Kanaalfietsen (5)

Deze keer fiets ik weer langs een Belgisch kanaal. Het is het Kanaal van Brussel naar Charleroi.

De reden dat ik bij dit kanaal terecht kom is een toestand van spoorkundig ongemak. Het is vrijdag de dertiende en dat betekent dat er twee treinen op de HSL uitvallen. De inhoud van drie treinen wordt geperst in de volgende trein, die twee uur later in Brussel aan komt.

Ik zou naar Bergen (Mons), maar dat is nu te ver. Ik stap in Brussel over op de trein naar Halle en daar huur ik een Blue Bike.

Halle ligt aan het Kanaal van Brussel naar Charleroi. Het kanaal werd urgent omdat het vervoer van steenkool vanuit de Borinage naar de grote Vlaamse steden enorm toenam. Maar het was een hele klus: het water moet honderd meter stijgen. Hoe houd je dat water ‘boven’ vast? Er wordt zo’n 200 jaar op gepuzzeld, maar pas in de Nederlandse tijd (1813 tot 1839) wordt begonnen met de aanleg van het kanaal.

 

Het kanaal is al snel verouderd en te krap voor de groter wordende schepen. Het aantal sluizen wordt verminderd en de hoogteverschillen per sluis worden groter. Er wordt een aantal bochten uit gehaald. Tegenwoordig kunnen schepen tot 1350 ton tussen Brussel en Charleroi varen.

 

Het kanaal loopt direct achter het moderne station van Halle langs, maar helaas is de fietsroute hier afgesloten. Even verderop kan ik de fietsdraad oppakken. Ik passeer de dorpen Tubeke en Klabbeek, twee van oorsprong Vlaamse dorpen die inmiddels Franstalig zijn geworden. Op het fietspad moet ik dus steeds “Bonjour!” zeggen. Overigens kom ik maar één fietser tegen en in België zijn fietsers wielrenners. De rest van de aanwezigen zijn 50-plussers die een hondje uitlaten en vissers die proberen vis te vangen.

Ook schepen kom ik niet tegen in het kanaal. Wel liggen er veel schepen die zijn omgebouwd tot woonboot.

Het land is vrij afwisselend: oude industrie en groene weilanden met plukjes dorpen wisselen elkaar af. Wat meer naar het zuiden toe wordt het land aanzienlijk meer heuvelachtig.

Onderweg passeer ik twee maal een sluis. Bij de tweede sluis, die van Asquemont, is een heuse haven voor de pleziervaart aangelegd. Het lijkt me hier niet zo leuk varen, je kunt alleen maar heen en weer terug.

Na 20 kilometer, bij Asquemont,  verlaat ik het kanaal en ga de heuvels in, onderweg naar het dorp Itter. 
Advertenties

Kanaalfietsen (3)

Dit zijn foto's uit de oude doos. Drie jaar geleden verbleven we een paar dagen in Leuven. We fietsten toen vanuit Mechelen langs het Dijlekanaal naar Leuven.

Veel Nederlandse waterwegen zijn gerenoveerd. Er is fors geïnvesteerd in de infrastructuur. Maar ieder voordeel heeft zijn nadeel. Want uit die kanalen is de romantiek verdwenen.

In België vind je meer oude waterwegen die de sfeer van vroeger ademen. Langs die kanalen lopen jaagpaden. En die paden zijn op een fors aantal trajecten omgebouwd tot fietspaden, waar het voor de fietser heerlijk toeven is. Zoals langs het Kanaal Leuven-Dijle, zoals het officieel heet (de Dijle is een riviertje bij Mechelen). De aanleg van het kanaal werd voltooid in 1752.

De kruiwagen en de spade waarmee het eerste stukje grond werd omgespit werden verzilverd en kwamen in een museum in Leuven terecht. Maar die spade is door een onverlaat wederrechtelijk meegenomen. Niemand die meer weet waar die spade is gebleven.

Het kanaal telt vijf sluizen en enkele draaibruggen. Twintig jaar geleden werd het kanaal met toebehoren door de Vlaamse overheid benoemd als industrieel erfgoed.

