Visuele problemen (1)

Bijna alle ouderen hebben problemen met het zien. Van de 70-plussers heeft 98% een loerprothese nodig. 

De mensen die bij het lezen geen bril nodig hebben zijn óf ijdel, óf analfabeet. Hoewel: tegenwoordig zijn er ook steeds meer mensen die hun ogen hebben laten laseren.

Er zijn mensen die het opvallend vinden dat ik als 70-plusser geen leesbril opzet als ik cursus geef. Maar dat is schone schijn. De tekst die ik nodig heb als achtergrond heb ik gewoon in een 14 punts lettertype geprint... Meestal gebruik ik die tekst helemaal niet, maar het is bedoeld als houvast. Je weet maar nooit of je ergens in je verhaal de weg kwijt raakt...

De ogen behoren tot de meest kwetsbare delen van het menselijk lichaam. Wie zich ooit in de structuur van de ogen heeft verdiept snapt ook wel waarom dat zo is. Het oog bestaat uit een ingenieus netwerk van ‘zachte’ verbindingen die ook nog eens verbonden zijn met de hersenen.

Het ingewikkelde is dat er mensen zijn die goed kunnen zien en toch niet kunnen zien. Dat wordt wel eens ‘cerebrale blindheid’ genoemd. De ogen zijn in orde, maar de hersenen vertalen dat wat ze zien niet in betekenis.

Diezelfde hersenen kunnen mensen ook op een dwaalspoor zetten. Je denkt dat iemand goed kan zien, maar in werkelijkheid heeft de persoon zich aangepast aan de situatie. Of beter nog: de hersenen hebben zich aangepast. Zelfs beschadigingen in het oog kunnen worden

Wat is er met Willeke aan de hand?

Er zijn echter heel andere verschijnselen in het zien, die vaak niet worden opgemerkt en die toch zeer verstorend zijn voor het dagelijks leven.

 Zoals bij Willeke, een vrouw met Downsyndroom die dagen lang kan zitten te borduren. Begeleiding denkt dan ook dat haar ogen nog prima zijn. Wel heeft Willeke de laatste tijd veel moeite met het lopen. Daardoor wordt gedacht dat ze misschien artrose heeft. Wat is er met Willeke aan de hand?

a) Een verstoring van het dieptezien

Toen er wat nauwkeuriger werd gekeken wat er bij Willeke aan de hand zou kunnen zijn bleek dat ze met name moeite had met overgangen. Dat kon bijvoorbeeld zijn: een drempel, de traptreden, maar ook de overgang van een lichte naar een donkere vloerbedekking. Ze vermeed zelfs een donker vloerkleed omdat ze leek te denken dat het een gat in de vloer was.

Eens in de week ging Willeke in bad, maar ze durfde nauwelijks nog in bad te stappen en het was al helemaal ingewikkeld om er weer uit te stappen. Ook leek het af en toe of Willeke hoogtevrees had. Daarnaast viel op dat ze niet alleen bij het bewegen moeite had. Ze knoeide ook vaker met het drinken.

Uiteindelijk bleek dit gedrag niets te maken te hebben met pijn in de gewrichten of met problemen in de spieren; Willeke bleek niet meer goed diepte te kunnen zien. Daarom moest ze bijvoorbeeld steeds aftasten (voelen met haar voeten) hoe hoog de drempel of hoe groot de traptrede was.

b) Vergeling. Naarmate we ouder worden gaan we bepaalde kleuren steeds minder goed zien. Ook bij jongeren komt dat trouwens voor: ze zien de kleur rood van een verkeerslicht over het hoofd. Dat is vooral bij studenten het geval. Die herken je in mijn woonplaats aan de blauwe voorband van de fiets.

Maar als je ouder wordt zie je naar verhouding de kleuren rood, oranje en geel beter en bijvoorbeeld kleuren als indigo en violet steeds minder. Pasteltinten zijn dan niet handig. Een stevige rode mok voor de koffie, of een knaloranje tandenborstel.

