Spa-wit (2)

Ik ben op tijd weer op het station van Pepinster voor de laatste trein-etappe. De antiek aandoende trein baant zich een besneeuwde weg door het kronkelende dal, onderweg naar het eindpunt: Spa Géronstère.
Foto vanuit de trein tussen Pepinster en Spa

Spa is wereldberoemd. Over de hele wereld worden oorden met geneeskrachtige bronnen ‘Spa’ genoemd. De oude Romeinen meenden al dat het water hier een geneeskrachtige werking zou hebben.

Spa werd in de 19e eeuw pas echt beroemd. Vooral de Duitse adel, altijd vol zorg over de eigen gezondheid en nogal hypochondrisch aangelegd, vertoefde graag in Spa. Opmerkelijk is dat er een rechtstreekse treinverbinding bestaat tussen Aken en Spa.

Het eindpunt

Voor de adel en de rijke mensen werden er tal van gebouwen ontworpen, die nauwelijks voor paleizen onder doen. Ook de Duitse keizer kwam hier regelmatig, ook nog in 1918, toen hij meende in zwembroek aan de boze Engelsen en Duitsers te kunnen ontkomen.

Het ijzerhoudende water van Spa is afkomstig van de Hoge Venen en sijpelt vanaf de heuvels ten oosten van Spa richting deze plaats. Onderweg voegen de mollen er wat zouthoudende materie en bubbels aan toe.

Kunstacademie van Spa in een voormalig klooster

Tegenwoordig is Spa een plaats van zo’n 10.000 inwoners. Opmerkelijk zijn de torenhoge gestapelde kratten met Spawater langs de spoorlijn. Verder valt er nauwelijks industriële activiteit te bekennen.

Ik stap uit op het eindpunt Spa Géronstère, genoemd naar het beekje dat hier loopt en waar je gratis Spawater kunt tappen. Het is een minimaal station met één spoor, één perron, één kaartautomaat en één stootblok. Vroeger liep de spoorlijn door naar het zuiden. Helaas heeft men verzuimd om van dat deel van het tracé een fietspad te maken.

Ik trek de stoute schoenen aan en begeef me onderweg, al weet ik niet waarheen. Laat ik zeggen: mijn neus achterna. Af en toe is het een heel geploeter en ga ik bijna onderuit, maar ik word niet bevangen door de zwaartekracht en blijf op de been.

Wit weiland

Na de bebouwing volgt een prachtig stuk deels open land, bijna witter dan wit. Ik kom niemand tegen, behalve een loslopend paard. De langlaufers die in de trein zaten hebben kennelijk een andere bestemming. Ik heb geen idee waar ik naar toe loop, wel ben ik steeds aan het klimmen. Volgens de borden loopt de weg dood, maar bij elke kruising blijkt de weg toch nog verder door te lopen en ik dus ook.

Weiland met paard

Na een half uur klimmen besluit ik om nu maar eens een zijweg in te slaan, met opnieuw onbekende bestemming. De weg loopt even over een plateau en gaat daarna vrij steil naar beneden en duikt een bos in. Daardoor heb ik geen zicht meer op de omgeving. Volgens mijn richtinggevoel moet ik ongeveer richting Spa lopen, maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat ik heel ergens anders uit kom. De wegen in de Ardennen lopen namelijk nogal grillig.

Besneeuwde bomen

De afdaling stelt hoge eisen aan mijn knieën en het ijzer in mijn linkerknie. Niet alleen het water is hier ijzerhoudend, ook mijn knie. In combinatie met de kou is dat even een pijnlijke ervaring. Maar ik wil het verder niet over mijn persoonlijke ongemakken hebben. Die vallen in het niet, vergeleken met de schoonheid van het landschap.

Zijweg met onbekende bestemming

Nadat ik weer een weg naar rechts heb genomen beland ik in een limite de la ville, zoals de Fransen zeggen, oftewel een bebouwde kom. Dit nu is de bebouwde kom van Spa. Het zelfgekozen blokje om werkte dus goed. Langs de weg staan grote villa`s uit de 19e en het begin van de 20e eeuw. Daarna volgt meer dichte bebouwing volgens Belgisch recept: ieder heeft gebouwd wat goed leek in de eigen ogen.

Het ‘stedelijke’ centrum van Spa

Helaas blijkt het station onvindbaar en het ‘Wo is der Bahnhof?’ willen ze hier ook niet horen. Dus schakel ik over op de Franse taal. Die ben ik ondanks zeven jaar Frans op school niet machtig, maar ik weet me toch verstaanbaar te maken. Voor la Gare moet ik terug, een trap op, een viaduct over, een trap af en dan ben ik er. En ziedaar: de profetie komt uit.

De trein staat al klaar, ik ben precies op tijd. De terugweg gaat niet via Maastricht, maar via Brussel. Daar stap ik over op de internationale trein naar Amsterdam. Voor de kosten hoef ik het niet te laten: het Belgische spoor is erg aardig voor 65 plus. 

Spa-wit (1)

Er is hier in huis sprake van een tijdelijk ongemak. Tineke heeft weer een verbouwing georganiseerd. Deze keer op mijn werkkamer, waar WC en douche aan een renovatie toe waren.

Kijk, het zit zo. Beneden heb ik een werkkamer. Die was eerst van een fysio-therapeut, inclusief sanitaire ruimte. Daardoor hebben we drie toiletten en twee badkamers in huis. Dat is wel erg luxe.

