Oostende

Het oorspronkelijke dorp Oostende was een niet ommuurde plaats die wel tal van handelsprivileges bezat. Helaas gooide de zee roet in het eten. In de 13e eeuw verdween de plaats in de woelige baren van de Noordzee. Een eind meer zuidwaarts werd een nieuwe nederzetting gebouwd. 
Het centrum van Oostende met links twee panden (één wit en één geel) uit de Belle Epoque-periode

Daarna volgden tal van knokpartijen. Na de Slag bij Nieuwpoort, die zoals we allemaal weten in 1600 plaats vond, was Oostende de laatste protestantse enclave in de zuidelijke Nederlanden. Na een driejarig beleg gaf de stad zich over en werden de protestanten gevangen genomen of verjaagd. De stad lag in puin en de polders waren onder water gelopen. Je zou zeggen: hoogste tijd om te emigreren.

Achter de grote winkelstraat vind je meer ‘verrommelde’ straten

In 1706 werd de stad bestookt door de Engelse vloot en vervolgens in bezit genomen door de Habsburgse monarchie (Oostenrijk).

Daarna kwamen de Fransen weer terug onder leiding van Napoleon. In 1815 werd Oostende een Nederlandse havenstad, maar de prioriteit van de overheid lag bij de grote havens van Amsterdam en Rotterdam. Het wilde dus allemaal niet echt vlotten.

De groei kwam pas na 1836 toen er een rechtstreekse treinverbinding was aangelegd tussen Keulen en Oostende met een veerverbinding naar Engeland.

Koninkijke Gaanderij langs het strand

Nu stond Oostende op de kaart. Koning Leopold II vond het een prachtige plek en bouwde er o.a. de Koninklijke Gaanderijen. Oostende werd de meest luxa badplaats aan de Noordzee. Echter, zowel de Eerste Wereldoorlog als de Tweede Wereldoorlog leidden tot grote verwoestingen waardoor honderden prachtige gebouwen uit de Belle Epoque een loodje legden.

Vanuit het centrum vaart een (gratis) veerpont naar de overzijde. Hier zicht vanaf de pont op de ‘oude’ stad.

Na de Duitse bezetting ging de afbraak verder. De stad probeerde door toerisme extra inkomsten te verwerven. Opnieuw werden honderden huizen afgebroken en vervangen door betonnen en fantasieloze hoogbouw. In de zomers werd de stad – met destijds ruim 50.000 inwoners – bevolkt door zo’n 400.000 bewoners.

Door het vertrek van de veerdiensten naar Engeland is de stad zijn internationale karakter grotendeels kwijt geraakt. De grote haven aan de kust is Zeebrugge, met meer naar het zuiden Duinkerken (net over de grens met Frankrijk).

Het centrum gezien vanuit ‘ons ‘ appartement

Omdat Oostende excentrisch ligt is er weinig industrie. Wel viel ons een bijna tien kilometer lange strook met bedrijventerreinen op aan de oostzijde van de stad. Maar verder is het land achter de kuststrook opvallend leeg.

Inmiddels telt Oostende zo’n 70.000 inwoners. Een kwart van de bevolking heeft een niet-westerse achtergrond. Van de jongeren in de stad is een kwart werkloos. Dat zijn geen mooie cijfers.

Ons viel op dat een groot deel van het leven in Oostende na 20 uur ’s avonds stil viel. Alleen in het weekend was er wat meer gedruis op straat.

Wat de architectuur betreft: bijna alle panden uit de Belle Epoque periode zijn inderdaad verwoest of afgebroken. Maar tussen al die kale betonnen nieuwbouw door zie je toch nog tal van oude panden. Een kwestie van langzaam slenteren en regelmatig naar boven kijken. 

