De Z is van Zoutleeuw

Had ik het Belgische plaatsnamenalfabet niet eens af gemaakt. Foei! Allen de Z bleef nog over. Daar is voldoende keus in. Laat ik het houden bij één van de meest bijzondere kleine Belgische plaatsen: Zoutleeuw. 

De mensen vragen mij wel eens: Henk, kom jij wel eens in Zoutleeuw? Dat zal ik jullie zeggen. In Zoutleeuw ben ik meerdere malen geweest. Anders zou ik de foto’s niet eigenhandig hebben kunnen maken.

De Kleine Gete loopt dwars door het centrum van Zoutleeuw

Mocht je niet weten waar de plaats ligt: tussen Sint Truiden en Tienen, ook twee historische steden. Als je van Maastricht naar Leuven fietst kom je in de buurt van Zoutleeuw, maar je moet nog wel even afslaan, anders fiets je er zomaar voorbij.

Zoutleeuw ligt aan een voormalige spoorlijn, die is omgebouwd tot fietspad. Dat zijn altijd comfortabele fietsroutes, al vind ik ze op den duur vaak een beetje saai worden.

Vroeger was Zoutleeuw een heel belangrijke stad, aan de handelsweg tussen Brugge en Keulen. Het was één van de vrije steden van Vlaanderen. Vooral de lakenindustrie bloeide. Men deelde er dus de lakens uit.

In de bloembakken zie je in de zomer uitbundig bloeiende planten

Vanaf de 16e eeuw taande de betekenis. De Spanjaarden hielden de zuidelijke Nederlanden bezet en dat was niet goed voor de economie. Tegenwoordig is het een slapend stadje, waar het goed toeven is. De gemeente telt in zijn geheel 8000 inwoners.

Maar zoals wel vaker gebeurt leidt stilstand niet altijd tot verval. Hier geen afbraak van oude gebouwen of doorbraken vanwege het verkeer. In  België zijn ze erg goed in het in vredestijd verwoesten van oude steden. Kijk maar eens naar Brussel. Maar in Zoutleeuw is dat niet gebeurd. Die oude gebouwen staan er voor een groot deel nog.

De Sint Leonarduskerk van Zoutleeuw

Veel huizen in het oude centrum hebben hun eigen naam. Een deel van die huizen wordt opgesierd door welige bloeiende bloemen in bloembakken. Dit zijn de hangende tuinen van Zoutleeuw.

Het stadhuis werd gebouwd door Rombout II Keldermans, één van de belangrijkste architecten van de Brabantse gothiek (de OLV-kerk van Mechelen, het stadhuis van Middelburg, het Markiezenhof in Bergen op Zoom).

Maar Zoutleeuw is vooral trots op de Sint Leonarduskerk, die op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco staat.

Fietstocht met onbekende bestemming

Gisteren heb ik weer een kaartloze fietstocht gemaakt. Ik had geen idee waar ik zou beginnen en waar ik zou eindigen. 

Het recept is als volgt. Op station Delft stoppen zestien treinen per uur. Ik fiets naar het station en stap in de eerste trein die stopt op Delft. Daar stap ik in, compleet met fiets. Als ik de krant uit heb stap ik weer uit. Dat was in Tilburg. Daar ben ik op de fiets gestapt.

Op de fiets door Brabant (bij Alphen)

Vanuit Tilburg had ik geen idee waar ik naar toe zou fietsen, maar ik maakte het me gemakkelijk en fietste met de wind mee. In dier voege kwam ik in Baarle Nassau. Daar valt niet veel te zien, behalve een overdaad aan toeristen. Ik moest er dus snel weer uit zien te komen.

Via het Belse Lijntje (een voormalige spoorlijn) fietste ik richting Turnhout. Na een tijdje vond ik die weg toch wat te saai worden en sloeg een zijweg in. Deze streek ik nogal bebost, je hebt geen idee wat je tegen gaat komen. In elk geval kwam ik vooralsnog door geen enkel dorp, maar wel in de buurt van Rijkevorsel. Daar was ik dit jaar al eerder geweest, dus ik wist dat ik in de buurt van Hoogstraaten was.

