De Y is van Yvoir

Net als de X is de Y schaars bij de plaatsnamen. Uiteindelijk vond ik in mijn fietsarchief de plaats Yvoir aan de Maas, halverwege Namen en Dinant.

De dag na Tineke’s verjaardag ga ik meestal fietsen. Daarmee fiets ik dan mijn hoofd weer leeg. Het is alleen een wat wonderlijke dag: 30 december. Op deze 30 december nam ik de trein naar Namen om daar een Blue Bike te huren voor een fietsrondje langs de Maas.

Het water van de Maas staat erg hoog. Af en toe staan er stukjes van het fietspad onder water. De temperatuur is ook erg hoog. Een thermometer wijst maar liefst 15 graden aan. Ik dacht dat het winter was.

Ik ben op de linkeroever van de Maas zuidwaarts gefietst (voor de Nederlanders is dat de rechteroever). Aan de overkant fiets ik weer terug naar Namen. Waar ik al bang voor was: de vrij drukke weg is smal en bochtig, zonder vluchtstrook. Voor een eenzame fietser is dat niet zo’n prettige ervaring. Belgen zijn niet zo gewend aan

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is maas-tegenover-profondeville.jpg

winterse fietsers. Bovendien deponeren ze graag allerlei rommel op de weg, zoals glasscherven, schroeven, bouten, moeren en heibeldijfjes, onderdelen van auto’s, afgewerkte olie, lege verpakkingen van McDonalds en zelfs een onderbroek. Ik hoop maar dat de Blue Bike goede banden heeft.

De Maas bij Yvoir

Yvoir is een industrieplaats met enige regionale functies en af en toe een bezienswaardigheid. In de Maas ligt een eiland en dat trekt toeristen aan. Eilanden hebben nu eenmaal een magische aantrekkingskracht. In Yvoir heb ik geen foto’s gemaakt, want ik kreeg enige haast om weer op tijd in Namen te geraken. De laatste trein naar Delft vertrekt daar al vroeg.

De omgeving van Yvoir is mooier dan de plaats zelf. Yvoir was in 1975 even beroemd omdat hier de wereldkampioenschappen wielrennen werden gehouden. Ik hou me aan mijn eigen favoriete slakkengangetje van 16 kilometer per uur. 

De Q is van Quévy

Ja, voor plaatsnamen die met een Q beginnen moet je bij de Franse taal zijn. De plaats Quévy ligt precies op de grens van België en Frankrijk.

Helaas is er iets mis met mijn fotoverzameling. Ik weet precies in welke hoedanigheid ik in Quévy ben geweest. Ik kan ook de foto’s van de ochtend vinden (toen was ik in Bergen/Mons), maar daarna ben ik het fotospoor bijster geraakt. Mogelijk heb ik de foto’s verkeerd gearchiveerd en nog niet de goede naam gegeven.

Ik fietste vanuit Bergen (Mons) naar het zuiden. ik wilde naar de vestingstad Maubeuge, maar ik vond de weg te gevaarlijk (een smalle drukke weg zonder fietspad). Dus sloeg ik vlak bij de grens rechtsaf. En voor de oplettende lezertjes betekent dat: naar het westen.

Quévy, Pieterskerk en kerkplein (bron: Wikimapia)

In dier voege kwam ik in Quévy. Deels ligt het dorp aan een lange rechte weg, zoals bekend van de Belgische heirwegen. Maar er liggen allerlei plukjes aan bebouwing wat verder weg van de weg. Zo heb je Quévy en Quévy-le-Petit. Deze keer klopt het. Quévy-le-Petit is kleiner dan Quévy.

Quévy ligt in een niet onaantrekkelijk glooiend landschap met grasland, akkerbouw en ook kleinere bospercelen. Soms zoef je opeens een heel eind naar beneden. Dan ligt er ergens een minkukelig beekje. Daarna moet je toch weer even venijnig klimmen.

Quévy Gare, hier wisselden de internationale treinen van locomotief (Frans/Belgisch). Bron: Railations

Opmerkelijk is het grote station van Quévy. Het was namelijk een grensstation, waar de internationale trein van Brussel naar Parijs stopte. De grens ligt er nog steeds, maar de treinen rijden niet door. Vier keer per dag vertrekt er een trein noordwaarts.

