De ander om de tuin leiden

Dagelijks worden we om de tuin geleid met nepnieuws. Maar hoe krijgen mensen het voor elkaar om anderen op het verkeerde been te zetten?

Ter relativering: het is niet zo dat mensen per definitie de ander om de tuin willen leiden. Veel mensen geloven zelf in wat ze bedacht hebben. Ze zijn alleen niet kritisch naar hun eigen denken. Of ze generaliseren heel snel.

Chocolade en hoofdpijn

Uit tal van wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat het eten van veel chocolade kan leiden tot hoofdpijn. Daarmee zet ik jullie meteen al op het verkeerde been. Want met de suggestie van het wetenschappelijk onderzoek als rugdekking doe ik meteen alsof ik de waarheid in pacht heb…

Niettemin: toen ik een keer zei dat het eten van veel chocolade tot hoofdpijn kan leiden kwam er meteen een reactie. “Dat is niet waar. Mijn man gaat juist chocolade eten als hij hoofdpijn heeft.” Dat werd met grote stelligheid beweerd. En dus vond die mevrouw dat het niet klopte dat mensen hoofdpijn van chocolade krijgen. Want bij haar man was dat niet het geval, dus het onderzoek klopte niet.

Associatief ordenen

Het op die manier voorbeelden geven past bij de zogenaamde associatieve ervaringsordening (een term van orthopedagoge Dorothea Timmers-Huigen). Je hoort iets, je ziet iets en je koppelt er meteen een associatie aan. Je was een keer misselijk toen je bloemkool bij de groentenman zag liggen, dus je wordt misselijk als je bloemkool eet.

Anekdotisch bewijs

Politici maken graag gebruik van dit fenomeen. Je maakt iets concreet en mensen koppelen dat meteen aan hun emotie. Het is het formuleren van een zogenaamd anekdotisch bewijs.  Dat deed Donald Trump in het kader van de opwarming van de aarde. Hij stond op een koud vliegveld en zei: “Hoezo opwarming van de aarde?”  “It is freezing cold here!”

Zo’n anekdote is niet representatief voor het grotere geheel. Als je echtgenoot chocolade gaat eten als hij hoofdpijn heeft wil dat niet zeggen dat de rest van Nederland ook chocolade gaat eten als men hoofdpijn heeft.

Maar waarom werkt dat voorbeeld toch (een beetje)? Omdat we moeite hebben met abstractie. Als we ons iets concreet voor kunnen stellen helpt dat ons bij het vormen van onze overtuiging. Dat komt omdat bijna alle mensen visueel zijn ingesteld.

We zijn geneigd om dingen die we ons voor kunnen stellen eerder te geloven dan abstracte zaken. En als je daar handig op inspeelt slaag je er in om meer mensen jouw verhaal te doen geloven.
Advertenties

Psyche en slaapkwaliteit (2)

Mevrouw van Heugten heeft het verband tussen verstoorde slaap en dissociatieve kenmerken uitgebreid kunnen onderzoeken. Dat deed ze o.a. door mensen langdurig slaap te onthouden. Wat gebeurde er dan met die mensen, welke belevingen hadden ze?

Ik ben wel eens meer dan 24 uur achter elkaar wakker gebleven. En toen (al) vielen mij allerlei vreemde gewaarwordingen op. Ik had vooral te maken met acoustische bijwerkingen: ik hoorde stemmen die er niet waren. Dat stopte niet meer: het was een behoorlijk lawaai in mijn hoofd.

Mevrouw van Heugten hield 28 gezonde mensen gedurende 36 uur uit de slaap. Ze moesten om de paar uur rapporteren hoe slaperig ze waren en moesten scoren op een aantal dissociatieve kenmerken. Bij zo’n onderzoek heb je natuurlijk ook een controlegroep nodig. Die mensen mochten gewoon lekker gaan liggen ronken in hun eigen bed.

Bij de mensen die uit de slaap werden gehouden bleek dat de slaperigheid vooral tussen 23 uur en 3 uur ’s nachts toenam. Pas daarna namen de dissociatieve kenmerken sterk toe. Kennelijk gaat slaperigheid vooraf aan het ontstaan van dissociatieve symptomen.