De voormalige spoorlijn van Tilburg naar Turnhout

De wouden bleven maar doorgaan, maar nu stonden er eindeloos veel villa’s in de bossen. Eigenlijk is dit een gebied waar mensen met grote hekken rond hun tuin als achtertuin een bos hebben. In ‘De Lage Landen’ lieten de filmmakers met de drone zien hoe dat er van bovenaf uit ziet, inclusief zwembaden. Er wordt voortdurend bijgebouwd, alle bospercelen lijken wel bouwpercelen te worden. Dat was o.a. het geval in Zoersel. Een halve eeuw geleden logeerden wij daar in een jeugdherberg die eenzaam aan een zandweg lag. Nu ligt diezelfde jeugdherberg aan een geasfalteerde straat met aangrenzende villa’s.

Jugendstil in Borgerhout

En verder ging de fiets. Totdat ik uiteindelijk in Oostmalle was. Hier was de bebouwing dichter en een grote voormalige straatweg (kaarsrecht met rommelige bebouwing, kenmerkend voor België) leidde naar Schilde en Wijnegem. Daar stak ik het Albertkanaal over. Toen was ik in de bebouwde kom van Antwerpen.

Ik fietste een aantal rondjes door de oudere wijken van Deurne en Borgerhout. In sommige delen van deze voorsteden hoor je weinig Vlaams en veel Arabisch. Er zijn veel buitenlandse winkels, met af en toe een verdwaalde Albert Heyn of Kruitvat, maar die zijn ook buitenlands. Maar waar het mij om ging was de verborgen Jugendstil in deze wijken.

Aan het begin van de avond zette ik mijzelf en de Batavus in Berchem op de trein naar Roosendaal. De conducteur hield nauwgezet toezicht op het dragen van mondkapjes. De fietsteller had er 120 kilometer bij opgeteld. 

De Y is van Yvoir

De Belgische lezers van dit blog weten het waarschijnlijk beter. Is er in België een plaatsnaam die begint met de X? Nederland kent niet zo'n plaats, in België kon ik geen plaats vinden. En om nu weer het Duitse Xanten te introduceren is ook een beetje maf.

Dan maar Yvoir. Zowaar, daar ben ik doorheen gefietst toen ik een Blue Bike in namen huurde. Ik fietste een eind stroomopwaarts richting Dinant. En toen aan de andere kant van de Maas weer stroomafwaarts richting Namen. In dier voege kwam ik ook in Yvoir.

Het water van de Maas staat erg hoog. Af en toe staan er stukjes van het fietspad onder water. De temperatuur is ook erg hoog. Een thermometer wijst maar liefst 15 graden aan. Ik dacht dat het winter was.

Ik ben op de linkeroever van de Maas zuidwaarts gefietst (voor de Nederlanders is dat de rechteroever). Aan de overkant fiets ik weer terug naar Namen. Waar ik al bang voor was: de vrij drukke weg is smal en bochtig, zonder vluchtstrook. Voor een eenzame fietser is dat niet zo’n prettige ervaring. Belgen zijn niet zo gewend aan

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is maas-tegenover-profondeville.jpg
De overkant van de Maas bij Yvoir

winterse fietsers. Bovendien deponeren ze graag allerlei rommel op de weg, zoals glasscherven, schroeven, bouten, moeren en heibeldijfjes, onderdelen van auto’s, afgewerkte olie, lege verpakkingen van McDonalds en zelfs een onderbroek. Ik hoop maar dat de Blue Bike goede banden heeft.

De Maas bij Yvoir

Yvoir is een industrieplaats met enige regionale functies en af en toe een bezienswaardigheid. Er wonen zo’n 9000 mensen. In het verleden werd er ijzererts gewonnen benevens steen uit de rotsen gehakt. Die stenen die je terug in veel huizen.

