Borderline en verstoorde hechting (2)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). Het ontstaan van borderline kun je volgens hen niet zo eenduidig toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

 Onveilige hechting

Echter: patronen die wijzen op onveilige hechtingsstijlen in het gezin laten een duidelijker verband zien met het ontstaan van een borderline persoonlijkheids-stoornis. Daarbij bestaat er correlatie tussen kenmerkende eigenschappen van mensen met borderline (problemen met intimiteit, spanning tussen autonomie en behoefte aan nabijheid) en problemen in de hechting. Bijvoorbeeld bij de angstig-ambivalente hechting: het kind wil nabijheid en wijst deze nabijheid ook af.

Omgaan met angst

Ook komt sterk naar voren dat er enerzijds sprake is van grote moeite met het beheersen van angst en anderzijds zijn relaties voor mensen met borderline complex: ze zoeken veiligheid in relaties, hopen daarin houvast te vinden, maar die afhankelijkheid is tegelijkertijd zeer beangstigend. Dat zou volgens de auteurs ook kenmerkend zijn geweest binnen het gezin: enerzijds klein moeten blijven (weinig autonomie) en aan de andere kant  bood dezelfde nabijheid ook geen veiligheid.

Rol van moeders

Opmerkelijk in dit onderzoek is dat aan de rol van de moeders in de gezinnen bij het ontstaan van borderline problematiek een duidelijk grotere rol wordt toegeschreven dan aan de vaders. Kenmerkende patronen bleken te zijn: minder sensitief (niet goed de behoeften van het kind in kaart hebben), minder zorg en aandacht en tegelijkertijd overbeschermend en wonderlijk genoeg daarnaast ook weer ‘toegeeflijk’ (‘je gaat je gang maar’).

Je zou kunnen samenvatten: weinig voorspelbaar. De ene keer zit je moeder er bovenop en de volgende keer heeft ze niet eens het idee wat er met je aan de hand is en word je ook niet gemist. De auteurs verklaren uit deze ambivalente houding het kenmerkende ‘splitting’ bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Kwaliteit van de hechting als belangrijke factor

Uiteindelijk concluderen de auteurs dat de wijze waarop het kind zich in het gezin heeft kunnen hechten een betere verklaring biedt voor het ontwikkelen van een borderline persoonlijkheidsstoornis dan traumatische ervaringen die het kind op jonge leeftijd heeft ervaren.     

Ik voeg daar nog wel aan toe dat veilige hechting tevens maakt dat een kind beter in staat is om traumatische ervaringen te verwerken. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat bij een onveilige hechting ook de impact van trauma’s groter is. Er is bij het ontstaan van borderlineproblematiek sprake van een opeenstapeling van belastende factoren vanuit de jeugd.                                              

    

Borderline en verstoorde hechting (1)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). 

 Jarenlang heeft de gedachte overheerst dat borderline stoornissen verklaard moeten worden uit emotionele trauma’s die een kind heeft opgelopen op jonge leeftijd. Op zichzelf is dat niet zo vreemd, want een kind dat fysiek, geestelijk of seksueel misbruik ervaart zal de ouders als minder zorgzaam ervaren en op basis van die ervaringen ook afwijkende gedragspatronen gaan ontwikkelen. En dat is één van de overheersende kenmerken bij borderline-problematiek.

  Toch vinden de auteurs deze focus op traumatische ervaringen te ‘smal’ om hierbij te denken aan ‘de’ verklaring voor borderline.

Andere verklaringen

De auteurs citeren verschillende onderzoeken waarbij alternatieve verklaringen naar voren komen. Enkele onderzoeken zijn gebaseerd op gestructureerde interviews met mensen die de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis hebben gekregen.

Opmerkelijk was de combinatie die één van de onderzoekers meldde: mensen met borderline vertellen aan de ene kant dat hun ouders onvoldoende zorg aan hen besteedden en anderzijds dat ze hun ouders juist als overbeschermend hebben ervaren. Mijn interpretatie is dat ze mogelijk weinig betrokkenheid hebben ervaren, maar wel veel controle (regels). Of nog meer: als de ouder boos wordt leidt dit direct tot een overkill aan regels (eerst wordt het kind niet gezien, daarna corrigeert moeder het kind, het luistert niet en vervolgens moet het een week binnen blijven). 