In dit verband bedacht de Schotse onderzoekster Diana Kerr rode toiletbrillen. En wat bleek: zelfs dementerende ouderen herkenden de rode toiletbril gemakkelijker, maar ze zaten ook veel beter op het toilet. Daar waren dus helemaal geen hulpmiddelen voor nodig: de kleur maakte de herkenning…

Met die aanpassingen moet je wel op tijd beginnen, naarmate iemand ouder wordt wordt het lastiger om het gedrag in te laten slijpen. 

Man alleen (2)

Opeens bedacht ik: "Maar Tineke zal toch niet een dag eerder thuis komen?" Je weet het maar nooit met die tijdzones. Dan raakt ze diep teleurgesteld over het huishoudelijke beheer door haar wettige echtgenoot.

Maar het kan ook zo zijn dat ze opgelucht is. Ze kan niet gemist worden.

We hebben regelmatig oppas in ons huis, ook een man alleen, maar hij vergeet standaard de planten te bewateren. Dat heb ik wel goed voor elkaar. Er gaat geen plant dood vanwege watertekort. Het kan wel zijn dat er planten zijn verzopen. Het zijn allemaal vijvers geworden. Nu nog een goudvis aanschaffen.

Vroeger had ik een alleenstaande collega die per maand een kookdag had en dan voor de hele maand kookte. Die maaltijden zette hij dan in zijn grote vriezer. Tineke had ook maaltijden voor mij klaargemaakt, maar daar heb ik er maar eentje van genuttigd. Ik vraag me af wat ik nu met de maaltijden in de vriezer moet doen. Ze naar de voedselbank brengen en tegen Tineke zeggen dat het erg lekker was?

Ik ben nu even drie uur thuis. De voorgaande dagen was ik full-time afwezig. Straks weer een vergadering en morgen van 14 uur buitengaats vanwege een bijeenkomst op de Veluwe.

Vandaag had ik de indruk dat mijn broek niet als gegoten zat. Dat was hij ook niet. Het was de broek van Tineke. Ik ben zojuist van broek verwisseld vanwege de vergadering van vanavond.

Vrijdag kan ik nog proberen om het huis weer een beetje toonbaar te maken. Hoewel: ik vind dat het best toonbaar is. Tineke ziet alleen altijd dingen die mij absoluut niet opvallen. Maar zoals jullie lezen: ik doe mijn best.

Van echte teloorgang (juridische term voor noodzaak van curatele) lijkt mij echter nog geen sprake te zijn. 

Echtheid in de therapie

In een lijvig artikel van ruim 25 pagina's in het Tijdschrift voor Psychotherapie stellen twee Vlaamse therapeuten kritische vragen met betrekking tot gangbare opvattingen over de psychotherapeutische relatie. 

Het artikel is al wat gedateerd, maar ik kwam het tegen en vond het de moeite waard.

Ter illustratie behandelen de auteurs een uitgebreide casus van patiënt Stijn die wel in therapie is, maar vanwege een vermijdende persoonlijkheidsstoornis niet over zijn problemen wil spreken. Wat moet je dan als therapeut?

Jong en onervaren

Nu wilde het geval dat de jonge therapeut in opleiding geen enkel idee had dat haar patiënt een persoonlijkheidsstoornis had. En juist die onbevangenheid bleek effectief uit te pakken bij de behandeling. Mia Leijssen en Heidi Adriaensen constateren dat de therapie met Stijn laat zien “dat een zorgvuldig opgebouwd contact ontdooiend en groeibevorderend werkt. De zijnswijze en de reacties van de cliënt zijn van bij de start voor de therapeut een uitdaging om het risico te nemen een echte relatie aan te gaan, waarbij de therapeut zich niet beschermt met een professioneel harnas”.

Dat deze onbevooroordeelde en open houding vruchten afwerpt, is niet alleen bemoedigend voor jonge onervaren therapeut. Er vallen zinvolle lessen uit te trekken voor ‘gevestigde’ therapeuten die onder druk van de huidige tijdsgeest slechts een  therapie durven/mogen opstarten als ze dat bij voorbaat kunnen verantwoorden met een gewichtige diagnose en een uitgestippeld behandelingsplan. 

