Spiritueel narcisme

De dominee preekte gisteren over de neiging van mensen om zichzelf op allerlei manieren centraal te willen stellen. Dat gebeurde ook in de jonge kerken in het Nieuwe Testament. En het komt helaas nog steeds in de kerken maar al te vaak voor. Het herinnerde mij aan de term 'spriritueel narcisme' waar sociaal psychologe Roos Vonk ooit over schreef.

Dat spiritueel narcisme zie je bijvoorbeeld bij mensen die overal vertellen dat ze een bijzondere ervaring ‘in de Heer’ hebben gehad. Of omdat ze dankzij hún gebed genezen zijn. Ik las zelfs een (ouder) verhaal dat iemand beweerde dat dankzij het gebed in zijn kring het keerpunt in de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Maar ook – veel gewoner – omdat ze op een bepaalde manier heel gelovig zijn. Ze doen dagelijks aan Bijbelstudie. Ze kennen bijzondere ervaringen. Ze worden op een heel speciale manier geleid.

In een artikel in Psychologie Magazine (februari 2016) noemde Roos Vonk dit spiritueel narcisme. Narcisme is een vorm van denken waarbij je jezelf centraal stelt.

Bij spiritueel narcisme stelt de persoon zichzelf centraal, terwijl dat gebeurt onder de dekmantel van het geloof. ‘Het heel speciale’ is precies één van de kernthema’s van het narcisme. Omdat je zo speciaal bent ben je dus ook een betere gelovige dan de ander. Die ander ‘ is zo ver nog niet’ klinkt het dan nogal eens. Een tweede kenmerk, dat ook bij narcisme in het algemeen past, is dat de ander, die nog niet zo ver is, daarmee dus ook fout zit. Niet zelden beginnen de mensen met dit soort ideeën ook ‘voor zichzelf’. Ze houden het niet uit in de ‘gewone kerk’, dat is niet speciaal genoeg. Dat narcisme vormt ook de voedingsbodem voor sekteleiders.

Kunsthistorica Mariëlle Hageman schreef in dit verband over haar zoektocht naar religieuze ervaring. Ze dacht zich in Nepal te kunnen onthechten aan de westerse wereld. Maar ook binnen het zo op het eerste gezicht nederige boedhisme ervoer ze dat deze religieuze omgeving een slangenkuil van jaloezie en intriges was. Mensen die dingen zien die anderen niet zien en dus betere gelovigen zijn. Wie zo verheven is mag hard oordelen over de ander. Dat past allemaal in het narcistische plaatje: het creëren van een voor mij perfecte geloofswereld waarin ik de beste geloofspapieren heb.

Roos Vonk noemt nog een gevolg van dit spiritueel narcisme. Wie zo ‘verheven’ is hoeft natuurlijk weinig narigheid te vrezen. Onprettige gevoelens worden vermeden. “Sinds ik geloof heb ik daar helemaal geen last meer van. Het doet me allemaal niks meer wat ze van me zeggen.” “Omdat ik voor God zo speciaal ben ben ik genezen van mijn ziekte.” Dat klinkt heel vroom, maar eigenlijk stel je jezelf centraal.

Geloof kan bergen verzetten. Maar geloof wordt spiritueel narcisme wanneer jij beweert dat je zo goed gelovig bent dat je het zelf bent die die bergen kan verzetten. En dat je daarom beter bent dan alle anderen.

Pinksteren

Tineke maakte een bloemstuk voor Pinksteren voor in de kerk Op de foto komt het stuk niet zo tot zijn recht (thuis), maar het geeft een beeld. Ze schreef er een toelichting bij.

Tafelstuk Pinksteren
Op de eerste Pinksterdag raakten de Joden uit alle windstreken in verwarring, omdat ze allemaal de apostelen in hun eigen taal hoorden spreken. In het bloemstuk is dat uitgebeeld door de schermen van het fluitenkruiden de uitwaaierende grassen. En de bloemen van de gloriosaverwijzen naar de ´tongen als van vuur´. 
Ook in de tijd van de torenbouw van Babel raakten de mensen in verwarring, omdat ze elkaar juist niet konden begrijpen, ze spraken niet meer dezelfde taal.
Wij vieren vandaag het feest van de uitstorting van de Geest, waarvan de duif het teken is.