De Belgische kust

Opeens zaten wij een week aan de Belgische kust. Dat had ik dus nooit gedacht. Want als er in mijn ogen érgens de natuur over grote afstand grondig verpest is, dan is dat langs de Belgische kust. 
Uitzicht vanuit ons huurappartement

Volgens schrijver Bob den Uyl is het mogelijk om met een plank vanaf de Nederlandse grens bij Knokke zonder de grond te raken tot aan de grens met Frankrijk bij De Panne te komen. Je legt gewoon die plank van flatgebouw naar flatgebouw. Ik had geen plank bij me, dus ik heb het niet geprobeerd. Ik heb ook ontdekt die het niet helemaal waar is. Er zijn een paar onbebouwde stukjes kust, o.a. bij Bredene, dat aan de zuidzijde grenst aan Oostende.

Wat wel mogelijk is, is om voor 1,60 euro met het OV vanaf (bijna) de Nederlandse grens (in Knokke) naar (bijna) de Franse grens (bij De Panne) te reizen. Dat doe je met de Kusttram, met zijn 70 kilometer lengte bijna de langste tramlijn van de wereld. Je kunt die reis trouwens ook met YouTube maken, dan zie je vanaf de bank de hele Belgische kust panoramisch aan je oog voorbij trekken.

Soms rijdt de Kusttram bijna over het strand, zoals tussen Oostende en Middelkerke

Wij zaten zes dagen in Oostende. Van daaruit fietsten we zowel (even) Frankrijk in als even Nederland in. De Belgische kust is nog geen 80 kilometer lang. Langs de kust staat een muur van vele tientallen kilometers aan hoge flatgebouwen, pal langs het strand, met daar achter een even hoge muur aan hoge flatgebouwen op de tweede rang. Om die flats te kunnen bouwen zijn de duinen platgeslagen. En achter die hoogbouw bevinden zich de oorspronkelijke dorpen.

Een muur van hoogbouw. Dit is het dorp Middelkerke, met 15.000 inwoners

Oostende blijkt – tegen het beeld in van wat ik van de stad had onthouden – een dynamische stad te zijn. Niet veel groter dan Den Helder, maar met een grootstedelijke allure. Die komt o.a. tot uiting in de hoogbouw (tot 105 meter hoog) en de Koninklijke gebouwen het het Casino langs het strand. Maar als havenstad stelt Oostende nauwelijks meer iets voor. Vroeger was het hier een drukte van belang vanwege de veerboten naar Engeland, maar die zijn allemaal gesneuveld in de concurrentiestrijd met de Kanaaltunnel.

Oostende werd in de jaren ’41 tot ’44 voor een groot deel afgebroken, vanwege de Atlantikwall. Overal vind je nog Duitse bunkers. Na de oorlog deden project-ontwikkelaars er nog een schepje bovenop. Van de duizenden gebouwen in Jugendstil en Art Deco zijn er nog maar enkele tientallen over gebleven.

Het strand van Oostende is ook een bijzonderheid. Het is hier verbonden te zwemmen. Dat mag alleen in juli en augustus onder toezicht. Heb ik voor niets mijn zwembroek mee genomen... 

Ik durfde niet…

Ik moet het maar weer eens eerlijk bekennen: de laatste stap durfde ik niet te zetten. Ik slaagde er niet in om mijn angst de baas te worden. 

Vrijdag bevond ik mij tegen 18 uur bij de Sint Annatunnel in Antwerpen, een Belgisch stadje onder de rook van Brussel. De Belgen zijn slecht in het inzetten van veerponten. Maar ze hebben ook geen bruggen over de Schelde gebouwd. Binnen Antwerpen moet je als fietser via een tunnel droogvoets de overzijde zien te bereiken.

Roltrap Sint-Annatunnel Antwerpen

De Sint Annatunnel heeft een lift. Die had ik twee maal defect meegemaakt. Ik dacht dat hij het nu wel weer zou doen. Maar nee hoor, drie jaar later nog steeds geen lift. Er is ook geen vaste trap. Je moet met een roltrap 32 meter af zien te dalen. En als je die prestatie dan met angst en beven geleverd hebt moet je ook weer 32 meter omhoog. Misschien is dat nog wel méér spannend. Maar overnachten in de tunnel is óók geen optie.

