Oorzaken van druk gedrag bij kinderen (2)

Gisteren schreef ik over vijf (mogelijke) oorzaken van druk gedrag bij kinderen. Vandaag weer vijf verklaringen. En dan stop ik er weer mee. Er zijn meer verklaringen, maar het moet ook weer niet te druk worden op dit weblog.

6. Onveilige hechting: het gebrek aan basisveiligheid, aan voldoende bodem, vertaalt zich in druk gedrag. Gebrek aan veiligheid kan ook ontstaan doordat het kind onvoldoende begrensd wordt. Dat wordt door een kind worden ervaren als ‘niet gezien worden’. Gedrag dat wordt gediagnosticeerd als ADHD kan dus ook zijn oorzaak vinden in een verstoorde hechting. Daardoor ervaart het kind weinig rust. Het lijkt meer op een vliegwiel: de onrust roept nieuwe onrust op. Het gedrag stoppen is ingewikkeld, omdat het kind geen veilige basis ervaart waar het rust ervaart en getroost wordt. Ook als ouders sensitief zijn (troost willen bieden) heeft het kind niet het vermogen om die troost te ondergaan.

7. De emotionele ontwikkeling blijft achter bij andere ontwikkelingsgebieden van het kind. Het kind is op sociaal en emotioneel gebied kleiner dan op andere gebieden. Dat betekent dat het meer kán dan dat het áán kan. Er wordt verwacht dat het zich gedraagt als een kind van zeven jaar, terwijl het in sociaal en emotioneel gebied nog maar twee jaar oud is en gedrag vertoont dat past bij die leeftijd.

8. Stress, spanning, angst. Denk bijvoorbeeld aan de periode voor Sinterklaas; dan zijn bijna alle kinderen drukker. Een oorzaak kan ook zitten in de voortdurende spanning in het gezin. Dat hoeft zeker niet in de relationele sfeer te zitten, het kan ook te maken hebben met bijvoorbeeld geldzorgen of een te kleine woonruimte.

9. Onvoldoende mogelijkheden tot beweging. Alle kinderen hebben bewegingsruimte nodig: ze moeten hun lichaam dagelijks kunnen ervaren. Als kinderen daar geen kans toe krijgen (van hot naar her achter in de auto – de ‘achterbank-generatie’) of thuis alleen maar op de bank achter de laptop vertaalt zich dat in drukker gedrag op andere momenten.

10. Pijn en ander lichamelijk ongemak. Bij kinderen die oorpijn hebben zie je vaak aan het gedrag dat ze ergens last van hebben. Het kind ‘onderdrukt’ de pijn met zijn gedrag. Nog beruchter is het ervaren van jeuk. Dat kan zó ondraaglijk worden dat het kind er helemaal turbo van wordt.

Let er daarnaast op dat druk gedrag deels leeftijdsgebonden is. Peuters zijn vaak drukker dan kleuters. En zoals gisteren al gemeld: jongens zijn vaak drukker dan meisjes.

Zeven maal de hechtingsstoornis (2)

Kinderpsychiater Karl Heinz Brisch heeft zich vooral gespecialiseerd in het transgenerationeel trauma. De verwerking van eigen jeugdtrauma's ziet hij als een voorwaarde voor de ontwikkeling van een gezonde emotionele band tussen ouder en kind. 

Brisch heeft ook veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de kinderopvang in Duitsland. Hij is van mening dat er in de opleiding voor medewerkers in de kinderopvang vaak te weinig aandacht wordt besteed aan voorwaarden die de kwaliteit van de hechting tussen de medewerker en het kind kunnen verbeteren. Bij een goede kwaliteit van de kinderopvang kan een baby/peuter volgens hem ook een veilige band opbouwen met de medewerker in het kinderdagverblijf.

Onder geschikte omstandigheden kan een kind van zes maanden oud ook een veilige band opbouwen met een verzorger in het kinderdagverblijf.

De volgende vijf uitingsvormen van een verstoorde hechting die door Brisch worden genoemd zijn:

c). de grenzenloze binding (symbiose): het kind staat geen afstand tot de hechtingsfiguur toe. Er ontstaat totale paniek als de betrokken persoon uit zicht verdwijnt (dit wordt in een ander verband ook wel de separatieangststoornis genoemd). Alleen in de nabijheid van (één exclusieve) hechtingspersoon zijn ze gerustgesteld. Bij deze kinderen overheersen angst en paniek.

d). de geremde binding(einzelgänger): het kind houdt van iedereen afstand, zoekt geen fysieke toenadering, bekijkt iedereen van een afstand. Het kind past zich gemakkelijk aan, lijkt weinig weerstand te vertonen, mits het maar ‘met rust gelaten wordt’. “Laat mij mijn eigen gang maar gaan” lijkt het kind te zeggen.

