Sensatiezoeken

Vorige week sprak ik een ex-brandweerman. Hij vertelde dat in zijn (vroegere) vak veel mannen (m/v) de neiging hebben om spanning op te zoeken.

Volgens M.Zuckerman lopen mensen die sensatie zoeken het risico dat ze crimineel gedrag gaan vertonen. Maar er zijn ook veel ‘gehoorzame burgers’ die toch sensatiezoekers zijn. De sensatie zoeken ze in gesanctioneerde activiteiten. Als brandweerman, politieagent, ambulancebroeder (m/v) of chirurg kom je veel spannende momenten tegen.

Zuckerman ziet de behoefte aan het zoeken naar sensatie in een combinatie van persoonlijke eigenschappen:

a) de behoefte aan avontuur

b) de neiging om impulsen niet tegen te houden (‘het moet er uit’)

c) het streven naar allerlei ervaringen

d) de gevoeligheid voor verveling

Schaal om sensatielust te meten

Zuckerman ontwikkelde een schaal die bepaald in hoeverre je meer een sensatiezoeker bent of juist meer op stabiliteit en rust uit bent. De vragen zijn nogal voor de hand liggend. Je zou eigenlijk niet moeten weten waarom je die lijst in moet vullen om tot de meest betrouwbare antwoorden te komen.

Net zoals alle zelfbeoordelingsinstrumenten gaat het ook bij deze schaal over het antwoord op de vraag hoe je naar jezelf kijkt. Misschien kijkt een ander (toch) wel anders naar jou.

Een paar van dit type vragen:

a) Ik zou graag parachute willen springen

b) Ik heb graag een baan waarbij ik weet waar ik aan toe ben

c) Ik zou mijn baan op willen zeggen en over de wereld willen gaan zwerven

d) Ik heb bij voorkeur een georganiseerde vakantie

e) Ik wil graag leren motorrijden

Levenscyclus en familieverhoudingen (6)

Moeder Boonstra is 89 jaar oud. Ze woont samen met haar jongste zoon (Bertje, 48 jaar) in een vrijstaand huis in een Fries dorp. Dochter Martine woont in hetzelfde dorp, dochter Merel woont in een ander dorp. De oudste zoon, Johan, heeft veel contact met zijn moeder, maar hij woont op aanzienlijke afstand van zijn geboortedorp. 

Hoe zat het ook alweer in de familie Boonstra? Er waren spanningen tussen de oudste dochter Martine en de tweede dochter Merel. En die spanningen leken verband te houden met de zorg voor hun moeder en daar achter liggend: de door beiden gewenste band van met hun moeder.

De beide broers leken buiten schot te blijven. Dat zie je wel vaker in gezinnen: de relatie tussen moeder en dochter roept een andere dynamiek op dan de relatie tussen vader en dochter.

Als het om gezinsdynamiek gaat, gaat het altijd om zeer gekleurde emoties. Het is vaak moeilijk om achter de feiten te komen. Gisteren hoorde ik van een rechter dat hij bij conflicten tussen gezinsleden vaak met dikke dossiers werd geconfronteerd waarbij het grootste deel van de aangevoerde feiten berustte op familiair wantrouwen en de daaruit voortkomende misverstanden. Zijn reactie: “U zit hier helemaal verkeerd! U moet niet bij de rechtbank zijn. U moet eerst eens leren om goed naar elkaar te luisteren. Gaat u dat maar even op de gang bespreken.”

Kantelpunt

Als de rollen anders worden zie je dat er een nieuw evenwicht nodig is. Eén van die momenten is het kantelpunt waarbij kinderen meer zorg gaan krijgen voor hun ouders. De positie van de meest sterke in het gezin verschuift. Die stoere vader die alles kon en wist blijkt opeens veel brozer te worden. De moeder die alles regelde blijkt niet meer alles te kunnen regelen.

Deze verandering doet vaak veel met kinderen. Maar het veroorzaakt ook emotionele turbulentie in de onderlinge verhoudingen. Er moet een nieuw evenwicht worden gevonden. Dat uit zich bijvoorbeeld in de vorming van ‘coalities’. Daarbij kan een centraal thema worden: wie neemt de zorg op zich? Of juist andersom: wie onttrekt zich aan de zorg?

