Hechting in vogelvlucht (2)

Ik teken bij de cursus altijd een 'ui-model' als het gaat om het uitleggen van wat hechting is. 

De baby kan zich redelijk op zijn gemak voelen bij een groot aantal mensen (als men hem maar rust, veiligheid, warmte en voeding biedt). Een kind van ongeveer een jaar is vaak eenkennig, maar een paar vertrouwde mensen zijn veilig genoeg. En daarna wordt de wereld van mensen met wie het kind contact heeft weer groter.

Maar hoe zit het voor de geboorte, willen veel cursisten weten. Persoonlijk kan ik me daar niets van herinneren, al zaten mijn ouders in een verhuizing. Maar ze hebben gelijk: de eerste bouwstenen van de hechting liggen al vóór de geboorte. Maar dat onderwerp sla ik nu over. Ik begin op het moment dat de vader voor de baby zichtbaar wordt, dus vanaf de geboorte. 

Vóór de geboorte werken alle zintuigen al, behalve… de geur. De baby krijgt dus via de zintuigen al informatie over de buitenwereld binnen. Erg mooie geluiden zijn dat niet, het klinkt vooral als een bad dat al slurpend en heftig borrelend leegloopt. Baby’s reageren voor de geboorte ook al op muziek.

Opmerkelijk is dat juist de geur het eerste zintuig is waarmee de pasgeboren baby de moeder herkend. Baby's van twee dagen oud hebben al een voorkeur voor een lapje met de geur van de moeder. 

Een baby wordt overspoeld door indrukken. Het is één grote heksenketel aan prikkels. Hij weet niet waar hij kijken moet. Hoewel: vlak na de geboorte kijkt de baby op een afstand van 60 centimeter heel gericht naar de ogen van de moeder. Dar zit al een stukje van de hechting in. En die 60 centimeter is niet toevallig: dat is ongeveer de armlengte.

Dat is een volgend thema. Om de hechting te begrijpen moet je iets weten van de zintuigen. Mijn stelling is dat de zintuigen de voertuigen van de hechting zijn. Via de zintuigen leert het kind de vertrouwde mensen om zich heen kennen. Staat één van de zintuigen te scherp afgesteld of werkt één van de zintuigen niet, dan leidt tot altijd tot problemen in de ontwikkeling van de hechting.

Dat zien we vooral bij kinderen met een auditieve beperking. Vraag aan de cursisten is of ze kunnen bedenken waarom dat zo is. 

Dansende letters

Marjon geeft aan dat ze soms bijna niet kan lezen. De letters blijven niet op het papier staan. Ze gaan dansen en het lukt haar dan niet meer om die letters te vangen. Het lezen lukt dan dus niet meer. Wat is er aan de hand? 

Dat weet ik ook niet. Hoewel: het is mij ook wel (een enkele keer) overkomen. Dat lag niet aan mijn ijdelheid (geen leesbril), maar – voor mijn idee – aan een te vol hoofd. De hersenspons zat vol: er kon geen nieuwe informatie meer bij. Het enige wat mij dan hielp was ‘even niks’.

Overbelasting van de ogen

Mijn indruk was (al) dat die dansende letters te maken zouden kunnen hebben met overbelasting van de zintuigen. Toen ik op zoek ging kwam ik het verschijnsel o.a. tegen in een artikel over Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH). Inderdaad: als de ogen teveel informatie te verwerken krijgen kan er een soort van kortsluiting optreden: de boel gaat op slot. Kenmerken van die overbelastig zouden kunnen zijn:

  • Dubbel zien
  • Wazig zien
  • Slecht kunnen lezen
  • Dansende letters
  • Oogvolg bewegingen (niet vloeiend, snel heen en weer)
  • Veel knipperen met de ogen
  • Overgevoeligheid voor licht (graag een zonnebril op hebben)

Horen én zien is (te) veel

In de loop van de jaren heb ik de indruk gekregen dat met name de combinatie van veel horen én van veel zien het hoofd sneller vol maakt. Er zijn dan ook mensen die bewust in een drukke ruimte oordoppen in doen of omgekeerd zich meer afsluiten van wat ze zien. Het lijkt een combinatie van een neurologisch probleem en een zintuiglijk probleem: er komt teveel binnen en dat kan niet verwerkt worden: de waarneming gaat op slot. Het leidt ook tot problemen in de motoriek en het evenwicht.