Leijssen en Adriaensen: “We willen hiermee niet het belang van diagnostische kennis en empirisch onderzoek verwerpen; goed uitgewerkte theorieën en bewezen werkzaamheid kunnen een hulp zijn om problematische verwikkelingen bij cliënten beter te zien en er soms verstandiger op te reageren. Maar we denken dat de waarde van dergelijke wetenschap momenteel door de hulpverlening en de overheid overschat wordt, zeker als men de illusie koestert dat men vanuit die kennis op voorhand al zou ‘weten’ hoe de behandeling er moet uitzien voor een persoon die men amper kent.

Afstemming

Deze casus leert ons opnieuw hoe krachtig het kan zijn om de cliënt te ontvangen zoals hij komt en zich verder af te stemmen en te reageren op wat zich gaandeweg aandient in de interactie.

Vervolgens komen de auteurs met eerder gepubliceerd onderzoek dat voor sommige therapeuten onthutsend is qua uitkomst: onervaren hulpverleners kunnen even goede en soms zelfs betere resultaten behalen dan ervaren en geschoolde therapeuten.

Sensitiviteit en Supervisie

Toch is dat antwoord niet zo eenduidig. Een dergelijke complexe behandeling waarbij de patiënt vermijdend is kun je niet uitvoeren als je niet een aantal andere waarborgen hebt. De eerste die de auteurs noemen is de sensitiviteit van de behandelaar. ze heeft goed door dat ze niet teveel aan hem mag ‘trekken’. Dat zou wél gebeuren als er maar 12 sessies worden voorgeschreven. Dan gaat de agenda bepalen wat er moet gebeuren en dan ben je de patiënt kwijt. Uiteindelijk heeft de behandeling van Stijn 38 sessies geduurd.

Het tweede is dat een complexe behandeling vraagt om rugdekking. De behandelaar volgt supervisie en leert zien wat er gaandeweg in het proces met haar gebeurt. Leijssen en Adriaensen: “Het is zeer de vraag of de cliënt én de therapeut de kritische momenten die zich in de casus voordoen, zouden hebben overleefd hebben zonder deze stevige professionele basis.

De patiënt aan het woord

Wat vond Stijn zelf van de behandeling? “Bij Heidi was ik geen nummer. Ze deed niet steeds ‘hm-hm’ of nazeggen wat ik al gezegd had. Soms wel, en dat was ook goed. Maar ze zei wat ze te zeggen had. Maar ik mocht het ook voor me houden als ik daar nog niet aan toe was. Daardoor kon ik haar steeds beter vertrouwen. Omdat zij zo open was, durfde ik ook steeds meer tegen haar zeggen. Ze hielp me zo om te kijken wat ik wilde zeggen en hoe ik dat zou doen. Daar kreeg ik ook de tijd voor”. We zouden de houding van de behandelaar misschien ook wel ‘presentie’ kunnen noemen, waarbij echtheid, empathie en aanvaarding voortdurend hand in hand gaan.

Eigen ervaringen

Mag de therapeut niets over zichzelf zeggen? Sommige therapeuten zijn een gesloten boek en dat zou voor een patiënt als Stijn belemmerend hebben kunnen werken. De gevoelige Stijn kan goed waarnemen of therapeute Heidi echt was en of ze zelf onderliggende spanning ervoer. Daarom, zeggen de auteurs, mits gedoseerd kun je als therapeut best iets vertellen over je eigen ervaringen. Dan staat de therapeut minder op een voetstuk en wordt meer een echt mens.

Er wordt wel gesproken over een fragiel proces van behandeling. Deze procesgerichte benadering heeft bij Stijn veel opgeleverd. Met deze procesgerichte kijk wordt de problematiek niet gelabeld als ‘gestoord’, wel als zorgvuldig te benaderen, want het komt zeer nauw bij deze kwetsbare mensen, een lichte ontsporing kan resulteren in extreme reacties.

Voor ‘hetzelfde geld’ - of wellicht veel meer - had de cliënt een procedure moeten doorlopen waarin hij eerst onder de professionele microscoop moest passeren, een lange wachttijd respecteren vooraleer het juiste therapeutische programma kon opgestart worden, om vervolgens deskundig aangepakt te worden. 

Het is niet onwaarschijnlijk dat het ‘professionele spervuur’ voornamelijk zou bevestigen dat de persoonlijkheidsstoornis van de cliënt zwaar en moeilijk behandelbaar blijkt te zijn. 