Als het gaat om rivaliteit en angst voor liefdesverlies kan bij zorgverlening de achterliggende gedachte de behoefte aan erkenning zijn. Oftewel: de erkenning wordt gezocht in het geven van zorg.

Nagy

De Hongaarse psychiater Iván Böszörményi-Nagy (spreek uit: Nodzj) maakt tijdens zijn behandeling onderscheid tussen vier dimensies in de relationele werkelijkheid van de mens.

1. Feiten

De dimensie van de feiten: persoonsgegevens en gebeurtenissen in de familie. Zo hebben feiten uit het leven van ouders hebben gevolgen voor kinderen. Een psychiater met wie ik veel heb samengewerkt zei soms: “we moeten zijn grootouders opgraven om werkelijk te snappen wat er in dit gezin aan de hand is.”

Grootvader Boonstra kwam om in het verzet. Vader Boonstra heeft zijn eigen vader niet lang gekend. Maar ook hij overleed op betrekkelijk jonge leeftijd. De jongste zoon Bertje was drie jaar oud toen zijn vader overleed. En hoe zat het gezin in elkaar waar moeder Boonstra opgroeide? Het gaat hierbij dus om de feitelijke gegevens, je trekt er nog geen conclusies uit.

2. Gevoelens

De dimensie van de psychologie: gevoelens, gedachten, emoties en behoeften van het individu? Hoe heeft men gebeurtenissen verwerkt en de eigen persoonlijkheid gevormd? In dit denken speelt vooral de hechting tussen kinderen en hun ouders een grote rol.

De beide dochters bij de familie Boonstra schelen maar 1½ jaar in leeftijd. Welke band hadden ze met hun vader? Wat betekende het voor hen dat hun vader opeens wegviel en ze beiden in hun welzijn veel meer afhankelijk werden van hun moeder? Hoe was de relatie tussen Martine en Merel? Was er strijd om de aandacht van hun moeder?

3. Rollen in het gezin

De dimensie van de transactie of machtsconstellaties (de systeemdimensie): hoe waren en zijn de rollen verdeeld binnen het gezin? Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan de wijze waarop er onderling gecommuniceerd wordt. Wie neemt de initiatieven, wie is er bepalend? Wie neemt de Bovenpositie in, wie neemt de Onderpositie in of wordt er vanuit een Volwassen positie gecommuniceerd? Hoe ziet dat er dan in gedrag en communicatie uit?

Is er sprake van coalities binnen het gezin? Trekken bepaalde kinderen sterk met elkaar op, worden anderen buitengesloten? Is er een zondebok in het gezin? (degene die ‘veroordeeld’ wordt zodat anderen hun eigen pijn minder hoeven te ervaren?).  Hoe is de relatie met de eventuele schoonfamilies. Er zijn een schoonzus en twee zwagers. Doen ze mee of staan ze aan de zijlijn?

4. Ethiek

De vierde dimensie is het meest complex. Het is de dimensie van de relationele ethiek: verweven in feiten, psychologie en interacties. Termen daarbij zijn: rechtvaardigheid, loyaliteit, meerzijdige partijdigheid.

Daar zijn ingewikkelde boeken over geschreven, maar dat laat ik nu maar even zitten. Het gaat er om of je er uiteindelijk in slaagt om vanuit de feiten, de persoonlijke ervaringen en de ‘machts’verhoudingen binnen het gezin kunt komen tot een goede afweging wat in dit gezinsverband een ‘gezonde’,  maar ook in ethisch opzicht goede manier van omgang met elkaar is.

Dat betekent: het leggen van een gezonde basis van vertrouwen naar elkaar toe, uitgaande van ieders goede bedoelingen.

Paranoïde persoonlijkheid

Een mevrouw vertelde dat ze haar medicatie niet in nam, omdat ze dacht dat het een placebo was. Als het zou helpen zou de dokter meteen denken dat haar medische klachten ‘tussen de oren’ zaten. Maar dat was niet zo. Ze had écht lichamelijke klachten.