Psychiatrie en borderline

Een ander onderzoek ging over de vraag of er verschillen gerapporteerd worden tussen vrouwen met borderline problematiek en vrouwen die vanwege andere psychiatrische problemen werden opgenomen in een instelling.

Het bleek dat vrouwen die vanwege andere diagnoses in psychiatrische instellingen verbleven vroeger thuis veel minder vaak te maken hadden gehad met afwijzing, met verbroken relaties, met verlating en met een chaotische gezinsstructuur dan vrouwen met de diagnose borderline. Met andere woorden: ook kinderen uit redelijk harmonieuze gezinnen kunnen ernstige psychische problemen ontwikkelen, maar bij mensen met borderline lijkt wel vroeger duidelijker sprake te zijn geweest van verstoorde interacties binnen het gezin.

Nieuw onderzoek

Nickell, Waudby en Trull wilden meer onderzoek doen naar de relatie tussen de onveilige en/of verstoorde hechting en borderline. Ze maakten daarbij gebruik van de gegevens van een steekproef van bijna 400 mensen. Een deel van het onderzoeksverslag bevat de wetenschappelijke verantwoording en statistische onderbouwing van dit onderzoek.

De resultaten tonen aan dat lichamelijke en/of geestelijke mishandeling en verwaarlozing alléén onvoldoende verklaring bieden voor het ontstaan van borderline problematiek. Het ontstaan van borderline kun je dus niet per definitie alleen toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

Dansende letters

Marjon geeft aan dat ze soms bijna niet kan lezen. De letters blijven niet op het papier staan. Ze gaan dansen en het lukt haar dan niet meer om die letters te vangen. Het lezen lukt dan dus niet meer. Wat is er aan de hand? 

Dat weet ik ook niet. Hoewel: het is mij ook wel (een enkele keer) overkomen. Dat lag niet aan mijn ijdelheid (geen leesbril), maar – voor mijn idee – aan een te vol hoofd. De hersenspons zat vol: er kon geen nieuwe informatie meer bij. Het enige wat mij dan hielp was ‘even niks’.

Overbelasting van de ogen

Mijn indruk was (al) dat die dansende letters te maken zouden kunnen hebben met overbelasting van de zintuigen. Toen ik op zoek ging kwam ik het verschijnsel o.a. tegen in een artikel over Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH). Inderdaad: als de ogen teveel informatie te verwerken krijgen kan er een soort van kortsluiting optreden: de boel gaat op slot. Kenmerken van die overbelastig zouden kunnen zijn:

  • Dubbel zien
  • Wazig zien
  • Slecht kunnen lezen
  • Dansende letters
  • Oogvolg bewegingen (niet vloeiend, snel heen en weer)
  • Veel knipperen met de ogen
  • Overgevoeligheid voor licht (graag een zonnebril op hebben)

Horen én zien is (te) veel

In de loop van de jaren heb ik de indruk gekregen dat met name de combinatie van veel horen én van veel zien het hoofd sneller vol maakt. Er zijn dan ook mensen die bewust in een drukke ruimte oordoppen in doen of omgekeerd zich meer afsluiten van wat ze zien. Het lijkt een combinatie van een neurologisch probleem en een zintuiglijk probleem: er komt teveel binnen en dat kan niet verwerkt worden: de waarneming gaat op slot. Het leidt ook tot problemen in de motoriek en het evenwicht.

Lichaamsbesef en – ordening

Daarmee kom ik op een volgende waarneming: die van het proprioceptieve systeem. Hoe zit je lichaam in elkaar? Hoe reguleer je je handelen? Bijvoorbeeld: als ik een heel klein schroefje aan moet draaien moet ik langzamer handelen. Als ik een volle beker water op de tafel wil zetten moet ik voorzichtig manoeuvreren. Als ik een ijshoorntje aan pak moet ik daar niet in knijpen. Proprioceptie is eigenlijk het leren hanteren en kennen van je eigen lichaam. Het is heel goed zichtbaar bij het wassen en bij het tandenpoetsen.

