De kleine professor (2)

Als je klein bent en je begrijpt de wereld niet, probeer je alsnog te verklaren wat er om je heen gebeurt.

Zoals Rafi in het blog van donderdag. Hij had zichzelf geleerd om onzichtbaar te zijn als zijn vader thuis kwam. “Laat je niet zien en zeg maar niks, anders krijg je klappen.”

De Kleine Professor zoekt manieren om te overleven en zorgt ervoor dat een kind de goede besluiten neemt.

De moeder van Marja is snel van slag. Zodra er iets anders gaat dan moeder in haar hoofd heeft zijn de rapen gaar. Marja heeft geleerd om haar moeder voor te zijn. Ze zorgt er voor dat alles geregeld is en dat ze zich netjes aan de afspraken houdt. Eigenlijk is ze daarmee geen kind meer, maar zorgt ze voor haar moeder.

Grote kans dat dat ook nu nog het patroon is waarin Marja handelt. Ze maakt het iedereen naar de zin. Koste wat het kost moet voorkomen worden dat haar baas boos wordt of dat een collega van slag raakt.

Een kind wordt volwassen

De rol van de Kleine Professor hebben kinderen – zeker in onveilige situaties – nodig om te overleven. Ze hebben hun eigen verklaring bedacht voor wat er gebeurt. Maar omdat dat wat je vroeger leerde als volwassene nog altijd een patroon kan zijn zou je het soms moeten herkennen. Wantals volwassene kom je niet tot je recht als je nog steeds vast zit aan de rol van de Kleine Professor.

Kinderen moeten luisteren naar volwassenen

Dat geldt ook voor de zorg, zoals het volgende voorbeeld uit een supervisie. Neem groepsleidster Marjon. Ze reageert stevig en directief als een peuter van 3 niet mee naar buiten wil. “Je hebt geen wil, je moet luisteren!” zegt ze tegen hem. ‘Soms heb je nu eenmaal gewoon niets te zeggen’ meent Marjon.

Marjon ergert zich aan kinderen die een eigen wil hebben. Net zoals vroeger in pedagogisch opzicht wel werd gezegd dat ‘de eigen wil van het kind gebroken moet worden’. 

Als je kijkt naar het gezin waar Marjon opgroeide dan hadden kinderen daar niets in te brengen. Vaders wil was wet. En als vader er niet was was moeders wil wet. Als je daar tegen in ging had je geen respect voor je ouders.

Kinderen moeten respect hebben voor volwassenen, meent Marjon. Het geeft geen pas als een kind tegen volwassenen in gaat.

De kleine professor Marjon heeft geleerd te zwijgen als volwassenen aan het woord zijn. ‘Als mijn vader iets vind moet ik mijn mond houden’. Nu ze zelf volwassen is heeft ze dat ‘script’ over genomen. Het is gewoon goed voor kinderen als ze hun mond houden en zich aanpassen. Zo is zij zelf ook groot geworden.

In de supervisie wordt geprobeerd dat beeld bij te stellen. Een peuter van drie oefent met zijn eigen wil. Dat betekent dat hij soms tegen de volwassene in gaan. Het hoort bij zijn ontwikkeling. Maar Marjon blijft het dwarse gedrag van een peuter respectloos vinden.

Marjon wordt met elastiekjes terug getrokken naar het patroon dat ze van huis uit gewend is. Alleen staat ze nu aan de andere kant. Als een kind tegen mij als groepsbegeleider in gaat heeft het geen respect voor mij.
Advertenties

De kleine professor (1)

Je ziet hem niet, maar je voelt hem wel. De kleine professor. En hij heeft altijd met je jeugd te maken. In je reactie op mensen en situaties word je met elastiekjes terug getrokken naar je positie als kind.

Maar als je hem voelt, weet je toch niet waar hij vandaan komt. Wat maakt dat ik me nu opeens onzeker voel? Waarom reageer ik zo op deze persoon?

De kleine professor gebruikt de redeneringen die je als kind uitprobeerde om je omgeving verklaarbaar verklaarbaar en voorspelbaar te maken. Die rol is niet uitgespeeld als je volwassen bent. De ‘schema’s’ uit je jeugd spelen nog door als je groot gegroeid bent. Ze vormen de ‘prints’ voor (een deel van je) huidige gedrag.