Zo vind je midden in de Belgische Randstad opeens een oase aan groen en aan rust. Het is er voor wandelaars en fietsers uitstekend toeven.

Lekke Band

De afgelopen twee jaar fietste ik samen zo'n 13.000 kilometer zonder lekke band. Maar februari 2018 bracht eindelijk toch een vorm van flatologisch ongemak.

Ik had een Blue Bike (de Belgische OV-fiets) gehuurd. Het zonnetje scheen en ik fietste goedgemutst (vanwege de kou) de Franse grens over. Ik dacht nog: die wegen hier zijn deels geplaveid met lege bierblikjes en glasscherven: als dát maar goed gaat. Maar ik had bandenplakspul bij me. Als plakt dat aanzienlijk slechter als het koud weer is.

Ik was nét weer terug de Belgische grens over toen mijn achterwiel begon te slippen en te glijden. Even later begon het ook te bonken. Een lekke band dus. Plakspul gepakt. Ik zou de band er af halen, maar toen bedacht ik: er zit geen pomp op de huurfiets. En mijn longen zijn niet zo krachtdadig dat ik daarmee een band op kan pompen door mijn lippen op het ventiel te zetten.

De fiets moest terug naar het station, maar dat was nog zo’n 25 km. op 4 km. afstand liep ook een spoorlijn. Daar ben ik toen maar naar toe gelopen.

De eerste trein raasde het station voorbij, maar de tweede stopte. Die bracht  mij en de huurfiets naar de verhuurplek waar ik mijn fiets in kon leveren.

Maar ik kan nog steeds zeggen dat ik al twee jaar geen lekke band heb gehad met mijn eigen fiets...

Roltrapfobie

Op de foto zie je de roltrap van de Sint Annatunnel in Antwerpen. Dit is een tunnel voor voetgangers en fietsers, die in 1931 opengesteld werd.

De tunnel bevind zich bijna 32 meter onder de grond. En daar zit dus het probleem: je moet een eind naar beneden.

Meerdere malen heb ik in mijn leven diverse angsten doorstaan. Durf ik met de bepakte fiets met de roltrap naar beneden? En als ik beneden ben, durf ik dan weer naar boven. De eerste keer was tijdens onze tweede fietsvakantie, in 1971. Maar met de jaren wordt de angst er niet minder op.

Ettele malen heb ik dan ook moed verzameld om met een aanzienlijk bepakte fiets de roltrap te durven nemen. Ik dacht: eerst maar eens kijken hoe die Antwerpenaren dat allemaal doen. Welnu, die fietsen zo ongeveer de roltrap op en stappen dan af. De roltrap is gewoon geïntegreerd in het dagelijks bestaan.

Na tien minuten observeren ging de roltrap opeens wat langzamer. Een mooi moment om een poging te wagen. Maar het kon geen poging zijn, want als ik eenmaal op de roltrap zou staan zou er geen mogelijkheid meer zijn om op mijn schuine treden terug te keren.

Eigenlijk zouden ze ergens een miniroltrap moeten hebben met vijf treden… dan kun je net zo lang oefenen totdat je weet hoe het werkt.

In ieder geval: daar stond ik, fiets scheef, mijn lichaam tegen de leuning aan. Vanwege de angst klemde ik mij stevig tegen de leuning, waardoor mijn broek nogal hard langs het hout van de roltrap schuurde. Het werd ter plekke allemaal steeds warmer. Eigenlijk was het een wonder dat er geen brand ontstond. Laat staan dat ik brandblaren op gevoelige plekken zou ontwikkelen.

Toen ik beneden was ontdekte ik: nóg een trap, en nog langer ook. Ik stond nu tussen twee vuren: weer naar boven? Of verder de diepte in? Uiteindelijk werd het toch het laatste…

Sint Annatunnel AntwerpenDe tunnel zelf ging vanzelf. Die is horizontaal en daar heb ik geen moeite mee. Zo kwam ik bij de lift aan de stadskant. Vol verwachting klopte mijn hart. Maar die lift deed het ook al niet! Als ze dat nu van tevoren hadden gezegd! Dan had ik een andere beslissing kunnen nemen….

