Fuctioneren van de hersenen en interventies bij dementie (2)

We dalen af naar een lager systeem in de hersenen. Maar dat wil niet zeggen dat het een minder belangrijk deel is van de hersen. Het limbische systeem.

Er is discussie over de vraag of dit deel van de hersenen bij de grote hersenen hoort, maar daar ga ik mijn hersenen niet over breken: die hebben het al druk genoeg met andere dingen.

Het limbisch systeem is betrokken bij emotie, motivatie, genot, seksualiteit en het emotioneel geheugen. Veel van onze herinneringen hebben een emotionele kleur. En emoties helpen op hun beurt weer bij het ophalen van herinneringen.

De basisschool van vroeger roept bij de meeste mensen geen cognitieve herinnering op ('aap, noot, mies'), maar een emotionele herinnering (de sfeer van de school).

Eén van de onderdelen van het limbische systeem is de amygdala. Professor Simon Baron Cohen meent dat mensen met autisme meer moeite hebben met het lezen van emoties bij anderen doordat hun amygdala minder alert reageert.

Als de bovenste hersenlaag (de cognitie) minder actief is komen de emoties meer aan de oppervlakte. Dat is wel logisch als je het model van de lagen in de hersenen ‘in je achterhoofd’ hebt.

Bij een benadering die past bij het functioneren van het limbische systeem past het inzoomen op de emoties van de persoon. Je doet als omgeving niet zozeer meer een appel op het weten en het kunnen analyseren, maar je werkt vanuit een emotionele klankkleur. Dat zit al in de reminiscentie (het ophalen van herinneringen), maar speelt in de volgende laag van de hersenen een nóg grotere rol.

Belevingsgericht begeleiden. “Wat mooi, meneer Petersen, die foto. Zijn dat uw kinderen en kleinkinderen. Ik denk dat sommige wel op u lijken. Had u vroeger ook van die blonde krullen?” Opmerking: Muziek is altijd een mooie ingang bij het belevingsgericht begeleiden. Zie daarvoor ook het laatste punt.

Operant leren. Dit lijkt niet in de eerste plaats een vorm van belevingsgericht begeleiden, maar het past wel bij – wat Dorothea Timmers-Huigens noemt – de associatieve ervaringsordening. De ene associatie wordt met de andere associatie verbonden. Er daat zitten toch weer emotionele belevingen tussen. “Ik dek de tafel om kwart voor twaalf. Dan weten de bewoners dat we zo meteen gaan eten. Ze gaan dan niet meer lopen over de gang.” Bij deze fase past ook je een tafelkleed gebruikt: dan ziet de tafel er opeens anders uit dan wanneer er daar een spelletje wordt gedaan.

Model-leren. “Als mevrouw de Jong niet haar mond open doet als ik haar wil helpen bij het tandenpoetsen doe ik zelf mijn mond wijd open. Zij reageert daar vaak op door óók haar mond open te doen.”

Muziekagogie. Muziek en emoties zijn sterk met elkaar verbonden. Zelfs dementerende mensen in de laatste twee fasen van dementie reageren vaak nog sterk op muziek. Voor veel huidige ‘oudere jongeren’ roept muziek uit de sixties tal van emoties op.  Als begeleider op een woning of als muziektherapeut probeer je aan te sluiten op de muzikale beleving van de bewoner: welke muziek raakt hem of haar?

De volgende twee lagen in de hersenen zijn de middenhersenen en de hersenstam. De cognitieve mogelijkheden vallen voor een groot deel weg: veel communicatie wordt gevoerd voor de verschillende zintuigen.