e). de agressieve binding: door het gevaar op te zoeken, door verbale of fysieke agressie probeert het kind (juist) nabijheid te bewerkstelligen. Net als bij groep c) overheerst de angst, maar de kleur is anders: niet ‘klampen’, maar ‘bijten’.

f). binding met rolomkering: het kind probeert voor de hechtingspersoon te zorgen. Door die zorg probeert het kind de persoon voorspelbaar te maken en rust te bewerkstelligen. Dit gedrag zien we nogal eens bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze kinderen lijken vroeg volwassen, maar ze zijn emotioneel kwetsbaar. Deze kwetsbaarheid blijkt vaak pas later, op volwassen leeftijd.

g). psychosomatische klachten: er zijn kinderen aan wie je de problemen in de hechting niet zozeer in het gedrag ziet, maar meer in de lichamelijke klachten. Deze klachten lijken een functie te hebben om daarmee de nabijheid van de hechtingsfiguur te bewerkstellingen. Een bekende klacht is bijvoorbeeld buikpijn, maar ook de angst om naar school te moeten, eetproblemen, onzindelijk blijven en slaapproblemen kunnen hier symptomen van zijn.

Het is uiteraard niet zo dat (als een kind dit gedrag laat zien) er per definitie sprake is van een hechtingsstoornis. Het is wel zo dat dit gedrag een aanwijzing kan zijn van een mogelijk verstoorde hechting.

Zeven maal de hechtingsstoornis (1)

In mijn cursussen over hechting vertel ik al aan het begin dat niemand zich helemaal veilig heeft kunnen hechten. Dat kan ook niet, want we leven in een beschadigde wereld. 

Als je niet 100% veilig gehecht bent wil dat niet zeggen dat je ‘dus’ onveilig gehecht bent. Twee op de drie kinderen heeft zich veilig kunnen hechten. Daar staat dus wel tegenover dat er in een klas met dertig kinderen (statistisch gezien) bij tien kinderen sprake is van een onveilige hechting.

Wat een onveilige hechting inhoudt vraagt teveel ruimte, als ik er cursus over geef kost me dat in principe twee dagen. Er zijn verschillende vormen van onveilige hechting, die allemaal consequenties hebben voor het gedrag en voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.

Ik vat de overkoepeling van de onveilige hechting als volgt samen: kinderen (en volwassenen) die onveilig gehecht zijn, zijn vooral bezig te overleven. Ze komen weinig aan het echte, ontspannen, leven toe. Ze hebben moeite met ontmoeten, omdat ze vooral moeten (van zichzelf of van anderen). 

In de DSM IV wordt één type hechtingsstoornis beschreven: de reactieve hechtingsstoornis. Om van deze stoornis te kunnen spreken moet er op jonge leeftijd aantoonbaar sprake zijn geweest van een tekort. Daarbij kan gedacht worden aan het ontbreken van een vast hechtingsfiguur in de eerste levensjaren (bijvoorbeeld: kinderen die in een kindertehuis met veel wisselende begeleiders zijn opgegroeid of die in de eerste jaren veel in het ziekenhuis hebben gelegen).

Dit lijkt in de praktijk van zorg en opvoeding een te beperkte classificatie te zijn (aldus Rien Verdult). Als één op de drie kinderen onveilig is gehecht moet er (naast de beschreven reactieve hechtingsstoornis) veel vaker sprake zijn van problemen in de hechting. Bére Miesen schrijft dat die problemen ook de kleur van de dementie bij ouderen kunnen bepalen.

Een al wat gedateerd onderzoek van Karl Heinz Brisch (Universiteit van München in: Treating Attachment Disorders, 2012) is interessant om nog eens beter naar verschillende vormen van onveilige hechting te kijken.

Brisch heeft zich vooral ingespannen om de hechting van jonge kinderen in complexe situaties beter op gang te helpen (bijvoorbeeld baby’s die maandenlang in de couveuse moeten verblijven, jonge kinderen die opgroeien in traumatiserende omstandigheden). Brisch maakt een bredere differentiatie bij zijn omschrijving van hechtingsstoornissen.

Zeven verschillende vormen

Brisch maakt onderscheid tussen verschillende typen hechtingsstoornissen. Qua gedrag beschrijft hij 7 verschillende verschijningsvormen:

 a). de volledige onthechting (ook wel bodemloosheid genoemd): het kind vertoont geen enkel teken dat wijst op enige mate van hechting aan personen. Het gedrag is zeer wisselend, fragmentarisch.

b). de ongedifferentieerde binding (allemansvriend): het kind doet tegenover iedereen even vriendelijk, maar lijkt daardoor geen onderscheid tussen personen te maken. Het loopt daardoor met iedereen ook even gemakkelijk mee. Het kind zoekt nabijheid en past zich aan aan de sfeer in de omgeving. Het lijkt soms op een kameleon.

