Monoloog voor twee personen

Zaterdag zat ik in de trein. Nu gebeurt dat wel vaker, maar deze keer viel mij iets extra op.

Aan de overkant van het gangpad zat een mevrouw nogal luidruchtig te bellen. Daar was ze al mee bezig toen ik in de trein stapte. Een half uur later was het gesprek nog steeds aan de gang. Maar: het bijzondere van het gesprek was dat het geen gesprek was.

Eigenlijk op geen enkel moment stopte de vrouw met praten. Ze moest hooguit af en toe een adempauze nemen. Of misschien de ander even ‘ja’ laten zeggen. Ik dacht zo ongeveer dat ze tegen zichzelf aan het praten was en dat er niemand aan de andere kant van de lijn was.

Het was waarschijnlijk een monoloog voor twee personen.

Mevrouw van duizenden woorden

Over dementie en andere ongemakken…

Ik hoorde het al op het perron. “M’n schoonvader was dement en m’n schoonmoeder ook. Maar mijn eigen moeder, die was toch dement. Dat wil je niet weten zo dement als die was. Dat was echt heel erg. En ze was ook nog depressief. Dat hoort bij die vorm van dementie. Ik heb haar naar een tehuis gebracht, want dat kon echt niet meer. En binnen een paar weken herkende ze me niet meer. Dat is toch ook wat, dat je moeder je niet meer herkent. Dat vond ik echt heel vreselijk. Daar heb ik onder geleden”.

In de trein ging het gesprek ‘vrolijk’ verder. “M’n ex, die dementeert ook vreselijk. Door de week stond bij droog, maar in het weekend zette hij het op een comazuipen. En als je zo zuipt, dan zakt je niveau. Dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Dan zak je van VWO naar HAVO, bijvoorbeeld. Laatst zag ik hem, maar hij herkende me niet eens. Hij zei helemaal niks tegen me. En zijn nieuwe vriendin, die hielp hem, want hij begreep niks meer. Dat was altijd al een moeder-zoon relatie. Hij wilde geen vrouw, maar een moeder die voor hem zorgde. Nou, dat was zij wel, zo’n moederfiguur. Dat wilde ik dus niet, dat begrijp je. Dus toen is hij ergens anders gaan wonen. Had ik tenminste rust.

 Mijn zoon praatte nog niet toen hij vier was. Toen gaven ze mij de schuld. Maar ik heb m’n tong lam gepraat tegen hem. Ik gaf echt het goede voorbeeld. Maar hij vertikte het gewoon om te praten. Ja, toen hij bij de kleuters kwam, toen ging hij opeens praten. Toen wist hij dat het ergens goed voor was. Hij woont nu in Groningen, maar hij wil bij mij in de buurt komen wonen. Dat hoop ik toch van niet, want dan staat hij iedere avond voor de deur en dan kan ik geen kant meer uit. Weet je wat het is met hem, hij kan geen contacten leggen, maar hij wil wel tegen iemand aan praten. En dat stopt dan niet. Nou, daar zit ik niet op te wachten”.

Vriendin zegt: “Ik moet even naar de WC”. Zij: “Dat kan hier niet, want het is een sprinter en in sprinters hebben ze geen WC. Dat moet je dus goed onthouden, als het een sprinter is kun je niet naar WC”. De vriendin zegt: “Maar er staat een pijltje naar de WC, waarom is dat dan?” Zij: “Dat is dan zeker van vroeger toen hij er nog wél in zat”. De vriendin is eigenwijs en gaat toch op onderzoek uit. Bij deze mevrouw is dat wel zo wijs, want de trein is helemaal geen sprinter, maar een luxe dubbeldekker. Zij: “Maar dan moet je wel het nummer onthouden van de trein, want anders zit je in de verkeerde trein, onthoud je het nummer? 9405. Dus 9405. Dat uit het hoofd leren van het nummer heeft geen zin, want de hele trein heeft hetzelfde nummer, maar sommige mensen moet je niet tegen spreken”.

Vriendin is weg, maar mevrouw praat gewoon door. “Hé, dit is station Zaandam. Daar hadden we ook over kunnen stappen. Waarom wilde zij dan in Sloterdijk overstappen als het hier ook kon?  Dit is veel handiger. Hé, daar staat een molen. Wat doet die molen daar eigenlijk tussen de huizen. Dat is zeker van vroeger, dat ze die huizen er later omheen hebben gebouwd’.