Tien tips voor behandelaars van oudere patiënten

De onderstaande tips kunnen ook goed van pas komen bij het geven van adviezen aan mensen met een lichte verstandelijke beperking of aan mensen met een stoornis binnen het autistisch spectrum.
  • Elke patiënt is anders, en dat geldt ook voor oudere patiënten. Het is zeker niet zo dat een oudere patiënt weinig meer begrijpt. Maar je kunt als behandelaar een oudere patiënt ook gemakkelijk overschatten. Sommige ouderen zeggen gemakkelijk ‘ja’ omdat ze bijvoorbeeld niet lastig gevonden willen worden. Observeer dus goed, ook bij een patiënt die al langer in de praktijk komt. In een jaar tijds kunnen de vaardigheden sterk achteruit zijn gegaan.
  • Geef oudere patiënten extra tijd om hun zorgen te ventileren en te reageren op de informatie. Een stilte kan ruimte geven om een vraag te stellen. Wees daarnaast voortdurend alert op signalen die duiden op zorgen of vragen, reageer hierop en vraag door.
  • Is er iemand die mee kan gaan naar het gesprek? Dat kun je als behandelaar stimuleren. Respecteer het als de patiënt hier geen behoefte aan heeft.
  • Maak keuzes in wat u vertelt. Draai niet het gebruikelijke ‘lesje’ af, maar maak een duidelijke keuze wat op dit moment het meest belangrijk is. Geef prioriteit aan praktische adviezen en vat de informatie samen.
  • Het verdient aanbeveling om belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen, of bijvoorbeeld in de bijsluiter te onderstrepen. Oudere mensen onthouden vaak beter als ze iets zien, dan wanneer ze iets horen.
  • Structureer informatie, groepeer onderwerpen en maak ‘bruggetjes’ tussen verschillende onderwerpen. Introduceer bijvoorbeeld eerst een onderwerp als ‘het hart’, daarna ‘bloeddruk’ en ten slotte ‘behandeling van hoge bloeddruk’.
  • Wees alert op sensorische problemen. Let goed op of de patiënt u verstaat en begrijpt. Bedenk daarnaast dat oudere patiënten vaak eerder worden afgeleid door wat er in de omgeving gebeurt (bijvoorbeeld een assistente die iets aan het opruimen is of een telefoon die gaat).
  • Praat langzaam en duidelijk, en vermijd medisch taalgebruik (vakjargon). Kijk de patiënt recht aan. Maak gevoelige onderwerpen iets algemener, bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Bij het ouder worden hebben veel mensen last van …’
  • Stimuleer de patiënt pf zijn/haar familie om vragen te stellen. Geen enkele vraag is ‘gek’.
  • Ga na of de patiënt heeft begrepen wat u hebt verteld. U kunt als check vragen om hem/haar de belangrijkste informatie nog even te laten samenvatten, maar dat mag niet gaan lijken op een overhoring.

Vrij naar: Julia van Weert, Jesse Jansen en S. van Dulmen: In gesprek met ouderen. Huisarts en wetenschap, 4 april 2012.

De klagende patiënt (3)

Hoe zou het team op mevrouw Veenstra kunnen reageren?

Stap 1: wat is een passende vraag in één zin?

Niet dat mevrouw Veenstra haar mond houdt. Maar wat dan wel. Een teamlid formuleerde het zo: “Ik begrijp mevrouw Veenstra niet. Help mij te begrijpen waarom mevrouw Veenstra zo doet.”

Mijn stelling is dat we mensen beter kunnen begrijpen als we iets van hun levensverhaal weten. Dat geldt zeker ook voor de ouderenzorg. Maar verandert mevrouw Veenstra daarmee ook? Of moeten we niet willen dat ze zich anders opstelt? Daarover verschillen de meningen. Een andere vraag kan zijn: “Hoe kan ik mevrouw Veenstra helpen om minder klagend te zijn?”

Stap 2: welke transactionele ik-positie neemt het team in?

Van de manager is het duidelijk. Ze zit in de positie die ze mevrouw Veenstra verwijt. Ze is ook een kritische ouder. De manager kan zeggen dat ze hiertoe gedwongen wordt door het gedrag van mevrouw Veenstra, maar dat is dan geen volwassen positie.

Bij navraag blijkt een deel van de teamleden ook in deze positie te zitten. Ze hebben de neiging om te oordelen en ook om mevrouw Veenstra te kleineren. Ze roept veel irritatie en ongeduld bij hen op.

Een ander deel gedraagt zich als een aangepast kind: deze teamleden laten het gelaten over zich heen komen, maar zijn ondertussen onderhuids boos of gefrustreerd. Ze slaken een zucht van verlichting als ze hun zorgtaken rond mevrouw Veenstra achter zich hebben gelaten.

Twee teamleden slagen er in om toch een bepaalde volwassen positie in te nemen. Ze proberen een stijl van omgang te vinden waarbij ze hun taken kunnen uitvoeren, bevragen mevrouw Veenstra en kunnen ik-boodschappen geven.

Stap 3: Hoe kwam je in jouw positie terecht?

Tsja, mevrouw Veenstra dwong mij hiertoe. Zij maakte mij boos… Nee, het gaat nu om de vraag hoe het komt dat jij zo reageert op mevrouw Veenstra.