Bij mensen met een verstoorde proprioceptie zien we:

  • Vaker struikelen of vallen (onvoldoende kijk op je lichaam in de ruimte en oneffenheden in de ruimte en de consequenties die dat voor je lichaam heeft
  • Onhandig, zoals veel dingen laten vallen (problemen met doseren van bewegingen)
  • Onvoldoende samenwerking tussen beide handen en vaak ook voeten
  • Problemen in ritme en volgorde in handelen en soms ook in de mogelijkheden van de taal
  • Vaker emotionele problemen (zelfbeeld/zelfvertrouwen)
  • Lagere alertheid, niet bij de les kunnen zijn, beperkte aandacht regulatie
  • Moeite met dubbeltaken: dingen na elkaar in plaats van tegelijk
  • Meer moeite met het snel opnemen van informatie.
Naarmate mensen ouder worden hebben ze meer moeite met de afstemming van de proprioceptie. Het valgevaar neemt bijvoorbeeld toe, ze kunnen maar één handeling tegelijk. Dat maakt het noodzakelijk dat ook het tempo verlaagd wordt.

Familieruzie

Rond het overlijden van ouders ontstaan er vaak problemen in de relatie tussen broers en zussen. Het is echter de vraag of die problemen dan ontstaan, of dat de scheuren van vroeger dan manifest worden.

Tijdens de cursus (over het werken in de driehoek en contextuele therapie) kwamen familieverhoudingen ter sprake. Hoe gaat het in het gezin rond de zorg van een kind met een beperking? En hoe gaan kinderen onderling om met de zorg voor hun ouders?

Familieconflict

In de pauze vertelde één van de cursisten hoe hij sinds het overlijden van zijn moeder geen contact meer had met een aantal broers en zussen (hij was de jongste uit een gezin van tien en zei er ook nog bij: “Het had natuurlijk niet veel gescheeld of ik had het downsyndroom gehad…”). 

Over de oorzaak was hij duidelijk. “Die problemen waren er altijd al, maar daar werd niet over gesproken. Er werd nooit met elkaar gesproken, er moest gewerkt worden. Wat we nu in onze familie zien zijn de scheuren van vroeger die breuken zijn geworden.”

‘Ging de ruzie over de erfenis?’ wilde ik weten. Nee, dat speelde eigenlijk geen rol. Hoewel hij dat niet zeker wist, want daar lette hij niet op. Het kon zijn dat het ergens tussen zijn broers en zussen wel had gespeeld. Maar de oudsten waren 20 jaar ouder dan hij, hij wist er te weinig van wat ‘daar’ speelde.

Controle

Volgens hem waren de problemen vooral duidelijk geworden toen zijn moeder ziek werd. De vierde zus had toen alle verantwoordelijkheid naar zich toegetrokken. “Dat was een echte regelbitch, zij zou het allemaal wel even regelen. Alles onder controle, zelfs haar moeder.”  

Hij gaf toe dat dat wel wat scherp gezegd was, maar dat hij daar niet tegen kon, ook niet op zijn werk, ‘die mensen zitten op mijn allergie’. Hij had ook een relatie gehad met zo’n regeltante, het kwam er op neer dat hij op den duur in zijn eigen huis niets meer had in te brengen. ‘Stom, dat je dat niet meteen ziet’. 

Twee kampen

Hij probeerde zich niet zoveel aan te trekken van het gedoe in de familie. Maar wat hij wel lastig vond was dat de zus die alles had willen regelen en een andere zus hun hele familie in het conflict probeerden te betrekken.

“Ze willen dat iedereen partij kiest”. Wat eerst een ruzie was tussen twee zussen was nu een ruzie waar acht van de tien kinderen bij betrokken waren. De ruzie werd o.a. dagelijks op Facebook uitgevochten, maar daar zat hij gelukkig niet op. Hij deed niet mee, net als één van zijn broers. “Maar ja, dat wordt me ook kwalijk genomen. Ze denken dat je goede en foute broers en zussen hebt en daar tussen zit niks. Dus zal ik ook wel fout zijn.”

Rivaliteit

Op mijn vraag of hij wist wat de scheur uit het verleden dan zou kunnen zijn, zei hij: “Jaloezie natuurlijk, wat denk je anders? Dat was vroeger ook al zo tussen beide zussen. Wie krijgt de meeste aandacht van ons moeder?”

Het was wel wat kort door de bocht, maar ik denk dat jaloezie tussen broers en zussen nogal eens tot op hoge leeftijd een rol speelt in de onderlinge verhoudingen. Professor R.E. Abraham zou het rivaliteit noemen. Daar heb ik al eens een serie blogs aan besteed.

ADHD: daar groeit een kind wel overheen…

In mijn studietijd bestond ADHD nog niet. Wel was er sprake van een groeiend aantal kinderen met MBD (Minimal Brain Dysfunction). Eén op de tien luidde het adagium van een ouderverening. In elke klas zouden drie kinderen met MBD zitten. 

