De ontwikkeling van het zelfbeeld (10)

Tenslotte is er nog het existentiële zelfbeeld (9 en 10). Dit zelfbeeld raakt je hele bestaan: wat je doet klopt met wie je bent en hoe je over jezelf denkt is in overeenstemming met je levensplan. 

Er zijn twee vormen van existentieel zelfbeeld: het persoonlijke zelfbeeld en het algemene zelfbeeld. Maar dat wordt te ingewikkeld. Ik kan het althans zelf nauwelijks uitleggen. Dus heb ik het maar over het existentiële zelfbeeld.

Dit zelfbeeld raakt aan wat Erik Erikson ‘generativiteit’ en ‘rijpheid’ noemt bij oudere mensen. Dat heeft alles met zingeving te maken. Zie je, ook als je fysiek achteruit gaat, nog ‘zin’ in het leven. Ben ik het waard geweest om geleefd te hebben? Heb ik voldoende zin ontdekt in mijn leven om dat aan een volgende generatie door te geven?

Prof. R.E. Abraham noemt in dat verband het decentreren: het vrijwillig terugtreden uit allerlei verbanden. Daar hoort ook een levenshouding bij: je verwacht niet perse meer allerlei dankbaarheid van anderen omdat je goed gehandeld hebt: je doet gewoon zo omdat ze zo bent en omdat dat past in de manier waarop je in het leven staat. Vraagstukken uit je leven heb je een plek kunnen geven.

Het voorgaande heeft alles met zingeving te maken. Deze fase kan voor mensen nauw verweven zijn met hun geloof, met de levensovertuiging. Daar heeft psychiater Prof. H.C. Rümke al in 1939 een boek over geschreven dat tientallen herdrukken beleefde. Je bent er niet toevallig. Er is meer tussen hemel en aarde. Je maakt als mens deel uit van een veel grotere werkelijkheid.

Relatie tot anderen: je bent jezelf in relatie tot anderen en de manier waarop je naar anderen kijkt past bij je levensvisie of je levensovertuiging. Hoe je bent, hoe je je voelt, klopt met wie je bent. Dat laatste wordt ook wel ego-syntoon genoemd.

Literatuur:

  • R.E. Abraham: Het ontwikkelingsprofiel (Van Gorcum, 2005)
  • Lies Claes, Anne Verduijn e.a. Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking (Garant, 2013)
  • Prof. Dr. H.C. Rümke: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1e druk 1938)

De ontwikkeling van het zelfbeeld (5)

De voorgaande fasen waren het ontbrekende zelfbeeld, het vage zelfbeeld en het externe zelfbeeld. Dan nu het overwaardige zelfbeeld.  

4. Overwaardig zelfbeeld.

In zekere zin is het omgekeerde van een vaag zelfbeeld (2): een overwaardig zelfbeeld. Bij een vaag zelfbeeld kun je jezelf niet sturen, je kunt niet kiezen, je bent helemaal afhankelijk van de sturing van anderen.

Bij een overwaardig zelfbeeld laat je je niet sturen, je wilt zélf bepalen. Dat is het beeld dat goed past bij een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Het is de egocentrische peuter die zichzelf als het centrum van het heelal ziet (dat is bij de peuter wat anders dan egoïstisch: dat kun je pas zijn als je een eigen ik hebt ontwikkeld).

Volwassenen met een overwaardig zelfbeeld zijn niet in staat om hun beperkingen te accepteren. Zelfreflectie (wat is je eigen inbreng in een conflict?) is daardoor bijna onmogelijk. Kritiek wordt door de persoon als krenking, als persoonlijke afwijzing ervaren. Als je tegen iemand zegt dat er nog en foutje uit het ontwerp moet worden gehaald zal een persoon met een overwaardig zelfbeeld dat niet als feitelijke bijsturing ervaren, maar als afwijzing van de persoon zien. Het korte lontje leidt tot een heftige reactie. Kritiek op de zaak en op de persoon lopen dus in de beleving door elkaar heen.

Als je emotioneel sterker bent, kun je beter tegen een stootje

In sociaal-emotioneel opzicht functioneren mensen met een overwaardig zelfbeeld zoals een peuter die nog niet voldoende ik-besef heeft. Dat klinkt vreemd, omdat ze zo overtuigd over kunnen komen, alsof ze alles kunnen en alsof ze de hele wereld aankunnen. Maar dat is de buitenkant. De binnenkant is erg kwetsbaar. Als je sterker zou zijn zou je beter tegen een stootje kunnen. .

