De geschiedenis van de slaap

Waarschijnlijk hebben mensen en dieren vanaf de Schepping altijd al geslapen. Het is alleen niet vanaf de Schepping geregistreerd. Pas later begonnen mensen het over de slaap te hebben. En nóg later werd het opgeschreven.

Ooit schreef ik een serie over de wijze waarop mensen naar het temperament hebben gekeken. Dat begon al bij de oude Grieken. Bij het denken over de slaap zie je ook een bepaalde ontwikkeling, die is gerelateerd aan de wijze waarop de wetenschap zich ontwikkelde.

Aristoteles vroeg zich af tot welk deel van de mens de slaap zou behoren. Is dat een kwestie van de ziel óf van het lichaam. In dat onderscheid zie je de klassieke tweedeling van de Grieken: het was óf ziel, óf lichaam. Deze tweedeling heeft hele westerse denken diepgaand beïnvloed.

En als het maar een deel van het lichaam of van de ziel zou zijn, tot welk deel zou slaap dan behoren? Ja, dat zou ik óók niet weten.

Niet de ziel of het lichaam, maar de maag was de zetel van de slaap. Dat idee ontstond in de 15e eeuw. De warme dampen uit de spijsvertering bevorderden de slaap. En de verschillende soorten voeding zouden ook nog eens de slaap op een verschillende manier beïnvloeden.

Ziehier de middagdip die veel congresgangers hebben na een overdadige lunch. 

René Descartes kwam in de 17e eeuw op het idee dat de slaap vanuit de hersenen zou worden opgewekt. Er zouden bepaalde geesten door de hersenen stromen die tot slaap, danwel tot waakzaamheid leidden.

In de 18e eeuw dacht men dat zich overdag een soort slaapsubstantie ophoopt in het lichaam. Deze substantie zou ’s nachts oplossen. Ook bestond het idee dat de zenuwcellen ’s nachts niet zouden werken, daardoor zou het lichaam in een soort van verlamde toestand verkeren.

Pas in de afgelopen twee eeuwen raakte de hypothese steeds meer ingeburgerd dat de slaap wordt aangestuurd vanuit de hersenen. Zo ontdekte men dat het missen van bepaalde hersendelen bij dieren kon leiden tot een chronische slaap danwel tot het niet kunnen slapen.

Dit werd later bevestigd door de Roemeense psychiater Constantin van Economo die ontdekte dat de Spaanse griep (met als gevolg bij een deel van de patiënten: hersenvliesontsteking) kon leiden tot een chronische vorm van slapeloosheid. Hij veronderstelde dat er kennelijk vanuit de hersenen een signaal wordt gegeven waardoor mensen in slaap kunnen vallen.

Pas door de uitvinding van het Electro-Encefalogram (EEG) kwam het onderzoek naar de slaap in een echte stroomversnelling terecht. Inmiddels staan er meer dan 100.000 artikelen over de slaap op PubMed. Als je daar aan begint val je al snel in slaap. 

Dwang en winderigheid (1)

Nu we een nieuw toilet hebben moet ik het maar weer eens over de toiletgang hebben. Want daar is volgens Sigmund Freud iets mee. 

Een mens produceert gemiddeld een 0,5 tot 1,5 liter darmgas. Dat heb ik niet zelf berekend, ik las het in een boek. Dat gas moet er ook weer uit, anders zouden we ontploffen. ‘Flatulare necesse est’. Eén van die manieren is het ‘op anale wijze laten ontsnappen van lucht’ zoals ik dat las in een wetenschappelijke studie. Gemiddeld laten mensen zo’n 25 winden per dag, gelukkig voor een aanzienlijk deel reukloos. In ieder geval voor jezelf.

De heer Jansen is een gepensioneerd boekhouder. Zijn kracht lag in de zorgvuldigheid waarmee hij zijn werk verrichtte. Ook na zijn pensioen ziet hij er altijd keurig verzorgd uit. Het huis is ook pico bello op orde, behalve dan de stapels kranten. Hij weet nooit wanneer hij ze weg kan doen, want er kan altijd nog een artikel in staan dat van pas kan komen.