Lichaamsbesef en – ordening

Daarmee kom ik op een volgende waarneming: die van het proprioceptieve systeem. Hoe zit je lichaam in elkaar? Hoe reguleer je je handelen? Bijvoorbeeld: als ik een heel klein schroefje aan moet draaien moet ik langzamer handelen. Als ik een volle beker water op de tafel wil zetten moet ik voorzichtig manoeuvreren. Als ik een ijshoorntje aan pak moet ik daar niet in knijpen. Proprioceptie is eigenlijk het leren hanteren en kennen van je eigen lichaam. Het is heel goed zichtbaar bij het wassen en bij het tandenpoetsen.

Bij mensen met een verstoorde proprioceptie zien we:

  • Vaker struikelen of vallen (onvoldoende kijk op je lichaam in de ruimte en oneffenheden in de ruimte en de consequenties die dat voor je lichaam heeft
  • Onhandig, zoals veel dingen laten vallen (problemen met doseren van bewegingen)
  • Onvoldoende samenwerking tussen beide handen en vaak ook voeten
  • Problemen in ritme en volgorde in handelen en soms ook in de mogelijkheden van de taal
  • Vaker emotionele problemen (zelfbeeld/zelfvertrouwen)
  • Lagere alertheid, niet bij de les kunnen zijn, beperkte aandacht regulatie
  • Moeite met dubbeltaken: dingen na elkaar in plaats van tegelijk
  • Meer moeite met het snel opnemen van informatie.
Naarmate mensen ouder worden hebben ze meer moeite met de afstemming van de proprioceptie. Het valgevaar neemt bijvoorbeeld toe, ze kunnen maar één handeling tegelijk. Dat maakt het noodzakelijk dat ook het tempo verlaagd wordt.

Kriebeltrui en andere ongemakken

Vroeger maakte ik goede seizoenen en minder goede seizoenen mee. Ik hield erg van de zomer, maar de winter was me veel te koud. Als kleuter woonde ik in Indonesië, daar raak je ontwend aan de winter.

Maar het grootste ongemak van de winter was de wollen borstrok. Ik had dagelijks last van forse jeuk. En zeker als daar ook nog een wollen trui overheen getrokken moest worden. Dat viel allemaal niet mee. Als de juf zei dat Henkie het beter kwam weet ik achteraf de verklaring: ik werd afgeleid door de jeuk.

Een ander ongemak was de gortpap. Ik kon een half uur doen over het leeg eten van het bord, vanwege de klonten. De ene week aten we gortpap, de andere week zelfgemaakte yoghurt. Die laatste was ook niet klontvrij, maar toch iets beter te doen. Omdat we tussen de middag warm aten moest ik op vier dagen van de week na het middageten wel weer naar school. Als de pap ’s middags niet was opgegeten volgde er ’s avonds nog een herkansing.

Die gevoeligheden hebben te maken met de zintuigen. In dit geval met overgevoeligheid (hypersensitiviteit) op de huid en in het mondgebied. Dat is het onderzoeksgebied van SI-therapeuten, die gespecialiseerd zijn op over-en ondergevoeligheid van de zintuigen.

Ooit zag ik een man aan het werk op de dagbesteding, die alleen met de toppen van zijn vingers de voorwerpen aanraakte. Een kopje koffie hield hij vast tussen twee vingers. Die man was waarschijnlijk overgevoelig aan de binnenkant van zijn handen. Dat komt nogal eens voor bij mensen met autisme.

In een artikel las ik in dat verband iets over handenarbeid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Mensen met Downsyndroom houden van dikke wollen draden, mensen met autisme hebben een grote voorkeur voor dunne niet kriebelende touwtjes....

Spinazie-bloemkool ijs

De plaatselijke ijszaak had vorige week bloemkool-spinazie ijs. Het was ijs met een wat groene kleur, en er liepen groene slierten doorheen. Misschien is dat een manier om kinderen aan de groenten te krijgen...

De essentie van fruit zit voor de hersenen – aldus Mark Mieras – in de vluchtige stoffen die ze verspreiden. Een smaak-en geurstoffenproducent is het gelukt om de geur van perziken zó perfect na te bootsen dat de mensen de fluweelzachtige huid van een perzik tussen hun vingers voelen. Dat is opmerkelijk, omdat er aan het creeëren van deze geur geen enkele perzik te pas kwam. Dat noemt men ‘natuuridentiek’.

