Een nieuwe groep

Ik maak kennis met een nieuwe groep studenten. Het zijn er twaalf. Omdat ik graag wil weten wat voor cursusvlees ik in mijn kuip heb laat ik ze zichzelf voorstellen. 

Martin vertelt dat hij met gehandicapten werkt. Hij houdt van actie en van onvoorspelbaarheid. Vooral het werken met mensen met een lichte verstandelijke beperking vindt hij een uitdaging.

Marieke heeft een gehandicapte broer. Ze heeft veel voor hem gezorgd. En nu werkt ze op een verzorgingsgroep in een instelling.

Rick vertelt dat hij in de ICT werkte. Daar kwamen de muren op hem af. Hij wilde meer vrijheid. Hij is ambulant begeleider.

Jim zegt: “Ik ben Jim, en ik woon in Landsmeer. Mijn hobbies zijn wielrennen, muziek maken en gamen. Ik heb geen vast contract, maar val overal in.”

Christa is nauwelijks te verstaan. Ze praat zacht en tijdens het zich voorstellen maakt ze zich kleiner.

Chayenne vertelt dat ze uit Curacao komt. Haar moeder is twee keer gescheiden en moet van een kleine uitkering leven. Ze wil graag haar moeder financieel ondersteunen. Bovendien wil ze een goed voorbeeld voor haar jongere zusje zijn.

Merel heeft tal van vrienden en vriendinnen die in de problemen zijn geraakt. Ze wil andere jongeren helpen om het niet zo ver te laten komen. Ze wil graag sportinstructrice worden. Want met sport voorkom je veel ellende. Ze wil ook graag een wereldreis maken voordat ze zelf kinderen krijgt. Maar eerst wil ze een betere kamer, ‘dus als jullie nog iets voor me weten…’

Wendy is getrouwd met Peter. Ze heeft twee ‘kids’ van 9 en 6 jaar. Ze zorgt graag voor anderen. Ze voelt zich als een vis in het water in de gehandicaptenzorg. Ze vindt het heerlijk om te ervaren hoe blij de bewoners zijn als ze binnen komt.

Koen wil graag veel leren. Hij wil weten hoe mensen in elkaar steken. Hij is benieuwd waarom mensen psychische stoornissen ontwikkelen. Hij bekijkt allerlei colleges die online op internet te vinden zijn. Maar hij vindt het moeilijk om die kennis toe te passen in de praktijk van zijn werk bij een groep mensen met ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’. Hij hoopt dat het met mijn lessen allemaal wat duidelijker gaat worden.

Dat waren ze niet allemaal. Opvallend is het grote aantal mannen in de klas: de helft. Meestal zitten er maar één of twee mannen in de groep.

De eerste kennismaking geeft al een beeld van wie er in zo’n groep zitten. Vooral als je iedereen voor de vuist weg laat vertellen wat er in hem of haar opkomt.

Het begint al met de vraag wie zich het eerste voorstelt. In dit geval ging het vanzelf, de groep ging op het rijtje af. Alleen zag ik bij Christa dat ze desondanks twijfelde. ‘Spreek ik niet voor mijn beurt?’

Als je kijkt naar de voorrang die denken, voelen of handelen krijgen, dan zie je dat Koen zich in de kennismaking ontpopt als de denker. Hij wil graag veel weten. Ik verwacht dat hij veel vragen gaat stellen waar hij nog meer te weten kan komen. Hij zal me ook vragen gaan stellen waar ik geen antwoord op weet, over video’s die ik nooit heb gezien en sprekers waar ik nog nooit van heb gehoord. Het is de kunst om er geen wedstrijd van te maken wie het meeste weet.

Wendy is vooral een gevoelsmens is en Marieke waarschijnlijk ook. Ze zullen heel intensief gaan luisteren naar de verhalen die ik ga vertellen over hechting, over verstoorde hechting en over de vraag hoe je als begeleider een steentje kunt bijdragen in de opbouw van (alsnog) een stukje hechting. Ze zullen daarbij wel zichzelf tegen komen en ook af en toe emotioneel op de rem moeten staan.