Ik besloot eerst maar weer eens de kunst af te kijken van de Antwerpenaren. Sommigen fietsen gewoon de roltrap op en zetten ondertussen ook nog eens een mondkapje op. Want in de tunnel zijn mondkapjes verplicht. En iedereen houdt zich daar ook aan. De roltrappen zijn trouwens ook van hout.

Een paar keer stond ik met mijn voorwiel op de bewegende roltrap. Ik was er bijna. Maar net zoals bij de hoge duikplank: je durft het nét nog niet. En achter je zwelt de rij aan. Eigenlijk is dit spannender dan die hoge duikplank. Daar val je in het water en je komt weer boven. Hier kun je toch echt hard van die 31 meter aan treden naar beneden storten, compleet met fiets en bepakking en tien eieren in de tas.

Trap Kennedytunnel

Ik besloot uiteindelijk om tóch de stap te wagen. Angsten zijn er om overwonnen te worden. Ik liet nog even een echtpaar voorgaan. En toen gebeurde het. De vrouw verloor haar evenwicht en ze liet haar fiets los. Die kletterde naar beneden en haalde ook nog bijna haar echtgenoot onderuit. Het einde van een goed huwelijk.

Dit was slecht nieuws voor mijn zo moedig ingezette behandeling. Ik moest mijn geest toch even weer opschudden.

Ik besloot dat het toch niet zo erg was dat ik het niet durfde. Beter tien kilometer omfietsen dan een gebroken been.

Het omfietsen was via de Kennedytunnel. Daar is namelijk een lift. Die was buiten werking. Dan moet je de fiets 35 meter naar beneden en naar boven tillen. Met inachtneming van allerlei coronamaatregelen, zoals mondkapjes, afstand en een eenrichtingsverkeer. Maar alles is beter dan die enge roltrap voor een 70-plusser.   

De Y is van Yvoir

Net als de X is de Y schaars bij de plaatsnamen. Uiteindelijk vond ik in mijn fietsarchief de plaats Yvoir aan de Maas, halverwege Namen en Dinant.

De dag na Tineke’s verjaardag ga ik meestal fietsen. Daarmee fiets ik dan mijn hoofd weer leeg. Het is alleen een wat wonderlijke dag: 30 december. Op deze 30 december nam ik de trein naar Namen om daar een Blue Bike te huren voor een fietsrondje langs de Maas.

Het water van de Maas staat erg hoog. Af en toe staan er stukjes van het fietspad onder water. De temperatuur is ook erg hoog. Een thermometer wijst maar liefst 15 graden aan. Ik dacht dat het winter was.

Ik ben op de linkeroever van de Maas zuidwaarts gefietst (voor de Nederlanders is dat de rechteroever). Aan de overkant fiets ik weer terug naar Namen. Waar ik al bang voor was: de vrij drukke weg is smal en bochtig, zonder vluchtstrook. Voor een eenzame fietser is dat niet zo’n prettige ervaring. Belgen zijn niet zo gewend aan

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is maas-tegenover-profondeville.jpg

winterse fietsers. Bovendien deponeren ze graag allerlei rommel op de weg, zoals glasscherven, schroeven, bouten, moeren en heibeldijfjes, onderdelen van auto’s, afgewerkte olie, lege verpakkingen van McDonalds en zelfs een onderbroek. Ik hoop maar dat de Blue Bike goede banden heeft.

De Maas bij Yvoir

Yvoir is een industrieplaats met enige regionale functies en af en toe een bezienswaardigheid. In de Maas ligt een eiland en dat trekt toeristen aan. Eilanden hebben nu eenmaal een magische aantrekkingskracht. In Yvoir heb ik geen foto’s gemaakt, want ik kreeg enige haast om weer op tijd in Namen te geraken. De laatste trein naar Delft vertrekt daar al vroeg.

De omgeving van Yvoir is mooier dan de plaats zelf. Yvoir was in 1975 even beroemd omdat hier de wereldkampioenschappen wielrennen werden gehouden. Ik hou me aan mijn eigen favoriete slakkengangetje van 16 kilometer per uur. 