Opwekking 167 verwoordt het mooi : Want de Geest spreekt alle talen en doet ons elkaar verstaan. De boog beeldt uit hoe we onderling verbonden zijn door het werk van de Heilige Geest.

Rood is de kleur van Pinksteren, de kleur van vuur en de liefde. De kleur wit staat voor feest. In de bos bloemen op tafel zijn dezelfde kleuren verwerkt. 

                                                                                                                  

Kerkdienst

Het is lang geleden dat we gewoon naar de kerk konden. In de zomer hebben we regelmatig kerkdiensten bezocht, maar sinds de nieuwe lock-down kan dat weer niet. 

Er zijn wel twee maal op een zondag online-diensten met alleen de koster, het beamteam, de dominee, een ouderling en de muziekgroep in de kerk.

Zo’n kerkdienst geeft wel de mogelijkheid om een dienst eens anders op te zetten. Zo keken we met Oudjaar een dienst van buiten onze eigen gemeente.

Dit was de oudjaarsdienst met een bevriend predikant, ds. Peter Roosendaal van ‘Het Anker’ in Lelystad.

De schaapjes op de voorgrond keken vol aandacht naar de dienst 

Oudejaarsdienst 1939

Waarom ging die deftige en liberale notaris met de dubbele achternaam uitsluitend op Oudejaarsavond over het kerkpad langs onze ramen naar de nodende deur der Vaderlandse kerk? 

Om het jaar nog gauw eventjes goed te maken, zeiden de mensen. Of was het omdat hij behoefte had om zich te vergewissen van het aanwezig zijn van een hoger heil?

Het is 31 december 1939. Ook in de Gereformeerde Kerk aan de Herengracht in Leiden wordt een dienst gehouden. Broeder Jansen noemt het een snertkerk:  een vierkante zaal die tot kerk is omgebouwd. Voorganger is ds. H.A. Wiersinga. De geloofsbelijdenis wordt uitgesproken en daarna volgt het Doopformulier. Dat vind ik bijzonder, want er wordt geen kind gedoopt. Ds Wiersinga is ‘een man van bijzondere accenten’. Het in de Heere Jezus wassen krijgt door de klemtoon een bijzonder accent. ‘De hoorder staat nu helder het wassen in de betekenis van het dagelijks toenemen in gewicht voor ogen. Hij ziet de moeder gebogen over de weegschaal, gretig aflezend, dat de baby wéér zoveel ons is gegroeid.’    

Dan komt de tussenzang. Vóór die Psalm was het spreken door de voorganger al dringender en luider geworden. ‘De stem was tot almaar groter capaciteit opgevoerd. Maar nu is die stem opvallend zacht en kalm geworden. Zoals bij een klokkenspel de klokken nog op volle kracht luiden, maar de man die ze zoëven met grote krachtsinspanning aan het zwaaien bracht hoeft nu nog slechts moeiteloos mee te geven met het touw.’

Broeder Jansen raakt er niet door gesticht. De dienst bestond volgens hem uit drie punten: 1. snertkerk, 2. snertpreek en 3. snertdominee. Maar de verslaggever is wél onder de indruk. De voorganger was een boodschappenjongen met een blijde boodschap. Hij was opgetogen van verwondering: dat de boodschap voor ons is, en ook voor hem. Hij deelde zijn boodschap uit, voor u, voor u én voor u. O zaligheid, nooit af te meten!

Zo eindigde het jaar 1939 in de Gereformeerde Kerk aan de Herengracht in Leiden. De donderbussen knalden door de straten. En in het oosten zwol de dreiging van de oorlog aan.