Merel en ook Martin houden van actie. Ze zijn handelaars, en daarmee ook oplossingsgericht. Ze houden zich niet aan protocollen, dat is allemaal flauwekul. Als het werkt is het goed. Ze schudden de boel op. Ik moet ook zorgen dat de lessen voor hen spannend genoeg blijven door bijvoorbeeld op de persoon af te vragen wat ze met een bepaald idee zouden kunnen doen.

Moet ik me zorgen maken over Christa? Ik denk dat dat wel meevalt. Ze heeft de tijd nodig. Ik hoop dat ze een veilige werkplek heeft waar ze rustig kan groeien in haar werk.

Het wordt vast een leuke cursusgroep. Net zoals een team met denkers, mensen die voelen en mensen die oplossingsgericht zijn tot mooie resultaten in de zorg kan komen. Mits het team veilig genoeg is en iedereen zijn woordje kan doen en met zijn specifieke talenten aan bod kan komen. 

Splitting (4, slot)

Bij splitting wordt de één op een voetstuk gezet en de ander wordt de zondebok. Hoe valt dat principe vanuit de sociaal-emotionele ontwikkeling te verklaren?

Kinderpsychiater Margareth Mahler bouwde een theorie op rond de hechting en het ontwikkelen van een eigen identiteit van jonge kinderen. Het draait bij haar rond de termen van separatie en individuatie. Je kunt pas los komen van je moeder (separatie) als je ik voldoende ontwikkeld is (individuatie). Die ontwikkeling vindt volgens Mahler vooral plaats in de fase van de object-constantie  (24 tot 36 maanden, oftewel vooral tussen twee en drie jaar).

Vier stappen in het leren loslaten

  1. Eerder heeft het kind al geleerd dat een moeder weg kan zijn en er ergens toch nog is. Nu leert het kind: ook als ik mijn moeder niet zie is ze toch nog voor mij beschikbaar.

2. Het tweede wat kinderen in deze fase leren is: ook als mijn moeder boos op me is mag ik er toch nog zijn. De moeder wordt als een constante factor gezien, de boosheid is iets wat tijdelijk is, maar wat wel weer over gaat.

3. Het derde wat kinderen leren is alvast een beetje in grijstinten denken. Ook lieve mensen kunnen heel boos doen. Toch blijven ze lief. En ook: mamma kan heel erg boos zijn, maar ook een beetje boos. Als ze een beetje boos is is dat geen afwijzing, ze is gewoon even een beetje boos.

4. Ook leren peuters te oefenen in afstand en nabijheid. Dankzij dit oefenen kan het kind leren dat het geen ramp is als mamma niet in de buurt is. En als mamma weg is, is dat geen verlating. Ze is even weg en zo komt straks weer terug.

Geen grijstinten

Als mensen splitten komen ze kennelijk niet aan die derde fase toe: het denken in grijstinten. Mijn vrouw is nu even onbereikbaar, maar straks komt ze weer thuis. Of in de andere dimensie: de ander is er helemaal voor mij óf hij is tegen mij. Het emotionele denken is zwart-wit. De één doet alles goed en de ander kan nooit iets goeds doen.voorafgaande fase steken.

In die voorgaande fase leert het kind geleidelijk aan om zijn moeder te ‘missen’. Als mamma er niet is kan het kind verdrietig zijn, maar dat hoeft niet te ontaarden in heftige driftbuien, in bijtgedrag, in destructie. En als mamma weer terug komt is alle leed geleden. Het kind zoekt troost en daarna is het weer helemaal goed.

Ziehier het principe van de stalkende echtgenoot die op elk moment van de dag wil weten waar zijn of haar partner is. Het gevoel geen controle te hebben wordt ervaren als verlating.

Bij volwassenen is het vaak geen mamma meer, maar bijvoorbeeld de partner. Het valt niet te verdragen dat de partner aandacht geeft aan een ander. Dat wordt niet in de context geplaatst (hij praat nu even met de buurvrouw, maar straks is hij weer bij mij): de gedeelde aandacht staat gelijk aan verlating. Een zeer heftige reactie tot en met een overvliegend servies kan het gevolg zijn. De partner heeft nu de positie van de moeder ingenomen. Hij moet er helemaal voor mij zijn, want anders voel ik me leeg en ben ik verlaten.