Mensen met een overwaardig zelfbeeld kunnen eindeloos over hun mogelijkheden fantaseren. In dat verband spreken we wel van ‘pseudologica fantastica’. Je vindt ze bijvoorbeeld regelmatig in het programma ‘Tros Opgelicht’.

Renée Vervoorn schreef een boek over de relatie met haar ex die een pathologisch leugenaar bleek te zijn.Hij wist haar o.a. wijs te maken dat jij piloot bij de KLM was. Hij zag zelfs kans om veel ‘collega’s’ op zijn verjaardag te ontvangen. Maar het waren geen collega’s. De intelligente Vervoorn trapte er niettemin jarenlang in.

Mensen met een overwaardig zelfbeeld zijn niet gemotiveerd om zich te laten behandelen. Als ze bijvoorbeeld na een ernstig delict weer vrij komen hebben ze niets geleerd en beginnen ze gewoon weer van voren af aan. Want voor deze mensen is het niet te verteren als de therapeut iets zou kunnen en zou kunnen weten wat hij zelf niet kan.

Het gaat heus niet allemaal mensen die persé anderen willen benadelen. Sommigen zijn er heilig van overtuigd dat ze anderen kunnen helpen. En ook zonder opleiding en diploma’s kun je toch een groot bedrijf ‘managen’ en kijkt iedereen tegen je op. Uit de frequente faillissementen en het tóch door gaan blijkt dat ze van hun fouten niets leren. Ze hebben die fantasieën nodig om hun eigen leegheid te camoufleren.

Mensen met een overwaardig zelfbeeld hebben vaak een kring van mensen om zich heen die maken dat ze nog belangrijker over komen (zie de piloot die geen piloot was). Die mensen functioneren dan als een soort verlengstuk. Je ziet dat ook veel in Amerikaanse talkshows. “Hij is één van mijn beste vrienden…”. En bij voorkeur hebben ze vroeger ook nog met Ruud Gullit gevoetbald.

Hoe zit het met de relatie tot anderen bij mensen met een overwaardig zelfbeeld? De persoon ervaart de ander als iemand die de baas wil spelen, hem manipuleert. “Vertrouw nooit iemand, vertrouw alleen jezelf.” Of: “Dieren kun je vertrouwen, mensen niet.” Een variant is het wantrouwen van alle organisaties. “Ze zijn alleen maar op je geld uit.”

De ontwikkeling van het zelfbeeld (3)

De eerste fase van het zelf was die van het ontbrekend zelfbeeld. Mensen reageren direct op prikkels zoals honger en slaap, zonder dat er sprake is van enige sturing in het gedrag. Plannen en organiseren is er niet bij. Daardoor wordt een opleiding niet afgemaakt en kunnen de afspraken voor een baan niet nagekomen worden.

2. Vaag zelfbeeld

De volgende stap is die van het vage zelfbeeld. De persoon heeft een beetje de contouren van zichzelf in beeld, maar hij ziet zichzelf vooral in nevelen gehuld. Op de vraag ‘wie ben jij?’ kan eigenlijk geen antwoord worden gegeven. Mensen met een vaag zelfbeeld ervaren zichzelf als tegenstrijdig. De persoon voelt zich voortdurend heen en weer geslingerd. Hij weet niet wie hij is en wat hij wil.

Maarten wil een nieuwe tafel aanschaffen. Hij laat de keuze vallen op een ronde tafel. De volgende dag twijfelt hij toch weer. Hij gaat naar de winkel, zegt zijn bestelling af en hoopt een rechthoekig model.  Maar ‘s avonds wordt hij onrustig. Heeft hij wel goed gekozen?

Past die tafel wel in zijn kamer? De volgende dag komt hij er niet toe om naar de winkel te gaan. De drempel is te hoog. Hij besluit dat hij toch maar moet berusten in die rechthoekige tafel. Maar ‘s avonds kan hij maar niet wennen aan het idee. Het is koopavond en opnieuw fietst hij naar de winkel. Een half uur lang loopt hij rond, maar hij kan niet kiezen. Hij vraagt zich nu ook af óf hij wel een nieuwe tafel wil. “Ik word gek van mezelf” zegt Maarten. De ene keer wil ik dit, de volgende keer wil ik dat. Wat wil ik nu eigenlijk? Had ik maar iemand die voor mij de besluiten nam. Dat zou heel veel rust geven. Maar met wie zou ik eigenlijk kunnen wonen? Wil ik dat wel, een huis delen met een ander?”

