Touwmuseum Oudewater

Je hebt twee kleindochters te logeren en je wilt er een dagje op uit. Je kunt naar de speeltuin, naar de dierentuin, naar het strand. Je kunt ook naar een museum. We gingen naar het Touwmuseum in Oudewater.

Ik had nooit bedacht dat je van touw een museum kon maken, maar het is er toch. Maar eigenlijk moet ik zeggen: ‘over touw’.

Het was nog een hele opgave om het Touwmuseum met het OV te bereiken. Oudewater heeft geen station (meer) en met de bus is het nog een aardig eindje ‘bussen’. Maar uiteindelijk waren we er.

Kleindochter T (7 jaar) en kleindochter H (3 jaar) wilden direct naar het piratenschip. Na enig omkleedwerk staken we van wal en dobberden op de woeste baren van de Hollandse IJssel. Opa Henk werd gevangen genomen en aan dek in de boeien geslagen.

Daarna was het tijd voor het leggen van ingewikkelde knopen. Niet besteed aan opa Henk. Hij ligt zelf al genoeg in de knoop. Maar kleindochter T kwamsamen met oma Tineke een heel eind met vogelnestjes en hondenkoppen en wat er nog meer in de aanbieding was.

In het Touwmuseum van Oudewater

Vervolgens werd er beneden een film gekeken over het maken van touw. Dat is toch wel weer een ingenieus verhaal. Wie heeft zoiets verzonnen? En hoe bedenk je dat vrouwelijke planten een heel andere functie hebben bij het maken van touw dan mannelijke planten? Ooit is dus iemand op dat idee gekomen. De lijnbaan waar het touw in elkaar geflanst werd was overigens 300 meter lang. Daar kun je een aardig touwtje van leggen.

Tenslotte kwam een vrijwilliger van het museum een touw maken. Kleindochter T moest stevig werk verzetten om te zorgen dat de draden gespannen en goed gekaard werden. Uiteindelijk was het touw kant en klaar en kreeg ze het mee als springtouw. opa Henk kreeg geen springtouw. Het vermoeden bestond dat hij te onhandig zou zijn om touwtje te kunnen springen.

Buiten bevond zich nog een speeltuin vol touwladders en ander trekwerk, maar we moesten de bus halen. Die misten we. Dus werd het een tijdje later en met een omweg via Utrecht. 

Verdwenen

Vorige week fietste ik langs een vorig woonhuis. Daar woonde ik van 1957 tot 1964. Ik kwam als kersvers jongetje uit de rimboe binnen op school en zat ik de tweede klas van de HBS toen we verhuisden naar de Zaanstreek. 

Het is toch wel een vreemde gewaarwording. Ik heb er een intensieve tijd meegemaakt. De basisschoolperiode is de tijd dat de wereld zich uitbreidt van de straat naar de stad. Maar er is niemand meer met wie je herinneringen kunt delen.

Arkelse Onderweg 19 in Gorkum

Op de hoek woonde een familie waar ik af en toe mocht logeren. We deden veel spelletjes. De beide mensen zijn overleden en hun zoon ook.

Tegenover ons woonde een gezin waar ik vanaf mijn tiende jaar op de zoon paste. Hij was toen een peuter. De ouders zijn overleden, maar de zoon ook.

Met de buurman en de buurvrouw deed ik op zaterdagavond spelletjes. Ze waren toen een jonggetrouwd stel. Ze zijn beiden overleden.

De juf op nummer 20 en de meester op nummer 56: beiden al lang overleden. En waar de juf waar ik verliefd op was is gebleven? Ik heb geen idee.

Mijn klasgenoten. Ik weet niet waar ze wonen en of ze nog leven. Alleen met een jongen en een meisje van een klas hoger heb ik nog af en toe contact.

De twee buurtwinkels: beiden opgeheven. Idem: de fietsenzaak (failliet) en de groentenwinkel en de slager. De basisschool: gesloten. De fabriek waar de wijk voor gebouwd was: failliet gegaan.

Zelfs het nummer van ons vroegere huis is veranderd. Het was nummer 1 en het is nu nummer 19. Het was de pastorie van de kerk, maar het huis is verkocht. Vijf jaar geleden stond het te koop voor 250.000 euro.

Er is een boek dat heet 'Van oude mensen en de dingen die voorbij gaan'. Daar begint het een beetje op te lijken... Ik krijg er toch wel een beetje heimwee van. 

Botsende tachtigers

Meneer en mevrouw de Groot zijn rond de 80 jaar oud en 55 jaar getrouwd. Dat is een felicitatie waard. Maar de laatste jaren raakt hun relatie verstoord. Wat is er aan de hand?