Ik heb de neiging om alles hetzelfde te houden. Als je mij mijn gang laat gaan verandert er nooit iets in huis en wordt er uiteindelijk na overlijden een retrohuis verkocht. Precies zoals bij één van onze vrienden die in een halve eeuw nooit iets veranderd heeft.

Tineke zit wat anders in elkaar. Ze houdt erg van verbouwingen. Als ik geen werkkamer meer nodig heb kan er op die manier ook een student komen wonen. Of een particulier verpleegster (m/v).

Dit alles ter inleiding op de preek van vandaag. Omdat mijn werkkamer onbewoonbaar is geworden heb ik mezelf dinsdag getrakteerd op een treinreis. Maar waar zou ik dan heen moeten gaan? Ik bedacht dat ik wel eens sneeuw wilde zien. Dit alles met als motto: “Als de sneeuw niet naar Zuid-Holland komt, moet Zuid-Holland maar naar de sneeuw”.

Na een uitgebreide studie naar de sneeuwhoogten in Europa kwam ik tot de ontdekking dat er in de Ardennen (nog) best wat sneeuw lag. Dat was te ver om te fietsen, dus ging ik op zoek naar een OV-verbinding. De Flixbus of de trein. Het werd de trein.

Om kwart voor zes stond ik bepakt en bezakt op het station van Delft. Dat was nog een hele klus, want het fietspad naar het station was wegens verbouwing afgesloten. Maar ik was er en besteeg de Intercity die over de HSL in vijf kwartier naar Eindhoven rijdt. Onderweg bestudeerde ik een psychologisch artikel.

In Eindhoven bleken tal van reizigers in diepe slaap te zijn verzonken. Ik heb er twee vriendelijk gewekt, twee anderen deden hun ogen open en sliepen weer verder. Dan moeten ze het zelf maar weten. Die werden vakkundig afgerangeerd.

De volgende trein reed naar Maastricht. Van die reis heb ik weinig gemerkt want ik was in slaap gevallen. Toen ik wakker werd zat de trein vol. Kennelijk moeten er veel mensen naar Maastricht. Dat ligt nog in Nederland, hoewel Maarten van Rossem heeft voorgesteld om de provincie gratis aan België over te doen, zodat we zonder problemen van Geert Wilders en Maxime Verhagen af kunnen.

Station Liège Guillemins met de ICE naar Keulen

Thuis had ik alreeds een digitaal kaartje aangeschaft naar Luik. Ik weet niet of jullie Luik kennen, maar het is een stad die meerdere malen bijna failliet is gegaan, o.a. vanwege de bouw van een ondergrondse parkeergarage die niet af kwam. Ook werd er een kolossaal station gebouwd. Het futuristische gebouw begon al voor de opening te lekken en te roesten. Als je hier uit de trein stapt heb je een paraplu nodig.

Het station is een ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava die bekend staat om zijn extravagante bedenksels die altijd jaren te laat worden opgeleverd en roesten en lekken. Dat ontdekten we ook bij het station Oriente in Lissabon: daar regende het binnen meer dan buiten. Calatrava ontwierp ook de drie tuibruggen in de Haarlemmermeer. Die kostten de gemeente uiteindelijk het dubbele en na vijf jaar moesten er vanwege roest alweer miljoenen aan gemeenschapsgeld in worden gestoken.

Het station Liège Guillemins is gemaakt van staal, glas, wit beton en Belgische blauwe hardsteen, en beschikt over een monumentale overkapping van 160 m lang en 35 m hoog. De vertraging bij de oplevering bedroeg slechts 3½ jaar.

De trein naar Welkenraedt blijkt steeds meer vertraging te hebben: de ICE naar Keulen krijgt voorrang. Even zitten is er niet bij. Er staan namelijk geen banken op de perrons. Volgens de architect passen banken niet bij het ontwerp van zijn station. Het doet me denken aan het gebouw Oklahoma in Amsterdam Osdorp, een in architectonisch opzicht internationaal bekend ontwerp, maar volgens een rapport ” niet geschikt voor de doelgroep” (ouderen).

Geen trein naar Spa op station Pepinster

De Intercity naar Welkenraedt doorkruist België van west naar oost en heeft er al een lange reis opzitten. Meteen na Luik wordt het land wit. De trein trekt veel bochten door de sneeuw en volgt grotendeels het dal van de Vesdre, met af en toe een tunnel om het bochtenwerk af te snijden.

In Pepinster moet ik overstappen op de trein naar Spa. Er staan geen borden, er is geen omroep en het is onduidelijk of er een trein komt. Ook een aantal langlaufers staat te wachten. Uiteindelijk trek ik de conclusie dat ik de trein gemist heb en dat ik beter een eindje kan gaan lopen in plaats van af te wachten of er nog een trein komt.

Wandeling door Pepinster

Pepinster (4000 inwoners) werd in juli 2021 zwaar getroffen door de overstromingen (die in België 39 doden kostten). Hele straten waren afgesloten, honderden huizen dichtgetimmerd. In het dorp is de schade deels nog niet hersteld en 50 huizen zijn niet meer te repareren en werden of worden afgebroken.

De wandeling die ik maak is van het type ´blij dat ik glij´. Persoonlijke ongelukken doen zich niet voor. Na een stevige wandeling ben ik weer op tijd bij de trein naar Spa. 