Varianten op het splitten

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden

Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Deze serie blogs werden geschreven vanuit ervaringen in de gehandicaptenzorg. Daaruit geef ik de volgende literatuursuggesties mee: 
* E. de Belie en F. Morisse: Gehechtheid en gehechtheidsproblemen bij personen met een verstandelijke beperking (Garant, 2007) 
* Erik de Belie en Geert van Hove: Wederzijdse emotionele beschikbaarheid (Garant, 2013)

Splitting (3)

Marjanne heeft een begeleidster die op een voetstuk wordt gezet (Sanne) én ze heeft een begeleidster die het niet goed kan doen (Dorien). 

Soms zie je dit verschijnsel ook bij opvoeders. Het ene kind wordt op een voetstuk gezet, het andere is per definitie de zondebok. Wat er dan gebeurt is dan een ouder kennelijk niet in staat is om in grijsdenken te denken en te voelen. Elk kind roept pretttige dingen op, maar kan jou ook confronteren met vervelende herinneringen.

Stel dat het gedrag van je dochter je aan je moeder doet denken en je hebt negatieve herinneringen aan je moeder en misschien zelfs wel elk contact met haar verbroken: loopt er opeens een kopie van je moeder door het huis... 

Een ouder hoort volwassen genoeg te zijn om hier over na te kunnen denken en in te zien dat je dan de boosheid op je moeder projecteert op je kind. Helaas zijn tal van ouders daar niet toe in staat. En zeker niet als ze een stevig emotioneel rugzakje met zich meedragen dat hun sociale en emotionele ontwikkeling heeft belemmerd. Je krijgt dan eigenlijk een kind dat een kind moet opvoeden.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgeplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boevn water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleem-gedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De optimale houding is: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er van vindt’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.
Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Splitting (2)

Splitting is één van de meest kenmerkende psychologische verschijnselen bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Het komt ook veel voor bij kinderen uit disfunctionele gezinnen. 

Bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis zie je dat de één op een voetstuk wordt gezet en dat de ander nergens voor deugt. Echter: degene die op het voetstuk gezet wordt kan er ook heel gemakkelijk weer afgegooid worden. De val is vervolgens diep. Van de beste dokter die er ooit geweest is word je opeens de slechtste huisarts van Nederland. Wat zeg ik? Van de héle wereld!

Gisteren schreef ik over Marjanne. Ze heeft een favoriete begeleider én ze heeft iemand die het nooit goed kan doen. Sterker nog: als begeleidster Dorien binnen komt staat het gezicht van Marjanne meteen op ‘zwart’. De hele dienst door blijft ze mokken, negatief gedrag vertonen, en ze weigert elk verzoek van Dorien. Marjanne is voor haar de zwarte Piet (dat schijn je niet meer te mogen zeggen en schrijven, maar als ik me daar ook al druk over moet gaan maken…).

Marjanne’s vader was zeer onvoorspelbaar in zijn gedrag De ene keer kwam hij boos thuis uit zijn werk en was er niets goed. De andere keer kwam hij thuis en had hij direct positieve aandacht voor zijn dochter. Het gevolg was dat Marjanne eigenlijk altijd op haar hoede was.

De combinatie van die twee ‘vaderbeelden’ is voor Marjanne niet te vatten. ze heeft voor zichzelf de wereld voorspelbaar gemaakt door de ene begeleidster op een voetstuk te zetten, te idealiseren. De andere begeleidster symboliseert de kwade vader, voor wie nooit iets goed was.

Anja: twee werelden                                                                                                                 

Anja is een vrouw van middelbare leeftijd met een matige verstandelijke beperking. Ze vertoont op de woning veel gedragsproblemen. Dagelijks zijn er stevige incidenten. Regelmatig verscheurt ze haar kleren, gooit met spullen (‘verplaatst meubilair op horizontale wijze door de ruimte’ staat er dan eufemistisch in de rapportage) en vertoont fysieke agressie naar met name de begeleiding. Op het dagcentrum gaat het echter altijd goed. Ze heeft een goede band met activiteitenbegeleider Saskia.

Geleidelijk ontstaat er spanning tussen wonen en de dagbesteding. Op de dagbesteding verwijt men de woning dat er te zware maatregelen worden ingezet bij de begeleiding van Anja. Dagelijks krijgt ze straf. Dat wordt als barbaars ervaren. Anja klaagt ook dagelijks op de dagbesteding over de begeleiders op de woning. Het gevolg is dat begeleider Saskia een steeds negatiever beeld krijgt van de medewerkers op de woning. Ze doen wel aardig, maar eigenlijk zijn het beulen.