Het momumentale stationsgebouw verkeert in deplorabele toestand. Het biedt een minder fraaie inkijk in het Belgische beleid aangaande historische stationsgebouwen. Ik citeer: “In 2004 wil de NMBS het loket op het station sluiten wegens minder dan 300 dagelijkse reizigers. Op 25 januari 2005 stelde de gebruikerscommissie vast dat het loket gesloten was, maar dat het station een open wachtkamer had en dat er personeel aanwezig was. In 2007 voorzag een akkoord tussen de gemeente en de NMBS in de renovatie van het stationsgebouw en de herbestemming ervan tot een multi-service gebouw, maar de voorwaarden opgelegd door de NMBS werden door burgemeester Florence Lecompte geweigerd wegens de te hoge kosten.”

Het is dus wachten totdat de boel met donderend geraas instort. Of tot er iemand met geld over de brug komt...

De O is van Oupeije

Deze keer blijf ik vlak bij Nederland. Je fietst vanuit Maastricht tien kilometer stroomopwaarts langs de Maas of langs het Alberkanaal en je bent in Wallonië. Alors, aujourd'hui nous sommes encore á Wallonie. Net zoals als gisteren. 

Je bent dan al snel in de voorsteden van Luik.

Oupeye industrie
Staalindustrie in Oupeye

Eén van die voorsteden is Oupeye, (25.000 inwoners) dat helemaal vastgegroeid is aan buurgemeente Herstal (60.000 inwoners). Je hebt dan samen een middelgrote stad, maar de plaatsen doen dorps aan. Hun geschiedenis wordt gekleurd door de opkomst en ondergang van de staalindustrie. Af en toe staat er nog iets te roken of te sissen, maar de meeste industrie is vergane glorie.De werkloosheid bedraagt in sommige plaatsen in de regio Luik zo’n 25%.

De doorgaande weg richting Luik

Er zijn in Oupeye 19e eeuwse wijken, afgewisseld door 20e eeuwse hoogbouw. De sterkste groei van het aantal inwoners deed zich voor tussen 1950 en 1980. Dat verklaart die 20e eeuwse hoogbouw. Vooral in die hoogbouw slaat de verpaupering toe. Mensen met een eigen huis en tuintje zijn toch wat zuiniger op hun omgeving.

Tussen de dichte 19e eeuwse bebouwing bevindt zich af en toe een blokje nieuwbouw. Ik vind die 19e eeuwse woonwijken altijd wel hun eigen charme hebben. Oupeye is zeker geen no go area voor fietsers.

Herstal straatbeeld
Straatbeeld in Oupeye

Ik kies mijn eigen fietsroute door een wirwar van straten. Fietsborden zul je hier niet aantreffen.  

Ik weet ook niet waar de gemeente Oupeye over gaat in Herstal. Alles is hier qua bebouwing aan elkaar geklonterd en dat gaat nog vele kilometers lang zo door, tot vér voorbij Luik.

Doordat de Maas een scherpe bocht maakt raak je gemakkelijk je oriëntatie kwijt. Als je de rivier volgt fiets je eigenlijk deels de verkeerde kant uit. Laat je hier niet in de war brengen. Fiets gewoon je neus achterna. Dan kom je vanzelf ergens uit. 

De N is van Namen

Namen is niet de grootste stad van Wallonië, maar wel de hoofdstad van het franstalige deel van België. De stad ligt aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas. De mensen spreken er koeterwaals. 

Al in 1975 fietsten we door Namen. We kwamen toen uit Leuven en daalden in hoog tempo af richting de Maas om daarna verder de Maas te volgen richting Frankrijk. We durfden niemand aan te spreken. Zes jaar Frans op school was van weinig nut geweest.

Straatje met zicht op de Citadel

Dit jaar wilde ik wel weer naar Namen, maar een buitenlands bezoek werd afgeraden. De handvatten van mijn fiets zijn namelijk bevattelijk voor corona.

In 2018 huurde ik mijn eerste Blue Bike fiets (de Belgische OV-fiets) op het (halve) Gare van Namen. Zoals veel Belgische stations verkeerde ook dat station in een permanente toestand van verbouwing, zodat het moeilijk was om de uitgang en de fiets te vinden. Sommige Belgische stations zijn jarenlang in renovatie en bij de nieuwbouw van het station van Mons heeft men de moed maar opgegeven: daar staat een noodgebouw al tien jaar naast een betonnen skelet dat een nieuw stationsgebouw zou moeten worden.