Een kwart eeuw geleden schreef ik een column dat kinderen niet vanwege de smaak, maar vanwege de geur geen spruitjes willen eten. De geur van spruitjes roept bij (veel) kinderen een soort aversie op, nog vóórdat ze een hap hebben genomen. En dat verhaal koppelde ik weer aan mijn indruk dat de geur het meest onderschatte zintuig is. Vooral bij sommige mensen met autisme zag ik dat ze extreem sterk op geuren reageerden.

Het ervaren van de geur gaat via een hersendeel dat een grote rol speelt bij heftige emoties: de insula. Daardoor kun je zonder iets te zien al reflexmatig gaan kokhalzen op basis van de geur.

Opvallend is dat oorlogsveteranen dissociatieve herbelevingen krijgen als ze kerosine ruiken. Op dezelfde manier, maar dan positief, herinnerde ik mijn vroegere lagere school doordat ik langs een rij met natte jassen aan een kinderkapstok liep. En toen de scheepskok van een schip voor ons huis een maaltijd bereidde associeerde ik die geur aan een andere jeugdherinnering: een tocht van bijna twee maanden op een schip. De geur is waarschijnlijk het zintuig dat het meest sterk herinneringen activeert.

Heb je eenmaal een geur in een negatieve context ervaren, dan kan dat je gedrag en zelfs je prestaties beïnvloeden. Toen proefpersonen met een geur werden geconfronteerd die ze associeerden met voor hen moeizame omstandigheden bleek dat ze door die ervaring meer moeite kregen met de opdracht en ook slechter presteerden.

Al met al lijkt de geur een zwaar onderschat zintuig te zijn, dat een grote rol speelt bij onze emoties en bij het 'ophalen' van herinneringen.

Geluidsoverlast in Horn

Sinds anderhalf jaar worden Wiel van Herten en zijn vriendin Lenie hoorndol van een lage bromtoon in hun woning. Ze weten het zeker: deze bromtoon komt van de omvormer van de zonnepanelen van buren Mitch en Kimberly.

Die buren zijn op hun beurt ook ten einde raad; volgens hen is de omvormer niet het probleem en hebben ze van alles geprobeerd om de buren te helpen.

Wiel en Lenie wisten het zeker: die bromtoon wordt veroorzaakt door de  ‘omvormer’ bij de buren. Heel ontzettend erg zeker. De verwijten aan het adres van Mitch en Kimberley liegen er niet om. Die willen maar niet luisteren. En als Mitch meewerkt aan een onderzoek verwijt Wiel hem zelfs dat hij de resultaten heeft gemanipuleerd. Dat zegt natuurlijk meer over Wiel dan over Mitch. Maar bovendien: hoe zeker is zeker?

Rijdende Rechter Meester John Reid had allerlei onderzoekers losgelaten op dit gevalletje geluidsoverlast. Uit onderzoek van geluidsdeskundigen bleek dat het geluid zó miniem was dat mensen dat eigenlijk niet konden horen. Bovendien was het de meest geluidsarme omvormer. Als extra argument zou het geluid dan slechts in een klein stukje van het huis waarneembaar zijn. Lenie – maar ook Wiel – hoorde het door het hele huis. Was er dan iets met het gehoor van Lenie?

Wiel en Lenie werden aan een gehoortest onderworpen. En wat bleek: Lenie kon bepaalde lage bromtonen beter horen dan andere mensen. Dus het kon zijn dat ze in bepaalde delen van het huis het geluid van de omvormer kon horen.

Wat wel opmerkelijk is dat haar vriend die geluiden ook door het hele huis hoort. En een vriend en een familielid die op bezoek kwamen hoorden het geluid ook iedere keer als ze op bezoek kwamen. Dat was toch wel een beetje apart. En de buren, de geluidsdeskundigen en meester John Reid konden geen geluid waarnemen.

De één hoort veel beter dan de ander. En als je permanent een storend geluid hoort is dat zwaar psychisch belastend. Niet voor niets leidt bijvoorbeeld het wonen in de buurt van een autoweg tot veel meer stress.

Maar: het  waarnemen van geluid heeft ook met psychische factoren te maken. Ik vind het wel apart dat niet alleen mevrouw Lenie, maar ook haar vriend en bezoekers duidelijk een bromgeluid waarnemen, terwijl ‘natuurkundig’ onderzoek aantoont dat het geluid bijna niet voor mensen waarneembaar kan zijn – zeker niet in het hele huis. En ook de onderzoekers merken niets van geluid. Bovendien zou je in principe denken dat oudere mensen (zoals Wiel en Lenie) minder last van dat geluid hebben (al zijn er uitzonderingen).

