Ik word geciteerd

Ik krijg een bericht van een wetenschappelijke uitgeverij dat mijn naam is opgedoken in een wetenschappelijke publicatie.

Het behelst de volgende publicatie: “Effects of peroxisome proliferator-activated receptor γ agonists on Na+ transport and activity of the kinase SGK1 in epithelial cells from lung and kidney”

Ik vind het natuurlijk geweldig dat ik zo beroemd ben dat ik op allerlei plekken geciteerd word. Maar als ik zelfs de titel van het artikel niet begrijp neem ik aan dat mijn kennis toch op een ander vlak ligt en dat de uitgeverij aan persoonsverwisseling doet.

Om er achter te komen wie mij in welke context geciteerd heeft moet ik een abonnement nemen. Dat is tijdelijk met 50% korting.  Maar door het abonnement niet te nemen bespaar ik 160 euro per jaar. Dat lijkt me beter. 

Afscheid van Klavervier…

En toen was het zo ver. Ik moest afscheid nemen van mijn werk in Harlingen.

Ooit was ik betrokken geweest bij de start van een kleine woning (gekoppelde woonhuizen) in het centrum van Harlingen. Daar was ik vanuit mijn werk in de Kop van Noord-Holland ‘gedetacheerd’, net zoals op een locatie op Texel. Zo zag ik dus af en toe de zee nog.

Toen ik in Amsterdam ging werken en later in West-Friesland (regio Hoorn) kon ik niet meer verbonden blijven aan Harlingen. Maar vlak voor mijn pensioen belde de manager van de locatie mij op of ik weer in Friesland wilde gaan werken. Daar had ik wel oren naar. En zo kwam ik weer terug in Harlingen, met inmiddels meerdere woonadressen.

Ik voelde me vanaf de eerste dag (weer) thuis. De woningen maakten geen onderdeel uit van een grote organisatie met logge bureaucratie in een vér kantoor. De lijnen waren kort en beslissingen konden snel genomen worden. Bij de eerdere organisaties was ik geleidelijk steeds meer ‘moe’ geworden van het niet inhoudelijke werk (de regels): hier kon ik me echt op de inhoud concentreren. Het werk in Harlingen, de contacten met medewerkers en bewoners: het gaf me allemaal energie.

Het station van Harlingen, gezien vanuit de nieuwe woningen van Klavervier

Normale woonhuizen voor gehandicapten waren in de jaren ’80 en ’90 dé trend in de zorg. Maar ik heb altijd gezegd: goed voor een echtpaar met twee kinderen en een hond, maar niet levensloopbestendig voor mensen met een beperking. Daardoor liepen we al snel tegen de grenzen aan, zoals het valgevaar voor ouderen als gevolg van de smalle trappen. Er werden plannen ontwikkeld voor nieuwbouw. En die nieuwbouw staat er inmiddels, mede dankzij de enorme inzet van een aantal familieleden. Naast het station, dat was weer erg handig voor mij…

Foto van het ‘Atrium’, de overdekte binnenplaats in één van de woongebouwen (tijdens de bouw, dus nog niet ‘aangekleed’)

Toch ben ik nu gestopt. Dat kostte me moeite. De eerste week van januari geen mailtje, geen telefoontje. Wat voelde dat anders! Wat miste ik de sfeer en de warme zorg op de locatie, de contacten met medewerkers en ouders, het sparren over de bewoners. En… de Friese taal. Daar moet ik nog wel even doorheen.

Eén van de meest opvallende kenmerken van het (toch) ouder worden vond ik dat het werk me energie gaf, maar dat ik na twee (lange) dagen Harlingen (inclusief reistijd) ook twee dagen hersteltijd nodig had. Het hoort er allemaal bij, ik weet het, maar je wilt er eigenlijk niet aan.

Dus na 48 jaar in de zorg zet ik er wat de vaste contacten betreft een punt achter. Losse afspraken, consultaties en cursussen én het schrijven van pedagogische stukken: nee, dat kan ik nog niet (los)laten. Het werk wordt nu overgenomen door een collega die zeven jaar geleden een jaar lang een werkervaringsplek bij mij had en die ik toen erg ben gaan waarderen vanwege haar hart voor de zorg.

Gisteren was het afscheid van al die bijzondere mensen aan wie ik zo gehecht was geraakt. Er waren toespraken, hartelijke woorden en uiteindelijk vier tassen vol met cadeaus. En mijn naam is vereeuwigd op de brug over de Bolswardervaart.

