting, waarbij de ouders uitgeput raken.

3. Biologische kenmerken. Daarbij kun je denken aan hormonale afwijkingen, neurologische problematiek of een toestand van voortdurende over- of onderprikkeling.

4. Verslaving bij de ouders vergroot de kans op gedragsproblemen bij kinderen. De ontregeling kan soms al zijn ontstaan door de zwangerschap, maar zet zich door gedurende de groei van het kind. Het risico dat het kind zelf verslaafd raakt is daarbij ook extra groot.

5. Kindermishandeling en verwaarlozing

6. Onveilige hechting

7. Onvoldoende executieve functies: niet kunnen plannen en organiseren, de directe kick is vooral belangrijk

8. Negatieve sociale interpretatie (‘ze zijn tegen mij’, ‘je kunt niemand vertrouwen’).

9. Gebrek aan morele ontwikkeling, geen kennis van normen en waarden. cognitie)

10. Beperkte intelligentie, met name bij mensen met LVB.

11. Opvoedingsfactoren binnen het gezin.

12. Omgevingsfactoren (e.g. deviante vrienden, slechte huisvesting, de buurt, het tussen twee culturen moeten leven.

13. Schoolfactoren (bijvoorbeeld niet mee kunnen komen, de lesstof niet kunnen bevatten, de taal onvoldoende begrijpen).

Deze factoren staat niet in volgorde van belangrijkheid, maar vormen een opsomming van wat er uit de literatuur aan uitkomsten beschikbaar is.

Let op: agressie wordt deels genetisch bepaald ('biologische factoren'). De neiging tot delinquentie wordt meer door de omgeving bepaald, de foute vrienden, de slechte voorbeelden. 

Gedragsstoornissen bij kinderen (1)

In de loop van mijn toch nog tamelijk korte werkzame leven heb ik heel wat verschillende diagnoses voorbij zien komen. Zoals de 'Oppositionele Gedragsstoornis' (ODD vanuit het Engels), die een Conduct disorder werd en in de vijfde editie van het Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5®) vertaald als normoverschrijdend-gedragsstoornis

In het speciaal onderwijs was voor deze kinderen een speciale school. De LOM-school was voor kinderen met Leer – en Opvoedingsmoeilijkheden. Maar als je die school dan ook nog eens in de hens stak kon je naar de School voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen (ZMOK-school). Een probleem was dat op deze school alle buitenbeentjes bij elkaar terecht kwamen. Dan loop je het risico dat ze vooral de slechte dingen van elkaar overnemen.

Wat zijn kenmerken van deze kinderen?

Het gaat om een patroon van negatief, opstandig/uitdagend, ongehoorzaam en vijandig gedrag. Dat is niet alleen thuis zo, maar ook in andere situaties, zoals op school en op de voetbalclub.

Minimaal 6 maanden aanwezig, dus niet een paar slechte dagen

4 van de onderstaande gedragingen zijn duidelijk aantoonbaar/ vallen erg op tussen andere kinderen.

Het moeilijk te hanteren gedrag was al duidelijk aanwezig voor de leeftijd van 8 jaar.

Criteria (bij 4 van deze kan je spreken over ODD)

-Is vaak driftig

-Maakt ruzie met volwassenen

-Is vaak opstandig of weigert zich te voegen naar de verzoeken of regels van volwassenen

-Ergert vaak met opzet anderen

-Geeft anderen vaak schuld van eigen fouten of wangedrag

-Is vaak prikkelbaar en ergert zich gemakkelijk aan anderen

-Is vaak boos en gepikeerd

-Is vaak hatelijk en wraakzuchtig

De reden dat het gedrag in meerdere situaties herkend moet worden is dat het kind kennelijk in tal van situaties moeite heeft om zich 'aangepast' te gedragen. Het verzet is dus niet alleen tegen de ouders gericht (dan is er een vermoeden van hechtingsproblematiek), maar tegen alle opvoeders ('als het moet, doe ik het niet'). 