In de Maas ligt een eiland en dat trekt toeristen aan. Eilanden hebben nu eenmaal een magische aantrekkingskracht. In Yvoir heb ik geen foto’s gemaakt, want ik kreeg enige haast om weer op tijd in Namen te geraken. De laatste trein naar Delft vertrekt daar al vroeg.

De omgeving van Yvoir is mooier dan de plaats zelf. Yvoir was in 1975 even beroemd omdat hier de wereldkampioenschappen wielrennen werden gehouden. Ik hou me aan mijn eigen favoriete slakkengangetje van 16 kilometer per uur

De W is van Welkenraedt

Helemaal in het oosten van België ligt Welkenraedt. Onder de gemeente Welkenraedt valt ook de plaats Henri Chapelle, het hoogtepunt van verschillende fietstochten door het oosten van België. Die plaats ligt op 340 meter hoogte.

Fiets je vanuit Henri Chapelle naar Welkenraedt, dan gaat het gezwind, mits je je pet stevig op je hoofd hebt verankerd. Het kost weinig moeite om hier boven de 50 km. per uur te fietsen. En dan kom je ook nog eens op het idee dat een fietshelm misschien een beter idee is dan een pet.

Er wordt in Welkenraedt Diets gesproken (plat Limburgs). Dat is opmerkelijk, omdat de plaats officieel franstalig is. Het onderwijs is er grondwettelijk toegestaan in drie talen; Frans, Duits en Nederlands.

Bij station Welkenraedt

Welkenraedt ken ik vanwege het grensstation van de trein richting Duitsland. Maar de plaats had ik nog nooit gezien. Welkenraedt is zo’n plaats die karakteristiek is voor de chaos bij de inrichting van het land in België. Dwars door de plaats loopt een drukke verkeersweg. Het verkeer is er zeer chaotisch en dat geldt ook voor de bebouwing langs de weg. Van enig toezicht op de vraag wat er gebouwd wordt lijkt geen enkele sprake te zijn: ieder bouwt wat hem goed lijkt in eigen ogen. Dat geldt ook voor het winkelbestand.

De drukke weg door Welkenraedt is deels geplaveid met zand, losliggende steenslag en glas. Er is een onvoorspelbare fietsstrook waar soms auto’s op staan geparkeerd en soms moet je opeens een scherpe bocht maken. En dat alles gaat richting de autosnelweg over in een kolossaal bedrijventerrein met ook meubelzaken, Mc Donalds en supermarkten.

Het is allemaal zó lelijk dat het bijna weer mooi wordt... Een beetje meer architecturale schoonheid zou de plaats sieren. 

De V is van Verrebroek

Verrebroek maakt deel uit van de gemeente Beveren in Oost-Vlaanderen. De plaats roept ambivalente gevoelens op. Meestal is het er mooi weer, maar het landschap is heftig aangetast door de Antwerpse haven en andere ongemakken. 

Ik citeer uit een vorig verslag: “Na alle rustieke wegen van de afgelopen uren is het nu met de rust gedaan. Alles is hier groot en recht. Ik fiets over verse terreinen van de Antwerpse haven, die alsmaar groter wil groeien. Tussen de stad Antwerpen en de Nederlandse grens is er langs de Schelde nauwelijks meer een stukje groen overgebleven.

Even denk ik een aardige afslag te kunnen nemen. Het is zelfs een officieel fietspad. Maar het pad loopt dood op een autoweg.

Dan maar verder richting Verrebroek. De plaats wordt aan het oog onttrokken door nieuwe bedrijventerreinen. Een lange rij auto’s staat zich te vervelen voor een verkeerslicht dat lang op rood blijft staan. De weg die ik had willen nemen blijkt inmiddels voor fietsers afgesloten te zijn. Verrebroek blijkt onbereikbaar. Ik kan er dus ook niet over naar huis schrijven.