Nederlandse en Belgische treinen

België heeft het dichtste spoorwegnet van Europa. Maar er rijden veel minder treinen dan in Nederland. Nederland heeft veruit het meest bereden spoorwegnet van Europa. 

Om het verschil duidelijk te maken: tussen de twee grootste steden van België rijden vier rechtstreekse treinen per uur. De agglomeratie Antwerpen telt 1,05 miljoen inwoners, de agglomeratie Brussel telt 1,4 miljoen inwoners.

Tussen de twee grootste steden van Nederland rijden elf rechtstreekse treinen per uur. De agglomeratie Rotterdam telt 1,2 miljoen inwoners en de agglomeratie Amsterdam telt 1,5 miljoen inwoners.

Instappers per station

Het verschil wordt nog duidelijker als je het aantal instappers per station bekijkt. Het drukste station van België is Brussel Noord. Dat station telt gemiddeld 64.000 instappers per dag (2019).

Het drukste station van Nederland is Utrecht Centraal. Daar telde men 207.000 instappers per dag (2019). Acht Nederlandse stations hebben meer instappers in de trein dan het drukste Belgische station.

Verbindingen

Station Luik-Guillemins

Als we naar de verbindingen met de grote steden buiten de Belgische Randstad kijken, dan zien we dat er twee treinen bij uur van Brussel naar Luik rijden. De agglomeratie Luik telt 600.000 inwoners.

Als we naar Nederland kijken, dan rijden er zes treinen per uur van Amsterdam naar Zwolle, voor een deel via de Flevolijn, voor een ander deel over de Veluwe. Zwolle telt 42.000 (NS) instappers per dag (er komen daar nog andere lijnen). Het vijf keer zo grote Luik telde in 2019: 34.000 instappers.

Materieel

Stoptrein van Roosendaal naar Puurs

In Nederland zijn de treinen vrij uniform qua inzet (je weet meestal op welk traject welk type trein rijdt). Alle treintypen zijn modern uitgevoerd. In België rijdt een allegaartje aan treinen. Vanuit Roosendaal rijdt bijvoorbeeld een antiek treintype van een halve eeuw oud dat onder de graffiti zit.

De instap van sommige treintypen is zó hoog dat je je daar als 65-plusser maar beter niet aan kunt wagen. Dat is zeker het geval als ik mijn fiets in de fietsenafdeling wil laden. Dan moet ik hem soms verticaal boven mijn hoofd tillen omdat de instapruimte zich op 1,5 meter hoogte bevindt.

NMBS monopolie

Een opmerkelijk verschil tussen de Belgische en het Nederlandse spoorwegnet is dat België geen particuliere spoorwegmaatschappijen kent. Alle reizigersvervoer is in handen van de NMBS.

Een voordeel voor 65-plussers is dat alle treinretours door het hele land voor hen € 7,20 kosten. Maar ja, met die hoge instap wagen veel 65 plussers zich niet meer aan een reis met de trein. 

Brussel door vier ogen

Het is traditie aan het worden dat vader en dochter een dagje uit plannen om ons elders cultureel te verrijken. Na Leuven was het nu de tweede keer een dagje Brussel. In Brussel valt genoeg te zien en te beleven.

Voor de kosten en de reistijd hoef je het vanuit Delft niet te laten. Een retourtje Zwolle is duurder en je bent langer onderweg. En je hoeft ook geen Belgische francs aan te schaffen: de meeste Belgen accepteren inmiddels ook euro’s.

Brussels keramiek in het Broodhuys

Brussel telt maar liefst 220 musea. De vorige keer bezochten we er eentje, nu stonden er twee in de planning. Het eerste museum was het Broodhuys op de Grote Markt. Het was nog rustig, alleen waren gemeenteambtenaren bezig om de kerststal af te breken. De schapen en de ezel waren inmiddels terug naar de plaatselijke kinderboerderij.

Het Broodhuys belicht de geschiedenis van Brussel. Zo is er veel aardewerk te zien. Dat vind ik altijd eng, ik ben bang dat ik een dure vaas om gooi. Dat levert wel bekendheid op, maar ook een museumverbod.

Brussel was voor de watertoevoer afhankelijk van een beekje, de Zenne. Daar hangt ook een hele geschiedenis aan die ik me niet gerealiseerd had. Pas in 2006 heeft België (onder druk van Europa) het rivierwater gezuiverd.

Grote Markt in Brussel

De Grote Markt, het toeristische visitekaartje van Brussel, kent een bewogen geschiedenis. Na de Reformatie werden er o.a. honderden protestanten publiek ter dood gebracht (onthoofd of geëxecuteerd). In 1695 werd het centrum van de stad gebombardeerd door de Fransen. Het was een niet-militair doel en ook destijds werd er al schande van gesproken. Het gevolg was dat de hele Grote Markt verwoest werd (het waren houten huizen). Wat er nu staat aan gebouwen werd daarna opgebouwd in barokke stijl om de welvaart van de gilden te laten zien.

Stadstuintje met muurschildering

Na het bezoek aan het Broodhuys gingen vader en dochter aan de wandel. We gingen moedig westwaarts, in de richting van de Koekelberg. Wat is dat gewone Brussel een mooie stad! Er zit weinig lijn in de bebouwing, maar dat maakt de stad ook afwisselend. Wat Brussel ook zo fleurig maakt zijn de vele striptekeningen op de muren.