Vroeger

Meneer de Groot is een sociale man die altijd erg op zijn vrijheid gesteld was. Ze moesten hem op zijn werk niet ‘vastpinnen’. Gelukkig kreeg hij veel vrijheid om zijn werk naar (deels) eigen inzichten uit te voeren. Daar functioneerde hij het beste mee. Er kwamen aanvaringen als een chef of collega hem uit ging leggen dat hij zich beter aan de regels moest houden.

Ook thuis was meneer de Groot een vrolijke flierefluiter. Af en toe was hij ‘zoek’. Dan had hij weer iets gezien of had hij iemand ontmoet en was hij helemaal de tijd vergeten.

Mevrouw de Groot hield meer van orde en regelmaat. Ze beschouwde het huis als haar domein. Ze vond het niet erg dat ze veel meer in huis deed dan haar man. Want als die zich met het huishouden ging bemoeien ging opeens alles anders en dan was ze de controle over het huishouden kwijt. Als hij ‘zijn eigen ding deed’ (zoals dat tegenwoordig wordt genoemd) wist ze zeker dat de zaken op haar manier geregeld werden.

Meneer en mevrouw de Groot hadden dus een bepaalde manier van omgang met elkaar gevonden waarbij ze beiden souverein waren in eigen kring, om er maar eens een term uit de filosofie bij te te halen.

En nu…

De laatste tijd wordt dat allemaal wat ingewikkelder. Ze tobben beiden wat met hun gezondheid. Daarbij wordt mevrouw de Groot ook wat meer vergeetachtig. Dat hoort bij de leeftijd, maar het is wel lastig.

Mensen die de behoefte hebben om controle te houden over hun omgeving hebben de neiging om bij het ouder worden nog meer controle uit te willen oefenen. De marge waar binnen je overzicht kunt bewaren wordt namelijk kleiner omdat je werkgeheugen minder goed functioneert.

Omgekeerd heeft meneer de Groot de neiging om nog méér zijn eigen gang te gaan. Juist nu hij meer beperkt wordt in zijn mogelijkheden heeft hij de neiging om – als hij zijn eigen gang kan gaan – nog meer vrijheden tot zich te nemen.

Meneer de Groot is – bij wijze van spreken – straks de honderdjarige die uit het raam klimt en zal gaan verdwijnen. Dat doet hij nu thuis ook al. Hij verdwijnt door de achterdeur en stapt op zijn fiets. Mevrouw de Groot, die niets heeft gemerkt, zet een half uur later koffie en dan blijkt dat haar man zoek is. Daar maakt ze zich grote zorgen over, want haar man heeft gezondheidsproblemen. Wat gebeurt er als hij opeens van zijn fiets valt?

Het voorbeeld van het echtpaar de Groot laat zien dat je ook bij het ouder worden hard aan je relatie moet (blijven) werken. Als mensen ouder worden kunnen (aldus de ouderenpsychologen Noud Engelen en Bas van Alphen) de karakter-eigenschappen van mensen zich nog wat nadrukkelijker manifesteren. En als je inmiddels allebei thuis zit zit je elkaar daarbij mogelijk ook extra in de weg.

Goed om daar alvast aan te denken in Huize Henk 50. Tineke houdt van haar vrijheid, maar ze is ook van de structuur. Henk heeft een aantal basisregels, maar wil beslist oook zijn vrijheid niet kwijt. Hoe zou dat er uit zien als ze beiden 80 zijn geworden?

Moeder met rijbewijs

Van autorijden heb ik geen verstand. Dat zit in de familie. Vier van de zes kinderen uit ons gezin hebben geen rijbewijs. En niemand rookt.

Mijn vader en moeder hadden wel een rijbewijs. Mijn vader rookte pijp en sigaren en mijn moeder rookte af en toe. Dit soort gewoonten wordt dus niet automatisch op een volgende generatie over gedragen.

Mijn vader kreeg één keer een deuk in de auto. Ik weet niet meer hoe dat kwam. Maar met de gootsteenontstopper heeft hij de deuk er eigenhandig weer uitgekregen.

Mijn moeder droeg meer bij aan de groei van de economie. Eén keer wilde ze keren, maar ze reed achteruit een diepe berm in en kwam vast te zitten. Daar was ik bij en de paniek sloeg bij mij lichtelijk toe, want het gebeurde tegen de avond in het oerwoud van Borneo. In het bos waren wilde dieren, waar ik wel een beetje bang voor was.

De tweede keer zou mijn moeder mij ophalen omdat ik naar het ziekenhuis moest. Ze sloeg echter op de snelweg bij Zaandam over de kop. Volgens de berichtgeving gebeurde dat omdat ze een egeltje wilde ontwijken. Mijn moeder was erg zorgzaam voor alles wat groeit en bloeit. Ze belandde ter observatie in het ziekenhuis, maar bleek niets te mankeren. Ik kwam niet in het ziekenhuis, want mijn moeder kwam niet. Ik had als student geen telefoon en wist niet waar mijn moeder bleef, maar ik was liever op mijn studentenkamer dan in het ziekenhuis. Dus dat heb ik maar zo gelaten.

