Narcisme, borderline en uitlokkende gebeurtenis

Het cognitieve model van A.T. Beck omvat een aantal dimensies die passen bij persoonlijkheidsstoornissen.

Je kunt deze dimensies in een schema plaatsen. Mensen zijn meer dan schema’s. Maar ze helpen je soms om beter het verband tussen de uitlokkende gebeurtenis en de reactie van de persoon te begrijpen.

Twee voorbeelden:

  1. De narcist

Voor een narcist is kritiek eigenlijk ondraaglijk. Hij ervaart kritiek als krenking. De kritiek is dan de uitlokkende gebeurtenis. De kernbehoefte van de narcist is: gewaardeerd worden. Kritiek staat haaks op die waardering. Veel mensen met narcisme zullen vervolgens zichzelf nóg groter maken. Ze moeten nóg meer imponeren.

Chef van Zanten maakt geen fouten

Meneer van Zanten is trots op alles wat hij bereikt heeft. Iedere keer weer vertelt hij hoe hij als eenvoudige jongen zich helemaal opgewerkt heeft tot chef in een groot bedrijf. Dat zijn eigen afdeling maar uit zes mensen bestaat vertelt hij er niet bij. Daar kun je ook beter niet over beginnen. 

Als er controle komt op zijn afdeling blijkt dat allerlei papieren niet in orde zijn. Ook is er niet voldaan aan de eisen van de arbeidsinspectie. Meneer van Zanten is woedend. Hij heeft zijn hele leven hard gewerkt en dan komt er zo’n snotaap vertellen hoe hij zijn werk in moet delen. Maar tegen de inspecteur kun je toch maar beter niet te hoog van de toren blazen.

De volgende dag meldt meneer Van Zanten zich bij de directeur. Hij vertelt trots hoe hij de inspecteur heeft afgepoeierd. Ze hadden wel wat minimale foutjes gezien, maar dat hadden ze toch niet goed gezien. Het waren twee muggenzifters die gewoon waren aangesteld om bij iedereen fouten aan te wijzen. Gelukkig had hij allerlei bewijs kunnen leveren hoe goed hij als chef van de afdeling zijn verantwoordelijkheid waar maakte.

2. Borderline

Bij Borderline is een uitlokkende gebeurtenis vaak het gevoel van verlating. De kernbehoefte van mensen met Borderline is: controle. Als je de controle hebt heb je ook het gevoel dat je autonoom kunt zijn. Een vorm van probleemgedrag die het gevolg kan zijn van een uitlokkende gebeurtenis is: vechten (ageren, een klacht indienen) of vluchten (het kiezen voor het isolement).

Mevrouw Veenstra en haar huisarts

Mevrouw Veenstra heeft veel trekken die wijzen op kenmerken van borderline. Ze heeft zich er al een tijdje zorgen gemaakt, maar nu ligt er dan een schokkende brief in de brievenbus: de huisarts -dokter Abbema – gaat met pensioen. Mevrouw Veenstra ervaart het pensioen van de huisarts als een vorm van verlating. Die avond gaat ze eens stevig aan de drank. Met een zware kater bezoekt ze de volgende dag het spreekuur. Ze vraagt belangstellend of de dokter zijn huis gaat verkopen. Nee, hij blijft in zijn eigen huis wonen. “Dan behandelt u zeker ook nog af en toe patiënten?” vraagt mevrouw Veenstra. Nee, dokter Abbema gaat echt helemaal stoppen. Natuurlijk weet hij zelf wel dat hij af en toe standby zal zijn voor zijn opvolger, maar hij kent mevrouw Veenstra al een tijdje. Dus kiest hij voor een duidelijk antwoord.

Mevrouw Veenstra is helemaal onthutst. Blijft de dokter gewoon in de wijk wonen, kan ze niet meer bij hem aankloppen. Als hij was verhuisd was het beter te begrijpen geweest. Nu is het niet alleen verlating, maar ook afwijzing. Ze verlaat de spreekkamer zonder te groeten. Tijdens de afscheidsreceptie laat ze niets van zich horen. Zo heeft ze de controle. Ze hoopt dat de dokter zich later toch enigszins ongerust zal afvragen waar mevrouw Veenstra was gebleven.  

Fouten in de waarneming

In ons hoofd bouwen we in de loop van de tijd schema’s op over hoe de wereld in elkaar zit. Die schema’s bepalen ook hoe wel ‘in principe’ met andere mensen omgaan.