Dat geluid kan natuurlijk en als je zoiets waarneemt is knap lastig. Maar stop na zo’n onderzoek met het de schuld geven aan de ‘niet meewerkende’ buren.

Ik heb al een paar jaar een constante piep in mijn oren. Dat is niet handig voor iemand die van kinds af aan veel last heeft van geluid. Ik denk dat ik maar eens een aanklacht tegen de bovenbuurvrouw in ga dienen. Ze heeft een nieuwe koelkast. Ik weet zéker dat die koelkast het gepiep in mijn oren veroorzaakt.

Psychologie van de pijn (1)

Deze serie heb ik geschreven op basis van o.a. een groot aantal observaties bij de Stichting Bijzondere Tandheelkunde in Amsterdam. Daar komen mensen die in de reguliere tandartspraktijk niet goed behandeld kunnen worden. Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van observaties en informatie rond de thema’s zintuiglijke over-en ondergevoeligheid en angsten.

Deze bijdrage gaat niet over chronische pijn (zoals jarenlange hoofdpijn of de gevolgen van bijv. reuma). Die pijn heeft een andere oorzaak. Hier gaat het over voorbijgaande pijn die een gevolg is van bijv. een val, of van een behandeling in combinatie met stress.

 Signaalfunctie

Nóg zie ik het voor me.

Ik zal een jaar of tien zijn geweest. De onderwijzer zat met zijn hand op de verwarming. Hij vroeg aan ons: “Stel je nu eens voor dat ik niets zou voelen. Wat zou er dan gebeuren?”  Met dat voorbeeld wilde hij ons laten begrijpen dat die vervelende pijn ook een signaalfunctie heeft. Met andere woorden: ‘het is maar goed dat we pijn voelen’. Niet dat ik daardoor meteen getroost werd als ik een keer pijn had, maar het was wel een reminder achteraf.

Dat is nu precies het antwoord op de vraag waar pijn voor is. Pijn heeft een signaalfunctie. Het zijn je hersenen die je waarschuwen dat er iets niet op orde is. Alle pijn zit tussen de oren.

Doordat er iets met ‘het weefsel’ ergens in het lichaam niet in orde is wordt er een signaal aan de hersenen door gegeven. Dat signaal is buitengewoon belangrijk om te kunnen overleven. Zou je het signaal niet krijgen, dan zou je grote risico’s lopen. Dat antwoord zie je verweven in de vraag die de onderwijzer stelde. ‘Je denkt dat pijn alleen maar lastig is, maar het is juist een gezonde reactie van het lichaam op iets dat het lichaam aan kan tasten’.

Toch is er met de pijn nog iets anders aan de hand. De één voelt ontzettend veel pijn bij een zo op het oog minimale aantasting, terwijl de ander nauwelijks reageert op een forse inbreuk op het zenuwstelsel. De vraag is hoe dat komt…..

Ondergevoelig en overgevoelig

Er zijn mensen die tactiel ondergevoelig (hyposensitief) zijn. Daarmee wordt bedoeld dat ze niet zoveel voelen aan hun lichaam. Op zichzelf lijkt dat wel aardig. Doe je je flink zeer (denkt de omgeving), maar jij loopt vrolijk fluitend verder omdat je nauwelijks iets voelt.

Maar zo prettig is die ondergevoeligheid niet. Sterker nog: diezelfde ondergevoeligheid is één van de redenen waarom mensen zichzelf regelmatig (expres) verwonden. Ze zoeken prikkels op, omdat ze anders te weinig voelen. Met een moeilijk woord heet dat: automutilatie.

Bij twee syndromen binnen de zorg voor verstandelijk gehandicapten zien we vaak zelfverwonding (Lesh Nyhan en Cornelia de Lange). Bij beide syndromen lijkt één van de redenen voor deze zelfverwonding de verminderde of andere verwerking van tactiele prikkels te zijn.

Tactiel extreem gevoelig

Of en hoe je pijn ervaart heeft daarnaast te maken met de vraag hoe ‘belast’ een deel van het lichaam is.

Zo weten we dat veel angst voor de tandarts te maken heeft met het lichamelijk en emotioneel zeer belangrijke mondgebied. Een kleine beschadiging in het mondgebied doet vaak onevenredig zeer.