Wantrouwen (1)

Vorige week behandelde ik in een training de ontwikkeling van basic trust in de theorie van Erikson. Dat basisvertrouwen is een voorwaarde om zich veilig te kunnen voelen en om een positieve relatie met jezelf en met de ander te kunnen opbouwen. De keerzijde van dat vertrouwen is wantrouwen. De ander is niet te vertrouwen.

Wantrouwen uit zich in een voortdurend op de hoede zijn. “Mensen zijn niet te vertrouwen”. Of, in een andere – vaak gehoorde – variant: “Mensen kunnen je bedriegen, dieren niet.” Een deel van de mensen die grote moeite hebben met het ontwikkelen van vertrouwen in andere mensen storten zich dan ook met maximale overgave op de verzorging van dieren.

Eén van de cursisten vroeg hoe het kon dat één van haar cliënten steeds weer in dezelfde relationele fouten verviel. Ze kon inmiddels toch beter weten? Een beetje meer wantrouwen in mensen kon dan toch geen kwaad?

Ik nam echter een andere invalshoek: het steeds kiezen voor een verkeerde relatie kan ook gebeuren ondanks het wantrouwen dat je hebt. Het voorspelbare wint het van het beangstigende wantrouwen.

Herhaling van zetten

Eén van de meest wonderlijke processen bij mensen die geen vertrouwen in anderen hebben is dat juist zij zo vaak in verkeerde relaties terecht komen. De dochter van een alcoholist trouwt op háár beurt met een alcoholist. De dochter van een mishandelende vader krijgt een relatie met een man die haar mishandelt. De zoon van een moeder met een borderlinestoornis krijgt een relatie met een vriendin met borderline.

Dat dit zo gebeurt valt te verklaren uit het feit dat het zo bekend is: het is het ‘script’ dat kinderen van jongs af aan mee hebben gekregen. Hoe beangstigend ook, het is het meest bekende schema.

Jeffrey Young heeft in schema gebracht hoe mensen denken, voelen en handelen die onvoldoende vertrouwen in de ander op hebben kunnen bouwen.

Handhaving van het patroon

A). Een deel van de mensen hoopt dat het nu een keer niet waar is. Ze willen alsnog op de ander kunnen vertrouwen. Maar op dat moment komt de vicieuze cirkel naar boven. Ze storten zichzelf in een ‘bekende’ relatie die lijkt op wat ze eerder hebben meegemaakt. Het effect is dat opnieuw blijkt dat anderen niet te vertrouwen zijn. Deze relaties zijn steeds ongelijkwaardig: ze komen in de onderpositie terecht. Ik ken iemand die op die manier met zes verschillende mannen heeft samengewoond.

B). Er zijn ook wantrouwende mensen die afstand blijven houden. Ze stellen vooral grenzen, maar durven daar niet van af te wijken. Door anderen te blijven wantrouwen houden ze voor zichzelf de situatie onder controle. Het psychologisch script dat ze ontwikkeld hebben over de ander blijft daarmee in stand. ‘Het klopt nog steeds dat de ander niet te vertrouwen is’. Ze kiezen voor de bovenpositie waarbij ze de ander de baas kunnen. Dit leidt gemakkelijk tot een rigide gedragspatroon, omdat controle zo’n belangrijke plaats inneemt.

Het zou kunnen zijn dat deze kenmerken ook te maken hebben met temperament. Bij kleine kinderen heb je de goedmakers en de vermijders. De goedmakers proberen het opnieuw om de schade te herstellen. De vermijders verstoppen zich, ze durven de confrontatie niet aan.

Affectfobie (3)

Er zijn gevoelens die voor een kind zó taboe waren dat ze afgeweerd worden en daarmee op den duur ook niet meer herkenbaar zijn.