Morgen ga ik op dit weblog verder met de volgende vormen van onveilige hechting die door Birch worden beschreven. 

Begeleiding bij onveilige hechting (3)

Voorbeelden van het overleven als gevolg van onveilige hechting zijn:

a) Kinderen en volwassenen die proberen zichzelf zoveel mogelijk onzichtbaar te maken zodat er weinig een appél op hen wordt gedaan. Bij Chris was dat gedrag de ‘onbereikbaarheid’.

b) Kinderen en volwassenen die ‘altijd’ vriendelijk en meegaand zijn, zodat je geen conflicten hoeft te ervaren. Anderen gaan dan dus gemakkelijk over hun grenzen heen

c) Druktemaken: ‘altijd’ bezig zijn (dat kan zowel met je hoofd als met je lichaam zijn), zodat eventuele emoties afgeschermd worden. Ook dat gedrag was bij Chris zichtbaar: hij zat steeds in de ‘turbo’.

d) Oppositioneel gedrag: ‘als het moet dan doe ik het niet!’ Zodra een ander een voorstel doet is dat idee niet goed. Het moet altijd anders.

e) Bij volwassenen: denken in slachtoffertaal. Dus geen eigen verantwoordelijkheid nemen, de ander is er om het probleem op te lossen.

Drie vormen van onveilige hechting

1. Angstig vermijdend gehechte kinderen zoeken in stress-situaties onvoldoende de nabijheid van de opvoeder. Ze komen stoer over en zoeken weinig troost. Een gevolg is dat ze veel stress in hun lichaam hebben (dat komt o.a. tot uiting in druk gedrag).

2. Angstig ambivalent gehechte kinderen zoeken juist wel de nabijheid van de vertrouwde opvoeder. Maar de binding heeft een dubbele kleur: ze willen dichtbij de opvoeder zijn, maar ze wijzen de opvoeder ook af (bijv. een knuffel geven en direct daarna een klap). De boosheid om het verlaten worden (dat verlaten worden hoort bij het groter worden) en de wens om dichtbij de opvoeder te zijn botsen met elkaar.

3. Bij gedesorganiseerd gehechte kinderen zie je een zeer wisselend beeld: soms reageert het kind opvallend adequaat, op een ander moment juist heel erg primitief. Er is sprake van zeer wisselend gedrag, heftige uitbarstingen en soms een verstarde motoriek. Ik heb de indruk dat dit gedrag wel eens latere borderline-problematiek zou kunnen voorspellen.

Opvallend open

We denken vaak dat mensen met een verstoorde hechting zich afsluiten van hun omgeving. Een groot deel van de kinderen met verstoorde hechting lijkt in het eerste contact zeer open. Dat zie je bijv. in buitenlandse weeshuizen waar kinderen direct bij vreemden op schoot komen zitten. Dat is niet normaal. Een kind behoort van nature enige gereserveerdheid te hebben ten opzichte van ‘wildvreemden’.

Wat je ziet bij volwassen mensen die niet veilig zijn gehecht is dat ze hun grens niet bewaken. Een medereiziger kan jou in de trein zomaar van alles uit zijn privé-leven vertellen. Dit is een signaal dat er onvoldoende onderscheid tussen mensen gemaakt wordt.

Wie veilig is gehecht kan ook begrenzen. Mensen zijn niet inwisselbaar. Wat je met de één wel kunt delen, deel je niet met de ander.

Begeleiding bij onveilige hechting (2)

Vanaf het begin van mijn werk ben ik altijd erg geïnteresseerd geweest in het onderwerp ‘hechting’. Wat maakt nu dat sommige kinderen zich bij volwassenen of bij leeftijdgenoten nooit op hun gemak voelen? Waarom roepen andere mensen spannen bij hen op?

Chris

Beelden die veel indruk op mij maakten kwamen uit het leven van Chris, een kleuter die op de leeftijd van één jaar was geadopteerd (het eerste jaar van zijn leven verbleef hij in een groot kindertehuis in Brazilië).

Chris was een vrolijke peuter, en hij huilde nooit. Op één van de filmfragmenten is te zien hoe hij zich ontzettend zeer deed. Hij zit zich werkelijk twee minuten lang te verbijten, maar hij zoekt op geen enkele manier troost.

Als je niet huilt en geen troost zoekt blijft de stress in je lichaam zoeken. Die stress kan zich bijvoorbeeld vertalen in heel druk gedrag.

Geen samenspel

Als je beter keek naar de beelden van Chris vielen er nog meer dingen op. Chris zat inmiddels in groep 1 van de basisschool. Van een kleuter mag je verwachten dat hij (in de nabijheid van volwassenen) samen kan spelen met andere kinderen.

Bij Chris zag je weinig tot geen samenspel. Als er drie kinderen de kar de ene kant uit trokken ging Chris de andere kant uit. Als er een opdracht uitgevoerd moest worden was hij nét met iets anders bezig. En bij een polonaise door de klas weet je al waar de ketting breekt: Chris gaat héél iets anders doen.