Mogelijk vormt de dramadriehoek dan een goed model:

A) je wilde helpen, daarom koos je voor de zorg (de Redder).

Mevrouw Veenstra vond dat je alles alleen maar verkeerd deed.

B) Haar positie van aanklager maakte dat jij je afgewezen voelde. “Hoe hard ik ook mijn best doe, het is nooit goed.”

Daarmee maak je jezelf tot slachtoffer.

C) Maar vanuit die slachtoffer-positie kom je weer in de rol van Aanklager terecht. Dat is (vaak) de rol van de kritische ouder.

Stap 4: hoe werken de verschillende rollen die je inneemt uit op het gedrag van mevrouw Veenstra? Die stappen heb ik gisteren al beschreven.

Aangepast Kind 1: Een verzorgende die vooral haar mond had gehouden en niet was ingegaan op de klachten van mevrouw Veenstra (‘aangepast kind’)  vertelde dat mevrouw Veenstra steeds bozer was geworden. “Zie je wel, niemand luistert hier naar mij!”

Aangepast Kind 2: Een verzorgende die mevrouw Veenstra op haar wenken bediende (ook de rol van ‘aangepast kind’: ik ben het er niet mee eens, maar ik doe maar wat u vraagt, omdat ik dan minder last van u krijg) zei dat ook dat niets had geholpen, het was toch nooit goed.

Kritische Ouder: Een begeleidster die tegen mevrouw Veenstra had gezegd dat ze dat gemopper flink zat was vertelde dat mevrouw Veenstra in woede was ontstoken en nooit meer door haar geholpen wilde worden. Dat was de concrete reden voor de officiële aanklacht geweest.

Volwassen egopositie: De mensen die (het meeste) vanuit de volwassen positie hadden gereageerd waren het minst ontevreden over hoe het in hun werk ging rond mevrouw Veenstra. Toch bleef mevrouw Veenstra ook bij hen met een reeks klachten komen.

Bas-regel

De vraag is waarom ze dan toch het minst ontevreden waren. Waarschijnlijk heeft dat met hun eigen identiteit te maken. Ze waren minder gevoelig voor de waardering door mevrouw Veenstra. Ze gingen gewoon door, ook al kon er geen dankjewel vanaf. Dat is wat ik de Bas-regel noem. Het gaat er niet om wat het resultaat is van je werk. Het draait allemaal om de vraag of je gedaan hebt wat je moest doen.

Stap 5 en 6: 

Daarop was de vraag: welke reactie past het beste bij ons? Wanneer zou je het meest tevreden zijn. Een begeleidster merkte op dat ze pas tevreden zou zijn als ze een keer mevrouw Veenstra de huid vol zou kunnen schelden. “Maar ja, dat mag hier niet.” Daar werd nog even over doorgepraat. Wat zouden de consequenties zijn? Zou je achteraf tevreden zijn met hoe je gehandeld zou hebben?

Blijft de vraag: wie is mevrouw Veenstra nu eigenlijk. Wat maakt dat ze zo veeleisend is? Kunnen we iets achterhalen uit haar levensverhaal?

De klagende patiënt (1)

Het hele team liep vast op mevrouw Veenstra. Het was voor haar allemaal nooit goed. Zelfs de verpleeghuisarts - toch altijd de rust en vriendelijkheid zelve - was er binnen een paar maanden klaar mee. Het kwam er zo'n beetje op neer dat iedereen mevrouw Veenstra maar een beetje negeerde.

Dat had mevrouw Veenstra wel zo ‘gevoeld’. En nu lag er een klacht bij de klachtenfunctionaris. Of eigenlijk: een hele reeks van klachten. En volgens het protocol moest er dan een gesprek met het team komen.

De psycholoog van een andere afdeling leidde het gesprek. Het hoofd van de afdeling nam het voortouw. Ze nam het voor haar personeel op. Ze renden zich de benen uit het lijf. Maar het was nóóit goed!

De psycholoog vroeg – bewust prikkelend – of het personeel op de afdeling werkte om waardering van de bewoners te krijgen. Nee, zo zat het niet, maar af en toe een beetje waardering kon toch geen kwaad. Zoals mevrouw Veenstra reageerde werd het voor iedereen een uitputtingsslag. En het was niet de bedoeling dat het personeel ziek werd vanwege één zo’n lastige mevrouw op de afdeling. Ze had al genoeg te stellen met het ziekteverzuim in de zorg.

