Wantrouwen (2)

Als mensen op jonge leeftijd geen vertrouwen hebben kunnen ontwikkelen in Belangrijke Anderen heeft dat gevolgen voor de volwassenheid. 

Sommige mensen leren met vallen en opstaan om een ‘werkbare relatie’ aan te gaan met een ander, anderen vervallen bij herhaling steeds weer in dezelfde fouten. Gisteren noemde ik twee patronen, vandaag ga ik verder met dat verhaal.

Vluchten of compenseren

Een andere vorm van vermijding is het vluchten. Dat gebeurt o.a. door alcohol, drugs en andere vormen van verslaving. Maar ook door helemaal op te gaan in het werk. Door zo bezig te zijn voelen ze minder de basale angst, de eenzaamheid, het wantrouwen. Veel gedrag krijgt een obsessief karakter.

Vluchten kan ook door dissociatie: je raakt ‘weg’ als een bepaald onderwerp te dichtbij komt.

De andere kant is de compensatie. Deze mensen zoeken juist weer gevaarlijke situaties op om daarmee de controle te houden. In de cursus noemde ik daarbij de term counterfobisch gedrag: opzoeken waar je bang voor bent. Bijvoorbeeld als je slachtoffer van een aanranding bent geweest expres in de late uren op onveilige plekken komen.

Gevolgen

Voorbeelden van gevolgen van het vastzitten in dit script zijn (volgens Jeffrey Young) o.a.:

  • Vicieuze cirkel van misbruik en geweld
  • Weinig contact met anderen durven aangaan
  • Anderen hun zin geven om ‘straf’ te voorkomen
  • Altijd denken in termen van wel of niet vertrouwen
  • Controle willen houden over anderen
  • Moeilijk ‘zomaar’ kunnen genieten van contacten

En dan?

Als je niet aan dit patroon kunt ontsnappen blijf je je eigen gevangene. Om wel uit deze vicieuze cirkel te kunnen komen is volgens Young ondersteuning van buitenaf noodzakelijk. “Je kunt jezelf niet uit het moeras trekken.”

Een therapeut moet de persoon in kwestie leren om minder rigide met grenzen om te gaan. Dat wordt vaak ervaren als een risico. Maar zonder risico is er geen mogelijkheid voor groei.

Voor de cursisten was er nog een opdracht: kun je cliënten met een belast levensverhaal leren om hun script ‘een beetje los te laten?’ Dat gaat uiteraard heel moeizaam bij mensen met autisme en/of een lichte verstandelijke beperking. Daar heb je veel tijd voor nodig.

Mijn motto is: "Ieder steentje dat je metselt - ook op oudere leeftijd - is toch een stukje van het huis van vertrouwen."

Wantrouwen (1)

Vorige week behandelde ik in een training de ontwikkeling van basic trust in de theorie van Erikson. Dat basisvertrouwen is een voorwaarde om zich veilig te kunnen voelen en om een positieve relatie met jezelf en met de ander te kunnen opbouwen. De keerzijde van dat vertrouwen is wantrouwen. De ander is niet te vertrouwen.

Wantrouwen uit zich in een voortdurend op de hoede zijn. “Mensen zijn niet te vertrouwen”. Of, in een andere – vaak gehoorde – variant: “Mensen kunnen je bedriegen, dieren niet.” Een deel van de mensen die grote moeite hebben met het ontwikkelen van vertrouwen in andere mensen storten zich dan ook met maximale overgave op de verzorging van dieren.

Eén van de cursisten vroeg hoe het kon dat één van haar cliënten steeds weer in dezelfde relationele fouten verviel. Ze kon inmiddels toch beter weten? Een beetje meer wantrouwen in mensen kon dan toch geen kwaad?

Ik nam echter een andere invalshoek: het steeds kiezen voor een verkeerde relatie kan ook gebeuren ondanks het wantrouwen dat je hebt. Het voorspelbare wint het van het beangstigende wantrouwen.

Herhaling van zetten

Eén van de meest wonderlijke processen bij mensen die geen vertrouwen in anderen hebben is dat juist zij zo vaak in verkeerde relaties terecht komen. De dochter van een alcoholist trouwt op háár beurt met een alcoholist. De dochter van een mishandelende vader krijgt een relatie met een man die haar mishandelt. De zoon van een moeder met een borderlinestoornis krijgt een relatie met een vriendin met borderline.

Dat dit zo gebeurt valt te verklaren uit het feit dat het zo bekend is: het is het ‘script’ dat kinderen van jongs af aan mee hebben gekregen. Hoe beangstigend ook, het is het meest bekende schema.