De markt van Namen

Namen is een oude en in strategisch opzicht ook van oudsher belangrijke stad. Aan de samenvloeiing van de Sambre en de Maas ligt één van de grootste forten van België. Het gebied van deze citadel heeft een oppervlakte van maar liefst 80 hectare. Maar aan de beklimming heb ik me niet gewaagd, ik daalde af naar het peil van de rivier. Die stond vandaag bijzonder hoog en klotste af en toe over de rand van de kade.

Namen was in de 16e eeuw tijdelijk een deel van Oostenrijk, eind 17e eeuw was het een Franse stad, maar drie jaar later veroverde de Nederlandse Koning Willem III de stad Namen. In 1746 veroverden de Fransen de stad, in 1748 werd Namen weer Oostenrijks grondgebied, in 1792 werden de Fransen hier weer heer en meester, om daarna door de Oostenrijkers verjaagd te worden. In 1794 volgde weer een Franse bezetting. Zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog werd er fel en langdurig gevochten om het bezit van de stad en met name de citadel. Het is een wonder dat er nog zoveel historische gebouwen in Namen te vinden zijn.
Blue Bike aan de Sambre

Opvallend vind ik de donkere toonzetting van de stad: veel donkergrijze en ook wel donkerbruine gebouwen langs een wirwar van smalle straatjes. De geuren van de etablissementen en de winkels zijn zoals overal in België met af en toe een Zeeman, een Blokker of een C & A.

Door de ligging op de noordhelling van de rivier schijnt het in de zomer behoorlijk heet te kunnen worden in Namen. Maar ook nu, op deze zaterdag in januari, laat de temperatuur het bepaald niet afweten. Diverse thermometers geven maar liefst 15 graden aan.

Aan de voet van de citadel van Namen zetelt het Waalse parlement. De stad telt 110.000 inwoners.

De L is van Lier

Neem het dynamische Antwerpen. Of het grootstedelijke Brussel. En dan die enorme universiteit van Leuven. Tussen die beroemdheden valt Lier eigenlijk niet op. De stad staat in de schaduw van zijn grote buren.

Daarom wil ik jullie adviseren om een keer een bezoekje aan Lier te brengen. Lier Liert als een tierelier. Men heeft er alleen een spraakgebrek. In Lier liert niemand om de ee uit te sprieken.

Lier, stadhuis en Belfort

Lier is ontstaan aan de samenvloeiing van de Kleine Nete en de Grote Nete. Daar kon de stad dus niets aan doen. Die samenvloeiiing was er al. De naam van de stad heeft niets te maken met een onderdeel van een hijskraan, ook niet met een muziekinstrument. Ook niet met een psychisch verschijnsel als gevolg van teveel drank of een te zware narcose. Evenmin met het Westlandse De Lier. Waar de naam wél vandaan komt: wij weten het niet.

In Lier liert niemand om de ee uit te sprieken.

Lier Begijnhof

Lierke Plezierke (deze term werd bedacht door Felix Timmermans), is een bijnaam van de stad. En inderdaad: het is een prettige plaats. Tenminste: ik houd wel van die wat kleinere steden met een mooie historische kern, een station en een kanaal. Dan heb je een aardige combinatie waar je verder mee kunt komen. Lier heeft zo’n 30.000 inwoners. Het is al een heel oude stad, want een halve eeuw geleden werd er het skelet van een mammoet gevonden. Misschien woonden er destijds nog geen mensen, maar wel mammoeten. Dat is een aardig begin.

Lier Begijnhof 2

Lier heeft – naar mijn mening – het mooiste begijnhof van België. Het staat op de Unesco-Werelderfgoedlijst. Er staan maar liefst tien historische kerkgebouwen binnen de ommuring van de stad. Doordat het meestal kermis is als ik de stad bezoek kan ik het niet allemaal goed op de foto krijgen.

Lier, het uurwerk van de Zimmertoren

Een grote bijzonderheid in Lier is de Zimmertoren met een bijzonder uurwerkmechanisme. Het is de Jubelklok, ontworpen door klokkenmaker Louis Zimmer vanwege de viering van 100 jaar Belgische onafhankelijkheid in 1930. De klok geeft diverse tijden en kosmische en andere periodieke verschijnselen weer. Het periodieke stelsel uit de scheikunde heb ik niet op de klok waargenomen. Maar voor scheikunde haalde ik ook steevast een onvoldoende.

Ik zou dus zeggen: stap na afloop van de lock-down niet op het vliegtuig naar Verwiggistan maar op de fiets naar Lier. Je kunt er vanuit Breda ook binnen een uur met de trein komen. 