Beveren

Via Vrasene kom ik in Beveren uit, een aanzienlijke plaats met een aantal historische gebouwen. De plaats zelf telt zo’n 20.000 inwoners. De werkloosheid is er laag en de gemeentelijke belastingen schijnen er ook al laag te zijn. Dan mogen ze wel wat aan de fietspaden gaan doen. Maar ja, dat weet je in België. Belgische mannen zitten op zondag graag op de racefiets (en mijden daarbij de fietspaden) en door de week heeft de auto alle voorrang.”

Terug naar Verrebroek. Hoe nietig de plaats ook mag lijken, men heeft hier eeuwenlang strijd moeten voeren tegen het water. Dat zie je ook terug in Zeeuws-Vlaanderen. Diep dringen de watergeulen het land in, tot voorbij de Belgische grens.

Wie water zegt, zegt Noormannen. Die kwamen ook over het water en sloegen hier van alles kort en klein. Toen de plaatselijke bevolking de moed had opgegeven kwamen de Friezen afgezakt naar deze streek. De streek maakte een tijdelijke bloei door. Maar daarna kwamen er opnieuw overstromingen en werd er geknokt. De Spanjaarden bouwden er een fort om de Nederlanders tegen te houden. Door alle gedoe geraakte de streek in armoede.

Nu heeft Verrebroek een andere strijd te voeren. Hoe houden we het hier nog een beetje groen tegenover de massiviteit van de Antwerpse haven? 

De S is van Scherpenheuvel

Daar waar het vlakke Vlaamse land opeens gaat golven bevindt zich het belangrijkste bedevaartsoord van België. Op het hoogste punt van een heuvel ligt de Basiliek van Onze Lieve Vrouwe van Scherpenheuvel.

Al in 1973 wilde ik deze basiliek bezoeken. We maakten toen een fietstocht van jeugdherberg naar jeugdherberg in België. We waren toen vlak in de buurt (in Diest), maar helaas: van een bezoek kwam het niet. En ik wilde dat nog altijd goedmaken.

Je moet er wat voor over hebben. Vroeg opstaan en flink doorfietsen. Scherpenheuvel ligt over de kortste fietsroute honderd kilometer van Breda verwijderd. Ik hou niet van kortste fietsroutes en ben 130 km. lang onderweg.

Scherpenheuvel ligt in de gemeente Zichem, bekend van de TV-serie ‘Wij heren van Zichem’. Als je vanuit Turnhout komt fiets je eerst door Zichem en daarna moet je klimmen naar Scherpenheuvel, of Montaigu, zoals de Walen zeggen.

In de Middeleeuwen stond op het hoogste punt van de heuvel een eik en daar hing een Mariabeeld in. Veel mensen kwamen hier regelmatig bidden. Ook in de Middeleeuwen werden de hoogten dus benut voor de religieuze activiteiten, net als in het Oude Testament.

In 1602 werd er een houten kapel gebouwd en toen de calvinisten noordwaarts verdreven waren werd begonnen met de bouw van een heuse basiliek. Het barokke gebouw werd in 1629 ingewijd. Er werden vele sieraden naar het altaar geworpen, want aardse goederen hadden geen waarde. Die gewoonte schijnt nog steeds stand te houden, al heb ik dit verschijnsel niet waargenomen.

Sinds die tijd wordt een houten beeldje van Maria vereerd en volgens de overlevering zouden er veel mensen genezen zijn van ziekte en ongemak.

Het is een indrukwekkend gebouw, ook al omdat het op een heuvel staat. Je verwacht zo’n basiliek niet in een dorp met maar zo’n drieduizend inwoners (een schatting voor mij).

De kerk trok ook de aandacht van het Vaticaan. In 2011 kreeg de basiliek uit handen van Paus Benedictus de Gouden Roos. Dat is een blijk van waardering vanwege de bijzondere betekenis van het gebouw voor het welzijn van het volk.