Mevrouw Kuiper is erg precies

Mevrouw Kuiper is in behandeling bij de psycholoog. Ze is ontzettend stipt. Alles moet precies in orde zijn. Ook wil ze het naadje van de kous weten als het gaat om de verzekering, het behandelplan, de verdere gang van zaken. Daar kan deze psycholoog niet goed tegen. Ze doet hem denken aan zijn moeder, die ook altijd zo precies was. De psycholoog heeft het gevoel dat mevrouw Kuiper hem te dicht op de huid zit. Dat hij daar zo gevoelig voor is heeft met zijn voorgeschiedenis te maken.

Mevrouw Kuiper komt ook altijd stipt op tijd. Dat hoort bij haar. Maar deze keer is ze tien minuten te laat. Daar reageert de psycholoog geïrriteerd op. De spanning die hij bij haar opbouwde komt er op een onhandige manier uit.

Mevrouw Kuiper is duidelijk van slag. Ze probeert altijd alles zo netjes te doen en natuurlijk was het dom dat ze te laat was. Het is ook allemaal haar schuld.

De bedoeling was dat mevrouw Kuiper een beetje minder volgens de regels zou durven te werken. Je zou dus – vanuit het kader van de therapie – kunnen zeggen: prima dat ze te laat is. Er gebeurt geen ramp als je een keer te laat bent, en er wordt niemand boos.

Alles onder controle

Dat gebeurt niet. De psycholoog zet mevrouw Kuiper weer terug in haar oude schema. Ze is perfectionistisch omdat ze daarmee alle kritiek vóór kan zijn: alles onder controle.

Dat is de kleine professor in haar. Haar moeder raakte erg van slag als ze knoeide, als er iets stuk ging, als er iets vies was. En de kleine mevrouw Kuiper heeft als kind geleerd: ‘als ik nu maar voorkom dat er iets fout gaat wordt mijn moeder niet boos’.

Dat doet ze ook nu ze de vijftig jaar al is gepasseerd. ‘Als ik nu maar zorg dat alles volgens plan verloopt wordt er niemand boos.’ Dat gebeurt ook thuis. Ze heeft altijd het eten klaar als haar man thuis komt. De heg is punctueel geknipt, zodat de buren niet boos worden. En de opdrachten op haar werk zijn al klaar voordat haar baas er naar vraagt.

Maar ja, nu kwam ze te laat op de therapie. En; zie je wel, als ik er niet voor zorg dat alles volgens plan verloopt wordt zelfs de therapeut boos… Eigen schuld: ik moet me beter aan de regels houden. Ik heb een fout gemaakt en daar moet ik voor boeten.

En de therapeut heeft een kans laten liggen. Maar ja, de therapeut is ook 'maar' een mens. En ook hij is gekleurd door vroegere ervaringen...

Gebruiken we maar 10% van onze hersenen?

We gebruiken maar 10% van onze hersenen. Oftewel: onze hersenen zijn een soort ijsberg. Het grootste deel zit onder water. Is dat waar of is het een mythe?

Er zijn mensen die inderdaad maar 10% van hun hersenen lijken te gebruiken. De rest van hun verstand gebruiken ze gewoon niet. Dat hebben ze ’s nachts op het nachtkastje laten liggen.

Het blijkt – volgens Pedro de Bruyckere- een mythe te zijn. Want stel je voor dat je hersenschade oploopt. Als je toch maar 10% gebruikt dan kun je rustig een flinke klap van de mallemolen oplopen zonder dat dat enig effect heeft. De werkelijkheid is (in dit geval helaas) anders. Zelfs een klein herseninfarct heeft grote gevolgen, vaak wordt je hele bestaan er door aangetast.

Tegenwoordig kun je met de PET-scan (Positron Emission Tomography) veel activiteiten in de hersenen meten. En dan blijkt dat we zelfs tijdens de slaap behoorlijk bezig zijn. En dat niet op één plekje, maar er lichten allerlei activiteiten op en de hersengebieden staan ook nog eens met elkaar in verbinding. Alleen bij mensen met forse hersenschade blijven sommige kleine delen inactief.

Daarnaast weten we ook dat hersendelen die niet gebruikt worden afsterven. Als we maar zo weinig van onze hersenen gebruiken, zou het in de bovenkamer al snel een dode boel worden. Door degeneratie zouden voortdurend delen afsterven. Maar in werkelijkheid hebben ook bejaarde mensen nog steeds hersenen die volop bezig zijn. Niet alleen met denken, maar ook met tal van lichamelijke activiteiten die voortdurend door de hersenen worden aangestuurd.