Splitting tussen personeel

Wat je in het verhaal van Anja ziet is dat de splitting in het gedrag van Anja leidt tot splitting tussen medewerkers. De ene medewerker is goed, de andere is fout. En dat is precies het in pedagogisch opzicht meest desastreuze effect voor de begeleiding van cliënten met complexe hulpvragen.

Ik zag Anja regelmatig uit de dagbesteding naar de woning lopen. Je kon aan haar motoriek zien dat het eigenlijk maar nét goed ging. Ze sloot zich helemaal af van de buitenwereld, want ieder contact zou de vlam in de pan kunnen doen slaan. Eenmaal op de woning gebeurde dat dan ook meerdere malen per week. Eén opmerking van een personeelslid (‘wil je je jas even ophangen?’) kon al tot gevolg hebben dat het gedrag van Anja totaal escaleerde.

Wat er in feite gebeurde was dat Anja koste wat het kost het positieve beeld van de begeleidster Saskia vast wilde houden. Dat kostte haar zóveel energie dat ze eigenlijk mentaal helemaal uitgeput raakte. Het ging nog maar nét goed. Eenmaal op de woning móest alle spanning eruit. Met heftige gevolgen….

Twijfelen aan jezelf

Dan nu terug naar begeleider Dorien. Wat betekent het gedrag van Marjanne voor Dorien?  Ze voelde zich als begeleider steeds minder ‘competent’ en ging steeds meer twijfelen aan zichzelf. De relatie tussen Dorien en Marjanne stond steeds minder centraal, het zelfbeeld van Dorien raakte er door besmet. Was ze eigenlijk wel een goede begeleider? Had ze wel het goede vak gekozen?

Paradoxaal genoeg: om zichzelf te beschermen ging ze extra haar best doen. Ze wilde extra proberen om de relatie met Marjanne meer op orde te krijgen. Maar Marjanne liet zich niet helpen. Hoe meer Dorien haar best deed, des te dwarser werd het gedrag van Marjanne. Precies zoals de peuter de groente nog méér weigert als mamma extra lekker heeft gekookt…

Opnieuw een paradox: juist het feit dat Dorien extra haar best deed maakte dat de angst bij Marjanne toenam. Het betekende voor haar niet: het is gezellig, maar: straks is het niet meer gezellig. Alsof je een verjaardag niet leuk mag vinden omdat je morgen niet meer jarig bent.

Afgunst in de zorgrelatie

“Je hebt een mooi beroep”. Dat is vaak wat tegen begeleiders in de zorg wordt gezegd. Maar hoe kijken cliënten aan tegen het beroep van de begeleider?

In de bundeling van zijn columns over het verblijf in een verzorgingshuis (Geen patiënten) beschrijft Jan Hein Donner hoe zijn afhankelijkheid van begeleiders leidt tot allerlei negatieve gevoelens. Je zou het een soort van Calimero-effect kunnen noemen. Zij zijn groot en ik ben klein. Als zij koffiepauze nemen moet ik wachten.

Mensen met een beperking hebben ook hun idealen. Vooral als ze het besef hebben dat ze ‘anders’ zijn kan dat schrijnend zijn. Ze willen normaal zijn, ze willen later een huis, een baan en twee kinderen. Tegelijkertijd ervaren ze dat ze die idealen nauwelijks kunnen bereiken. Het lukt meestal niet om de school af te maken, er moet eindeloos gesolliciteerd worden, de wachtlijst voor een sociale woning is ontzettend lang, relaties lopen steeds weer stuk.

En dan die begeleidster. Ze komt ’s morgens vrolijk fluitend op haar werk (een baan dus) en ze gaat aan het eind van de dienst weer naar huis, naar haar man en naar haar kinderen. Ze is geslaagd in het leven. Als cliënten zich dat bewust zijn kan het leiden tot allerlei vormen van afgunst. 

