Krummhörn (4)

De dorpen rijen zich aaneen. Je fietst het ene dorp uit en het volgende dorp ligt al op korte afstand. En toch behoort het gebied tot de dunstbevolkte streken van Duitsland. Dit is Ostfriesland.

De volgende dorpen zijn Neuloquard en Loquard. Dit tweelingdorp telt zo’n 600 inwoners. Er loopt een weg, maar het is goed om te bedenken dat eeuwenlang al het vervoer over water ging. Een stelsel aan vaarwegen doorkruiste de Krummhörn en alle goederen werden via deze vaarten vervoerd naar de zeehavens van Greetsiel en Emden.

De wegen waren grote delen van het jaar nauwelijks begaanbaar. Doordat er turf gewonnen werd won het water aan oppervlakte. Het typeert ook nu nog de streek: een uitgestrekt polderland dat doorkruist wordt door tal van vaarten.

De streek is lang vrij armoedig geweest, met een aantal rijke boeren. Dat leidde na de Eerste Wereldoorlog tot een lokale opstand van landarbeiders tegen de boeren. Ze namen uit de boerderijen grote hoeveelheden aan landbouwproducten mee.

Wat je nu ziet aan de dorpen is bijna geen nieuwbouw, maar veel oudere huizen die liefdevol worden onderhouden, met prachtige tuinen met veel bloemen en struiken.

Ondertussen blijft het regenen. In Loquard schuilen we even in de beschutting van een boerderij aan een cirkelvormige weg die ooit rond een burcht liep. De burcht is verdwenen, maar de contouren zijn herkenbaar. Links op de derde foto zie je een stukje van de vroegere slotgracht.

Daarna fietsen we verder met als verste punt Greetsiel, waar het inmiddels droog is geworden. Dat dorp (met 1500 inwoners) is een soort van Volendam. Ooit mooi en authentiek, maar nu ‘te toeristisch’. Vanuit Greetsiel fietsen we langs de kust terug naar Knock, waar we de veerboot naar Delfzijl nemen.

Advertenties

Krummhörn (3)

De Krummhörn is één van de dunstbevolkte gebieden van Duitsland. Er wonen 12.000 mensen. De hoofdplaats is Pewsum met 3300 inwoners, daarna volgt Greetsiel met 1500 inwoners. De andere 17 dorpen tellen minder dan 1000 inwoners.

Toch hoef je geen grote afstanden te fietsen om in het volgende dorp te komen. Onze (fiets) ervaring in Sleeswijk-Holstein en Mecklenburg Vorpommern was dat we grote afstanden moesten fietsen naar de volgende plaats. Hier zie je als je het ene dorp uitfietst het volgende dorp al liggen.

De Krummhörn vormde, zoals al eerder geschreven, vroeger een eenheid met de provincie Groningen. Door enkele verwoestende stormen werd die eenheid verbroken. Maar landschappelijk gezien lijkt het gebied nog steeds op het noorden van Groningen. Het is alleen authentieker, je vindt hier geen autowegen en geen hoogspanningsmasten. Alleen in het midden van het gebied een groot windmolenpark.

Aan de randen van het gebied zijn door bedijkingen nieuwe polders ontstaan. Qua werk zette dit uiteindelijk niet veel zoden aan de dijk. Door intensivering van de landbouw is er minder werk aan de winkel. Het aantal inwoners van veel dorpen ligt nu lager dan in 1880. Er was een piek aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, doordat er veel vluchtelingen kwamen wonen. Maar de afgelopen decennia daalde het aantal inwoners weer aanzienlijk.

Wat ik niet wist is dat deze streek een tijdje onder het Koninkrijk Nederland heeft gevallen. Dat was in de Franse tijd en die periode duurde minder dan tien jaar. Er zat een politieke bedoeling achter. De streek exporteerde landbouwproducten naar de Engelse vijand, en dat moest nu maar eens afgelopen zijn. Het gevolg was dat de armoede fors toenam.

In de recente geschiedenis was de enige meer rijke periode voor de streek de tijd van Nazi-Duitsland. Hitler propageerde een sterke landbouw en dit gebied was (en is) voornamelijk agrarisch georiënteerd.