Na zijn pensioen heeft de heer Jansen van zijn winderigheid een vak gemaakt. Waar andere mensen nauwelijks iets merken van het op anale wijze laten ontsnappen van lucht heeft de heer Jansen het verschijnsel tot buitenproportionele omvang opgeblazen. Hij heeft elke kramp, elke ontlasting en zelfs elke wind in grafieken en zelfs in kleur in kaart gebracht.

De perfectionistische, dwangmatige benadering van zijn werk, zijn huishouden, maar ook van zijn lichamelijke klachten zou bij Sigmund Freud passen binnen de kaders van het anale karakter. Alles moet zó precies in kaart worden gebracht dat het het eigen leven van de heer Jansen, maar ook het gezonde leven van zijn omgeving dreigt te verstoren. Daarbij valt het analytische en detailgerichte aspect op: de aandacht voor het detail is zó nadrukkelijk aanwezig dat het grote geheel zoek raakt.

Dat is kenmerkend voor de heer Jansen. Zijn perfectionisme is dermate groot dat niets aan zijn aandacht ontsnapt. Alles wordt tot in detail in kaart gebracht. Tot op de cent nauwkeurig registreert hij de uitgaven in het huishouden. Maar er moet dus ook niet iets toevallig gebeuren. Dan is hij de controle kwijt. Naarmate hij ouder wordt gaat hem dat minder lukken. Het gevolg is dat hij nóg meer geobsedeerd raakt door feiten, getallen en registraties.

Persoonlijkheidskenmerken kunnen verbleken naarmate mensen ouder worden, ze kunnen zich ook scherper af gaan tekenen. Dat laatste is bij meneer Jansen het geval. 

Telefoonverslaving (slot)

Het valt me op dat sommige mensen zo ongeduldig worden als je niet meteen reageert op een appje. Bij mij is de oorzaak dat ik mijn telefoon regelmatig niet in de buurt heb liggen. Bovendien hoor ik niet dat er appjes binnen komen. Dat vind ik wel zo rustig. 

Waarom zou iemand altijd meteen bereikbaar moeten zijn? Ik ben toch geen dokter die dienst heeft?

Kennelijk is de verwachting van mensen (sinds de komst van de mobiele telefoon) dat iedereen altijd de telefoon bij zich heeft en ook direct reageert. Ik heb hem wel bij de hand als ik weet dat er op mijn werk een dringende vraag speelt. Maar verder: als ik mijn telefoon tegen kom kijk ik er op. Ik hoef niet alles meteen te weten.

Inmiddels is de PSUS ontwikkeld. Dat is de Problematic Smartphone Use Scale. Ja, tegenwoordig willen we alles meten, want daarmee denken we ook alles te weten. Dat is op zichzelf ook al weer een problematisch verschijnsel. Uit de eerste versie van die schaal bleek dat gebruikers van de smartphone geen enkel idee blijken te hebben hoeveel tijd ze besteden aan hun smartphone. Ze onderschatten bijna standaard hun smartphone-gebruik.

Het gemiddelde smartphone-gebruik van alle (640) smartphone-gebruikers uit dit onderzoek was 90 minuten per etmaal. Hoe jonger de deelnemers waren, des te vaker zaten ze op hun mobieltje. Dat begrijp ik wel: ouderen moeten eerst hun leesbril zoeken.

Het hangt er natuurlijk wel vanaf wat er allemaal op je smartphone aan functies zit. Het meest gebruikt was bij de onderzoeksgroep Facebook, bijna de helft van de deelnemers gebruikte deze functie op de telefoon. Ik heb begrepen dat dat gebruik eindeloos is. Twitter en WhatsApp staan op de tweede plaats: 35% .

Een stelling die de onderzoekers meegeven is dat als mensen minder goed in hun al dan niet gebruinde vel zitten, dat ze dan ook vaker ‘op hun telefoon gaan zitten’.