Onderweg bezoeken we een museum dat gewijd is aan de kleding van Manneke Pis. Ik had niet bedacht dat je daar een museum aan kon wijden, maar de Belgen zijn museaal goed onderlegd. Daarna dronken we koffie in een winkel voor bladmuziek. Ook dat is een combinatie die ik nog niet kende.

Sint Jans-Molenbeek

Vervolgens komen we in Sint Jans Molenbeek, een wijk die bekend of berucht is vanwege het feit dat verschillende daders van de aanslagen in Brussel en Parijs hier vandaan komen. Maar liefst 80% van de inwoners van deze (zelfstandige) stad (bijna 100.000 inwoners) is van buitenlandse komaf. De helft van de jongeren zit zonder werk.

Even een mededeling van gemeentelijke aard: Sint Jans-Molenbeek is een zelfstandige gemeente. De stad Brussel bestaat uit 19 deelgemeenten, waardoor het geheel in bestuurlijk opzicht nogal chaotisch is.

Het is druk in één van de straten: de moskee loopt leeg en mannen (met bijna allemaal baarden en witte gewaden) lopen naar huis toe. Er is geen vrouw te bekennen, terwijl 51% van de bevolking vrouw is. Wat dat betreft lijkt het wel op de straatbeeld dat er nu schijnt te zijn in Afghanistan. We voelen ons hier inderdaad een kleine minderheid. Aan de rand van de plaats staat een aantal verlaten huizenblokken in ‘Plattenbaustijl’. Hier viel kennelijk niets meer aan op te knappen. Aan de rand van de wijk heeft men een gezellig stadstuintje aangelegd.

Nationale Basiliek op de Koekelberg

Dan krijgen we zicht op de Koekelberg basiliek. De kerk heeft de vorm van een Latijns Kruis, met een middenbeuk van 141 meter lang en een breedte van 108 meter. De hoogte van de koepel van 89 meter. Aan de buitenzijde is de kerk 165 meter lang. Daarmee is de kerk één van de grootste van de wereld. Er kunnen 3500 kerkgangers in. De kerk is in Art Decostijl gebouwd en heeft daardoor (vind ik) een wat strenge uitstraling.

Uitzicht over Brussel vanaf de basiliek

Officieel heet de kerk de Nationale Basiliek van het Heilig Hart. Er werd van 1905 tot 1970 aan gebouwd. Toen het bouwwerk klaar was waren de meeste potentiële kerkgangers overleden, de latere generatie had veel minder met de kerk en de veel inwoners van de wijk gaan niet naar de kerk, maar naar de moskee. Ik vind dat kerken niet groot moeten zijn, maar bescheiden, maar zo’n kerk is wel indrukwekkend.

Wijk van rond 1900 in Brussel

Bovenop de kerk heb je het mooiste uitzicht op Brussel, veel mooier dan vanuit het Atomium. Dankzij het prachtige weer konden we genieten van een mooi Brussels panorama.

Terug lopen naar het centrum kon ook, maar we kiezen voor een rit met de tram naar station Zuid. Daar vandaan lopen we naar het centrum. Opnieuw komen we door prachtige afwisselende wijken. Brussel is een stad waar je al wandelend de sfeer moet proeven.

Aan het eind van de dag heeft Nynke's stappenteller 28.000 stappen geteld. Volgens haar is dat veel.

Langs de Sambre

Op school hebben jullie vast wel geleerd over de Sambre. Het is geen opmerkelijke of grootse rivier. Meer een soort Linge die zich door de heuvels van Noord-Frankrijk en Wallonië slingert. Of een Vecht, voor de lezers in Overijssel. 

Dat de Sambre toch over een grote lengte bevaarbaar is, komt doordat de rivier in de 19e eeuw grotendeels gekanaliseerd werd. Hij stroomt namelijk door Charleroi en dat was in die tijd één van de belangrijkste industriële gebieden van West-Europa.

Elk retour voor een 65-plusser kost in België € 7,20. Voor het grensoverschrijdende deel betaal je dan nog extra (in mijn geval Roosendaal-Essen: € 5,00 retour). Je kunt ook naar doorrijden naar Luxemburg, waar het OV gratis is). 
De Bluebike tegenover de Citadel van Namen

Omdat ik fietspogingen aan het doen was, maar niet ver kwam, besloot ik nog eens elders te oefenen. Ik nam de trein naar Roosendaal en zoefde vervolgens per trein België in. Twee overstappen en twee uur later was ik in Namen. Daar huurde ik een Blue-Bike, de Belgische OV-fiets.

Belgische OV-fietsen gedragen zich als een soort tank. Een zwaar frame en brede banden dat je zwaarder trapt dan je thuis gewend bent. Daar staat tegenover dat deze fiets zeven versnellingen heeft en dat de huur 70% goedkoper is dan de Nederlandse OV-fiets.

Jaagpad langs de Sambre

Namen is een wat grijze stad (als gevolg van de kleur van de gebouwen) aan de samenvloeiing van de Maas en de Sambre. En waar een samenvloeiing is, daar ontwikkelden middeleeuwse planologen ook graag een burcht, en in later eeuwen werd dat een fort. Zo ook in Namen. Op een honderd meter hoge heuvel ligt de strategische citadel.

Industrie langs de Sambre

Namen is de hoofdstad van Wallonië, maar oogt meer als een provinciestad. Met zijn ruim 100.000 inwoners is de plaats vergelijkbaar met Alkmaar. Er is ook geen grote industrie gevestigd. Het centrum omvat tal van kleine straten met kleine winkels en aan de rand staan de kleinschalige gebouwen van de universiteit.

