Er is er één jarig

Ze werd op 29 december 1951 geboren. Dus als ik het goed bereken is ze vandaag 70 jaar geworden.

Omdat haar vader boekhouder was kwam het goed uit dat ze nog net voor nieuwjaar geboren werd. Dat was handiger met het oog op de kinderbijslag. Maar toen ik haar vader daar vroeg zei hij dat het daar niets mee te maken had.

Twee jaar

Ze werd in Barneveld geboren als derde in het gezin. Over haar vroege jeugd is weinig bekend. Ze viel ook niet zo erg op. Dat hoefde van haar ook niet.

Na Barneveld verhuisde het gezin naar Deventer en vervolgens naar Amsterdam. Daar werd haar vader één van de eerste programmeurs van de toenmalige Nederlandsche Middenstands Bank. Er werden nog twee kinderen geboren, dus nu was ze de middelste.

Na het VWO deed ze een beroepsopleiding als bio-chemisch analiste en ging ze werken op het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst. Daar deed ze onderzoek naar antistoffen bij baby’s.

Vijftien jaar

Ondertussen had ze ook een vriendje en ze trouwde in 1973. Daarna verhuisde het – inmiddels – echtpaar naar Den Helder, waar ze een baan kreeg als analiste bij het Gemini-Ziekenhuis en later op de instelling waar haar vriendje ook werkte.

Er werden twee kinderen geboren en ze stortte zich full-time op het moederschap en op het vrijwilligerswerk. Ook verbouwde ze deels eigenhandig het huis. Toen de keuken klaar was verhuisde het gezin naar Alkmaar. Ondertussen was ze aan de slag gegaan in een heel andere tak van sport: administratie en personeelszaken.

Met vriendje in 1970

In Alkmaar bleef ze actief in het vrijwilligerswerk. Ze had diverse banen. De laatste baan werd de baan van haar leven: ambulant werker in Amsterdam. Ze fietste (net zoals toen ze tiener was) de hele stad door voor bezoeken aan cliënten aan de rand van de samenleving. Helaas maakten grootscheepse bezuinigingen een eind aan deze baan.

Met haar zus voert ze graag geïmproviseerde toneelstukjes op

Daarna ging ze als vriiwillige boerin aan de slag op een zorgboerderij. Ze had altijd al boerin willen worden, maar toen ze jong was bestond het programma ‘Boer zoekt vrouw’ nog niet.

Het huis in Alkmaar werd ondertussen ook nog eens deels eigenhandig verbouwd. Toen de keuken klaar was verhuisde het echtpaar naar Delft, waar ze meteen weer met een verbouwing begon. Ze vond ook al heel snel weer tal van klussen op het gebied van het vrijwilligerswerk en scheurt nu op de fiets de stad Delft door.

In Delft viert ze vandaag in klein gezelschap haar 70e verjaardag. Met leesbril, want iemand die in Barneveld is geboren wordt al snel kippig. 

Gorkum

Cursus geven in Gorkum. Een aardige bijkomstigheid is dat dat de plaats is waar ik op de lagere school heb gezeten. Jeugdherinneringen dus.
De 68 meter hoge Sint Janstoren in het centrum van Gorkum

Na afloop van de cursus fietste ik nog even een rondje langs bekende plekken. Ons vroegere woonhuis aan de Arkelse Onderweg, de voormalige School met den Bijbel in de Lingewijk, onze vroegere kerk, de oude binnenstad en natuurlijk even naar de Merwede kijken (‘buiten de Waterpoort’).

In de binnenstad liep het autoverkeer helemaal vast. In de omgekeerde richting als vroeger, want toen was het eenrichtingsverkeer net andersom geregeld. Maar files bestonden vroeger niet. Toen reed er alleen een rij auto’s door de binnenstad als er een pont over de Merwede aan was gekomen. Het verkeer tussen Utrecht en Breda ging allemaal met de pont. Nu dendert het zware verkeer dag-en nacht over de te zwaar belaste Merwedebrug.