Dat is overigens een kenmerk van alle verslavingen: naarmate het slechter gaat neemt het verslavingsgedrag toe. Het geldt ook voor dwangmatig gedrag. De dwang neemt toe naarmate mensen slechter functioneren. Er is ook een duidelijk verband tussen de neiging tot dwang en het ontwikkelen van een depressie.

Tegelijkertijd moet je je altijd weer afvragen: wat was er eerder, de kip of het ei? Word je bijvoorbeeld depressiever van meer smartphone-gebruik? Of was je depressief en ga je daardoor de smartphone vaker gebruiken. Ik denk dat het én-én is: ze versterken elkaar.

Opmerkelijk is ook weer in deze studie het verband tussen narcisme en frequent smartphone-gebruik. Narcistische mensen willen graag van alles over zichzelf delen. Ze zijn bijzonder en iedereen moet weten dat ze bijzonder zijn. En elke keer een nóg mooiere weggerimpelde selfie.

Nu stop ik er weer mee, anders wordt deze serie verslavend. Mogelijk is de komst van de smartphone één van de grootste veranderingen in de samenleving (ook in de derde wereld).

Het gebruik van de smartphone is handig, maar kent ook veel problematische kanten. Maar als het goed is ben je oud en wijs genoeg om je eigen gedrag wat bij te kunnen sturen. 

Telefoonverslaving (3)

Koreaans onderzoek ziet een verband tussen het ervaren van stress en het risico op het afhankelijk worden van de smartphone. Hoe meer stress je ervaart, des te afhankelijker word je van je telefoon. 

Wat zijn voorspellers van problematisch smartphone-gebruik? De eerste risico-factor is een open deur: de tijd die je aan de smartphone besteedt.

Daarnaast blijken voorspellers te zijn:

  • het minder open zijn naar anderen toe, het zich afsluiten van rechtstreeks sociaal contact
  • emotionele instabiliteit
  • minder geordend, minder verantwoordelijk in denken en handelen, minder gewetensvol zijn

Drie voorbeelden

Kinderen spelen op een grasveld in een park en de vader of de moeder zitten vrijwel onafgebroken ‘op hun telefoon’. Dat is een voorbeeld van het zich afsluiten, maar ook van het minder nauwgezet zijn in het denken en handelen. Als ouder van (zeker) jonge kinderen in een buitenspeelsituatie moet je een voortdurend lijntje houden met je kinderen.

Een tweede voorbeeld: de patiënt zit bij de tandarts in de stoel, de telefoon gaar en de patiënt zegt: ‘Ik moet even opnemen, want dat is mijn vriend.’ En ze neemt gewoon de telefoon op. Vroeger zou ik gedacht hebben: dat gebeurt toch niet? Inmiddels heb ik dit meerdere malen (als observator bij tandartsbehandelingen) zien gebeuren.

Een derde voorbeeld: een student zit op de – onverlichte – fiets te appen. Hij rijdt in mijn richting. Om hem te waarschuwen geef ik een gil. Hij schrikt, valt van zijn fiets, staat op en fietst al append weer verder. Dan denk je: hoe maf kun je zijn? Leer je er dan niets van. Nu was het een fiets, de volgende keer is het een auto.

Naast de bovengenoemde kenmerken blijken vooral jongere mensen die geïnteresseerd zijn in technologie ook vatbaarder te zijn voor smarthone-verslaving.

An investigation into problematic smartphone use. Door: Zaheer Hussain, Mark D. Griffiths en David Scheffield, Nottingham Trent University, 2017

Telefoonverslaving (1)

Bestaat er een verband tussen afhankelijkheid van je smartphone en narcisme, angst of persoonlijkheidsfactoren? Daar wilden drie psychologen van de Universiteit van Derby (VK) wel eens meer van weten. Ze belden 640 mensen op en gingen met hun verhaal aan de haal. 

Die 640 mensen (van 13 tot 69 jaar oud) kregen een aantal vragenlijsten voorgelegd. Dat blijft natuurlijk altijd subjectief, maar je moet toch wat. Ook werd (en dat klopt dan wel) hoeveel tijd deze mensen aan hun smartphone besteedden. Waarschijnlijk meer dan aan hun partner als ik de uitkomsten zie.