Als goed excuus om af en toe terug te komen heb ik trouwens mijn fiets laten staan in Harlingen. Eén van de bewoners heeft er zelfs een nieuwe band om gelegd...

Kaat en Patries

Vandaag staat er een dubbelinterview met Tineke en haar zus Inge in het Nederlands Dagblad. Onderstaand een fragment. "Je zult er maar mee getrouwd zijn..."

Inge: ‘Toen onze ouders in 1991 45 jaar getrouwd waren, besloten we een toneelstukje te doen. We hebben ons toen verkleed als het zelfbedachte Amsterdamse cabaret-duo Kaat en Patries. We droegen allebei een bloemetjesjurk en hadden een scheve hoed op. Onze dialoog waarin we mensen op de hak namen werd een enorme hit.’  

Tineke: ‘Daarna hebben we alle familieaangelegenheden als jubilea of bruiloften aangegrepen om te blijven optreden.’ 


Inge Henderson en Tineke Algra verkleed als de typetjes Kaat en Patries tijdens hun eerste optreden ter gelegenheid van het 45-jarig huwelijksjubileum van hun ouders in juli 1991.

Inge: ‘We kunnen goed improviseren samen.’ 

Tineke: ‘We kondigen nooit aan dat we optreden. We verkleden ons tussentijds stiekem en komen dan op enig moment luidruchtig binnen. Je ziet mensen dan kijken; ‘Wat gebeurt hier nou weer?’’

Inge: ‘Toen onze broer Jan vijftig jaar getrouwd was hebben we zelfs een nep-burgemeester laten invliegen om hem officieel te feliciteren. En dat had hij in eerste instantie niet door, haha.’ 

Tineke: ‘Dat gebeurde pas toen wij binnenkwamen met de roep: ‘O, is hier een feessie?’.’ 

De verjaardag van Pake

Vijf januari is de verjaardag van mijn grootvader. Hij maakt deze verjaardag hier op aarde niet meer mee. Vroeger kregen we die dag altijd oranjekoek in zijn huurhuis aan de Huizumerlaan in Leeuwarden. 

Op de één of andere manier heb ik dezelfde naam als mijn grootvader. Ik denk dat hij naar mij is vernoemd. Dat kan haast niet anders. De naam gaat generaties terug. Het stamboek gaat terug tot 1425. maar rond 1700 fietste er opeens een Hendrik de familie in.

Zonder fiets is een Algra niets

Mijn grootvader werd geen grootvader genoemd, maar Pake. Hij was in zijn tijd een Friese reus en stak met kop en schouders boven het gewone volk uit. Zijn vader was landarbeiderszoon en hij was dat aanvankelijk ook, maar studeerde ’s avonds bij. Hij moet ijzersterk zijn geweest, overdag werken op het land en dan ’s avonds tien kilometer lopend naar de avondschool (en weer terug) en ook nog eens studeren. Uiteindelijk werd hij leraar Nederlands en geschiedenis aan de christelijke Kweekschool en later aan het Gereformeerd Gymnasium in Leeuwarden.

Pake schreef 20 boeken en elke dag een hoofdartikel voor het Friesch Dagblad. Vóór de vakantie schreef hij er 14 vooruit. Hij had een vast dagritme, om 6 uur begon hij zijn hoofdartikel te typen en om zeven uur kwam de bode het halen voor de drukkerij. De typmachine staat nu bij onze kleinzoon.

De beroemde typmachine

Daarna ging hij naar school, of naar Den Haag, want hij was 25 jaar Eerste Kamerlid voor de ARP. Onderweg naar Den Haag werden onderweg twee sigaren van het merk Senator gescoord en in Meppel kreeg hij op het perron koffie aangereikt. Het schijnt dat hij zich niet veel met de opvoeding thuis bemoeide.

Voor de Duitsers was hij niet bang. Hij schreef voor de oorlog kritische artikelen over de ontwikkelingen in Duitsland en ging daar tijdens de bezetting gewoon mee door. Toen de Duitsers perscensuur instelden besloten het bestuur en hij om de krant op te heffen. Daarna werd hij opgepakt en naar het gijzelaarskamp in Sint Michielsgestel afgevoerd.

Ernstige zaak

Na de bezetting werd het Friesch Dagblad weer opgestart en kon mijn Pake weer elke dag zijn stukken typen, alleen op zondag niet.

