Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.

Meten van emotionele ontwikkeling

Een stukje uit mijn vak. Misschien wat te technisch, maar ik wil het toch even een plekje geven.

Al sinds de eerste proefversie van de SEO (Schatting Emotionele Ontwikkeling, een schaal die de sociaal-emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking in kaart brengt) heb ik gewerkt met deze schaal. Ik volgde toen een intensieve cursus bij Prof. Anton Dosen, de bedenker van deze schaal. Inmiddels ben ik er zo’n twintig jaar mee aan het werk en ik vind het een bijzonder goed bruikbaar instrument.

Kritiek

Al vanaf het begin heeft de schaal echter ook veel weerstand opgeroepen. Eén van de voornaamste kritiekpunten is dat de schaal onvoldoende geformuleerd is in termen van concreet gedrag. Die critici willen veel meer meetbare items zien (zie Jan Gielen in het NTZ, december 2016)

Ik noem als voorbeeld (het item staat niet exact op deze manier in de schaal beschreven): “Raakt gemakkelijk van slag als de belangrijke opvoeder uit de buurt is”, dan wil men dat veel preciezer zien: na hoeveel minuten en hoe raakt die persoon dan van slag, wat zie je aan hem?

Of een ander denkbeeldig item: “heeft moeite om samen te spelen/ samen te werken met leeftijdgenoten”: hoe ziet die moeite er dan uit? Laat iemand de ander links liggen? Wordt speelgoed niet gedeeld? Speelt iemand steeds de baas? Kan hij niet tegen zijn verlies? Kan hij niet met anderen spelen als de moeder niet in de buurt is?

Wat men dan graag zou willen is dat je aan de hand van waarneembaar gedrag zou kunnen scoren op welke leeftijd iemand functioneert. En wat men verder zou willen weten is: is dit bijvoorbeeld vooral bij jongens het geval, heeft het te maken met de ernst van de verstandelijke beperking, hangt het samen met andere beperkingen, zoals bijvoorbeeld autisme?

Subjectief

De indruk die bestaat is dat de antwoorden op de schaal erg subjectief gekleurd worden door de invuller en door de vragensteller. Het is maar net hoe de vraag wordt gesteld en hoe de vraag wordt beleefd welk antwoord er uit rolt.

Dat kan inderdaad gebeuren. Maar dat was in de ontwerpfase veel sterker het geval dan tegenwoordig. Je kunt deze schaal ook niet zomaar afnemen. Vragenstellers moeten ook erg goed op de hoogte zijn van de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.

SEO breder ingezet

Aan de andere kant heeft onderzoek aan de Universiteit van Gent aangetoond dat de schaal wel degelijk in redelijke mate betrouwbaar en valide is. Inmiddels wordt de schaal ook in meerdere landen gebruikt en begint ook de psychiatrie gebruik te maken van de kennis die met behulp van deze schaal kan worden opgebouwd. Daarnaast zijn – met de komst van twee herziene versies – de items ook veel concreter geworden.

Geen diagnostisch instrument

Critici beweren dat de SEO eigenlijk niets meet. Maar daarmee doen ze de bedoeling van de schaal geen recht. De SEO en zijn opvolgers zijn niet bedoeld als een diagnostisch instrument.

Je kunt niet op basis van deze schaal zeggen dat een persoon sociaal op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden functioneert en dat hij emotioneel op de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden functioneert.

De grote winst van deze schaal is dat de afname van de schaal een dialoog tot stand kan brengen tussen hulpverleners, familie en andere betrokkenen over de aard en de mate van ondersteuning die iemand nodig heeft.  Er hoeft dus zeker geen exact aantal jaren en maanden uit te komen.

Dubbele boodschappen

 In de jaren ’70 dacht men dat schizofrenie werd veroorzaakt door de zogenaamde double bind. Dat wat er gezegd werd was niet in overeenstemming met de onderliggende gevoelens.

In relatie tot de oorzaak van het ontstaan van schizofrenie was daarbij vooral de positie van de moeder in het geding. Volgens deze double bind hypothese zou de moeder zéggen tegen haar kind dat ze van hem hield, maar op gevoelsniveau zou ze het kind van jongs af aan hebben afgewezen. Het gevolg was dat het kind niet op eigen benen kon staan: het ontwikkelde een gespleten persoonlijkheid.

Inmiddels weten we dat schizofrenie géén gespleten persoonlijkheid is. En ook dat een moeder niet de pedagogische oorzaak is van het ontstaan van schizofrenie.