De meeste vrouwelijke cliënten met een lichte verstandelijke beperking hebben een uitgesproken kinderwens. Toen begeleidster Mirjam zwanger was bleek het contact met één van haar cliënten – Vanessa – veel moeizamer te verlopen. Momenten van betrokkenheid (‘hoe gaat het met je kindje?’) wisselden af met teruggetrokkenheid, maar ook met felle uitbarstingen. “Ik hoop dat je kind dood geboren wordt, dat is dan je eigen schuld!” Zoiets komt ontzettend heftig binnen. Mirjam ervoer deze uitspraak als een vloek over haar kind. Ze ging zelfs denken dat het werkelijk mis zou gaan met de baby.

We hebben over deze situatie gesproken. Mirjam kon wel (aan) voelen dat Vanessa het moeilijk had met deze zwangerschap. Gaandeweg was ze de Mirjam gaan vertrouwen. Soms was er misschien zelfs een teveel aan vriendschap ontstaan. Twee vriendinnen die van alles aan elkaar vertelden. Nu kwam de ongelijkheid van de relatie nadrukkelijker naar voren. Mirjam die in de ogen van van Vanessa alles had wat ze maar wilde: huisje, boompje, beestje en nu zelfs een kind. En de cliënt die steeds meer was gaan ervaren dat ze steeds weer haar doelen te hoog stelde.

Maar daarmee ben je er nog niet. Mirjam had begrip voor de uitspraken van de cliënt. Ze wilde haar er niet op aanspreken, want Vanessa miste immers al zoveel? Dan moest zij maar de sterkere zijn.

Is dat terecht? Moet je als begeleider alles maar ‘over je kant laten gaan?’ Mijn ervaring is dat het steeds maar weer moeten incasseren van pijnlijke opmerkingen op den duur steeds schadelijker wordt, steeds meer belastend. Je denkt een tijd dat je er tegen kunt, maar er kan een moment komen dat er iets ‘knapt’. Schelden doet namelijk wél zeer. En in een relatie doet het extra zeer, zeker als het schelden een persoonlijke kleur heeft en gericht is op één van jouw kwetsbare plekken.

De opmerkingen uit de zorgrelatie halen

In het kader van het mentaliseren hebben we er over gesproken wat de persoonlijke aanvallen van de cliënt voor Mirjam betekenden. We hebben de opmerkingen zoveel mogelijk uit de zorgrelatie  gehaald (‘wat zou je doen als je niet een zorgrelatie had met Vanessa maar als ze bijvoorbeeld je buurvrouw was?). Daarnaast hebben we besproken wat het voor Vanessa zou betekenen als ze op een ‘gelijkwaardige’ manier werd aangesproken op haar gedrag. Het moest geen preek worden, maar een gesprek waarbij de cliënt zelf zou inzien wat haar gedrag betekende.

Vanessa werd in een volgend gesprek erkend in haar gemis. Met die opening kon ze ook toegeven dat ze ‘best wel jaloers’ was. Daarbij kwamen de tranen al snel tevoorschijn. Vervolgens gaf ze aan dat ze ook wel blij was met het kindje dat ging komen.

Maar nu kwam er ook een nieuw dilemma naar voren: ze ging Mirjam drie maanden missen. En dat wilde ze helemaal niet. Toen de kaarten eenmaal op tafel waren geweest waren zowel Mirjam als Vanessa opgelucht. De baby verdween als belast thema van het strijdtoneel.

Kenmerken van begeleiders (3)

Niet iedere cliënt heeft baat bij dezelfde omgangsstijl. Wat bij de één werkt, werkt niet bij de ander.  Er zijn bijvoorbeeld kinderen die weinig begrijpen van een vriendelijke begeleidingsstijl. Daar worden ze onzeker van.

Aan de andere kant weten we ook dat een bepaalde begeleidingsstijl averechts kan werken. Als je bijvoorbeeld bij cliënten met een lichte verstandelijke beperking op een assertief controlerende manier werkt is de kans aanwezig dat je juist een averechts effect creëert.

Vriendelijk is (meestal) het meest effectief

Mensen met een vriendelijke begeleidingsstijl bereiken bijna altijd meer, ook omdat ze meer de tijd nemen. Maar als die vriendelijke stijl ook steunzoekend is, ontstaat de psychologische valkuil dat je je eigen welbevinden afhankelijk maakt van de manier waarop de cliënt zich gedraagt. Je hebt dan erg je best gedaan om vriendelijk te zijn en te blijven, maar je gaat dan ook van de cliënt verwachten dat hij aardig terug doet.