In 1980 kreeg hij het eredoctoraat in de sociale wetenschappen van de Vrije Universiteit. Daar heb ik ook wat aan: het ligt nu bij mij in de kast. Doctor Hendrik Algra. Kan ik voor mijn raam hangen, het maakt vast grote indruk in de wijk.

Mijn grootvader zou het niet leuk hebben gevonden dat langs de grote weg die naar hem is genoemd géén fietspad loopt. Hij zou er een hoofdartikel over geschreven hebben. Ik ben het daar ook niet mee eens. Ik meld het in mijn blog. 

Pijn (7)

Pijn is subjectief. De één ervaart pijn anders dan de ander. Er zijn ook mensen die pijn prettig vinden. Dat is andere koek. 

PHPD

Een bekende pijn bij ouderen is het PHPD-syndroom. Daar kun je heel oud mee worden. Het betekent: Pijntje Hier, Pijntje Daar. Je kunt met elk pijntje naar de dokter gaan, die geeft je dan een ZHZD (Zalfje Hier, Zalfje Daar). Maar de meeste mensen leren te leven met PHPD. Als de pijn het leven teveel gaat beïnvloeden gaan ze naar de dokter. Die vraagt: ‘Doet het hier pijn? Doet het daar pijn?’ Dus ook de dokter kent het PHPD-syndroom. Dat zit in de wetenschap.

De vraag is wel wie er voor de dokter zorgt. De dokter heeft volgens mij ook wel eens pijn. Dus als ik een keer een ernstige pijnklacht oploop ga ik aan de dokter vragen hoe het met haar gaat en of ze niet teveel pijn heeft. Ik ken de huisarts niet, dus het is een mooie binnenkomer.

Dat brengt mij op de vraag waar de pijn eigenlijk zit in je hoofd. Wordt die gemeten door de pijnappelklier? Dat appel moet dan appél zijn. Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat ik nog veel meer wil weten.

Menstekening

Van een speltherapeut heb ik geleerd dat je pijn soms ook kunt aflezen aan de menstekening. Kinderen tekenen de vingers, de handen en het hoofd groter omdat ze die lichaamsdelen meer ervaren, o.a. door pijn. Je vinger tussen de deur doet heel erg veel zeer. Nu denk ik dat er ook veel kinderen zijn met buikpijn: zie je dat dan ook op de tekening?

De gevallen neus

Mijn zus heeft onlangs haar neus gebroken. Onze familie heeft grote neuzen, al zijn we geen feestneuzen. Ze voelde er niets van, haar arm deed zeer. Dat kan trouwens wel kloppen: die was ook gebroken. Totdat de dokter zei dat haar neus gebroken was. Dat had de dokter nu niet moeten zeggen. Want een te erg gebroken neus moet weer rechtgezet worden. Dat was een extreem pijnlijke ervaring: erger dan de arm. Als mijn zus nu een menstekening gaat maken tekent ze vast een hele grote neus.

Twee weken geleden viel ik plat op mijn gezicht. De gevolgen zijn nog zichtbaar. Ik scoor veel blauw. Vooral mijn neus doet nog zeer. Maar zoals jullie begrijpen ga ik na dit verhaal van mijn zus niet naar de dokter. Ik ben een pijnmijder.

Dit verhaal loopt helemaal uit de hand. Dat heb ik altijd met koorts. Dan krijg ik geniale ideeën. Ik zou verder gaan met het onderzoek naar pijnmeting. Maar de tekst dringt niet door.

(Geen) hoofdpijn

Daarom toch nog twee verhalen uit eigen werk. Ik wil niet over mijn pijnen klagen, maar toen ik nog jong was (rond de veertig) werd ik bijna dagelijks geprangd door hoofdpijn die alleen met pijnstillers redelijk te hanteren was. En toen opeens had ik een dag geen hoofdpijn. Het gekke was dat ik dat niet prettig vond. Ik kreeg het gevoel dat ik niet bestond.

Voor de goede orde: ik heb zelden meer hoofdpijn. Dus jullie hoeven je geen zorgen te maken. En ik voel me er inmiddels prettiger bij om géén hoofdpijn te hebben. Dus ik hoef niet te gaan headbangen om hoofdpijn te ervaren.