De derde keer was het opeens glad in de polder (Alblasserwaard). Of niet opeens, maar voor mijn moeder was het wél opeens. De auto slipte en mijn moeder slipte mee. Ze belandde in een sloot, maar kon via het achterportier droogvoets de auto verlaten.

Toen ze op de kant stond ontdekte ze dat de lichten nog brandden. Ze is weer in de auto geklommen en heeft de lichten gedoofd. Als je in de crisisjaren bent opgegroeid blijf je je leven lang zuinig. 

De sokken en het vervolg

Henk 50 was dus van zijn sokken gereden. Het leek allemaal met een sisser af te lopen. Hij was koelbloedig naar huis gefietst. Pas daar begon hij te trillen. Dat werd niet veroorzaakt door een Groningse aardbeving.

Toch waren er indirecte gevolgen. Die passen in het rijtje van de afweermechanismen. Want wat was nu eigenlijk de oorzaak van de aanrijding? Was dat de automobilist die door rood reed? Of was Henk50 onzichtbaar geweest?

Deze tweede hypothese werd tot een prangend vraagstuk verheven. De koplamp en het achterlicht waren in goede toestand. Maar hoe moest een automobilist Henk50 op zijn Gazelle waarnemen?

Dus Henk 50 bevestigde reflectoren op zijn mouwen. Maar dat was niet voldoende. Hij bevestigde reflectoren op zijn spaken. Maar dat was ook niet voldoende. Hij zorgde voor nóg meer reflectoren op zijn jas en op zijn spaken.

Twee maanden later fietste Henk50 als de plaatselijke dorpsgek, verkleed als fietsende kerstboom, door Den Helder. Het gekke was dat het eigenlijk niet eens ging om de angst om aangereden te worden. De aanrijding had ik prima doorstaan. Maar het ging om het idee dat ik aanleiding had gegeven voor een aanrijding. Ik was niet voldoende zichtbaar geweest. Het was dus eigenlijk een vorm van sociale angst. Alleen het gegeven dat het steeds later donker werd. Dat hielp mij door het fietsende voorjaar heen.

Henk50 dacht: ‘Het steeds meer verlichten van de fiets verlicht niet tegen de angst. Ik moet mijn denken veranderen’. Dat heet in de psychologie: ‘een gedachtenstop’.

Kenmerk van obsessief denken is dat je er steeds angstiger door wordt. Het helpt dus niet tegen de angst, want je bedenkt steeds meer (vaak) irrationele opties die alsnog maken dat de angst toeneemt.

Was ik goed verlicht? In materieel opzicht was ik goed verlicht. In geestelijk opzicht was een andere vraag. Maar het zou niet helpen om nóg meer verlichting toe te voegen aan mijn toch al opzienbarende verschijning.

Ik besloot me te beperken tot een koplamp en een achterlicht en in de winter in buitengebieden een fluoriscerend hesje. Er daalde een diepe gemoedsrust op de eenzame fietser neer. 

22-02-2022

Er lag nog sneeuw. Het was de strenge winter van 1979. In het ziekenhuis van Den Helder werd een heel klein meisje geboren.
Poes Molly

Ze was zó klein dat ze meteen naar een ander ziekenhuis moest. Haar moeder heeft haar niet eens kunnen zien. Haar vader ging samen met de dokter Roel mee naar het andere ziekenhuis.

Maar ze groeide goed en na zeven weken mocht ze naar huis.

Vandaag is dat meisje jarig. We zijn blij met en dankbaar voor onze dochter.

En poes Molly is blij met het kadopapier. 

Er is er één jarig

Ze werd op 29 december 1951 geboren. Dus als ik het goed bereken is ze vandaag 70 jaar geworden.

Omdat haar vader boekhouder was kwam het goed uit dat ze nog net voor nieuwjaar geboren werd. Dat was handiger met het oog op de kinderbijslag. Maar toen ik haar vader daar vroeg zei hij dat het daar niets mee te maken had.

Twee jaar

Ze werd in Barneveld geboren als derde in het gezin. Over haar vroege jeugd is weinig bekend. Ze viel ook niet zo erg op. Dat hoefde van haar ook niet.

Na Barneveld verhuisde het gezin naar Deventer en vervolgens naar Amsterdam. Daar werd haar vader één van de eerste programmeurs van de toenmalige Nederlandsche Middenstands Bank. Er werden nog twee kinderen geboren, dus nu was ze de middelste.

Na het VWO deed ze een beroepsopleiding als bio-chemisch analiste en ging ze werken op het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst. Daar deed ze onderzoek naar antistoffen bij baby’s.