Vervolgens maar weer de kunst afgekeken en na tien minuten had ik voldoende moed verzameld voor twee roltrappen omhoog. Enigszins dizzy kwam ik het gebouw uit.

Thuis in mijn fobieënlijst gekeken. Inderdaad: er bestaat een roltrapfobie. Daar kun je voor behandeld worden... Toch meen ik geen fobie te hebben. De roltrappen in Antwerpen beheersen niet mijn leven...

Gent

De Vlamingen lopen qua kennis over autisme en over sociaal-emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking vóór op de Nederlanders. Dus af en toe neem ik de trein naar Antwerpen of naar Gent om wat bij te tanken.

Het voordeel van een verblijf in Gent is dat je midden in een schitterende historische stad zit. Ooit was Gent één van de rijkste steden van Europa en dat is nog altijd goed te zien in het stadscentrum en langs de Leie.

Gent is iets kleiner dan de stad Utrecht. De historische binnenstad van Gent is zeer bezienswaardig. Er bevinden zich bijna 10.000 historische monumenten (in Utrecht zijn dat er 1400).

Het stadssilhouet ervan wordt gedomineerd door ‘de drie torens’, ook wel de Gentse torenrij genoemd: de 95 meter hoge Belforttoren, de Sint Baafskathedraal en de Sint Niklaaskerk. 

Ben je eenmaal buiten het centrum, dan valt weer op dat de Belgen weinig zorgvuldig omspringen met de omgeving. In de wijken van rond 1900 werden net als in Antwerpen, Brussel en Luik in de jaren ’60 torenhoge kantoren en flatgebouwen neergezet die enorm detoneren in de omgeving. Ook werd er veel ruimte gemaakt voor het autoverkeer. Maar gelukkig lijkt men ook in Gent tot inkeer te komen: er komt meer ruimte voor de fiets, het OV wordt gestimuleerd en enkele van die lelijke betonnen kolossen worden afgebroken.

Valencijn op Valentijn

Net over de Franse grens ligt een reeks van mooie Vlaamse steden. Voorbeelden zijn Rijssel (Lille), Kamerijk (Cambrai), Atrecht (Arras) en Valencijn (Valenciennes).

In al deze steden kijk je je ogen uit vanwege de prachtige ‘vlaamse’ architectuur. Op het platteland spreken sommige oudere mensen nog een soort van verfranst Nederlands.

Frans Vlaanderen

Rijssel is een schitterende stad, met een oud Vlaams stadsdeel en een nieuwer Frans stadsdeel. Het centrum van deze stad is zeker een uitgebreid bezoek waard. Met de Thalys reis je in 2½ uur vanuit Amsterdam naar Rijssel, dat door de Fransen Lille wordt genoemd.

Valencijn

Vroeger was Valencijn een knooppunt in de treinenloop tussen Amsterdam en Parijs. Tegenwoordig eindigt de spoorlijn in België in Quiévrain en gaat een paar kilometer na de grens weer verder. Je kunt een stukje met de bus, en dan vanuit – wat de Fransen noemen – Valenciennes weer met een TGV verder. Maar dat is een omslachtige manier van vervoer.

In Valencijn was ik nog nooit geweest, dus werd het tijd om er eens heen te fietsen. Vanuit Quiévrain loopt een kaarsrechte voormalige kasseienweg naar Valenciennes. En zowaar: binnen de gemeente Valenciennes is zelfs een fietsstrook aangelegd.

Valenciennes

Valencijn is een stad met 45.000 inwoners. De plaats heeft een compact centrum, met huizen die in de bekende Vlaamse bouwstijl uit de 15e en 16e eeuw zijn gebouwd. Het centrum doet sterk denken aan het Vlaamse deel van de stad Lille.