Gorkum zat destijds klem tussen de rivier, Rijksweg 15 en de Merwede. Er was bijna geen stadsuitbreiding mogelijk. Het aantal inwoners bleef al die jaren net onder de 20.000 steken. Dat was een rondje met stip op de kaart. 

Centraal wonen

Ons huis is het centrum van de wereld. Daardoor wonen we best centraal. 
  • De afstand tot de dichtsbijzijnde AED bedraagt 10 meter.
  • De afstand tot de dichtstbijzijnde brievenbus bedraagt 90 meter.
  • Café en restaurant bevinden zich op 150 meter afstand
  • De afstand tot de tandarts is 500 meter
  • De fietsenmaker bevindt zich op 550 meter afstand.
  • De dichtstbijzijnde supermarkt (Aldi) is op 600 meter afstand.
  • Voor de tramhalte en het busstation moeten we 600 meter lopen.
  • Het perron van het station is 700 meter lopen.
  • De AH XL, de Jumbo, de Lidl en de COOP zijn op 800 meter afstand
  • De huisarts en de apotheek zijn 900 meter fietsen
  • De Dirk bevindt zich op 950 meter afstand
  • De bibliotheek is op 1000 meter afstand
  • De markt is 1100 meter fietsen
  • Twee boekhandels bevinden zich op 1200 meter afstand.
  • Onze dochter woont op 1400 meter afstand
  • De dichtstbijzijnde begraafplaats bevindt zich op 1500 meter
  • De Eerste Hulp van het Ziekenhuis is op 2100 meter afstand
  • De Plus (mijn voorkeur) is 2300 meter fietsen
  • Naar de kerk is het 2900 meter fietsen.
  • Onze zoon woont op 3200 meter van ons vandaan
En wij wonen gewoon in het midden.

Developmental Topographical Disorientation (slot)

In De Rijp ontmoetten we een mevrouw die bij haar auto stond en de weg kwijt was. Ze wist zelfs niet meer waar ze was. "In welke plaats ben ik hier?"

Even later bleek de oorzaak van haar desoriëntatie. De tomtom was uitgevallen. De route die ze reed werd helemaal bepaald door de tomtom. Had de mevrouw DTD? Ik denk het niet. Mogelijk was ze wél te afhankelijk geworden van de tomtom.

Londen

Binnenkort start een onderzoek naar de neurologische toestand van oudere Londense taxichauffeurs. Het schijnt dat deze chauffeurs er een eer in stellen om door heel Londen de weg te weten. De norm is: wie gebruik maakt van een tomtom is geen goede taxichauffeur.

Het blijkt dat Londense taxichauffeurs tot op hoge leeftijd gewoon kunnen blijven werken en dat vaak ook doen. Niks geen twijfel over het behouden van het rijbewijs. Ook tachtigers rijden gewoon met hun klanten dwars door de stad, zonder dat de meter opvallend dure omwegen registreert. Ze raken ook nog steeds niet van slag van de drukte in de stad.

De onderzoekers hebben als hypothese dat deze dagelijkse oefening er toe leidt dat de hersendelen die te maken hebben met ruimtelijke oriëntatie door deze continue activering veel beter in tact blijven dan mensen die deze oefening niet doen, zoals bij mensen die minder op straat komen, maar ook bij mensen die zich alleen maar laten leiden door hun tomtom. Ze stellen zelfs als vraag: kan deze dagelijkse oefening de ontwikkeling van dementieel beeld vertragen?

Mannen en vrouwen

Dan nog een andere vraag. Er wordt wel gezegd dat vrouwen vaker de weg kwijt raken dan mannen. Dat verschil zou evolutionair te verklaren zijn: vrouwen bleven thuis en mannen gingen op jacht. Als ze de weg kwijt raakten kwamen ze zonder tomtom in gevaarlijke situaties terecht, zoals in een vijandelijk café.

Helaas weet ik (net als bij die taxi’s) de bron niet meer, maar uit een onderzoek kwam naar voren dat bij vrouwen andere hersendelen worden geactiveerd dan bij mannen. Natuurlijk is dat een te algemene stelling, maar als je het ‘gemiddeld’ bekijkt zou er sprake zijn van verschillen in neurologische activering.