Jeffrey Young heeft in schema gebracht hoe mensen denken, voelen en handelen die onvoldoende vertrouwen in de ander op hebben kunnen bouwen.

Handhaving van het patroon

A). Een deel van de mensen hoopt dat het nu een keer niet waar is. Ze willen alsnog op de ander kunnen vertrouwen. Maar op dat moment komt de vicieuze cirkel naar boven. Ze storten zichzelf in een ‘bekende’ relatie die lijkt op wat ze eerder hebben meegemaakt. Het effect is dat opnieuw blijkt dat anderen niet te vertrouwen zijn. Deze relaties zijn steeds ongelijkwaardig: ze komen in de onderpositie terecht. Ik ken iemand die op die manier met zes verschillende mannen heeft samengewoond.

B). Er zijn ook wantrouwende mensen die afstand blijven houden. Ze stellen vooral grenzen, maar durven daar niet van af te wijken. Door anderen te blijven wantrouwen houden ze voor zichzelf de situatie onder controle. Het psychologisch script dat ze ontwikkeld hebben over de ander blijft daarmee in stand. ‘Het klopt nog steeds dat de ander niet te vertrouwen is’. Ze kiezen voor de bovenpositie waarbij ze de ander de baas kunnen. Dit leidt gemakkelijk tot een rigide gedragspatroon, omdat controle zo’n belangrijke plaats inneemt.

Het zou kunnen zijn dat deze kenmerken ook te maken hebben met temperament. Bij kleine kinderen heb je de goedmakers en de vermijders. De goedmakers proberen het opnieuw om de schade te herstellen. De vermijders verstoppen zich, ze durven de confrontatie niet aan.

Borderline en epistemisch wantrouwen

Zo, dat is weer eens een moeilijk woord. Epistemisch: betrekking hebbend op kennis.

Als ik naar de tandarts ga, vertrouw ik er op dat die man (onze tandarts is een man) voldoende kennis heeft om mijn gebit te keuren en zo nodig te repareren. Ik vertrouw er op dat hij weet wat hygiënisch werken is en welke voor-en nadelen er zijn aan bepaalde behandelen. Want, denk ik dan, daar heeft hij voor geleerd. 

Epistemisch vertrouwen betekent dat de overgebrachte kennis betrouwbaar is, dat deze kennis ook bruikbaar is en dat deze aannemelijk is. Als het op een voor mij bevattelijke manier wordt uitgelegd klinkt het zo dat ik denk dat de boodschap min of meer logisch is.

‘Ik kan uw kies wel vullen, maar omdat de wortels enkele beschadigingen laten zien kan het zijn dat u daar op termijn last van krijgt. Dan moeten we die vulling er weer uithalen en een wortelkanaalbehandeling geven. Dan kunnen we er tenminste vanuit gaan dat u daar geen klachten meer van zult krijgen en dan kan de vulling jaren mee gaan’.

Een hooggeleerde professor tandheelkunde zal vermoedelijk allerlei kritische vragen stellen, maar voor mij als patiënt klinkt het allemaal behoorlijk logisch.

Veilige hechting

Maar hoe kom je nu tot dat vertrouwen dat het met de kennis van de ander wel goed zit? Dat heeft o.a. te maken met veilige hechting. Als je veilig gehecht bent ga je er doorgaans vanuit dat de kennis die een ander overdraagt betrouwbaar is.

Onveilige hechting

Mensen die niet veilig gehecht zijn laten een zogenaamde epistemische waakzaamheid zien. Ze vertrouwen de informatie niet. ‘Die tandarts kan dat wel beweren, maar ‘smeert hij mij die behandeling niet gewoon aan omdat hij extra geld wil verdienen?’ Of nog erger: ‘is hij eigenlijk wel een echte tandarts?’ 

Wie geen epistemisch vertrouwen heeft kan zelf moeilijk veranderen in zijn opvattingen. Ze slagen er niet in om de informatie van de ander als betrouwbaar te zien. Dus laten ze zich ook moeilijk overtuigen door de behandelaar. Ze hebben een abonnement op het opvragen van een second opinion. 

Moeilijk veranderen

Deze rigiditeit (vasthoudendheid dat de ander het bij het verkeerde eind heeft) zien we bij veel patiënten met een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Ze gaan niet gemakkelijk mee in de adviezen, omdat ze denken dat de ander onvoldoende kennis heeft en/of niet te vertrouwen is. Ze vertrouwen in principe alleen zichzelf, maar de ander ‘uit principe’ niet.

Typerend voor het epistemisch wantrouwen is een uitspraak als: ‘dieren kun je vertrouwen, mensen niet’.