Maar zo zit de zorg niet in elkaar… Uiteindelijk kom je dan gemakkelijk in een rad van depressieve interactie terecht, één van de belangrijkste redenen waarom mensen uiteindelijk in een burn-out kunnen geraken.

Lager niveau, meer controle

Uit het onderzoek komt o.a. naar voren dat er min of meer automatisch meer sprake is van assertieve controle als cliënten jong zijn en bij lagere IQ’s. Dat is niet zo verwonderlijk: hoe lager het niveau, hoe meer je als begeleider geneigd bent om de grenzen vast te leggen. Bij iemand met een ontwikkelingsniveau van twee jaar kun je niet zeggen: ‘hij mag zelf bepalen dat hij de stad in gaat en hij mag ook weer zelf uitzoeken hoe laat hij weer thuis komt’. Maar juist bij die cliënten zou je vervolgens moeten bedenken hoe je toch kunt komen tot een ‘gentle’ manier van benadering.

Teveel controle willen houden

Het blijkt overigens ook dat een proactieve stijl leidt tot meer assertieve controle. Daar moest ik even over nadenken. Als je veel vooruit denkt, wil je mogelijk ook veel dingen vooraf regelen: het moet allemaal ‘lopen’.  Als je zo doelgericht aan het werk bent loop je echter wel het risico dat je de omstandigheden meer onder controle wilt houden. Anders ‘loopt het niet meer’.

Er valt nog veel te puzzelen en uit te zoeken… Hoe meer flexibel begeleiders kunnen zijn qua begeleidingsstijl, des te meer kunnen ze goede doelen bereiken met hun cliënten.

Kenmerken van begeleiders (2)

Bewoners roepen bepaalde reacties van begeleiders op. Arno Willems deed onderzoek naar kenmerkende begeleidingsstijlen. Gisteren de eerste vier, vandaag de rest.

4. De Pro-actieve denkers: dit zijn begeleiders die steeds nadenken óver de situatie: wat gebeurt er precies, waarom gedraagt iemand zich zo, wat kan ik daarmee, hoe kan ik daarop ‘anticiperen’? “Als Mark gaat gillen wordt Tim gespannen. Dan moet ik eerst zorgen dat er geen gevaarlijke spullen op zijn kamer staan.”

5. De Zelfreflectieve begeleider: welk gevoel roept het gedrag van de cliënt bij mij op? Wat wil ik eigenlijk zelf? “Wat maakt dat ik op deze manier reageer op Petra? Waarom voel ik me niet prettig als Johan steeds zo naar mij kijkt”.

6. De begeleider met de kritische Expressed Emotion: deze geneigd tot oordelen, tot preken, tot werken met een cynische houding. Het is een variant op de vijandige stijl. Het verschil is dat de emotionele lading zwaarder is: je maakt de ander emotionele verwijten omdat je zelf een te hoge hartslag hebt, te emotioneel betrokken bent. “Het is ook altijd hetzelfde. Alwéér heb je je bed niet opgemaakt”. 

Een te hoge Expressed Emotion is een contra-indicatie voor het leveren van goede zorg voor kwetsbare mensen. Daarover heb ik eerder een reeks van blogs geschreven.

Kenmerken van begeleiders (1)

Gedrag van bewoners roept altijd reacties van begeleiders op (en omgekeerd). Arno Willems deed onderzoek naar het gedrag van begeleiders. Daar kwamen uiteindelijk zeven clusters van begeleidingskenmerken uit.

De kenmerken komen uit SIG-B (de Schaal voor Interactief Gedrag van Begeleiders) is een vragenlijst die ‘meet’ hoe begeleiders kijken naar hun cliënten. Ik parafraseer deze kenmerken aan de hand van voorbeelden uit wat ik gehoord of gezien heb in het werk.