Een paar cijfers uit eerder onderzoek (onder 2100 Amerikaanse jongeren):

  • 60% van de ondervraagden werd onrustig als ze een uur lang hun smartphone niet konden raadplegen
  • 54% checkte de smartphone als ze in bed lagen
  • 39% keek tussendoor op de smartphone terwijl ze in de badkamer bezig waren
  • 30% checkte de telefoon tijdens de maaltijd in aanwezigheid van anderen.

Het meest verontrustende vind ik overigens de hoeveelheid tijd die ouders aan hun telefoon besteden als ze met de kinderen bezig zijn. Ik zie dat in de trein en in de speeltuin: kinderen gaan vooral hun eigen gang en ouders kijken vooral op hun smartphone. Voorlezen, iets laten zien (buiten), samen spelen is er weinig meer bij. Gelukkig zijn er natuurlijk ook goede uitzonderingen.

De ontwikkeling in de samenleving past in de lijn van de vorige blogs over de veronderstelling van het groeiend narcisme in de samenleving: mensen gaan steeds meer hun eigen gang. Kinderen die een groot deel van de dag op de ipad zitten en ouders die voortdurend hun smartphone checken.  

Check habit

Het checken van de telefoon wordt wel ‘check habit’ genoemd. Regelmatig botst er iemand bijna tegen mij aan die bij het uitstappen van de trein of op de fiets nog even moet kijken wat er voor berichtje binnen komt.

Persoonlijkheidsfactoren

Heeft die afhankelijkheid van de telefoon ook met persoonlijkheidsfactoren te maken? Het blijkt dat de hoge frequentie aan ‘check habit’ o.a. te maken heeft met leeftijd (jongeren onder de 20 jaar doen dat het vaakst) en dat mensen met een laag gevoel van eigenwaarde ook veel vaker hun telefoon checken.

Extraverte mensen checken de telefoon o.a. om goed op de hoogte te blijven van gebeurtenissen in hun sociale omgeving. Introverte mensen gebruiken de telefoon meer om rond hun eigen leven informatie te verstrekken.

Gevoeligheid voor telefoonverslaving

Welke mensen zijn gevoelig voor een telefoonverslaving? Er wordt o.a. een verband gezien met neuroticisme; neurotische mensen willen alles onder controle houden. Je mag dus ook niets missen. Mensen die de neiging hebben om dwangmatig te zijn (obsessief-compulsieve stoornis) zijn ook gevoeliger voor obsessief gebruik van de telefoon.

Deze trekken staan ook in verband met depressies (dwang en depressie gaan vaak samen). Geen wonder dus dat er ook een verband wordt gezien met depressieve kenmerken. En tenslotte blijken mensen met ADHD gevoeliger voor telefoonverslaving. Eerst kon ik dat verband niet direct begrijpen, maar het is toch wel logisch: met de telefoon in de buurt word je meteen afgeleid.

Uit: An investigation into problematic smartphone use. The role of narcissism, anxiety and personal factors. Door Zaheer Hussain, Mark D. Griffiths en David Sheffield, University of Derby, najaar 2017. 

Narcisme en opvoeding (1)

Kan een narcistische ouder wel goed opvoeden? Ze vinden zelf meestal van wel. Maar hoe pakt dat in de praktijk uit? 

De Amerikaanse pedagoge Diana Baumrind (vertaald: de godin van de jacht die als koe in een boom is geklommen) maakte al meer dan een halve eeuw geleden het onderscheid tussen:

  • de toegeeflijke opvoedingsstijl (‘permissive’) : er worden weinig eisen gesteld aan het kind, er zijn weinig grenzen, het kind krijgt vaak zijn zin.
  • de autoritaire opvoedigsstijl: de ouder is de baas en legt de regels eenzijdig op, er is sprake van (soms) belonen, maar vooral vaak van sancties, van straffen
  • de autoritatieve opvoeding: een opvoedingsstijl die zowel betrokken, begripvol en accepterend als controlerend, veeleisend en gezaghebbend is tegenover het kind.