Er staan geen fietsborden richting de Sambre, dus ik fiets mijn neus achterna. Bij de samenvloeiing van Maas en Sambre zijn een paar ingewikkelde kruisingen. Illegaal en heelhuids kom ik aan de overkant. Ik fiets nu westwaarts langs het water, totdat het pad in blubber eindigt. We zijn hier in België. Daar gaan ze we vanuit dat borden zinloos zijn en dat de fietser het zelf maar moet ervaren hoe het zit.

Langs de Sambre: van Namen naar Floreffe

Ik ga over twee sluisdeuren naar de overkant van het water. Daar zie ik het Jaagpad langs de Sambre. Het is bewolkt, de straat is nat en even buiten het dal zie je de grijze en bruine heuvels oprijzen (bruin vanwege de bladeren van de bomen).

Uiteindelijk kom ik in Floreffe. De beroemde abdij die boven het dorp ligt werd gesticht in 1121. Tegenwoordig is er een middelbare school gevestigd benevens internaat. Om het allemaal wat gezelliger te maken is er ook een bierbrouwerij gevestigd.

Graftombes bij de dorpskerk van Floreffe

Ik neem de verkeerde trap en kom bij de dorpskerk uit, die helemaal wordt omgeven door een begraafplaats met tal van tomben die in een muur zijn ingemetseld. De trap leidt verder nergens toe, het pad loopt dood. Maar omdat het begint te schemeren heb ik niet genoeg tijd om naar beneden te gaan en alsnog de lange trappen naar de abdij te beklimmen. Ik bestijg de Blue Bike weer.

Terug neem ik de grote weg naar Namen. Deze leidt ook door het dal, maar op grotere afstand van de Sambre. Het is een wat saaie weg, met veel autogeraas. Daardoor voelt het allemaal wat extra vermoeiend. Ik ben blij als ik weer heelhuids bij het station van Namen ben.

De Strava heeft er vandaag bijna 30 kilometer bij opgeteld. Drie overstappen en drie uur later ben ik weer in Delft.   

Aalst

De mensen vragen mij: "Henk, kom jij wel eens in Aalst?" Dat zal ik jullie zeggen. Regelmatig ben ik in Aalst geweest. Maar niet in het Belgische Aalst, maar in Aalst aan de Afgedamde Maas. Nu was ik in het Belgische Aalst, ijs en weder dienende.

Ik had namelijk voor 20 euro een retour eerste klasse per trein naar Aalst gevangen. Dat leek me wel aardig, want in dit Aalst was ik nog nooit geweest, terwijl het toch een aanzienlijke stad is. De plaats is vooral bekend vanwege het carnaval dat elk jaar uit de hand loopt omdat de mensen zó verkleed zijn dat niemand meer weet wie wie is.

Het station van Aalst. Ook tal van Belgische gevangenissen kennen deze bouwstijl.

De gemeente Aalst telt 88.000 inwoners en is daarmee bijna zo groot als plaatsen als Leeuwarden en Alkmaar. Ook het winkelbestand lijkt op die plaatsen, want er is een Zeeman, een Blokker, een Hema, een C & A en een Albert Heijn. Er is ook een station waar verschillende spoorlijnen samen komen. Zoals veel Belgische stations is ook het station van Aalst deels gerestaureerd en gerenoveerd, waarna het geld vermoedelijk op was en de rest rommelig van aanzien is gebleven.

De Sint Martinuskerk in Aalst

De inwoners van Aalst voelen zich echte Vlamingen en dat moet ook wel, zo vlak bij de taalgrens. Vóór je het weet wordt er in je stad Frans gesproken en dan zijn de rapen gaar. De notoire Vlaamse partijen bezetten er 34 van de 43 zetels, waarbij de NV-A en het Vlaams Belang de grootste partijen vormen.

Ik kwam per trein aan in Aalst en liep rechtdoor de binnenstad in via de Stationsstraat. De wereld zit weer logisch in elkaar. De binnenstad is deels voetgangersgebied met veel kleinere winkels met opvallend veel hippe kitsch, zoals het bord HOME en aanverwante artikelen.

Historische gebouwen aan de markt in Aalst

Ik ging op zoek naar het historische marktplein, maar dat bleek verstop te zijn achter de kramen van de kerstmarkt benevens een nepijsbaan. Altijd als ik in België historische marktpleinen wil bezoeken staan er marktkramen, zijn er kermissen aan de gang of grazen er grote graafmachines. Ze doen het er om!

Daarna door de tuin achter het stadhuis, waar een stel Vlaamse jongeren jointjes stond te roken onder het toeziend oog van de burgemeester. Zelfs in het meer gedisciplineerde België doen jongeren dingen niet niet legaal en ook nog eens ongezond zijn.

Vervolgens kwam ik in de Sint Martinuskerk uit. Het is een grote kerk waar twee eeuwen lang en door verschillende architecten aan gebouwd is. De bouw werd twee maal lang onderbroken, eerst door een pestepidemie en later door de strijd tussen de katholieken en protestanten in de 17e eeuw. Nadat de kerk klaar was werd er een groot orgel gebouwd, het ‘Van Pethegem-orgel’. Begin 21e eeuw moest de hele kerk een grondige restauratie ondergaan.