  1. De Assertieve Controle stijl: deze begeleiders beroepen zich op de regels, de afspraken die zijn gemaakt. “Regels zijn regels.” Daar moet iedereen zich aan houden. Wat afspraken betreft ‘staan ze dus op hun strepen’. “Acht uur thuis is acht uur thuis”. De begeleiders hebben moeite met het rekening houden met omstandigheden en maken liever geen uitzonderingen. Ze zullen ook niet gemakkelijk zeggen ‘ik vind’, maar ze beroepen zich op de externe autoriteit: “De afspraak is dat” of “De psycholoog heeft gezegd dat”.
  2. De Vijandige Stijl: deze begeleiders mopperen regelmatig op de cliënten. Ze gebruiken woorden als ‘altijd’ of ‘nooit’. “Jeffrey loopt altijd te klieren, Vanessa ruimt nooit haar kamer op”.  Waarschijnlijk zullen deze begeleiders ook vaker mopperen op de omstandigheden, op collega’s, op de organisatie. Het glas is eerder half leeg dan half vol.
  3. De Vriendelijke Stijl: deze begeleiders zijn gericht op samenwerking, op luisteren, op ‘volgen’. Het is de houding van “Dat wil ik, wat wil jij?” “Wat zullen we doen: eerst even praten en dan je kleren opruimen, of zullen we eerst je kleren opruimen?” Waarschijnlijk zullen ze binnen het team ook graag regelmatig willen overleggen om samen tot een gezamenlijk gedragen afspraak te komen.
  4. De Steunzoekende Stijl: dit zijn begeleiders die niet direct voor zichzelf opkomen, maar die om zich heen kijken of het wel veilig genoeg is en waar ze hun veiligheid vandaan kunnen halen. Het komt regelmatig voor dat ze die steun ook bij hun cliënten halen: doe ik het wel goed, ben ik wel een goede begeleider voor jou? Ze hebben de waardering van de cliënt (of van zijn ouders of van collega’s nodig om zichzelf prettiger te voelen.
Wat dat laatste betreft: niemand kan zonder waardering. Een organisatie die zijn medewerkers niet waardeert maakt dat medewerkers maar kort blijven of snel in een situatie van burn out terecht komen. Als je nooit aan een bewoner merkt dat je iets goed doet raak je (toch) uitgeput. Het is wat anders als je voor je functioneren afhankelijk bent van deze goedkeuring.

Zorgen voor de ander en borderline (2)

Kunnen opvoeders met ernstige borderline-problematiek goed zorgen voor kinderen? Ja en toch is het vaak (te) ingewikkeld.

Kijk je naar het gedrag van de kinderen, dan zie je dat moeders met borderline best in staat kunnen zijn om goed voor hun kinderen te zorgen (althans, voor zover het gedrag van die moeders enigszins voorspelbaar blijft: structuur van ruimte, tijd en persoon is essentieel voor de hechting van jonge kinderen).

De problemen ontstaan tijdens de peutertijd, als de peuter een eigen ‘ik’ ontwikkelt. De knuffelige en eenkennige baby die mamma in de buurt wilde hebben wordt opeens een peuter die nee zegt en nee doet. Hij wil niet meer op schoot, hij weigert het lekkere eten dat mamma gemaakt heeft en als hij gaat praten zegt hij dat mamma stom is. Dat gedrag wordt door moeders met borderline vaak als verlating ervaren. “Iedereen laat me in de steek, zelfs mijn eigen kind.”

Dit proces verklaart waarom Liesbeth wel met kinderen uit de buurt om kan gaan. Die zien haar als lieve tante naast de eigen ouders die alle dwarsheid van hun zoon of dochter moeten trotseren. En bij Liesbeth eten de kinderen wél spruitjes, maar bij mamma niet. Kijk eens hoe goed ze kan opvoeden én kan koken!

Margo werkt met hart en ziel in de ouderenzorg. Ze vindt het heerlijk om 'voor de oudjes te zorgen'. Toch zijn er ook bewoners bij wie het direct mis gaat. Dat zijn de bewoners die zich niet laten verzorgen door haar. Dan voelt ze zich miskend. Een ander probleem vormt de samenwerking met collega's. Die zijn het in teambesprekingen lang niet altijd met haar eens. Inmiddels is Margo al drie keer verplicht van afdeling verhuisd. Niet omdat ze niet goed kan (ver)zorgen, maar omdat zich gekrenkt voelt als anderen haar zorg afwijzen.

Mentaliseren

Terug naar Liesbeth. Is ze goed in staat om te mentaliseren? Kan ze goed kijken naar haar eigen gedrag? Is ze in staat om achter het gedrag van de kinderen te kijken? Ze kan het gedrag van kinderen een beetje begrijpen als ze zelf weinig stress ervaart.