We willen hiermee een lans breken om de deskundigheid van hulpverleners niet in een keurslijf te dwingen van administratieve rompslomp en voortdurend te verantwoorden behandelingsplannen. Een groter vertrouwen in de mensen die zich inzetten voor dit vak, intercollegiale reflectie, steun en overleg, ernstig nemen van feedback van cliënten…  zijn naar onze mening efficiëntere middelen om de noodzakelijke kwaliteitscontrole te garanderen in het beroep van therapeut.

De veel gehoorde klacht in de hulpverlening dat therapeuten overvraagd en overwerkt zijn, zou ook baat vinden bij een transparantere wijze van zijn, waarin er naast respect en empathie voor de leefwereld van de cliënt, ruimte is voor de therapeut. Haar welbevinden komt ook het welbe­vinden van cliënten ten goede.

Echtheid in cliëntgerichte therapie, geïllustreerd bij een cliënt met een persoonlijkheidsstoornis. Door Mia Leijssen en Heidi Adriaensen. Gepubliceerd in: Tijdschrift voor Psychotherapie, januari 2003 (29), 1, pp. 25-51

Wie is wie?

Ooit heb ik een IQ-test af moeten leggen. En nu een coronatest. Tineke deed het spelletje ook mee. Eén van beiden heeft volgens deze thuistest corona. Maar wie? 
Test op tafel

Ik wilde de bal naar Tineke afschuiven, maar helaas trapte ze daar niet in. Voor het eerst sinds 2,5 jaar is corona door de muren van ons huis geglipt. En nu ben ik verbannen naar mijn werkkamer.

Thermometer en saturatiemeter bij de hand. Respectievelijk 39,1 en 93%, dus ik ben nog niet overleden.

Dat wordt een aantal dagen geen vrolijke Batavus. Tineke zou woensdag naar haar zus in Californië vliegen, maar dat is nu dus ook twijfelachtig. Corona wil je niet als Nederlands exportproduct propageren.

Het is zoals het is. Mooier kunnen we het niet maken... We hebben lang genoeg de dans ontsprongen. 

Meneer Emmens (3)

Meneer Emmens woont in een sociowoning, samen met de heer Klamer. Het huis en de tuin zien er keurig verzorgd uit. Meneer Klamer poetst zelfs de deurposten van de woonkamer. Dat doet hij tijdens het interview. Je vraagt je af of het contact voor hem zo gemakkelijker verloopt.

Meneer Klamer is een vriendelijke zestiger. Waarom zou hij zo lang in de psychiatrie wonen? In de documentaire komt zijn dochter op bezoek en het contact tussen beiden verloopt gezond.

Bij meneer Emmens is de problematiek duidelijker. Hij weet ook waarom het zo is. Hij heeft een paar weken geleden nog ‘de tafels en de stoelen omgekeerd’. En dat ondanks zeven verschillende medicijnen die hem naar eigen zeggen rustig houden. Hij ziet zichzelf als een vulkaan die permanent op uitbarsten staat als zijn emoties niet gedempt worden.

De vriendschap tussen Meneer Emmens en meneer Klamer wordt door Emmens vergeleken met die van David en Jonathan uit de Bijbel. Een genegenheid die meer is dan de liefde van duizend vrouwen.

Meneer Emmens wilde graag koerier van de tsaar worden. Dan zou hij namens de Tsaar naar Vladiwostock reizen. Helaas valt dat grote Tsarenrijk nu uiteen en daar komen oorlogen van, aldus Emmens, want al die losse landen zullen gaan knokken. Dat voorspelt hij goed, zeggen we met de kennis van nu.

Meneer Emmens verzorgde o.a. de dieren van de boerderij. Dat zijn (ook) allemaal verschoppelingen. Door een conflict met een leidinggevende was hij daar ontslagen. Hij had die leidinggevende een paar klappen gegeven en dat werd niet gewaardeerd binnen de organisatie. Gelukkig was de leidinggevende later ook weggewerkt. Meneer Emmens vindt het overigens begrijpelijk dat hij werd ontslagen, want agressie kun je niet hebben op het werk.