Vrouwen zouden zich meer oriënteren op voor hen relevante punten onderweg. Een voorbeeld uit zo’n onderzoek was dat vrouwen bijvoorbeeld de route bepalen aan de hand van winkels (‘bij de slager linksaf, bij de schoenenzaak rechtsaf’). Mannen zouden (toch meer) de kaart in hun hoofd hebben, dus het overall-plaatje. Daarmee activeer je andere hersendelen. Het zijn verschillende manieren van denken: via piketpaaltjes of vanuit een helicopterview.

De (om) weg naar het station

Op mijn werk was een stagiaire die na een teambespreking snel haar jas aantrok en vertrok. Later kwam ik haar op het station tegen. Ze was verbaasd dat ik er zo snel was. Ze dacht dat ik een lift had gekregen. Ik was gewoon via de volgens mij kortste route naar het station gelopen.

Het bleek dat deze stagiaire al de hele stage een behoorlijke omweg liep naar het station. Ze ging (in mijn observatie van de route) eerst in tegenovergestelde richting, maakte daarna een haakse bocht bij de schouwburg, liep vervolgens via een vrij rechte route naar een overweg, maar ze moest daar – bij wijze van spreken – teruglopen naar het station. Ze liep de dubbele afstand. Dat deed ze al drie maanden. Ze was nu ook niet meer van plan de kortere route te nemen, ‘want dan raak in de weg kwijt’. Ik vroeg haar hoe ze het deed als ze met de bewoners ging wandelen. ‘Die wijzen mij de weg wel’ was haar reactie.

Hoe bepaal ik mijn route? Gewoon kruip-door, sluip-door. Zijstraatje hier, steegje daar. Vaak langs verschillende routes. Want die kant uit is het station. Hoe ik dat weet? Dat weet ik zelf niet eens. Vergis ik me dan wel eens. Ja, dat zal vast wel eens gebeuren. Verdwaal ik ook wel eens? Ook dat gebeurt. Maar ik wil niet de weg vragen. Daar zijn de meeste mannen niet goed in. 

Namen onthouden

We waren nog jong. Elke donderdagmorgen was er een teambespreking in de bovenkamer van het hoofdgebouw van de instelling waar ik destijds werkte. Die bespreking ging over 'plaatsingen en overplaatsingen'. Ik vond dat geen prettige bezigheid, maar het was een noodzakelijk kwaad.

Bij mijn collega schoten namen maar moeizaam te binnen. Dan stokte de bespreking. Soms moet hij de trap af of elders op een lijst te kijken welke naam die persoon ook alweer had. Hij wist de naam wel, maar hij kon er niet op komen. Dat heet een ‘opdiepprobleem’. Dat had hij dus al op zijn 35e…

Dat ‘opdiepprobleem’ vind ik één van de vervelendste zaken van het ouder worden. Het wordt allemaal steeds ingewikkelder voor mij. Ik weet waar iemand woont, ik weet waar iemand werkt, maar ik kan niet op zijn of haar naam komen.

Dat heb ik van geen vreemde. Mijn moeder zaliger kampte met hetzelfde probleem. ‘Hoe heet die ook alweer? Hè, toe nou, jij weet het wel!’ Ik wist het ook niet. Maar ik kende die persoon vaak ook niet. ‘Met die grijze krullen. Ze zit meestal voor in de kerk.’ Helaas kwam ik daar zelden op zondag in de kerk, laat staan dat ik de naam van die mevrouw zou kunnen reproduceren.

Het was destijds al een hele klus om namen te reproduceren van de verschillende klassen van de opleiding. Elke week een andere groep en die kwam dan na vier weken weer terug. Alles weer vergeten, behalve de jongens (die waren veruit in de minderheid). Dan keek ik in het klassenboek, maar de dames hadden hun haren weer eens geverfd. Wéér een probleem.

Op de paviljoenen lukte het namen reproduceren veel beter, maar dat was ook altijd een meer vaste en vertrouwde club.

