Slechte slapers

Goede slaap is deels een kwestie van een gezonde levenshouding. Bijvoorbeeld: van het geleidelijk 's avonds rust inbouwen en niet te lang naar de televisie, tablet of telefoon kijken.

Maar slaaponderzoeker Eus van Someren ontdekte ook een aantal kenmerken zijn van slechte(re) slapers die ‘aangeboren’ lijken te zijn.

1. Slechtere slapers hebben minder goed door of ze ‘goed liggen’.  Dat heeft met de hersenen te maken. Je slaapt in in een slechte slaaphouding (maar signaleert dat niet) en je wordt daardoor eerder wakker (weinig slaapcomfort).

2. Slechtere slapers zijn langer van slag na een negatieve emotionele ervaring. Je slaat overdag een blunder en ’s nachts blijft dat in je hoofd spoken. Omgekeerd: omdat je minder slaapt heb je er ook meer last van. Want de slaap wist ook een deel van je geheugen en haalt in ieder geval wat scherpe kantjes van je herinnering weg.

3. Slechtere slapers zijn meer gevoelig voor alcohol, cafeïne of theïne. Terwijl goede slapers ‘s avonds best een aantal glazen tot zich kunnen nemen werkt dat bij slechte slapers juist omgekeerd: ze slapen minder door het gebruik van alcohol.

Er bestaat geen algemeen recept voor een goede slaap. Slaapadviezen zijn deels individeel gekleurd. Zo zijn er mensen die vijf uur voor het slapen gaan geen druppel koffie of thee meer moeten nemen. Want dan kunnen ze het slapen wel vergeten... Anderen kunnen in slaap vallen terwijl ze 's avonds nog vijf koppen koffie hebben genuttigd.

 

Advertenties

Borderline en therapeut (2)

Mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis denken sterk zwart-wit. Het onvermogen om in nuances te denken wordt wel gezien als éém van de grootste problemen voor mensen met borderline problematiek. De wereld is namelijk niet zwart-wit. En mensen zijn dat al helemaal niet...

Wat gebeurt er bij mensen met borderline-problematiek? Als de ander maar een kleine aanwijzing geeft bij bijvoorbeeld een bepaalde opdracht wordt die aanwijzing direct geplaatst in een zwart-wit schema. Het is dus niet: ‘ik heb negen dingen goed gedaan en één ding kan nog wat beter’. De balans slaat direct door: “Zie je wel, ik kan het niet, ik ben dus waardeloos.”

Een daarop volgend probleem is dat de persoon met borderline problematiek zelf geen extremen kan hanteren. De hele gevoelsthermostaat slaat direct op hol. Daar ontstaan weer een volgend probleem door: de omgeving probeert om die escalaties te vermijden. In dit verband schreef Paul Mason het boek ‘Stop walking on eggshells!’ Stop  met het op emotionele eieren lopen, want uiteindelijk red je het daarmee óók niet.

Mevrouw Voerman is niet tevreden over de wijze waarop haar man zijn bijdrage levert aan de huishouding. Hij doet nooit iets in huis. Maar ze zegt er niets van. Want (en dan komt de grootste angst naar boven): 'als ik er iets van zeg gaat hij bij mij weg'. Mevrouw Voerman durft niet te zeggen dat ze ontevreden is over haar man. De spanning slaat naar binnen toe. Ze verwondt zichzelf (automutilatie komt veel voor bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis). Meneer Voerman reageert geschokt en gaat voor haar zorgen. Daarmee bindt mevrouw Voerman haar man weer aan huis: hij is niet weggelopen. Het gaat goed totdat zich een nieuwe spanningsbron aandient (voorbeeld uit Wies van den Bosch, Gedachten uitpluizen, jaargang 25/02).

Omdat mevrouw Voerman bij herhaling op de eerste hulp van het ziekenhuis terecht komt vanwege zelfverwonding en onverklaarbare ongelukjes adviseert de huisarts haar om contact te zoeken met de GGZ. Hij omschrijft in de verwijsbrief een aantal symptomen van het gedrag van mevrouw Voerman.

De huisarts is inmiddels de vijfde arts in haar woonplaats die mevrouw Voerman ‘versleten heeft’. Iedere nieuwe intake verliep goed. Mevrouw Voerman had de indruk dat ze eindelijk een dokter had die haar begreep. Maar al snel was het vertrouwen weg. De huisarts was van zijn voetstuk gevallen. Eerst was hij de beste huisarts van de stad, maar na drie maanden deugde er niets meer van hem.

De huisarts kent deze voorgeschiedenis. Zijn vermoeden dat er mogelijk sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis zet hij niet in de brief. Ook de huisarts loopt dus inmiddels op eieren. Veel van wat hij denkt zal hij niet tegen mevrouw Voerman zeggen.