Ik ben een opgewonden standje en een wonderlijk geval

Ook bij zijn volgende ‘baan’ (dagbesteding) werd hij weer ontslagen vanwege een agressie-incident. Hij had iemand in de hoek geschopt. Elke keer weer als meneer Emmens zich gekrenkt voelde stak zijn grote gevoel voor rechtvaardigheid de kop op en vond hij het logisch dat hij iemand te grazen nam. Dat was al gebeurd in de vijfde klas van de lagere School met den Bijbel in Appingedam. Maar elke keer vond hij het ook weer begrijpelijk dat hij ontslagen werd.

Meneer Emmens houdt van leren. Hij volgt lessen Frans en Engels. Op zijn tafel liggen boeken over Neurofysiologie. Daar wil hij graag les over geven. Het woord volwassenen-educatie vindt hij maar een vreemd begrip. Je gaat gewoon iets leren om je hersenen een beetje op gang te houden. Meneer Klamer en hij doen braaf hun huiswerk en leren hun grammatica. Dat doen anderen niet, en dat is niet slim van hen.

Begraafplaats Zuidlaren

Meneer Emmens en meneer Klamer vinden hun tijd binnen de psychiatrie geen weggegooide tijd. Ook als je hier je hele leven zit is het geen vergooid leven, want je kunt je tijd nuttig besteden door dingen te leren, te studeren, cursussen te volgen en door huis en tuin te onderhouden.

Meneer Emmens heeft ondertussen acht psychiaters versleten. Zijn achting voor deze behandelaars is gedaald, maar hij heeft grote waardering voor psychiater H. de Olde, die met hem mee optrok. Een psychiater is geen Almachtige die je doorvorst, maar ook een mens met zijn eigen onhebbelijkheden. Bovendien kwamen de behandelaars bij hem tot allerlei verschillende diagnoses, dus het is geen harde wetenschap. Emmens geeft zichzelf geen diagnose, hij noemt zichzelf een opgewonden standje en een wonderlijk geval.

Bij meneer Klamer voelt hij zich thuis vanwege diens rust. En hij besluit met: 'Wij zijn niet knettergek. maar er is iets wat ons gedupeerd heeft bij het functioneren in de samenleving'. 

Weer op de fiets (4)

Het Driehoeksveer Hardinxveld - Werkendam - Gorinchem zet er flink het sokken in. Het lijkt wel een speedboot. Even gezellig overvaren is er tegenwoordig ook niet meer bij. Vijf minuten later zet ik voet op Brabantse bodem.
Oversteek over de Merwede

Werkendam is een vlijtig dorp dat sterk uitbreidt, niet door forensen, maar door de aanwas van de eigen bevolking. Je kunt het vergelijken met Urk: een klein oud gedeelte met steeds verdergaande uitbreiding van kinderen en kleinkinderen vanaf het centrum de polder in. En net zoals op Urk wemelt het van de kerken die zich bijna allemaal binnen het zeer behoudende rechterzijde van het spectrum van de reformatorische kerken bevinden. Op een zondag kun je ruim 20 kerkdiensten bezoeken in een dorp met tienduizend inwoners. Het grootste kerkgebouw telt 1500 zitplaatsen. Geen wonder dat de SGP veruit de meeste stemmen trok in Werkendam.

Werkendam was tijdens de bezetting één van de belangrijkste verzetshaarden tegen de Duitsers. Tal van verzetshelden, zoals H.M. van Randwijk, hebben hun wortels in Werkendam liggen. Wonderlijk genoeg is ook dr. Anton Mussert hier opgegroeid, zijn vader was hoofd van de enige openbare school in de regio. 
Door het Land van Heusden en Altena

Er lijkt geen eind te komen aan de bebouwing van Werkendam maar uiteindelijk fiets ik toch de polder in. Dit is mijn geboortestreek, hoewel ik me uit die tijd niets herinner. Vlak voor de watersnood emigreerden mijn ouders naar Groningen, waardoor mijn kinderbedje niet hoefde te drijven.

Dan opeens is het met de rust gedaan. De autosnelweg van Utrecht naar Breda trekt een breed spoor door het land. De brug bij Gorkum heb ik helemaal zien bouwen, want toen woonden we in Gorkum en ging ik wekelijks bij de brug kijken.