Vriendin komt terug. Zij: “Zie je wel dat er geen WC was, ik zei het toch, het is een sprinter en die hebben geen WC”. Vriendin: “Er zit wel een WC in, ik ben gewoon gegaan.” Zij: “Oh, dat is dan zeker nieuw, want in de spinters zit geen WC. Maar daar hebben ze in de Kamer vragen over gesteld, dus misschien heeft deze daarom nu wél een WC”. Dat deze trein overduidelijk geen sprinter is, dat heeft de mevrouw nog steeds niet door, er is maar één verklaring mogelijk.

“Ik werd dus knettergek van mijn schoonvader, want die praatte de hele tijd. En dat huwelijk, dat was ook niks. Want hij had verkeerde vrienden. Maar toen hij dement werd zei hij helemaal niks meer. Maar zeg, weet je wie mij belde? Ik was net aan het wandelen in Valkenburg en toen ging de telefoon. Precies op een kruising. Het was Simon. Hij belt anders nooit. Maar hij vroeg of ik mee ging naar de reünie van school. Ze hadden mijn adres niet, want ik ben drie keer verhuisd. Maar ik kon dus niet, want ik was aan het wandelen in Valkenburg. Maar waar is het dopje nu. Ik heb wel duizend dopjes, maar die liggen allemaal thuis. Ik ben m’n dopje kwijt”.

Ondertussen roept de machinist station Castricum om. “Hé. Castricum, we zijn te vroeg. Zo snel was het anders nooit. Dat kan helemaal niet. Hij vergist zich.” Vriendin zegt dat het wél Castricum is. Een hoop gerommel, want allerlei spullen moeten nog worden ingepakt.

Gelukkig moet er nog een mevrouw met scootmobiel de trein in geholpen worden. Daarom staat de trein wat langer. Anders was de mevrouw van de duizenden woorden mee gereden naar Alkmaar…

Bent u toevallig meneer A.?

Nou ‘toevallig’ dat niet.

Maar ik ben wél de meneer A. die de mevrouw bedoelde.

Ze had met mij in de trein gezeten vanuit Zeeland naar Amsterdam. En kennelijk zag ze enkele bijzonderheden die haar deden vermoeden dat ik meneer A. was.

De kenmerken die ze noemde waren: ik reis met de trein, ik heb een fiets bij me (over beide onderwerpen schrijf ik regelmatig een column). Bovendien vond ze dat ik erg op mijn vader lijk.

Mijn vader is al bijna 30 jaar geleden overleden. Ik ben nu al drie jaar ouder dan mijn vader geworden is. Maar dat beeld was haar wel bijgebleven. Zelf heb ik geen idee op wie ik zou lijken, maar zondag in de kerk zei iemand precies hetzelfde. Er zijn dus vermoedelijk wel enige overeenkomsten.

Goed, ik ben dus inderdaad meneer A., oftewel Henk 50.

Overigens maakte een kennis van mij in Friesland het nog even wat meer bijzonder.

Hij kwam mij tegen en riep uit: “Je lijkt Henk A. wel!” Ik leek niet alleen Henk A., ik ben het ook…

Gezinsverpakking Botox

“Ja, ze legt nu in het ziekenhuis. In het VU, dus dat zit wel goed. Maar ze wilde perse haar motordiploma halen. Maar de dokter vond dat niet goed. Die zei: ‘je blijft gewoon hier, ik vind het niet verantwoord dat je nu motor gaat rijden. Zij kwaad natuurlijk. Meteen haar vriend bellen dat ze het niet pikte. Helemaal op d’r naad!”

Het gesprek gaat verder over de vriend. “Ja, ik heb hem gezien. Dat is me er wel eentje. Daar zou ik niet teveel tegenin gaan, want beter ken je niet krijgen. Een knappe man om te zien, echt een mooie man, een goeie comme-so, bemiddeld, goeie opleiding. Ik zou het wel weten… Maar as ze zo moeilijk doet, dan peert die hem natuurlijk, geef hem es ongelijk. Ik denk trouwens dat-tie gewoon op het bezoekuur komt op het VU en dan lekker ’s avonds met een lekkere meid uit. Hij is nog jong, dan moet dat toch kennen?