Met een omschrijving van de problemen die mevrouw Voerman in haar leven ervaart vindt een intake plaats bij de GGZ. Wat zullen de behandelaars zeggen (of meer nog: niet zeggen?). Dat is een thema in de bijdrage van klinisch psychologe Wies van den Bosch.

Borderline en therapeut (1)

"De relatie van cliënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis met de hulpverlening is vaak problematisch." Aldus psychotherapeut Wies van den Bosch in: Gedachten uitpluizen jaargang 25 nummer 2.

De relatie met de hulpverlening wordt vaak gekarakteriseerd door wederzijdse frustraties, door manipulaties, door minimale therapietrouw en door het frequent stoppen met therapie.

"Henk, ik nooit meer een borderliner" zei Margriet, een ervaren en hoog opgeleide amulant begeleider nadat de situatie rond één van haar cliënten geëscaleerd was. Margriet had veel geïnvesteerd. Maar in haar beleving kreeg ze stank voor dank. Ze was er klaar mee.

Als je leest over borderline zie je dat het gedrag van mensen met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis hoge eisen stelt aan de omgeving. “Emotionele kwetsbaarheid en verlies van impulscontrole zijn zó prominent aanwezig dat de stoornis ook wel het ‘hyperarousal discontrole syndroom’ wordt genoemd.” Tegenwoordig wordt ook gesproken over een ‘impuls-regulatiestoornis’.

De borderline persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een duurzaam patroon van instabiliteit op het gebied van affectregulatie, impulscontrole, interpersoonlijke relaties en zelfbeeld.

In een eerder artikel van Wies van den Bosch noemt ze als klinische kenmerken van borderline:

  • Emotie-disregulatie
  • Impulsieve agressiviteit
  • Herhaaldelijke zelfverwonding
  • Chronische suïcidale tendensen
Volgens psychiater Michael Stone zie je pas werkelijk wie je borderline patiënt is als hij of zij weigert de behandelkamer te verlaten, als ze opgewekt met een arm in het verband de behandelkamer binnen komen lopen of als ze je 's nachts om twee uur bellen met de mededeling dat ze direct een gesprek nodig hebben.

Levensloop

Wat mij altijd weer boeit is hoe de levensloop van mensen met psychische problemen is. Worden de problemen groter of milder naarmate ze meer op leeftijd komen?

A. Hoewel de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis pas bij het begin van de volwassenheid gesteld kan worden is mijn indruk dat je bij kinderen vaak al kenmerken ziet die zouden kunnen passen bij het latere ‘borderline beeld’. Naar mijn idee is er een verband tussen de gedesorganiseerde gehechtheid en het gedrag dat kenmerkend is voor borderline problematiek.

B) Bij borderline zie je vaak de meest hefige problematiek tussen de 18 en 24 jaar. Dat is een levensfase waarin mensen los moeten komen van hun ouders en een eigen identiteit op moeten bouwen. Omdat autonomie en verlating een belangrijke rol spelen in de beleving van mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis is dit een zeer spannende fase.

C) Tussen de 30 en de 40 jaar neemt de problematiek af; er lijkt meer evenwicht te komen, de impulsen zijn minder ongecontroleerd.

D) Echter (indien de borderline stoornis niet behandeld is): de problemen nemen weer toe tussen de 40 en de 50 jaar. Bij vrouwen zou dit samen kunnen hangen met de overgang. Maar het kan ook weer het thema van de verlating zijn (ouders die overlijden. kinderen die de deur uit gaan, echtscheiding). Veel problemen boven de 50 jaar hebben te maken met alcoholmisbruik. Ook is er regelmatig sprake van ernstige depressiviteit.

Je wilt als behandelaar een beetje resultaat boeken ('de behandelaar is ook maar een mens'). En je hebt bovenstaande ervaringen bij de behandeling van mensen met ernstige borderline persoonlijheidsstoornis. Wat betekent dat dan voor jou aan het begin van de behandeling?

De valkuil van een hoog IQ

Er wordt vaak gesproken over het IQ. Zo wordt in het kader van de WMO het IQ regelmatig gebruikt als 'graadmeter' voor het recht op zorg. En dat terwijl het IQ eigenlijk maar betrekkelijk weinig zegt over het dagelijks functioneren.

Totaal IQ

Alleen al het ‘losse’ cijfer van het IQ geeft een veel te algemeen beeld. Neem nu Sjaak. Hij heeft een IQ van 112. Dat is duidelijk boven het gemiddelde. Je zou zeggen: hij kan gemakkelijk functioneren binnen de samenleving. Als je op schoolniveau zou kijken zou je denken dat hij misschien (met flink wat trainen en studeren) op de Havo terecht zou kunnen. Maar in de brugklas bleek dat hij dat niet ging redden.