Bijzonder zijn de vele kapellen die rond de kerk zijn aangebracht. Je gaat hier van kapel tot kapel steeds voort. In de kapellen hangen imposante schilderijen, o.a. van Peter Paul Rubens, die het dit keer netjes heeft gehouden zonder wulpse dames.

Het Begijnhof in Aalst

Toen ik de kerk weer uitliep zag ik een bordje naar het Begijnhof. Ik wil zoveel mogelijk begijnhoven bezoeken, dus hier moest ik ook naar toe. Verdere aanwijzingen deden zich niet voor dus ik liep op goed geluk maar eens een straat in. En ziedaar: daar was het begijnhof. Wat een aanfluiting. Een deel van de Belgische begijnhoven valt onder UNESCO-werelderfgoed, maar hier heeft men de oude huisjes van de begijnen zonder verder op te letten verpatst aan lelijke nieuwbouw uit de jaren ’60.

De Dender in Aalst

De stadswandeling was nog niet afgelopen. Ik liep naar de Dender, de rivier die vroeger Aalst handel en werkgelegenheid leverde. Het zicht op de Dender wordt deels aan het oog onttrokken door een luid sissende fabriek. Ik heb geen idee wat er in de fabriek gestopt wordt en wat er als eindproduct weer uitrolt.

Ik liep nog een grillig rondje door de stad op zoek naar mogelijk historisch erfgoed, maar Aalst is zoals zoveel Belgische steden. De kaalslag en verrommeling van kort na de Tweede Wereldoorlog heeft men na die tijd nooit meer kunnen herstellen.

Wat rest in Aalst zijn plukjes mooie architectonische geschiedenis, omringd door een wirwar aan bedrijven, huizen en onderwijs-instellingen. Van een systematisering van deze chaos is het nooit gekomen. 

De Jugendstilwijk Zurenborg in Antwerpen

Voor 4,99 euro per persoon namen we de Flixbus. De Flixbus reed door naar Tsjechië en wij stapten in Antwerpen uit. Daar huurden we de Blue Bike, de Belgische OV-fiets.

Nu we het toch over de Blue Bike hebben. In Nederland is de OV-fiets een daverend succes. Inmiddels zijn er 22.000 fietsen te huur op 300 locaties. Daar kan de Belgische Blue Bike bij lange na niet aan tippen. De fiets wordt vooral verhuurd in Vlaanderen. De meeste Walen kunnen waarschijnlijk niet fietsen. Pluspunten van de Blue Bike zijn de drie of zeven versnellingen en de lagere huurprijs dan in Nederland.

Aan de Cogels Osylei in Bechem

Met de Blue Bike fietsten we dwars door de Joodse wijk naar Antwerpen Berchem. Daar ligt één van de mooiste architectonische parels van België verstopt: de wijk Zurenborg. Maar eerst nuttigden we nog een krachtdadig ontbijt aan de rand van de wijk.

Drie op een rij van drie verschillende architecten

Toen de stad Antwerpen uit zijn voegen barstte en de spoorwegen op hun hoogtepunt waren wilden de rijke inwoners van Antwerpen de stinkende stad uit, maar wel in de buurt van een station. Antwerpen Centraal geldt als één van de mooiste stations van de wereld. Het wordt ook wel ‘de spoorwegkathedraal van Europa’ genoemd. En aan de oostzijde van de spoorlijn van Antwerpen Centraal naar Berchem ontwikkelde zich in 20 jaar tijds een woonwijk die uniek is voor Europa. Niet groot, een paar straten slechts, maar je kunt er uren in ronddwalen. Wel vooral in de schaduw vandaag, want het werd 35 graden.

Huizen aan de Waterloostraat

De Cogels Osylei staat vol met huizen uit die tijd en wordt daarmee ‘de meest fotogenieke straat van Antwerpen’ genoemd. De straat bevindt zich op 5 minuten lopen vanaf de voorzijde (oostzijde) van station Antwerpen Berchem.

Het is echt niet alleen de Cogels Osylei waarbij je ogen in de kassen gaan rollen en waarbij je mond open valt van verbazing. De hele buurt Zurenborg is een aanrader om te bezoeken. De zijstraten, de Generaal van Merlenstraat, Transvaalstraat en de Waterloostraat staan allemaal vol met dezelfde architectonische hoogstandjes in Jugendstilstijl.

Detail van een gevel aan de Waterloostraat

En wil je even een heel andere – meer volkse – wijk zien en ervaren, dan loop je aan het eind van de Cogel Osylei even onder het spoor door.

Het bekendste huis in Zurenborg is toch wel dat van de Vier Seizoenen. Maar dat is niet één huis, het zijn er vier. Op de kruising van de Generaal Van Merlen- en Waterloostraat zie je vier hoekhuizen tegenover elkaar die “Herfst”, “Winter”, “Zomer” en “Lente” op de gevel hebben staan. De huizen dateren uit 1899 naar een ontwerp van Jos Bacourt.

Daklicht in een huis aan de Waterloostraat

En tot grote vreugde van Tineke mochten we één van de huizen in de Waterloostraat van binnen bezichtigen. De eigenaar liet ons als nieuwsgierige toeristen binnen voor een rondleiding van de enorme kelder tot en met de zolder (vijf verdiepingen boven elkaar). Centraal in het huis een ronde hal met op elke verdieping een balustrade en boven in een koepel van gebrandschilderde ramen in Jugendstil.