Ik bezoek de kerk tijdens een mis. Er is geen zitplaats meer vrij op deze donderdagmiddag. En dat terwijl veel kerkgangers in een rolstoel zitten. Alle gangpaden zijn (ook) bezet. En dat schijnt de hele dag zo door te gaan. Na de mis kun je koffie met appelgebak scoren in de nabijgelegen etablissementen.

Het doel is voor mij bereikt. Na de mis fiets ik verder naar het meest nabijgelegen station. Onderweg passeer ik een enorme showroom van rolstoelen. Niet iedereen verlaat genezen de basiliek van Scherpenheuvel.

De Q is van Quévy

Ja, voor plaatsnamen die met een Q beginnen moet je bij de Franse taal zijn. De plaats Quévy ligt precies op de grens van België en Frankrijk.

Helaas is er iets mis met mijn fotoverzameling. Ik weet precies in welke hoedanigheid ik in Quévy ben geweest. Ik kan ook de foto’s van de ochtend vinden (toen was ik in Bergen/Mons), maar daarna ben ik het fotospoor bijster geraakt. Mogelijk heb ik de foto’s verkeerd gearchiveerd en nog niet de goede naam gegeven.

Ik fietste vanuit Bergen (Mons) naar het zuiden. ik wilde naar de vestingstad Maubeuge, maar ik vond de weg te gevaarlijk (een smalle drukke weg zonder fietspad). Dus sloeg ik vlak bij de grens rechtsaf. En voor de oplettende lezertjes betekent dat: naar het westen.

Quévy, Pieterskerk en kerkplein (bron: Wikimapia)

In dier voege kwam ik in Quévy. Deels ligt het dorp aan een lange rechte weg, zoals bekend van de Belgische heirwegen. Maar er liggen allerlei plukjes aan bebouwing wat verder weg van de weg. Zo heb je Quévy en Quévy-le-Petit. Deze keer klopt het. Quévy-le-Petit is kleiner dan Quévy.

Quévy ligt in een niet onaantrekkelijk glooiend landschap met grasland, akkerbouw en ook kleinere bospercelen. Soms zoef je opeens een heel eind naar beneden. Dan ligt er ergens een minkukelig beekje. Daarna moet je toch weer even venijnig klimmen.

Quévy Gare, hier wisselden de internationale treinen van locomotief (Frans/Belgisch). Bron: Railations

Opmerkelijk is het grote station van Quévy. Het was namelijk een grensstation, waar de internationale trein van Brussel naar Parijs stopte. De grens ligt er nog steeds, maar de treinen rijden niet door. Vier keer per dag vertrekt er een trein noordwaarts.

Het momumentale stationsgebouw verkeert in deplorabele toestand. Het biedt een minder fraaie inkijk in het Belgische beleid aangaande historische stationsgebouwen. Ik citeer: “In 2004 wil de NMBS het loket op het station sluiten wegens minder dan 300 dagelijkse reizigers. Op 25 januari 2005 stelde de gebruikerscommissie vast dat het loket gesloten was, maar dat het station een open wachtkamer had en dat er personeel aanwezig was. In 2007 voorzag een akkoord tussen de gemeente en de NMBS in de renovatie van het stationsgebouw en de herbestemming ervan tot een multi-service gebouw, maar de voorwaarden opgelegd door de NMBS werden door burgemeester Florence Lecompte geweigerd wegens de te hoge kosten.”

Het is dus wachten totdat de boel met donderend geraas instort. Of tot er iemand met geld over de brug komt...

De P is van Philippeville

Een 'ville' is een stad, zo heb ik van mijn leraar Frans, de heer De Deugd, geleerd. En inderdaad: aan de westrand van Philippeville is een MacDonalds. Dus het moet wel een stad zijn.