Deze week sluiten we het jaar onzes Heren 2020 af. Ook een jaar met veel dreiging. Voor de meesten van ons nu zelfs zonder fysieke kerkdienst in het eigen kerkgebouw. Maar ook in het nieuwe jaar mogen we weten dat de tijden in Gods hand zijn.   

Een column die ik schreef voor het Nederlands Dagblad. Het verslag van de kerkdienst is ontleend aan: D. van der Stoep en H.H. Felderhof, In de houten broek (1940).

Kerstcantate

'Bent u met kerstmis hier, als ik vragen mag?' vroeg de abbé. Het was de dorpspastoor een eer en een genoegen dat de beroemde musicus in zijn dorp een huis had gekocht om er tot rust te komen van het jachtige leven in de concertzalen van Parijs. 'Blijft u met kerstmis hier?'

Ja, de beroemde musicus was van plan de kerstdagen in het dorp door te brengen.

‘Mag ik u dan uitnodigen voor onze kerstcantate? Ja, dat klinkt natuurlijk heel duur, kerstcantate, wij zijn natuurlijk maar amateurs, ons koor is niet meer dan een gewoon boerenkoortje, dat begrijpt u wel. En het orgel is al even gammel als de organist. Zelf ben ik ook geen echte dirigent, maar goed, we doen ons best, en ik stel er prijs op uw vakkundig oordeel te mogen vernemen.’

Het werd kerstmis, de grote musicus kwam, de abbé was nog zenuwachtiger dan anders, de organist en het koor deden hun uiterste best en iedereen was het erover eens dat de cantate dit jaar nog schoner klonk dan vorig jaar.

Na afloop nodigde de abbé zijn hoge gast uit op de pastorie, hij had zijn mooiste fles wijn uit de kelder gehaald. ‘En?’ vroeg hij gespannen, nadat hij de glazen had ingeschonken.

‘Heel goed,’ zei de man uit Parijs. ‘Werkelijk heel goed. Ik bedoel de wijn.’

‘En de cantate?’

‘Niet goed,’ zei de man uit Parijs. ‘U doet uw werk zonder twijfel met toewijding, maar als ik eerlijk ben: de toon is niet zuiver, de stemmen zitten niet goed onder elkaar, de tekst is onverstaanbaar, de inzetten zijn aarzelend, het forte is te hard, het pianissimo te zacht, de tempi zijn niet constant. Het spijt mij dat ik u dit zeggen moet, maar u vroeg mij ernaar.’

Bedroefd sloeg de abbé zijn ogen neer en tuurde in zijn glas. ‘Het is goed dat u het mij eerlijk zegt, monsieur. Ik ben ook geen vakman, ik ben maar een gewone dorpspastoor. Ik kan noten lezen en een beetje de maat slaan, maar dat is dan ook alles. Ik ben wel blij dat u zei dat wij ons werk met toewijding doen. Dat hoorde u er dus wel in?’

‘Jazeker,’ zei de musicus uit Parijs, ‘met toewijding. Alleen vals. Maar laat ik ophouden met mijn kritiek, liever doe ik u een voorstel. Ik heb zojuist van mijn dokter gehoord dat ik het het komende jaar kalm aan moet doen, zodat ik voor langere tijd in deze contreien zal vertoeven. Kan ik u misschien van dienst zijn door volgend jaar kerstmis de directie van uw koor over te nemen?’

En zo geschiedde. De grote musicus ving reeds in september met de repetities aan, de slechtste stemmen gooide hij eruit, een kennis uit Parijs lapte het orgel op en bracht de organist van het dorp de eerste beginselen van behoorlijk orgelspelen bij, en de verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen het weer kerstmis werd.

De abbé zat wat onwennig in de kerk, tussen zijn parochianen in, vijftien jaar lang had hij voor zijn geliefd koor achter die lessenaar gestaan, nu stond de grote musicus daar.