De B is van Binche

Binche stond al héél lang op mijn wensenlijstje. Vlak voor de lock-down van het afgelopen voorjaar fietsten we naar Binche.

Achteraf gezien was dat een gevaarlijke excursie. Binche is namelijk de carnavalshoofdstad van België. Er is zelfs een carnavalsmuseum. En carnaval en corona schijnt nogal met elkaar in verband te staan.

Binche ligt in de zuidelijke provincie Henegouwen, ongeveer op de lijn tussen Bergen (Mons) en Charleroi. 

Binche was in het verleden omgeven door een twee kilometer lange stadsomwalling compleet met maar liefst 30 torens. Zelfs bij het wereldkampioenschap schaken hebben beide partijen maar twee torens. Dus kun je nagaan hoe belangrijk Binche was.

Druk verkeer in Binche

Koningin Maria van Hongarije liet hier in de 16e eeuw een enorm renaissance-paleis bouwen. Ze liet min of meer uit baldadigheid het paleis van koning Hendrik II van Frankrijk afbranden. De mensen hebben het wel over destructieve koningen, maar de koninginnen waren ook geen lieverdjes. Deze actie kwam Maria duur te staan. De koning woonde immers om de hoek. En zie dan maar eens op tijd een leger uit Hongarije over te laten komen in een tijd dat er nog geen fietsen waren. Hendrik II liet de hele stad inclusief het paleis van Koningin Maria platbranden. Toen was het voorlopig uit met de pret.

Binche is nog een tijdje in ‘Nederlandse’ handen geweest. Maar het was in deze grensstreek (niet zo ver van de grens met Frankrijk) voortdurend stuivertje wisselen van eigenaar. In 1579 ging de stad over van de ‘Staten’ (de Nederlanden en omgeving) naar de Spaanse overheid, in 1668 werd het een Franse stad, vanaf 1696 was de stad weer Spaans. Uiteindelijk werd de stad Belgisch. En dat betekent doorgaans dat er sprake is van een nogal rommelige infrastructuur.

Eén van de weinige gerestaureerde delen van Binche

We hadden een zeer historisch stadje verwacht en er staan ook honderden mooie oude huizen. Maar helaas dendert er ontzettend veel verkeer door de oude straten. Het op de foto zetten van een gevel gaat met grote gevaren gepaard.

Tijdens de industriële revolutie schijnt Binche opnieuw welvarend te zijn geweest. Daarom zal er een naar verhouwing omvangrijk station zijn gebouwd. In de jaren ’70 ging bijna alles op de fles. Dat verklaart waarschijnlijk de desolate toestand van de huizen en gebouwen. Anton Pieck zou er trouwens graag hebben getekend. Dat is dan weer de charme als je geen geld hebt voor grootscheepse restauraties.

Binche is een aardig stadje om eens te bezoeken, maar er zijn in België mooiere oude steden. Je kunt er met de trein komen of op de fiets. 

Naar Binche

Als je in Bergen blijft kom je niet ver op de fiets. We richtten onze blikken oostwaarts en reden dan ook aan die kant de stad uit. Deels moet dat in België op het gevoel, de bewegwijzering is onregelmatig en vooral op het autoverkeer gericht.

Al een paar jaar lang wilde ik Binche bezoeken: een stadje dat halverwege Bergen en Charleroi ligt, ongeveer 20 km. ten oosten van Bergen.

Geleidelijk klommen we het zachtglooiende land van Henegouwen in. Links van ons lag een dal: de dorpen in het dal konden we niet zien. Dat is het stroomgebied van de Sambre, maar tegenwoordig wordt dat gebied vooral zichtbaar door een kanaal dat werd aangelegd voor o.a. het vervoer van steenkool en ijzererts van de industrie rond Charleroi en la Louviere. 

Langs de grote weg richting Binche staat veel lintbebouwing. Dat is typerend voor het Belgische straatbeeld. Het lijkt wel of veel inwoners van België graag aan een drukke weg wonen. De uitbreiding van die dorpen ligt voornamelijk in het verleden: herkenbaar aan de typerende woningen voor fabrieksarbeiders aan het begin van de vorige eeuw. Er staan tal van deze woningen  voor een voor Randstad-begrippen habbekrats te koop (rond de 100.000 euro).

Je ziet daardoor niet zoveel van het landschap. Slechts af en toe konden we een blik werpen op het glooiende land met vooral veel akkerbouw, soms weilanden en her en der plukjes bomen of stroken struikgewas. De foto bij dit blog is op een zijweg gemaakt.

