Van controle naar controlefreak (1)

Als de baby geboren wordt is het om hem heen chaos. Het is een kakofonie van geluiden, een overweldigende hoeveelheid aan licht, de armen, de benen en het hoofd vliegen alle kanten uit, en dan is er ook nog die aanraking. De baby wordt overspoeld door zintuiglijke indrukken waar hij geen enkele controle over heeft.

Elke maand leert de baby bij. Geleidelijk wordt de wereld wat meer voorspelbaar. Hoe rustiger en voorspelbaarder de ouders zijn, des te meer ervaart de baby houvast. Maar dan groeit er in de baby een eigen ‘ik’. Het is het begin van de eigen identiteit.

Peuters en controle

Die peuter ziet zichzelf als centrum van de wereld. Maar vanuit dat centrum wil hij ook de wereld beheersen. “Ik!” “Van mij!” De peuter wil alles onder controle houden. Niet alleen zijn eigen spullen, hij verzamelt ook spullen van anderen, gaat er desnoods bovenop zitten, controleert eventueel andere (concurrerende) peuters en hij wil ook dat zijn vader en moeder een verlengstuk van hemzelf zijn.

Vanaf de peutertijd, vanaf het ontstaan van het eigen ik, wil elk mens de boel onder controle houden. De keerzijde is de angst: als je de controle verliest is dat beangstigend. Niemand wil namelijk in een onvoorspelbare chaos leven. We houden zelf graag de touwtjes in handen.

Peuters zijn echte ‘controlfreaks’. Het is voor hen moeilijk om iets los te laten. Ze hebben nog niet voldoende overzicht en vaak ook niet voldoende vertrouwen opgebouwd.

Levensgebieden waarop die behoefte aan controle erg duidelijk is zijn bijvoorbeeld:

  • het eten (weigeren is een vorm van controle),
  • het slapen gaan (controle met allerlei rituelen),
  • de spanning tussen autonomie en geholpen worden
  • en het eindeloos herhalen van hetzelfde spel.

Controle houden

Controle willen houden is een normaal menselijk verschijnsel. Geen mens kan zonder controle over zijn eigen leven. Geen controle betekent afhankelijkheid en permanente chaos. We willen kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren en daar heb je controle voor nodig. Je moet eigen invloed kunnen ervaren (Jacques Heijkoop). Angst voor de tandarts heeft voor waarschijnlijk de helft te maken met het ervaren van controleverlies.

Samen in één huishouden

Alle mensen zijn dus bezig met controle. Dat je veel met controle bezig bent merk je vaak niet zo erg. Je ervaart het pas echt als je samen met een ander een huishouden gaat delen. De één heeft namelijk een ander systeem in zijn hoofd dan de ander. De één ergert zich aan het dopje dat ‘wéér’ niet op de tandpasta is gedaan, de ander ergert zich er aan dat er eerst zegeltjes geplakt moeten worden voordat er buiten koffie gedronken kan worden. En dat zijn nog de kleinste dingen waarover gekibbel kan ontstaan.

Behoefte aan controle is niet negatief. Het zit in de mens ingebakken en ieder mens heeft controle nodig over zijn omgeving. Bij regimes waar mensen gemarteld worden denkt men vaak eerst aan fysieke marteling, maar er bestaat daarnaast psychische marteling: het ontnemen van alle regie over het menselijk bestaan. Niemand heeft bezit, niemand weet hoe de dag verloopt, niemand krijgt een paar minuten voor zichzelf.

Als je naar individuele personen kijkt dat valt op dat de één meer behoefte heeft aan controle dan de ander. Wat maakt de één tot een 'punaisepoetser', terwijl de ander van alles over zijn kant kan laten gaan? ('we zien wel?')

De narcistische voorganger en de megakerk (9, slot)

In de jaren '30 was er een gevierd Gereformeerd predikant die overal waar hij kwam volle kerken trok. Er wordt tegenwoordig wel gesproken over kerkelijk comsumentisme, maar dat bestond dus ook al een eeuw geleden.

Over deze dominee is een verhaal opgetekend dat hij voor de dienst steeds via een luikje de kerkzaal in keek. Als de kerk nog niet vol was, was het nog geen tijd. Hij meende dat een kerk altijd vol moest zitten als hij er preekte. Dat was op zijn minst een kwestie van ijdelheid, en misschien was het ook wel een narcistische trek.