Botste je als kind met een regelende moeder, dan zul je ook eerder botsen met een leidinggevende die alles op haar manier georganiseerd wil hebben. Heb je als kind een negatief beeld van mannen opgebouwd, dan zul je als volwassene eerder mannen wantrouwen. Je voelt je dan bijvoorbeeld eerder op je gemak bij een vrouwelijke huisarts of een vrouwelijke leidinggevende.

Volgens psychiater Beck vormen gedachten, herinneringen, gewaarwordingen en fantasieën van vroeger uiteindelijk je kijk op deze wereld (‘schema’s’, cognities). Die cognities kunnen gezond zijn en je helpen in een gezonde omgang met de omgeving. Ze kunnen ook disfunctioneel zijn: ze leveren uiteindelijk meer schade op dan winst.

Als je bijvoorbeeld hebt geleerd dat je maar beter problemen uit de weg kunt gaan bereik je minder in je leven dan je zou kunnen en willen. De kans dat je verslaafd raakt aan bijvoorbeeld alcohol (als vermijding van alle ellende) wordt dan ook aanzienlijk groter: je vermijdt problemen en je verdooft jezelf.

Voorbeelden van systematische fouten in de waarneming en in het verwerken van informatie zijn:

  1. Een detail uit een situatie halen en dat als cruciaal beschouwen.

Voorbeeld: mevrouw Janssen is 25 jaar in dienst. Er wordt een receptie georganiseerd. Bijna alle collega’s komen haar feliciteren. Enkele collega’s zijn niet op de receptie aanwezig. Mevrouw Janssen heeft het niet over de vele collega’s die haar de hand kwamen drukken. De afwezigheid van enkele collega’s ziet ze als een bewijs dat ze genegeerd wordt.

2. Het eenzijdig beoordelen van een situatie of een persoon als enkel goed of slecht (zwart-wit denken).

Voorbeeld: de auto van meneer De Vries is stuk. Hij kan op termijn geen andere auto lenen. Daarom moet hij vandaag met het OV. Door een storing rijden de treinen met een aanzienlijke vertraging. Meneer De Vries komt te laat op zijn werk. Hij constateert dat hij nooit meer met de trein zal gaan, want met de trein loop je altijd vertraging op.

3. Twijfelachtige conclusies trekken op basis van iets wat ooit gebeurd is zonder dat er sprake is van enig bewijs.

Meneer Berendsen staat op de ladder. Het is mooi weer vandaag: een prima dag om de dakgoot schoon te vegen. Mevrouw van Rijswijk zit in haar badpak in de tuin. Ze verdenkt de buurman dat hij op de ladder is geklommen om haar te begluren. Sinds die tijd meent ze dat de buurman altijd bezig is om haar in de gaten te houden. Ze denkt ook dat hij haar in  de gaten houdt als ze in de slaapkamer is. 

Je kunt deze vorm van conclusies trekken als het maken van redeneerfouten omschrijven. Ze vestigen selectief de aandacht op een element dat voor de persoon in kwestie belangrijk is.

Bij mensen met persoonlijkheidsstoornissen treden deze redeneerfouten voortdurend op. En als er sprake is van stress zie je ze voortdurend gebeuren als gevolg van ‘kokerdenken’.

Persoonlijkheid en ouder worden

Je hoort vaak zeggen dat – als mensen op leeftijd komen – de persoonlijke problematiek afvlakt. De problemen worden milder. Maar is dat wel zo?

In navolging van psychiater Bére Miesen meen ik dat de hechting op jonge leeftijd de oudere leeftijd mede kleurt. Zo zal iemand die zich op jonge leeftijd voortdurend verlaten voelde waarschijnlijk op oudere leeftijd veel claimend gedrag vertonen.

Zieke moeder met borderline

Een tijdje geleden sprak ik een mevrouw die dochter is van een moeder met borderline-problematiek. Ze vertelde dat ze als kind altijd in angst zat vanwege het onvoorspelbare gedrag van haar moeder. Bovendien moest alles verlopen zoals haar moeder dat in haar hoofd had (controle).

Nu was haar moeder ziek geworden. Ze lag meestal op bed. Dat is niet de beste manier om de controle te behouden. Ik vroeg deze mevrouw daarom hoe het nu ging in de relatie met haar moeder. Volgens de dochter waren de problemen alleen maar erger geworden. Vanuit haar bed probeerde moeder over alles de controle te houden, maar bovendien was het nooit goed.

