Doesburg

De mensen vragen mij wel eens: "Henk, kom jij wel eens in Doesburg?" Jawel, in Doesburg ben ik meerdere malen geweest. Niet zo erg vaak, trouwens, want de plaats ligt niet op de route richting diverse werkzaamheden. Bovendien heeft Doesburg geen station.

Maar Doesburg is wel de moeite van een bezoek waard. Het is een mooie oude en kleine Hanzestad. En Hanzesteden, die hebben altijd mijn belangstelling. De stad ligt aan de samenvloeiing van de Oude IJssel en de Gelderse IJssel (er is ook nog een Hollandse IJssel).

Eén van de voordelen van Doesburg is dat het zo’n klein stadje is. Op een klein oppervlak staan maar liefst zo’n 160 rijksmonumenten. Deels is dat een geluk bij een ongeluk. De ontwikkeling van de plaats heeft namelijk een aantal eeuwen stil gestaan. De stad zat letterlijk en figuurlijk klem tussen zijn eigen vestingwerken. Dat is vanaf de 17e eeuw tot 1950 zo gebleven.

Het wonderlijke aan Doesburg was dat het eigenlijk niet echt aan de IJssel lag (net als Zwolle trouwens). Kampen, Deventer en Zutphen hebben een indrukwekkend IJsselfront, maar Doesburg leek de IJssel de rug toegekeerd te hebben.

Toen Doesburg begon te ontwaken uit een eeuwen lange slaap wilde het gemeentebestuur de stad meer een IJsselstad maken. Men trommelde de Italiaanse architect Adolpho Natalini op. Hij ontwierp een woonwijk die als een schil voor de oude stad ligt. Er is veel gebruik gemaakt van rode baksteen, compleet met puntgevels: een nieuwbouwwijk die toch associaties oproept met vroeger. Of het gelukt is? Ik vind het tegenvallen. Het geheel komt op mij ook tamelijk doods over. Of waren de steden vroeger óók zo stil?

Op de IJsselkade staat een bijzonder kunstwerk van de hand van een plaatsgenoot van Natalini: Roberto Bagni. De drie heren zijn respectievelijk 4½ meter, twee meter en één meter lang.

Advertenties

Rams Woerthe

Een artikel op 1 februari 2018 in de Volkskrant bracht mij er toe om een bezoek te willen brengen aan de villa Rams Woerthe in Steenwijk. Maar het was vooral Tineke die bijna niet meer weg te krijgen was uit dit huis...

Villa Rams Woerthe is het eerste van 35 nieuwe museumhuizen die Hendrick de Keyser de komende jaren opent. Je kunt er rondlopen, op allerlei plekken gaan zitten, de boeken bekijken. Je krijgt een handige audiotour die per kamer en soms ook per attribuut vertelt wat er te beleven valt. Eén van de kamers is in staat van restaurantie, daar kun je goed zien hoe complex de restauratie is en hoe nauwgezet deze moet worden uitgevoerd. Achter het stucwerk komen allerlei lagen behang tevoorschijn (ook op het plafond).

De schilderingen, maar ook het glas in lood , het houtwerk en het ijzerwerk, de plafonds, de vloeren, dat alles ademt de sfeer van Jugendstil en Art Nouveau.

Het huis werd in 1899 opgeleverd. Het is maar kort bewoond geweest; acht jaar na de oplevering overleed de eigenaar Tromp Meesters. Hij was rijk geworden in de houthandel, doordat hij als één van de eerste industriëlen de houtzaagmolens had vervangen door stoommachines. Die konden 24 uur houtzagen, en daar kon geen concurrent tegenop.

Mevrouw Tomp Meesters vond het huis te groot en verkocht het aan de gemeente Steenwijk. De villa heeft decennia lang dienst gedaan als gemeentehuis.

Helaas kun je op de bovenverdieping maar twee vertrekken bekijken, de rest wordt verhuurd. Het waren de slaapkamers van de familie Tromp Meesters en van het personeel. Ik vermoed dat er nu allerlei bureaus staan. Het zou mooi zijn als op termijn ook één van de slaapkamers in oude glorie kan worden hersteld.

Rams Woerthe staat in de Top 100 van Nederlandse monumenten. Rond het huis ligt een enorm park, dat ook in de stijl van rond 1900 werd aangelegd.