Met een gebaar dat de routinier verried hief de dirigent uit Parijs zijn slanke handen, het koor zette als één man in, en zuiverder dan ooit klonk de muziek door de gewelven. Zo had de kerstcantate nog nooit geklonken. Toch was er iets, maar de abbé wist niet wat.

‘En?’ vroeg de musicus. Net als een jaar geleden waren zij voor een goed glas wijn neergestreken op de pastorie. ‘En?’

‘Heel mooi, monsieur, heel mooi. Ik weet niet hoe u te danken. Woonde u maar altijd in ons dorp, dan kon u jaarlijks de kerstcantate dirigeren!’

Die nacht kon de abbé de slaap niet vatten en de abbé wist niet waarom. Hij zei nogmaals zijn avondgebed, maar het hielp niet. Hij lag maar in het donker voor zich uit te staren, totdat plotseling aan zijn voeteneind een zacht schijnsel zichtbaar werd. De abbé schrok, daar stond een engel. De abbé vreesde met grote vreze. Maar de engel zei: ‘Vrees niet, monsieur l’abbé, ik ben uit de hemel neergedaald om te zien hoe het met u is. Al vijftien jaar lang luisteren wij hierboven naar uw kerstcantate, maar nu laat de Eeuwige u vragen waarom de muziek dit jaar is uitgebleven, wij hebben niets gehoord.’

Jaren geleden heb ik dit verhaal eens in een cantatedienst verteld waarin het Westerkerkkoor onder leiding van Jan Pasveer het Weihnachtsoratorium zong. Ik zei er voor de zekerheid wel bij dat iedere gelijkenis met een bestaand koor en een bestaande dirigent een volstrekt toevallige was en een door de verteller niet gewilde.

Een dezer dagen kreeg ik bezoek van een jonge vrouw. ‘Weet u nog dat u een keer in een cantatedienst een verhaal over een kerstcantate hebt verteld? Daar moet ik u nog altijd voor bedanken.’

‘Dat vond u mooi?’

‘Ja. Mensen die achter mij zaten vonden het maar niks, die hadden zeker een echte preek verwacht, maar voor mij was het evangelie. Ik weet nog waar ik zat en wat ik aanhad, die dag. God is aanwezig in de eenvoud, dat hoorde ik in dat verhaal.

Ik zit in de verpleging en alles moet beter en mooier en sneller en professioneler. Maar of het een verbetering is? Als je het hart eruit haalt, haal je God eruit. Ik ben maar een gewoon mens, een eenvoudig mens, ik hoef me niets te verbeelden. Maar God werkt door gewone mensen. Ik lees dat verhaal ieder jaar als ik in mijn eentje kerstmis vier en ieder jaar ben ik er weer door ontroerd.’

Ds. Nico ter Linden in Trouw, december 1998

Een witte kerst

Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren.

Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij een van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen.

“Nee maar,” zeiden ze, “dat had je niet moeten doen.”

Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten en keken elkaar warm aan.

“En nu gaan we niet alleen smullen,” zei de man, ” we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is.”

En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld.

“Kijk,” zei de man “dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk.” En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord.

“Dat is nu vervelend,” zei hij, “er is ook altijd wat.” Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur.

Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik zwijgend aan en toen werd de een door een grote drift bevangen. “Uitgerekend op Kerstmis,” zei hij, “zijn er geen andere avonden.” En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. “Ik ga nog eens even kijken,” zei hij, “er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat.”

Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was.

Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst.

Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen. “Zeg maar even niets,” zei hij, “die wind is wat schraal, het gaat wel weer over.” En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.

Een kerstverhaal door Godfried Bomans

Kerst 2020

Als ik aan kerst denk krijg ik daar niet meteen de mooiste beelden bij. Dat ligt niet aan het feit van kerst zelf, maar aan de toestanden er om heen. 

Mijn vader was dan wel dominee, met kerst had hij niet zoveel. Hij vond het eigenlijk een heidens feest in een christelijk jasje. Dus een preek die speciaal over kerst ging was aan hem niet echt besteed. Bovendien vond hij veel kerstliederen beneden peil. Maar ja, dat waren wel liederen die de mensen in de kerk wilden zingen.