Complexe beenbreuk

Het tweede verhaal is dit: in de winter van 2011 werd ik op de stoep van het Krankenhaus van Euskirchen van mijn Gazelle en mijn sokken gereden. Ik voelde geen pijn. Ik wilde weer opstappen, maar mijn trapper was verbogen. Zo kwam ik dus niet ver. Bij nader inzien zat ook mijn voet verkeerd gedraaid aan mijn been. Dat leek me niet gewenst. Maar ik bleef optimistisch: even rechtzetten en dan vanavond met de trein. Dat was iets té optimistisch. Ik moest geopereerd worden. Dat kon niet in dit ziekenhuis, ik moest 60 kilometer verderop geopereerd worden. Dat was ook handiger, want daar reed een rechtstreekse trein naar Nederland. Dacht ik toen.

Maar ik dwaal af. Waar het om gaat is dat ik ook later nauwelijks pijn heb gevoeld. Je ligt best erg in de kreukels, je krijgt vooralsnog zware pijnstillers, maar als die na een week afgebouwd worden heb je nog steeds geen pijn. Wat deed ik eigenlijk die hele week in het ziekenhuis? En je bijt even op je tong en het doet héél erg zeer. Hoe kan dat nu?

Rest mij nog de vraag: hoe is het met mijn Gazelle afgelopen? Die is later door onze schoonzoon opgehaald. Hij stond er nog steeds. Duitsers zijn aardige mensen. 

Oud en Nieuw

Hier was het een rustige jaarwisseling.

Vrijdag hadden we de oppas op de kleindochters die een virusje hadden opgelopen. En wie doet er meteen ’s nachts mee? Opa! Gelukkig hebben we drie toiletten in huis.

Milou bestudeert het vuurwerk

De oudejaarsdienst hebben we via de Zoom meegemaakt. Het was eigenlijk ook te gevaarlijk op straat. De preek van de dominee werd regelmatig gestoord door zwaar vuurwerk rond de kerk. De dominee: “Zo te horen hadden de engelen het slagwerk nog beneden laten staan”.

Poes Milou bekeek vanaf de kast het vuurwerk en het geknal. Ze was niet bang, eerder nieuwsgierig. Ze vond het eigenlijk allemaal maar onzin. Het geld had beter aan lekkere brokjes besteed kunnen worden.

Na de kerkdienst hebben we nog even de agenda van het afgelopen jaar terug gekeken. Wat lijkt het soms allemaal alweer lang geleden….

Daarna was het (voor mij) bedtijd. Van de jaarwisseling heb ik niets gemerkt.  

Jarig

Vandaag is dit meisje weer jarig. Het is hier drie dagen feest.

Ze werd in 1951 geboren in Barneveld, verhuisde daarna naar Deventer en op 12-jarige leeftijd naar Amsterdam. Daar kwam ze een zekere Henk tegen.

Toen ze eenmaal kon lopen kon ze niet meer stilzitten. En dat is altijd zo gebleven. Als klein kindje zong ze ook al hele dagen. Dat is ook zo gebleven.

Hoewel haar broer kaashandelaar is liet ze zich niet de kaas van het brood eten. Dat moest ook wel als derde in een gezin waar ook de anderen precies wisten wat ze wilden.

Als driejarige peuter voerde ze strijd tegen haar vader ‘die altijd zijn zin moest hebben’. Later werden vader en dochter de beste maatjes. Technisch inzicht en boekhoudkundige vaardigheden nam ze van hem over.

Ze zou scheikunde gaan studeren, maar ze deed liever iets met haar handen. Het werd biochemisch analiste. Daarna tal van beroepen met een administratieve en regelkant. En tenslotte het mooiste beroep voor haar: ambulant begeleider in de gehandicaptenzorg.

Nu heeft ze nog enkele cliënten over. Ik kost haar de meeste begeleidingstijd. Maar ze doet het met liefde. 

Plat op het gezicht

Nu we het toch over pijn hebben. Gisteren ben ik plat op mijn gezicht gegaan.

Het effect was duidelijk. Een bloedneus en een tand door de lip. Of een lip door de tand. Ik was dus echt op mijn knar gegaan.

Het zat zo: op de stoep lag een E-step. Dat zijn van die ondingen die te pas en te onpas her en der worden neergesmeten.

Ik zag de step liggen, bedacht niet dat ik hem op zou moeten rapen (dan blijf je bezig, trouwens) en maakte een verkeerde inschatting. In plaats van er over heen te stappen stapte ik er bovenop. En ik ging vervolgens frontaal op mijn plaat.