Maar Liesbeth vult ook veel te snel in. Háár ervaring is meteen ook de ervaring die de kinderen ‘moeten’ hebben. Ze weet als geen ander hoe het voelt om als kind bang te zijn geweest, mishandeld te zijn geworden, gepest te zijn. Ze kan zelfs kinderen die gevoelens aanpraten. Ze plakt háár emoties naadloos op die van de kinderen. Daarmee kan ze soms ten strijde trekken, ze ‘vecht als een leeuwin voor de kinderen’, zonder ooit te vragen of het verhaal wel klopt.

Volwassenen zijn voor Liesbeth bedreigend, kinderen niet. Over volwassenen heeft ze geen controle, over kinderen wel. Ze wil vooral volgelingen.

In sociaal-emotioneel opzicht kun je hierbij denken aan het sociale gedrag van jonge kinderen. Pas later in de ontwikkeling groeit het samenspel. Op jongere leeftijd pakt het ene kind zomaar spullen van het andere kind af, het ene kind domineert het andere kind, het heeft geen idee hoe het samen moet spelen. Jonge peuters spelen naast elkaar hun eigen spel.

Naar volwassenen is Liesbeth snel achterdochtig, het verhaal van de kinderen wordt bij voorbaat geloofd. Omdat ze geen vragen stelt aan betrokkenen, maar direct haar eigen conclusies trekt schiet ze regelmatig mis. Ze heeft zich om die reden ook al eens voor de rechtbank moeten verantwoorden.

Het andere deel van het mentaliseren: kijken naar jezelf, is voor Liesbeth bijna altijd te hoog gegrepen. Ze zegt ook zelf wel eens dat ze niets van zichzelf begrijpt: het lijkt wel altijd te stormen in haar hoofd. Alleen bij minimale stress en maximale ontspanning is ze soms even in staat om te begrijpen wat er met haar en haar omgeving gebeurt.

Kun je iemand gelukkig maken?

Misschien kennen jullie de opnames van Céline, destijds in de serie over de Kinderen van de Hondsberg.

Céline was een geadopteerd meisje dat eigenlijk op iedereen een appel deed om haar te helpen. Als begeleider wilde je zorgen dat ze alsnog – na alles wat ze als klein kind had moeten missen – de schade in zou kunnen halen. En een gewone en gezonde puber en later volwassene zou worden. Maar hoe meer er in Céline geïnvesteerd werd, hoe slechter het met haar leek te gaan. Dat leidde tot een groot afbreukrisico voor begeleiders.

In intervisie en supervisie komt dit onderwerp regelmatig ter sprake. Vooral als begeleiders emotioneel uitgeput raken van een cliënt. Dan wordt de kracht van de begeleiding hun zwakte. Je wilt iemand gelukkig maken, maar het werk breekt je ben de handen af.

Ook ouders willen niets liever dan dat hun kind gelukkig is. Maar wat moet je als je kind maanden of jaren achter elkaar lijdt aan zijn bestaan? Dat is vaak nóg zwaarder dan wanneer je zelf lijdt aan je bestaan.

Daar komt nog eens bij dat kwetsbare kinderen vaak precies aanvoelen hoe het met hun ouders gaat. Ze nemen dan ook nog eens het verdriet van hun ouders mee op hun schouders.

Let op: dit bedoel ik allerminst als een beschuldiging aan het adres van de ouders. Het is volkomen begrijpelijk dat je je als ouders zorgen maakt als het met je kind niet goed gaat.

Voor begeleiders geef ik wel eens een voorbeeld als: “Het regent bij Richard altijd. Maar soms sta je even samen onder een afdakje.” Met andere woorden: ga niet op zoek naar de zon. Zoek wel een beschut plekje op waar het leven even iets minder hard is. Even zo’n droog moment geeft jou de ruimte om anders adem te halen en de cliënt ook.

We kunnen niemand gelukkig maken. Als je denkt dat je dat wel kunt loop je uiteindelijk tegen jezelf aan. We kunnen wel proberen om de kwaliteit van bestaan te vergroten. Als dat lukt (ook al is het maar één minuut) hebben we al veel om blij mee te zijn...