De Q is van Quévy

Ja, voor plaatsnamen die met een Q beginnen moet je bij de Franse taal zijn. De plaats Quévy ligt precies op de grens van België en Frankrijk.

Helaas is er iets mis met mijn fotoverzameling. Ik weet precies in welke hoedanigheid ik in Quévy ben geweest. Ik kan ook de foto’s van de ochtend vinden (toen was ik in Bergen/Mons), maar daarna ben ik het fotospoor bijster geraakt. Mogelijk heb ik de foto’s verkeerd gearchiveerd en nog niet de goede naam gegeven.

Ik fietste vanuit Bergen (Mons) naar het zuiden. ik wilde naar de vestingstad Maubeuge, maar ik vond de weg te gevaarlijk (een smalle drukke weg zonder fietspad). Dus sloeg ik vlak bij de grens rechtsaf. En voor de oplettende lezertjes betekent dat: naar het westen.

Quévy, Pieterskerk en kerkplein (bron: Wikimapia)

In dier voege kwam ik in Quévy. Deels ligt het dorp aan een lange rechte weg, zoals bekend van de Belgische heirwegen. Maar er liggen allerlei plukjes aan bebouwing wat verder weg van de weg. Zo heb je Quévy en Quévy-le-Petit. Deze keer klopt het. Quévy-le-Petit is kleiner dan Quévy.

Quévy ligt in een niet onaantrekkelijk glooiend landschap met grasland, akkerbouw en ook kleinere bospercelen. Soms zoef je opeens een heel eind naar beneden. Dan ligt er ergens een minkukelig beekje. Daarna moet je toch weer even venijnig klimmen.

Quévy Gare, hier wisselden de internationale treinen van locomotief (Frans/Belgisch). Bron: Railations

Opmerkelijk is het grote station van Quévy. Het was namelijk een grensstation, waar de internationale trein van Brussel naar Parijs stopte. De grens ligt er nog steeds, maar de treinen rijden niet door. Vier keer per dag vertrekt er een trein noordwaarts.

Het momumentale stationsgebouw verkeert in deplorabele toestand. Het biedt een minder fraaie inkijk in het Belgische beleid aangaande historische stationsgebouwen. Ik citeer: “In 2004 wil de NMBS het loket op het station sluiten wegens minder dan 300 dagelijkse reizigers. Op 25 januari 2005 stelde de gebruikerscommissie vast dat het loket gesloten was, maar dat het station een open wachtkamer had en dat er personeel aanwezig was. In 2007 voorzag een akkoord tussen de gemeente en de NMBS in de renovatie van het stationsgebouw en de herbestemming ervan tot een multi-service gebouw, maar de voorwaarden opgelegd door de NMBS werden door burgemeester Florence Lecompte geweigerd wegens de te hoge kosten.”

Het is dus wachten totdat de boel met donderend geraas instort. Of tot er iemand met geld over de brug komt...

De O is van Oupeije

Deze keer blijf ik vlak bij Nederland. Je fietst vanuit Maastricht tien kilometer stroomopwaarts langs de Maas of langs het Alberkanaal en je bent in Wallonië. Alors, aujourd'hui nous sommes encore á Wallonie. Net zoals als gisteren. 

Je bent dan al snel in de voorsteden van Luik.

Oupeye industrie
Staalindustrie in Oupeye

Eén van die voorsteden is Oupeye, (25.000 inwoners) dat helemaal vastgegroeid is aan buurgemeente Herstal (60.000 inwoners). Je hebt dan samen een middelgrote stad, maar de plaatsen doen dorps aan. Hun geschiedenis wordt gekleurd door de opkomst en ondergang van de staalindustrie. Af en toe staat er nog iets te roken of te sissen, maar de meeste industrie is vergane glorie.De werkloosheid bedraagt in sommige plaatsen in de regio Luik zo’n 25%.