Provinciale weg en watertoren in Huppel

Aan de oostzijde van de weg ligt de oude provinciale weg. Die leidt naar Huppel, waar een plaatselijke timmerman de watertoren kocht en er een geweldige woning voor zijn gezin in bouwde.

Het is een mooie landelijke route tussen tal van ‘wielen’ door, die ooit zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Veel vroegere boerderijen zijn inmiddels aangekocht door rijke Randstedelingen.

Zonsondergang langs de Bergse Maas

Ik kruis mijn geboortedorp Almkerk, waar de mensen mij niet meer schijnen te herkennen. Daarna volgt Dussen, compleet met kasteel en daar fiets ik recht op de dijk langs de Bergse Maas (genoemd naar Geertruidenberg) aan. Deze Maas is een gegraven kanaal om de waterloop beter te reguleren. Voor die tijd kregen de inwoners van Gorkum en Woudrichem vaak natte voeten, omdat het water van de Merwede en de Maas samen wat teveel van het goede was. Maar daarmee werd het Land van Heusden en Altena wel afgesneden van de rest van Noord-Brabant.

Om dit euvel te verhelpen en omdat boeren soms land bezaten aan de beide zijden van de Bergse Maas bedongen ze het eeuwig durend recht op overvaart. Daarom kan ik ook bijna twee eeuwen later nog gratis overvaren naar de andere kant van het water. 

Autisme en bijkomende problemen

In Nederland bestaat het Nederlands Autisme Register (NAR) onder leiding van de recent benoemde hoogleraar diversiteit van het autisme Sander Begeer. 

Mensen met autisme en anderen die betrokken zijn bij autisme kunnen in dit register helpen met het verzamelen van gegevens. Duidelijk zal zijn dat het register niet representatief is: het wordt bijgehouden door mensen die in staat zijn op de vragen antwoord te geven. Er zijn naar verhouding veel mensen met autisme en een verstandelijke beperking. Anderen weten niet dat het register bestaat. Het register trekt dus naar verhouding veel mensen die bovenmatig betrokken zijn bij autisme-onderzoek.

Dat het onderzoek niet representatief is wil niet zeggen dat de uitkomsten niet(s) zeggen. Ze geven waardevolle informatie over bijkomende problemen voor mensen met autisme. Ik vat hierbij enkele cijfers samen die al enigszins gedateerd zijn (2017), maar ze zijn wel illustratief.

BIJKOMENDE PROBLEMEN

45 Procent van de volwassenen met autisme heeft nog een andere psychiatrische diagnose – het vaakst een stemmingsstoornis (zoals depressie of een angststoornis, of AD(H)D.

69 Procent heeft last van lichamelijke problemen, vooral van slaapproblemen/vermoeidheid en maag/darmklachten.

Men schat nog altijd dat een aanzienlijk deel van de mensen met autisme tevens een verstandelijke beperking heeft. Het antwoord op de vraag hoeveel mensen het betreft blijft complex, maar gedacht wordt aan meer dan de helft.

In het verleden werd gedacht dat bijna alle mensen met autisme jongens waren, tegenwoordig schat men dat 2 op de 3 mensen met autisme mannen zijn.

ONDERWIJS

De term ‘passend onderwijs’ lijkt op het gebied van autisme een illusie. 55% van de kinderen met autisme redt het niet binnen het reguliere onderwijs. Wie met kinderen met autisme te maken heeft zal ook wel begrijpen waarom dat zo is: het onderwijs biedt te weinig structuur, de schoolklassen zijn te groot, er is te weinig ruimte voor individuele aandacht en de interacties met andere leerlingen zijn vaak een probleem. Verontrustend was bij de rapportage dat 7% van de kinderen helemaal niet naar school ging.

SOCIALE CONTACTEN

Veel mensen met autisme voelen zich eenzaam. Er zijn echter ook mensen met autisme die aangeven weinig behoefte te hebben aan contact. Ongeveer de helft van der mensen met autisme geeft aan helemaal geen sociale contacten te hebben.

GENDER

Opmerkelijk uit de NAR-rapportage van 2017 was dat er naar verhouding vaak sprake is van ‘gender-diffusie. 11% van de vrouwen die de lijst hebben ingevuld voelde zich deels man, 27% van de vrouwen voelde zich biseksueel. Bij mannen liggen de percentages lager.