Mensen met een vaag zelfbeeld zijn vaak moe van zichzelf

Keuzen maken is een bijna onmogelijke opdracht. “Misschien kom ik straks, maar het kan ook zijn dat het niet door gaat”. Beslissingen worden eindeloos uitgesteld. Plannen genoeg, maar de persoon komt niet tot keuze voor een studie, een baan of een vaste relatie. Wie niet is weet immers ook niet wat hij wil worden. Het is dan ook geen wonder dat mensen met een vaag zelfbeeld klagen dat ze altijd moe zijn. Ze worden moe van zichzelf. Zelfs het opstaan kan een groot probleem zijn. Van 7 uur tot 9 uur ’s morgens twijfelen of je wel op zult staan, welke kleren je aan zult trekken en wat je zult gaan doen…

Als ik over dit vage zelfbeeld iets vertel tijdens een cursus zijn er altijd mensen die zeggen dat ze dit ook hebben. Ze kijken me dan ‘vragend’ aan: “Ben ik al zó vroeg gestagneerd in mijn ontwikkeling?”

Mensen met een ontbrekend zelfbeeld leven in het hier en nu. Als ik nú slaap heb moet ik nú slapen. Mensen met een vaag zelfbeeld hebben wel de toekomst voor ogen, maar het is ontzettend moeilijk om de berg te beklimmen die toekomst heet. Elke keuze die je maakt kan de verkeerde keuze zijn. “Als ik nu uit bed stap loop ik de kans dat ik over een uur al niet meer weet wat ik moet doen.”

De meeste mensen kennen wel momenten van keuzestress en onze samenleving maakt het er ook niet gemakkelijker op. Bij mensen die depressief zijn wordt dit beeld nog eens extra versterkt. Maar het wordt pas echt een probleem als iemand ‘vast zit’, ‘stagneert’. Als alle energie gaat zitten in de problemen met het maken van keuzen en het nemen van beslissingen. Deze mensen zijn chronisch moe, vanwege de energie die deze continue twijfel met zich mee brengt.

Hoe zit het dan met de relatie tot anderen? Mensen met een vaag zelfbeeld missen de eigen structuur in de relatie tot anderen. Als er sprake is van een relatie met een ander persoon valt de persoon met een vaag zelfbeeld als het ware zélf weg. Je zou kunnen zeggen: er is geen sprake van sámen, van een gedeelde woning, maar de persoon met een vaag zelfbeeld trekt bij een ander in.

Mensen met een vaag zelfbeeld zijn zeer gevoelig voor indoctrinatie door een (terreur-) organisatie of een sekte. Ze leveren gemakkelijk en met huid en haar hun beperkte identiteit in. En ze voelen zich daar vaak nog prettig bij ook: laat de ander maar beslissen, dan hoef ik het niet zelf te doen. 

De ontwikkeling van het zelfbeeld (2)

Wie geen zelf heeft bestaat als ‘persoon’ niet. Hij heeft wel een lichaam, maar hij ervaart zichzelf niet als een eenheid. Een baby heeft nog geen zelf. De baby zegt dus ook niet “zelluf doen”. Een baby kan geen onderscheid maken tussen zichzelf en de ander. Hij reageert op interne prikkels (honger, pijn) en op externe prikkels (de borst van de moeder, geluid enzovoorts).

In haar boeken over dementie schrijft geriater Anneke van der Plaats (vrij vertaald) dat het beeld van het zelf in de laatste fase van dementering bijna helemaal vervaagd is. Mensen reageren vooral weer op de interne prikkels en op het primaire lichaamscontact.

  1. Ontbrekend zelfbeeld

Maar kun je bij volwassenen ook spreken van een ontbrekend zelfbeeld? Volgens R.E. Abraham kan dat. Mensen hebben een volwassen lichaam en soms ook een redelijke intelligentie, maar ze zijn niet in staat om structuur in hun leven aan te brengen. Het lukt niet om het gedrag te ordenen.

Wachten is er niet bij, evenals het rekening houden met anderen: dat lukt gewoon niet. Dat kan trouwens ook niet, want als je eigenlijk niet weet dat je beseft dat je zelf bestaat, hoe weet je dan dat een ander bestaat? Het gedrag wordt gestuurd door interne prikkels (‘als ik honger heb eet ik’, ‘als ik moe ben slaap ik’) en door externe prikkels (zonder rem overal op reageren). Eigenlijk valt het gedrag te vergelijken met het gedrag van een baby: je reageert direct op je behoeften, zonder dat er sprake is van enige sturing.