Na twee uur fietsen dalen we af naar Binche. Het verkeer is er erg druk, want Binche ligt aan een kruising van wegen. Al dat verkeer moet dwars door de historische binnenstad. Dat is een behoorlijke afknapper...

Bergen (Mons)

Bergen telt bijna 100.000 inwoners. Het is de hoofdstad van de Belgische provincie Henegouwen.

Bergen is ongeveer even groot als steden als Delft en Alkmaar, maar de plaats oogt veel dorpser. Maar misschien zie je het verschil wel in het aantal inwoners per vierkante kilometer. In Bergen wonen 650 mensen op een vierkante kilometer en in Delft zijn dat er 4550. Leiden en Gouda zijn nóg dichter bevolkt. In theorie zou de kans op besmetting door een eng virus in de Nederlandse steden dan ook groter moeten zijn: de mensen houden fysiek onvoldoende afstand (…).

Zoals ik in het vorige blog al schreef was Bergen een zeer welvarende stad, totdat hertog Alva er in 1572 zijn intrek nam. Hij was nog boos over het verlies van Den Briel en lapte alle gemaakte afspraken aan zijn laars. Veel inwoners werden gemarteld en terechtgesteld en hun bezittingen werden geconfisqueerd. Nee, de Spanjaarden waren geen lieverdjes! Meteen kelderde de economie, want als je zonder enige kennis van zaken alle bedrijvigheid in beslag neemt valt natuurlijk meteen ook alles stil. Bergen werd (net als Brugge) een doods provinciestadje.

We huren in Bergen een Blue Bike. Dat is de Belgische OV-fiets. Het bijzondere is dat die fietsen zeven versnellingen hebben. Het zijn zware fietsen die ook wel wat van tanks hebben. Als je een aanrijding met een auto hebt loopt de auto zware schade op. Nadeel is dat ze ook vrij zwaar trappen, maar het voordeel is weer dat je je kuitspieren flink oefent.

Om de stad in te komen moet even wat flink klimmen. De plaats heet niet voor niets Bergen. Het mooiste stukje van Bergen is de Grote Markt (behalve de hier aanwezige McDonalds). Daarnaast is er meerdere mooie historische kerken en er is een belfort dat tot het Unesco Werelderfgoed behoort.

Het meest bijzondere kunstwerk in Bergen vind je nauwelijks in de gidsen of op het internet: dat is een verzameling planken. Het werd geplaatst ter ere van het feit dat Bergen culturele hoofdstad van Europa was geworden. Als mikadohoutjes stortten een paar weken na de oplevering de planken naar beneden. Het had toen 400.000 euro gekost. Het kunstwerk werd weer in ere hersteld, maar kraakte wel vervaarlijk. ‘Hout werkt nu eenmaal’, zo meende men. enkele weken later stortte het opnieuw in. Een constructiefout, zo werd geoordeeld. Nee, vond de kunstenaar, hij had geen fout gemaakt.

Het kunstwerk is uiteindelijk op een andere manier opnieuw opgebouwd. Het staat er inmiddels vijf jaar en persoonlijke ongelukken hebben zich verder niet voorgedaan. Maar qua bouw, planning en effect lijkt dit kunstwerk dus wel op het station van Bergen. Daar rammelt het nog steeds aan alle kanten...

Brusselse straatkunst

Er bestaan veel soorten van graffiti (letterlijk: inkrassen). Het meeste is puur vandalisme. Het kost o.a. de OV-bedrijven jaarlijks miljoenen euro's om de schade aan graffiti te herstellen.

Toen ik vanuit de trein een aantal filmpjes maakte viel me pas écht op hoe veel gebouwen langs het spoor er totaal verloederd uit zijn gaan zien als gevolg van het prutswerk dat op gebouwen is gespoten.

In de USA is een deel van de graffiti gerelateerd aan gangs die daarmee hun territorium afbakenen. Een soort geurvlag in de vorm van een tag, die in één minuut geplaatst kan worden.

Maar er bestaat ook mooie ‘straatkunst’. Die wordt meestal met toestemming aangebracht. De kunstenaar maakt eerst een ontwerp en gaat daarna aan de slag.

In het havengebied van Antwerpen zag ik graffitikunst van misschien wel honderd meter lang op een schutting bij een bouwterrein. Het zou jammer zijn als die schutting weer wordt afgebroken.

Brussel is bekend om zijn vele striptekeningen op blinde muren van particuliere huizen. Er zit een grote variatie in stijlen in. Maar je kunt er een hele dagtocht aan besteden.