Geen ingang

De adoptieouders van Chris hebben alles voor hun zoon over. “Maar” zegt moeder, “hoe vaak we hem ook zeggen dat we blij met hem zijn, hoe vaak we ook proberen hem liefde te geven, het landt niet. We hebben na een paar jaar nog steeds het gevoel dat we bij het begin staan.” De ouders ervaren de zorg voor Chris als een ‘bodemloze put’: ze verzenden veel liefdestaal, maar het bereikt de ontvanger niet.

De oorzaak van deze omstandigheden zit in het eerste levensjaar van Chris, toen er niemand voor hem was. Als hij honger had kwam er niemand, als hij huilde was er niemand die hem troostte. En in dat eerste jaar wordt het fundament voor de hechting gelegd.

Behandeling

Er zijn inmiddels allerlei vormen van behandeling om alsnog de hechting op gang te helpen. Maar: hoe later je daarmee begint, hoe lastiger het wordt. Er staat dan al een huis, maar de bodem is er nog niet. Probeer dan maar eens alsnog een fundament aan te leggen.

De situatie van Chris was echter niet hopeloos. Er waren inderdaad mogelijkheden om hem de delen van de hechting die hij gemist had alsnog in te halen.

Overleven

Niemand van ons is echt veilig gehecht. We lopen in onze ontwikkeling altijd deuken en blutsen op. Maar bij kinderen en volwassenen die onveilig zijn gehecht zijn die emotionele deuken en blutsen zó groot dat ze vooral bezig zijn te ‘overleven’. De volgende keer enkele voorbeelden van dat overleven.

 

Splitting

De term ‘splitting’ is bekend en ook berucht vanwege de problemen die behandelaars ervaren in de omgang met mensen met borderline.

Deze splitting is een gevolg van het mechanisme van het aantrekken en het afstoten. Iedere ervaren begeleider of behandelaar heeft dit aan den lijve kunnen ervaren. De ene keer ben je de beste behandelaar die de persoon in kwestie ooit gehad heeft en de volgende keer heb je een aanklacht aan je broek/rok.

Kinderen met verstoorde hechting

Ook binnen groepen kinderen met verstoorde hechting is deze splitting een berucht fenomeen.

  • Degene die altijd pannenkoeken bakt of patat als eten geeft is de goede begeleider
  • Degene die de regels stelt is de foute begeleider
  • Degene die hen hun eigen gang laat gaan is de goede begeleider
  • Degene die grenzen stelt is de foute begeleider

Op die manier worden begeleiders tegen elkaar uitgespeeld. “Van Willem mocht het wél!” Kinderen met verstoorde hechting zijn experts in het in stand houden van deze dynamiek.

In stand houden van de dynamiek

Kinderen spelen op basis van hun eigen geschiedenis, beleving en ervaring in op de persoon van de hulpverlener. Daarbij wordt het bekende patroon in stand gehouden. Bijvoorbeeld: ‘net zo lang aandacht vragen totdat de begeleider jou zat is’. Of: ‘net zo lang de afspraken niet nakomen totdat je wéér weggestuurd wordt’.

De kinderen doen altijd weer een appel op jou als persoon. Ze testen vooral je zwakke plekken. Een gevolg is dat je voortdurend jezelf tegen komt. Begeleiders die graag met kinderen werken omdat ze dan liefde terug verwachten vallen binnen de kortste keren door de mand.

Oplossingsrichtingen

Vraag: hoe voorkom je de bevestiging van die negatieve patronen en vind je alsnog af en toe een positieve ingang? Dat zit:

a) in de pedagogische structuur.  Maar ook:

b) in het helder hebben van de therapeutische vraag van het kind.

c) En niet in de laatste plaats: in de vraag wie je zelf als begeleider – maar vooral als persoon – bent.

Hoe ga je zelf om met die vraag naar bodemloze aandacht, de confrontatie met negatief gedrag? Hoe ga je om met een uitputtingsslag zonder ogenschijnlijk veel resultaat? Wie ben jij als begeleider?

Drie voorwaarden

  1. Sterke persoonlijkheid, eigen ik, jezelf kunnen blijven in het werk
  2. In staat om naar jezelf te kijken (‘reflectie’, ‘mentaliseren’)
  3. Mogelijkheid tot bijsturing, intervisie, supervisie om jezelf fit te houden

Hechting en trauma (2)

Waarom voel ik me zo rot?

Als mensen psychisch ongemak ervaren willen ze weten wat daar de oorzaak van is. Ze denken dat ze – als de oorzaak bekend is – een heel eind verder zijn gekomen. De auteurs beschrijven in de bijdrage een mevrouw die in de WAO terecht is gekomen vanwege terugkerende burn-out klachten. Ze meent te weten wat de oorzaak van deze klachten is.

