WMO-mantra van een starre gemeente

De gemeente staat bekend als weinig soepel als het gaat om het hanteren van regels rond kwetsbare mensen. Op huishoudelijke hulp voor ouderen en gehandicapten werd bijvoorbeeld maximaal bezuinigd. En wie ooit een PGB had moest het nu via de gemeente met minder dan de helft van het oorspronkelijke budget doen.

Een moeder diende een bezwaarschrift in tegen de gemeente. Bij haar dochter was sprake van complexe problematiek. Ook van dubbele problematiek: zowel een lichte verstandelijke beperking als forse psychiatrische problemen.

Maar de gemeente koerste op een cijfer af. Dat was voor de betrokken ambtenaar een stevig criterium. Een jonge vrouw met een IQ van 73 moest in staat geacht worden om ‘toegeleid te worden tot betaald werk’.

In de afgelopen twee jaar was stapsgewijs geprobeerd om deze vrouw inderdaad in de richting van ‘werk’ te begeleiden. Dat wilde ze zelf ook wel. Ze was bepaald niet lui. Maar zodra de druk maar iets te hoog werd ging het mis. Tot twee keer toe raakte ze in een psychose.

Tijdens de hoorzitting werden zowel de procedure als de gegevens van de betrokken vrouw nog eens op een rijtje gezet. Er lagen twee dikke dossiers op de tafel. Een deel van de stukken bleek niet bij de moeder bekend te zijn. Ze had haar bezwaar op basis van een onvolledig dossier ingediend. Volgens de betrokken ambtenaar kan het een enkele keer gebeuren dat stukken niet bij betrokkenen terecht komen. Maar dat was dan een schoonheidsfoutje. Het ging in dit geval ook niet om belangrijke stukken.

De moeder had steeds moeten wisselen van gemeenteambtenaar. Iedere keer opnieuw had ze haar verhaal moeten doen. Daarbij gaven verschillende ambtenaren verschillende en soms tegenstrijdige informatie. Ook bleek de ene ambtenaar een ruime termijn te hanteren, wat weer door de ander werd tegengesproken. De gemeente meende dat de moeder de termijn voor een bezwaar had overschreden. Maar de andere ambtenaar had ik een mail juist toegezegd dat er een ruimere tijd was. Ook dat werd door de ambtenaar bij de hoorzitting als een futiliteit gezien.

Maar uiteindelijk ging het om zorg op maat voor de dochter. Toen stelde de advocaat een indringende vraag. “Denkt u, mevrouw de ambtenaar, dat u als gemeente voldoende geld beschikbaar hebt om aan de complexe zorgvraag van deze vrouw te voldoen?” Het antwoord van de gemeente: “We hebben ons beleid vastgesteld. Dat hebben we niet alleen gedaan. We hebben dat beleid in samenspraak met andere gemeenten vastgesteld.”

Opnieuw stelde de advocaat de vraag. Het antwoord van de verantwoordelijk ambtenaar: “We hebben hier beleid over vastgesteld. Deze gemeente is niet de enige gemeente die deze criteria hanteert. We zijn het er onderling over eens dat we in het kader van de WMO een verantwoord beleid voeren.”

“Maar” zei de advocaat, “U hebt het over het beleid. Ik wil een antwoord op de vraag: “Kunnen de ouders van deze jonge vrouw voor hun dochter met het bedrag dat de gemeente toekent ook voldoende zorg inkopen?”

De betrokken ambtenaar herhaalde haar antwoord. “De gemeente heeft op basis van voorliggende criteria een besluit genomen. Dat heeft deze gemeente niet op eigen houtje gedaan. Ook andere gemeenten voeren dit beleid uit. En met onze contractpartners zijn we overeen gekomen dat dit de juiste tariefstelling is.”