Maar nu en hedentendage is het reproduceren van namen écht een probleem geworden. Ik moest net iemand een mailtje sturen, maar hoe heet die persoon ook alweer? Hij woonde op adres X is Delft en nu woont hij in Boekarest. Dat weet ik wel. Ik loop naar boven om de adressengids van de kerk te pakken. Maar ondertussen bedenk ik dat ik voor de komende maand nog een aantal afspraken op de kalender moet zetten. Dus ik loop met de kalender naar mijn werkkamer.

Daar ontdek ik dat het mailtje voor die persoon klaar staat, maar nog steeds zonder adressering. Vergeten in het adressenboekje van de kerk te kijken. Dus ik loop weer naar boven. Daar gaat de telefoon en ik voer een kort gesprek met iemand waarvan ik de naam nog wel had kunnen reproduceren. Ik weet het zelfs zonder dat hij zijn naam heeft genoemd. Dan loop ik naar de adressengids van de kerk. Nee, dat was ik niet vergeten, zo gek is het ook weer niet.

Maar ik hoef die gids niet open te slaan. Opeens schiet de naam me te binnen. Het was dus echt een opdiepprobleem. Maar meteen daarna moest ik weer een naam zien te bedenken. Die persoon woonde in Roemenië, maar is verhuisd naar Rijswijk. De omgekeerde beweging dus. Hij woont daar in straat X. Zelfs het nummer weet ik nog. Maar hoe heet die persoon ook alweer?

Ik weiger om weer naar boven te lopen. Ik moet er zélf op zien te komen. Maar hoe meer druk ik daar op zet, des te lastiger wordt het om op die naam te komen...

Neurose, psychose en borderline

Soms pak ik in de haast een oud aantekenblok mee waar ik dan ook weer oude aantekeningen vind die weer als nieuw voor mij zijn. Kennelijk is mijn bovenkamer wat poreus geworden.

Het volgende schema vond ik wel aardig.

1. Bij een neurotische persoonlijkheid is:

a) de identiteit geïnternaliseerd: je weet wie je bent.

b) de afweermechanismen die gehanteerd worden zijn redelijk passend bij de persoon. Je hebt ze wel opvallend veel nodig om staande te blijven. De energie gaat dus in de verkeerde dingen zitten. Vandaar dat veel neurotische mensen zich vaak moe voelen.

c) Ook de realiteitstoetsing is in orde. Je ziet niet steeds dingen die er niet zijn, fantasie en werkelijkheid lopen niet voortdurend door elkaar. Het is dus nog niet zo gek om neurotisch te zijn.

d) Conflicten worden bij voorkeur vermeden of ontkend, vermijding van lastige situaties en uitstel van beslissingen komen veel voor.

2).  Als er sprake is van psychotische kenmerken zien we dat:

a) de identiteit onsamenhangend is: de persoon ‘fragmenteert’, hij kan tegelijkertijd zeer wisselende gedaantes aannemen. Een criterium is dat de omgeving de gesprekken als ‘bizar’ ervaart, men raakt in verwarring.

b) de afweermechanismen zijn primitief

c) de realiteitstoetsing is afwezig: slechts de eigen beleving klopt (wanen en hallucinaties).

d) bij spanningen kunnen almachtsgevoelens een rol gaan spelen: de persoon denkt dat hij de wereld kan besturen of omgekeerd: dat iedereen het op hem voorzien heeft (paranoïdie).

3. Bij de borderline persoonlijkheid is:

a) de identiteit diffuus: de persoon in kwestie heeft een zeer wisselend beeld van zichzelf en ook de omgeving staat steeds voor verrassingen: wie hebben we nu voor ons? Zo zag ik onlangs een paar keer achter elkaar een persoon met deze diagnose die zich zó verschillend aan had gekleed dat ik me steeds weer opnieuw moest afvragen wie het nu eigenlijk was: van heel stoer tot superkinderlijk, met pikzwart haar tot en met heel blond.

b) de afweermechanismen die gehanteerd worden zijn primitief, passend bij een jongere leeftijd (bijvoorbeeld het splitten of het onderscheid maken tussen een goed stuk zelf en een stout stuk zelf; zoals de peuter het kan hebben over een ‘stout handje’).