Verbaal IQ

Als we beter kijken naar het IQ van Sjaak, dan blijkt dat hij een verbaal IQ heeft van 129. Dat is zeer hoog. Zijn taalvaardigheden liggen ver boven het gemiddelde. Hij kan goed vertellen wat hij bedoelt. En hij kan de taal gebruiken om te leren begrijpen wat er bedoeld wordt.

Performaal IQ

Als we kijken naar het performale IQ, dan komt hij uit op 93. Dat is beneden het gemiddelde. Dan gaat het om het niet-verbale inzicht. Bijvoorbeeld om het overzicht in bepaalde situaties: hoe kom ik snel tot een oplossing in verschillende omstandigheden. Daar blijkt Sjaak benedengemiddeld te functioneren, maar ook nog eens langzaam te zijn. Het kost hem bijvoorbeeld moeite om mee te doen aan een voetbalwedstrijd omdat er teveel interacties zijn die hij allemaal moet kunnen ‘plaatsen’. Dat geldt ook voor sociale situaties in de klas en vooral op het schoolplein.

Overvraging

We zijn geneigd om te denken dat iemand die goed uit zijn woorden komt ook slim is en snel dingen begrijpt. Maar bij Sjaak is dat allerminst het geval. Hij heeft grote moeite om datgene wat hij ziet en hoort op tijd te vertalen in betekenis. Het kost hem moeite om de aandacht er bij te houden en nog meer moeite om de informatie op te slaan.

Omdat hij zo goed praat liggen de verwachtingen over het functioneren van Sjaak te hoog. Hij wordt in het dagelijks leven sterk overvraagd. Dat leidt ook tot een stagnatie in zijn sociaal-emotioneel functioneren. Hij moet teveel op zijn tenen lopen.

Goed en slecht

Eén van de meest ingewikkelde taken die je tijdens je ontwikkeling moet leren is het omgaan met wat goed is en met wat slecht is.

Zwart-wit

Pubers denken vaak sterk zwart-wit. Iemand is helemaal goed of die persoon deugt helemaal niet. Iets is goed óf fout. Dat zou nog kunnen. Maar ze denken ook gemakkelijk dat iemand óf goed óf fout is.

In dat opzicht lijken pubers op peuters, die ook een zwart-wit schema in hun hoofd hebben. Stoute en lieve mensen en iets mag nooit of het mag altijd.

Een deel van de pubers wordt volwassen. Hoewel Loesje schrijft dat de ware puberteit je leven lang voortduurt. Maar die groei gaat geleidelijk.

NB: Ik koppel onderstaand verhaal even los van trauma’s, want bij een trauma lukt het nauwelijks om genuanceerd te leren denken.

Middelbare leeftijd

Veel mensen komen pas op middelbare leeftijd (40 á 50 jaar) tot het werkelijke besef hoe mensen in elkaar zitten. En dat iedereen én goede én kwade kanten heeft. Veel kinderen leren pas op die leeftijd (als hun ouders kwetsbaar en hoogbejaard zijn) hoe hun ouders meerdere kanten hadden. En ook hoe ook zij in hun omstandigheden probeerden er het beste van te maken.

Het bij elkaar brengen van tegengestelde tendensen wordt binnen de levensloop van de mens wel gezien als de belangrijkste psychologische taak voor de mens.

Andere mensen hebben goede en slechte kanten

De mensen met wie ik een nauwe emotionele band heb hebben hun goede en hun slechte kanten. Ze zijn niet zo ideaal als ik als kleuter wilde denken (‘mijn pappa kan alles’), maar ook niet zo slecht als ik als puber wel eens dacht (‘ik ga alles totaal anders doen, want ze begrijpen niets van mij’).

Ik heb goede en slechte kanten

Ook ik heb mijn goede en mijn slechte kanten. Als puber wilde ik de wereld verbeteren, ik moest zorgen dat ik zo goed kon worden dat iedereen tegen mij op zou kunnen kijken. Ik moest er voor zorgen dat alles perfect zou worden: een goede baan, een mooi huis, een prachtige relatie zonder ruzie. Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik heb slechte dagen, ik ben lang niet altijd aardig, ik maak ruzie, mijn huis is soms een rommeltje. Maar dat maakt mij nog geen slecht mens. Ik ben niet perfect, de goede en minder goede kanten horen beiden bij mij als persoon.