Vreemde adviezen

Terug naar het artikel van David R. Dunaetz, Hannah L. Jung, en Stephen S. Lambert. Het valt mij op dat ze met een aantal wonderlijke adviezen komen om de nadelige gevolgen van het optreden van narcistische voorgangers te in te dammen.

Zo doen ze de suggestie om door gemeenteleden op geanonimiseerde blogs te schrijven over het reilen en zeilen binnen de kerkelijke gemeente. Volgens de auteurs speuren narcisten regelmatig heel internet af om te kijken of ze ergens genoemd worden. Dat laatste is waarschijnlijk waar: hoe vaak word ik genoemd? Wat wordt er over mij geschreven. Maar de kant van de anonieme kritiek moeten we in de kerk echt niet op willen gaan.

De auteurs menen dat rechtstreekse kritiek op een narcistische voorganger bijna altijd leidt tot confrontaties. Een geanonimiseerd blog zou dan effectiever zijn. Als op zo’n geanonimiseerd blog af en toe wordt geschreven over hoe de voorganger met een bepaalde vorm van handelen de plank mis slaat zou dat corrigerend kunnen werken. Ik vraag me ten zeerste af of dat werkt. Maar die kant moeten we dus ook niet op (willen) gaan.

Er worden ook andere suggesties gedaan, zoals het nog meer benadrukken van de band tussen de voorganger en de gemeente in o.a. publicaties en op de website. “De gemeente van dominee MacGrey.” De voorganger zou dan meer op zijn tellen passen dat er geen gekke dingen gaan gebeuren. Nee, doe dat alsjeblieft juist niet! Bovendien: een kerk is nooit van een dominee, een kerk volgt Jezus!

Ds. Chapman vertrekt

Dan nog ds. Chapman. Naarmate de kritische geluiden toenamen zag hij zich steeds meer als een boodschapper van Jezus. Hij was degene die zich baseerde zich op de Bijbel. Als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Dan waren ze toch niet zo gelovig als ze zich voor deden. Hij meende zelfs dat deze ambtsdragers uit hun ambt gezet zouden moeten worden.

Ik weet niet of ds Chapman narcistisch is, maar in zijn gedrag zie je wel kenmerken die passen bij narcisme. Zoals in dit geval: degenen die kritiek hebben moeten verdwijnen en vervangen worden door medestanders. Alleen werkt het niet zo in de Gereformeerde kerken. De dominee bepaalt de samenstelling van de kerkenraad niet. De pogingen van ds. Chapman om er op aan te sturen dat er leden van de kerkenraad moesten worden vervangen liepen op niets uit.

Opvallend was tijdens deze gang van zaken dat Chapman zich steeds minder flexibel toonde. Hij hield steeds meer vast aan zijn eigen visie, alle inbreng vanuit de gemeente werd door hem afgewezen.

Je zou kunnen zeggen: het werd steeds meer theologie en steeds minder relatie. Het klonk allemaal zeer gedegen en onderbouwd. Maar wat is een preek als deze niet wordt gedragen door verbondenheid met de gemeente?

Ook het kinderwerk tijdens de kerkdienst werd door hem over genomen omdat hij er ontevreden over was. Het wonderlijke was dat zijn preken steeds meer vuur kregen. Maar het was de vraag of het alleen heilig vuur was.

De gemeente wilde een voorganger die lijnen uit kon zetten. Dat kon deze predikant heel goed. Waarschijnlijk had hij dat als manager in het bedrijfsleven ook al voortdurend gedaan. Maar een kerk is wat anders het het bedrijfsleven waar je mensen op non-actief kunt zetten. Wat Chapman niet bleek te kunnen was: samenwerken met anderen.

Binnen twee jaar liep de samenwerking met ds. Chapman vast. Ook een externe commissie bleek hier geen verandering in aan te kunnen brengen. Chapman wilde op alle punten zijn gelijk halen. Daarop werd er een proces van losmaking ingezet. Ook bij de kerkelijke procedure legde Chapman zich niet neer: hij stapte naar de rechter en eiste een enorme financiële schadevergoeding, een soort van gouden handdruk. Dat was vanwege smaad, gederfde levensvreugde en gemiste inkomsten voor de komende tien jaar. Die vergoeding kreeg hij niet toegewezen.