Uit alle onderzoeken komt naar voren dat de autoritatieve opvoedingsstijl tot de minste gedragsproblemen leidt bij het kind en ook tot het hoogste gevoel van eigenwaarde: ‘te mogen zijn die ik ben’. Met als kanttekening: een kind is geen appeltaart (Professor Wim ter Horst). Het is niet: ‘ik stop deze stijl er in en dan komt er zo’n kind uit’.

Wat kun je verwachten bij narcistische ouders? Mensen met narcisme zijn egocentrisch, ze hebben ‘grandioze’ gevoelens over zichzelf en ze vertonen weinig empathie.

Tijdens de zitting verscheen de eigenaar van een Amsterdamse buurtwinkel die was overvallen en die sindsdien in een rolstoel zat. De overvaller: "Dan had hij maar niet zo'n winkel moeten runnen. Dan vraag je er om."

De consequentie van de kenmerken van mensen met narcisme is dat ze wel uit kunnen blinken in oppervlakkige contacten (‘keeping up appearances’), maar dat ze zwak zijn in het onderhouden van dieperliggende contacten. Een huwelijk, het opvoeden van kinderen: dat zijn relaties die het moeten hebben van dieperliggende contacten.

  • Je kunt verwachten dat narcistische ouders vaker autoritair zijn in de opvoeding (strenge regels, straffen). Verzet tegen de ouders roept een narcistische krenking op. En dus ook buitenproportionele straffen (zie de documentaires over Ruinerwold).
  • Er zullen ook narcistische ouders zijn die zó met zichzelf bezig zijn dat ze er een ‘laat maar waaien-opvoeding’ op na houden (pedagogische verwaarlozing). Misschien krijgt het kind wel veel luxe kado’s, maar het krijgt weinig aandacht en begrenzing. ‘Als ik er maar geen last van heb.’
  • Je kunt verwachten dat narcistische ouders weinig autoritatief zullen zijn. Bij zo’n opvoedingsstijl hoort een grote mate van empathie. Een kenmerk van narcisme is: weinig empathische vermogens.

Allerlei observatie-onderzoeken laten zien dat narcistische ouders veel minder responsief zijn. Ze pikken de signalen van de kinderen minder op en spelen niet goed in op de behoeften van het kind. Je zou kunnen zeggen: ze hebben er geen antenne voor, ze zien het niet. En ze stellen zichzelf op de eerste plaats.

"Alles is voor niets geweest" zei de vader van een 14-jarige dochter. Hij had ten doel gesteld dat ze topzwemster zou worden. Maar opeens wilde de dochter niet meer. "Mijn hele leven is naar vernieling, elke ochtend om zeven uur naar het zwembad, alles voor niets." 

Het kinderlijke geheugen (4)

Pas op met de uitspraak dat mensen hun vroege herinneringen verzonnen hebben, zegt 'geheugenprofessor' Douwe Draaisma. Verzinnen is een bewust proces en er hangt een zwaam van fraude aan. 

Draaisma noemt twee herinneringen van 70-plussers die veel in de jeugdherinneringen terug komen.

  • De eerste is dat je voet tussen de spaken is gekomen terwijl je bij je vader of je moeder achterop de fiets zat.
  • De tweede is dat de amandelen (onverdoofd) werden geknipt.

Dat zijn bijna universele herinneringen van een hele generatie 70-plussers geworden. Net zoals de schooltandarts, trouwens.

Gelukkig heb ik die herinneringen niet. Ik ben ze niet vergeten: ze zijn gewoon niet gebeurd. Tot (bijna) mijn zevende jaar zat ik niet bij mijn ouders achterop de fiets. Er was geen fiets aanwezig. Mijn amandelen werden pas geknipt toen ik 25 jaar was. Toen vond met het beter dat je onder narcose ging en liefst nog een week in het ziekenhuis verbleef. Dat is dus geen jeugdherinnering.  