De doorgaande weg richting Luik

Er zijn in Oupeye 19e eeuwse wijken, afgewisseld door 20e eeuwse hoogbouw. De sterkste groei van het aantal inwoners deed zich voor tussen 1950 en 1980. Dat verklaart die 20e eeuwse hoogbouw. Vooral in die hoogbouw slaat de verpaupering toe. Mensen met een eigen huis en tuintje zijn toch wat zuiniger op hun omgeving.

Tussen de dichte 19e eeuwse bebouwing bevindt zich af en toe een blokje nieuwbouw. Ik vind die 19e eeuwse woonwijken altijd wel hun eigen charme hebben. Oupeye is zeker geen no go area voor fietsers.

Herstal straatbeeld
Straatbeeld in Oupeye

Ik kies mijn eigen fietsroute door een wirwar van straten. Fietsborden zul je hier niet aantreffen.  

Ik weet ook niet waar de gemeente Oupeye over gaat in Herstal. Alles is hier qua bebouwing aan elkaar geklonterd en dat gaat nog vele kilometers lang zo door, tot vér voorbij Luik.

Doordat de Maas een scherpe bocht maakt raak je gemakkelijk je oriëntatie kwijt. Als je de rivier volgt fiets je eigenlijk deels de verkeerde kant uit. Laat je hier niet in de war brengen. Fiets gewoon je neus achterna. Dan kom je vanzelf ergens uit. 

De N is van Namen

Namen is niet de grootste stad van Wallonië, maar wel de hoofdstad van het franstalige deel van België. De stad ligt aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas. De mensen spreken er koeterwaals. 

Al in 1975 fietsten we door Namen. We kwamen toen uit Leuven en daalden in hoog tempo af richting de Maas om daarna verder de Maas te volgen richting Frankrijk. We durfden niemand aan te spreken. Zes jaar Frans op school was van weinig nut geweest.

Straatje met zicht op de Citadel

Dit jaar wilde ik wel weer naar Namen, maar een buitenlands bezoek werd afgeraden. De handvatten van mijn fiets zijn namelijk bevattelijk voor corona.

In 2018 huurde ik mijn eerste Blue Bike fiets (de Belgische OV-fiets) op het (halve) Gare van Namen. Zoals veel Belgische stations verkeerde ook dat station in een permanente toestand van verbouwing, zodat het moeilijk was om de uitgang en de fiets te vinden. Sommige Belgische stations zijn jarenlang in renovatie en bij de nieuwbouw van het station van Mons heeft men de moed maar opgegeven: daar staat een noodgebouw al tien jaar naast een betonnen skelet dat een nieuw stationsgebouw zou moeten worden.

De markt van Namen

Namen is een oude en in strategisch opzicht ook van oudsher belangrijke stad. Aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas ligt één van de grootste forten van België. Het gebied van deze citadel heeft een oppervlakte van maar liefst 80 hectare. Maar aan de beklimming heb ik me niet gewaagd, ik daalde af naar het peil van de rivier. Die stond vandaag bijzonder hoog en klotste af en toe over de rand van de kade.

Namen was in de 16e eeuw tijdelijk een deel van Oostenrijk, eind 17e eeuw was het een Franse stad, maar drie jaar later veroverde de Nederlandse Koning Willem III de stad Namen. In 1746 veroverden de Fransen de stad, in 1748 werd Namen weer Oostenrijks grondgebied, in 1792 werden de Fransen hier weer heer en meester, om daarna door de Oostenrijkers verjaagd te worden. In 1794 volgde weer een Franse bezetting. Zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog werd er fel en langdurig gevochten om het bezit van de stad en met name de citadel. Het is een wonder dat er nog zoveel historische gebouwen in Namen te vinden zijn.
Blue Bike aan de Sambre

Opvallend vind ik de donkere toonzetting van de stad: veel donkergrijze en ook wel donkerbruine gebouwen langs een wirwar van smalle straatjes. De geuren van de etablissementen en de winkels zijn zoals overal in België met af en toe een Zeeman, een Blokker of een C & A.