“Kom ik met een kopje thee aan, omdat ze dat ’s middags drinkt, begint ze te schelden dat ze koffie wilde, vraag ik wat ze wil drinken dan wordt ze boos, want ik kan toch als volwassen dochter weten dat ze ’s middags altijd thee drinkt?”

“Ben ik in huis, dan klaagt mijn moeder dat de hele tijd de kinderen over de vloer komen. Ben ik er niet, dan is het wéér niet goed, want ik laat als dochter haar zieke moeder in de steek.”

Ouderen met een gebruiksaanwijzing

Oudere mensen die op zo’n manier op de omgeving reageren worden wel eens ‘ouderen met een gebruiksaanwijzing’ genoemd (in: Noud Engelen en Bas van Alphen: Ouderen met karakter, Garant, 2016). De ouderen zelf vinden dat overigens meestal niet, ze vinden dat de omgeving een gebruiksaanwijzing nodig heeft.

Evenwicht

Ouderen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen redelijk functioneren als er weinig sprake van stress is. Maar als het evenwicht verstoord raakt, raakt meteen ook alles ontregeld. Het zet ook meteen de relatie met anderen onder druk.

Iemand die zich vaak afhankelijk opstelde zal opeens totaal hulpeloos zijn, iemand die doorgaans dominant was zal nu opeens alles precies zo willen hebben zoals het in zijn of haar hoofd zat.

Een volwassen peuter? (2)

In het Nederlands Tijdschrift voor de Zorg aan mensen met verstandelijke beperkingen (NTZ, december 2016) plaatst psycholoog Jan Gielen kritische kanttekeningen bij het gebruik van ontwikkelingsdynamische begrippen in de zorg voor mensen met een beperking. Het gaat te ver om hier op dit blog verder op in te gaan.

Eén van de lastige aspecten in de sociaal-emotionele ontwikkeling is wat nu precies sociale ontwikkeling is en wat emotionele ontwikkeling is. Als iemand grote moeite heeft met de omgang met leeftijdgenoten zien we dat vaak als een sociale beperking, maar mijns inziens heeft die beperking alles te maken met de emotionele ontwikkeling. Volgens Prof. dr. A. Došen zijn beide ‘onderdelen’ van de persoon niet los verkrijgbaar: ze hebben alles met elkaar te maken.

Een kernvraag die door Jan Gielen wordt gesteld is deze: “Werkt het gebruik van ontwikkelingsleeftijden infantilisering jegens de cliënt niet in de hand?” Ik zou deze vraag breder willen stellen, want als je het hebt over ontwikkelingsleeftijden gaat het niet alleen om sociaal-emotionele aspecten, maar ook om zelfredzaamheid en cognitieve aspecten.

Als ik in het verslag van een IQ-test lees dat Peter ‘gemiddeld op het niveau van een 3-jarige peuter functioneert’: werkt dat niet evenzeer infantilisering in de hand? Je zult op de één of andere manier een referentiekader moeten hebben waaruit blijkt dat iemand een bepaalde mate van ondersteuning of nabijheid nodig heeft.

Het verhaal van Vanessa

Vanessa woonde begeleid zelfstandig. Na een tijdje (b) leek dat ze deze zelfstandigheid niet goed kon hanteren. Haar huis vervuilde, ze had allerlei ongewenste contacten, ze raakte financieel in de problemen, ze verzorgde zichzelf steeds slechter. Uiteindelijk werd ze op een crisisplek opgenomen op een instelling. Daar was 24 uur per dag begeleiding aanwezig. Vanessa knapte snel op en na zes weken kon ze weer naar haar eigen woning. Binnen een paar weken bleek dat de winst die was behaald op de crisisafdeling alweer verdwenen was. En als snel moest Vanessa weer op de crisisafdeling worden opgenomen.

Na drie crisis-opnames kwam er een plek voor Vanessa vrij in een gezinvervangend tehuis. Dat bleek geen goede oplossing. Vanaf de eerste dag was ze in conflict met medebewoners. De conflicten liepen zó hoog op dat ze weer als crisis op een instelling werd opgenomen.