Het is dus een mythe dat we maar 10% van onze hersenen gebruiken. Er zijn weliswaar mensen die de verdenking op zich laden dat ze een aanzienlijk deel van hun brein onbenut laten, maar in de praktijk zijn ook hún hersenen volop in de weer. Ze doen er alleen niet veel mee. Of ze doen er de verkeerde dingen mee.

Beelddenken bestaat niet (?)

Marjan had wel een verklaring waarom ze op school niet goed presteerde. Ze was namelijk een uitgesproken beelddenker. En omdat er binnen het onderwijs onvoldoende ruimte is voor beelddenkers moest ze dus wel vastlopen.

Ik heb weinig verstand van beelddenken, en waag me niet aan waarheid of onwaarheid over het beelddenken. Vandaar dat vraagteken in de kop.

Wat me wél opvalt is dat het woord ‘beelddenken’ nogal vaak valt om een verklaring te geven voor het falen op school. En de oplossing zou dan zijn dat het onderwijs minder talig zou moeten zijn en meer gericht moet zijn op het beelddenkers. Maar dan zou je dus ook een onderbouwing willen zien waarom zo’n omslag in het onderwijs noodzakelijk is.

Een nieuw boek over beelddenken

Vorige week kreeg ik een aankondiging van een nieuw boek over beelddenken in de mailbox. De auteur beschrijft zichzelf als beelddenker en heeft al meerdere boeken over beelddenken geschreven. Uit de aankondiging:

“In Beelddenker in het voortgezet onderwijs, geeft Tineke Verdoes pubers in de onderbouw van het voortgezet onderwijs inzicht in hun beelddenkende puberbrein. Ze gaat in op sterke en zwakke kanten van een beelddenker, informatie- en prikkelverwerking bij het leren en hoe je weet  of je een beelddenker bent. Het boek staat vol informatie afgewisseld met herkenbare, uit het puberleven gegrepen voorbeelden. En natuurlijk tal van praktische oplossingen voor plannen en tijd maken voor je huiswerk, ontspanningsoefeningen, grote en kleine studietips voor beelddenkers en wie er verder baat bij kan hebben.

De inhoud van dit boek biedt beelddenkende pubers, hun leerkrachten en ouders een handvat, inzicht en een strategie voor het overwinnen van leerproblemen en het ontdekken en ontwikkelen van hun talenten. Ook schoolpsychologen, mentoren, coaches en therapeuten vinden aanknopingspunten voor het begeleiden van jongeren die hun weg niet vanzelf vinden in het onderwijs.”

Kritiek op het beelddenken

Het idee van het beelddenken bestaat al tientallen jaren schrijft onderzoeker Jaap Walhout op Blogcollectief Onderzoek Onderwijs. Je zou dus verwachten dat er ook gedegen wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar het verband tussen het falen op school als gevolg van het huidige talige onderwijssysteem en de voorkeur voor beelddenken bij leerlingen. Hij verbaast zich er echter over dat er nauwelijks wetenschappelijk onderbouwd onderzoek gedaan is.

Walhout verwijst wel naar een grootschalig onderzoek dat in Nederland is gedaan naar beelddenken. Dat onderzoek wordt te pas en te onpas geciteerd als hét bewijs voor problemen in het onderwijs voor beelddenkers. Hij heeft het onderzoek bestudeerd en komt tot de conclusie dat het helemaal niet gaat over beelddenken, maar over het functioneren van het geheugen. Daarnaast schrijft Walhout dat er in dit onderzoek nauwelijks sprake is van verschillen tussen de onderzochte groepen. Het minimale verschil kan niet geweten worden aan een duidelijk verschillende oriëntatie van beelddenkers en taaldenkers.

Birgit had ter voorbereiding op een bespreking een aantal stukken toegestuurd gekregen. Ter plekke gaf ze aan dat ze de stukken niet goed bestudeerd had. "Ik ben nu eenmaal een beelddenker. Lappen tekst gaan er bij mij niet in...."

Toch gebruiken twee grote bureaus dit onderzoek als kapstok voor hun stelling dat het onderwijs drastisch op de schop moet. Ze verdienen er ook geld mee, want het thema ‘scoort’. Volgens Walhout is dat pure misleiding. “Eén onderzoek is géén onderzoek” en een onderzoek waar slechts zulke kleine verschillen uit naar voren komen vormt al helemaal geen basis om te onderbouwen waarop een grootscheepse verandering noodzakelijk is.