Heb je trouwens Marie gezien? Meid, wat ziet die er uit. Die ken wel een hele gezinsverpakking botox gebruiken. Ze is net zo oud as wij bennen, dan zien wij er nog appetijtelijk uit, al zeg ik het zelf. Maar als ik Marie was, ik zou me niet meer durven te vertonen in het openbaar. Dat Kees nog niet bij haar weg is. Die moet er iedere dag tegenan kijken!”

Het Erps-Kwerpsgesprek

Ooit ben ik er speciaal naar toe gefietst.

Het plaatsje Erps-Kwerps.

Dat dorpje wordt bijna geplet door een landingsbaan van het vliegveld Zaventem bij Brussel. De vliegtuigen vliegen bij wijze van spreken door de voortuin van de inwoners.

Maar Erps Kwerps is bij ons vooral bekend geworden door Justus van Oel. Hij schrijft in zijn boekje ‘Kunt u Breukelen?’ over het Erps-Kwerps-gesprek.  Zo’n gesprek wordt meestal gevoerd door óf oudere echtparen óf bejaarde vriendinnen of zussen.

Bij een ouder echtpaar is het meestal de vrouw die het woord voert en de man spreekt haar niet tegen. En zo hoort het ook.

Gisteren hoorde ik weer zo’n Erps-Kwerpsgesprek in de trein (naar Leiden).

Zij: “Hé, we rijden al!”
Hij: “”Ja, we rijden al!”

Zij: “Dat is óók snel!”
Hij: “Ja, dat is snel!”

Zij: “We waren nog maar net ingestapt!”
Hij: “Ja, we zitten nog maar net!”

Zij: “Als we te langzaam waren geweest hadden we er niet in gezeten.”
Hij: “Nee, dan hadden we er niet in gezeten. Dan waren we dus te laat geweest.”

Zij: “Maar hij is wél op tijd!”
Hij: “Ja, hij is op tijd…”

Zij: “Zie je, al die balkons hebben ze dichtgemaakt.”
Hij: “Ja, het zit allemaal dicht!”

Zij: “Hé, we stoppen alweer!”
Hij: “Ja, we stoppen weer.”

Zij: “Heemstede, dat gaat óók snel!”
Hij: “Ja, dat gaat met de trein heel snel!”

Zij (ziet een kappersproduct op een reclame): “Ik moet ook weer eens naar de kapper.”
Hij: “Oh.”

Zij: “Maar Daniëlle knipt me wel erg kort!”
Hij: “Oh…”

Zij: “Vind je dat Daniëlle mij te kort heeft geknipt, de vorige keer?”
Hij: “Dat weet ik niet meer of Daniëlle te kort knipt.”

Zij: “Vind je dat het nu goed zit?”
Hij: “Ja, het zit goed.”

Zij: “Is dat de Bollenstreek?”
Hij: “Ja, dit is de Bollenstreek, Hillegom en Lisse enzo.”

Zij: “Lisse? Daar hebben we nog gefietst!”
Hij: “Ja, daar hebben we nog gefietst dit jaar.”

Zij: “En een kroketje gegeten.”
Hij: “Ook nog een kroketje gegeten.”

Zij: “Maar hoe kan dat nou? Hier is het donker. Bij ons was het veel lichter.”
Hij: “Ja, wij hadden de zon en dat hebben ze hier niet.”

Zo praat je een veertig-jarig huwelijk wel vol.

En ze leefden nog lang en gelukkig…

Treingesprek (broek & hoest)

“Meid, ik paste een broek, 120 euro, en hij paste perfect. Zelfs mijn kont kwam er goed in uit. Ik was as een kind zo blij! Helemaal OK. Kom ik thuis, kijk ik nog eens in de spiegel, denk ik, die had Estella laatst toch ook aan? Ze had een foto gestuurd, ik zoek hem op, en zie ik: precies dezelfde streep. Ik bálen joh! Ik weer naar die winkel en ik zeg: hij staat me toch niet, ik moet iets anders. Die mevrouw moeilijk doen want ik was zo tevreden geweest. Enfin, het mocht toch, ik weer zoeken. Vind ik een Levi van 150 euro. Ook goed hoor, maar toch weer 30 euro duurder. Waarom moet ik altijd van die dure broeken? Je draagt ze maar een paar keer. Als je dat gaat afschrijven is het misschien wel een tientje per dag. Ik ga ook wel eens naar een goedkope zaak. Maar dat is het dan nét niet, weet je. Daar heb ik dan geen goede kont in.