Opmerkelijk is dat in er in het traditioneel Lutherse Noord-Duitsland in deze streek bijna geen Lutherse kerken te vinden zijn. De kerkgebouwen behoren bijna allemaal toe aan de Evangelisch Reformierte Kirche, een wat kleiner kerkverband met zo’n 150 plaatselijke kerken en ongeveer 200.000 leden.

Maar we waren aan het fietsen en het regende. Dat bleef het doen, maar omdat het bijna windstil was was het onder de poncho goed te doen. na het passeren van de zeedijk zien we het eerste dorp liggen: Rysum, met de kerk in het midden en de molen meer aan de rand van het dorp.

Het blijkt een schitterend dorp te zijn, waar de tijd bijna stil lijkt te hebben gestaan. Als er geen enkele auto had gestaan had het ook een eeuw geleden kunnen zijn. We komen werkelijk niemand tegen, dus ook aan de kleding van de mensen konden we niet aflezen in welke tijd we nu fietsen. Aan de bloemen en planten is te zien dat de inboorlingen van hun dorp iets moois willen maken en dat ze dat ook zo willen houden.

Krummhörn (2)

De smalle kuststrook tussen het nieuwe industrie in het Emsgebied en het water van de Eems geeft de illusie van een natuurgebied. En net zoals in Europoort zie je ook hier toch best veel mooie stukjes natuur temidden van grootschalige bedrijvigheid. Je moet alleen niet teveel om je heen kijken. Je ziet de Eemshaven aan de overkant op de bovenste foto. Het water heet hier het Ostfriesische Gatje.

We hebben ons in onze regenpakken gehesen. Eerst fietsen we een stukje over de zeedijk langs de Eems. Aan de overkant zien we grootschalige industrie en veel windmolens. Waar ooit uitgestrekte lege polders waren heeft de provincie Groningen grootschalige bedrijvigheid georganiseerd, inclusief de aardse basis van Google.

Dan buigt het pad af, het land in. Geen idee of dit een doorlopende weg is, nergens staan bordjes. Het begint een beetje op een duinpad te lijken, inclusief prachtige duindoorns.

We hobbelen en knarsen wat over het pad en komen uiteindelijk op een dijk terecht. Voor ons strekt zich het eindeloze platteland van Ostfriesland uit.

Voor mensen die niet weten hoe Ostfriesland er uit ziet: het is gewoon de voortzetting van Noord Groningen. Enkele stormvloeden aan het eind van de middeleeuwen hebben deze kuststroken door midden gespleten. Maar ze lijken toch steeds sprekend op elkaar met dorpjes op terpen en zeer historische dorpskerken in het midden van het dorp.

Zelfs de talen lijken sprekend op elkaar: de taal die in Ostfriesland wordt gesproken heet Plattdütsch en is zeer sterk verwant aan het Groningse dialect.

Krummhörn (1)

De mensen vragen mij wel eens: “Henk, kom jij wel eens in de Krummhörn?” Dat zal ik jullie zeggen. Het is vele jaren geleden dat ik daar ben geweest. Maar vorige week waagden wij weer eens de oversteek.

Doordat de spoorbrug bij over de Ems bij Weener er nog jaren uit zal liggen is eigenlijk de enige gemakkelijke manier om per fiets en OV naar de Krummhörn te gaan de veerboot vanuit Delfzijl naar Knock. En dus namen wij op een grijze vrijdagmorgen de veerboot naar Knock: de Wappen von Borkum. 

We moesten ons vroeg melden, want die boot vertrekt om half negen ’s morgens uit de haven van Delfzijl. En niet eens van de vaste aanlegsteiger, maar van een provisorisch aangelegde plek in de jachthaven Neptunus.

De plaats Knock hadden we overigens op geen kaart aangetroffen. Wel de vuurtoren Knock op de plek waar de Eems een scherpe bocht in noordelijke richting maakt.