c) de realiteitstoetsing is wisselend, deze kan intact zijn, maar op bepaalde momenten kunnen fantasie en werkelijkheid ook weer totaal door elkaar lopen.

d) bij spanningen en conflicten kunnen alle remmen los gaan, het kan er zeer heftig aan toe gaan, maar ook komt voor dat er zwart-wit schema’s ontstaan (splitting), waarbij de één dé boosdoener is en de ander op een voetstuk wordt gezet of als bondgenoot er bij wordt gehaald (“jij vindt dat ik fout zit, maar Johan vindt mij de beste medewerker van de organisatie”). Opnieuw is kenmerkend bij borderline dat de reactie zo wisselend kan zijn (‘het enig voorspelbare bij een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis is het onvoorspelbare’).

Vraag je me nu waar ik deze informatie vandaan heb: helaas, dat weet ik niet meer… Een gevalletje verdringing misschien?

De droom van de logopedist

Psycho-analyticus Carl Jung heeft veel geschreven over 'droomduiding'. En nog altijd zijn er psychiaters die gebruik maken van droom-analyses.

Ooit heb ik mijn dromen bijgehouden. Dat vraagt enige oefening. Ik had een schrijfblok naast mijn bed en meteen zodra ik wakker werd moest ik opschrijven waar ik over gedroomd had. Als je daar een paar minuten mee wacht ben je (bijna) alles kwijt. Uiteindelijk kon ik soms meer dan tien dromen reproduceren. Maar dit soort bezigheden werkt verstorend op de nachtrust. Ik ben er dus maar weer mee gestopt.

In dromen van veel mensen komt het thema ‘controleverlies’ – danwel machteloosheid – voor. Hoe ouder mensen worden, hoe vaker deze thema’s naar boven schijnen te komen.

Zo droom ik regelmatig dat ik in een kerkdienst voor moet gaan en dat ik al mijn papieren kwijt ben. Ook het begin van de dienst (het uitspreken van het votum en de zegengroet) is me compleet ontschoten. Gelukkig kan ik een lied opgeven en dan heb ik even de tijd om votum en zegengroet op te schrijven. Zodra ik kan schrijven weet ik het weer.

Tegenwoordig leid ik geen kerkdiensten meer, maar het droomthema komt nog wel steeds terug. Ik droom niet over het geven van cursus (daar heb ik kennelijk meer het gevoel over dat ik voldoende controle heb).

Vorige week moest ik een lezing verzorgen op een gesticht waar ik vroeger gewerkt heb. Voor een deel van de medewerkers was ik dus nog een bekende verschijning.

De logopedist die bij de organisatie van de dag betrokken was vertelde dat ze had gedroomd dat ik op het terrein liep, dat ik vervolgens als grap over een heg was geklommen, maar dat ik niet wist dat er direct achter de heg een sloot lag. Ik was pardoes in de sloot gevallen.

Het probleem was nu hoe ik verantwoord uit die sloot gevist kon worden en weer voldoende toonbaar mijn verhaal zou kunnen doen. Wat had deze droom haar te zeggen? 

Eerste werkkamer

Gisteren schreef ik over mijn eerste (grote) baan. Dat was op een groot gesticht dat uit de grond werd gestampt in de Kop van Noord-Holland.

Ik was niet afgestudeerd, maar de studie boeide mij zó weinig dat ik er voor koos om eerst maar eens aan de slag te gaan als assistent-orthopedagoog. Ik had twee sollicitaties lopen en ik kon op twee plekken aan de slag. Ik koos voor de Kop van Noord-Holland. Tineke vond het daar maar woestijn en leegte, maar uiteindelijk is ze mee verhuisd.

Ik werd wel in het diepe gegooid. Zo moest ik de tweede dag meteen al les geven aan een cursusgroep. En dat terwijl ik nog nooit voor de klas had gestaan. Het voordeel was dat ik me ook niet zenuwachtig had kunnen maken. Ik kreeg een blauwe klapper met de lesstof en die mocht ik voorlezen.