Ook de hand is naar verhouding een tactiel erg belangrijk orgaan. Als je iemand op het gevoel een menstekening laat maken wordt de hand bijna altijd groter getekend dan hij in werkelijkheid is.

Pijnklachten aan de hand komen vaak hard aan. Denk er maar eens aan waar je je doorgaans beroerder door voelt: van het je hoofd stoten of van het je vingers tussen de deur krijgen. Je kunt ‘aanvaringen’ met harde voorwerpen natuurlijk niet allemaal over één kam scheren, maar hopelijk is wel duidelijk dat er een verschil in beleving zit.

Net als de mond is de hand een buitengewoon belangrijk orgaan, waarmee je vanaf de eerste dag van je leven de wereld verkent….

Proeven

Op de filmbeelden zagen we Jannie.

Stap voor stap namen we de beelden door.

Het bleek dat Jannie erg lang de tijd nodig had voordat ze aan de soep begon. Omdat alle gedrag communicatie is waren we benieuwd hoe het kwam dat Jannie zoveel tijd nodig had voordat ze de eerste hap nam.

Het gedrag van Jannie bleek alles met het maken van overgangen te maken te hebben. Bij ieder schakeltje vertraagde ze haar handelen omdat wat er gebeurde eerst in betekenis omgezet moest worden.

Een paar opvallende dingen:

  • Jannie luistert de hele tijd naar wat er om haar heen gezegd wordt. En zo lang ze moet luisteren komt ze niet aan eten toe. Nú opeens begreep een begeleider waarom ze op de vorige woning zo slecht at. Ze had waarschijnlijk wel honger, maar ze kwam niet aan eten toe omdat ze voortdurend luisterde wat er om haar heen gezegd werd. Jannie kan maar één ding tegelijk: als je luistert kun je niet eten.
  • Jannie neemt niet zelf het initiatief. Ze wacht totdat iemand haar letterlijk de lepel in handen geeft. Het kan zijn omdat ze op die manier getraind is. Het kan ook bij haar autistische beeld passen.
  • Als Jannie de lepel in handen heeft duurt het even voordat ze de betekenis van datgene wat ze in haar hand heeft ‘vertaalt’. Ze voelt eerst de lepel, maar het duurt nog even voordat ze begrijpt dat het een lepel is. Als er veel geluiden in de omgeving zijn duurt het langer voordat het voorwerp voor haar betekenis heeft gekregen.
  • Eindelijk lijkt Jannie begrepen te hebben dat het een lepel is. Ze maakt een geluidje van herkenning. Maar ze komt er niet toe om de lepel in de soepkom te doen. Ze wacht totdat de begeleider de lepel naar de soepkom stuurt. Ze moet letterlijk een handje worden geholpen.
  • Pas na deze stap neemt Jannie een hap. Ze proeft vervolgens heel intens. Daarna duurt het nog zeker een minuut voordat ze de tweede hap neemt. Vervolgens gaat de soep snel op. De verklaring die we hiervoor geven is dat Jannie eerst de smaak van de soep moet ‘verkennen en vertalen’. Ik gebruikte daarbij als voorbeeld wat er zou gebeuren als we rode soep zouden krijgen, een hap zouden nemen en hij zou smaken naar champignonsoep. Dan kost die eerste hap extra tijd!

Tussen het opscheppen van de soep en het nemen van de tweede hap zitten er bij Jannie 3½ minuut. Al die tijd is ze actief bezig geweest, maar pas dan komt ze werkelijk aan eten toe. De soep wordt door Jannie niet zo heet gegeten als hij werd opgediend.

Zintuigen (slot)

Temperament en zintuigen

Een nog grotendeels onontgonnen terrein is het verband tussen temperament en zintuigen. In het boekje dat ik ooit schreef over temperament bij kinderen heb ik wel extra aandacht besteed aan de invloed van de zintuigen op het functioneren van kinderen, maar die gegevens zijn gebaseerd op wat ik in mijn eigen omgeving gezien heb (de gegevens zijn dus niet verder getoetst en onderbouwd).

Een vraag die mij intrigeert is bijvoorbeeld of prikkelgevoelige baby’s rond de leeftijd van 8 maanden ook eenkenniger worden. Immers: voor een kind dat veel waarneemt kan die informatie ook snel teveel worden. Het gevolg zal mogelijk zijn dat die kinderen des te meer houvast zoeken bij de vertrouwde opvoeder. 