Op de boot maakten we ons zorgen omtrent het weer. Want de buienradar voorspelde langdurige hoosregens aan de overkant van de Eems. De donkere kleuren op de radar gaven aan dat het echt hevig noodweer zou kunnen worden. Ook de kapitein van de boot waarschuwde ons. We konden beter naar Borkum doorvaren, daar zou het beter weer zijn…

De boot voer eerst een half uur door het Zeekanaal van Delfzijl, langs kilometerslange industrieterreinen. Daarna werd de oversteek naar Ostfriesland gemaakt.

Halverwege de overtocht begon het al te regenen. Gelukkig nog niet in grote hoeveelheden, maar in het oosten zag de lucht er behoorlijk dreigend uit.

We meerden aan aan een soort van pier, een kale aanlegsteiger in ‘the middle of nowhere’. Dit was dus Knock. Eenmaal aan land (we waren de enige uitstappers) was de boot nauwelijks te zien, die lag ergens in de diepte bij de steiger.

Regenpakken aan en maar zien hoe ver we vandaag konden komen. We fietsten over het talud van de zeedijk. Nergens richtingaanwijzers, dus gewoon op de gok. Het is hier een smalle strook van groen want de Duitse overheid stimuleert hier de vestiging van industrie. Er zijn al diverse grote bedrijven gevestigd.

 

 

Natte voeten

Af en toe treedt de Ruhr buiten zijn oevers.

Als rechtgeaarde Nederlandse fietser vind ik dat je niet bang moet zijn voor een beetje nattigheid. Maar soms loopt het toch niet helemaal goed af.

Zo dacht ik op het duinfietspad in Den Helder dat het water niet zo diep zo zijn, maar ik verdween tot de assen van de wielen van mijn fiets in het water. Achter me hoorde ik een gegrinnik. Twee leerlingen zagen hun docent in moeilijke omstandigheden verkeren.

Zo ook bij de Ruhr. Er stond een bord dat het fietspad onbegaanbaar was geworden. Maar daar fietste ik gewoon omheen. Even verderop bleek dat er toch sprake was van meer nattigheid dan ik dacht. Maar terug gaan leek me ook geen goede optie. Dus fietste ik verder. Dat trapte wel behoorlijk zwaar. Uiteindelijk besloot ik toch maar om te keren. Maar de bocht haalde ik niet en ik moest uiteindelijk afstappen.

Op de eerste foto kun je zien dat ik niet de enige zondaar was.

Op de terugweg in de trein zette ik de schoenen klem tussen het klapraam. Daar werd een medereiziger ontzettend boos over. “Verrückte Holländer!”

Fietsen naar de Ruhr (slot)

Wat niet veel mensen weten is dat er langs de Ruhr een schitterende fietsroute loopt. Bijna nergens heb je het gevoel dat je door één van de meest bevolkte gebieden van Europa fietst. En de Ruhr: dat is al lang geen stinkrivier meer. Het is een langgerekt natuurgebied met tientallen unieke soorten van planten (zoals het Kruitje Ruhr Meniet) en vogels.

Tussen Oberhausen en Mühlheim an der Ruhr kronkelt de Ruhr zich in westelijke richting. Hij is hier bijna bij zijn eindbestemming, want in Ruhrort plonst hij in de Rijn.

Ik was dus in Oberhausen en fiets over een fietspad met platanen in westelijke richting. Eerst is er voornamelijk de saaie bouw van de ‘Wederopbouw’, daarna fiets ik tussen volkstuinen door. Veel inwoners van het Ruhrgebiet hebben een volkstuin (zoals de Oberhausener Kleingarten Verein E.V.). Vooral tijdens voetbalcompetities is het er een vrolijke boel. Je ziet de huisjes bijna niet meer vanwege de vlaggen, de vaandels en de biertapinstallaties.

Ten westen van Mühlheim kom ik bij een sluis uit die het water van de Ruhr doseert. Want de rivier mag er wel vriendelijk uit zien, als hij boos wordt moet hij toch echt in bedwang gehouden worden. De grote brug over de Ruhr is wel 600 meter lang. Kennelijk is dat de breedte die de rivier heeft bij hoogwater. Ik heb dan één keer aan den lijve ondervonden toen ik drijfnat dit gebied verliet omdat ik meende dat het fietspad nog wel bruikbaar was….