Nu had geen van de contractpartners waar de gemeente het over had voor deze vrouw een passend aanbod kunnen bedenken. Er zou geld bij moeten om aan de complexe zorgvraag tegemoet te komen. Een gevolg was dat de dochter al een jaar lang thuis zat en dat de moeder haar baan op had moeten zeggen. Verloren ontwikkelingstijd. Hoe zat dat dan? En waarom negeerde de gemeente de adviezen van de behandelend psycholoog en psychiater? Had de gemeente wel voldoende deskundigheid in huis?

De  ambtenaar: “We hebben in overleg met andere gemeenten onze tariefstelling en ons beleid vastgesteld. Daar denkt deze gemeente niet alleen zo over, maar ook andere gemeenten.”

Dit was dus de mantra van een gemeente die landelijk inmiddels bekend staat als één van de meest ontoereikende gemeentes als het gaat om zorg voor kwetsbare mensen. Geen inhoud, maar een zich herhalende mantra. Dit beleid is nu eenmaal vastgesteld en onze naam is verder haas.

Over drie weken volgt de uitspraak…

De Zak vervolgd (2)

In een smal deel van Zuid-Beveland, waar de afstand tussen de Oosterschelde en Westerschelde vier kilometer bedraagt, ligt het dorp Krabbendijke. Eén kilometer naar het noorden ligt de door een dam getemde Oosterschelde, drie kilometer naar het zuiden de af en toe woeste Westerschelde.

Ik besluit eerst naar de Oosterschelde te fietsen en dan via het dorp Krabbendijke (weer) naar de Westerschelde te sijkelen. Ik fiets naar de Oosterschelde via de Karelpolder, een kleine smalle polder die in 1878 werd drooggelegd en daarna twee keer onder water kwam te staan als gevolg van dijkdoorbraken. Bij de tweede dijkdoorbraak kwamen er zelfs twee vissersschepen in de polder terecht. Er staan geen huizen of boerderijen in de polder. Als je huis wordt aangevaren door een schip is dat ook een bijzondere belevenis.

Dan ben ik bij de voormalige haven van Roelshoek. Het zit zo: ooit had Krabbendijke een eigen haven, maar deze verzandde. Toen kwam er hier een haven om landbouwproducten vanuit de streek rond Krabbendijke af te kunnen voeren. Maar met de nieuwe bedijking langs de Oosterschelde verdween ook deze haven. Dus is Roelshoek alleen nog maar een buurtschap. Ik zie trouwens langs de dijk ook bijna geen water, alleen een onmetelijke vlakte van zand en wier (slikken) en in de verre verte wat water.

Ik fiets vanuit Roelshoek even terug naar Krabbendijke. Het station dreigde te worden opgeheven (de trein naar Vlissingen zou een aantal Zeeuwse stations over gaan slaan), maar inmiddels is het zo dat álle treinen in Krabbendijke stoppen (twee treinen per uur in beide richtingen). Dat is weer andere koek. Maar nu zijn de reizigers uit Middelburg en Vlissingen weer boos: hun treinverbinding is langzamer geworden. Het is dus ook nooit goed.

Het wordt een herhaling van zetten, maar ook Krabbendijke ligt duidelijk op de Bible Belt. Overal hangen borden van de SGP en er zijn zelfs auto’s bestickerd met SGP-reclame. In het dorp met zo’n 4500 inwoners valt mij op dat er verschillende forse kerkgebouwen staan. De inwoners kunnen op zondag in vier kerkgebouwen naar de kerk en daar worden iedere zondag in totaal negen kerkdiensten gehouden. En de SGP haalde hier bijna de helft van het totale aantal stemmen. Een antireclame is de ernstig vervuilde muziektent, kennelijk een hangplek voor jongeren die geneigd zijn tot plaatselijk kwaad.

Vanuit Krabbendijke fiets ik oostwaarts en fiets via de Stationsbuurt het dorp Rilland binnen. En ook hier heeft het station de tand des tijds overleefd. Er stapt echter niemand in of uit de trein die hier net aankomt.