Daarnaast was de periode rond kerst een slijtageslag. Het werd wel eens de Tiendaagse Veldtocht genoemd. Er werd destijds verwacht dat de dominee op alle zondagen en op christelijke feestdagen preekte , danwel een stichtelijk woord sprak (Tweede Kerstdag). Dat betekende twee preken voor de zondag voor kerst, een preek op Eerste Kerstdag, een belangrijke rol bij het kinderkerstfeest, een stichtelijk woord op Tweede Kerstdag, dan weer twee preken op de zondag na kerst en vervolgens een preek op Oudejaarsdag én op Nieuwjaarsdag. En soms overleed er ook nog een gemeentelid in deze periode. Dan moest er nóg een preek gemaakt worden. Veel ruilen was er niet bij. En alle preken moesten uitgetypt of uitgeschreven worden. Knippen en plakken was er niet bij. En alle liturgieën werden door de Dominee Himself uitgedacht.

Engel in de kerstroute 2019

Dan was er nog een groot en druk gezin. Mijn moeder wilde het allemaal zo gezellig mogelijk maken. Maar als iets gezellig moet zijn wordt het erg lastig om het gezellig te krijgen. Gelukkig hadden we geen kerstboom. Dat scheelde weer in de kerststress.

Tegenwoordig gaat dat allemaal toch wel wat anders, ook al is kerst in de kerk een drukke tijd, met allerlei activiteiten. Vorig jaar hadden we vanuit onze kerk nog de kerstroute door de wijk georganiseerd. Een paar honderd mensen uit de wijk liepen deze route.

Dit jaar wilden we de kerk rond kerst alle dagen open hebben voor ontmoeting en maaltijden. Maar door de corona-maatregelen zijn zelfs de kleine activiteiten opgeschort, behalve een maaltijdproject in kleine kring.

Het is dit jaar allemaal een stuk rustiger. En eigenlijk vind ik dat wel een keer prettig. Tijd om even echt stil te staan bij de werkelijke betekenis van kerst. Jezus die als mens naar de wereld kwam om mensen te redden. 

Kerststal en corona

De overheid durft nog geen voorspellingen te doen. Maar inmiddels circuleren er berichten als de volgende: 4 de kerstdagen met maximaal 6 maar houd de coronaregels in 8. 

Sommige mensen zijn nú al begonnen aan de bouw van een kerststal. Je moet toch wat als je in quarantaine zit.

Hou ook bij de inrichting van de kerststal rekening met de geldende corona-maatregelen. Jozef, Maria en Jezus horen bij één huishouden.

Kerststal in Den Haag, vorig jaar

De engelen zijn immuun voor corona. Over hen hoef je je geen zorgen te maken. Bovendien waren de engelen helemaal niet bij de geboorte van Jezus in de stal bij de herberg aanwezig. Je kunt ze dus ook weglaten. Als je ze er wél bij wilt hebben staat het misschien wel mooi, maar het is niet volgens de grondtekst.

Maar als de herders daar bij komen zitten we al in de problemen. Want de herders behoorden niet tot één huishouden. Ze waren wel collega’s, maar ze woonden niet samen in één appartement. Er mogen dus slechts drie herders in de stal.

‘Gebreide’ kerststal in onze kerk

Dan heb je geen plek voor de wijzen uit het oosten. De mensen gaan er vanuit dat het drie wijzen waren, maar dat staat nergens in de Bijbel. Mensen lezen de Bijbel verkeerd. Ze denken dan aan goud, wierook en mirre. Ja, dan moeten het wel drie wijzen zijn: de één met goud, de ander met wierook, de derde met mirre. Maar zó zit de Bijbelse wereld niet in elkaar.

Om dit probleem op te lossen moet je de herders laten vertrekken voordat de wijzen binnen mogen komen. Laat de herders een briefje invullen met hun naam, adres en telefoonnummer, voor het geval dat.