Björn heeft geen enkele opleiding afgemaakt. Hij heeft geen werk en geen dagbesteding. Hij woont in een woonvorm voor kwetsbare mensen. Daar kan hij ook eten, maar hij verschijnt zelden aan tafel. Hij eet wanneer hij trek heeft. Hij steekt op allerlei plekken een sigaret op, want als je trek hebt in nicotine moet je ook meteen aan die behoefte voldoen. Björn houdt er ook geen dag-en nachtritme op na. Hij kan zomaar midden overdag in slaap vallen en dan uren slapen. Hij heeft geen vaste tijd van opstaan en naar bed gaan. Hij kan ook zomaar een paar nachten wakker zijn en overdag slapen. Soms is hij 'zoek'. Dat gebeurt vooral als hij even wat gefrustreerd is geraakt op de woning. Dat kan een kleine hindernis zijn zoals een verschil van mening met een medebewoner of een aanwijzing van een begeleider. Dan is hij opeens een paar dagen niet aanwezig in de woonvorm. Hij meldt zich niet af en duikt een aantal dagen later weer op alsof er niets aan de hand is. 

Mijn indruk is dat je bij mensen met een ernstige verslaving kunt spreken van een vergelijkbare teloorgang. Midden overdag gaan slapen, ’s nachts gaan eten, niet uit kunnen stellen van behoeften. Je zou kunnen zeggen dat chronisch verslaafde mensen in sociaal-emotioneel opzicht terug zijn gevallen in de vroegste fase van de emotionele ontwikkeling. Ze hebben hun persoon-zijn ingeleverd: de verslaving gaat vóór alles.

In een boek naar aanleiding van de sociaal-emotionele ontwikkeling schrijven Claes e.a. (2013) over het niet aanwezig zijn van I-dentity. De auteurs noemen een groot aantal kenmerken. Ik noem er enkele: 

  1. het niet in staat zijn om behoeften uit te stellen,
  2. het zeer snel omslaan van stemmingen,
  3. een verstoorde senso-motoriek (hoe je je lichaam beleeft verloopt ‘anders’, dat zie je bijvoorbeeld aan het lopen en aan de pijnbeleving),
  4. niet in staat tot plannen en ordenen, en
  5. grote moeite met de tijd (bijv. niet op tijd kunnen komen). 

Hoe zit het dan met de relatie tot anderen? In principe zijn mensen inwisselbaar. De persoon kan gemakkelijk met iedereen contact maken. Hij kan zomaar in de trein zijn diepste zieleroerselen aan een onbekend persoon vertellen. Er is echter geen diepgang in de zin van vaste, langdurige contacten.

Mensen met een ontbrekend zelfbeeld reageren direct op prikkels: behoeften moeten meteen verzadigd worden. Er is nauwelijk sprake van sturing in het gedrag, laat staan van plannen en organiseren. 

De ontwikkeling van het zelfbeeld (1)

Tegenwoordig maken veel mensen een selfie. Er zijn zelfs mensen die vragen: “Zal ik een selfie van jou maken?” Dat is al helemaal ingewikkeld. Een ander maakt een zelf van jou…

Je kunt wel een selfie maken, maar wat is je ‘zelf’ eigenlijk? Dolf Kohnstamm heeft daar een heel boek over geschreven. Hij vertelt dat hij opeens ontdekte dat hij bestond. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo’n moment heb gehad. Maar misschien is mijn ‘zelf’ ook nog niet ontwikkeld…

Als ik  medewerkers in de zorg vraag om het ‘zelf’ van een persoon te typeren is dat geen gemakkelijke opdracht.  ‘Ergens’ weten we wat er mee bedoeld wordt, maar we kunnen dat ‘zelf’ maar moeilijk in woorden vangen.

Het ‘zelf’ van mensen heeft vooral te maken heeft met het gevoel van continuïteit. De ander ziet jou niet steeds als een ‘wisselend persoon’ en jij ervaart jezelf ook als dezelfde persoon. Op een wat ander niveau heeft het zelf te maken met je identiteit. Als datgene wat je zegt en doet klopt met de persoon die je bent noemen we dat ego-syntoon.