Ook valt te verwachten dat mensen met een grote mate van prikkelgevoeligheid meer de neiging hebben om de omgeving onder controle te houden. Iedere verandering valt hen op, maar in een omgeving waar al zoveel gebeurt en verandert wordt dat gemakkelijk teveel. Daarom zul je dan eerder (althans: dat is mijn veronderstelling) willen proberen om zoveel mogelijk hetzelfde te houden. Ook wil je dan graag alles kunnen overzien, voordat het je teveel wordt en je de controle verliest.

Er zijn overigens ook prikkelgevoelige mensen die geen enkele controle hebben. Ze worden dermate overspoeld door zintuiglijke indrukken dat ze er niets meer mee kunnen. Hun leven wordt een chaos. Vaak zijn dat de druktemakers die niet tegen drukte kunnen. Over dat thema ben ik voorlopig nog niet uitgedacht….

Deze serie heb ik oorspronkelijk in 2009 geschreven. Inmiddels zijn we zes jaar verder en zou ik de serie qua lengte minstens kunnen ‘verdubbelen’. Vanwege een paar drukke weken heb ik geen nieuwe blogs geschreven, maar slechts een oude bijdrage uit de kast kunnen pakken. Wie weet komt er nog eens een vervolg…

Zintuigen (6)

De verwerking van zintuiglijke ervaring is een heel specifiek vakgebied. In een onderzoeksverslag noemt Frank Velthausz drie trappen van waarneming:

1. diffuus waarnemen: je neemt waar, maar je concentreert je er niet op

Je bent aan het koken. Ondertussen gaat de telefoon. Je raakt in gesprek. Ondertussen hoor je van alles, je ziet van alles, je voelt de hoorn van de telefoon, je ruikt de geur van het huis.

 2. feitelijk waarnemen: de aandacht wordt gericht op de omgeving, je probeert te achterhalen wat er gebeurt

 Opeens valt je een bijzondere geur op. Je ‘spitst je neus”: het ruiken krijgt als zintuig voorrang.

 3. gewaarworden: je verbindt een betekenis aan datgene wat je waarneemt.

Je bedenkt: ik ruik dat er iets aan brandt. De aardappelen branden aan.

4).  het handelen: met de informatie die je binnen hebt gekregen ga je iets doen.

          Het onderzoek van Frank Velthausz spitst zich uiteindelijk toe op de vraag hoe waarneming bij mensen met een zeer ernstige meervoudige beperking verloopt. Mijns inziens zou het ook boeiende uitkomsten kunnen bieden in het bestuderen van de verwerking van zintuiglijke indrukken bij bijvoorbeeld mensen met autisme.

Autisme

Mijn indruk is de volgende: mensen met een stoornis binnen het autistisch spectrum

1.  komen vaak sneller tot stap b (feitelijk waarnemen).  Ze slaan dus het diffuse waarnemen over. Dat maakt het leven erg gecompliceerd: je hoofd zit heel snel vol met feitelijke waarnemingen.

2. Doordat er op die manier teveel informatie binnen komt kost het hen veel meer moeite om stap c te nemen: de betekenisverlening. Het aanbod aan prikkels is te groot, waardoor de stap naar de betekenis niet meer lukt.

3. Ook de stap naar het handelen blijft steken omdat ze geen betekenis hebben kunnen verlenen.

Desmond ziet allerlei pluisjes op het kleed. Hij stuift er op af. Daarna gaat hij aan het kleed ‘plukken’. Als je hem niet bijstuurt blijft hij daar de hele dag mee bezig. Hij komt niet tot feitelijke betekenisverlening (dit is een kleed met pluisjes) en hij slaagt er ook niet in om het zien tot effectief handelen om te zetten. Desmond blijft steken in het ‘stereotyp betasten’ van de pluisjes. Hij komt niet tot andere activiteiten.  

[1]  n.a.v. F.J.M. Velthausz: Onderzoeksrapport “Waarneming bij mensen met een zeer ernstige meervoudige handicap” (Esdégé-Reigersdaal, 2005)

 

Zintuigen (3)

Autisme

Bij kinderen met een stoornis binnen het autistisch spectrum zit het probleem in het tweede deel: de waarneming is er wel, maar de betekenisverlening verloopt moeizaam. Ze zien wel, maar het kost hen grote moeite om –wat we met een moeilijk woord noemen – een sensorisch perceptueel concept op te bouwen.