Walhout heeft ook in de internationale literatuur gezocht en ook daar heeft hij geen overtuigend bewijs gevonden dat beelddenkers in het onderwijs in het nadeel zijn. Zelfs de bedenkers van het concept beelddenken worden volgens hem nergens in de wetenschappelijke literatuur geciteerd.

Als beelddenken als voorkeursstrategie bij het leren bestaat zou je verwachten dat er inmiddels een hausse aan wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is, schrijft Walhout. Ik zou me schamen als ik een aanhanger van een theorie was die na een halve eeuw nog steeds niet wetenschappelijk onderbouwd is.

"Het bewijs voor het concept beelddenken is zeer, zéér mager" aldus Jaap Walhout. "Ik zou er mijn geld niet op in durven zetten dat het bestaat." Is Tineke Verdoes aan het luchtfietsen, is Jaap Walhout te kritisch of hebben ze allebei een beetje gelijk? 

Depressies (2)

In Nederland is de depressie de meest voorkomende psychische aandoening. In de USA is dat de angststoornis.

Angststoornissen komen in Nederland overigens wel veel voor evenals psychische stoornissen als gevolg van middelengebruik. Het lijkt wel of op dat laatste nogal een taboe rust, want je wordt nogal snel voor ouderwets versleten als je het hebt over de risico’s van drugs en allerlei aanverwante pillen en poeders.

Het hebben van een psychische aandoening verschilt per leeftijdsgroep.

  • Depressies komen het vaakst voor bij mensen van 45 tot 55 jaar,
  • Angststoornissen bij 35 tot 45-jarigen en
  • Middelenstoornissen bij 18 tot 35-jarigen (bron: Trimbos instituut).
Eén op de vijf volwassen Nederlanders krijgt in zijn leven te maken met een depressie (het gaat dan dus om een langdurige periode waarbij je niet meer goed kunt functioneren en je je ook vaak ziek moet melden van je werk).

Depressie bij kinderen

Hoewel een depressie meestal niet echt erfelijk lijkt te zijn blijkt toch dat 40% van de kinderen van ouders die depressief zijn (geweest) vóór het 18e jaar een periode van depressiviteit doormaakt (bron: Trimbos-instituut).

De kinderpsychiaters Hart de Ruyter en de Witte noemden destijds drie invalshoeken voor het ontstaan van een depressie .

a) Psychische factoren

  • het kind ervaart weinig liefde en voelt zich afgewezen
  • het kind heeft het gevoel dat het het nooit goed kan doen
  • het kind lijdt onder het missen van een persoon die erg belangrijk voor hem was
  • het kind heeft geen perspectief: de wereld is ellendig en het wordt allemaal nooit beter

b) Organische factoren

  • het kind heeft een aangeboren kwetsbaarheid, het is extra gevoelig voor wat er om hem heen gebeurt
  • het kind zit lichamelijk niet goed in zijn vel, wat de kwetsbaarheid voor depressies vergroot

c) Endogene factoren

Het ene kind is van nature meer ‘zwaar op de hand’ dan het andere kind. Dit lijkt deels een kwestie van aanleg te zijn.

Wat Hart de Ruyter en de Witte destijds niet noemden was het ontwikkelingsdynamische aspect: de peuter moet leren om emotioneel meer los te komen van zijn moeder. Sommige kinderen lijken een soort van blijvende heimwee te hebben naar de geborgenheid van het eerste levensjaar (hoewel ze zich dat niet bewust kunnen herinneren).

Rond de oorzaken en de behandeling van depressies zijn er allerlei stromingen die elkaar soms ook te vuur en te zwaard bestrijden. Je zou er depressief van worden.

Naar mijn mening bestaat 'de' depressie niet, maar kleurt deze in interactie met de persoonlijkheid, de omgeving en hoe iemand fysiek in zijn vel zit. Dat houdt ook in dat er niet één behandeling bestaat. Soms helpt praten meer dan pillen, soms helpen pillen meer dan praten, soms moet je veel meer bewegen, anderen moeten hun voeding aanpassen, weer anderen moeten voor de lichtlamp gaan zitten. En meestal is het een combinatie van behandelingen.

Narcisme als ontwikkelingsstoornis

Algemeen wordt aangenomen dat narcisme een ontwikkelingsstoornis is, die zijn basis vindt in de eerste levensjaren. Over de vraag welke rol biologische factoren spelen wisselen de ideeën.

De term ‘narcisme’ komt van Sigmund Freud. Later hebben anderen, zoals Otto Kernberg en Heinz Kohut (volgelingen van Freud, ze groeiden op in Wenen) de theorie rond narcisme verder gespecificeerd.