Na het vertrek van ds. Chapman kwam er weer rust in de kerk. Het was een situatie met alleen maar verliezers geweest. Maar gelukkig groeit de kerk weer. Een kerkelijke gemeente is voor geestelijke groei niet alleen van de predikant afhankelijk.

De narcistische voorganger en de megakerk (8)

Voor iemand met narcistische trekken kan het ambt van predikant aantrekkelijk zijn. Dat geldt zeker ook voor vroegere tijden, toen dit beroep in hoog aanzien stond. Letterlijk (de hoge preekstoel) en figuurlijk stond de predikant in hoog aanzien.

Bovendien: vanuit de kerk word je niet tegengesproken. Tegenspraak is lastig voor narcistische mensen. Welnu: tijdens de preek kun je gewoon je gang gaan. Je wordt nooit geïnterrumpeerd.

Je zou kunnen zeggen: als er geen gezonde tegenkrachten zijn vormt de preekstoel een prima plek om sluimerend narcisme zich verder te laten ontwikkelen.

Nog steeds krijgt de voorganger tijdens de preek geen (of zelden) weerwoord. Maar in het kerkelijke werk is dat tegenwoordig toch anders geworden. Veel gemeenteleden hebben een eigen mening over de inhoud van de preek, over de muziek, over de standpunten van de kerkenraad. Een keerzijde is dat gemeenteleden in toenemende mate gaan ‘shoppen’.

Een reactie van voorgangers (maar ook van een synode) kan zijn dat ze het belang van het ambt gaan onderstrepen. Die discussie is niet verkeerd, maar het is wel van belang om te kijken in welke omstandigheden dat gebeurt. Wat is de achterliggende gedachte om je eigen beroep ‘groter’ te maken?

Mensen in de kerk zijn net gewone mensen. Als ze de Bijbel kennen weten ze dat ook. Ze zijn geen haar beter dan andere mensen. Eén van de kenmerken van narcisme is dat je je eigen fouten niet toe kunt geven. En als je ze wel toegeeft doe je dat om verdere reputatieschade te voorkomen. Er is wel zicht op de fouten van de ander, maar weinig zicht op de eigen gebrokenheid. Het berouw zit dus aan de buitenkant, maar niet van binnen. Hoe dat precies zit kunnen buitenstaanders moeilijk beoordelen, dat is vooral aan de persoon zelf. Maar als het berouw inderdaad alleen aan de buitenkant zit maakt dat de kans op herhaling ook groot.

Nog een keer: het verhaal van theoloog Chapman

Hoe is het ondertussen met Joshua Chapman gegaan (derde en zesde blog)? Het contact tussen Chapman en de eerste kerkelijke gemeente (geen mega-kerk, maar een wijkgemeente in een grote stad) die contact met hem zocht was vastgelopen. Kerkenraad en gemeenteleden lieten zich niet meteen door hem op sleeptouw nemen.

Maar er was een andere kerk die wel mogelijkheden zag om met de (bijna) predikant in zee te gaan. Het was een kerkelijke gemeente met veel doeners. Een streek met harde werkers, vooral tuinders. De kerk was een verlengstuk van het werk: niet kletsen maar doen. Men hield van aanpakken. De kerkenraad vond dat Chapman precies in het profiel paste: stevig aanpakken en niet moeilijk doen. Dat hij al tijdens de kennismaking tal van taken naar zich toe had getrokken zag men eerder als een pré dan als een nadeel. Drie maanden later werd hij als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente. De pastorie was door de hardwerkende gemeenteleden in korte tijd helemaal verbouwd. Het gezin kon er zó in.