Tijdens je bezoek krijg je ook nog een kop koffie of thee geserveerd, tesamen met een luxe stukje koek en een vers gebakken ‘kniepertje’. Je waant je bijna de eigenaar van het huis als je in de veranda deze lekkernijen krijgt aangeboden.

In de kelder van het huis vind je een uitgebreide tentoonstelling over de Steenwijkse beeldhouwer en houtbewerker Hildo Krop, die decennia lang stadsbeeldhouwer was van Amsterdam. Op veel bruggen en op een aantal gebouwen in Amsterdam vind je zijn beeldhouwwerk terug. Zijn bekendste werk is het Monument op de Afsluitdijk.

Dan nog de vraag waar die naam Rams Woerthe vandaan komt. De eigenaar van het land was boer Ram. Woerthe betekent zoiets als 'uiterwaard'. Dit perceel was dus van oorsprong het land van boer Ram. Vandaar dus...

Bollenvelden in Delft

Dit is wel een bijzonder plaatje. Het is niet de bollenstreek in de Kop van Noord-Holland, maar een bollenveld in Delft.

Aan de zijkant van het nieuwe NS-station annex stadhuis werden in december een paar duizend bollen in de grond gestopt. Met het warme lenteweer komen ze opeens snel uit. En dus is er nu een bollenveld midden in het centrum van Delft. Onder het bollenveld trekken de treinen tussen Den Haag en Rotterdam hun spoor.

Volgend jaar kunnen we dit niet meer zien. Dan wordt er op deze plek gewerkt aan een zeer ambitieus ogend gebouw. Want als stad met een grote architectuur-opleiding moet je iets extra doen voor je representativiteit.

Overigens: in de Delftsblauwe kop en schotels (links op de foto) kun je zitten.

Hofpleinboog

Dwars door Rotterdam Noord loopt het voormalige tracé van de Hofpleinlijn. Het was een bijzonder spoortraject, want de lijn eindigde niet op Rotterdam Centraal, maar op een kopstation dat een paar honderd meter verderop lag: Rotterdam Hofplein.

De Hofpleinlijn verbond Rotterdam via de tuindersdorpen Berkel en Rodenrijs en Pijnacker met Den Haag Centraal en het spoor liep zelfs door naar Scheveningen. De lijn werd oorspronkelijk geëxploiteerd door de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij. Het was zelfs de eerste spoorlijn in Nederland waar elektrische treinen reden.

De spoorlijn bestaat in deze vorm niet meer. Vijfhonderd meter meer naar het westen werd een bijna 2½ kilometer lange tunnel geboord, die in het noorden van Rotterdam aansluit op het oude tracé via Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. Op deze manier kom je met de huidige Randstadrail precies onder Rotterdam Centraal uit.

Het tracé van de oude spoorlijn ligt er nog wel, inclusief het 1900 meter lange Hofpleinviaduct door Rotterdam Noord. Station Hofplein heeft grotendeels een functie gekregen als restaurant en onder het viaduct, in de bogen van het tracé, vind je tientallen winkels en kleine bedrijven.

Geuzenveld

Gisteren had ik werkafspraken in het uiterste westen van Amsterdam. Om daar te komen fietste ik door de wijk Geuzenveld.

De wijk werd gebouwd tussen 1953 en 1959. Tuinstad Geuzenveld bestaat uit zes buurten die allemaal naar het ontwerp van een andere architect zijn gebouwd. De bedoeling was dat de buurten ieder een eigen subwijk zouden vormen, met ieder een christelijke basisschool en een openbare basisschool. Het was een mooi en idealistisch ontwerp, met veel groen en een mooi ruimtelijk perspectief.

Eind vorige eeuw was de wijk sterk aan het verpauperen. De oorspronkelijke bewoners trokken weg. Momenteel heeft nog maar 15% van de bevolking een westerse achtergrond. Dat zie je ook duidelijk als je hier de stadsbus door de wijk neemt.

In Denemarken zijn verder uitgewerkte plannen ontwikkeld die dit soort wijken moeten opheffen omdat de integratie er door belemmerd wordt. De bevolkingsgroepen zouden weer meer gespreid moeten worden.

In Amsterdam probeert men vooral door nieuwbouw de wijken weer aantrekkelijk te maken voor meer mensen uit de samenleving. Amsterdam voert op veel vlakken een sociaal beleid, en volgens mij zie je dat ook terug in de zorg voor deze wijken.