Opeens wist ik dat ik iemand was…

Wat zijn de stappen in de ontwikkeling van het zelfbeeld? Daar zijn meerdere denkkaders voor bedacht. Zoals ik al meldde schrijft Dolf Kohnstamm vooral over de momenten waarop mensen ‘zichzelf ontdekten’.  Opeens héb je het, dan weet je wie je bent. Voor mij is het ‘zelf’ iets wat zich gedurende een lange reeks van jaren ontwikkelt. Je kunt steeds meer vanaf een afstand naar jezelf kijken. Althans: bij een gezonde emotionele ontwikkeling. Er zijn ook mensen die nooit tot zelfreflectie is staat zullen zijn.

Ontwikkelingsprofiel

De stappen die in deze bijdrage worden genoemd zijn (grotendeels) ontleend aan het boek van dr. R.E. Abraham, Het Ontwikkelingsprofiel  (Van Gorcum, 4e druk 2005). Aan de fasen uit dat profiel heb ik eigen voorbeelden toegevoegd.

Het Ontwikkelingsprofiel is een manier om te kijken naar de manier waarop mensen functioneren in relatie tot zichzelf en anderen. Het is gebaseerd op o.a. het denken van Erik Erikson: de mens doorloopt in zijn leven een aantal fasen in het sociaal-emotionele functioneren. Je kunt echter ook stagneren in de ontwikkeling. En bij stress kan het gebeuren dat je terugvalt op vroegere fasen van de ontwikkeling.

De stappen in de ontwikkeling van het zelf

Een baby heeft nog geen beeld van zichzelf. Hij heeft geen idee wie er in de wieg ligt. Ook een jonge peuter heeft nog geen ‘ik’. Hij heeft ook weinig lichaamsbesef. Soms kan hij zichzelf in de spiegel zien, zonder te beseffen dat hij het zelf is. Net als een kat die gaat spelen met een kat in de spiegel kan de baby niet beseffen dat hij het ‘zelf’ is.

Er zijn mensen die in deze vroege fasen van de ontwikkeling van het zelfbeeld blijven steken. Dat zie je bij mensen met een verstandelijke beperking (Prof. Anton Došen schrijft dan over een geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling in de adaptatiefase of in de socialisatiefase). Maar deze stagnatie kan zich ook voordoen bij mensen met een normale intelligentie. Binnen de eerste fase kan iemand nauwelijks zelfstandig functioneren. In de tweede fase zie je nog wel eens dat iemand zijn beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling camoufleert door een indrukwekkend taalgebruik.

Als mensen onder druk staan vallen ze vaak terug in een vroegere fase van het zelfbeeld. Iemand kan heel relaxed zijn, goed in staat tot zelfreflectie, maar als de stress toeneemt blijkt hij die ruimte niet meer te hebben. Dat verklaart ook waarom sommige conflicten zo enorm uit de hand lopen, terwijl je dat van de betrokkenen helemaal niet op die manier had verwacht. Ik vergelijk dat wel eens met het leven in een oorlogsgebied. Je staat permanent op scherp. Op zo’n moment ben je vooral bezig met overleven, maar veel minder met leven. 

In de volgende blogs een overzicht van de ontwikkeling van het zelfbeeld, deels  ontleend en voor een ander deel geparafraseerd aan de hand van het boek van dr. R.E. Abraham.

Psychische ontwikkeling en kwetsbaarheid (3)

Wat maakt dat begeleiders het gevoel hebben dat ze op eieren moeten lopen? Op het moment dat Sandra denkt dat iemand kritiek op haar heeft stort haar hele wereld in. Eén kleine opmerking of een blik zelfs wordt al gezien als een persoonlijke afwijzing.

Dat is dan ook het moment dat ze de deur dicht houdt. Het is haar manier om de controle te houden: ze laat de ander niet toe en sluit zich af. Als ze vermoedt dat iemand zal vinden dat haar huis niet netjes is, is haar reactie: ‘Dan kom je er ook niet meer in’. Ze steekt haar kop in het zand. Ze wil wel graag dat de ander haar rommel opruimt, maar ze moet niet het gevoel hebben dat de ander ook maar een klein beetje denkt dat ze dat ook zelf wel had kunnen doen.