Ruzie met de organist

Binnen enkele maanden ontstonden de eerste scheuren in het contact. Chapman had een bepaalde visie op de manier waarop sommige liederen gezongen moesten worden. Hij meende dat hij meer verstand had van de muziek dan de organist en dat hij dus kon bepalen hoe bepaalde liederen begeleid moesten worden. Dat was de organist niet van plan. Het werd al snel een fors conflict. De organist zei uiteindelijk: “Dominee, als u het zo goed weet gaat u zélf op de orgelbank zitten, ik speel op mijn manier.” Beiden gaven niet toe. De organist trok zich terug en kwam niet meer in de kerk. Voor Chapman was deze gang van zaken niet zo ongewoon. Hij had op zijn werk meerdere reorganisaties meegemaakt. Daar waren ook altijd mensen bij vertrokken. Hij zag het vertrek van de organist ook als een soort reorganisatie. Nu er een dwarsligger verdwenen was kon het er alleen maar beter op worden in de kerk.

Botsing met de kerkenraad

Maar ook binnen de kerkenraad ontstond al snel een verschil van mening. Maandelijks werden standaard de preken besproken. Enkele leden van de kerkenraad stelden kritische vragen bij sommige uitspraken die de dominee had gedaan. Ze vroegen zich af waar hij zich op baseerde en of de dominee wel voldoende rekening hield met het levensverhaal van sommige gemeenteleden. Was het wel pastoraal om vanaf de preekstoel een hard oordeel te vellen zonder dat je weet welk verdriet er speelt? Van die opmerkingen was dominee Chapman niet gediend. Hij baseerde zich op de Bijbel en als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Misschien waren ze dan misschien toch niet zo gelovig als ze zich voor deden.

De afgelopen decennia is er meer aandacht gekomen voor pastorale psychologie in de opleiding van voorgangers. Ook wordt het steeds belangrijker geacht dat aanstaande predikanten supervisie volgen. Voordat je de gemeente in gaat moet je jezelf goed kennen. Als Chapman dat traject had gevolgd had je kunnen verwachten dat hij zich niet meteen zo zou hebben opgesteld. Wat was er aan de hand?

De narcistische voorganger en de megakerk (7)

Er wordt wel beweerd dat narcistische mensen een (te) groot ego hebben. Ik zou het liever omdraaien: ze hebben zó'n klein ego dat ze de hele tijd zichzelf op moeten blazen.
  1. Eén van de gevolgen van dat te kleine ego, van die kwetsbaarheid, is dat narcistische mensen direct op scherp staan als ze maar een klein beetje tegenwind vermoeden. Elke kritische opmerking over een zaak wordt ervaren als een persoonlijke aanval.
Die reactie kun je vergelijken met een kind dat geen snoepje mag van mamma en dat zich daardoor door haar voelt afgewezen.

2. Een tweede kenmerk is de behoefte aan controle. Narcistische mensen willen de informatie selecteren en alle informatiestromen kunnen controleren. Als mensen in hun omgeving eigen informatie vergaren is dat voor narcisten bedreigend.

3. Om de kwetsbaarheid te verkleinen omringen narcistische mensen zich graag met loyale medestanders.

Deze patronen zie je bijna altijd in sekten, maar ook nogal eens in  groeiende Amerikaanse mega-kerken: de voorganger heeft zich omringd met een ‘board’ van mensen die hem in elke situatie zal ondersteunen. Hij creëert – aldus David R. Dunaetz, Hannah L. Jung, en Stephen S. Lambert dus zijn eigen ‘verantwoordelijkheidsstructuur’.

In die context valt ook de aankoop van een vierde (!) privéjet door dominee Jesse Duplantis te verklaren: de 'raad van toezicht' vindt het volkomen logisch dat zo'n vliegtuig er moet komen. En Duplantis heeft zelfs in het vliegtuig zijn eigen 'bubble' georganiseerd: allemaal medewerkers die 'ja' knikken tegen hun werkgever, hun baas en iemand die van God de leiding heeft gekregen over de kerk.

De Amerikaanse cultuur is soms voor West-Europeanen ook wel moeilijk te volgen, ook de kerkelijke cultuur. Bovendien is de Amerikaanse kerkelijke cultuur deels tot een media-cultuur verworden. TV-dominees zetten voor miljoenen dollars aan omzet (!) om. Vanuit die achtergrond lijkt ook het artikel van David R. Dunaetz, Hannah L. Jung, en Stephen S. Lambert te zijn geschreven. Het is de cultuur van de snelgroeiende megakerken, die op den duur van hun wortels los raken en bovendien de kerkelijke structuren niet op tijd aanpassen aan de veranderende situatie.