Dat is natuurlijk aardig bedacht, maar wat vooral belangrijk is, is het omgekeerde. Als je slaapkwaliteit verbetert, verminderen dan ook de dissociatieve symptomen? Hiertoe werd een grote groep mensen met psychiatrische problematiek (266 patiënten) ‘getraind’ om beter te leren slapen. Daarbij werd gebruik gemaakt van een aantal aspecten die al bekend zijn als middelen om de slaaphygiëne te verbeteren, bijvoorbeeld een vaste tijd om naar bed te gaan, geen cafeïne na 19 uur, sport ’s morgens, buitenactiviteiten ’s middags en ontspannende activiteiten ’s avonds.

Na acht weken bleek de slaapkwaliteit van de meeste mensen aanzienlijk te zijn verbeterd. Omgekeerd waren de dissociatieve kenmerken aanzienlijk verminderd. Ook bij mensen met meest ernstige dissociatieve verschijnselen bleek slaapverbetering te leiden tot een aanzienlijke afname van deze symptomen.

De auteur meldt dat we nog wel voorzichtig moeten zijn met de uitkomsten. Slaapkwaliteit is een complex fenomeen. Dat geldt ook voor dissociatieve verschijnselen. Ze ontwikkelde een slaapdissociatiemodel, dat volgens haar uitdaagt tot het doen van nieuw onderzoek.

Daarbij bepleit ze een integratie van het traumamodel (trauma leidt tot dissociatie) en het onderzoek naar de gevolgen van een slaaptekort op dissociatie. Immers: een trauma leidt ook vaak tor slaapproblemen, maar wat doet nu wat? En in hoeverre kan slaapverbetering leiden tot een betere behandeling van een trauma? Deze gecombineerde benadering zou volgens haar een veelbelovende aanpak kunnen bieden bij de behandeling van dissociatieve stoornissen.

Een chronisch slaaptekort heeft negatieve gevolgen op de psychische gesteldheid van mensen. Vaak er is sprake van een vicieuze cirkel, want de psychische problemen leiden op hun beurt weer tot een slechtere slaap. Goede aandacht voor de slaapkwaliteit hoort een onderdeel te zijn van de geestelijke gezondheidszorg.

Psyche en slaapkwaliteit (1)

Beïnvloedt de slaapkwaliteit het psychisch functioneren? Dat idee is niet nieuw. Al in de 19e eeuw werd het verschijnsel van het slaapwandelen beschreven.

Er zijn mensen die in de slaap aan de wandel gaan en dan de meest wonderlijke capriolen uithalen. In Suske en Wiske komt het thema regelmatig ter sprake. Mensen wandelen slaap en doen dan bijvoorbeeld ’s nachts de afwas. Dat lijkt me een prettig verschijnsel. Maar de mensen zelf vertellen dat ze de volgende ochtend uitgeput wakker worden. Dat is dan weer niet de bedoeling van de nachtelijke afwas.

Het lijkt wel of er bij dat slaapwandelen sprake kan zijn van een soort voorbewuste behoefte. Daarmee bedoel ik: je hebt overdag iets niet kunnen doen en dan  leidt de onrustige geest tot een nachtelijke activiteit. De afwas stond en nog en doe je dan alsnog ’s nachts. De volgende ochtend sta je doodmoe op. Je bent verbaasd dat de afwas is gedaan. Maar je kunt jezelf helemaal niet herinneren dat je ’s nachts aan de afwas bent geweest.

Ik moet in dit verband denken aan een Friese boer die in een soort van epileptische schemertoestand verkeerde (mogelijk als gevolg van de schittering van het water) en met zijn trekker het IJsselmeer in reed. Hij vond het vreemd dat het water onder de trekker klotste, maar hij kon niet bedenken wat er aan de hand was. Hij was ook niet in staat om de trekker te stoppen. Gelukkig is het IJsselmeer niet diep en hij kon daardoor zijn ervaring navertellen.

D.Watson publiceerde in 2001 een artikel over het verband tussen levendige dromen, nachtmerries, herhaaldelijk terugkerende droomthema’s, allerlei andere ongewone slaapervaringen en dissociatie. Inmiddels zijn zijn onderzoeken meerdere malen herhaald. En steeds weer komt er uit naar voren dat dissociatie en slaapverstoringen met elkaar samenhangen.