Kindertijdvergetelheid

Ik kwam een mooi woord tegen: de kindertijdvergetelheid. Je mag het ook in het engels zeggen: childhood amnesia. Dat is een voldongen feit: we vergeten wat er in onze vroege jeugd is gebeurd. Maar dat wil niet zeggen dat kinderen van beneden de twee jaar niets kunnen onthouden.

Dat hoor ik nu bij onze kleindochters (zes en drie jaar), die bijvoorbeeld tijdens een tramrit allerlei herinneringen aan een eerdere tramrit van een jaar geleden ophalen. Maar de veronderstelling is dat ze die herinneringen later (als ze een jaar of acht zijn) niet meer zullen hebben.

Dat is wel een beetje jammer. Voor niets zijn we een aantal keren naar de dierentuin geweest. Ze zullen opa en oma daar niet meer dankbaar voor zijn. Alles vergeten, ze zijn nooit met opa en oma naar de dierentuin geweest…

Alles voor niets geweest. Ze zijn nooit met opa en oma naar de dierentuin geweest…

Zou het zo werken? Volgens mij niet. De herinneringen worden opgeslagen in een ander laatje, een ander geheugenspoor. Ze gaan zich bijvoorbeeld de bezoeken aan de dierentuin herinneren aan de hand van de foto’s die ze zien of de verhalen die hen verteld worden.

Je kunt later ook verhalen toevoegen. Dat zijn trieste zaken die bijvoorbeeld bij een vechtscheiding een rol kunnen gaan spelen. De moeder vertelt allerlei negatieve verhalen over de vader of omgekeerd, en het kind slaat die verhalen vervolgens in het autobiografisch geheugen op. Het denkt dat het écht gebeurd is.

Verklaringen voor het vergeten

Hoe komt het dat kinderen pas vanaf ruim twee jaar herinneringen in het geheugen opslaan? Daarover zijn onderzoekers het niet eens. Je moet toch wat te kibbelen over houden.

  • Ontwikkelingspsychologen menen dat je pas iets in je autobiografisch geheugen op kunt staan als je een eigen ‘ik’ begint te ontwikkelen.
  • Taalkundigen menen dat dat geheugen zich pas begint te ontwikkelingen als je woorden hebt om iets te onthouden.
  • Neurologen menen dat het te maken heeft met de ontwikkeling van de bedrading in de hersenen.
Van een neuro-psycholoog heb ik wel eens begrepen dat het denken van kinderen een sterke verandering mee maakt rond het zesde jaar. Dan zou er een soort van geleidelijke reset in de hersenen plaatsvinden. Dat wat kinderen van vroeger hebben onthouden wordt als het ware overschreven door de nieuwe informatie die ze mee maken. 

Het kinderlijk geheugen (3)

Ongeveer 10% van de mensen zegt herinneringen te hebben aan de leeftijd van vóór twee jaar. Maar volgens vrijwel alle onderzoeken heeft niemand herinneringen aan de leeftijd van beneden de leeftijd van ongeveer twee jaar en vier maanden. 

Dat heeft men o.a. onderzocht door ‘feiten’ die die mensen vertellen te checken. Kan het waar zijn geweest dat iemand een bepaalde gebeurtenis heeft meegemaakt. En datgene wat die persoon beschrijft, klopt dat dan met de feiten die anderen beschrijven? (bijvoorbeeld de ouders of andere kinderen, of bijvoorbeeld foto’s en films).

Mevrouw de Jong raakt er nóg ontroerd van. Ze heeft als vroegste herinnering de intocht van de Canadezen in haar woonplaats in 1945. Ze heeft dus de oorlog bewust mee gemaakt. Haar broer zegt: 'Daar is ze niet bij geweest. Mijn vader wilde die drukte niet voor zijn dochter. Ze was nog maar nét één jaar oud. Kijk maar naar deze foto uit de krant. Daar sta ik aan de hand van mijn vader naar de Canadezen te kijken. Mijn moeder en mijn zusje zijn er niet bij'. 

Wat mevrouw de Jong zich lijkt te herinneren is de foto. En ze heeft haar broertje in haar geheugen vervangen door zichzelf.