Door de ligging op de noordhelling van de rivier schijnt het in de zomer behoorlijk heet te kunnen worden in Namen. Maar ook nu, op deze zaterdag in januari, laat de temperatuur het bepaald niet afweten. Diverse thermometers geven maar liefst 15 graden aan.

Aan de voet van de citadel van Namen zetelt het Waalse parlement. De stad telt 110.000 inwoners.

De L is van Lier

Neem het dynamische Antwerpen. Of het grootstedelijke Brussel. En dan die enorme universiteit van Leuven. Tussen die beroemdheden valt Lier eigenlijk niet op. De stad staat in de schaduw van zijn grote buren.

Daarom wil ik jullie adviseren om een keer een bezoekje aan Lier te brengen. Lier Liert als een tierelier. Men heeft er alleen een spraakgebrek. In Lier liert niemand om de ee uit te sprieken.

Lier, stadhuis en Belfort

Lier is ontstaan aan de samenvloeiing van de Kleine Nete en de Grote Nete. Daar kon de stad dus niets aan doen. Die samenvloeiiing was er al. De naam van de stad heeft niets te maken met een onderdeel van een hijskraan, ook niet met een muziekinstrument. Ook niet met een psychisch verschijnsel als gevolg van teveel drank of een te zware narcose. Evenmin met het Westlandse De Lier. Waar de naam wél vandaan komt: wij weten het niet.

In Lier liert niemand om de ee uit te sprieken.

Lier Begijnhof

Lierke Plezierke (deze term werd bedacht door Felix Timmermans), is een bijnaam van de stad. En inderdaad: het is een prettige plaats. Tenminste: ik houd wel van die wat kleinere steden met een mooie historische kern, een station en een kanaal. Dan heb je een aardige combinatie waar je verder mee kunt komen. Lier heeft zo’n 30.000 inwoners. Het is al een heel oude stad, want een halve eeuw geleden werd er het skelet van een mammoet gevonden. Misschien woonden er destijds nog geen mensen, maar wel mammoeten. Dat is een aardig begin.

Lier Begijnhof 2

Lier heeft – naar mijn mening – het mooiste begijnhof van België. Het staat op de Unesco-Werelderfgoedlijst. Er staan maar liefst tien historische kerkgebouwen binnen de ommuring van de stad. Doordat het meestal kermis is als ik de stad bezoek kan ik het niet allemaal goed op de foto krijgen.

Lier, het uurwerk van de Zimmertoren

Een grote bijzonderheid in Lier is de Zimmertoren met een bijzonder uurwerkmechanisme. Het is de Jubelklok, ontworpen door klokkenmaker Louis Zimmer vanwege de viering van 100 jaar Belgische onafhankelijkheid in 1930. De klok geeft diverse tijden en kosmische en andere periodieke verschijnselen weer. Het periodieke stelsel uit de scheikunde heb ik niet op de klok waargenomen. Maar voor scheikunde haalde ik ook steevast een onvoldoende.

Ik zou dus zeggen: stap na afloop van de lock-down niet op het vliegtuig naar Verwiggistan maar op de fiets naar Lier. Je kunt er vanuit Breda ook binnen een uur met de trein komen. 

De B is van Binche

Binche stond al héél lang op mijn wensenlijstje. Vlak voor de lock-down van het afgelopen voorjaar fietsten we naar Binche.

Achteraf gezien was dat een gevaarlijke excursie. Binche is namelijk de carnavalshoofdstad van België. Er is zelfs een carnavalsmuseum. En carnaval en corona schijnt nogal met elkaar in verband te staan.

Binche ligt in de zuidelijke provincie Henegouwen, ongeveer op de lijn tussen Bergen (Mons) en Charleroi. 

Binche was in het verleden omgeven door een twee kilometer lange stadsomwalling compleet met maar liefst 30 torens. Zelfs bij het wereldkampioenschap schaken hebben beide partijen maar twee torens. Dus kun je nagaan hoe belangrijk Binche was.