Vijftien jaar

Ondertussen had ze ook een vriendje en ze trouwde in 1973. Daarna verhuisde het – inmiddels – echtpaar naar Den Helder, waar ze een baan kreeg als analiste bij het Gemini-Ziekenhuis en later op de instelling waar haar vriendje ook werkte.

Er werden twee kinderen geboren en ze stortte zich full-time op het moederschap en op het vrijwilligerswerk. Ook verbouwde ze deels eigenhandig het huis. Toen de keuken klaar was verhuisde het gezin naar Alkmaar. Ondertussen was ze aan de slag gegaan in een heel andere tak van sport: administratie en personeelszaken.

Met vriendje in 1970

In Alkmaar bleef ze actief in het vrijwilligerswerk. Ze had diverse banen. De laatste baan werd de baan van haar leven: ambulant werker in Amsterdam. Ze fietste (net zoals toen ze tiener was) de hele stad door voor bezoeken aan cliënten aan de rand van de samenleving. Helaas maakten grootscheepse bezuinigingen een eind aan deze baan.

Met haar zus voert ze graag geïmproviseerde toneelstukjes op

Daarna ging ze als vriiwillige boerin aan de slag op een zorgboerderij. Ze had altijd al boerin willen worden, maar toen ze jong was bestond het programma ‘Boer zoekt vrouw’ nog niet.

Het huis in Alkmaar werd ondertussen ook nog eens deels eigenhandig verbouwd. Toen de keuken klaar was verhuisde het echtpaar naar Delft, waar ze meteen weer met een verbouwing begon. Ze vond ook al heel snel weer tal van klussen op het gebied van het vrijwilligerswerk en scheurt nu op de fiets de stad Delft door.

In Delft viert ze vandaag in klein gezelschap haar 70e verjaardag. Met leesbril, want iemand die in Barneveld is geboren wordt al snel kippig. 

Gorkum

Cursus geven in Gorkum. Een aardige bijkomstigheid is dat dat de plaats is waar ik op de lagere school heb gezeten. Jeugdherinneringen dus.
De 68 meter hoge Sint Janstoren in het centrum van Gorkum

Na afloop van de cursus fietste ik nog even een rondje langs bekende plekken. Ons vroegere woonhuis aan de Arkelse Onderweg, de voormalige School met den Bijbel in de Lingewijk, onze vroegere kerk, de oude binnenstad en natuurlijk even naar de Merwede kijken (‘buiten de Waterpoort’).

In de binnenstad liep het autoverkeer helemaal vast. In de omgekeerde richting als vroeger, want toen was het eenrichtingsverkeer net andersom geregeld. Maar files bestonden vroeger niet. Toen reed er alleen een rij auto’s door de binnenstad als er een pont over de Merwede aan was gekomen. Het verkeer tussen Utrecht en Breda ging allemaal met de pont. Nu dendert het zware verkeer dag-en nacht over de te zwaar belaste Merwedebrug.

Gorkum zat destijds klem tussen de rivier, Rijksweg 15 en de Merwede. Er was bijna geen stadsuitbreiding mogelijk. Het aantal inwoners bleef al die jaren net onder de 20.000 steken. Dat was een rondje met stip op de kaart. 

Centraal wonen

Ons huis is het centrum van de wereld. Daardoor wonen we best centraal. 
  • De afstand tot de dichtsbijzijnde AED bedraagt 10 meter.
  • De afstand tot de dichtstbijzijnde brievenbus bedraagt 90 meter.
  • Café en restaurant bevinden zich op 150 meter afstand
  • De afstand tot de tandarts is 500 meter
  • De fietsenmaker bevindt zich op 550 meter afstand.
  • De dichtstbijzijnde supermarkt (Aldi) is op 600 meter afstand.
  • Voor de tramhalte en het busstation moeten we 600 meter lopen.
  • Het perron van het station is 700 meter lopen.
  • De AH XL, de Jumbo, de Lidl en de COOP zijn op 800 meter afstand
  • De huisarts en de apotheek zijn 900 meter fietsen
  • De Dirk bevindt zich op 950 meter afstand
  • De bibliotheek is op 1000 meter afstand
  • De markt is 1100 meter fietsen
  • Twee boekhandels bevinden zich op 1200 meter afstand.
  • Onze dochter woont op 1400 meter afstand
  • De dichtstbijzijnde begraafplaats bevindt zich op 1500 meter
  • De Eerste Hulp van het Ziekenhuis is op 2100 meter afstand
  • De Plus (mijn voorkeur) is 2300 meter fietsen
  • Naar de kerk is het 2900 meter fietsen.
  • Onze zoon woont op 3200 meter van ons vandaan
En wij wonen gewoon in het midden.