H.L.Williams, M.A. Conway en G.G. Cohen hebben veel geschreven over het zogenaamde autobiografische geheugen. Dat is één van de 256 soorten van geheugen die onder mijn schedeldak dienst doet. Sommige onderdelen schijnen inmiddels behoorlijk versleten te zijn. 

In het autobiografische geheugen sla je de informatie op van dingen die je zelf hebt meegemaakt. Zoals wel duidelijk zal zijn: dit geheugen is belangrijk, maar ook feilbaar. Zoals eerder al werd geschreven voeg je in de loop van de tijd allerlei nieuwe informatie toe. Maar dat is wat anders dan ‘liegen’. We hebben het dan ook niet over valse herinneringen (dat is een juridische term), maar over fictieve herinneringen.

Inmiddels menen we dat er twee fasen zijn waarin kinderen dingen vergeten. In de eerste twee jaar is er de vergetelheid. De feiten raken echt zoek in je geheugen. Sterker nog: je weet niet meer dat ze geweest zijn. Wat je weet komt van verhalen, uit foto’s, uit films.

Als peuter heb ik een keer een paar slokken uit de inktpot van mijn vader tot mij genomen (dat is de reden waarom schrijven een hobby is geworden). Kan ik mij dat herinneren? Nee, beslist niet. Dat heeft mijn moeder mij bij herhaling verteld. En later heb ik daar een plaatje bij bedacht hoe dat er uit zal hebben gezien. Met daar aan toegevoegd dat er weinig kinderen in Nederland blauw hebben geplast. Ben ik toch nog een beetje uniek.

De tweede fase is die van de vergeetachtigheid. Dat zijn de herinneringen van kinderen aan de leeftijd van drie, vier, vijf en zes jaar. Dat zijn vaak vage inpressies, flarden aan herinneringen, kleine momenten die soms wel bijna fotografisch in het geheugen worden vastgelegd.

Ik ben één van de weinige peuters in Nederland die blauw heeft geplast

De Britse psychologen Madeline Eacott en Ros Crawley (NRC, 23 juli 2021) ondervroegen zeventig proefpersonen over de omstandigheden tijdens de geboorte van een jonger broertje of zusje. Het waren vragen als: wie vertelde je dat je moeder een kind ging krijgen, wie ging met haar mee toen ze weg ging, heb je haar en het nieuwe broertje of zusje nog bezocht in het ziekenhuis, enzovoorts.

Het geniale van dat onderzoek was dat ter controle niet alleen de moeder naar dezelfde feiten werd gevraagd, maar óók het jongere broertje of zusje. Wat dat jongere broertje of zusje zelf kon vertellen, kon alleen maar afkomstig zijn van verhalen die thuis rondgingen, en die had het oudere kind allicht ook gehoord. Die details konden dus niet als ‘onmiskenbaar authentiek’ gelden.

De conclusie van beide psychologen: „We zien een scherp begin van kindertijd-geheugenverlies in de eerste helft van het derde levensjaar.”

Splitting bij volwassenen

Ik maak de overstap naar volwassenen. Als je als kind gewend bent om te 'splitten': welke gevolgen heeft dat dan voor de volwassenheid? Daar kun je hele boeken over vol schrijven. Maar ik schrijf nu even geen nieuw boek. 

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Bij een ernstige borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt de ander óf op een voetstuk gezet óf de ander is de zondebok. Dat proces kan ook in de tijd na elkaar plaats vinden. Dus eerst ben je de beste behandelaar die er is en als je dan een keer ‘iets verkeerds’ hebt gezegd krijg je een aanklacht aan je broek.

'Hou je dossier op orde!' zei ik tegen een behandelaar. De vrouw had de behandelaar de hemel in geprezen. Iemand die zó rustig was en die zó goed kon luisteren had ze nog nooit in haar leven meegemaakt. Na het volgende consult kwam er een klacht tegen de behandelaar bij de directie binnen. Gelukkig had hij zijn dossier op orde...