En Philippeville ís ook een stad. Bovendien heeft een een centrumfunctie. Maar steden in België en in Friesland zijn soms erg klein. Zo ook Philippeville. Er wonen 9000 mensen en af en toe een poes.

Philippeville ligt op een hoogvlakte (rond de 300 meter boven de zeespiegel) ten westen van de Maas in de provincie Namen. De weg er naar toe is vals plat. Je trapt je het apezuur en je snapt niet waarom. Je bekijkt je banden eens een keer of ze misschien zacht zijn geworden. Maar de oorzaak van het zware trappen zit in dat valse plat.

De weg aan de oostzijde naar de Maas rijdt heel wat meer comfortabel. Daar is een 15 kilometer lange afdaling naar de Maas bij Givet. Daar ben je in Frankrijk.

Philippeville

Philippeville werd door Karel V  aangelegd (nou ja, hij heeft zijn handtekening onder het plan gezet en verder geen poot uitgestoken).

Philippeville stadsplein en voormalig vredesgerecht (Justice de Paix)

De plaats werd een nieuwe vestingstad om de grens met Frankrijk te bewaken. De Fransen aasden namelijk voortdurend op de zuidelijke Nederlanden. De plaats is genoemd naar de zoon van Karel V, Philips II, die in Nederland niet zo erg populair is geworden vanwege een aantal ondemocratische ingrepen.

Later werd de plaats bekend omdat Napoleon Bonaparte er nogal heeft huisgehouden. Hij weigerde om zich na de Slag bij Waterloo in 1815 over te geven. Twee maanden later stonden de stellingen van de Pruisen klaar om Philippeville te bombarderen. Dat gebeurde toen nog met kanonnen. Twee uur na de eerste beschieting gaf het 1500 man sterke Franse leger zich over.

De stelling moest vervolgens worden gerepareerd en werd bij het Tweede Verdrag van Parijs toegewezen aan het Koninkrijk der Nederlanden.

Onder de plaats ligt een ondergronds gangenstelsel van 10 kilometer. Ik bleef echter bovengronds en nam een lunchpauze met zicht op een plaatselijke schooklas die zich aan de tucht van de juf moest onderwerpen.  

De O is van Overijse

Ik moest nogal diep in mijn brakke geheugen graven om weer te bedenken wat ik in Overijse had gezien. Ik dit geval waren we trouwens met twee m/v, want Tineke fietste mee.

Overijse is een vrij uitgestrekte plaats die niet direct opvalt. Dat krijg je als je in de schaduw van een grote stad ligt. In dit geval is dat Brussel.

Sint Martinuskerk in Overijse

Ten oosten van Brussel liggen prachtige bossen met o.a. veel beuken, die het bos in de herfst prachtig rood kleuren. Het is hier dan de Indian Summer van de lage landen. Eén van die bossen is het Zoniënwoud dat echt een groene long is voor de stad Brussel.

Overijse ligt nét aan de Nederlandse kant van de taalgrens, La Hulpe (één dorp verder) is Franstalig. Je kunt dus beter een kop koffie in Overijse drinken, want daar verstaan ze je in het café.

Voormalig gemeentehuis van Overijse

Wij kwamen alhier vanuit Leuven, langs een vriendelijk water: de IJse. Overijse ligt dus aan de overkant, al is dat maar net vanaf welke kant je het bekijkt. Aan weerszijden zijn heuvels die niet zo hoog zijn, maar die het land een afwisselend karakter geven. De streek staat bekend als de Druivenstreek. Ik vermoed omdat er druiven gekweekt worden.

Straat in Overijse

Wil je vanuit Overijse naar Brussel fietsen, dan is het wel even klimmen geblazen. Je moet namelijk uit het dal zien te geraken. Maar zo is het ook in het echte leven: soms moet je even klimmen om het dal uit te komen. Daar is niet altijd een pilletje voor.