Eén van de eerste Amerikaanse megakerken was de Crystal Cathedral Church ('Hour of Power'). In de begintijd van die kerk ging ds. Robert H. Schuller  dagelijks langs de huizen in de wijk ging om contact te zoeken met mensen. 
Twintig jaar later wordt een peperduur kerkgebouw gebouwd, en 30 jaar later telt de gemeente 10.000 leden. Als Schuller met pensioen gaat benoemt hij zijn zoon Robert A. Schuller als opvolger. Er ontstaat onenigheid tussen vader en zoon, waarop vader zijn dochter Sheila Schuller-Coleman benoemt als voorganger. Daarop scheurt de gemeente. 
In 2012 moet het kerkgebouw worden verkocht. De kerk blijkt een schuld van 55 miljoen dollar te hebben. 
Als één van de redenen van de teloorgang van deze gemeente genoemd dat de groeiende kerk zijn wortels kwijt is geraakt. Waar is de glans uit de eerste jaren gebleven, waarbij de voorganger zelf bij de deuren langs ging om mensen te spreken? 
Er is een enorme staf opgetuigd, via die staf en geldstroom is er nog steeds aandacht voor 'mensen in de wijk', maar die activiteit lijkt een bijzaak te zijn geworden. 
Bovendien is het stadsdeel waar de kerk staat veranderd: van een witte wijk naar een wijk waar veel Spaanstalige immigranten wonen. Er zijn ook Spaanstalige diensten, maar de basis ligt nog steeds bij het binnenhalen van beroemde (vaak 'witte') sprekers tijdens de door miljoenen mensen bekeken kerkdiensten en bij de fondsenwerving daar om heen.

Bij deze gang van zaken zie je een kenmerkend patroon. Ik zeg niet dat Robert H. Schuller een kenmerkend narcistisch voorganger is of was. Het gaat nu om het proces van de gemeentegroei van Amerikaanse megakerken.
Er ontstaat een gemeente en die groeit hard. Er komt geld binnen en er worden plannen gemaakt. Er komt nog méér geld binnen en er wordt een staf opgebouwd. Maar nog steeds is er maar één gezicht beeldbepalend: dat van de voorganger. Wat ik beschrijf is een patroon zoals ik vermoed dat dit vaker bij snelgroeiende Amerikaanse kerken voor komt. Ik vermoed – terugredenerend – dat dit ook een rol kan hebben gespeeld bij de ontwikkelingen binnen de Chrystal Cathedral Church.

Pastorale wortels verdwijnen

Die voorganger heeft geen tijd meer om zich ‘met de basis’ bezig te houden. Hij raakt – bij wijze van spreken – zijn pastorale wortels kwijt. Hij heeft daardoor ook onvoldoende in de gaten hoe de samenleving rond de kerk bezig is te veranderen. En als hij het wel door heeft wordt die activiteit gedelegeerd aan een betaalde staf. In de benoeming van die staf heeft hij weer een belangrijke stem gehad.

Dynastie: voorganger van vader op zoon

Vervolgens komt de voorganger op leeftijd en hij benoemt nota bene zijn zoon als opvolger. Een predikanten-dynastie dus. Eigenlijk kan hij het werk dus niet uit handen geven: alleen de eigen familie wordt vertrouwd. Dat is precies zoals bij sommige dictatoriale regimes gebeurt.
Maar de zoon moet het werk wél zo inrichten zoals de vader dat voor ogen heeft. Als de zoon een eigen koers wil varen ontstaat er bonje. En uiteindelijk scheurt de kerk.

Voor mij heeft de overgang naar een kleinere kerk met minder pretenties en met voorganger (zoon) Robert A. Schuller gemaakt dat de kerkdiensten van Hour of Power aan diepgang hebben gewonnen. Het Amerikaanse welvaartsevangelie heeft niet meer de overhand. Er is uit deze scheuring dus niet alleen ellende voortgekomen.