“Dus u geeft mevrouw Veenstra zóveel macht dat ze u ziek maakt?” wilde de psycholoog weten. “Ja, we zijn nu eenmaal geen robots” zei de manager. “We werken met ons hart. Maar daarom komt die dagelijkse kritiek wel binnen.”

“Vertelt u eens, wat zegt mevrouw Veenstra allemaal?” Opnieuw stak de manager van wal. In een niet te stuiten reeks van voorvallen vertelde ze wat het personeel allemaal te verduren had van deze lastige bewoner. Ook haar dochters kwamen bijna niet meer op bezoek. Ze waren helemaal klaar met hun moeder.

De psycholoog moest – al was het maar vanwege de tijd – de manager onderbreken. op de één of andere manier stapelde ze argument op argument om maar te bewijzen hoe ingewikkeld deze mevrouw op de afdeling was.

Kritische Ouder

Gezien vanuit de transactionele analyse, een manier om te kijken hoe mensen met elkaar omgaan, kun je zeggen dat de manager zich met haar opstelling gedraagt als een Kritische Ouder. En dat is nu net wat ze zelf mevrouw Veenstra verwijt. Dat blijkt even later ook.

De psycholoog vraagt aan de manager om in één zin samen te vatten wat ze zou willen van mevrouw Veenstra. “Dat dat mens haar mond houdt, zodat wij ons werk kunnen doen.” Dat is typisch het taalgebruik vanuit de kritische ouderrol. Zo kan een vader ook tegen zijn kind doen die (in zijn ogen) te lang de discussie aan gaat.

Redder

Het tweede aspect is dat de manager in haar eentje het woord voert, namens het team. De begeleiders hebben dag in, dag uit met mevrouw Veenstra te maken, maar zij zijn nog niet aan het woord geweest. Vanuit een ander denkmodel zou je daarom kunnen vermoeden dat de manager vanuit de Redder-positie handelt. In december 2015 heb ik daar een reeks van blogs over geschreven (de Reddingsdriehoek, ook wel de Dramadriehoek genoemd).

De Redder kantelt in het denken en handelen heel gemakkelijk naar de rol van Aanklager. Mensen die zichzelf als Redder opstellen hebben iemand nodig die ‘het’ fout doet. Als ze bij die persoon geen gehoor vinden is de scheidslijn naar de positie van het Slachtoffer flinterdun.

Aangepast Kind

Dat de manager zich in de Krtische Ouderrol bevindt heeft te maken met de andere zijde van haar verhaal: dat van het Aangepaste Kind. De enorme hoeveelheid informatie die ze geeft heeft te maken met de andere Ik-positie die ze inneemt: haar behoefte aan erkenning.

Tijdens het gesprek kijkt ze voortdurend naar de psycholoog. Het lijkt wel of ze niet zonder zijn erkenning kan. “Je hebt het allemaal goed gedaan, je bent een geweldige manager, je komt op voor je personeel, wat jammer dat jullie mevrouw Veenstra op de afdeling rond hebben lopen die al je levensplezier vergalt.”

Uitstoting van de lastpakken

De informatie die de manager verstrekt is eigenlijk niet meer passend bij het probleem. Het is duidelijk dat het haar allemaal hoog zit, maar deze stortvloed aan kritiek wijst op een nog meer onderliggend probleem. Dat is het thema frustratie en vooral: machteloosheid. “Wat we ook doen, mevrouw Veenstra blijft maar klagen.”

Er is nog maar één oplossing voor dit probleem: mevrouw Veenstra moet voortaan haar mond houden. Oftewel: ‘de uitstoting van de lastpakken’, zoals ik dat ooit heb beschreven in het kader van het zogenaamde Rad van Depressieve Interactie. 

Ethiek of juridisch kader?

"Meneer, uw diagnose is duidelijk. Helaas is er geen behandeling mogelijk. De kosten voor uw behandeling zijn namelijk te hoog." Dat is een overweging op basis van efficiëntie en op basis van economische principes.

Je kunt ook zeggen dat iedereen normaal moet zijn en normaal moet doen. Dan gaat het over maatschappelijke principes. Wat stelt de samenleving als norm?

Of iets moet leiden tot een mooi resultaat. Om die reden werden in het verleden wel eens ogen van mensen met downsyndroom ‘recht gezet’ en de tong ingekort. Dan laat je de esthetiek overheersen.