Ik dacht toen: als een ‘diagnose’ zich zó als een olievlek uitbreidt verdwijnt hij vanzelf. Want als een afwijking (te) veel voor komt wordt die afwijking normaal. Hoewel er meer vrouwen dan mannen zijn in Nederland is het man zijn met die bijna 49% op zichzelf geen afwijking. Het gedrag van mannen misschien wel, maar het man-zijn niet.

En inderdaad: tien jaar later bestond het idee van MBD niet meer. De boeken konden verbrand worden. Er kwam een nieuwe classificatie voor in de plaats; ADHD. Met later twee polen: AD(H)D en ADD. De H is van Hyperactief. Dat is de drukke, ontremde variant. ADD is de dromerige kant: de kinderen die weliswaar fysiek in de klas zitten maar in hun hoofd met heel andere dingen bezig zijn. Beide groepen jongeren ervaren – ondanks hun soms zeer hoge intelligentie – grote moeite in het onderwijs. Zeker de overgang naar het wetenschappelijk onderwijs is erg ingewikkeld. Waarom zou je nu al voor een tentamen gaan leren als je pas over drie maanden een tentamen hebt? En als je een dag geen college hebt is dat toch een vrije dag?

Kan een kind over ADHD heengroeien? Die kans is aanwezig, met name binnen een stabiel gezin met weinig stress. De kenmerken verdwijnen niet helemaal, maar ten dele. Het wordt allemaal wel beter werkbaar. En de sterke kanten van ADHD (bijvoorbeeld de originaliteit) kunnen in sommige latere beroepen prima worden ingezet.

Tegelijkertijd is er een andere kant. Elke belemmering verdubbelt de problemen. Zoals: slechts huisvesting, een benedengemiddelde intelligentie, alcohol-en drugsgebruik, taalproblemen en autisme maken dat de combinatie met ADHD (dan) voor pubers en jongvolwassenen een slechte prognose kent. De ontwikkelingsproblemen versterken elkaar dan: er is sprake van een dubbele handicap. Ook kampen kinderen met AD(H)D vaker met angst-en stemmingsstoornissen die de kans op een gezonde ontwikkeling sterk kunnen belemmeren.

De meeste peuters vertonen een zekere mate van ontremd gedrag. Als kinderen groter worden vermindert dit ontremde gedrag en kan het kind zich beter concentreren. Het is de combinatie van bemoeilijkte omstandigheden (van binnenuit of van buitenaf) én AD(H) D die maakt dat een deel van de kinderen toch vastloopt in het latere leven.

Het is dan ook een mythe dat kinderen met AD(H)D vanzelf over hun gedrag heen groeien. Tevens met dank aan Geertje Kindermans van De Psycholoog.

Onderzoek naar muggenbeten

We kunnen van alles onderzoeken. Daar beginnen baby’s en peuters al mee. Bij een gek geluidje begint mamma te lachen. Er klinkt een belletje als ik op een rood knopje druk. Kinderen zouden zich niet ontwikkelen als ze niet voortdurend van alles zouden onderzoeken.

Ook volwassenen doen aan onderzoek. Soms geven ze er het ‘predikaat’ wetenschappelijk aan. Dan pretenderen ze dat hun onderzoek controleerbaar en voor herhaling vatbaar is. Maar let op: lees eerst de verpakking voordat u denkt dat het allemaal waar is. Iedere onderzoeker hanteert zijn eigen uitgangspunten. Om een hoogleraar psychologie te citeren: het enige dat klopt aan ‘meten is weten’ is dat het rijmt.

Sommige onderzoeken zijn maatschappelijk relevant. De kans op genezing wordt groter, het leefklimaat verbetert. Er bestaan ook onderzoeken die geen hoger doel dienden dan dat het gewoon leuk is om te weten. Opvallend vaak hebben deze onderzoeken te maken met het verschil tussen man en vrouw.

Voorbeelden van uitkomsten uit allerlei onderzoek:

  • Vogels poepen vaker op rode auto’s.
  • Duiven maken onderscheid tussen de schilderwerken van Monet en van Picasso.
  • Vrouwen slapen vaker op hun zij dan mannen.
  • Mannen roken vaker op de fiets.
  • Vrouwen voeren vaker een telefoongesprek op de fiets.
  • Mannen vervoeren vaker een ladder op de fiets.
  • Kattenliefhebbers zijn intelligenter dan mensen die van honden houden
  • Bij mannen zit het linkerneusgat vaker dicht dan het rechterneusgat.
  • Roodharigen zijn vaker bang voor de tandarts.

