Verdwenen vinger

Een zwervertje.
Zo zou je Grace gerust kunnen noemen.

Het leek net of ze nog niet geland was op aarde. Ze keek je nauwelijks aan. De blik kwam mechanisch over. Haar bewegingen pasten niet bij haar leeftijd. Ze was vooral bezig met voelen. Liefst liggen, of leunend op haar buik. Lopen leek moeilijk. “Als ik voel, besta ik.” Ze was wel alert, maar het was allemaal erg vluchtig.
Acht jaar. En ook nog eens groot voor haar leeftijd. Maar het gedrag paste bij een kind van drie. Ze speelde nog niet met andere kinderen, maar ‘langs’ andere kinderen. Ze voelde andere kinderen ook totaal niet aan.

Grace had geen ADHD. Dat zou je wel kunnen denken als je haar drukke gedrag zag. Die diagnose was ook een keer gesteld. Ze had ook geen autisme, ook al ging hij erg haar eigen gang en voelde ze anderen niet aan. Ook die diagnose was gesteld, door een volgende behandelaar. Ik was de zoveelste behandelaar en trok mijn eigen eigenwijze colclusie. Grace had nog niet de kans gekregen om zich te hechten.

Grace had veel ongelukjes. Accident prone wordt dat wel eens genoemd. Geneigd tot ongelukken. Maar pijn gaf ze niet aan. Verdriet ook niet. Ze had niet geleerd om troost te zoeken. Haar moeder was verslaafd aan drugs. Haar vader heeft ze nooit gekend. Grace was van jongs af aan aan haar lot overgelaten. Zo was ze geworden wie ze nu is. Haar eigen gang gaan was haar manier van overleven. En altijd maar in beweging. Haar manier om tóch nog iets te voelen.

Op de woning kreeg Grace weer zo’n ongelukje. Vinger tussen de deur. En niet zo’n klein beetje ook. Maar ze gaf geen kik. De begeleider deed er een pleister om. Ze keek er eens naar en zei: “Ik heb geen vinger meer.”
Was het een grapje? Nee, ze dacht het écht. Wat je niet ziet, bestaat niet. Ook haar verstandelijke ontwikkeling loopt inmiddels dus fors achter.

Je vraagt je onvermijdelijk af: hoe zal Grace functioneren als ze 18 is? Een meid die zich niet laat kennen. En daardoor juist in zeven sloten tegelijk gaat lopen. Zo ziet het er uit.
Als er niet op tijd intensief behandeld gaat worden…

Voor een deel is het al te laat. Maar nog niet helemaal. Misschien kan ze nog wat basis ervaren. Maar het is wel de hoogste tijd om haar die basisplek te geven. Op dit moment verhuist ze nog van tehuis naar tehuis…

Hou me niet vast!

Dat is de titel van een bundel over werken met kinderen met een ernstig verstoorde hechting. Je wilt zo graag iets doen voor deze kinderen, zij willen ook graag iets van jou, maar het is allemaal zo ingewikkeld...

De titel geeft de tegenstelling aan. Kinderen die vastgehouden wi­llen worden en tegelijk in paniek raken als ze vast worden gehouden. Ik vat dat wel eens samen met: Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt.

En uiteraard geldt dat niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen met een onveilige hechting. Veel van deze patronen zijn bijvoorbeeld ook te herkennen bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis.

Psychotherapeut en orthopedagoog Dirk Broos geeft in het boek een aantal omgangsadviezen. Ik vat ze op mijn eigen manier samen:

1). Werk niet te nadrukkelijk vanuit de relatie. Houd afstand, maar wees wel betrokken.

2). Wees betrouwbaar, stabiel en voorspelbaar in je reacties.

3). Duidelijke structuren, grenzen en regels zijn nodig omdat deze kinderen zichzelf anders verliezen in chaos.

4). Doe zo min mogelijk een beroep op het geweten, het schuldgevoel of het empathisch vermogen van deze kinderen of jongeren.

5). Preventie werkt vaak beter dan achteraf straffen. Straffen wordt ervaren als verwerping van de persoon, terwijl nadrukkelijk belonen het gevoel geeft dat er hoge verwachtingen moeten worden waargemaakt.

6). Creëer een klimaat waarin de kinderen het gevoel hebben dat ze er mogen zijn, zonder de druk van het morele appél.

Ik zou er nog een aantal aandachtspunten aan toe kunnen voegen. Of dilemma’s aan kunnen geven. Maar voor vandaag is het wel weer even voldoende denkstof.

Hou me (niet) vast: Hulpverlening en hechtingsstoornis: Dirk Broos en Katrien van Dun, Garant, 2005.