Maar het idee van de double bind is wel overeind gebleven. Mensen die op die manier met elkaar communiceren houden elkaar in een communicatieve wurggreep.

Kenmerkend voor deze binding is dat er verwachtingen worden gesteld, waarbij impliciet tegelijkertijd ook wordt verwacht dat ze toch niet waar worden gemaakt. Je vraagt iets van de ander, maar je boodschap is ook dat de ander dat tóch niet uit kan voeren.

Pragmatische paradox

ignore-this-signIn de taalkunde kennen we de pragmatische paradox. Het plaatje laat het meest bekende voorbeeld zien. Op het moment dat je aan de opdracht voldoet zit je fout. Je moet het bord negeren, maar als je dat doet heb je het bord niet genegeerd.

Bijbel: Kretenzers

Een bekende pragmatische paradox in de Bijbel is de uitspraak van de Kretenzer (inwoner van Kreta) Epimenides dat alle Kretenzers leugenaars en vadsige buiken zijn. Als iemand die zelf op Kreta woont zegt dat al zijn eilandgenoten leugenaars zijn: kan hij dan gelijk hebben? Nee, dat kan niet, want hij liegt dan zelf ook. Anders zouden niet alle Kretenzers leugenaars zijn.  Het is dus een uitspraak die niet waar kan zijn. Hoe je het ook wendt of keert: je komt uiteindelijk nooit goed uit.

Relatie

Als je tegen je partner zegt dat je graag wilt dat hij nu eens spontaan en uit zichzelf gaat opruimen geef je zo’n dubbele boodschap af. Op het moment dat hij gaat opruimen is het namelijk niet meer uit zichzelf: je hebt de wens uitgesproken (of misschien eigenlijk zelfs: de opdracht gegeven).

De achterliggende emotie van de opdrachtgever uit dit voorbeeld is dat je er eigenlijk toch niet in gelooft dat je partner ooit uit zichzelf gaat opruimen. Doet hij het alsnog: dan is het toch niet vanzelf. Je had immers zelf de wens uitgesproken? Dus doet hij het wéér niet goed. Het ‘kanniewaarzijn’ dat hij uit zichzelf opruimt.

Communicatieve gevangene

Ann Voskamp schrijft: “Verwachtingen doden relaties.” Maar verwachtingen die zijn verpakt in een dubbele boodschap zijn nog erger; ze maken mensen tot elkaars gevangene en maken mensen machteloos.

Deze aangeleerde communicatiepatronen gaat vaak terug tot in de jeugd. Het is belangrijk om er een beeld bij te hebben welke verwachtingen je vroeger van je omgeving had.

Ik-boodschap

Je kunt uit dit soort patronen komen door te oefenen in heldere boodschappen zonder dubbele boodschap. Dus niet: Je moet de boel opruimen (uitgesproken), maar dat zul je toch wel weer niet doen (onuitgesproken, let op het ingewikkelde taalgebruik).

Maar met een ik-boodschap: “Ik zou er blij mee zijn als je de kamer opruimt”. En dan dus zonder de komma: ‘maar dat ga je toch niet doen’. Vertrouwen dat het wél gebeurt, al is dat waarschijnlijk niet direct.

VRET: angst voor de tandarts

Maandag werd op mijn werk de VRET ‘feestelijk’ in gebruik genomen.

De naam VRET betekent Virtual Reality Therapie. Deze behandelmethode is zeer effectief gebleken bij de behandeling van specifieke angststoornissen. Voorbeelden zijn: de vliegangst, pleinvrees, hoogtevrees en de angst voor spinnen. Maar deze behandeling was nog niet onderzocht bij mensen met angst voor de tandarts.

Tandarts Kumar Raghav Gujjar doet in Maleisië onderzoek naar de behandeling met de VRET van patiënten die erg bang zijn voor de tandarts en hij presenteerde maandag de eerste onderzoeksresultaten. Hopelijk heeft deze tandarts geen vliegangst, want het is een eind vliegen. Hij noemt zijn behandeling het het Dentist Anxiety Treatment System. 

Hoe het werkt? Je krijgt een 3D bril op en op het scherm zie je een behandelkamer (de foto is van een andere behandeling, University of Manchester). Vervolgens worden de stappen doorgelopen die je ook bij de tandarts zou moeten maken.