De eerste ervaren pijn was aan mijn gezicht. Mijn tanden voelde ik niet meer. In deze kersttijd vreesde ik met groten vreze dat er iets afgebroken. Dat was niet zo. Mijn kaak voelde wel vreemd. Dagelijks belanden er mensen met kaakfracturen in het ziekenhuis en van de tandartsen weet ik dat dat vaak geen pretje is. Maar zo te voelen kon ik alles nog gepast bewegen.

Ik moest nog een treinreis maken. Van lezen kwam niets. Ik moest vooral even bij komen. Inmiddels verschoof de pijn van mijn hoofd naar mijn ledematen. Zo zie je maar weer: wat wat je het eerste voelt is niet altijd representatief voor het onheil dat je overkomt.

Thuis werd ik door pleegzuster Tineke onderzocht. De muizen van mijn handen bleken blauw en bebloed. En mijn knieën waren blauw en bebloed. Die werden vakkundig bepleisterd. Lip en neus bebloed.

’s Nachts heb ik prima geslapen. De volgende ochtend bleek ik vooral erg stijf te zijn, overal spierpijn. Ik kan zelfs niet zonder hulp een vest aantrekken. Maar de verdere schade valt mee.

Het was dus gewoon weer eens mijn jaarlijkse valoefening. Deze keer helemaal aan het eind van het jaar.  En ik ben geslaagd. Wéér niets gebroken. 

De lucht in

Daar ging ze. Helemaal alleen door de gate. Je vraagt je dan nog wel af of ze in het goede vliegtuig belandt. Want nadat ik haar heb uitgezwaaid heb ik niets meer vernomen.

Het was nog spannend of Tineke zou gaan. Nog nasleep van corona met tal van benauwdheden, dus niet helemaal klachtenvrij. De test gaf echter groen licht.

De trein reed ook en vier uur voor vertrektijd waren we op Schiphol. Tegenwoordig schaam je je wel met zo’n vliegkoffer, maar naar de USA gaat geen trein en de fiets lukt al helemaal niet.

Onder haar arm had ze ook nog een kunstwerk waarvan het de vraag was of het geïmporteerd mocht worden in de Verenigde Staten. Was het geen roofkunst? Het was een kunstwerk van een Nederlandse schilder. Ik zei dat ze gewoon moest zeggen dat het een tekening was van de kleindochter voor haar Amerikaanse tante.

Morgen maak ik ook weer een lange reis, maar dan met de trein. Ik ga Friesland weer een keer opzoeken. 

Binnen blijven!

Dacht ik een beterverklaring in de hand te hebben. Want, zoals ik al vaker mijn moeder citeerde, zolang je Henk binnen houdt blijft hij ziek. En ik voelde me al twee dagen niet (erg) ziek. 

Ik voel me dan ook zeer verwant met ‘De honderdjarige die uit het raam klom en verdween’. Ze moeten mij ook niet opsluiten. Ook tijdens de lock-downs en de avondklok was ik veel buiten.

Helaas heb je – als je zelf corona hebt – nog wat meer beperkingen aan je broekrok hangen. Je kunt niet even naar buiten om wat boodschappen te doen. Want met het betere nies- en sproeiwerk besmet je alle vakkenvullers.

Maandag had ik twee dagen geen klachten en geen koorts meer. Ik meende daarmee dus een vrijkaartje te hebben om mezelf weer vrijmoedig naar buiten te mogen bewegen. Helaas was mijn ambulant begeleider het daar niet mee eens. Ik mocht wel naar buiten, maar alleen in een luchtige en lege omgeving om grote afstand van de mensen en met een ratel en ondertussen roepende ‘Melaats, melaats!’ Ja, gekke Henkie! Dan blijft hij wel binnen.

Tineke raadpleegde een bevriend viroloog en immunoloog, oftewel een dokter. Hij sprak en zeide: ‘maak het objectief en doe een test’. Daar heb ik het niet op, want de gevolgen zijn niet te overzien. Een kleine prikkeling in de neus leidt bij mij tot een maximale niesbui waarbij de ramen in de sponningen trillen en er soms zelfs scheuren in de muur ontstaan. Maar ik moest er aan geloven.

En ziedaar: twee dubbele rode balken. Er viel niet aan te tornen. Ook een discussie over vals-positief leverde bij Tineke geen mededogen op. Ik moet me aan de regels houden. Een kleine wandeling in eigen omgeving is tot daar aan toe, maar ik moet binnen roepafstand van mijn wettige huisgenote blijven. Dan maar een blog.