Op zichzelf is het natuurlijk te bizar voor woorden dat een vader zijn zoon als dominee benoemt. En zelfs al zou er een kerkenraad zijn die dit helemaal steunt: dit moet je niet willen. Het geeft meteen ook één van de zwakheden aan van dit Amerikaanse systeem: er is te weinig tegengas tegen de voorganger. Een kerkelijke gemeente heeft ambten nodig en die komen samen in het functioneren van de kerkenraad.

Daar waar de voorganger zóveel stem heeft dat andere en tegengeluiden te weinig meer worden gehoord loopt het vaak al na één generatie mis met de kerk.

Is online vergaderen vermoeiend? (3)

Je kunt bij het online vergaderen de speakersview inschakelen. Dan krijg je de spreker groot in beeld. Maar ik wil graag de interactie binnen teams meemaken. Dat mis ik dan dus...

Online met beeldbellen zie je elkaar en je hoort elkaar. Je mist alleen de koffie. Die moet je zelf zetten. En toch schreef iemand: “Het is alsof er een glazen wand tussen mij en de anderen neer is gezet.”

Ooit was ik gestrikt voor een pedagogisch TV-programma. Met die sessies ben ik weer gestopt. Het was helemaal niks voor mij. En dat lag niet aan de voortdurende make-up die weer op mijn gezicht gesmeerd moest worden. Maar ik wist niet voor en tegen wie ik sprak. Ik miste de interactie. Ik had geen idee hoe mijn reacties en mijn verhaal over kwamen. Moest ik nog iets verduidelijken? Had ik iemand onrecht aan gedaan? Vele jaren later werd ik opnieuw bestookt door de TV en zat ik van huis uit in een programma. En wéér had ik dat ongemakkelijke gevoel. Gelukkig ben ik zo langzamerhand te oud om nog een keer op de TV te verschijnen...

Maar dat beeldbellen is toch anders? Ja, dat klopt. Er zit meer interactie in. Maar: je kunt minder de hele groep in de gaten houden. En… er zit ook minder oogcontact in beeldbellen. Vooral het directe oogcontact nodigt uit tot empathie en tot toenadering. Via de ogen ‘leest’ de baby en de jonge peuter wat mamma voelt. Dat blijft een belangrijk punt in de reactie van volwassenen op elkaar. Oogcontact stimuleert de empathische reactie.

Vraag je je af waarom contact op Twitter en via de email zo snel uit de hand loopt? En waarom vroeger discussies via de post ook zo heftig waren? Je kijkt elkaar niet rechtstreeks in de ogen. Dus is er vaak minder sprake van empathie.

Er gebeurt nog iets: dat zijn de spiegelneuronen. Dat zie je ook al bij baby’s of peuters. Mamma doet de mond (als voorbeeld) open en de baby doet de mond ook open. De baby en de jonge peuter imiteren de mimiek van de volwassene. Op heel basaal niveau gebeurt dat als er iemand gaat gapen. Prompt gaan er meer mensen gapen. En als er één persoon begint te lachen gaan er vaak meer mensen lachen.

Als iemand in een gesprek een verdrietige boodschap heeft en je kijkt hem daarbij lachend aan raakt de communicatie verstoord. Er klopt iets niet. De ander voelt zich begrepen als je tijdens het verhaal je mimiek aanpast aan datgene wat de ander vertelt.

Als ik via het scherm oogcontact wil maken met de ander moet ik niet ‘plat op het scherm’ kijken, maar ik moet rechts boven in het scherm kijken. Maar dan zie ik de ogen van de ander niet (meer). Het gevolg is dat de zogenaamde spiegelneuronen hun werk niet meer goed kunnen doen. Ik kan nog wel reageren op de verbale boodschap, op de woorden. Maar ik mis een belangrijk stuk informatie via de ander: dat is de boodschap die hij of zij via de ogen uitzendt.

Tijdens het videobellen loop ik dus achter in de interactie, ik moet meer mijn best doen om de boodschap van de ander empathisch te ontvangen én ik mis een deel van de interactie tussen de andere deelnemers van het gesprek. Normaal schrijf ik tijdens het gesprek ook van alles op als werkaantekeningen: dat lukt me al helemaal niet meer. Ik moet dus bij het online-vergaderen veel harder werken om dezelfde informatie binnen te halen.

Is online vergaderen vermoeiend? (2)

Voor autistische mensen zou 'beeldbellen' wel eens een prachtige aanvulling in het contact kunnen zijn. Maar is dat zo?