Begeleiding bij onveilige hechting (2)

Vanaf het begin van mijn werk ben ik altijd erg geïnteresseerd geweest in het onderwerp ‘hechting’. Wat maakt nu dat sommige kinderen zich bij volwassenen of bij leeftijdgenoten nooit op hun gemak voelen? Waarom roepen andere mensen spannen bij hen op?

Chris

Beelden die veel indruk op mij maakten kwamen uit het leven van Chris, een kleuter die op de leeftijd van één jaar was geadopteerd (het eerste jaar van zijn leven verbleef hij in een groot kindertehuis in Brazilië).

Chris was een vrolijke peuter, en hij huilde nooit. Op één van de filmfragmenten is te zien hoe hij zich ontzettend zeer deed. Hij zit zich werkelijk twee minuten lang te verbijten, maar hij zoekt op geen enkele manier troost.

Als je niet huilt en geen troost zoekt blijft de stress in je lichaam zoeken. Die stress kan zich bijvoorbeeld vertalen in heel druk gedrag.

Geen samenspel

Als je beter keek naar de beelden van Chris vielen er nog meer dingen op. Chris zat inmiddels in groep 1 van de basisschool. Van een kleuter mag je verwachten dat hij (in de nabijheid van volwassenen) samen kan spelen met andere kinderen.

Bij Chris zag je weinig tot geen samenspel. Als er drie kinderen de kar de ene kant uit trokken ging Chris de andere kant uit. Als er een opdracht uitgevoerd moest worden was hij nét met iets anders bezig. En bij een polonaise door de klas weet je al waar de ketting breekt: Chris gaat héél iets anders doen.

Geen ingang

De adoptieouders van Chris hebben alles voor hun zoon over. “Maar” zegt moeder, “hoe vaak we hem ook zeggen dat we blij met hem zijn, hoe vaak we ook proberen hem liefde te geven, het landt niet. We hebben na een paar jaar nog steeds het gevoel dat we bij het begin staan.” De ouders ervaren de zorg voor Chris als een ‘bodemloze put’: ze verzenden veel liefdestaal, maar het bereikt de ontvanger niet.

De oorzaak van deze omstandigheden zit in het eerste levensjaar van Chris, toen er niemand voor hem was. Als hij honger had kwam er niemand, als hij huilde was er niemand die hem troostte. En in dat eerste jaar wordt het fundament voor de hechting gelegd.

Behandeling

Er zijn inmiddels allerlei vormen van behandeling om alsnog de hechting op gang te helpen. Maar: hoe later je daarmee begint, hoe lastiger het wordt. Er staat dan al een huis, maar de bodem is er nog niet. Probeer dan maar eens alsnog een fundament aan te leggen.

De situatie van Chris was echter niet hopeloos. Er waren inderdaad mogelijkheden om hem de delen van de hechting die hij gemist had alsnog in te halen.

Overleven

Niemand van ons is echt veilig gehecht. We lopen in onze ontwikkeling altijd deuken en blutsen op. Maar bij kinderen en volwassenen die onveilig zijn gehecht zijn die emotionele deuken en blutsen zó groot dat ze vooral bezig zijn te ‘overleven’. De volgende keer enkele voorbeelden van dat overleven.

 

De Zak vervolgd (1)

Ik ben ondertussen ‘De Zak’ uitgefietst en fiets over de dijk in de richting van Hansweert. In de zomer vaart hier een voetveer naar Zeeuws-Vlaanderen. Het is één van de mooiste overtochten die je met een veerpont in Nederland kunt maken. De voortzetting van dit veer staat ieder jaar weer ter discussie (vanwege verzanding van de haven van Perkpolder en vanwege mogelijk verminderde subsidie). Het is afwachten wat er dit jaar gaat gebeuren.

Even voor Hansweert laat ik de dijk achter me en fiets langs de rand van Biezelinge een tijdje parallel aan de autoweg. Ik moet namelijk het Kanaal door Zuid-Beveland oversteken. De auto’s gaan door een tunnel, maar fietsers gaan over de brug van de oude Rijksstraatweg, die parallel ligt aan de spoorbrug.