Een beetje narcisme is niet erg. Je komt er verder mee in het leven. Narcisme wordt een probleem als het je denken en je voelen gaat overheersen en als je jezelf zó centraal stelt dat je ook anderen voortdurend wilt controleren en overheersen.

In zijn boek ‘Narcisme(Amsterdam University Press, 2018) trekt Frans Schalkwijk een parallel tussen de narcist en een peuter van twee jaar die heftig schreeuwend op de vloer van de supermarkt ligt omdat hij zijn zin niet krijgt. En diezelfde peuter die uit zijn plaat gaat kan twee minuten later weer zijn moeder paaien omdat dat ook een beproefde methode is om zijn zin te krijgen.

Ik weet niet of bij Willem Holleeder door psychiaters een diagnose is 'opgeplakt', maar de heftige woedeaanvallen die op band zijn opgenomen en de manieren waarop hij 'lief' probeerde zijn zin te krijgen passen bij dit beeld.

Wat betreft de ontwikkelingsdynamiek betreft is er sprake van een overlap tussen de borderline persoonlijkheidsstoornis en de narcistische persoonlijkheidsstoornis. Bij beiden is sprake van heftige reacties op vermeend onrecht, verlating en afwijzing. De wereld is zwart-wit. Grijstinten bestaan niet. En met mensen die hen ‘tegenstreven’ wordt uiteindelijk alle contact verbroken.

De peuter kan nog niet in grijstinten denken, maar van een volwassene zou je verwachten dat dat wél mogelijk is.

Meneer de Groot vertelt dat hij het niet kan hebben dat zijn vrouw tijdens een feest met andere mensen praat. Het is meerdere malen voorgekomen dat hij woedend het pand heeft verlaten. Want als zijn vrouw met andere mannen praat is ze in haar gedachten niet met hém bezig.

De app die schijnt te bestaan waarbij mannen hun vrouw op alle mogelijke momenten in de gaten kunnen houden is natuurlijk voer voor narcisten. Wie zo'n apparaat in werking stelt maakt zichzelf meteen verdacht...

Meneer de Groot is dus nog niet in staat om aandacht te laten delen. Zoals de peuter woedend kan zijn dat zijn moeder aandacht aan een ander kind geeft (dat wordt als verlating ervaren), zo heeft nu zijn vrouw die plek ingenomen. Ze mag er alleen voor hem zijn. Ze is zijn bezit.

De therapeut tegen meneer de Groot: "U ziet de wereld als een stuk taart en alle stukjes die niet naar u gaan krijgt u dus niet. Maar zo zit de wereld niet in elkaar. U denkt dat u niet meer voor uw vrouw bestaat als ze aandacht aan een ander geeft. Maar u bent nog steeds belangrijk voor haar, ook als ze met een ander praat."

Zeven zoete knulletjes

Heb je er wel eens bij stilgestaan dat je opa en oma vroeger ook jong zijn geweest? Dat ze een heel leven achter de rug hebben, waar jij geen weet van hebt? (omslagtekst van 'Aan de kant, ik ben je oma niet!' - het blog van gisteren). De voorgeschiedenis van mevrouw Van Veen...

Heb je ’t al gehoord?

Mevrouw Van Veen van nummer negen

heeft vannacht om kwart voor vier een zevenling gekregen!

Zeven leuke knulletjes

met donkerblonde krulletjes.

Ze heten Joris en Jan-Jaap en Jasper en Jeroen

en Jonathan en Jelle. En de zevende heet Koen.


Elke dag gaan die zeven kleintjes in het bad.

Elke dag! Dat geeft me een geplons en een gespat…

Zeven natte knulletjes

met pas gewassen krulletjes.

Mevrouw van Veen zegt uitgeput: “Het is een heerlijk stel,

maar zes was achteraf gezien genoeg geweest, dat wel.


Nee, nou niet zo huilen, Koentje.

Nee, dat ging niet over jou.

Kom, dan geef ik je een zoentje

en een knuffel, kom maar gauw!


Kijk, daar komt ze aan met haar enorme kinderwagen.

Koentje past er niet meer bij, dus Koentje moet ze dragen.

Zeven zoete knulletjes

met mutsjes op hun krulletjes.

En als je vraagt: ‘Is zeven niet teveel?’, dan zegt ze gauw:

“Nee, zeven is precies zoveel als ik er altijd wou.”