Passief

Als begeleiding in huis is, valt op hoe passief Sandra blijft. Het lijkt wel of ze de ambulant begeleiders als haar personeel ziet. Ze zit op de bank en kijkt toe wat de begeleiding doet. Ze gaat er vanuit dat zij de rommel wel op zullen ruimen. Het samen doen lijkt al een te grote stap te zijn. Als haar zoontje er is laat ze de begeleiding met hem spelen. Er komt niets uit haar handen. Ze ligt op de bank, heeft een Ipad in haar hand en lijkt het verder allemaal wel best te vinden. Als er van haar inzet wordt gevraagd ontsteekt ze in woede. Ziet de begeleiding dan niet hoe moe ze is?

Kwetsbaar  

Sandra is afhankelijk van wat anderen van haar ‘vinden’. Maar dat maakt haar ook emotioneel erg kwetsbaar. Ze wordt steeds weer overspoeld door de gedachte dat ze geen grip heeft. Ze is als het ware een eiland dat bij het minste of geringste zuchtje wind wordt overspoeld door de golven. Haar kwetsbaarheid reageert ze direct en heftig af op de ‘stomme’ begeleiding die er allemaal niets van snapt.

Executieve functies

In neurologisch opzicht kun je zeggen: de delen van de hersenen die het gedrag moeten sturen (de ‘bovenste en voorste lagen’: de executieve functies) vallen bij een klein beetje stress direct uit. Sandra kan dan alleen nog maar reageren vanuit ongeremde en heftige emotie.

Vechten of vluchten als controle

Hoe reageert Sandra in haar gedrag op (vermeende) kritiek? Ze kan vluchten of vechten: óf ze sluit zich af (vluchten: de deur dichthouden) óf ze zet de aanval in. Prof. Abraham noemt dit onthechten: nét doen of de persoon geen enkele betekenis meer heeft. Je kunt beter zélf iemand verlaten, dan dat de ander jou zou verlaten. Het vechten doet Sandra door de ander als persoon te diskwalificeren.

Een begeleidster vroeg aan Sandra of het tijd was voor de was: er was bijna geen schone kleding meer. Toen schold ze de begeleidster de huid vol: die was gewoon ontzettend lui, zo’n lui iemand had ze nog nooit meegemaakt; ze was zelfs nog te lui was om een was te doen. Ondertussen lag Sandra op de bank TV te kijken…

Kampioenen zelfbedrog

Mensen beduvelen zichzelf en zetten daarbij ook andere mensen in. Aldus filosoof Roy Dings in de Volkskrant (14 september 2017).

Hoe zat het nu met dat volle plein in Washington bij de inauguratie van Donald Trump? Iedereen kon toch zien dat dat plein half leeg was? Heeft Trump de werkelijkheid verdraaid?

Trump gelooft zichzelf

Het kan best zo zijn dat Donald Trump het echt geloofde, stelt Roy Dings. Mensen zijn namelijk kampioen zelfbedrog. Als hun ego dreigt te worden aangetast omringen ze zich zoveel mogelijk met gelijkgestemden.

Trump omringt zich met Jaknikkers en tegensprekers moeten het veld ruimen. Zo kan hij het beste blijven geloven in het feit dat hij gelijk heeft. Als mensen op afstand iets anders naar voren brengen kan hij ze niet ontslaan. Maar dan noemt hij hun gegevens gewoon alternatieve feiten.

Facebook

Het werkt ook zo op Facebook, meent Dings. Je zet een foto op Facebook, je krijgt 125 likes en je weet zeker dat je een professionele foto hebt gemaakt. Want als je zoveel likes krijgt móét je wel iets goeds hebben geleverd. Zo belanden mensen die helemaal niet kunnen zingen op een talentenjacht op de televisie.

Lezingen

Dings kijkt ook naar zichzelf. Hij wordt nogal eens gevraagd voor lezingen. Soms weet hij het antwoord niet, maar dan praat hij er een eindje omheen. “Zo houd ik de mythe een beetje in stand dat ik er verstand van heb.” Vervolgens wordt hij weer elders uitgenodigd. “Daarmee houd ik ook bij mezelf het idee in stand dat ik best verstand van zaken heb.”

De eigen waarheid

In conflictsituaties zul je nog eerder merken dat mensen gelijkgestemden opzoeken. Ze versterken elkaar en luisteren daarmee steeds minder naar de anderen. Die worden in het denken geëxcommuniceerd. Een gesprek wordt gemeden, want dat is te bedreigend.

Er is dus geen verbinding meer. Er hoeft niet meer te worden nagedacht over de eigen standpunten. Op die manier creëert de groep zijn eigen waarheid die niet meer getoetst kan worden. “Iedereen vindt dat je fout zit.”