Ieder onderzoek daagt ook weer uit tot vervolgonderzoek. Want als roodharigen banger zijn voor de tandarts, dan valt ook te verwachten dat (de vaak roodharige) Ieren banger zijn voor de tandarts dan Nederlanders.

Inmiddels heb ik de eerste muggen alweer gesignaleerd en ingeslikt. De komende zomer zou ik graag het volgende willen weten: worden vrouwen vaker het slachtoffer van muggenbeten dan mannen? Of heb ik gewoon geluk en heeft Tineke pech?

De poetsontkenner

De man vertelt dat hij nooit zijn tanden poetst. Dat is namelijk een gevaarlijke bezigheid. Het verstoort het ecosysteem in de mond. ‘Kijk eens naar een krokodil’, zegt hij. ‘Poetst die ooit zijn tanden? Toch heeft het dier wel tachtig tanden en ik heb er 32. En bij de krokodil zie je nooit een rotte tand. 

Kijk eens naar mijn tanden’ vervolgt de man. ‘Zie je bij mij rotte tanden en kiezen?’ Dat kan ik niet goed beoordelen, want ik ben geen tandarts. Bovendien heeft de man een opvallend grote snor die het zicht op zijn tanden belemmert. In tandheelkundig opzicht zou het een verdachte snor kunnen zijn omdat de omvangrijke haargroei op de bovenlip het zicht op een slecht gebit camoufleert.

De man gaat verder met zijn college. Als je vaak je tanden poetst moet je ook vaak naar de tandarts. Door het poetsen raakt het immuunsysteem ontregeld. Dan krijgen de bacteriën een kans en die eten het glazuur op. Dan krijg je dus gaatjes.  Sterker nog, je krijgt ook eerder de griep en tegenwoordig ook corona als je je tanden poetst. Hij is echter al jaren niet ziek geweest. Daarmee is het bewijs geleverd. Wie niet zijn tanden poetst heeft een beter immuunsysteem. Aan vaccinatie tegen corona begint de man ook niet. Is niet nodig met zijn immuunsysteem.  

‘Hoe weet u dat u geen gaatjes hebt?’ wil ik weten. ‘Wat denk je zelf?’ antwoordt  hij. ‘Je kunt het wel raden, toch?’ ‘Omdat u niet poetst’ zeg ik als een goede leerling. ‘Precies!’ zegt de man: ‘Je begrijpt het. Als je niet poetst hoef je ook niet naar de tandarts, want je krijgt geen gaatjes’.  Ik stel de man toch een controle voor. ‘Nee, nee, daar begin ik écht niet aan’ reageert de man verschrikt. ‘Als de tandarts in je mond kijkt gaat hij meteen boren. Dat leren ze op de tandartsenschool. En als je gaat boren verstoor je het ecosysteem van je gebit. Dan is al mijn werk voor niks geweest. ‘Welk werk?’ vraag ik. ‘Nou, dat ik al tien jaar niet mijn poets’.

Thuis bestudeer ik op internet de kenmerken van de krokodil. Het dier heeft tachtig tanden die tot vijftig keer verwisseld kunnen worden. Een heel verschil met mensen die maar één wissel meemaken. Dus ik blijf ondanks het advies van de man dagelijks poetsen en ik ga regelmatig naar de tandarts.

Over de werking van het immuunsysteem worden tegenwoordig via internet al genoeg fabeltjes de wereld in gegooid. Die neem ik maar met een flinke korrel zout. 

Spiritueel narcisme

De dominee preekte gisteren over de neiging van mensen om zichzelf op allerlei manieren centraal te willen stellen. Dat gebeurde ook in de jonge kerken in het Nieuwe Testament. En het komt helaas nog steeds in de kerken maar al te vaak voor. Het herinnerde mij aan de term 'spriritueel narcisme' waar sociaal psychologe Roos Vonk ooit over schreef.

Dat spiritueel narcisme zie je bijvoorbeeld bij mensen die overal vertellen dat ze een bijzondere ervaring ‘in de Heer’ hebben gehad. Of omdat ze dankzij hún gebed genezen zijn. Ik las zelfs een (ouder) verhaal dat iemand beweerde dat dankzij het gebed in zijn kring het keerpunt in de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Maar ook – veel gewoner – omdat ze op een bepaalde manier heel gelovig zijn. Ze doen dagelijks aan Bijbelstudie. Ze kennen bijzondere ervaringen. Ze worden op een heel speciale manier geleid.