In de protestantse kerkgeschiedenis is Valenciennes bekend geworden vanwege het verzet tegen het Rooms-Katholieke stadsbestuur. Er was een aantal protestanten vanwege hun geloof  tot de brandstapel veroordeeld, maar zij werden bevrijd uit de gevangenis voordat het vonnis kon worden voltrokken.

In 1567 braken hier de eerste gevechten uit in het kader van de tachtigjarige oorlog die officieel een jaar later begon (…). In 1580 nam Alva de stad in en iedere uiting van het protestantse geloof werd verboden en zwaar  bestraft. De protestanten werden gevangen gezet en moesten hun geloof afzweren. Een deel van deze mensen zag kans om naar Nederland en Duitsland te vluchten.

Voor Valenciennes brak een periode van economische malaise aan. Pas in de 18e eeuw kwam er een economische opleving doordat er steenkool werd gewonnen.

De buitenwijken van de stad komen op mij vrij rommelig over. Er zijn vrij veel bedrijven, er wordt op allerlei plekken gewerkt aan de infrastructuur, maar hoe de stad qua structuur in elkaar zit is mij niet zo duidelijk geworden. Ik fietste maar gewoon op mijn richtinggevoel.

De binnenstad telt een paar honderd oude monumenten, maar er staat ook allerlei niet passende nieuwbouw, zoals aan het Place des Armes. Opmerkelijk is de nieuwe tram, die sinds 2006 rijdt en die de stad (met 45.000 inwoners) toch een wat grootstedelijke allure geeft.

Valenciennes ligt aan de Schelde, maar de rivier is hier gekanaliseerd, waardoor de sfeer verloren is gegaan.

Iets verder naar het noorden ligt Condez sur ‘l Escaut, een plaats waar ik al eerder op dit weblog over geschreven heb.

Fietsstad (?) Brussel

Brussel bestaat niet. De stad die wij Brussel noemen bestaat in werkelijkheid uit 19 zelfstandige gemeenten.

Toch maar even naar het centrum van Brussel. Tientallen jaren heb ik de stad gemeden. In 1970 fietsten we voor het eerst door de stad, en we vonden het een ramp. Daarna heb ik nog een paar pogingen gewaagd, maar de stad werd er echt niet leuker van.

Pas de afgelopen vijf jaar ben ik de Belgische hoofdstad weer wat meer gaan waarderen. Een groot deel van de bevolking heeft een spraakgebrek (ze spreken er voornamelijk Frans), maar ik denk toch wel dat ze het goed bedoelen.

Zoals ik al eerder schreef probeert Brussel in de fiets te investeren. Op veel doorgaande wegen door de stad is een heuse fietsstrook gerealiseerd. Volgens een bericht in de Métro zijn er inmiddels 28.000 fietsers in de Belgische hoofdstad. Helaas met een dip in september, want toen regende het. Misschien is dat nog wel wat kenmerkend: als het regent ga je niet op de fiets. De Nederlanders blijven dan toch wat meer in het zadel.

En nu het fietsologische probleem: hoe zit het met dat aantal van 28.000? Volgens de Amsterdamse statistieken telt die stad zo’n 800.000 fietsen. Maar hoeveel fietsers zijn dat dan?  In ieder geval constateerde ik op een koude winterdag in Brussel dat ik nog wel bijna de enige fietser was. In Amsterdam en in mijn woonplaats Delft raak je ook op een winterdag gemakkelijk verstrikt in het fietsverkeer. Maar ook in de zomer (3e foto) waren er weinig fietsers (misschien was het toen te warm…)

In sommige delen van Brussel heb je te maken met kinderhoofdjes. Een soort van kasseien, maar dan in de stad. Dat hobbelt aanzienlijk, de keien worden snel glad, ook bij regenachtig weer. Maar de voordelen zijn: het past in het straatbeeld en het bevordert de stoelgang. Maar voor het grootste deel bestaan de straten van gemeenten die samen Brussel vormen voornamelijk uit goed begaanbare asfaltwegen.

Er valt dus nog een hoop te winnen voor de fietsers in Brussel. Eerst maar eens collectief op het zadel stappen. De fietsstroken liggen er klaar voor.