Marjanne voerde een ‘beeldbelgesprek’ met haar ambulant begeleider. Na een kwartier bleek dat ze nauwelijks iets van het gesprek had opgevangen. Ze was voortdurend afgeleid geweest door een poes die op de achtergrond van het scherm bezig was zich te wassen.

Beeldbellen betekent dus (ook) dat bepaalde signalen uitvergroot kunnen worden, waardoor de oorspronkelijke boodschap zoek raakt. Voor de concentratie van Marjanne zou het dus beter zijn geweest als haar ambulant begeleider voor een witte muur had gezeten.

Je ziet dus dat Marjanne afgeleid wordt door een detail (dat is ook wel kenmerkend voor autisme). Maar ook dat haar ambulant begeleider informatie mist. Ze had niet aan Marjanne gemerkt dat ze afgeleid werd en dat ze daardoor niet naar de boodschap kon luisteren. Haar begeleidster vond het gesprek ‘zwaar’. “Normaal zie ik het hele plaatje, nu zag ik een gezicht, maar miste ik toch wat er gebeurde.”

Dat zien van details wordt mogelijk vergroot bij allerlei vormen van beeldbellen, ook bij niet autistische mensen. Ik vind het soms net een uitvergrote foto. Op het totaalplaatje zie je het vlekje op de lens niet, maar ga je de foto uitvergroten, dan zie je op het detailplaatje opeens wél een vlekje. En dat gaat storen…

Binnenkort moet ik naar een studio om een paar lessen op te nemen. Maar ik kreeg ook een oproep voor een poliklinische behandeling in het ziekenhuis. Het gevolg zal zijn dat ik een aantal dagen met een stuk verband op mijn hoofd zal lopen. Een soort van mondkapje op een verkeerde plek. Ik kan op die manier prima les geven. Voor de klas zou het geen probleem zijn. Maar digitaal moet ik dat niet gaan doen. Dan gaat dat verband teveel afleiden. Ook na mijn dood zou ik nog herinnerd worden als een soort Vincent van Gogh met zijn oor in het verband. Dus heb ik de studio-opname uitgesteld.

De narcistische pastor in de megakerk (6)

Narcistische mensen houden niet van tegenspraak. Ze houden van mensen die tegen hen opkijken. Als ze 'ondersteuning' willen, zoeken ze die bij medestanders. Ze laten zich niet graag bijsturen door mensen die een andere kijk hebben.

Die lijn zie je o.a. in alle dictaturen. Geleidelijk worden kritische mensen in de top vervangen door minder kritische stafleden (lees: volgelingen). Je ziet het ook in de wijze waarop Donald J. Trump omgaat met ministers en adviseurs die hem niet voldoende welgezind zijn (lees: die af en toe een eigen mening hebben). Toch gaat dat niet ten koste van zijn populariteit. Dat is opmerkelijk. Net zo bijzonder als in kerken waar de ene na de andere medewerker gedwongen vertrekt en waar het kerkbezoek tóch toeneemt.

In een artikel over één van de Amerikaanse megakerken wordt geschreven hoe de nieuwe voorganger in korte tijd een aantal prominente kerkleden laat vertrekken en nieuwe stafleden die 'zijn' lijn volgen aanstelt. Maar deze voorganger had zich vergist in de volgzaamheid van de gemeenteleden; de gemeente is gescheurd. Een deel gaat bij hem naar de kerk, een ander deel naar een andere kerk én een gedeelte is kerkelijk zoek geraakt. Het zijn dwalende schapen geworden.

Chapman revisited

Maar hoe is het verder met Joshua Chapman gegaan? (zie het derde blog). Hij kwam op kennismakingsbezoek bij een kerkelijke gemeente. Dit keer overigens bepaald geen megakerk, gewoon een wijkgemeente in een grote stad. Opvallend was dat hij meteen de lijnen uitzette hoe deze gemeente onder zijn leiding zou moeten gaan functioneren.

Anders dan in allerlei andere kerken is in de Gereformeerde kerken niet de Paus of een landelijk bestuur de 'aardse baas' over de plaatselijke gemeente en ook niet de voorganger. De leiding van de kerkelijke gemeente ligt bij de kerkenraad.