Uiteindelijk kwam Vanessa op het terrein van een instelling te wonen. Ze had een rijbewijs, reisde zelfstandig met de trein naar haar broer in Berlijn, schreef brieven aan de directie en bezoekers op het terrein dachten dat ze een personeelslid was. Wat maakte dan dat Vanessa toch beter functioneerde op het beschutte terrein van de instelling dat op de voorgaande woonplekken? Dat had alles te maken met haar sociaal-emotionele kwetsbaarheid. Op voorgaande voorzieningen was weinig zicht geweest op de sociaal-emotionele aspecten van haar functioneren. Daardoor werd ze voortdurend overvraagd. Ze kon heel veel (cognitief functioneerde ze op de leeftijd van ongeveer 9 jaar), maar met name in stress-situaties viel ze terug op een sociaal-emotionele leeftijd tot ongeveer 1½ jaar. Op zo’n moment had ze de beschikbaarheid van begeleiding hard nodig. Daardoor was ze in haar eigen woning verloren en vereenzaamd geraakt.

Is Vanessa nu een peuter

Betekende dat nu dat Vanessa voortaan als een 1½-jarige peuter begeleid moest worden? Natuurlijk niet. Dat zou haar onrecht aan doen.

Ze is een volwassen vrouw met enige jaren beroepsonderwijs achter de rug. Ze heeft 35 jaar levenservaring.

Vanessa kon heel veel en als ze zich veilig voelde kon ze mensen verbazen door haar mogelijkheden. Bij haar sociaal-emotionele kwetsbaarheid hoorde echter ook dat bij stress gemakkelijk terugviel op een veel lager niveau van functioneren.

Wat gebeurt er bij stress?

Anton Došen noemde in dit verband twee termen:

  1. Cognitieve desintegratie: niet meer goed kunnen nadenken, het opeens helemaal niet meer weten
  2. Basaal overdrijven: bij een zo op het oog kleine rimpeling emotioneel toch zeer heftig reageren (‘een klein steentje in de schoen leidt tot een groot gedragsprobleem’).

Jan Gielen noemt het gebruik van ontwikkelingsleeftijden ‘controversieel’. Want, zo schrijft hij, wat gebeurt er als iemand leest dat hij in sociaal-emotioneel opzicht op tweejarige leeftijd functioneert. Dat kan als krenkend worden ervaren, maar het kan ook leiden tot nóg meer gevoelens van ‘waardeloosheid’.

Bas is (g)een autist

Inderdaad heb ik – vanwege de verantwoordelijkheid voor de inhoud van behandelplannen – regelmatig met dit probleem geworsteld. Maar niet alleen rond het thema van de sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijden. Zo heb ik ook wel eens een eindeloze discussie gehad met een cliënt die niet wilde dat de term ‘autisme’ in het verslag stond. Hij wilde wel begeleiding, hij besefte ook dat hij niet zonder kon, maar hij was géén autist. Ook psycho-educatie hielp hem niet: het woord mocht niet in het plan staan. Het probleem was dat de ondersteuning door begeleiding was goedgekeurd op basis van het gegeven dat er sprake was van een stoornis in het autistisch spectrum. Niet alleen het werken met ontwikkelingsleeftijden, maar ook allerlei diagnoses kunnen als krenkend worden ervaren.

Geen recht doen aan de persoon

Ik ben het helemaal met Jan Gielen eens dat het gebruik van ontwikkelingsleeftijden stigmatiserend kan werken. Als er in de rapportage staat dat het gedrag typerend is voor een fase 2 cliënt gaan mijn weinige haren te berge rijzen. Maar dat is ook zo als er in rapportage staat dat het gedrag typerend is voor een autist. Beide terminologieën doen geen recht aan de persoon. We zullen dus op een andere manier moeten kijken en moeten beschrijven.

(wordt vervolgd)

Een volwassen peuter? (1)

Er bestaan allerlei schema’s die aangeven op welk sociaal-emotioneel niveau een persoon functioneert.

Zo bestaat in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking het functioneringsprofiel (van Jacques Heijkoop). Het geeft aan wat iemand kán (de vaardigheden) en wat iemand áán kan (de sociaal-emotionele basis).

Daarnaast bestaat het schema dat door Prof. Anton Došen is ontwikkeld aan de hand van de uitkomsten van de SEO: een schaal die de sociaal-emotionele ontwikkeling in beeld brengt. Aan de Universiteit van Gent is dit model verder ontwikkeld, en werd de SEO gereviseerd. Inmiddels is er een derde versie in omloop.

Vanuit de psychiatrische hulpverlening is het Ontwikkelingsprofiel van Prof. R.E. Abraham bekend geworden. Hij laat aan de hand van een aantal thema’s zien hoe het beeld van een persoon gekleurd wordt door de fase van de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Narcisme en borderline

Er is ook kritiek op deze manier van denken. Maak je daarmee mensen niet kleiner dan ze zijn?