Zoals: de tandarts verschijnt met zijn grote hoofd en grote handen boven de stoel, hij pakt een spiegeltje, gaat je mond controleren, pakt een spuit om te verdoven, pakt de boor en gaat boren. Het boren kan in twee stappen worden geoefend: zonder geluid en mét geluid.

Het voordeel voor de patiënt is dat hij de behandeling kan stoppen zodra het te spannend wordt. Bovendien zit er een paniekknop op: als het allemaal te spannend wordt kun je meteen (laten) stoppen met de behandeling. Ter controle wordt ook de hartslag gemeten, zodat de observator nog eens extra kan kijken of het allemaal goed gaat. Bij mij ging de hartslag omlaag zodra de tandarts begon te boren. Misschien is geboord worden voor mij wel een rustgevende activiteit (…).

Inmiddels heeft tandarts Kumar een 50-tal patiënten op deze manier behandeld en de resultaten zijn hoopgevend. Bij tien patiënten is uitgebreid geprotocolleerd onderzoek gedaan. Alle angstige patiënten bleken na behandeling met VRET goed behandelbaar te zijn.

De meeste patiënten hadden aan één behandelsessie genoeg, een patiënt werd drie keer met VRET behandeld voordat ze goed behandelbaar was. Alle patiënten gaven ook zelf aan dat ze veel minder angstig waren voor het bezoek aan de tandarts. De stappen die bij de VRET genomen waren bleken nu zonder problemen toepasbaar tijdens de behandeling door de tandarts, inclusief het verdoven en het boren.

 

 

Oplossingsgericht werken (5, slot)

Klagers hebben ook vaak baat bij problemen. Het is hún manier om aandacht te leiden en af te leiden. Ze kunnen dus ook niet zonder problemen. Veel therapeuten benoemen dat verschijnsel als ziektewinst. Maar op die manier verleg je de hulpverlening weer naar het oordeel. Dan ben je als hulpverlener de klager die de oorzaak bij de cliënt zoekt: hij moet veranderen.

Een manier waarop je verder kunt denken om uit deze impasse te komen is opnieuw het stellen van oplossingsgerichte vragen. Je hebt een probleem, maar wat wil je voor dat probleem in de plaats? Als het probleem wordt opgelost, wat doe je dan anders? Heb je zelf een idee en kan ik je daarbij helpen?

Voorbeelden van klagers

Vraag je aan hulpverleners wat door hen als zware contacten worden ervaren, dan kom je vaak op de klagers uit. Dat zijn de mensen die het meeste opvallen. Uiteindelijk (als je na een lange reeks van jaren kijkt) denk ik dat tóch de klagers niet het meest belastend zijn. Maar daar zou ik een andere keer over moeten schrijven.

De klager geeft je het gevoel dat het nooit goed is. Je komt één keer in de maand op bezoek, maar het moet iedere week. Je komt iedere week op bezoek, en het moet iedere dag. De hulpverlener moet dag en nacht bereikbaar zijn.

Of de mevrouw die vertelt dat ze nooit kan slapen. Altijd maken de buren lawaai, tikt de klok te hard, blaft de hond en heeft haar lastige zus weer ’s avonds opgebeld. Al die mensen moeten veranderen en de dokter moet de goede medicijnen voorschrijven.

De moeder die vertelt dat haar kinderen nooit luisteren. Altijd maar weer heeft ze het over de last van het moederschap. En over al de ziekten van haar kinderen waar ze altijd maar weer voor klaar moet staan. De dokters die haar niet begrijpen. Komt er een advies, dan is het direct: ja, maar (‘dat helpt tóch niet’).

Een blik in het verleden

Soms kan het nodig zijn om dieper in de achtergrond van een persoon te duiken. Dat is strijdig met de oplossingsgerichte methodiek die ik heb beschreven. Die methode gaat er vanuit dat je blik op de toekomst gericht moet zijn. Vanuit mijn achtergrond zie ik echter belangrijke sleutels voor ‘begrip’ in het verleden liggen. Die moeder heeft ook een reden om te klagen. Die reden kan in het heden liggen, maar ook zijn wortels diep in het verleden hebben.

Een persoonlijk verhaal. Jarenlang had ik contact met een bejaarde mevrouw die mij ‘te pas en te onpas’ belde. Zelfs op feestdagen (als ik dacht rustig bij het gezin te kunnen zijn) belde ze op ‘waar ik bleef’. Totdat ik er in een gesprek achter kwam dat ze als jong kind uit huis was geplaatst na het overlijden van haar zusje. Toen kon ik opeens de ‘link’ leggen tussen het ‘nooit genoeg aandacht’ en haar geschiedenis. Dat maakte voor mij het klagen beter hanteerbaar.