Voor de eigenaar op leeftijd is dit huis een blok aan het been vanwege de kosten van het onderhoud. Maar je hecht je nu eenmaal aan familiebezit. Als het hem allemaal gaat lukken wil de eigenaar er een soort museum in vestigen waardoor het pand ook voor andere toeristen toegankelijk wordt.  

We gaan Schelden (6)

Soms vind ik het te erg om waar te zijn. Haventerreinen zoals Europoort, de havens van Amsterdam, van Antwerpen en van Hamburg. 

Als fietser ben je nergens meer, een vlieg die zomaar verpletterd zou kunnen worden temidden van al dat grote geweld van denderende vrachtwagens en sissende installaties. En waar de weg voor de fietser heen leidt is ook maar de vraag. Zo ben ik eens 10 kilometer het havengebied van Hamburg binnen gefietst om aan het eind te ontdekken dat het fietspad zonder verdere aankondiging eindigde in een autotunnel.

Op het haventerrein van Antwerpen

Ook de haven van Antwerpen heeft grootse verrassingen voor de fietser in petto. Zoals een zonder aankondiging afgesloten brug of een doodlopende route die als prachtig nieuw geasfalteerd pad begon. Maar Antwerpen doet zijn best om het fietserleven te verbeteren. Zo is er een fietsbus door twee tunnels naar de oostelijke oevers, er is een waterbus gekomen en veel fietspaden zijn goed geasfalteerd. Dat is vooral om de speedpedelics ruim baan te bieden. De meeste fietsers rijden hier op zo’n fietsmonster.

Gestapelde containers

Ondanks alle bedrijvigheid vind je ook nog natuur op de haventerreinen. Er is nauwelijks een boom te zien, maar er zijn wel honderden konijnen benevens veel paarsblauw parelzaad (of zoiets, Tineke heeft de naam gezegd, en ik vergeet dan dan weer). Vogels en vlinders zie je hier niet, op een enkele verdwaalde meeuw na.

Zicht op de Schelde vanaf Fort Liefkenshoek

En dan is daar na 12 kilometer fietsen (na het bezoek aan Doel) door de hete havenwoestijn opeens Fort Liefkenshoek: een authentiek fort midden tussen de haventerreinen. Het Fort werd rond 1585 aangelegd door de Republiek der Verenigde Nederlanden om de Staten van Holland te beschermen tegen de voortdurende aanvallen van de Spanjolen. En af en toe waagden de Fransen ook nog eens een poging.

Fort Liefkenshoek

Aan de andere kant van de Schelde vind je Fort Lillo, dat ook bescherming moest bieden, maar in 1584 werd ingenomen door de Spanjolen. Een jaar later viel Antwerpen in handen van de Spaanse bezetters, maar beide forten kwamen in handen van de Noordelijke Nederlanden. Daardoor was de zeegang voor de haven van Antwerpen afgesloten. De Nederlanders wilden tol heffen en de Spanjaarden erkenden het Nederlandse recht op tol niet. Aan het eind van de Tachtigjarige oorlog werden beide forten tijdens de Vrede van Münster toegewezen aan Nederland.

Waterbus naar Antwerpen

In 1747 kwam het fort in Franse handen en in 1748 weer in Nederlandse handen. Daarna werd het fort in 1786 overgedragen aan Oostenrijk 9wat deden die nu weer helemaal hier?) en in 1795 bedacht Napoleon dat de beide forten de Franse overheid konden dienen. In 1814 werden de forten Nederlands en dat bleven ze ook tijdens de Belgische Revolutie. Bij de definitieve vaststelling van de grens tussen Nederland en België kwamen ze – mede onder buitenlandse druk – in Belgische handen.

Zicht op Antwerpen vanaf de Waterbus

Daarna was het uit met de pret: de forten bleven als gebouw bestaan, maar ze hadden geen militaire functie meer. Hoewel: Fort Liefkenshoek werd een quarantaine-instelling (voor militairen en buitenlandse zeevarenden), en daarna werd het een vakantiebestemming voor Belgische militairen.

Wij bezochten dus dit fort, dat zeer gastvrij is. Gratis en voor niets word je welkom geheten, je mag de tentoonstellingen bezoeken, de uitkijktoren beklimmen, een bunker van binnen bekijken en een wandeling over de vestingwerken maken.

Na ons bezoek liepen we met fiets en pet naar de aanlegsteiger voor de Waterbus naar Antwerpen. Na drie kwartier varen legden we aan in het centrum van de stad. 

We gaan Schelden (5)

Jarenlang was ik van plan om het dorp Doel te bezoeken, maar elke keer weer bereikte ik dat Doel niet. 
Straat en parochiekerk in Doel

De veerpont van Doel naar Fort Lillo werd opgeheven, er is geen fietstunnel naar Doel en de omweg via Antwerpen bleek een te lange omweg. Toen ik toch een keer dichter in de buurt was begon het steeds harder te waaien. Het doel mocht dus niet bereikt worden. Maar onder de bezielende leiding van Tineke is het uiteindelijk tóch gelukt.

Van Prosperdorp naar Doel is maar zes kilometer. Maar voordat je Doel binnen fietst zijn er slagbomen en waarschuwingsborden, alsof je een militair vliegveld nadert. Automobilisten moeten zich melden bij een receptie. Doel is dus geen gewoon dorp. Doel is het Ruigoord van België, waar slechts een klein aantal mensen stand heeft gehouden temidden van de alsmaar oprukkende havens.