Het verhaal van die mevrouw bracht mij op het thema ‘paranoïde persoonlijkheid’. Daar kun je oud mee worden. Deze mevrouw was de 8o jaar gepasseerd.

Intimiteit

Het was misschien best bijzonder dat ze mij ‘toegelaten’ had. Maar voor de zekerheid hou ik wel de deur van haar kamer open. Een vorige (mannelijke) hulpverlener is door haar namelijk aangeklaagd vanwege ‘seksuele bedoelingen’. Volgens haar was die man verliefd op haar en hij was daarnaast uit op haar geld.

De mevrouw is dertig jaar getrouwd geweest. Volgens mevrouw dook haar man voortdurend het bed in met andere vrouwen. Intimiteit en wantrouwen staan op gespannen voet. Nabijheid roept bij mensen die de neiging hebben paranoïde te zijn direct wantrouwen op. En bij haar volgde hét bewijs na dertig jaar: toen vertrok haar ex met een jonge blondine naar elders. Mevrouw had dus toch gelijk gehad…

Geldzaken

En haar kinderen dan? Die vertrouwde ze ook niet. Ze kwamen wel op bezoek, maar ze zag ook wel in waarom. Ze waren uit op de erfenis. Aan haar dochter kon ze zien hoe zij uit was op de sieraden van haar moeder. Laatst had ze zelfs een halsketting omgedaan om te kijken hoe die haar stond.

Opvallend was dat mevrouw nauwgezet een kasboek bij hield. Nu zijn er meer mensen die dat doen sinds de ‘magere jaren’ in de Nederlandse economie. Maar de lading bij deze mevrouw is anders: op het moment dat het kasboek niet klopt met de inhoud van de portemonnee is mevrouw in alle staten. Ze heeft vaak op TV gezien en in de krant gelezen dat schoonmaaksters stiekem geld ontvreemden. “Dat heeft dat zwartje dus gedaan, zie je wel, die zijn niet te vertrouwen, dat had ze altijd al gezegd.”

Ouder worden

Mevrouw is er een voorbeeld van hoe bepaalde persoonlijkheidstrekken bij het ouder worden niet milder worden, maar versterkt worden. Naarmate ze meer moeite heeft met het overzicht wordt ze ook meer wantrouwend naar andere mensen toe. De trek die ze altijd al had wordt nu uitvergroot. De kans bestaat zelfs dat ze gaat denken dat er hele complotten tegen haar gesmeed worden.

Muggenbeten

We kunnen van alles onderzoeken. Daar beginnen baby’s en peuters al mee. Bij een gek geluidje begint mamma te lachen. Er klinkt een belletje als ik op een rood knopje druk. Kinderen zouden zich niet ontwikkelen als ze niet voortdurend van alles zouden onderzoeken.

Ook volwassenen doen aan onderzoek. Soms geven ze er het ‘predikaat’ wetenschappelijk aan. Dan pretenderen ze dat hun onderzoek controleerbaar en voor herhaling vatbaar is. Maar let op: lees eerst de verpakking voordat u denkt dat het allemaal waar is. Iedere onderzoeker hanteert zijn eigen uitgangspunten. Om een hoogleraar psychologie te citeren: het enige dat klopt aan ‘meten is weten’ is dat het rijmt.

Sommige onderzoeken zijn maatschappelijk relevant. De kans op genezing wordt groter, het leefklimaat verbetert. Er bestaan ook onderzoeken die geen hoger doel dienden dan dat het gewoon leuk is om te weten. Opvallend vaak hebben deze onderzoeken te maken met het verschil tussen man en vrouw.

Voorbeelden van uitkomsten uit allerlei onderzoek:

  • Vogels poepen vaker op rode auto’s.
  • Duiven maken onderscheid tussen de schilderwerken van Monet en van Picasso.
  • Vrouwen slapen vaker op hun zij dan mannen.
  • Mannen roken vaker op de fiets.
  • Vrouwen voeren vaker een telefoongesprek op de fiets.
  • Mannen vervoeren vaker een ladder op de fiets.
  • Kattenliefhebbers zijn intelligenter dan mensen die van honden houden
  • Bij mannen zit het linkerneusgat vaker dicht dan het rechterneusgat.
  • Roodharigen zijn vaker bang voor de tandarts.