De ander moet mij helpen 

Het Handboek Oplossingsgericht Werken (door John Roeden en Fredrike Bannink) omschrijft de klager als een persoon met lijdensdruk. Maar de klager ziet zichzelf niet als onderdeel van het probleem. De ander is er om het probleem op te lossen. De klager kan zijn of haar dagen vullen met verhalen wat anderen hem of haar aandoen, zonder zicht te hebben op het eigen gedrag. “Ik krijg nooit van iemand post”. Maar diezelfde klager zal de ander nooit een kaartje sturen.

De klager herken je in zijn klachten aan woorden als ‘altijd’ of ‘nooit’. Vaak is je eerste reactie: tegengas geven, ontkennen. Daar reageert de klager op met een ‘ja, maar’. De valkuil is dat je de klachten niet serieus neemt. Want als iemand eenmaal de naam van een klager heeft opgebouwd hebben we de neiging om die persoon niet serieus te nemen en hem of haar te mijden. Daarmee maak je het probleem alleen maar groter.

Het probleem (h) erkennen

Je antwoord begint dus met de erkenning van het probleem. En dat moet je ook nog eens serieus menen! “Ik begrijp dat u het jammer vindt dat er zo weinig psalmen worden gezongen” (daar zit al een relativering, een bijsturing in, want je gaat niet mee in het ‘nooit’ van de klager).

Dat klagers lang niet altijd gelijk hebben blijkt uit de uitspraken over het OV (‘de trein is altijd te laat’, in werkelijkheid rijdt meer dan 90% op tijd) en over het weer (‘het regent altijd’, in werkelijkheid heb je op 90% van de dagen geen paraplu nodig).

Veel klagers vertellen verhalen als ‘dat kan ik toch niet’, ‘dat durf ik toch niet’, ‘ze luistert toch niet naar me’ (toch is ook een sleutelwoord!). Je moet er dan achter komen of de klager niet alsnog een héél kleine uitzondering ziet.

Bij sommige mensen regent het altijd, maar soms regent het iets minder hard.

Daar moet je op doorvragen. Dat moet je heel concreet en in kleine stappen doen. We maken de stappen vaak veel te groot, veel te abstract en in de toekomst gericht ( ‘loop er maar gewoon naar toe, het lukt je wel’).

Bij de klager begin je niet met oefenen (dan haken ze al direct af). Je laat ze eerst observeren of ze niet ooit uitzonderingen hebben meegemaakt. “Loopt de baas echt alleen maar te mopperen op jou? Wat zei hij vanmorgen tegen jou?”

Vragen die je kunt stellen aan klagers

Dit zijn een paar voorbeelden van vragen aan klagers:

 * “Ik kan de wereld niet veranderen. Hoe kan ik je wel helpen?”

* “Wat heb je wel eens geprobeerd? Wat ging er beter? Wat ging er minder goed?”

* “Het is een groot probleem voor je. Wanneer is het probleem ietsje minder?”

* “Je hebt verteld wat je niet wilt. Kun je bedenken wat je wél wilt?”

* “Wanneer had je voor het laatst een goede dag? Welke dagen gaan beter dan andere dagen?”

“Zit je ’s morgens minder goed in je vel of ’s middags?”

* “Wat kunnen anderen doen zodat het beter met jou gaat?”

En nu maar stevig oppassen dat we de wereld niet gaan opdelen in ‘bezoekers’ en ‘klagers’. Want dat zijn we allemaal wel eens! Het gaat uiteindelijk toch steeds weer om unieke mensen!

Verzet: overal tegen

Onlangs vroeg iemand hoe het komt dat er mensen zijn dat overal tegen lijken te zijn.

Welnu: die mensen bestaan al heel lang. Niet voor niets hadden Koot en Bie de Tegenpartij. Hadden ze meegedaan aan de verkiezingen, dan hadden vast ook nog een paar zetels kunnen halen.

Vorige week was ik betrokken bij de behandeling van een jongen van tien jaar die echt overal ‘tegen’ was. “Mooie fiets heb je!” “Stom!” “Kom je even zitten?” “Nee, idioot!” “Wat heb je gedaan op school?” “Allemaal gek!” Verbaal bleef hij steken in deze strijd, maar ook fysiek. Zo liet hij een maximaal aantal boeren en winden.