Splitting bij kinderen (1)

"De één is de heilige Sint Nicolaas, de ander is de zwarte Piet." Zo beschrijft klinisch psycholoog Luk Steemans het verschijnsel van het splitsen ('splitting') bij kinderen.

Dat hij Zwarte Piet beschrijft valt hem niet euvel te duiden, zijn artikel is al een aantal jaren oud. Bovendien is hij een Belg. Daar houden ze zich minder bezig met het thema racisme en Zwarte Piet.

Hoewel Zwarte Piet inmiddels taboe is ga ik het vandaag tóch ook over dit beeld hebben in het kader van een cursus die ik moet geven over omgaan met hechtings-problemen bij kinderen. Vijf kilometer van de Belgische grens, dus mocht ik belaagd worden door de zogenaamde fatsoensrakkers in Nederland, dan kan ik snel de grens over fietsen.

Zelfconstantie en objectconstantie

Kinderpsychiater M.S. Mahler heeft een halve eeuw geleden de vroege emotionele ontwikkeling van kinderen beschreven. Een deel van haar theorie is inmiddels achterhaald, maar andere termen hebben allerlei ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie overleefd. Mahler introduceerde de begrippen separatie (loskomen van je moeder) en individuatie (een eigen persoon worden). Daar hangen twee andere begrippen mee samen.

Ergens tussen de één en drie jaar ontwikkelt een kind zowel de zelfconstantie als de objectconstantie. Die zelfconstantie maakt dat je een positief beeld van jezelf vast kunt houden, ook al krijg je af en toe straf. De objectconstantie houdt in dat je ook een positief beeld van de ander vast kunt houden. Ook al geeft die ander mij op dit moment straf, in zijn algemeenheid ben ik toch graag bij hem in de buurt. In principe is de ander te vertrouwen. Pappa is nu even boos, maar straks is het weer goed.

Het begrip van dat positieve zélf en van positieve mensen in je omgeving heb je nodig om een relatie aan te kunnen gaan. Je hebt dan altijd een ‘beeld’ bij je dat het jou mogelijk maakt om geleidelijk meer uitstel te verdragen. Je kunt beter teleurstellingen verdragen, je kunt je overgeven aan andere opvoeders (de oppas).

Splitting bij kinderen

Bij kinderen die wij als ‘gedragsgestoord’ beschouwen is dit vermogen niet voldoende ontwikkeld. Deze problemen hebben voor een groot deel met een verstoord proces van hechting te maken.

Volgens Luk Steemans proberen ook deze kinderen een positief beeld vast te houden. Ze zijn bang dat de negatieve ervaringen het zullen winnen van de positieve. Ze hebben onvoldoende vertrouwen dat het goed komt. Het mechanisme dat ze hiervoor zouden ontwikkelen is (dus) dat van het ‘splitten’: mensen die helemaal goed zijn en mensen die helemaal slecht zijn. Het beeld van de nuancering wordt niet vastgehouden.

Stel: je speelt met een kind en je moet daarna iets anders doen. Een kleuter die zich emotioneel goed heeft ontwikkeld houdt dat positieve beeld vast. Hij beseft dat pappa iets anders moet doen, maar houdt vast dat het leuk was, samen. De kleuter zal teleurgesteld zijn, maar niet woedend.

Een kleuter met onvoldoende ‘ik’ zal veel heftiger reageren. Hij voelt zich afgewezen. De reactie is: boosheid en woede. Het algehele gevoel: ik word totaal afgewezen. Ik heb dus verloren van een overmachtige vijand.

De angst zelf niet te deugen wordt geprojecteerd op de boze buitenwereld. De angst zichzelf als klein en nietig te ervaren wordt gecamoufleerd: ik ben de grootste, de sterkste, ik ben onaantastbaar. Eén van de gevolgen is dat deze kinderen op zoek gaan naar uitgerekend datgene waar ze bang voor zijn. Ze gaan in gevecht met de boze buitenwereld. “Kijk eens, hoe brutaal ik durf te zijn tegen Zwarte Piet!”

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Wat zit er achter het gedrag?

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het ogenschijnlijk onuitstaanbare gedrag liggen. De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.