Inmiddels heeft mevrouw meerdere traumabehandelingen achter de rug. De klachten zijn echter gebleven. Volgens de auteurs zit het probleem niet in de ervaringen die ze noemt, maar in een verstoorde hechting. Ze had een kwetsbare moeder, waar ze als kind al voor wilde zorgen. Ze nam als dochter de ouderrol op zich, terwijl ze eigenlijk nog een kind was (parentificatie).

De oorzaak van de moeite die deze mevrouw heeft met relaties (echtscheiding, geen nieuwe relatie aan durven gaan) en het teleurgesteld zijn in het leven heeft niet zozeer te maken met wat mevrouw zelf als trauma benoemt. Het probleem ligt veel dieper: ze moest voor haar moeder zorgen op een leeftijd dat ze zelf zorg nodig had.

Dat laatste werd het onderwerp van de therapie. De volgens haar traumatische ervaringen die ze als kind heeft meegemaakt namen vervolgens in de behandeling slechts een zijdelings plekje in.

EMDR

Natuurlijk moeten trauma’s, voor zover mogelijk behandeld worden. Met name voor enkelvoudige trauma’s is er tegenwoordig een zeer effectieve behandeling: EMDR. Momenteel worden er met EMDR opvallend goede resultaten geboekt, ook bij mensen met zeer ernstige trauma’s. Deze behandeling dekt niet toe, maar legt juist open waar de problemen zijn ontstaan.

Maar het is ook belangrijk om je te realiseren dat een trauma niet dé oorzaak is van alle problemen. Mensen wijten hun ellende nogal eens aan een bepaalde gebeurtenis, terwijl er in werkelijkheid sprake is van veel stukjes uit het leven, die allemaal van invloed zijn op hoe je nu functioneert. Een niet te onderschatten factor is hoe je zelf als persoon in elkaar zit.

De gevolgen van negatieve ervaringen op jonge leeftijd verschillen aanzienlijk. Er zijn kinderen die weinig last lijken te hebben van wat ze vroeger hebben meegemaakt, terwijl anderen een volledige ‘psychiatrische invaliditeit’ oplopen: een ernstige persoonlijkheidsstoornis of zware posttraumatische klachten. Er wordt ook wel gesproken over een spectrum van psychische klachten.

Is Maurice een moeilijk kind?

In zijn boek ‘Zorgenkinderen’ beschrijft Prof. Juliaan van Acker de achtjarige Maurice.

Maurice geeft al vanaf zijn peutertijd problemen. Op 2½ jarige leeftijd wordt hij als buitengewoon druk beschreven. De Riagg geeft op 4-jarige leeftijd aan dat er sprake moet zijn van een neurologische afwijking. Een jaar later stelt een neuroloog de diagnose ADHD.

Weer enige tijd later stelt de schoolpsychologe (van de ZMOK-school = School voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen, waar Maurice inmiddels op zit) dat er sprake is van ADHD en PDD-NOS (de oude term voor een aan autisme verwante contactstoornis). Opmerkelijk is dat het RIAGG juist géén psychiatrische stoornissen en géén contactstoornis heeft vastgesteld. De school gebruikt (mede) de diagnose om aan te tonen dat Maurice toch écht het probleem is. Piet Adriaans heeft vergelijkbare situaties beschreven in zijn boek Casus in kaart gebracht. “Zodra we een pedagogisch probleem niet meer kunnen hanteren plakken we een kind een etiket op zodat alle problemen op die manier verklaard kunnen worden.”

Van Acker besluit een co-assistent te laten investeren in Maurice. Dit is zeer tegen de zin van de schoolpsychologe. Een jongen met een contactstoornis moet je niet zomaar met een vreemde op stap laten gaan: daar wordt hij alleen maar angstiger van. Ook het team van de school is het er niet mee eens. Maurice is een groot probleem, zelfs binnen de ZMOK-school, met kleine klassen en zeer gespecialiseerd personeel.

De co-assistent ziet bij Maurice totaal ander gedrag. Maurice vindt de contacten gezellig, kletst heel wat af, is niet agressief en kan goed spelen.

De moeder van Maurice

Maurice is het oudste kind van een Bewust Ongehuwde Moeder. Wie zijn vader is, is onbekend. Moeder is opgegroeid in kindertehuizen. Moeder is woedend over de klachten die er over haar zoon zijn geuit vanuit de buurt. Tegelijkertijd meldt ze (in aanwezigheid van Maurice) dat ze hem misschien wel wat aan gaat doen of hem gewoon ergens zal dumpen. Ze heeft haar zoon ook aangegeven bij de politie omdat hij (8 jaar) 120 euro uit haar portemonnee heeft gestolen.

Moeder zou thuis ook allerlei mannen ontvangen, vermoedelijk in aanwezigheid van haar beide kinderen, maar volgens moeder is dat laster vanuit de buurt die haar weg wil hebben.