De namen van de straten herken ik nog van vroeger (een halve eeuw geleden woonden we in Amsterdam West. Maar een groot deel van de flats is afgebroken, dat geldt ook voor een deel van de eengezinswoningen. Er is wat minder groen, maar daar staat tegenover dat de fietspaden veiliger aanvoelen. De kleine winkelcentra van vroeger zijn bijna allemaal verdwenen. Of er zitten allerlei andere kleine zaakjes in, zoals belwinkels en exotische eettentjes.

Gilze en Rijen, maan en Breda

Het werd gisteravond nogal laat met een Brabantse zorgbespreking. Vervolgens miste ik de trein op station Gilze-Rijen.

Zijn jullie wel eens in Gilze-Rijen geweest? Dat bestaat natuurlijk helemaal niet. Het zijn twee dorpen: Gilze en Rijen. Beide dorpen liggen hemelsbreed vier kilometer uit elkaar. Het station is genoemd naar beide dorpen.

Daarnaast ligt hier een grote vliegbasis. Hoewel het al tegen middernacht liep, was het een oorverdovend lawaai van motoren van helikopters. Dat de Rijdende Rechter zich nog niet heeft hoeven uit te spreken over dit nadrukkelijke burengerucht!

Opeens zag ik een groot oranje licht boven de horizon. Het schoof langzaam omhoog. Een paar minuten later bleek dat het de maan was. Door de vertekening lijkt de maan vlak boven de horizon altijd extra groot.

De Sprinter bracht mij naar station Breda. Het station heeft tal van architecturale prijzen gewonnen, maar het blijkt toch minder geschikt te zijn voor wachtende reizigers. De doelgroep is wat vergeten. Maar dat zien we vaker bij prestigieuze bouwprojecten.

Alle winkels en eetgelegenheden waren gesloten. Het enige vertier bestond uit een weerbarstige passagier die in de boeien werd geslagen.

Vanaf het dak van de parkeergarage heb je een mooi zicht op de binnenstad van Breda.

Sopron (1)

In Sopron was ik al drie keer op de fiets geweest. Nu kwam ik er met de trein. Sopron ligt in het noordwesten van Hongarije.

Je kunt met een goedkope dagkaart van de Oostenrijkse spoorwegen ook het dieseltje naar Sopron nemen: een bus op rails. Je komt aan op het station van Sopron en loopt daar vandaan in een kwartier naar de binnenstad van Sopron.

Zoals zoveel steden in deze regio heeft ook Sopron een heftige geschiedenis. Toen het gebied tot het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk toebehoorde was er in politiek opzicht geen vuiltje aan de lucht: het was gewoon duidelijk. Maar na de Eerste Wereldoorlog veranderde de situatie.

De stad Ödenburg was eeuwenlang een Duitstalige stad geweest. In 1850 sprak 97% van de bevolking Duits. In 1921 werd besloten dat Burgenland (het grensgebied ten oosten van Wenen) tot Oostenrijk zou behoren, maar dat Ödenburg een Hongaarse stad zou worden. Dat leidde tot allerlei schermutselingen. Het Hongaars sprekende deel van de bevolking beriep zich op de geschiedenis: in de late Middeleeuwen werd er vooral Hongaars gesproken. Dat was echter weer een gevolg van een massale volksverhuizing: miljoenen Hongaren waren op de vlucht geslagen voor het Ottomaanse leger.

In ieder geval trokken de Duitstaligen aan het kortste eind. Na de Tweede Wereldoorlog was hun lot helemaal bezegeld: iedereen die nog Duits sprak moest de stad verlaten. Tegenwoordig is Sopron een volledig Hongaarse stad. Duits kun je er beter niet spreken en alleen de jongere inwoners spreken Engels. Met de Euro kun je er niet terecht: hier geldt de Hongaarse munteenheid.

Toen de stad achter het IJzeren Gordijn lag leidde de plaats een wat zieltogend bestaan, hoewel er werd geprobeerd met industrialisatie de stad wat leefbaar te houden. Tegenwoordig vormt de stad een poort tot Zuid-Oost-Europa. Drie Europese hoofdsteden (Wenen, Bratislava en Boedapest) liggen op vrij korte afstand. Deze ligging legt de plaats in economisch geen windeieren. De zeer historische binnenstad wordt prachtig gerestaureerd. En – opmerkelijk genoeg – de oude Duitse straatnamen komen ‘als ondertitel’ terug in het straatbeeld.