De lessen werden gegeven in het Activiteitencentrum. De praktijk was dus om de hoek. Regelmatig liepen er bewoners binnen. De eerste dame die binnen kwam greep mij meteen in mijn kruis. Dat leidde tot enige hilariteit.

Maar het gaat nu verder niet over mijn werk, maar over mijn werkkamer. Ik kreeg namelijk een kamer tussen de dominee en de directeur. Veiliger kon het niet. Die kamer was tevens mijn slaapkamer, want ik woonde tijdelijk op het terrein.

De directeur woonde ook op het terrein. En zoals jullie begrijpen: naast mij. Hij zag er met zijn wapperende haren uit als een overjarige hippie. Vroeger had hij in dezelfde klas gezeten als mijn schoonouders, maar dat ontdekten we pas later.

’s Avonds was de directeur weinig op zijn kamer. Maar als ik overdag even op mijn kamer was kon ik grote delen van de gesprekken volgen die daar gevoerd werden. Ik vond het niet zo netjes dat dat zou kunnen, dus ik probeerde me wat af te sluiten. Maar in principe kon ik dus één van de best geïnformeerde medewerkers van de instelling zijn.

De directeur en ik hadden beiden een douche op onze kamer. Nu was het zo (bleek later) dat de warmwatertoevoer niet optimaal was. Dat heb ik een keer ’s morgens uitgeprobeerd. Toen ik hoorde dat hij de douche had aangezet zette ik mijn douche ook aan (ik ging droogdouchen). Toen hoorde ik opeens ‘Koud!’ roepen.

Later verhuisden we naar Den Helder en in diezelfde tijd werd een nieuw hoofdgebouw geopend. Ik kreeg een werkkamer beneden en de directeur zat boven. Nu was de koffiemevrouw de best geïnformeerde medewerker. Zij nam overal stukjes gesprek mee.  

Nietsnut

Ben ik een keer ziek, krijg ik meteen twee enorme bossen bloemen. Dat is aardig en wordt ook zeker gewaardeerd. Maar zo ziek ben ik nu ook weer niet.

Ziek-zijn vind ik wel jammer van de tijd. Je denkt dat je de hele dag de tijd hebt om van alles te doen, maar je krijgt het toch niet voor elkaar. Het probleem is voor mij niet dat ik ziek ben, maar dat ik zo weinig denkwerk voor elkaar krijg. Laat staan achterstallige handelingen verrichten (zoals archiveren). Ik had gedacht dat dat wél kon. Ik heb nu de hele dag de tijd, en ik heb helemaal geen koorts. Nog steeds niet.

Vroeger, dát waren nog eens tijden. De meest heftige toestand deed zich voor in de winter van 1975. Ik werkte net twee weken bij mijn nieuwe werkgever. Buiten vroor het, maar binnen sloeg de thermometer door naar bijna 41 graden. Vanwege deze toestand was ik door Tineke’s vader opgehaald om onder schoonouderlijke controle te kunnen vertoeven. Ik heb drie dagen compleet gemist. Dat was tenminste nog eens een griep!

Ook later heb ik dat een aantal keren meegemaakt. Dan kon ik echt flink ziek zijn met hoge koortsen en fantastische ideeën. Tineke was er dan als de kippen bij (ze komt uit Barneveld) om mij paracetamol toe te dienen. Terwijl ik juist vond dat ik boven de 40 graden prachtige plannen kon maken. Ook bedacht ik nieuwe woorden, zong hele psalmen achter elkaar en ik had opeens heel veel energie.

Ik vond het dan gepast om elders in huis te gaan slapen (niet dus), maar Tineke wilde geen moment van mij wijken vanwege mijn genialiteit die door haar niet gezien werd. Ze heeft zelfs de huisarts wel eens geraadpleegd. Dat vond ik niet nodig. Een dokter is voor zieke mensen.

Die verschijnselen doen zich nu helemaal niet voor. Ik ben de rust zelve. Ik spreek nauwelijks, eet nauwelijks, lees de krant, kijk een TV-programma en doe verder niks. Ik krijg mijn hersens verder niet georganiseerd.