Moeder dreigt Maurice tijdens de bezoeken van de co-assistent steeds met straffen. Die worden nooit uitgevoerd en Maurice lacht zijn moeder gewoon uit. Ze vertelt dat ze haar zoon wel eens slaat omdat hij dat verdient, maar nooit te hard. Toen hij zijn moeder een keer had uitgescholden heeft ze hem zo hard in zijn gezicht geknepen dat het bloed er uit kwam, zo daagde hij haar uit. Ze vraagt zich af of ze wel van hem houdt. Het liefste brengt ze hem met een koffertje naar school om hem daarna nooit meer te zien.

Ze heeft een aantal opvoedingsadviezen gekregen van hulpverleningsinstanties. Zo was er een beloningssysteem ingezet, waarmee het goede gedrag van Maurice werd beloond. In een boze bui heeft moeder de lijst (met de plusjes die Maurice heeft verdiend) van de muur getrokken en verscheurd. Het advies om regelmatig naar buiten te gaan met Maurice legt ze naast zich neer: ze heeft altijd zere voeten.

Uithuisplaatsing

Vanwege de moeizame situatie thuis én op school wordt Maurice in een internaat geplaatst. Moeder is zeer ontevreden over de zorg die hij daar krijgt. “Er is daar totaal geen toezicht.” Ze dient een klacht in dat haar zoon zijn nagels tot bloedens toe heeft afgebeten.

Moeder wil ook geen contact meer met de plaatsende instantie en met andere hulpverleners. Ze hebben immers haar kind op een verkeerde instelling geplaatst?

Ondertussen ontstaan er problemen met het tweede kind van moeder. Het consultatiebureau maakt zich zorgen over zijn ontwikkeling. Hij is nu twee jaar en loopt nog niet en praat niet. Volgens moeder is dat grote onzin, ieder kind is immers verschillend.

Nog geen twee maanden na de plaatsing van Maurice in het internaat haalt zijn moeder hem naar huis. Als reden geeft ze op dat haar eigen ouders haar ook de deur hadden gewezen. Dat wil ze haar zoon niet aandoen…

Systeem

Van Acker stelt de vraag: “Faalt het opvoedingssysteem omdat Maurice zo’n moeilijk kind is, of is Maurice zo’n moeilijk kind omdat de omgeving niet op hem aansluit?” In ieder geval laat het zien dat je er pedagogisch met een diagnose van het kind vaak nog helemaal niet bent. “Het kan bij Maurice moeilijk volgehouden worden dat zijn problemen alleen veroorzaakt worden door een stoornis in het kind.”  

Maurice blijkt een zeer gevoelig jongetje te zijn, dat daarnaast zeer angstig is. Hij reageert met het zich groot maken op die angst. Naar zijn moeder toe is hij buitengewoon uitdagend: dat is zijn manier om te testen of hij er wel mag zijn. Van Acker noemt het niet, maar ik zou in dit verband denken aan verstoorde hechting: de moeder is zelf de spanningsbron voor haar zoon. En omdat er geen vader in beeld is is Maurice extra afhankelijk van deze moeder.

Je zult dus als behandelaar breder moeten kijken, naar het hele systeem. Risicofactoren zijn volgens Van Acker o.a.:  a. het ontbreken van een vaderfiguur in het gezin, b. het opvoedingsverleden van de moeder, c. de gebrekkige opvoedingsvaardigheden van moeder, d. de ruzies met de buren, e. het wonen in een achterstandswijk, f. de plaatsing van een kwetsbaar, angstig kind in deze vorm van speciaal onderwijs (met zeer veel hectiek).

Het is gemakkelijk om alleen het kind aan te pakken. Want nu is er wel érg veel werk aan de winkel. Maar alleen het kind behandelen gaat in deze situatie echt niet werken…

Hechting en trauma (1)

Al eerder schreef ik over het belang van een goede hechting in relatie tot de gevolgen van traumatische ervaringen. Toen schreef ik dat een veilige hechting kinderen minder kwetsbaar maakt, terwijl een onveilige hechting met zich mee kan brengen dat het trauma nóg heftiger beleefd wordt.

Vanwege een intensieve cursus die ik geef over hechting en hechtingsstoornissen moest ik nog een keer extra in de literatuur duiken. Daar heb ik weer het één en ander opgediept. Er wordt namelijk steeds meer bekend over oorzaak en gevolgen van hechtingsstoornissen.

Ambivalentie

Kinderen raken in meerdere of mindere mate gehecht aan enkele volwassenen. Er wordt wel een vuistregel genoemd van 3 tot 5 volwassenen. Het zijn ook de volwassenen van wie zij afhankelijk zijn. Daar bevindt zich de kern van de hechtingsproblematiek. Een kind is afhankelijk van de volwassene. Daarom trekt het ook naar die volwassene toe. Volwassenen zijn noodzakelijk voor het kind om fysiek, maar ook emotioneel, te kunnen overleven.