Ethiek

Bij ethiek gaat over het handelen in het licht van ‘het goede’. Het gaat daarbij om immateriële waarden waar we waarde aan toekennen. Denk bijvoorbeeld aan liefde, aan rechtvaardigheid, aan respect.

Ik heb tientallen uren colleges gevolgd over ethiek (als verplicht bijvak) en jarenlang in ethische commissies gezeten, maar in zekere zin vond ik ethiek altijd een vaag begrip. Er bestaat namelijk geen eenduidige uitkomst. En toch is het niet zo dat je met ethiek alle kanten uit kunt. Het gaat bij ethische kwesties vooral om een zoektocht.

Ethische commissie

Het viel me op dat directies en management ethische commissies soms bar lastig vonden. Het stond goed op het reclamebord van de instelling en toch kon je zo’n commissie maar beter een beetje buiten beeld houden. Zo’n commissie stelde lastige vragen waar het management niet goed een antwoord op wist te geven.

Bijvoorbeeld toen de nachtdienst op woningen werd afgeschaft. Het was bewezen veilig én het was goedkoop: wat wil je nog meer? Maar de ethische commissie vroeg zich af of dat wel ‘het goede’ was voor bewoners met een sociaal-emotionele leeftijd van een peuter die ’s nachts wakker lagen. Moest er niet iemand meer zichtbaar en hoorbaar in de buurt zijn?

Aan de andere kant kunnen ethische commissies naar mijn mening ook hun doel voorbij schieten. Wat te denken van 50 bladzijden aan bijlage en checklists bij een onderzoek naar het welbevinden van ouderen? De moed zou je in de schoenen zinken voordat je aan zo’n onderzoek mee gaat doen.

Waarom doe je wat je doet?

Een aspect bij het medisch en pedagogisch handelen is de vraag of je aan een betrokken ander kunt uitleggen waarom je wat hebt gedaan en waarom je dat hebt gedaan.

Tegenwoordig gaat dat vooral om ingrijpen in de vrijheid van cliënten. Die vrijheid wordt officieel geborgd in de Wet Zorg en Dwang die een aantal dagen geleden in de Eerste Kamer behandeld werd. Maar ook mét een wet (en daarmee een juridisch kader) is ‘het goede’ voor cliënten allerminst geborgd.

Een voorbeeld is het gegeven dat een slaapkamer niet op slot mag. Maar als je meneer de Vries met een matras op de grond legt, zodat hij niet zelfstandig op kan staan, mag het dan wél? De deur is niet op slot (juridisch kader), maar meneer de Vries wordt wél beperkt in zijn vrijheid. Misschien kun je wel zeggen: het juridisch kader gaat over de letter van de wet, en de morele afweging gaat over de geest van de wet.

Autonomie

Maar er is nog een andere kant. Autonomie staat tegenwoordig hoog aangeschreven. Maar het is ook een begrip uit het liberale westerse denken. Iedereen mag doen waar hij zelf zin in heeft. Maar bevordert autonomie per definitie het welzijn van een persoon?

Christien is een vrouw van 25 jaar met een lichte verstandelijke beperking. Ze zit iedere dag (en ook nacht) vele uren op sociale media. Regelmatig wordt ze benaderd door ‘vriendjes’. Dan verlaat Christien (zonder het te melden) de woning. Niemand weet waar ze is. De begeleiding merkt op dat Christien steeds drukker gedrag vertoont. Ze lijkt vrolijk, maar volgens een begeleidster kijkt ze niet vrolijk. In juridisch opzicht mag ze gaan en staan waar ze wil. Ook haar telefoon mag niet worden ingehouden. Maar is dit ‘het goede’ voor Christien? De ouders van Christien, maar ook haar begeleiding, maken zich grote zorgen. Haar zus vindt al die bezorgdheid maar onzin: Christien heeft toch ook recht op een vrij leven?

Wat je hier ziet is het spanningsveld tussen het dominante juridische kader, dat deels gebaseerd is op het liberale westerse denken en de vraag wat het goede is voor Christien. Er is sprake van een moreel dilemma waarbij je eigenlijk niet alleen op basis van angst voor juridische consequenties Christien maar alle vrijheid zou moeten geven die ze (niet) aan kan.

Iedereen of individu?

Als je het scherp stelt zou je kunnen zeggen dat het juridisch kader, maar ook de daarmee samenhangende regel-ethiek er vanuit gaan dat alle mensen gelijk moeten kunnen zijn. De regels komen van boven en gelden voor iedereen.