Dissociatie is een geestesgesteldheid waarin bepaalde gedachten, emoties, waarnemingen of herinneringen buiten het bewustzijn zijn geplaatst, tijdelijk niet 'oproepbaar' zijn of minder samenhang vertonen. Je bent even helemaal 'afwezig'. Een simpele vorm is het ergens gedachtenloos naar toe rijden en achteraf besef je dat je helemaal niet weet waar je langs bent gereden.

Omgekeerd bleken mensen die vaak een nachtmerrie in hun bed aantroffen ook opvallend vaak (overdag) dissociatieve kenmerken te vertonen. Dat verband is o.a. aangetoond bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis.

“Er lijkt een sterke en robuuste samenhang te bestaan tussen dissociatieve symptomen en ongewone slaapervaringen, waaronder wakende dromen, nachtmerries en slaapwandelen.” Aldus Dalena van Heugten-van der Kloet in De Psycholoog (februari 2015).

Zes kenmerken van een gezonde relatie

Wat is een gezonde relatie? We kennen elkaar een halve eeuw. Maakt dat onze relatie gezond? Er zijn ook relaties die een halve eeuw ongezond zijn. Bijvoorbeeld omdat de man alles bepaalt en de vrouw geen nee durft te zeggen.

Onderstaand rijtje kwam ik tegen en geef ik door ter overweging:

  1. Je praat in iedere situatie met respect tegen elkaar. Ook als je het heftig oneens bent ga je de ander niet uitschelden of denigrerend doen.
  2. Je brengt evenveel in om de relatie goed te houden als de ander. Het is niet zo dat de één alleen maar ‘geeft’ om de relatie in stand te houden en de ander consumeert.
  3. Je hebt veel samen, maar je valt niet samen. Je hebt een eigen identiteit naast die van je partner. Dat betekent ook eigen interessegebieden, hobby’s, eigen vrienden.
  4. Je vult elkaar aan. Waar de één minder goed in is vangt de ander op en omgekeerd. De één denkt aan verjaardagen, de ander weet wanneer de groene en grijze kar buiten moet worden gezet. De één is onhandig in het koken, de ander zorgt dat de administratie op orde blijft.
  5. Je kunt praten over seksualiteit en intimiteit. De één legt de ander niet zijn of haar norm op.
  6. Je voelt je veilig bij elkaar. Het is niet ‘eng’ om je emoties met elkaar te delen. Als je ergens mee zit kun je dat de ander vertellen.

Bij relaties die vastlopen zie je dat de verhoudingen vaak erg scheef liggen. Bijvoorbeeld: de één geeft en de ander consumeert, de één bepaalt en dwingt de ander om te volgen (twee voorbeelden van een relatie met een narcist). 

Als je er een tienpuntsschaal van maakt en je scoort op alles een tien, dan geloof ik je niet. Maar als je 'samen' bent kun je wel kijken wat voor cijfer je relatie 'verdient'.  Ik wens jullie een mooi cijfer toe!

Emoties op je werk (3)

Als je dag-in, dag-uit vervelende opmerkingen naar je hoofd krijgt, maar je mag er niets van zeggen, wat heeft dat uiteindelijk voor gevolgen voor je functioneren? 'Schelden doet geen zeer' zeggen we dan. Helaas doet schelden emotioneel wél zeer...

Surface acting

Als de buschauffeur die dag-in, dag-uit geschoffeerd wordt door enkele passagiers nét doet of het hem niet raakt (‘mechanisch lachen en vrolijk doen, bijna als een robot’) wordt dat surface acting genoemd. Je vervreemdt van je emoties. Op den duur loop je het risico op een burn out.

Ik vroeg een keer aan een chirurg die heftige operaties moet uitvoeren hoe ze haar werk vol kan houden. Ze zei: "Als ik er bij na ga denken hoe heftig het voor de patiënt moet zijn maak ik fouten. Als ik dat gevoel buiten sluit kan ik mijn werk goed uitvoeren."  Ik weet niet hoe dit voorbeeld in het plaatje past. Knapt deze chirurg op den duur tóch af? Of is het op deze manier werken een manier die je lang vol kunt houden?