Op het moment dat die volwassene onbetrouwbaar is ontstaat er een tegengestelde beweging bij het kind. Het trekt naar de volwassene toe omdat het afhankelijk is. Maar als diezelfde volwassene onbetrouwbaar is wil het kind ook weer uit de buurt blijven. Zoals Ronald, die altijd als zijn vader thuis kwam onder de tafel ging zitten. Vanuit die ‘verstopplek’ keek hij dan eerst wat de stemming van zijn vader was. Ook zijn moeder en zijn zus waren de dupe van het onvoorspelbare gedrag van deze vader.

De emotioneel zeer gevoelige Ronald ontwikkelde op jonge leeftijd een ernstige hechtingsstoornis. Hij wil contact met mensen, maar ze waren tevens altijd een potentieel gevaar. Aantrekken en afstoten liggen bij hem heel dicht bij elkaar. “Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt” lijkt zijn levensmotto te zijn geworden.

Wat is de focus van de behandeling? 

Ronald heeft veel meegemaakt in zijn leven. Je kunt zeggen dat hij getraumatiseerd is. Moet een behandelaar nu al die trauma’s opsporen en ze één voor één wegwerken? Dat is een vraag die ik regelmatig tegen ben gekomen.

In de praktijk blijkt dat ‘exposure’ (het naar boven halen van herinneringen) lang niet altijd goed werkt. Als je die trauma’s één voor één zou verwerken zou hij daar waarschijnlijk niet beter van/ door worden. “Niet de blootstelling aan herinneringen, maar de verstoring van de hechtingsrelatie zou de focus van de behandeling moeten zijn” schrijven twee auteurs die gespecialiseerd zijn op de behandeling van trauma’s bij kinderen (Draijer en Langeland, in: Cogiscope 0409).

Wie alleen maar de stukjes herinnering behandelt laat hét grote probleem in het leven van Ronald liggen. Dat is het feit dat hij zich zo basaal onveilig voelt tussen andere mensen.

Waarom voel ik me zo rot?

Als mensen psychisch ongemak ervaren willen ze weten wat daar de oorzaak van is. Ze denken dat ze – als de oorzaak bekend is – een heel eind verder zijn gekomen. De auteurs beschrijven in de bijdrage een mevrouw die in de WAO terecht is gekomen vanwege terugkerende burn-out klachten. Ze meent te weten wat de oorzaak van deze klachten is.

Inmiddels heeft mevrouw meerdere traumabehandelingen achter de rug. De klachten zijn echter gebleven. Volgens de auteurs zit het probleem niet in de ervaringen die ze noemt, maar in een verstoorde hechting. Ze had een kwetsbare moeder, waar ze als kind al voor wilde zorgen. Ze nam als dochter de ouderrol op zich, terwijl ze eigenlijk nog een kind was (parentificatie).

De oorzaak van de moeite die deze mevrouw heeft met relaties (echtscheiding, geen nieuwe relatie aan durven gaan) en het teleurgesteld zijn in het leven heeft niet zozeer te maken met wat mevrouw zelf als trauma benoemt. Het probleem ligt veel dieper: ze moest voor haar moeder zorgen op een leeftijd dat ze zelf zorg nodig had.

Dat laatste werd het onderwerp van de therapie. De volgens haar traumatische ervaringen die ze als kind heeft meegemaakt namen vervolgens in de behandeling slechts een zijdelings plekje in.

 

 

 

Verstoorde hechting

Kinderen hebben van nature het vermogen om zich te hechten aan (enkele) volwassenen. Dit vermogen is aangeboren, het zit in de genen. Ieder kind zoekt de belangrijkste volwassenen in zijn leven op. Intuïtief voelt het dat het deze volwassenen nodig heeft om te overleven. Maar die aangeboren gerichtheid garandeert nog geen veilige hechting. Ongeveer één op de drie kinderen is niet veilig gehecht.

Er is overigens geen enkel kind dat zich helemaal veilig heeft gehecht. Alle kinderen lopen tijdens het zich hechten aan en het loskomen van de ouders (twee dynamieken binnen de hechting) deuken en blutsen op.

Er kunnen factoren in het kind zijn die veilige hechting moeilijker maken (bijvoorbeeld: een moeilijk temperament). Er kunnen ook factoren in de omgeving zijn die de hechting moeilijk maken (bijvoorbeeld: langdurige opname op jonge leeftijd in het ziekenhuis).

Opvoeder als bron van spanning

Een verstoorde hechting is niet hetzelfde als een hechtingsstoornis. Bij een verstoorde hechting gaat het om problemen in de relatie tot de opvoeder. De opvoeder is voor het kind een bron van spanning en angst, in plaats van een bron van troost en ontspanning.