De narratieve, verhalende, ethiek komt van onderen. Binnen deze vorm van ethisch handelen ligt de nadruk bij de individuele persoon in zijn omgeving en in de context van zijn of haar levensverhaal.

Vier lagen onder de hersenpan (4)

Model

Het model is (te) simplistisch, maar daardoor gemakkelijk om te onthouden.

In de onderste lagen van de hersenen komen de indrukken (prikkels) binnen. Je sorteert die indrukken en koppelt er emoties aan.

In de twee bovenste lagen bedenk je wat je meemaakt en je denkt na over wat er (met jou) gebeurt.

Mensen zeggen nogal eens: ik snap hoe het zit, maar mijn emotie wil niet mee. Je leunt dan op de derde laag, maar de koppeling met de tweede laag wil nog niet soepel verlopen.

Mensen zijn verschillend

Mensen zijn verschillend wat betreft de accenten van hun denken en handelen. Bijvoorbeeld: de één reageert vooral primair, de ander secondair. Dat is een temperamentseigenschap. Het heeft te maken met de manier waarop je je indrukken verwerkt. Maar je kunt ook leren om anders met die indrukken om te gaan. Dan zet je je denken in, dus een hogere laag. Dat vormt bijvoorbeeldde kern van nieuwe behandelingen op het gebied van de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Even uit het verzonken bestaan

Een aantal jaren geleden was ik tijdelijk aan een rolstoel gebonden. Ik was op bezoek op een woning voor demente mensen. Niet als functie als behandelaar, maar gewoon op bezoek. Ik had dus alle tijd. Ik reed met de rolstoel naar de tafel en reed mijn rolstoel naast die van Kees, een meneer die inmiddels zo achteruit was gegaan dan hij weinig meer van zijn omgeving leek te merken. Ik zei een tijdje niets. Langzaam keek hij mijn richting uit. Eerst naar mijn benen, toen hoger en uiteindelijk had hij mijn ogen gevonden. Het duurde eventjes en toen zei hij: "Hé, ben je er weer?" De begeleiding was heel verbaasd, want hij had dagen niet gesproken.

 Anneke van de Plaats gaat er vanuit dat verschillende lagen van de hersenen, ook bij dementerende mensen, aangesproken kunnen worden. Dat was ook bij Kees het geval. Hij functioneerde grotendeels ‘in zijn onderbrein’, maar opeens kon hij eventjes ‘zijn bovenbrein aanspreken’. Volgens Van der Plaats is daar ruimte voor als er rust en evenwicht is. Hoe dat ontstaat is een kwestie van zoeken. Voor mij staat vast dat dat één van de factoren bij kwetsbare mensen o.a. de rust van de kant van de mensen in de omgeving is. “Er hoeft helemaal niets. Het is goed dat je er bent.” 

Medische ingreep

Stel je voor dat een dementerende mevrouw (in één van de laatste fasen van het dementeringsproces) met een pijnklacht naar de tandarts moet. Zou ze zich later dan nog iets van de behandeling kunnen herinneren? Ik hoor nog wel eens zeggen dat het geheugen niets meer opslaat. Om het plat te zeggen: 'het is vervelend als de behandeling heftig is, want mevrouw is het straks toch weer vergeten'.

Als je de theorie van Anneke van der Plaats hier naast legt is het de vraag of dat idee klopt. Binnen de tweede laag van de hersenen worden emoties gekoppeld aan ervaringen. Misschien kan mevrouw zich cognitief niet meer herinneren wat er tijdens de behandeling bij de tandarts is gebeurd. Maar dan nóg kan bijvoorbeeld de ruimte van de tandarts, de kleur van de jas of de geur van de behandelkamer aan een emotie gekoppeld worden zoals ‘bang’, ‘boos’ of ‘verdrietig’.

Bejegening

Als je je dat realiseert krijgt bejegening een centrale rol in de begeleiding van dementerende mensen. Of een dementerende oudere zich ergens thuis voelt hangt voor een belangrijk deel af van de vraag hoe de omgeving naar hem of haar kijkt. Welke consequenties dat heeft voor de dagelijkse zorg wordt o.a. uitgewerkt in het boek van Anneke van der Plaats en Gerke de Boer: Het demente brein, Omgaan met probleemgedrag (Breincollectief, 2014).