Het gaat dan dus al lang niet meer om de inhoud, het is een conflict op betrekkingsniveau.

Het onderzoek van Roy Dings werd gepubliceerd in het tijdschrift New Ideas in Psychology (2017).

Zelf (1)

Over het zelf heb ik vaker geschreven. En ook aan zelfbeelden heb ik een hele serie blogs gewijd. Dolf Kohnstamm heeft een boek geschreven over de ontdekking van het 'zelf'. De meeste omschrijvingen van het zelf gaan uit van een zekere constante: hoe je bent in wisselende omstandigheden, de 'persoon' die je bent.

Volgens Gijs Jansen en Tim Batink (Thema, 2015) zit de wereld van het zelf niet zo eenvoudig in elkaar. Bijvoorbeeld: als je zegt dat je extravert bent, dat dat bij jouw persoon hoort, ben je dat dan ook in wisselende omstandigheden? De auteurs werken vanuit de RFT: de Relation Frame Theory. Eigenlijk komt het er op neer dat – omdat we zo goed zijn in taal – de taal ook vaak ons denken in de weg zit.

Een psychologisch (ver)taalprobleem

Daarmee houdt direct al het tweede probleem verband: we zetten ons vast in onze gesproken en geschreven woorden. Als voorbeeld noemen ze dat iemand vindt van zichzelf dat hij spontaan is. Maar wat is dan spontaan? We gebruiken woorden waar een bepaalde sfeer mee verbonden is, maar we kunnen het eigenlijk toch niet onder woorden brengen. En als iemand zegt dat hij sociaal is, wat wordt daar dan mee bedoeld. En als je sociaal bent, sta je dan altijd voor iedereen klaar, staat de deur van jouw huis dan altijd voor anderen open?

Drie niveaus

Jansen en Batink beschrijven drie niveaus voor het naar jezelf kijken. In dit blog komt het eerste niveau aan de orde.

Het eerste is het descriptieve zelf: zoals je jezelf in woorden beschrijft. “Ik ben slecht.” “Ik ben sociaal.” “Ik ben een emotioneel persoon.”

Het probleem bij dit descriptieve zelf is dat je jezelf de gevangene kunt maken van die woorden.

Als je denkt dat je slecht bent zet je jezelf gevangen in dat denkraam. Je vindt dat je slecht bent en dus voel je je ook slecht.

Als je vindt dat je sociaal bent ga je van jezelf eisen dat je sociaal bent. En je voelt je slecht als je niet aan die eis van dat sociaal zijn voldoet.

Als je vindt dat je een goede moeder moet zijn doe je erg je best om een perfecte moeder te zijn. Maak je vervolgens een fout en voldoe je niet aan die regel, dan voel je jezelf van de weersomstuit een slechte moeder.

Vastgelopen (4) : negatief zelfbeeld

Over de ontwikkeling van het zelfbeeld heb ik inmiddels heel wat blogs geschreven. Volgens Prof. dr. R.E. Abraham ontwikkelt het zelfbeeld zich in tien stappen. Veel mensen ontwikkelen geen autonoom zelfbeeld, maar blijven altijd afhankelijk van het oordeel van anderen.

Waardering moeten krijgen

Eén van de gevolgen van deze afhankelijke relatie is dat je dingen onderneemt om daar waardering voor te krijgen. Je zorgt goed voor je kinderen, maar als keerzijde daarvan verwacht je dat ze jou waarderen.

Zorgen voor

Een parallel hierbij is een bekend thema in de zorg: mensen zorgen voor anderen om daarmee waardering en dankbaarheid te verkrijgen. Je mag er pas zijn als je goed zorgt. Maar als je zo denkt valt het in de praktijk van het leven vaak erg tegen. Want lang niet iedere patiënt zal dankbaar zijn voor jouw zorg. Op zo’n moment kom je jezelf tegen.

Zes kenmerken

  1. Een negatief zelfbeeld kun je bijvoorbeeld herkennen aan het ‘moeten’. Er lijkt sprake te zijn van een constante druk: die van het perfectionisme.

2. Een ander kenmerk van een negatief zelfbeeld is dat mensen met zo’n beeld van zichzelf zich voortdurend aangevallen voelen. Als iemand anders een vraag stelt over iets wat deze persoon gedaan heeft wordt dat niet als een opmerking over het gedrag, maar als een persoonlijke aanval ervaren.