Pas de dag erna mogen er maximaal drie wijzen naar binnen. Onderzoek daarnaast welke dieren in de stal bevattelijk kunnen zijn voor corona. Nertsen worden niet toegelaten. 

Trots en narcisme

Narcissus was in het spiegelende water aan het kijken. Hij was zó geobsedeerd door zichzelf dat het zijn ondergang werd. Hij verdronk.

Wat is de overeenkomst tussen trots en narcisme? Volgens mij zijn het twee loten uit dezelfde stam: de mens die zichzelf centraal stelt.

Ontwikkelingspsychologisch past narcisme bij de peuter, die zichzelf als het middelpunt van de wereld ziet. De peuter is ook nog niet in staat om zich in te leven in de ander (‘Theory of Mind’). Mamma wil vlug boodschappen doen, maar de peuter begrijpt daar niets van, op die wipkip zitten is toch veel leuker? De peuter kan zich niet voorstellen dat voor mamma iets anders belangrijker is dan voor hemzelf.

Dat onvermogen tot naast elkaar zetten van wensen, mogelijkheden komt in onze narcistische cultuur tot uiting in uitspraken als ‘Iedereen is het met mij eens dat’, ‘Alle mensen vinden dat’.

De andere kant van deze sociaal-emotionele ontwikkeling is dat je de controle wilt houden. Alles moet geregeld worden zoals de persoon dat in zijn hoofd heeft. Hij wil dus ook veel bepalen voor anderen. “Zoals ik het in mijn hoofd heb moet het gebeuren”.

Relaties zijn binnen het narcisme ik-gecentreerd: de ander moet iets toevoegen aan mijn leven. De ander is er dus om mij te dienen. Ik neem een kind, en dat kind moet mij gelukkig maken. En als de ander mij niet meer dient heeft de relatie (voor mij!) geen zin meer.

Vanuit de transactionele analyse gezien kiezen narcistische, trotse mensen voor de bovenpositie en dan meestal de kritische ouderpositie: mijn mening telt, dus ik oordeel over jou, ik mag jou veroordelen. Er een andere mening naast zetten wordt als tegenspreken ervaren. Je hebt dus zomaar een conflict.

Als je ontwikkelingspsychologisch verder kijkt zie je de ontwikkeling van kijken vanuit je eigen positie naar samen delen en samen kunnen werken. Bij kinderen is een mooi ‘meetpunt’ in die ontwikkeling: het moment dat ze er tegen kunnen dat ze een spelletje verliezen. Dat betekent ook dat ze de ander iets kunnen gunnen. Dat is ‘het narcisme voorbij’. Je kunt dan ‘delen’.

Toch blijft dit altijd een valkuil. Gunnen is gemakkelijker wanneer je in goede omstandigheden verkeert. Maar wanneer we klem komen te zitten vallen we vaak weer terug op ‘ik eerst’. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de strijd die ontstaat als een deel van de medewerkers ontslagen moet worden of als er te weinig plaatsen in de trein zijn. Dan denken we weer vanuit onszelf.

Het draait vanuit het narcisme vooral om het houden van de controle over je eigen leven en dat van anderen. In zijn boek ‘Karakter en aanleg in verband met het ongeloof’ heeft Prof. dr. H.C. Rümke aangegeven hoe deze behoefte aan controle de bloei van het geloofsleven belemmert. Dat wil niet zeggen dat iemand die sterk op de controle zit ongelovig is, maar dat zijn geloof niet tot levensvervullende bloei kan komen. Geloven betekent (voor Rümke) dat je tot overgave kunt komen. Oftewel: de controle loslaten. Van gebalde vuisten naar open handen, klaar om te ontvangen (Ann Voskamp). Pas dán kom je tot rust.