Dat wordt door de heer J.G. van Dalen beschreven aan de hand van het voorbeeld van de hamer: hij ziet een koud stuk ijzer en een warm stuk hout, vervolgens ontdekt hij dat die twee delen aan elkaar zitten, de volgende stap is dat hij het woord hamer er aan koppelt en pas daarna weet hij dat dat een voorwerp is om mee te timmeren. De heer Van Dalen is hoogbegaafd, hij heeft geleerd om door middel van denkstappen zijn wereld te ordenen. Mensen met een verstandelijke beperking en met een stoornis binnen het autistisch spectrum slagen er veel minder in om de wereld op deze manier in kaart te brengen. Ze blijven steken op het detail.

Geen visuele ervaringen

In het boek Een antropoloog op Mars[beschrijft Oliver Sacks het leven van Virgil, die tot zijn 45e jaar blind was geweest. Het bleek dat Virgil, toen hij wél kon zien, toch geen betekenis kon verlenen aan de voorwerpen. Eigenlijk voelde hij zich zelfs erg ongelukkig met al die extra informatie. Het was zelfs zo dat de nieuwe informatie zijn waarneming verstoorde.

Vroeger liep hij al voelend in de richting van de trap. Nu zag hij een trap, maar hij had geen idee dat dat een trap was. Hij moest zijn ogen uitschakelen en terug gaan naar zijn oude manier van waarneming: de trap aanraken (met zijn handen op de leuning en zijn voeten op de treden) om te voelen dat het een trap was. Je zou dus kunnen zeggen dat hij ziende nog steeds blind was. Hij kreeg de informatie over de trap wel binnen, maar omdat hij geen visueel geheugen had opgebouwd kon hij niets met die informatie.

Om betekenis te kunnen verlenen heb je dus ook een stukje ervaring nodig. Als je nooit hebt kunnen zien mis je die ervaring. Daardoor lukt het ook niet om de betekenis op te bouwen. Als je nog nooit een pen hebt gezien, zul je niet op het idee komen dat het een voorwerp is om mee te schrijven. Het is onze visuele ervaring waardoor we weten dat iets een pen is: we hebben het concept van de pen in ons hoofd opgeslagen. Dat maakt ook dat we bij een pen die er net iets anders uitziet toch weten dat dat je daar ook mee kunt schrijven.

Dezelfde problemen worden ook beschreven bij mensen die op latere leeftijd gaan horen. Ze worden gek van de kakofonie aan geluiden die ze niet kunnen plaatsen. Vergelijk overigens in de ouderenzorg de mensen die een gehoorapparaat krijgen en die de veelheid aan geluiden als onplezierig ervaren.

Leren zien en leren horen

Sommige autistische kinderen moeten leren zien door hun ogen te gebruiken, moeten leren zien door hun oren te gebruiken, moeten leren om te eten, moeten leren om te bewegen, moeten leren om te voelen.

Jim Sinclair schreef ten aanzien van zijn autisme op zijn blog dat om taal te begrijpen:

1) hij eerst moest leren om geluid te verwerken.

2) Maar om dat geluid te verwerken moest hij ook nog eens geluiden kunnen herkennen

3) Welk geluid is belangrijk, waar moet ik me op richten?

Het hielp hem toen hij ging beseffen dat hij door taal te verwerken zijn wereld kon ordenen. Vergelijk: meneer Van Dalen die de hamer hamer noemt en dan ook weet dat je ermee kunt timmeren. Vergelijk eveneens: kinderen die hardop lezen en praten om de wereld te ordenen.                 

Het probleem van de tijd

Met name het onderzoek naar autisme betekende een grote stimulans bij het bestuderen van de werking van de zintuigen. Bij veel mensen met autisme komt een deel van de zintuiglijke indrukken ‘harder’ (minder gefilterd) binnen. Dat laatste lijkt misschien in eerste instantie prettiger dan overgevoeligheid, maar ondergevoeligheid kan ook ernstige consequenties hebben. Zo signaleert je lichaam dan bijvoorbeeld pijn onvoldoende, waardoor je niet reageert op een hete verwarming of op te heet water in bad. Ook merk je dan ontstekingen in je lichaam niet. Ik ken zelfs kinderen die met één deel van het lichaam in hetzelfde zintuig overgevoelig zijn en met het andere deel ondergevoelig (bijvoorbeeld links/rechts).