Parallel aan de Ruhr loopt een kanaal met daarbij ook weer een onderdeel van de Route der Industriellen Architektur. Hier liggen maar liefst vijf spoorbruggen binnen een afstand van 300 meter.  Op de foto is dat niet te zien, ik kreeg ze niet allemaal op de foto. Enkele bruggen zijn zwaar verroest en aan de vergankelijkheid onderhevig.

Even verderop kom ik weer door een volkstuinencomplex. Daarna ben ik binnen de bebouwde kom van Duisburg. Van de geschiedenis van de stad is weinig meer zichtbaar: 80% van de woningen werd in de oorlog verwoest. Slechts enkele monumentale gebouwen werden (bijna van de grond af) in oude stijl opnieuw opgebouwd. Zoals het (witte) muziektheater op de foto. En de laat-Middeleeuwse Salvatorkerk naast het neoclassicistische stadhuis.

Zoals zoveel Duitse steden heeft Duisburg te maken met krimp van de bevolking. Sinds 1975 verloor de stad bijna een kwart van het aantal inwoners (van 590.000 naar 490.000 inwoners). Dat had mede te maken met het verdwijnen van veel hoogovens en staalbedrijven.

Langs de oude havenbekkens verrijzen momenteel moderne appartementscomplexen. Het is één van de weinige zichtbare tekenen dat er nog sprake is van nieuwe ontwikkelingen in deze vergrijzende omgeving.

Ik fiets nog weer een eind terug naar het westen (de Rijn over) en stap in Krefeld op de trein die mij (met een overstap) naar Venlo brengt. De fietsteller heeft er dan 105 km. bij opgeteld.

 

Fietsen naar de Ruhr (9)

De route die ik volg is één en al verstedelijkt gebied. Maar toch is het wat anders dan een versteend gebied. Het Ruhrgebiet kent verrassend veel groene enclaves. Alleen fiets ik nu ongeveer parallel aan de spoorlijn en daar zijn de plaatsen naar elkaar toegegroeid.

Maar beeld je ook het Ruhrgebiet niet in als een gebied met volop dichte bebouwing en Vinex-locaties. De plaatsen hebben nog altijd een betrekkelijk dorps karakter. Alleen in het centrum en rond het station zie je wat meer ‘gestapelde woningbouw’. Voor wie de mijnstreek van Zuid-Limburg kent: dat zie je ook in het Ruhrgebiet. Enclaves van huizen voor werknemers voor de (meestal voormalige) staalfabrieken en daarom heen is ook weer andere bebouwing geklonterd.

Ik kom over het Rijn-Hernekanaal, een belangrijke schakel in het vaarverkeer tussen de Rijn en de oostelijker gebieden van Duitsland. En daarmee fiets ik ook de stad Oberhausen binnen. Het is midden in de vakantie en de stad ligt er dorps verlaten bij. De stad heeft toch wel al weinig sfeer. En sinds het CentrO (een gigantisch winkelcentrum naast de Gasometer, een gashouder van meer dan honderd meter hoog) is gekomen heeft dat een groot deel van de middenstand in de stad de das om gedaan.

Af en toe heeft men een leuk trucje bedacht, zoals een zeer flexibele voet-en fietsbrug over het Rhein-Herne kanaal (als je er over fietst lijkt het wel of er een aardbeving aan de gang is).

Wat nog wel interessant is in Oberhausen zijn de delen van de Route der Industriellen Architectur: oude (gesloten) bedrijfspanden waar men de industriële geschiedenis laat zien van het Ruhrgebiet. Over hoe het hier een eeuw geleden overal dampte en siste, rook en stoom uit honderden pijpen kwam en hoe de lucht ’s nachts bijna nooit donker werd vanwege de vlammende hoogovens. En dan de oorlog en vervolgens het Wirtschaftswunder: in een paar jaar tijds werden alle gebombardeerde fabrieken weer hersteld. Totdat in de jaren ’70 alles weer instortte. Nu niet door de oorlog, maar door economische veranderingen.