Want als ik het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham er bij pak (ik loop nu even naar mijn boekenkast, even geduld aub) dan zou ik bijvoorbeeld kunnen bedenken dat een narcist eigenlijk een peuter is die zichzelf als centrum van de hele wereld ziet.

Wie een narcist in huis heeft gehaald woont dus eigenlijk samen met een peuter. Een vrouw zei dat ze eigenlijk drie kinderen in huis had: twee jonge kinderen en haar man. Dat idee dus. Het mankeert er nog maar aan dat je dan voor je partner geen kinderbijslag aan kunt vragen.

Een dergelijke redenering zou je bijvoorbeeld ook kunnen volgen als het gaat om de problematiek rond borderline: zijn dat geen mensen die zóveel moeite hebben met het verbinden en loslaten dat ze eigenlijk ook weer als peuters functioneren die niet mét en niet zonder mamma kunnen.

Stampvoetende man in net pak

Op de film zie ik een hoog opgeleide meneer die op studiereis is naar Thailand. Bij studiereizen horen ook excursies. Vandaag wordt een boeddhistische tempel bezocht. Om deze tempel binnen te kunnen gaan moet je je schoenen en je sokken uittrekken. Daar wordt deze meneer (in het pak in het hete Thailand) heel erg boos om. Hij staat te stampvoeten van boosheid. Hij is niet van plan om zijn schoenen en sokken uit te trekken. Is die meneer dan een koppige peuter die toevallig ook de leiding heeft over een afdeling met ICT’ers?

Zo simpel zit de wereld natuurlijk niet in elkaar.  Je zou kunnen zeggen dat die meneer zich op dat moment gedraagt zoals een peuter. Maar in het dagelijks leven is hij natuurlijk wel even wat meer dan een peuter…

Is de directeur een peuter? 

Mevrouw de Jong is directeur van een basisschool. De hele dag heeft ze dingen moeten regelen, ouders gesproken en andere gesprekken moeten voeren. Ze komt ’s avonds moe thuis. Daar ontdekt ze dat de kat op de vloerbedekking heeft gekotst en dat haar man dat niet heeft opgeruimd.

Voor mevrouw De Jong wordt het even te veel. Ze begint te schelden, gooit haar tas op de bank, loopt naar de slaapkamer en gooit de deur dicht.

Mevrouw De Jong vertoont gedrag dat een peuter/kleuter ook kan laten zien. Maar heeft de school nu een peuter als directeur aangesteld? Nee, opnieuw zit de wereld niet zo eenvoudig in elkaar. Mevrouw de Jong is meer dan iemand die zich als een peuter gedraagt en toevallig ook nog eens directeur is van een basisschool.

Symbiotische psychose

Van de psychiater kreeg Karel zo’n dertig jaar geleden de diagnose ‘symbiotische psychose’ op de mouw gespeld.

Tegenwoordig wordt die term bijna nooit meer gebruikt. Sommige auteurs schrijven over deze diagnose als een concept dat direct in de open haard zou moeten. Omdat wij geen open haard hebben en ik mijn verhaal dus niet op die manier kwijt kan beschrijf ik de term toch nog een keer op mijn weblog.

Wat bedoelde de psychiater met de symbiotische psychose? De term komt van kinderpsychiater Margareth Mahler. Ze beschrijft de symbiose als derde fase in de emotionele ontwikkeling van kinderen.

Bij een aantal kinderen heb ik gezien dat ze aan het eind van deze fase somberder werden. Het leren los laten was spannend. Ze gingen als het ware (terug) verlangen naar die veilige eenheid met hun moeder. Want dat wil de term ‘symbiose’ zeggen: het kind vormt een emotionele eenheid met zijn moeder.

In die periode worden sommige kinderen somberder, raken meer in zichzelf gekeerd. Soms wordt er ook wel gesproken van een dysthyme stoornis. 

Bij Karel kwam de nauwe band met zijn moeder tot uiting in het feit dat hij absoluut niet zonder haar kon. Als ze een dag van huis was bleef Karel de hele dag huilen achter de deur waar zijn moeder vertrokken was. Niemand kon hem troosten, ook zijn vader en zijn broertje niet.

Dit gedrag zie je wel vaker bij kinderen van ongeveer 1½ jaar, maar Karel was inmiddels twaalf jaar oud. Opvallend waren ook de stemmen die Karel in zijn hoofd had. Het waren de stem van zijn moeder en de stem van hemzelf. Zijn moeder was hem de hele tijd aan het corrigeren. Niet dat Karel een ‘negatieve’ moeder had, maar op deze manier had Karel zijn moeder ‘in zijn hoofd opgeslagen’.