De voorzitter van de kerkenraad was een doorgewinterde bestuurder. Hij ging tijdens het bezoek van beoogd voorganger Chapman niet direct de confrontatie aan. Maar liet zich niet zomaar de leiding rond de gang van zaken in de gemeente uit handen nemen.

Not amused

Na afloop van de gemeenteavond volgde er een gesprek met Chapman. Daarbij vertelde hij dat hij een pauze in wilde lassen omdat hij een aantal vragen had. Chapman was – op zijn minst gezegd – ‘not amused’. Hij had de avond goed voorbereid, hij had signalen gehoord van gemeenteleden dat men heel enthousiast was over zijn verhaal, hoe was het dan mogelijk dat hij toch niet met open armen werd ontvangen? Hij was immers geroepen om hier in deze plaats het Evangelie te gaan brengen?

Twijfels

De voorzitter van de kerkenraad op zijn beurt polste de volgende dag een aantal gemeenteleden. Enkele leden hadden grote twijfels. Ze zeiden Chapman ook kritisch bevraagd te hebben. Kennelijk was die mogelijke kritiek volkomen aan hem voorbij gegaan.

Reactie van Chapman

Twee dagen later lag er een uitgebreide mail van Chapman binnen in het digitale postvak van de voorzitter van de kerkenraad. Hij bedankte vriendelijk voor de prettige ontvangst, hij was enthousiast over de waardering die de gemeenteleden voor hem hadden uitgesproken, en hij vond dat de voorzitter met zijn kritische vragen maar even moest wachten totdat Chapman een tijdje aan het werk was in de gemeente. Opmerkelijk was dat hij ook nog kwam met een eis: er moest een grotere pastorie worden aangekocht, want in de bestaande woning was onvoldoende ruimte voor een eigen studeerkamer.

Past Chapman in de kerkelijke gemeente?

De volgende zondag werd er een gemeentevergadering gehouden waarbij de leden gepolst werden over de vraag of Joshua Chapman zou passen in de gemeente. Er bleek een groot verschil van mening tussen de gemeenteleden te zijn. Het ene deel zag deze voorganger helemaal zitten: hij was zeer inspirerend, had prachtige plannen en een goed contact met de jeugd. Een ander deel van de kerkelijke gemeente had grote twijfels. Chapman was wel veel aan het woord, maar kon hij eigenlijk wel luisteren naar anderen? Er was ook iemand die zich afvroeg wie Chapman nu eigenlijk was als persoon. Had hij wel iets van zichzelf laten zien? Dat laatste was mogelijk een cruciale vraag als het ging om de persoonlijkheid van Chapman. Wie halen we hier als herder van de kudde binnen: weten we dat eigenlijk wel?

Geen beroep

De kerkenraad besloot – gezien de verschillende geluiden in de gemeente – niet verder te gaan met het ‘beroepen’ van Joshua Chapman. Daar was hij het zeer mee oneens: hij was dé voorganger die deze kerkelijke gemeente nodig had. Hij zou verdere stappen ondernemen, want de kerkenraad had niet de juiste procedure gevolgd.

Alarmsignalen

Is Joshua Chapman een narcist? Dat weet ik niet. Ik ken hem niet. Maar in de gang van zaken rond de kennismaking en de latere gang van zaken zitten wel een aantal alarmsignalen. Daarbij valt vooral de neiging op om de gang van zaken over te nemen. Ook de sterke voorkeur of afkeur binnen de gemeente is een signaal: kennelijk roept hij veel – maar ook tegengestelde – emoties op.

Daarnaast valt op dat hij kennelijk geen signalen heeft opgepikt van mensen die wat meer kritisch waren. Ook in het latere contact geeft hij geen blijk van een luisterende houding: hij voert de eisen zelfs nog wat op. En als het allemaal toch anders loopt dan hij voorzien heeft: dan moeten er natuurlijk stappen ondernomen worden. Hij heeft geen fouten gemaakt, de ander zit verkeerd.

Dominantie in een eerste contact kan wijzen op narcisme. Eén van de belangrijkste kenmerken van narcisme - ook in het latere verloop van het contact - is de aanhoudende neiging om anderen te overheersen.