3. Een derde kenmerk is dat van het voortdurend oordelen over anderen. Het beeld van anderen is zwart-wit: er zitten weinig grijstinten bij.

4. Een vierde kenmerk is het steeds bevestiging vragen. “Ik heb het toch wel goed gedaan?” “Je vond het cadeau dat ik voor je gekocht hebt toch echt wel mooi?”

5. Een vijfde kenmerk is dat van de ‘schone schijn’. De woonkamer is geen kamer waar geleefd wordt, maar een toonkamer. Kleding en make-up lijken wel rechtstreeks uit een catalogus te komen. Het proces van het ouder-worden wordt dwangmatig gecamoufleerd.

6. Tenslotte noem ik de aangeleerde hulpeloosheid (‘ik kan het tóch niet!’). Mensen met een negatief zelfbeeld nemen soms nauwelijks meer initiatief omdat ze denken dat ze het toch niet kunnen. Volgens psychiater Beck is dit de belangrijkste oorzaak van depressiviteit bij volwassenen met een verstandelijke beperking.

Zijn deze mensen echt vastgelopen? Daar lijkt het vaak niet op. Er zijn mensen die erg hard werken en veel presteren. Maar de geestelijke balans is niet in evenwicht. De machine loopt door en wordt ondertussen niet gesmeerd, waardoor de boel oververhit raakt. Een zware burn-out ligt dan uiteindelijk op de loer.

De ontwikkeling van het zelfbeeld (6)

7. Authentiek zelfbeeld (individueel)

Dit is het eerste van de adaptieve zelfbeelden. De energie gaat in de goede dingen zitten. Dat wil niet zeggen dat je niet soms ‘door de mand kunt vallen’, maar je bent niet (meer) bezig met te overleven, je bent bezig om te leven. Bij deze fasen in de ontwikkeling van het zelfbeeld worden door Abraham ook geen therapeutische interventies beschreven (R.E. Abraham: Het ontwikkelingsprofiel). Prof. dr. Anton Došen zou spreken over een situatie van psychische gezondheid.

Het woord ‘authentiek’ slaat hierbij op het passend zijn: wat je doet past bij wie je bent. Dat maakt jou ook voorspelbaar, want je bent jezelf, betrouwbaar en consistent.

Eén van de kenmerken binnen sociale relaties is dat de persoon in kwestie de belangen van anderen, zijn wensen en overtuigingen respecteert. Dat wil niet zeggen dat de persoon het met de ander eens is (dat zou juist meer passen bij een vaag zelfbeeld). Het gaat niet om gelijkheid, maar om gelijkwaardigheid. De persoon kan verschillende visies naast elkaar leggen: ‘Dat wil ik, wat wil jij?’ De wereld is dus niet zwart of wit, goed of fout.

Voor mensen met een ernstige borderline-persoonlijkheidsstoornis is dat bijvoorbeeld een onmogelijke opgave. Ze zitten gevangen in het oordeel over zichzelf en anderen. Pas na een zeer langdurige therapie lukt het soms om meerdere meningen naast elkaar te leggen.

Mensen met een authentiek zelfbeeld staan ook open voor kritiek. Ze voelen zich niet direct persoonlijk aangevallen (zoals bij de borderline persoonlijkheidsstoornis), want ze weten zaak en persoon van elkaar te scheiden. Ze zijn in staat te erkennen dat ze fouten hebben gemaakt zonder dat ze van die erkenning het gevoel hebben dat ze als persoon instorten.

8. Authentiek zelfbeeld (relationeel)

Bij de vorige variant op het thema zelfbeeld ging het om individuele activiteiten. Bij dit aspect gaat het om samenwerking met anderen. De betekenis die de persoon aan zichzelf toekent ontleent hij aan het samen met anderen uitvoeren van activiteiten die hij als passend bij zichzelf ervaart. In hoeverre kun je samenwerken in een groep? Kun je activiteiten samen met anderen uitvoeren, zonder dat je het gevoel hebt dat je je eigen individualiteit verliest? Oftewel: kun je ook tussen anderen jezelf blijven?

Kernwoord hierbij is verbondenheid. Er zijn mensen die ‘in hun eentje’ een authentiek zelfbeeld kunnen hebben. Wat ze doen past bij hen. Maar ze hebben moeite om samen met anderen activiteiten te ondernemen. De persoon trekt zich niet terug als het moeilijk wordt; hij investeert juist in de relatie met de ander om het probleem op te lossen.