Vrij of onvrij? 

Ik dacht bij deze jongen: het lijkt of hij vrij is, maar het paradoxale is dat hij onvrij is. Hij kan zich namelijk niet niet verzetten. Hij zit dus gevangen in zijn verzet.

Hoe het komt dat mensen overal tegen zijn weet ik natuurlijk ook niet. Maar o.a. Professor R.E. Abraham heeft er wel iets over geschreven. Hij plaatst dat verzet in het streven naar bevrijding. De persoon wil niet meer afhankelijk zijn, maar hij slaagt er niet in om ‘gedoseerd afhankelijk’ te zijn.

Professor Abraham signaleert dat dit gedrag nogal eens voorkomt bij ‘geharnaste’ bestrijders van onrecht. Ze zijn zó gefixeerd op die strijd dat de nuance ontbreekt. Het leidt tot zwart-wit denken, waarbij de één per definitie goed is en de ander fout. Je ziet dit o.a. veel op Twitter. 

De ander heeft het gedaan

Een voorbeeld zijn de mensen die alle kritiek op anders gekleurde mensen als racisme zien. Zo was er (zie voorbeeld in een blog van een paar dagen geleden) een mevrouw die vond dat de opmerking van een gemeente-ambtenaar dat de omgeving van een bepaalde flat wel erg vervuild was ‘racistisch’ was. De gemeente maakte in deze wijk de straat niet schoon en in de blanke wijken wel. Maar het was door de gemeente aangetoond dat de bewoners van de flat gewoon de troep over het balkon gooiden en daar had die ambtenaar het over.

Wie op deze manier denkt staat dus ook niet open voor bijsturing. Het gedrag van de ene partij wordt gebagatelliseerd, het andere wordt uitvergroot. En zodra er iets mis gaat met de één wordt er ander er bij gehaald als nog véél slechter. “Ja, die rellen, daar heeft de politie het zelf naar gemaakt. Moet je eens kijken wat de ander deed!”

Een signaal voor dit ‘Verzet’ is het standaard-denken in onder-en bovenposities. Daarbij wordt de één standaard de underdog gezien en/of de ander als de onderdrukker.

Controle over anderen

Bij mensen bij wie dit gedrag karakteristiek is zie je – volgens Abraham – een sterke behoefte aan controle over de ander. De eerste reactie op kritiek is niet naar jezelf kijken, maar in de aanval gaan tegen de ander.

Het idee over de ander is dat deze er altijd (ook al een woord dat past bij dit beeld) op uit is om te manipuleren.

Maar in werkelijkheid zie je een oud Nederlands gezegde: zoals de waard is zo vertrouwt hij zijn gasten. Het beeld dat je hebt over de ander zegt vooral veel over wie je zelf bent…

Oplossingsgericht werken (4)

Naar aanleiding van: John Roeden en Fredrike Bannink, Oplossingsgericht werken (met licht verstandelijk beperkte cliënten); Harcourt, 2008, € 27,50.

Er is ook een nieuwer boek dat gaat over oplossingsgericht werken met ouderen. 

Volgens mij biedt het Oplossingsgericht werken goede ingangen omdat de cliënt niet uitgeschakeld wordt maar juist wordt uitgedaagd om mee te doen. Veel cliënten met een lichte verstandelijke beperking zijn gewend dat de ander hen maar moet motiveren. Dat schiet dus vaak niet op.

Eén van de beperkingen ligt mijns inziens bij cliënten met een verslaving, omdat de invloed van de verslaving vaak sterker is dan de eigen motieven.

De methode zou wel een basis kunnen leggen onder de motivatie, maar de werkelijke stappen vragen om meer dan alleen oplossingsgericht werken.

En dan nu de klager. Die heeft wél een probleem. Maar hij vindt dat de ánder het probleem op moet lossen.

In de thuissituatie is de bezoeker de puber die het helemaal niet nodig vindt om zijn kamer op te ruimen. Ambulant begeleiders kennen tientallen voorbeelden (en ook dilemma’s) rond deze bezoekers. Je weet bijvoorbeeld dat een levensstijl funest is, maar de cliënt vindt dat hij gewoon zo door kan gaan…

De klager is de puber die óók vindt dat zijn kamer een puinhoop is, maar zijn moeder moet het opruimen.