Wat klink jij trouwens verkouden! Wanneer heb je dát opgelopen? Zeker in de trein. Weet je, in de eerste klasse heb je wel een meter voor jezelf en in de tweede klasse zit je boven op elkaar. Dan heb je het zomaar te pakken! Vanmorgen liep er nog een man voor me de trein in en die was me toch een partijtje aan het hoesten. Dat kan je toch niet maken, als je verkouden bent, dat je in de trein gaat zitten?!? Dan steek je toch iedereen aan? Aso gewoon. Ik ben de trein weer uit gestapt en snel naar voren gelopen. Zo’n man maakt een hele coupé ziek! Belachelijk gewoon dat je dan in de trein gaat zitten, helemaal aso!”Amsterdam Centraal avond 2

Ik probeerde nog even te hoesten, misschien ging deze luidkeels bellende mevrouw dan nog ergens anders zitten. Maar het klonk waarschijnlijk niet echt genoeg. Ze bleef zitten en de verdere belevenissen van mevrouw schalden nog tot Amsterdam Centraal door de hele coupé. Ook op het perron hoorde ik haar nog luidkeels in gesprek. Sommige mensen hebben nu eenmaal een klankbord nodig…

 

 

Tegenovergesteld…

In de trein zitten een jonge vrouw en een jonge man.

Schuin tegenover haar zit een dertig-plussige man.

De man en de vrouw zitten met elkaar te kletsen. De meneer aan de overkant herhaalt met enige regelmaat wat de vrouw zegt. Hij lijkt zich niets aan te trekken van het feit dat beide mensen met elkaar in gesprek zijn.

” ‘s Avonds rijdt er maar één bus per uur” zegt de vrouw. “‘s Avonds rijdt er maar één bus per uur” zegt de dertig-plus meneer. Man en vrouw reageren niet op zijn interrupties.

“De importeur” zegt de meneer. “Importeur is het tegenovergestelde van exporteur”.

Even later: “Een dubbeldekker…. “Dat is het tegenovergestelde van enkeldekker”.

Dan staat hij op. Hij blijft even staan. Vervolgens doet hij een openstaand klepje van een prullenbak dicht. “Daar ga je” zegt hij tegen het klepje. Dan ziet hij meer openstaande klepjes. Steeds wacht hij even en dan doet hij het klepje dicht. En steeds spreekt hij de formule uit: ‘daar ga je”.

Dan ziet hij mij zitten. Hij vraagt: “Meneer, weet u misschien wat een importeur is? “ Ik leg het hem uit. Daarna wil hij weten wat een exporteur is. Weer leg ik het hem uit. “Dus het klopt wel dat een importeur het tegenovergestelde is van een exporteur?” zegt hij met vragende intonatie in zijn stem.

Ik zeg: “Als ik mijn fiets aan een Duitse meneer verkoop ben ik eigenlijk een exporteur”. “Dan bent u eigenlijk een exporteur” zegt de meneer. “Ja, een beetje wel, eigenlijk ja, dan bent u een beetje een exporteur”.

De meneer is helemaal het pratende stel vergeten. Hij ziet in mij een nieuwe gesprekspartner. “En boven, dat is het tegenovergestelde van beneden” zegt de meneer. “We zitten nu beneden en niet boven. We zijn dus een beetje het tegenovergestelde van de mensen die boven zitten”.

De omroep galmt door de trein. “We naderen station Alkmaar”. “We naderen station Alkmaar” zegt de meneer. “Ik woon in Alkmaar. Ja, daar woon ik. Vroeger woonde ik bij autisten. Nu woon ik op mezelf. In Alkmaar. Ik denk dat u ook in Alkmaar woont. Anders zou u nu niet opstaan. Want u gaat ook uit de trein. Weer de regen in”. 

Als we uitstappen zegt de meneer: “Regen is het tegenovergestelde van zonneschijn. Behalve ’s nachts, want de maan is het tegenovergestelde van de zon…”