Narcisme én trots (Psalm 131) zijn loten van de stam waarbij je jezelf centraal stelt. Het was Herman Finkers die met deze Psalm het programma begon waarin hij sprak over zijn ziekte. Hoe ga je om met een ziekte waarvan je weet dat het steeds slechter met je zal gaan en waarbij je hoopt uiteindelijk tot overgave te komen:

 (‘n Bedevaartsleed, van David)

Mien herte is nich greuts,
ik kiek nich astraant oet de ogen;
ik hoal miej nich gängs met grote zaken,
met wat miej boaven ‘t benul geet.
Nee, ik heb miejzölf tot röstbracht,
ik bin stiller wörden,
zo as nen kleanen biej de moder lig,
as zonnen kleanen, zo bin ik.

Zee noar UM oet, Israël,
van now of an veur aaltied.

Narcisme én trots stellen de mens zelf centraal. Je probeert onaantastbaar te blijven. Als ik nu maar goed genoeg presteer, er mooi genoeg uit zie, genoeg volgers op Facebook heb of de meest wonderbaarlijke tatoeages en piercings op en in mijn lichaam bevestig, dan mag ik er zijn. De wijze waarop mensen tegenwoordig met piercings omgaan is volgens de Belgische psychiater Dirk De Wachter zelfs een vorm van automutilatie: pijn ervaren om er toch te mogen zijn, jezelf te kunnen voelen.

Narcisme kan niet omgaan met gebrokenheid. Dat je er met het ouder worden anders uit gaat zien past niet in het narcistische beeld. Dus moet er fysiek verbouwd worden. Helaas is het - als je zo denkt - allemaal nooit genoeg. Dus ben je steeds aan het falen. Mensen die gewoon mogen zijn wie ze zijn hebben het uiteindelijk toch een stuk gemakkelijker in hun leven. 

De bovenste lip bewimpelen

Ook in Bijbelse tijden kwamen al epidemieën voor. Om dat te voorkomen had God regels ingesteld. Het Joodse volk mocht geen onreine dieren houden . Het waren dieren waarvan werd verondersteld dat ze een gevaar konden opleveren voor de volksgezondheid. 

De Joodse wet telt heel veel regels om besmetting tegen te gaan, zoals de vele reinigings-en spijswetten. Tijdens de epidemieën in de Middeleeuwen ging de ziekte nogal eens aan de Joden in de stad voorbij. In plaats van dat de bevolking zich af vroeg wat de Joden anders deden dan de rest van de stad keerde zich dit soms tegen de Joodse inwoners: ze waren door de duivel bezeten. Een soort van Middeleeuwse complottheorie dus.

Een beruchte ziekte was de melaatsheid (in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met huidvraat, maar dat zegt me eigenlijk veel minder). Melaatsheid verspreidt zich – net als bij corona – door de lucht: niesen, hoesten, praten of zingen. De Bijbel heeft het niet over aerosolen, daar hadden ze toen nog nooit van gehoord.

Er werd ook diagnostiek gepleegd. Dat gebeurde niet door de dokter. Er waren ook nog geen teststraten. De priester deed onderzoek. Als iemand een verdachte oneffenheid had op de huid volgde een diagnostisch onderzoek door de priester. Was er duidelijk sprake van melaatsheid, dan kreeg de persoon het label ‘onrein’.

Als de huiduitslag voor twijfels zorgde moest die persoon zeven dagen in quarantaine. Daarna volgde een hertest. Bleef de uitslag onduidelijk, dan moest je nog een keer zeven dagen in quarantaine. Na uiterlijk 14 dagen volgde de definitieve diagnose. Het was een sneltest: je kreeg meteen de uitslag.

Melaatse mensen moesten duidelijk herkenbaar zijn. Ze moesten hun kleren scheuren, mannen moesten hun baard laten staan, ze moesten bij de nadering van anderen roepen dat ze onrein waren zodat anderen de 1,5 meter afstand in acht konden nemen.

En... ze moesten de bovenste lip bewimpelen (Leviticus 13 vers 45). Zou dat Oudtestamentische taal zijn geweest voor het dragen van een mondkapje?