Veel mensen hadden moeite met mevrouw De Jong. Zij was erg claimend. Ook op feestdagen (als haar familie op bezoek was) wilde ze toch aandacht. Later bleek dat mevrouw De Jong als kind naar een pleeggezin was geplaatst omdat haar moeder niet tegen haar vrolijk drukke gedrag kon. Ze had verdrietig moeten zijn om haar overleden zusje. Eigenlijk werd ook zij als kind niet gezien. En nu eiste mevrouw De Jong alle aandacht op. De emotionele pijn zit waarschijnlijk in het zich schuldig voelen vanwege de verwijten van haar moeder. Misschien ook in de boosheid dat ze uit huis werd geplaatst. De afweer zit ook bij mevrouw De Jong is het eisende gedrag. Ze is bang dat ze er niet mag zijn en nu wil ze alle aandacht zodat ze op die manier alsnog gezien wordt.

Personendriehoek

Mc Cullough ontwikkelde in dit kader ook een personendriehoek. De personen uit het verleden zijn bepalend voor de manier waarop iemand in het heden met anderen om gaat. Daarom schrijft ze in het kader van de therapie ook voor dat de mensen van vroeger ‘in beeld’ zijn.

Hoe was het gezin waar in je opgegroeid bent? Welke broers en zussen, en hoe waren die contacten? Hoe waren de relaties met de rest van de familie? Hoe wordt er gesproken over vroegere vrienden, over onderwijzers, over de kerk enzovoorts. De wijze waarop je als kind tegenover belangrijke anderen stond bepaalt voor een aanzienlijk deel hoe je nu met andere mensen in je omgeving om gaat.

Peter had een moeder die alles in de gaten hield. Hij had voortdurend het gevoel dat hij geen kant uit kon. Als het niet precies ging zoals zijn moeder in haar hoofd had werd ze erg boos. Om te voorkomen dat zijn moeder boos werd probeerde hij het haar zoveel mogelijk naar de zin te maken. En verder had hij nog een andere strategie ontwikkeld: hij maakte zichzelf onzichtbaar en ging vooral zijn eigen gang. De remming zit bij Peter in het gevoel dat hij het nooit goed genoeg kan doen. Daarop heeft hij een disadaptieve reactie ontwikkeld: hij duikt onder. Een andere vorm van afweer is dat hij zich voortdurend gecontroleerd voelt. Daardoor reageert hij heftig op mensen waarvan hij het gevoel heeft dat ze een oordeel over hem kunnen hebben. Dat leidt regelmatig tot conflicten met zijn baas, sommige collega’s en familieleden.

De reden waarom Peter zo gevoelig is voor reacties uit de omgeving is hij zich eigenlijk niet bewust. Hij weet dat hij ‘allergisch’ reageerde op zijn moeder. Maar hij had geen enkel idee dat dat ook in andere relaties een rol speelde.

Hoe was het vroeger en hoe is het nu?

De therapeut roept tijdens de behandeling deze gevoelens in een veilige context opnieuw op. Wat taboe was geworden moet nu opnieuw boven komen. Wat gebeurde er precies thuis? Welke gevoel riep dat op? (ik doe het altijd verkeerd, ze ziet ook alles, ik heb er toch geen invloed op). Hoe was het gedrag in de thuissituatie? (erg zijn best doen, proberen het zijn moeder naar de zin te maken, veel zijn eigen gang gaan). 

Is dat allemaal herkenbaar in de situatie van het hier-en-nu? Door vooral in te zoomen op de oplossing wordt voorkomen dat er een herhaling van zetten ontstaat. Die herhaling zou bijvoorbeeld kunnen zitten in het zich slachtoffer voelen (‘ik kon niks doen tegen mijn moeder, ik kan niks doen tegen mijn baas’).  

Een passende reactie van de therapeut is: “Als kind wist u zich geen raad met de situatie. U wilde uw moeder niet boos zien en daarom deed u erg uw best. Maar dat was niet vol te houden. Daarom ging u ook vaak uw eigen gang. Maar nu bent u volwassen en hebt ú de regie. Het kan best zijn dat u correcties van mensen vervelend vindt, maar ze zijn uw moeder niet. U kunt leren om er op een bij u passende manier mee om te gaan. Kunt u een voorbeeld bedenken wat er in uw omgeving gebeurt? Wat voor gevoel roept dat bij u op? En hoe zou u zó kunnen reageren dat u het gevoel hebt zelf invloed te hebben op uw situatie?”