WERK

44% van de mannen en 26% van de vrouwen die meededen aan het onderzoek (samen 1200 personen) hadden in 2017 betaald werk. Het opleidingsniveau van mannen en vrouwen lag gelijk. De meest voorkomende sectoren waren: ICT, overheid, wetenschap en onderwijs.

ZORG

Een meer recent opvallend cijfer is dat 30% van de deelnemende mensen met de diagnose autisme zegt gebruik te maken van alternatieve geneeswijzen. Landelijk ligt dit percentage op 11%. 46% van de ouders geeft aan voor hun kinderen gebruik te maken van deze geneeswijzen.

Meer informatie over het Nederlands Autisme Register (NAR) is te vinden op de website https://nederlandsautismeregister.nl/

Geheugen

Niets is zo verraderlijk als het geheugen. Dat wordt nog eens benadrukt door het volgende experiment. Tien maanden na de Bijlmerramp in 1992 vroegen Nederlandse psychologen aan studenten en juristen of ze ‘de film’ hadden gezien die was gemaakt op het moment dat het vliegtuig neerstortte op de flat in de Bijlmer. Meer dan de helft van hen meende dat ze deze niet-bestaande film inderdaad hadden gezien. Ze beantwoordden zelfs detailvragen over de inhoud ervan.

De Nederlandse psychologen Harald Merckelbach en Marko Jelicic zeggen dat geheugenverlies altijd aan dergelijke pseudoherinneringen voorafgaat. Halverwege de jaren tachtig liet een Amerikaanse onderzoeker proefpersonen over langere tijd dagboeken bijhouden. Jaren later kregen ze een groot aantal uitgetypte notities voorgeschoteld; sommige waren echt, andere waren door de onderzoeker vervalst. Met het verstrijken van de tijd bleken mensen slechter in staat hun eigen dagboeknotities te herkennen. En naarmate dit vergeten omvangrijker was, bleken ze ook eerder bereid om de vervalste dagboeknotities als eigen werk te beschouwen.

Ook als geheugenverlies ingebeeld is, maken pseudoherinneringen een kans. In slimme experimenten waarin mensen aan het twijfelen worden gebracht over de betrouwbaarheid van hun geheugen, blijkt telkens weer dat ze dan zeer bevattelijk worden voor de suggestieve wenken van anderen. Wat gebeurt hier? Waarschijnlijk dit: naarmate mensen meer herinneringen hebben aan een voorval maken onjuiste fantasieën, speculaties of suggesties minder kans om wortel te schieten in het autobiografisch geheugen. Bij mensen die geen enkele herinnering meer hebben, maken die fantasieën juist meer kans.

Het bekendste voorbeeld van een valse herinnering is misschien wel het déjà vu: het gevoel dat je iets al eens eerder hebt meegemaakt of gezien, terwijl je eigenlijk weet dat dit niet zo is. Naar schatting 60 procent van alle gezonde volwassenen is bekend met het fenomeen. Een voor de hand liggende verklaring zou kunnen zijn dat mensen veel herinneringen hebben opgeslagen die niet allemaal teruggaan op eigen ervaringen. Ook informatie uit films, boeken en foto’s slaan we op. Als we iets ervaren wat veel overeenkomsten vertoont met een van deze opgeslagen herinneringen, kan het zijn dat dit een déjà vu-gevoel oproept.

Patiënten met temporaalkwabepilepsie (TLE) rapporteren met enige regelmaat déjà vu’s. Bij hen is het neuronale substraat onderzocht. Het idee is dat de amygdala, hippocampus en temporaalkwab, die samen een dicht neuraal netwerk vormen, gelijktijdig actief zijn. De temporaalkwab verwerkt een ervaring, en geeft die door aan de hippocampus. De binnenkomende informatie krijgt daardoor een zekere vertrouwdheid, als ware het een herinnering. Activatie van de amygdala geeft emotionele kleuring aan de ‘herinnering’, bijvoorbeeld een gevoel van angst.

Dat stemt overigens mooi overeen met déjà vu’s onder niet-pathologische omstandigheden: ook die voelen namelijk vaak niet alleen als een herinnering, maar roepen soms ook vage angstgevoelens wakker.