Ieder onderzoek daagt ook weer uit tot vervolgonderzoek. Want als roodharigen banger zijn voor de tandarts, dan valt ook te verwachten dat (de vaak roodharige) Ieren banger zijn voor de tandarts dan Nederlanders.

Inmiddels heb ik de eerste mug al weer gesignaleerd. De komende zomer zou ik graag het volgende willen weten: worden vrouwen vaker het slachtoffer van muggenbeten dan mannen? Of heb ik gewoon geluk en heeft Tineke pech?

(in 2014 in iets andere vorm geplaatst als een column in het Nederlands Dagblad). 

We-dentity en I-dentity

Dat klinkt heel ingewikkeld. Ik heb er al eerder over geschreven. De begrippen komen uit de theorie achter de schaal voor emotionele ontwikkeling (SEO R 2). De theoretische onderbouwing werd voor een deel geschreven door de Belgische orthopedagoge Lien Claes (2016).

Het eigen ‘ik’

In de sociaal-emotionele ontwikkeling is de grootste verandering de ‘ik-ontwikkeling’. De baby en de jonge peuter hebben nog geen eigen ‘ik’. Lien Claes schrijft in dat verband over we-dentity: het kind valt in emotioneel opzicht nog samen met belangrijke anderen. Vanaf ongeveer anderhalf jaar begint het eigen ‘ik’ op gang te komen. Het kind ontdekt dat hij ook iets anders kan willen dan de volwassene.

Twee jaar en drie jaar

In de cursussen die ik geef over sociaal-emotionele ontwikkeling noem ik voor peuters twee fasen:

2 jaar: “Ik ben twee en ik zeg nee”

3 jaar: “Ik ben drie en ik wil de regie.”

Het verschil tussen die twee jaar en die drie jaar is dat een kind van twee jaar nog niet goed kan ‘plannen’. Het weet dus wel wat het niet wil, maar nog niet (goed) wat het wél wil.

Gestagneerd of geblokkeerd? 

Vroeger dacht ik dat de meest spannende fase in de ontwikkeling het zich leren hechten was. Inmiddels denk ik daar anders over: de meest spannende emotionele opdracht is het leren loslaten. Er zijn kinderen bij wie dat niet lukt. Prof. dr. Anton Dosen spreekt daarbij van twee varianten:

a) De gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling gaat op allerlei terreinen wél verder, maar de sociaal-emotionele ontwikkeling stagneert)

b) De geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling op alle gebieden loopt vast, dus ook de intelligentie blijft vér achter).

In vogelvlucht

Er kunnen tientallen aspecten genoemd worden rond de kenmerken van een vroege sociaal-emotionele ontwikkeling. Ik licht er nu uit mijn eigen bevindingen één aspect uit: de sociale ontwikkeling. Hoe reageren mensen in een bepaalde fase op andere mensen? Dat doe ik heel kort, want ook hier valt weer een boek over te schrijven.

a) Tot zes maanden overheerst de chaos. Het kind kan zelf geen structuur in het leven aanbrengen. Dat betekent ook dat de reactie naar anderen toe ‘chaotisch’ is. Het kan uiteindelijk zo zijn dat iemand die op dit niveau functioneert zichzelf af gaat sluiten van de omgeving en daardoor juist heel star wordt.

b) Van zes tot achttien maanden vallen de emoties van kinderen voor een belangrijk deel samen met die van belangrijke personen uit de omgeving.

Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een volwassene die in deze fase is gestagneerd de kleur van de ander aanneemt: houdt de bezoeker van Ajax, dan wordt die persoon ook een fan van Ajax; houdt de bezoeker van klassieke muziek, dan luistert de betrokken persoon ook graag naar klassieke muziek. Maar dat kan dus zomaar omslaan in Feijenoord en in heavy metal. 

c) Van achttien tot zes-en-dertig maanden zie je dat de angst voor controleverlies groot is. Het eigen ik is kwetsbaar. Daarom zijn deze mensen iedere keer weer bang dat een ander de regie overneemt. Deze fase vertaalt zich bijvoorbeeld in verzet tegen alles wat een ander vraagt (‘als het moet doe ik het niet’).