Dat spanningsveld kan (o.a.) ontstaan als de ouders zeer wisselend beschikbaar zijn. De ene keer zijn ze er helemaal voor het kind, op een ander moment zijn ze onbereikbaar. Nu moet je daarbij niet denken aan de situatie waarbij jij eerst het kind hebt voorgelezen, daarna moet het gaan slapen, en je reageert niet (meer) als het kind iedere keer weer jouw aandacht vraagt. Dat grenzen stellen hoort bij de opvoeding en het geeft uiteindelijk ook veiligheid.

Als de moeder op het ene moment fit is (en alle aandacht heeft) en op het volgende moment weer helemaal in zichzelf is gekeerd en geen aandacht heeft voor het kind kan zo’n verstoorde gehechtheid ontstaan. Dat gebeurt natuurlijk niet zomaar: het ontstaat als het een kenmerkend patroon is geworden in de dagelijkse gang van zaken. Het kind weet helemaal niet meer wat het aan zijn moeder heeft. Het is iedere dag weer onduidelijk of ze er wél of niet voor hem is.

Goede hechting vraagt om opvoeders die in redelijke mate stabiel zijn en daarmee qua stemming voorspelbaar zijn voor hun kind. Als je als opvoeder soms lijfelijk aanwezig bent en maximaal beschikbaar, maar op het andere moment ben je wel in de kamer maar helemaal niet beschikbaar, dan ben je onvoorspelbaar voor het kind. Het gaat er dan niet om dat je aan de afwas bent, je bent aan het koken, of bezig met een telefoongesprek. Dat kan een kind wel plaatsen, zeker als je het even uitlegt (“Mamma moet nu koken, straks komt mamma weer bij jou”). Vooral de stille afwezigheid die het kind niet kan plaatsen kan verstorend zijn voor een kind: het gaat voortdurend op zoek naar de opvoeder. Het ervaart niet de basisveiligheid van ‘als ik mamma nodig heb is ze er’.

Daarmee raak ik een ander thema: opvoeders die qua gedrag zeer wisselend reageren vormen eveneens een bron van spanning voor het kind. Als pappa de ene keer vrolijk lachend meedoet met het gooien met de bal en tien minuten laten compleet uit zijn plaat gaat raakt het kind in de war. Het voelt niet veilig, want je weet nooit hoe pappa zal reageren.

Mijn indruk is dat een totaal verschillende houding van opvoeders ook kan leiden tot verstoorde hechting. Als de moeder bijvoorbeeld zeer gevoelig is voor de signalen van het kind en de vader totaal ongevoelig kan de aanwezigheid van beide ouders leiden tot grote onzekerheid: ik ben nu verdrietig, mamma wil me troosten, pappa wordt boos, wie reageert er op mij?

De man onder de tafel

Ik had een gesprek met een volwassen man die veel kenmerken had van verstoorde hechting. Tijdens dat gesprek werd wel duidelijk waarom dat zo was. Hij vertelde bijvoorbeeld dat hij altijd gespannen was als zijn vader thuis kwam. De ene keer was hij vrolijk en zocht hij zijn zoon direct op om hem een knuffel te geven. De volgende dag kon het totaal anders zijn: pappa kwam in een boze en agressieve stemming thuis en hij kon zómaar een pak slaag uitdelen. De man vertelde dat hij als kind onder de tafel ging zitten en eerst probeerde om vanuit die veilige positie een glimp van de ogen van zijn vader op te vangen. Altijd weer was hij op zoek: is het veilig of onveilig?

Bij verstoorde hechting is het de opvoeder die de bron van de spanning vormt. Het kind is nooit zeker van de geboden veiligheid.

Kenmerkend gedrag

Voorbeelden van gedrag dat kan (!) passen bij verstoorde hechting:

  1. Voortdurend gevaar opzoeken in de nabijheid van de opvoeder (= voorspelbare reactie uitlokken)
  2. Zich steeds maar weer vastklampen aan de opvoeder, extreem zoeken van nabijheid
  3. Zichzelf onzichtbaar maken
  4. Overdreven aangepast gedrag laten zien, om het de opvoeder naar de zin te maken
  5. Het gaan verzorgen en beschermen van de opvoeder (‘parentificatie’).

Ouderen

De problemen rond verstoorde hechting gaan op den duur kenmerkend zijn voor mensen. Het gaat bij hen bij wijze van spreken in de genen zitten.

Bére Miesen schrijft over de ouderenzorg dat je bij ouderen deze verstoorde hechting terug vindt in de wijze waarop ze zich gedragen (bijvoorbeeld ten opzichte van hun kinderen of van het verzorgend personeel). Het claimen van de begeleiding, het weglopen, het zich ‘verstoppen’ kunnen signalen zijn van wat ze vroeger in emotioneel opzicht hebben meegemaakt.