Ik ben verantwoordelijkheid maar mag soms ook vrij zijn

Ik heb behoefte aan vrijheid, maar ik ben ook gebonden en verbonden. Ik heb mijn verantwoordelijkheden. Het is niet goed als ik altijd maar mijn eigen gang ga. Dan doe ik mijzelf en anderen tekort. Maar het is ook niet goed als ik geen enkele ruimte neem, als anderen bepalen wat ik kan en wat ik mag, als ik altijd maar weer helemaal in bezit word genomen door wat anderen van mij willen. Het hoort bij mij dat ik verantwoordelijkheid heb jegens anderen. Maar het hoort ook bij mij dat ik soms ruimte neem voor dingen die met mijn vrijheid te maken hebben.

+ / –

Dit beeld past in zekere zin bij het schema dat ik eerder beschreef. Een kenmerk van een ongezond psychisch beeld is het ‘minnen’ van jezelf en van de ander. Naarmate mensen meer psychisch gezond functioneren zijn ze in staat om meer genuanceerd naar zichzelf en naar de ander te kijken.

Geparafraseerd ontleend aan: 'Noodzakelijk Verlies', Judith Viorst, blz. 330

De last van een falend geheugen

Mensen vinden het vaak rampzalig dat ze van alles vergeten. Maar we moeten dingen vergeten. Anders raken onze hersenen overbelast.

Wat vinden mensen het meest lastige aan hun gemankeerde geheugen?

  1. De namen van mensen
  2. Het vergeten van telefoonnummers
  3. Het vergeten van wachtwoorden en pincodes
  4. Niet meer weten wat je net gelezen hebt
  5. Vergeten wat je de afgelopen dag of week hebt gedaan
  6. Niet meer weten waar je iets hebt opgeborgen
  7. Vergeten wat je ook alweer van plan was om te gaan doen
Herkennen jullie deze top 7 van vergeetachtigheden?

Ad 1. Het vergeten van namen is een alledaags probleem. Dat heet een opdiepprobleem. De meeste mensen hebben daar last van. Het wordt met de jaren sterker. Het is lastig, maar het is zelden ernstig.

Ad 2. Het vergeten van telefoonnummers is ook al een alledaags probleem. Maar het heeft deels te maken met het feit dat we die nummers in de telefoon hebben staan en ze niet meer zelf hoeven te reproduceren. Veel telefoonnummers van een halve eeuw geleden weet ik nog steeds. Maar zelfs het telefoonnummer van Tineke weet ik niet uit mijn hoofd. We hebben het onszelf te gemakkelijk gemaakt.

Ad 3. Je maakt het jezelf een stuk gemakkelijker als je ezelsbruggetjes koppelt aan je wachtwoorden en codes. Sommige mensen zien ook het toetsenbord voor zich en weten dan het wachtwoord. Maar dat wordt lastig als je een buitenlands toetsenbord hebt. Verbale ezelsbruggetjes zijn meer universeel. Bijna al mijn wachtwoorden zijn gekoppeld aan kerkelijke muziek. Dat helpt ook. Bovendien houdt je muzikale geheugen langer stand dan je verbale geheugen. Dus misschien kan ik er nog een paar jaar mee toe…

Misverstanden over het geheugen

Er zijn mensen die zich erop beroemen een feilloos geheugen te hebben. Die mensen hebben een slecht geheugen. Ze zijn kennelijk vergeten hoe vaak ze iets niet hebben kunnen onthouden.

A. Ons geheugen is niet onfeilbaar. Alle informatie die we opslaan gaat via een filter.

  • Dat is alleen al het filter van wie we zijn. Er zit een groot verschil in hoe mensen dingen onthouden.
  • Het tweede is het filter van onze interesse.  Ik zal geen uitslagen van voetbalwedstrijden onthouden, want voetbal interesseert me geen bal.
  • Een derde filter is onze stemming. Die kleurt voor een belangrijk deel datgene wat we opslaan.

B. Ons geheugen is ook niet onbeperkt. We kunnen lang niet alles opslaan. Dat heeft te maken met onze aandacht. We kunnen niet alles in de gaten houden. Sommige informatie slaan we niet op, andere wel. En dat is maar goed ook, anders zou ons hoofd snel overbelast raken.

Van de informatie tijdens een bezoek aan de huisarts hebben we na een dag slechts 10% tot 25% onthouden. Van de informatie tijdens het Journaal weten we na een dag minder dan 10%.

Ons geheugen is dus niet zoiets als de harde schijf van de computer. Het selecteert vooraf en tijdens het proces van de opslag en nadat de informatie is opgeslagen verdwijnt er ook een zeer groot deel via de openslaande tochtdeuren van onze herinneringen.