Dat bevalt me ook niks. Gelukkig toch nog wel een blogje geschreven. 

Henk zit binnen

Ik wil het niet over mijn lichamelijke ongemakken hebben. Die hoef ik niet breeduit op internet te verspreiden.

Vandaag ben ik dagvoorzitter op een congres onder de rook van Utrecht. In een hotel dat slecht per fiets bereikbaar is, zo heb ik de vorige keer geconstateerd. Maar ik ben daar niet aangekomen. Iemand anders moet met de hamer slaan.

Een week geleden maakte ik een fietstocht van ruim 100 kilometer. Die fietstocht was geen probleem. Alleen was het slikken van vaste en vloeibare stoffen een pijnlijke aangelegenheid. Ik voelde me prima, maar eten en drinken waren dus niet leuk.

Ook de rest van de week voelde ik me prima. Maar dat eten en drinken: dat was geen pretje. Ik bekeek mijn keel en zag dat deze rood kleurde zoals de ondergaande zon op een winterse dag. Of zoals gekookte bietjes op een wit bord.

Tegenwoordig heb je allerlei digitale dokters die een diagnose kunnen stellen. Dat heb ik ook maar eens gedaan. De digitale dokter zei: “Wat doet u uit bed, meneer Henk 50?” Ik sprak en zeide: “Ik voel me prima, ik heb alleen zo’n pijn in mijn keel en al dat dansen en dat springen doet mij veel te zeer.” “Hebt u wel eens aan corona gedacht?” vroeg de digitale dokter. Maar dat wilde ik hem juist vragen. Hij zei: “Doet u eerst maar eens een test.”

Ik deed een test en daar kwam een IQ van 93 uit. Maar daar had de dokter niets aan. Hij bedoelde een coronatest. Omdat ik alles graag zelf wil doen en ik geen idee heb wat mijn Burger Service Nummer is deed ik een zelftest. Bij zelftesten presteer ik altijd beter, dan kijkt er niemand op mijn vingers en heb ik minder faalangst.

Er deed zich echter wel een probleem voor. Als ik in mijn neus peuter ga ik standaard heel hard niezen. De ruiten sprongen bijna, en dat niet één keer, maar zo’n tien keer per neusgat. Huiskater Ringo dook van schrik onder in een kast. De uitkomst desalniettemin was negatief en dus voor mij positief.

Tineke constateerde dat mijn keel er wel érg verdacht uit zag. Niet alleen rood, maar rood met witte stippen. Bovendien kon ik niet meer zingen. Zij wilde dat ik de dokterspost belde. Ik ben de kwaadste niet, al zie ik er altijd tegen op om mensen lastig te vallen met het hoofdstuk ‘onbegrepen lichamelijke klachten’. Keelpijn zit namelijk altijd tussen de oren.

Dokter Jos vond dat ik het maar even aan moest zien, maar als ik opgezette klieren kreeg en mijn mond niet meer open kon doen moest ik maar weer bellen. Maar als je je mond niet open kunt doen kun je wel bellen, maar niet spreken. Dat leek me ook weer ingewikkeld.

Het hele weekend heb ik me aan een streng dieet gehouden. Ik kreeg nauwelijks een hap door mijn keel. De koek en snoeptrommel is tot de rand toe gevuld gebleven.

Maandag de eigen dokter gebeld. Hij was ontzettend blij dat hij mij weer eens kon spreken. Dat was al twee jaar geleden en hij had wel behoefte aan een goed gesprek op niveau. Hij knapte er dan ook zienderogen van op. Als dank voor dit consult kreeg ik medicijnen mee. En voorlopig moest ik me maar even koest houden. En ook niet meer van die gekke fietstochten maken.

Ik kon dus niet op de fiets naar Utrecht. Bovendien  ben ik mijn stem kwijt. Dus als dagvoorzitter zou ik niet echt uit de verf komen. Vandaar dat ik nu niet onder de rook van Utrecht zit, maar onder de rook van Europoort.