Door bomen en struiken bijna helemaal overwoekerde villa in Doel

Ooit was Doel een welvarend boerendorp. Vanaf de 13e eeuw werd hier turf gewonnen. Maar net zoals bij de winning van aardgas: aan het onttrekken van veen aan de bodem hing een prijskaartje. Het gebied werd steeds kwetsbaarder voor overstromingen en in 1583 vond een watersnoodramp plaats waarbij bijna alle turfwinningsprojecten verloren gingen. Daarna ontstond er oorlog tussen de Hollanders en de Spanjolen en werd het gebied onder water gezet. De omgeving van Doel viel volledig ten prooi aan de getijden.

In 1614 gaven de Staten van Holland toestemming om de omgeving van Doel te bedijken. Zo ontstond, geheel in de lijn van de planologie van Leeghwater, een rechthoekig bedijkt gebied met Doel als belangrijkste kern. Het rechthoekige stratenpatroon is uniek voor België.

Molen op de dijk in Doel

De bevolking leefde vredig en agrarische voort met twee onderbrekingen door twee wereldoorlogen (over de Franse tijd kon ik niets vinden). De vijand kwam uit onverdachte hoek: in 1968 vaardigde de gemeente Antwerpen een bouwverbod voor Doel uit. Het hele gebied was voorbestemd om haventerrein worden. Dat was het begin van het einde. er ontstond leegloop, want het dorp had weinig perspectief meer. In 1978 werd besloten dat er in Doel toch weer gebouwd mocht worden: de havens van Antwerpen zouden rond Doel gegraven worden en het dorp kon een groene zone worden. Maar het was al te laat.

Straat in Doel met de kerncentrale op de achtergrond

Ondertussen leidden onduidelijke politieke beslissingen en juridische blunders tot grote vertragingen bij de aanleg van de havens. Dat maakte de toekomst van het dorp nog altijd ongewis. Het eiste zijn tol bij de bewoners, die verdeeld raakten in een deel dat wenste te blijven en een deel dat een duidelijke en billijke onteigeningsregeling eiste. 

De plaats liep in hoog tempo leeg, omdat wonen met zoveel spanningen en zo’n ongewis perspectief een aanslag doet op de leefbaarheid. Momenteel wonen er nog tien mensen in Doel. Ramen en deuren van de huizen zijn dichtgetimmerd. Doel is een spookdorp geworden, dat nochtans en desalniettemin veel bezoekers trekt.

Vorig jaar bezocht het programma Reizen Waes Vlaanderen het bijna leegstaande dorp Doel en interviewde er de laatste bewoners. Die documentaire is nog terug te kijken. 

De Z is van Zoutleeuw

Had ik het Belgische plaatsnamenalfabet niet eens af gemaakt. Foei! Allen de Z bleef nog over. Daar is voldoende keus in. Laat ik het houden bij één van de meest bijzondere kleine Belgische plaatsen: Zoutleeuw. 

De mensen vragen mij wel eens: Henk, kom jij wel eens in Zoutleeuw? Dat zal ik jullie zeggen. In Zoutleeuw ben ik meerdere malen geweest. Anders zou ik de foto’s niet eigenhandig hebben kunnen maken.

De Kleine Gete loopt dwars door het centrum van Zoutleeuw

Mocht je niet weten waar de plaats ligt: tussen Sint Truiden en Tienen, ook twee historische steden. Als je van Maastricht naar Leuven fietst kom je in de buurt van Zoutleeuw, maar je moet nog wel even afslaan, anders fiets je er zomaar voorbij.

Zoutleeuw ligt aan een voormalige spoorlijn, die is omgebouwd tot fietspad. Dat zijn altijd comfortabele fietsroutes, al vind ik ze op den duur vaak een beetje saai worden.

Vroeger was Zoutleeuw een heel belangrijke stad, aan de handelsweg tussen Brugge en Keulen. Het was één van de vrije steden van Vlaanderen. Vooral de lakenindustrie bloeide. Men deelde er dus de lakens uit.

In de bloembakken zie je in de zomer uitbundig bloeiende planten

Vanaf de 16e eeuw taande de betekenis. De Spanjaarden hielden de zuidelijke Nederlanden bezet en dat was niet goed voor de economie. Tegenwoordig is het een slapend stadje, waar het goed toeven is. De gemeente telt in zijn geheel 8000 inwoners.

Maar zoals wel vaker gebeurt leidt stilstand niet altijd tot verval. Hier geen afbraak van oude gebouwen of doorbraken vanwege het verkeer. In  België zijn ze erg goed in het in vredestijd verwoesten van oude steden. Kijk maar eens naar Brussel. Maar in Zoutleeuw is dat niet gebeurd. Die oude gebouwen staan er voor een groot deel nog.

De Sint Leonarduskerk van Zoutleeuw

Veel huizen in het oude centrum hebben hun eigen naam. Een deel van die huizen wordt opgesierd door welige bloeiende bloemen in bloembakken. Dit zijn de hangende tuinen van Zoutleeuw.

Het stadhuis werd gebouwd door Rombout II Keldermans, één van de belangrijkste architecten van de Brabantse gothiek (de OLV-kerk van Mechelen, het stadhuis van Middelburg, het Markiezenhof in Bergen op Zoom).

Maar Zoutleeuw is vooral trots op de Sint Leonarduskerk, die op de lijst van het Werelderfgoed van Unesco staat.