Iedereen kent in zijn omgeving mensen die altijd lopen te klagen over wat er niet goed is en wat anderen hen hebben aangedaan. De schoonmoeder is in veel sketches het voorbeeld van zo’n klager.

De klager geeft dus wél aan dat er een probleem is. Je denkt zelfs wel eens: had hij of zij het maar minder over dat probleem! Bij een klaagtypische relatie is ook sprake van lijdensdruk. De cliënt heeft dan ook een hulpvraag. Het probleem moet opgelost worden!

Het probleem bij de klager is dat hij of zij zichzelf niet ziet als een onderdeel van het probleem. Hij hoeft zélf niet te veranderen. De ánder moet veranderen. Of: de ander moet zich meer inzetten zodat het probleem verholpen wordt. Er is geen (zichtbare) motivatie tot verandering van het eigen gedrag aanwezig.

In de opvoeding is dit dus de puber die (ook) vindt dat zijn kamer een puinhoop is. Maar hij vindt dat zijn moeder er voor is om zijn kamer op te ruimen….

In de straat rond een flatgebouw in Amsterdam ligt veel troep. Bewoners zijn gewend om allerlei spullen naar beneden te gooien. Jongeren gooien gewoon lege blikjes op straat. Iedereen vindt het op straat een bende. Maar zij zijn er niet voor om het op te ruimen. Dat is de taak van de gemeente. 

Ja, maar

Een klager is dus iemand die vindt dat er een probleem is, maar dat dat probleem door de ander moet worden opgelost.

Een bekend verschijnsel bij de klager is het ‘ja maar’. Ieder advies dat de ander geeft leidt tot bezwaren. Je kunt adviseren tot je een ons weegt, het helpt allemaal niets. De klager wil het probleem namelijk niet bij zichzelf neerleggen. Dus moet de klager passief blijven. Zo lang dat maar gebeurt ligt de oplossing niet bij de klager, maar degene van wie de hulp verwacht wordt.

Een ‘ja maar’ richt de aandacht op wat er niet is. De oplossing komt niet in beeld, de aandacht wordt weer teruggeleid naar het probleem.

Ja, én…

De grote valkuil voor de hulpverlener is dat hij het ‘ja maar’ ook weer gaat beantwoorden met zíjn ‘ja,maar’. De cliënt zegt dat hij zich eenzaam voelt. De hulpverlener zegt: ‘en als je nu eens naar je werk zou gaan’. De cliënt zegt: ‘ja, maar dan kom ik Arie weer tegen’. De hulpverlener: “Ja, maar als je zó blijft doen blijf je je natuurlijk eenzaam voelen”.

Een ‘ja, maar’ gesprek is nooit effectief. Het leidt tot een discussie waarin iedereen zijn gelijk wil halen. Een veel spannender ándere ingang is: ‘ja, en….’

 * Cliënt: “Dan kom ik Arie weer tegen”

* Hulpverlener: “Ja, en wie kom je nog méér tegen?

Klagers erkennen dat er een probleem is. Ze zien echter niet dat ze onderdeel zijn van het probleem. De oorzaak ligt bij de ander die niet hard genoeg werkt aan de oplossing. De ander moet zó veranderen of moet zich op zó’n wijze inzetten dat het probleem er niet meer is.

Niet bagatelliseren

De omgeving heeft vaak de neiging om het probleem te bagatelliseren. “Zo erg is het nou toch óók weer niet?” Dat is bij de klager een misstap. Hij reageert met zijn bekende ‘ja maar’. Hij zal het probleem nóg groter maken omdat hij zich niet begrepen voelt.

Als familie, hulpverlener of in het pastoraat begint het contact met het erkennen van het probleem. “Ik kan me voorstellen dat je dat vervelend vindt”.

Nooit of altijd

Een klager heeft het over ‘nooit’ of ‘altijd’. De kinderen zijn altijd dwars, mijn man luistert nooit en de trein is altijd te laat. Erken dus dat het lastig is. Maar er zijn altijd uitzonderingen.

Daarom is de tweede vraag die naar de uitzonderingen. Wanneer is het probleem er minder? Wanneer heb je er minder last van?

Heb je wel eens een dag waarop je denkt ‘dat was tóch leuk met de kinderen’. ‘Heb je wel eens een moment dat je toch een goed gesprek had met je man?’ ‘Ben je wel eens op tijd gekomen met de trein?’