Wij maakten tijdens een twee uur durende wandeling een aantal foto’s van de schilderingen op gebouwen en viaducten.

Via Antwerpen (2)

Rond drie uur fiets ik de Grote Markt weer af. Het is wat puzzelen hoe ik het centrum uitkom. Antwerpen is een drukke winkelstad met deels voetgangersgebied. Bovendien wordt op allerlei plekken aan de riolering of het wegdek gewerkt.

Ik fiets in de richting van Berchem, maar buig daarna af in noordoostelijke richting. Hier ligt de grootste Joodse wijk van Europa. Er wonen ruim 20.000 orthodoxe Joden. Ze maken zich massaal op om naar de Synagoge te gaan. Overal zie je mannen in hun traditionele kleding op straat. Vanwege de risico’s staan er ook in tal van straten militairen met het geweer in de aanslag.

Ik fiets onder de spoorlijn door en even later klinkt er een ondergronds geraas. Het neemt buitenaardse proporties aan. Ik heb er al eerder over geschreven. Dit is het verkeer op de Ring Antwerpen. In zuidelijke richting zit het muurvast (dat maakt niet zoveel lawaai), in noordelijke richting rijdt alles nog. Er zijn plannen om de hele ring ondergronds te gaan maken zodat dit gebied weer bewoonbaar wordt. Maar dat is een miljardenproject.

Ik fiets kaartloos mijn neus achterna in ongeveer noordoostelijke richting. Na de voorsteden Deurne en Borgerhout kom ik in een uitgestrekt park uit, maar ook hier klinkt nog nadrukkelijk het geraas van de Ring. Zo’n geluid heb ik in Nederland nog nooit gehoord. Vervolgens klimt de weg en kom ik op een hoge brug over het Albertkanaal uit. Een lange afdaling brengt mij in Schoten, een uit de kluiten gewassen dorp met 30.000 inwoners.

Ik zoek het Jaagpad langs het Kanaal van Turnhout naar Schoten op. Dat volg ik maar liefst 20 km. Het is inderdaad een Jáágpad: om de haverklap word ik ingehaald door forensende mannen op een speedpedelic. Soms is het schrikken geblazen, omdat ik ze niet aan hoor komen.

Het kanaal telt zeven sluizen: de schepen moeten vanuit de laagte van het Scheldebekken omhoog naar de Kempen. Om de twee of drie kilometer ligt er een sluis.

Uiteindelijk sla ik linksaf en fiets nu richting Hoogstraten. Ik heb flink de wind in de rug. Voordat het donker wordt wil ik zo ver mogelijk komen. Helaas krijg ik fietspech in het dorp Sint Lenaarts. Als ik een foto maakt valt mijn fiets en het spatbord is ontwricht en loopt stevig aan tegen de band. Zo kom ik niet meer thuis. Maar er woont in Sint Lenaarts een heel aardige fietsenmaker die zelfs na sluitingstijd nog even naar mijn fiets kijkt. Hij heeft de goede diagnose en de juiste apparatuur om het ongemak te herstellen.

De fietsenmaker van FD aan de Hoogstraatse Baan verdient een eervolle vermelding op dit weblog.

Na Sint Lenaarts is het 8 kilometer fietsen naar Hoogstraten. In dit centrumdorp staat een prachtige hoge toren van maar liefst 105 meter hoog. Maar er bevindt zich ook één van de mooiste begijnhoven van België.

Inmiddels is het bijna donker. De rest van de tocht moet ik in het donker fietsen. Aanvankelijk volg ik een vrij drukke provinciale weg, maar als ik dat zat ben duik ik een smalle zijweg in. Hoe ik precies fiets weet ik niet, maar bij het klooster van Meersel Dreef fiets ik de grens met Nederland over.

Ook verderop kies ik voor kleine wegen. Zo kom ik op het kronkelende fietspad langs de Mark uit. Dan is Breda niet ver meer.

Het is een hele omschakeling van het rustige land naar Breda, want daar is het carnaval begonnen. Ik ben zo ongeveer de enige passant die niet verkleed maar wel nuchter is. Her en der gaan mensen over hun nek, terwijl de avond eigenlijk nog moet beginnen. Ik maak maar even een ommetje buiten het centrum om, want deze hectiek vind ik niet prettig.

Station Breda is het eindpunt van deze fietstocht. Volgens de Strava App heb ik op deze eerste fietsdag van het jaar 110 kilometer gefietst.