In een artikel in Psychologie Magazine (februari 2016) noemde Roos Vonk dit spiritueel narcisme. Narcisme is een vorm van denken waarbij je jezelf centraal stelt.

Bij spiritueel narcisme stelt de persoon zichzelf centraal, terwijl dat gebeurt onder de dekmantel van het geloof. ‘Het heel speciale’ is precies één van de kernthema’s van het narcisme. Omdat je zo speciaal bent ben je dus ook een betere gelovige dan de ander. Die ander ‘ is zo ver nog niet’ klinkt het dan nogal eens. Een tweede kenmerk, dat ook bij narcisme in het algemeen past, is dat de ander, die nog niet zo ver is, daarmee dus ook fout zit. Niet zelden beginnen de mensen met dit soort ideeën ook ‘voor zichzelf’. Ze houden het niet uit in de ‘gewone kerk’, dat is niet speciaal genoeg. Dat narcisme vormt ook de voedingsbodem voor sekteleiders.

Kunsthistorica Mariëlle Hageman schreef in dit verband over haar zoektocht naar religieuze ervaring. Ze dacht zich in Nepal te kunnen onthechten aan de westerse wereld. Maar ook binnen het zo op het eerste gezicht nederige boedhisme ervoer ze dat deze religieuze omgeving een slangenkuil van jaloezie en intriges was. Mensen die dingen zien die anderen niet zien en dus betere gelovigen zijn. Wie zo verheven is mag hard oordelen over de ander. Dat past allemaal in het narcistische plaatje: het creëren van een voor mij perfecte geloofswereld waarin ik de beste geloofspapieren heb.

Roos Vonk noemt nog een gevolg van dit spiritueel narcisme. Wie zo ‘verheven’ is hoeft natuurlijk weinig narigheid te vrezen. Onprettige gevoelens worden vermeden. “Sinds ik geloof heb ik daar helemaal geen last meer van. Het doet me allemaal niks meer wat ze van me zeggen.” “Omdat ik voor God zo speciaal ben ben ik genezen van mijn ziekte.” Dat klinkt heel vroom, maar eigenlijk stel je jezelf centraal.

Geloof kan bergen verzetten. Maar geloof wordt spiritueel narcisme wanneer jij beweert dat je zo goed gelovig bent dat je het zelf bent die die bergen kan verzetten. En dat je daarom beter bent dan alle anderen.

Loekasjenko en Engel

Aleksandr Grigorjevitsj Loekasjenko is één van de machthebbers in de geschiedenis een democratisch model hebben misbruikt om zichzelf absolute macht toe te eigenen.

In 1994 won Loekasjenko de verkiezingen in Wit Rusland. In 2006 zou hij moeten aftreden, maar door middel van een referendum slaagde hij er in om zijn presidentschap te verlengen naar een derde, vierde en inmiddels vijfde termijn.

Vorige week kwam hij in opspraak doordat via een valse bommelding een toestel met een Wit-Russische oppositeleider moest landen in het vliegveld van Minsk. Daar waren andere landen het niet mee eens. Maar een dictator tegenspreken, dat kan natuurlijk niet.

In zijn TV-toespraak zei Loekasjenko de volgende woorden:

  • zoals we hadden voorspeld zijn onze tegenstanders te ver gegaan: ze hebben een rode lijn overschreden
  • daarmee hebben ze aangetoond dat ze geen moraal kennen
  • ze voeren geen informatieoorlog, maar een hybride-oorlog, gericht op de vernietiging van het wit-russische volk
  • maar hij zal nooit zwichten voor deze aanslag op zijn land. De tegenstanders zullen hun gerechte straf niet kunnen ontlopen en zwaar gestraft worden.

Hier zie je karakteristieke psychologische eigenschappen van een narcistisch leider.

Hij stelt zich op als slachtoffer. Vervolgens gooit hij het op de ethische toer: de ander kent geen normen en waarden. De volgende stap is dat er door de tegenstander een vuil spel wordt gespeeld, een strijd beneden de gordel. Maar gelukkig is er een redder die het beste voor heeft met zijn volk. Dat is de heer Aleksandr Grigorjevitsj Loekasjenko in hoogst eigen persoon.