NB: deze snelle 'scan' van de affectfobie en de mogelijke behandeling met AFT (AffectFobieTherapie) heb ik ontleend aan een artikel van Quin van Dam en Marc Hamburger in het Tijdschrift voor Psychotherapie, 2014 (40). 

Affectfobie

Nu even iets anders. Straks weer verder met de 'borderline-samenleving'. Maar ik maak het jullie niet gemakkelijk. Het onderwerp 'affectfobie' kan ook knarsen onder het schedeldak. 

Bij een fobie denk je aan een angst voor iets buiten de persoon. Er zijn mensen bang voor spinnen, anderen zijn bang voor kleine ruimtes. Er zijn ook mensen bang voor honden, of mensen die bang zijn om te vliegen. Weer anderen zijn bang voor de tandarts of voor injecties.

Een fobie gaat overigens dieper dan een angst: een fobie beheerst je hele leven. Je kunt ook bang zijn om te vliegen, maar gewoon bedenken dat je dan dus maar niet gaat vliegen. Dan gaat het leven daarna wel weer verder. Je ziet ze alleen af en toe vliegen.

Van een affectfobie wordt gesproken als er spanningen zitten in de persoon. Het is dus geen externe fobie, maar het zit van binnen. Er zijn emoties die taboe zijn. De afweer om deze emoties te kunnen vermijden roept veel angst op.

Volgens de Amerikaanse psychotherapeute Leigh McCullough ontstaan deze spanningen in de loop van de ontwikkeling van het kind. Je maakt als kind bepaalde emoties mee, waar je niet over na kunt of durft te denken, of er zijn emoties die taboe zijn binnen het gezin. Die emoties leiden tot ‘afweer’, de emoties en gevoelens worden onderdrukt en dat beïnvloedt de manier waarop de persoon naar zichzelf en naar de ander kijkt.

Verboden gevoelens

Als een kind in de loop van zijn ontwikkeling leert dat bepaalde gevoelens (zoals woede, verdriet of opwinding) niet geaccepteerd worden, dan worden deze verbonden met angst-, schuld-, of schaamtegevoelens (Quint van Dam en Marc Hamburger, Tijdschrift voor Psychotherapie 2014, nummer 40). De woede, het verdriet of de opwinding worden omgezet in een disadaptieve reactie.

Voorbeelden van dergelijke reacties zijn zelfhaat, onverwachtse woede-uitbarstingen, slachtoffergedrag. Deze reacties worden disadaptief genoemd omdat het gedrag juist het omgekeerde bewerkt van wat de persoon in kwestie zou willen. In plaats van nabijheid gaan anderen de persoon mijden, ze raken gefrustreerd, de persoon in kwestie wordt eenzaam of gaat zich wanhopig voelen.

Cluster C

De afweer tegen de emoties die niet gevoeld mogen worden kan zich uiten in gedrag, maar ook in gedachten of gevoelens. Bij depressies of angststoornissen en bij persoonlijkheidsstoornissen waarbij angst op de voorgrond staat (cluster C: afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis). Mensen met deze stoornissen hebben last van sociale vermijding, dwangmatig handelen en ze hebben de neiging om veel te ‘leunen’ op anderen. De omgeving zegt bij hen vaak: ‘er komt veel minder uit dan er in zit’. Volgens Leigh Mc Cullough zou dat ‘onderpresteren’ met de afweer te maken kunnen hebben. ‘De energie gaat in de verkeerde dingen zitten’.

Chris

Een voorbeeld is Chris. Hij voelde zich als kind niet gezien en niet erkend. Zijn moeder maakte jaren van rouw mee door de ziekte en het overlijden van één van de kinderen. Chris had het gevoel dat het overleden kind op de eerste plaats kwam. Zijn reactie was dat hij zich emotioneel af sloot en zich terug trok. Hij kon en durfde als kind niet boos te zijn op zijn moeder en zijn eigen plek op te eisen. Hij wilde zijn moeder ook beschermen, want ze had het al zo moeilijk (‘parentificatie’).