Druk verkeer in Binche

Koningin Maria van Hongarije liet hier in de 16e eeuw een enorm renaissance-paleis bouwen. Ze liet min of meer uit baldadigheid het paleis van koning Hendrik II van Frankrijk afbranden. De mensen hebben het wel over destructieve koningen, maar de koninginnen waren ook geen lieverdjes. Deze actie kwam Maria duur te staan. De koning woonde immers om de hoek. En zie dan maar eens op tijd een leger uit Hongarije over te laten komen in een tijd dat er nog geen fietsen waren. Hendrik II liet de hele stad inclusief het paleis van Koningin Maria platbranden. Toen was het voorlopig uit met de pret.

Binche is nog een tijdje in ‘Nederlandse’ handen geweest. Maar het was in deze grensstreek (niet zo ver van de grens met Frankrijk) voortdurend stuivertje wisselen van eigenaar. In 1579 ging de stad over van de ‘Staten’ (de Nederlanden en omgeving) naar de Spaanse overheid, in 1668 werd het een Franse stad, vanaf 1696 was de stad weer Spaans. Uiteindelijk werd de stad Belgisch. En dat betekent doorgaans dat er sprake is van een nogal rommelige infrastructuur.

Eén van de weinige gerestaureerde delen van Binche

We hadden een zeer historisch stadje verwacht en er staan ook honderden mooie oude huizen. Maar helaas dendert er ontzettend veel verkeer door de oude straten. Het op de foto zetten van een gevel gaat met grote gevaren gepaard.

Tijdens de industriële revolutie schijnt Binche opnieuw welvarend te zijn geweest. Daarom zal er een naar verhouwing omvangrijk station zijn gebouwd. In de jaren ’70 ging bijna alles op de fles. Dat verklaart waarschijnlijk de desolate toestand van de huizen en gebouwen. Anton Pieck zou er trouwens graag hebben getekend. Dat is dan weer de charme als je geen geld hebt voor grootscheepse restauraties.

Binche is een aardig stadje om eens te bezoeken, maar er zijn in België mooiere oude steden. Je kunt er met de trein komen of op de fiets. 

Naar Binche

Als je in Bergen blijft kom je niet ver op de fiets. We richtten onze blikken oostwaarts en reden dan ook aan die kant de stad uit. Deels moet dat in België op het gevoel, de bewegwijzering is onregelmatig en vooral op het autoverkeer gericht.

Al een paar jaar lang wilde ik Binche bezoeken: een stadje dat halverwege Bergen en Charleroi ligt, ongeveer 20 km. ten oosten van Bergen.

Geleidelijk klommen we het zachtglooiende land van Henegouwen in. Links van ons lag een dal: de dorpen in het dal konden we niet zien. Dat is het stroomgebied van de Sambre, maar tegenwoordig wordt dat gebied vooral zichtbaar door een kanaal dat werd aangelegd voor o.a. het vervoer van steenkool en ijzererts van de industrie rond Charleroi en la Louviere. 

Langs de grote weg richting Binche staat veel lintbebouwing. Dat is typerend voor het Belgische straatbeeld. Het lijkt wel of veel inwoners van België graag aan een drukke weg wonen. De uitbreiding van die dorpen ligt voornamelijk in het verleden: herkenbaar aan de typerende woningen voor fabrieksarbeiders aan het begin van de vorige eeuw. Er staan tal van deze woningen  voor een voor Randstad-begrippen habbekrats te koop (rond de 100.000 euro).

Je ziet daardoor niet zoveel van het landschap. Slechts af en toe konden we een blik werpen op het glooiende land met vooral veel akkerbouw, soms weilanden en her en der plukjes bomen of stroken struikgewas. De foto bij dit blog is op een zijweg gemaakt.

Na twee uur fietsen dalen we af naar Binche. Het verkeer is er erg druk, want Binche ligt aan een kruising van wegen. Al dat verkeer moet dwars door de historische binnenstad. Dat is een behoorlijke afknapper...