Het Kanaal door Zuid-Beveland (9 kilometer lang) was ooit één van de drukst bevaren kanalen van Nederland. Het maakte onderdeel uit van de scheepvaartverbinding tussen Antwerpen en Rotterdam. Maar met de komst van het Schelde-Rijnkanaal (1975) was het gedaan met de pret en werd Hansweert een doods plaatsje. Toch werd er in de afgelopen jaren weer fors geïnvesteerd in het kanaal, zo werd het aanmerkelijk verbreed.

Aan de overkant van het kanaal kies ik weer het ruime fietssop. Links ligt Kruiningen, met nogal wat grootschalige bedrijven in de ‘buitenruimte’. Ik neem een meer noordelijke route en fiets over de Dijkskoksedijk in de richting van de dijk langs de Oosterschelde. Ook hier weer hetzelfde landschap als in ‘De Zak’ met veel bochtige dijken, percelen weiland, af en toe omgeploegde grond ten behoeve van de akkerbouw, rijen bomen (populieren, vaak afgeknot) en ook veel boomgaarden.

Begeleiding bij onveilige hechting (1)

Een gezonde (veilige) hechting vormt de basis voor alle emotionele ontwikkeling. Een verstoorde hechting heeft dan ook ernstige consequenties voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

Aangeboren en omgeving

Een veilige hechting is niet alleen van de opvoeding afhankelijk, maar ook van factoren in het kind zelf. Zo heb ik al eerder beschreven hoe een moeilijk temperament (dat is aangeboren) ook de hechting moeizamer doet verlopen.

Maar er zijn wel degelijk opvoedingsfactoren die de hechting negatief kunnen beïnvloeden.

Als er sprake is van ernstige problemen die te maken hebben van aantoonbare lacunes in de opvoeding spreken we van een reactieve hechtingsstoornis. Daardoor is het kind niet in staat geweest om zich niet veilig te kunnen verbinden met (een beperkt aantal) volwassenen.

Twee basisvoorwaarden voor veilige hechting

Ooit heb ik een vijftiental factoren genoemd die de veilige hechting onder druk zetten.

Ik doe het nu andersom: ik noem nu twee factoren die een gunstig effect hebben op de hechting:

a) Het kind heeft een beperkt aantal vaste opvoeders die jarenlang met het kind optrekken (in ieder geval minstens de eerste drie jaar)

b) De opvoeders zijn sensitief (gevoelig voor de signalen die het kind uitzendt) en responsief (ze weten hoe ze op het kind moeten reageren)

Waarom is veilige hechting belangrijk?

Ook hier kunnen allerlei factoren benoemd worden. Ik beperk me tot drie factoren:

a) kinderen die veilig gehecht zijn ontwikkelen zich meer sociaal, kunnen gemakkelijker met anderen omgaan

b) kinderen die veilig gehecht zijn hebben een meer gezonde emotionele ontwikkeling. Dat maakt dat ze ook minder vatbaar zijn voor stress.

c) kinderen die veilig gehecht zijn hebben meer energie ‘over’. Ze zijn minder angstig en meer weerbaar. Daardoor zijn ze meer in staat om zich te ontwikkelen en nieuwe (en gevarieerde) dingen te leren.

Eén op de drie

Een aanzienlijk deel van de kinderen in Nederland is onveilig gehecht. Er worden cijfers genoemd van ongeveer 1 op de 3 kinderen. Wie onveilig is gehecht heeft weinig vertrouwen in anderen op kunnen bouwen. Dit betekent dat hun leven voor een groot deel door angst wordt gekleurd. Ze zijn bezig te overleven, in plaats van te leven.

Evenwicht

Als werkhypothese bij jonge kinderen wordt genoemd dat veilige hechting zichtbaar is aan het feit dat het kind een evenwicht zoekt tussen het er op uit gaan als de situatie veilig is. Als de situatie onveilig is zoekt het kind de vertrouwde opvoeders op en laat zich door hen beschermen en troosten.