Nu Chris volwassen is spelen die patronen nog steeds mee, maar op een heel andere manier, in de relatie tot zijn vriendin. Chris durft nu wel gezien worden, maar zijn gedrag is uit balans. Hij eist van haar alle aandacht op. Als ze op een verjaardag veel met vriendinnen praat kan hij daar helemaal niet tegen en wordt hij ontzettend boos en jaloers. Het gevoel als kind niet gezien te zijn vertaalt zich nu in verlatingsangst: hij wil en kan geen aandacht delen.

Alleen als Chris alle tijd en aandacht van zijn vriendin krijgt kan hij zich gezien voelen. Dat er onder dit gedrag een zich eenzaam voelend jongetje schuilt is een emotie die Chris zich niet bewust is.

Afweermechanismen (5)

Kees vroeg naar de uitspraak van Marc Rutte dat hij ergens 'geen actieve herinnering aan had'. Ik heb er ook geen actieve herinnering aan waar Marc Rutte geen actieve herinnering aan had. Maar was dat nu een afweermechanisme? Je zou er wel aan kunnen denken. 

Ik heb niet van de pindakaas gesnoept

Maar eerst de kinderlijke ontwikkeling. De ontwikkeling van afweermechanismen begint al op jonge leeftijd en loopt deels parallel aan de gewetensontwikkeling. Een beroemd voorbeeld uit het levensverhaal van Tineke is dat ze – toen haar moeder uit de keuken kwam – aan tafel spontaan zei: “Ik heb niet van de pindakaas gesnoept.” Dat noemen we loochening.

Is dat dan liegen bij kinderen? Nee, dan leg je er een te zware lading op. Kinderen kunnen nog niet goed liegen. Een deel van de kinderen kenmerkt zich als ‘heelmaker’. Iets wat niet klopt moet ‘gerepareerd’ worden. Tineke had van de pindakaas gesnoept, maar dat gegeven was te belastend voor het ik dat nog in ontwikkeling was. Daardoor klopte haar wereld niet meer. Ze probeerde het te herstellen door een verklaring te vinden. Je spreekt pas van liegen als je de waarheid bewust omzeilt en daarbij allerlei denkmechanismen inzet.

Een ander deel van de kinderen reageert vooral vanuit angst voor straf. Als ik het meteen ontken heb ik het niet gedaan en krijg ik dus ook geen straf. Ook dat is nog geen liegen.

Het niveau waarop de afweer tegen de verdenking van het van de pindakaas snoepen vond deed mij denken aan een cliënt die zich voor mij wilde verstoppen. Hij stopte zijn hoofd in de kast. De rest van zijn bijna twee meter lange lichaam was buiten de kast. 

Rijpe afweer

Wat Marc Rutte betreft citeer ik psychologe Nicole Honnef (dan heb ik het tenminste niet geschreven….): “De meeste mensen ontwikkelen zich, wanneer ze ouder worden, op allerlei terreinen en hun afweer ontwikkelt meestal mee. Laten we nu eens opnieuw naar het voorbeeld uit de vorige paragraaf kijken waarin een kind betrapt werd. We vervangen in dit nieuwe voorbeeld echter het kind met minister president Marc Rutte en confronteren hem met een eerdere uitspraak: “Ik heb hier geen actieve herinnering aan.”

Rutte probeert net als het kind met zijn reactie een vorm van ‘straf’ te vermijden. Hij doet dat echter op een doordachte, subtiele en psychologisch geraffineerdere manier. Er is geen speld tussen te krijgen. Hij herinnert het zich niet meer. Tja, wat moet je dan?