De verhalen van Willem Engel kennen hetzelfde patroon:

De mensen die covid-19 als een gevaarlijke pandemie beschouwen zijn met hun maatregelen en oproep tot vaccinatie over de rode lijn gegaan

Daarmee hebben ze aangetoond dat ze geen moraal kennen: ze voeren een medisch massa-experiment uit zoals zelfs in Hitler-Duitsland niet gebeurde

Het virus is ongevaarlijk, het gaat dus niet om de strijd tegen een virus, maar om het vestigen van een absolute macht

Maar gelukkig zijn er de verzetsstrijders die zich nooit bij deze gang van zaken zullen neerleggen, nooit een mondkapje zullen dragen, geen afstand zullen houden, nooit een PCR-test laten afnemen en nooit gevaccineerd zullen worden.

En degenen die de maatregelen hebben afgekondigd en de vaccinaties hebben gepropageerd zullen hun straf niet ontlopen. Ze zullen veroordeeld worden tijdens de Neurenberg 2.0 processen die momenteel voorbereid worden. 

Escalatieladder (2)

Leuk om te constateren hoe het zit met een conflict. Maar wat doe je er dan aan? Deze keer een paar mogelijke interventies. Als je merkt dat de spanning oploopt: hoe kun je dan tot een gezamenlijke oplossing komen? Moet dat op televisie via de Rijdende Rechter of zijn er andere opties denkbaar?
  1. Rationele fase

De eerste (blauwe) fase wordt de rationele fase genoemd. Er wordt stevige taal gebruikt, geprobeerd wordt de ander te overtuigen. Een gesprek wordt al snel een debat. Maar als je er op tijd bij bent kun je er als betrokkenen nog samen uit komen.

Interventie: je kunt er samen uitkomen, maar liefst met behulp van vrienden of collega’s die niet midden in het conflict zitten.

2. Emotionele fase

Die heb ik gisteren beschreven. Het gaat nu echt om partijen. Men plaatst elkaar in hokjes. Als je niet voor bent word je als tegenstander gezien. Geprobeerd wordt om de ander van de troon te stoten. Angst, verdriet of kwaadheid maken een goede kijk op de ander niet meer mogelijk.

Interventie: hier kun je samen niet meer uitkomen. Om uit het conflict te komen is mediation door een onafhankelijk speciaal daartoe opgeleid mediator nodig. Dat lukt alleen als alle betrokkenen achter het inschakelen van een mediator staan en de gezamelijke uitkomst ook als bindend zien. Dat laatste durft lang niet iedereen aan, met de inschakeling van een mediator geef je immers de controle uit handen… Als het gaat om conflicten binnen de familie (die zijn vaak terug te voeren op patronen uit de vroege jeugd), dan kun je ook denken aan de zogenaamde contextuele therapie.

Narcisme en controle. Als één van beide partijen niet instemt met mediation kom je natuurlijk ook niet verder. Het weigeren van mediation komt nogal eens voor bij narcistische mensen. Narcistische mensen zijn niet goed in staat tot samenspel: ze willen de controle over de ander vasthouden. Een mediator beperkt de mogelijkheid tot controle en vormt dus een bedreiging. 

3. Vechtfase

Partijen zijn verwikkeld geraakt in een bittere strijd waarin feiten, belangen, emoties en logica helemaal door elkaar zijn gaan lopen. Het doel is nu totale vernietiging van de ander, ook als dit zelfvernietiging tot gevolg heeft. Denk bijvoorbeeld aan een strijd tussen een werkgever en werknemers, waarbij de werknemers zó lang doorstaken tot het bedrijf failliet is. Het is dus een destructieve fase: het is beter dan we allemaal vernietigd worden dan dat één van beiden wint.

Interventie: hier kom je ook door middel van mediation niet meer uit. Je zult externe arbitrage in moeten schakelen of je moet de zaak aan de rechter voorleggen. Grote kans dat er na een uitspraak van de rechter toch nog een hoger beroep volgt. In het burgerlijk recht zijn dit de mensen die van procederen een beroep hebben gemaakt.

Naarmate je er vroeger bij bent is de schade beter te herstellen. Je moet dus eigenlijk de moed hebben om al in een vroeg stadium iemand van buitenaf mee te laten kijken. Hoe verder het conflict escaleert, des te groter wordt de schade en des te meer kans er is op onherstelbare schade.