De plaats Overijse telt zo’n 25.000 inwoners. Ze hebben de beschikking over een station waar geen trein komt. Als ze met de trein willen moeten ze naar La Hulpe (Terhulpen). Daar stopt de trein die tussen Brussel en Louvain-la-Neuve rijdt. Het lokale zwembad heet het Begijntjesbad.

Als er een baby wordt geboren in Overijse plant de gemeente een boom. Dat heet vast een babyboom. Dit soort aanmoedigingspremie zal wel nodig zijn, want één van de basisscholen sluit zijn deuren in juli 2022 vanwege een gebrek aan aanmeldingen van kinderen.  

De N is van Namen

Namen is niet de grootste stad van Wallonië, maar wel de hoofdstad van het franstalige deel van België. Er wonen 110.000 mensen. De stad ligt aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas. De bevolking spreekt voornamelijk koeterwaals: ik versta er niets van.  

Al in 1975 fietsten we door Namen. We kwamen toen uit Leuven en daalden in hoog tempo af richting de Maas om daarna verder de Maas te volgen richting Frankrijk. We durfden niemand aan te spreken. Zes jaar Frans op school was van weinig nut geweest.

Straatje met zicht op de Citadel

Vorig jaar wilde ik wel weer naar Namen, maar een buitenlands bezoek werd afgeraden. De handvatten van mijn fiets zijn namelijk bevattelijk voor corona.

In 2018 huurde ik mijn eerste Blue Bike fiets (de Belgische OV-fiets) op het (halve) Gare van Namen. Zoals veel Belgische stations verkeerde ook dat station in een permanente toestand van verbouwing, zodat het moeilijk was om de uitgang en de fiets te vinden. Sommige Belgische stations zijn jarenlang in renovatie en bij de nieuwbouw van het station van Mons heeft men de moed maar opgegeven: daar staat een noodgebouw al tien jaar naast een betonnen skelet dat een nieuw stationsgebouw zou moeten worden.

De markt van Namen

Namen is een oude en in strategisch opzicht ook van oudsher belangrijke stad. Aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas ligt één van de grootste forten van België. Het gebied van deze citadel heeft een oppervlakte van maar liefst 80 hectare. Maar aan de beklimming heb ik me niet gewaagd, ik daalde af naar het peil van de rivier. Die stond vandaag bijzonder hoog en klotste af en toe over de rand van de kade.

Namen was in de 16e eeuw tijdelijk een deel van Oostenrijk, eind 17e eeuw was het een Franse stad, maar drie jaar later veroverde de Nederlandse Koning Willem III de stad Namen. In 1746 veroverden de Fransen de stad, in 1748 werd Namen weer Oostenrijks grondgebied, in 1792 werden de Fransen hier weer heer en meester, om daarna door de Oostenrijkers verjaagd te worden. In 1794 volgde weer een Franse bezetting. Zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog werd er fel en langdurig gevochten om het bezit van de stad en met name de citadel. Het is een wonder dat er nog zoveel historische gebouwen in Namen te vinden zijn.
Blue Bike aan de Sambre

Opvallend vind ik de donkere toonzetting van de stad: veel donkergrijze en ook wel donkerbruine gebouwen langs een wirwar van smalle straatjes.

Maar misschien komt dat door het donkere weer. Drie keer een bezoek aan Namen terwijl het regende. De geuren van de etablissementen en de winkels zijn zoals overal in België met af en toe een Zeeman, een Blokker of een C & A. Door de ligging op de noordhelling van de rivier schijnt het in de zomer behoorlijk heet te kunnen worden in Namen. Maar daar heb ik nu op deze zaterdag in januari, geen last van.

Opvallend is de politieke omslag in de gemeenteraad tijdens de laatste verkiezingen, waarbij de Parti Socialiste halveerde en het Centre Démocrate Humaniste veruit de grootste partij werd. Behalve de plaatselijke overheid zetelt ook het Waalse parlement in Namen. Daar vormt de socialistische partij nog altijd de grootste fractie.