Kinderen die onveilig gehecht zijn ervaren de ouder/verzorger niet als bron van troost. Ze raken bijvoorbeeld gespannen als de opvoeder dicht in de buurt komt of ze vermijden hun ouder of verzorger en gaan (ook in bedreigende situaties) vooral hun eigen gang.

Verstandelijke beperking en kinderen

Zo’n twintig jaar geleden was het een documentaire die me weken lang bezig hield. En eigenlijk al die jaren daarna nog steeds.

De familie Stomphorst. Vader Bertus had een geschiedenis van kindertehuizen achter de rug en (waarschijnlijk) een lichte verstandelijke beperking. Moeder Yvonne had een ernstiger verstandelijke beperking.

De beide ouders waren niet in staat om kinderen op te voeden. Alle kinderen – op de jongste na – waren uit huis geplaatst. Nu ging de strijd om het jongste kind. Mocht het thuis blijven wonen of moest het ook in een instelling of in een pleeggezin gaan wonen?

De ouders waren ten einde raad. Het leek erop dat ze opnieuw de strijd zouden verliezen. Maar: “We gaan net zo lang door totdat we er eentje mogen houden.”

Een voorbeeld van het onvermogen van de ouders was het gegeven dat het jongste kind veel slaapproblemen had. Dat kan in ieder gezin gebeuren. Maar het onvermogen kwam tot uiting in de reactie van de ouders toen dit zoontje (een peuter) een nacht wél doorsliep. Ze haalden hem uit zijn bedje om hem te laten ervaren hoe erg het is als je iedere nacht wakker gemaakt wordt. Is dat een kwestie van geen enkele kennis van de ontwikkeling van kinderen of is het een gemis aan invoelingsvermogen. Ik vermoed van beide. Met alleen kennis toevoegen red je het niet.

De ouders heb ik later nog een keer in levenden lijve gegaan. Maar hoe is het verder met de kinderen gegaan? Daarover gaat vanavond een documentaire op NPO 2. Met de kinderen is het niet goed gegaan. Sommigen verhuisden van instelling naar instelling, van pleeggezin naar pleeggezin. Ook (de meeste?) kinderen hebben een verstandelijke beperking. En als die kinderen dan weer kinderen krijgen? Gaat de geschiedenis zich eindeloos herhalen?

Eén van de dochters heeft zich laten steriliseren. Misschien zegt dat al genoeg. Ze heeft de schade van deze ouders aan den lijve ervaren en heeft genoeg emotionele vermogens en intelligentie om te begrijpen dat de opvoeding van kinderen voor haar te hoog gegrepen is.

Het programma van destijds plaatst de kijkers opnieuw voor een moreel dilemma. Vanmorgen had ik daar meerdere gesprekken over.

Willen we leven in een samenleving waar de overheid mensen kan verbieden om kinderen te krijgen? En zo ja, wie bepaalt dan de grens. Mag je boven een IQ van 80 wél kinderen krijgen en beneden een IQ van 80 niet?

Of zijn er nog andere factoren? Kun je verwachten van een moeder met een ernstige en onbehandelde borderline persoonlijkheidsstoornis en een normale intelligentie dat ze wél in staat is om kinderen op te voeden? Moet psychiatrische diagnostiek dan een rol spelen bij de mogelijkheid om kinderen te krijgen of op te voeden? Wil je in een samenleving wonen waar de overheid zoveel macht heeft?

Of omgekeerd: wil je dat kinderen steeds weer de dupe zijn van ouders waarvan voor meer dan 95% te voorspellen valt dat ze niet in staat zullen zijn om hun kinderen voldoende emotionele basis mee te geven? En zo ja opnieuw: wie bepaalt dat dan?

Vanavond in 2 Doc, NTR, NPO 2, van 20.55 tot 22 uur.

 

Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.