Uit een onderzoek (University of Michigan) bleek dat medewerkers die proberen hun emoties buiten te sluiten op den duur slechter gingen functioneren en zich ook steeds somberder voelden.

Dag-in, dag-uit had Jacob te maken met heftige agressie van één van zijn cliënten. Maar hij bleef de verantwoordelijke en altijd vriendelijke begeleider. Op een dag knapte er iets. Na weer een confrontatie met agressie kon hij opeens niet verder. Het duizelde hem letterlijk en figuurlijk. Hij stapte naar zijn leidinggevende en leverde zijn sleutels in. We hebben Jacob nooit meer terug gezien op de woning.

Deep acting

De andere manier van werken is dat je wél je emoties toelaat. Dit wordt deep acting genoemd. Dat wil niet zeggen dat de buschauffeur nu uit zijn plaat moet gaan als er een nukkige passagier in stapt. De bedoeling is dat hij zich bewust is van zijn emoties en van het verschil tussen hoe hij zich gedraagt en hoe hij zich eigenlijk zou willen gedragen. Het gaat om het zich bewust zijn van de emotionele dissonantie.

De psycholoog had ‘voor geschreven’ dat het spugen van Mathilde genegeerd zou moeten worden. Mathilde had de neiging om begeleiders te bespugen, soms zelfs midden in hun gezicht. Volgens de psycholoog was het gedrag om aandacht te krijgen, als je dat gedrag maar lang genoeg negeerde zou het vanzelf wel uitdoven.  

Hoe ga je als begeleider met dit gedrag om? Helaas werd die vraag in de casus niet gesteld. Daarom was de aanpak bijna al bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Als deze aanpak wordt uitgevoerd moeten begeleiders zich bewust zijn en blijven van de emotionele dissonantie die het gedrag bij hen oproept. Je zou Mathilde een stevige berisping willen geven want je wordt eigenlijk heel erg boos. Maar je doet iets anders: je bewaart de rust en probeert met een lage expressed emotion te werken.

Faking

Alicia A. Grandey (2003, Academy of Management Journal) noemt beide vormen van reageren manieren om gedrag te ‘faken’. Maar er is een verschil. Surface acting is ‘faking in bad faith’, deep acting is faking in good faith’.

Mensen die (onbewust) kiezen voor surface acting hebben volgens haar minder controle over hun emoties. Ze zetten een pokerface op, omdat ze geen alternatieven hebben.

Mensen die kiezen voor deep acting zijn zich veel beter bewust van hun emoties. Ze weten dat er een spanning zit tussen a)hoe ze reageren en b) hoe ze zouden willen reageren. Juist dat a) zich bewust zijn en b) het jezelf laten voelen dat het zo is maakt dat je fitter blijft. Je hoeft niet te doen of je altijd maar geduldig en vriendelijk moet zijn en dat je nooit boos zult zijn. Natuurlijk ben je af en toe best boos.

Uit het onderzoek van Alicia A. Grandey blijkt verder dat mensen die in staat zijn tot deep acting zich vaak ook meer thuis voelen op hun werk. Ze zijn meer zichzelf, hebben het gevoel dat het werk ego-syntoon is: het past bij wie ze zijn.

Wat mensen die in staat zijn tot deep acting vervolgens doen is: naast het erkennen van de eigen emotie het zich verplaatsen in de emotie van de ander. Wat zou ik doen en hoe zou ik me voelen als ik in zijn schoenen zou staan? Oftewel: een vorm van mentaliseren...

Emoties op je werk (2)

Je bent een mens, maar je gedraagt je als een robot. Sociologe Arlie Russell Hochschild deed hier al in de jaren '80 al onderzoek naar (o.a. bij stewardessen). Volgens haar is het juist de huidige diensten-economie die steeds meer maakt dat mensen vervreemding ervaren in hun werk.

Outsourced Self

Ondertussen is Hochschild nog steeds in de weer met onderzoek. Haar meest recente boek gaat over het Outsourced Self. Wat gebeurt er met mensen als ze steeds meer emotionele taken ‘uitbesteden’? Dus als je niet meer een persoonlijke relatie aan gaat, maar op afstand betrokkenheid moet laten zien?

Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan betaald daten via internet, aan het uitbesteden van de zorg voor je kinderen aan anderen, aan het bestellen van maaltijden zonder zelf zorg te verlenen (je besteedt de zorg dus eigenlijk uit). Je kunt ook denken aan de huidige trend om vriendschap te kopen: tegen betaling ouderen bezoeken. Ook Facebook  past bij deze ontwikkeling van  ‘vriendschap op afstand’ (likes en friends).

Eén van de beste manieren waarop ouders kunnen laten zien dat ze zorg hebben voor hun kinderen is het zorg besteden aan de maaltijd. Prof. Wim ter Horst noemt die zorg één van de gouden momenten binnen de opvoeding. In veel instellingen is deze zorg uitbesteed aan een keuken. Daarmee verdwijnt een stukje van de zichtbare zorg uit beeld.

Tenslotte noem ik de trend die in Nederland aan de gang is: het bieden van digizorg in plaats van menselijk contact. Digizorg is een aanvulling, het kan geen vervanging zijn van een persoonlijk contact. Hoe gaan cliënten en de mensen achter het scherm van de digizorg op den duur deze vorm van zorg op afstand ervaren. Dat zou een onderzoeksthema van Hochschild kunnen zijn.

Afgedwaald

Maar hoe moet het nu met die emoties die je wel voelt, maar die je niet mag laten zien? Een eindje fietsen wil nog wel eens helpen. Maar zijn er ook andere manieren?

Er zou heel veel te schrijven zijn over emoties op het werk. Er zijn ook boeken over geschreven. Eén van de boeken in mijn boekenkast heet dan ook ‘Emoties in de zorg’. Maar ik pak er nu geen boeken bij, maar alleen een oud nummer van Psychologie Magazine (maart 2015).

Daar wordt onderscheid gemaakt tussen twee reactiepatronen: surface acting en deep acting. De uitwerking ontleen in aan een artikel van Alicia A. Grandey, lector organisatiepsychologie in de USA.

MMSE

De MMSE (Minimal Mental State Examination) is een 'snelle vragenlijst' om een vermoeden van cognitieve stoornissen vast te stellen (met name: dementie). Ik vrees dat ik ook een aantal vragen niet zou kunnen beantwoorden...
  • Na een drukke reis in de spits naar een Haags Ziekenhuis kom ik maar net op tijd binnen. Ik moet nog een patiëntenkaart laten maken. Een paar minuten later loop ik binnen bij de onderzoeker (m/v). Ze vraagt mij o.a. het volgende:
  • Wat is de datum van vandaag? Eerlijk gezegd kijk ik voor de datum vaak even op mijn computer… ik wist het niet… Maar die computer heb ik niet in het ziekenhuis…
  • Wat is de naam van deze afdeling? Sorry, daar heb ik niet op gelet.
  • Op welke verdieping zijn we nu? Ik denk de derde, maar het kan ook de vierde zijn. Mag ik misschien even naar buiten kijken? Nee, dat mag niet…
  • Wilt u van de 100 zeven aftrekken en van wat overblijft weer zeven aftrekken en zo doorgaan tot ik stop zeg? Wilt u de vraag nog even herhalen, zou mijn antwoord zijn (u praat te snel en mijn gehoor is niet zo goed).
  • Wilt u het woord ‘worst’ achterstevoren spellen? Sorry, ik vind dat ingewikkeld uit mijn hoofd, mag ik het ook opschrijven? Nee, dat mag niet…
  • Wilt u dit papiertje pakken en het opvouwen en het op uw schoot leggen? Sorry, onderzoeker, het is hier geen kleuterschool, daar begin ik niet aan…

Grote kans dat er bij de onderzoeker het beeld bestaat dat meneer Henk 50 lijdt aan een (nog niet nader te omschrijven) cognitieve stoornis. Ik word voor een herhaal-onderzoek opgeroepen.

Buiten loop ik naar de bushalte. Ik stap in de goede bus, maak de juiste overstap, check goed in in de trein en check weer goed uit, loop vanaf het station naar huis en weet precies dat ik mijn sleutels vandaag in mijn linkerzak heb gedaan (normaal is rechts). Dus dan valt de schade nog weer mee...