In de sociaal-emotionele ontwikkeling kun je zeggen dat Karel qua ontwikkeling was blijven steken rond de 1½ jaar. De volgende fase, die van de ik-ontwikkeling, was niet ontstaan. Karel sprak ook nooit over ik, hij had het over Kareltje.

Karel is inmiddels de dertig jaar gepasseerd. Zijn moeder is overleden, maar in zijn hoofd is ze nog dagelijks aanwezig.

Maar zijn huidige psychiater spreekt niet van een symbiotische psychose. Hij plaatste Karel qua diagnose binnen het brede spectrum van autistische stoornissen.

Controle: de stalker

Eén van de meest complex te bestrijden en te behandelen gedragingen is die van het stalken. Ook het stalken heeft alles te maken met de behoefte aan controle over de ander.

TV

Momenteel draait bij SBS het programma ‘Gestalkt’ en daar zie je goed in wat de patronen van het stalken zijn. De ander heeft de relatie verbroken en de persoon in kwestie kan dat niet verdragen. Op alle mogelijke manieren probeert hij/zij alsnog de controle terug te krijgen. Meestal gebeurt dat door een oplopende reeks aan bedreigingen of soms ook daadwerkelijk verbaal of fysiek geweld.

Zes typen

Nu worden er in de literatuur zes verschillende typen stalkers beschreven. de stalker die het meest bekend is is die van het type van de afgewezen stalker: hij stalkt nadat een ex-partner de relatie beëindigd. Er staat hij, maar er zijn ook vrouwen die een ex-partner stalken. Een vriend van mij werd jaren geleden tot op zijn werk dagelijks gestalkt door zijn ex. Het ging zó ver dat hij een andere werkplek moest zoeken.

Deze dader wil graag weer een relatie met de stalker of zoekt wraak.  Deze stalker is vaak extreem jaloers en is het meest vasthoudend van alle typen.

Sociaal wordt asociaal

Opmerkelijk was het voorbeeld van een stalker die een vrouw die zich eenzaam voelde binnen enkele maanden helemaal voor zichzelf had. Hij deed de boodschappen, bracht de kinderen naar school. Aanvankelijk vond die vrouw dat heerlijk na alle drukte die ze had meegemaakt. Maar toen ze uit die droom ontwaakte ontdekte ze dat ze helemaal geen sociale contacten meer had. Toen de vrouw probeerde om weer de deur uit te gaan was het huis te klein. Hij zorgde zo goed voor haar, waarom was ze dan zo ondankbaar? Hij wilde haar dus helemaal voor zichzelf. Wat in eerste instantie leek als sociaal gedrag, was dus asociaal gedrag.

Op een gegeven ogenblik verbrak de vrouw de relatie: de man moest het pand verlaten. Dat deed hij zonder problemen. Maar daar zat nu juist de angel. Hij hoopte daarmee dat zijn ex zou denken dat het toch nog mee viel en dat ze hem terug zou roepen. Toen dit na enkele dagen niet was gebeurd begon het stalken. Iedere dag reed hij een paar keer langs haar huis, dagelijks kreeg ze berichten en de bedreigingen werden steeds ernstiger. Ook stond hij frontaal voor haar raam als ze ’s morgens de gordijnen open deed of om de hoek in de steeg als ze de kinderen naar school bracht.

Door dit gedrag had de man alsnog de controle over zijn ex: ze dacht aan niets anders meer.

Psychologische achtergrond

Kijk ik naar de psychologische achtergrond van deze vorm van stalking dat dan zie ik o.a.

  1. Mensen met narcistische persoonlijkheidstrekken. Ze ervaren de verlating als een krenking. Zij zijn toch de liefste en de beste?

2. Er zijn ook mensen waarbij ik denk dat de zogenaamde angstig-ambivalente hechting een rol speelt: de boosheid om de verlating is zó groot dat ze de ander pijn gaan doen.

3. Tenslotte speelt jaloezie een grote rol: als er een nieuwe partner in beeld lijkt te zijn wordt de jaloezie nóg groter: dat is voor de ex-partner onverdraaglijk. Hij wordt ingeruild voor een ander exemplaar. Precies zoals de peuter de beleving kan hebben dat een jonger broertje of zusje zijn of haar plek inneemt.