In sociaal opzicht valt o.a. op dat mensen goed weten wat ze zelf willen. ‘Dat wil ik’ is een sleutelbegrip. Maar ook ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken’. ‘Wat wil jij’ komt als wisselwerking en als beurtverdelen nog niet ter sprake.

En als je om je heen kijkt zul je ontdekken dat er heel wat volwassenen zijn die in sociaal-emotioneel opzicht zich vaak nog als peuters gedragen…

Levenscyclus en familieverhoudingen (4)

Moeder Boonstra is 88 jaar oud. Ze woont samen met haar jongste zoon (Bertje, 48 jaar) in een vrijstaand huis in een Fries dorp. Dochter Martine woont in hetzelfde dorp, dochter Merel woont in een ander dorp. De oudste zoon, Johan, heeft veel contact met zijn moeder, maar hij woont op aanzienlijke afstand van zijn geboortedorp. 

De kinderen van mevrouw Boonstra hebben allemaal – behalve Bertje – Abraham en Sara al gezien. Je zou zeggen: wat een levenswijsheid moet dat opleveren. Maar dat valt nogal tegen. Er is sprake van onderlinge rivaliteit en jaloezie.

Barsten worden scheuren

Vorige week sprak ik een psychotherapeute die zei: “Beneden de veertig kun je barsten in de gezinsstructuur voor lief nemen. Het zijn hobbels, maar er valt mee te leven. Ieder gezinslid is doorgaans met zijn eigen carriëre en met zijn eigen gezin bezig. Na de veertig worden die barsten scheuren. De emotionele schade uit het verleden kan steeds moeilijker worden toegedekt. Zeker als ouders overlijden kan dat leiden tot heftige gezinsdrama’s.”

Daar komt nog bij dat met het ouder worden bepaalde trekken van de persoonlijkheid niet milder, maar juist sterker worden (hier is o.a. door psychiater A.T. Beck over geschreven). De flexibiliteit wordt minder. Zo worden mensen die altijd al gericht waren op controle nu nog meer krampachtig in het uitoefenen van controle. Dat kan rond de partner zijn, maar ook ten aanzien van broers en zussen.

Zorg vanuit controlebehoefte

Bij familie Boonstra zagen we al dat dochter Merel er zeer op was gebrand om betrokken te zijn bij de zorg voor haar moeder. Dat is op zichzelf een natuurlijke behoefte van kinderen, maar zoals zich dat bij Merel manifesteert was het niet zozeer een kwestie van goede zorg, maar van controlebehoefte. Ze verloor de realistische verhoudingen uit het oog.

Boze buitenwereld

Er zijn ook gezinnen waarbij de familieleden vooral botsen met de ‘boze buitenwereld’. Alles en iedereen die van buiten af komt is verdacht. Dat is een vorm van – wat we wel noemen – sociale interpretatie. Je komt dit in collectief verband tegen in gesloten gemeenschappen zoals vissersdorpen en bij sommige minderheidsgroepen in de samenleving.

Maar ditzelfde verschijnsel doet zich dus ook voor binnen pathologische gezinsverbanden. Eén van de vormen die in dat verband wordt beschreven in de literatuur is het zogenaamde ‘kluwengezin’ (Minuchin). 

Zondebok

Ik had ooit te maken met een gezin waar de vader als een patriarch heerste. Toen ik daar op bezoek was vielen me alleen al de details op: alleen de vader kreeg koffiemelk in de koffie en een koekje bij de koffie.

De oudste zoon had het gezin verlaten en dat werd door de vader als verraad gezien. Nu de oudste dochter een conflict had met haar vader was dat de schuld van de oudste zoon, die het verkeerde voorbeeld had gegeven. Hij werd de zondebok.

De tweede zondebok was Jeugdzorg, die de kinderen stimuleerde om tegen het gezag van de vader in opstand te komen.