Ga je bewijsmateriaal voorleggen van het tegendeel: een foto van zijn mond met chocolade er omheen? ;). Zelfs dan houdt zijn verweer stand, want hij kan het zich niet herinneren. Hij ontkent het dus niet, althans niet op de primitieve manier. Marc Rutte hanteert rationalisatie (ook wel intellectualisering) als afweer. Hij geeft als het ware voor een onaanvaardbare situatie een logische ‘aanvaardbare ’verklaring.  Dit valt onder rijpe afweer en is lastig te weerleggen en daarmee heel effectief.” Aldus Nicole Honnef.

Je zou de reactie ook kunnen opvatten als een Gish-gallop. Daar heb ik eerder over geschreven. Een Gish-gallop verandert (net zoals een klein tikje tegen de bal op het voetbalveld) onverwachts de discussie in een richting die je niet had verwacht waardoor de ander even achter staat. 

Weglopen (slot)

Weglopen: het zit mogelijk in ons allemaal. Verre reizen naar verlaten oorden zijn misschien ook gebaseerd op de behoefte aan weglopen. Even weg van alle drukte en van alle verplichtingen. 

Angst voor straf

Weglopen blijkt een drietal uitlokkende factoren te hebben. De eerste is de angst voor straf. Als je weet dat je een week binnen moet blijven verkies je misschien je vrijheid boven die week huisarrest. Dat het later nog ingewikkelder wordt neemt een puber zelden direct mee in de afwegingen.

Ruzie

De tweede reden is een crisis of een ruzie. De situatie in huis is zó heftig en/of onvoorspelbaar dat het kind weg wil wezen. Bedenk daarbij dat pubers ook zeer sensitief kunnen zijn en dat een voor volwassenen te hanteren mate van spanning voor hen al snel teveel kan zijn.

Prikkelgevoeligheid

Een derde reden is de behoefte aan rust. Vooral in de tijd dat kinderen geen eigen plekje hadden in gehorige huizen liepen er nogal eens kinderen weg die gewoon de drukte niet aan konden: hun hoofd raakte te vol. Dus hoe drukker het in huis was, des te meer was er de behoefte om weg te lopen om het hoofd weer leger te krijgen.

Opeenstapeling

Maar er kan ook een kleine gebeurtenis zijn die op zichzelf niet veel te betekenen lijkt te hebben. Dan kan het weglopen het gevolg zijn van een opeenstapeling van vervelende gebeurtenissen waardoor de emmer alsnog over loopt.

Waar naar toe?

Waar lopen de jongeren naar toe? Vier op de tien jongeren bedenken zelf onderdak of hebben dit van tevoren geregeld: bij vrienden of kennissen. Opmerkelijk is ook de rol van grootouders waar sommige kinderen zich kennelijk nog veilig voelen. Een andere groep jongeren loopt weg, maar ‘zien wel’. Ze stappen op de trein, slapen op het strand of komen uiteindelijk iemand tegen die hen onderdak biedt.

(G) een avontuur

Het weglopen voor een avontuur komt naar verhouding weinig voor. Er zijn maar weinig jongeren die ‘zoek’ raken om iets spannends mee te kunnen maken. Was het een halve eeuw geleden nog een topprestatie om al liftend in Parijs terecht te komen en dan toch maar een keer op een avond je moeder te bellen dat je nog in leven was, tegenwoordig lijkt dit type van weglopen minder gebruikelijk te zijn.

Weglopen als signaal

Weglopen is een signaal. “Kinderen lopen niet weg om hun ouders pijn te doen” schrijft het blad J/M. Kinderen lopen meestal weg als er een communicatieprobleem is. Straf en boosheid na het weglopen werken meestal averechts omdat je dan de communicatie nog meer blokkeert.

Het belang van goede communicatie

Geef als opvoeder wél aan dat je je zorgen hebt gemaakt, maar ook dat je blij bent dat het kind weer thuis is. Probeer de draad van de communicatie weer op te pakken. Geef aan dat weglopen niet de oplossing is, maar dat je graag wilt werken aan een oplossing waar het kind zich ook in kan vinden.

"Weglopen kun je niet tegenhouden. Werken aan goede communicatie is de meest effectieve manier om de kans op weglopen te verminderen."