Uiteindelijk zijn acht van de tien kinderen met aanzienlijke problemen het huis uit gegaan. Maar dat lag allemaal nog steeds aan het slechte voorbeeld van de oudste zoon en aan het falende beleid van jeugdzorg. 

Los-zand-gezin

Ik heb me afgevraagd of de familie Boonstra ook een kluwengezin was. Maar daar kwam ik niet op uit. Het was eerder een ‘los-zand-gezin’. Onderling hadden broers en zussen niet veel contact. De moeder was de spin in het web van het gezin. Eigenlijk verliepen de onderlinge contacten grotendeels via haar.

Wat je wel zou kunnen verwachten was dat er – vanwege de onderliggende emoties jaloezie en rivaliteit – binnen het gezin sterk vanuit de bovenpositie zou worden gecommuniceerd. Daarbij liggen accenten bij het controleren van en bepalen voor de ander. Iemand die niet meegaat in dergelijke patronen loopt dan uiteindelijk het risico om als zondebok te worden gezien.

Masochistische neurose

In de Volkskrant lees ik regelmatig de belevenissen van meneer Somberman. Meneer Somberman is pas blij als hij ongelukkig is.

Soms kom je van die mensen tegen die zich alleen maar slachtoffer lijken te voelen. Ze lijden aan hun bestaan, maar het lijkt ook wel of ze – door hun ellende uitgebreid te etaleren – weer een eigen zin in het bestaan proberen te creëren. De ellende wordt breed uitgemeten (bijvoorbeeld op social media). Hoe meer ellende, des te meer likes. Het wordt dan dus een soort van ziektewinst. 

Bij meneer Somberman voelt het voor mij nog iets anders. Hij etaleert wel zijn ellende (hij schrijft in de krant), maar meer als feitelijke constatering: ‘hoe meer ellende, hoe meer vreugd’. 

In de goot een genie

Een variant op dit thema zijn de pubers/jongvolwassenen die niet kunnen voldoen aan de verwachtingen van hun ouders/omgeving. Als het niet op een positieve manier lukt (ook een academische opleiding, ook de luxe huis), dan maar heel slecht. Dat zie je nogal eens bij kinderen van beroemde ouders. Erik Erikson: in de goot ben ik tenminste een genie. 

Bladerend in een oud studieboek (Johan Cullberg, Moderne Psychiatrie, Ambo 1994, 8e druk) kom ik de term ‘de masochistische neurose’ tegen. Ik dacht: zo’n manier van denken en doen moet toch een naam hebben? Kijk, dat zou het dus kunnen zijn bij meneer Somberman: de masochistische neurose. Ik moet gestraft worden, ik mag niet gelukkig zijn.

Cullberg: “Deze mensen kunnen pas in een behoorlijk ongunstige positie een soort vrijheid en opluchting voelen. Dit kan met zich meebrengen dat zij de neiging hebben om te trouwen met een dominante of anderszins kwetsende partner of met iemand die fysiek mishandelt.”

Tot verbazing van hulpverleners worden pogingen om de persoon uit zijn emotioneel of fysiek belastende situatie te helpen consequent door die persoon tegengewerkt. Zo wil Somberman geen pillen om zich beter te voelen, hij wil lijden aan zijn bestaan.

Masochisme is met name bekend geworden op het gebied van de seksualiteit. Dat zou dan te maken hebben met ambivalentie op het gebied van het lichamelijk genieten (dat mag niet en moet bestraft worden). Maar het doet zich dus ook voor op een breder gebied van interpersoonlijke relaties.

Niet mogen genieten

Het kan ook gebeuren dat iemand iets heeft bereikt waar hij of zij best trots op mag zijn (een diploma behaald, promotie gemaakt). Maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten geraakt die persoon in een negatieve stemming.

We denken dan vaak dat iemand als gevolg van een bovenmatige inspanning zichzelf uitgeput heeft. Cullberg geeft er een mogelijk andere lading aan: de persoon krijgt schuldgevoelens en angstgevoelens. Hij verdient het niet om blij te mogen zijn.