Scheldende treinreiziger

De man was me al opgevallen toen hij in Helmond de coupé binnen kwam vallen. Het was meer vallen dan lopen geweest.

In Eindhoven moest ik overstappen. Voor mijn fiets stond een barrel van een Giant. Dat is ook een fiets. Omdat ik mijn tassen nog aan de fiets moest bevestigen zette ik de Giant even netjes opzij.

Toen kwam de man de trap af denderen. Het was overigens weer meer vallen. Of ik met mijn poten van zijn fiets af wilde blijven.

Ik zei dat ik over moest stappen en dat ik mijn fietstassen anders niet aan de fiets kon hangen. Daar had de man niets mee te maken. Ik had toestemming moeten vragen om aan zijn fiets te zitten. Tegen beter weten in vroeg ik nog hoe ik kon weten dat het zijn fiets was. “Dat zie je toch? Ben je blind of zo, kale? Is het niet tijd dat je in je graf gaat liggen?”

Er volgden nog een aantal knetterende scheldwoorden en de man vervolgde zijn toespraak. “Met je vieze …poten van mijn fiets afblijven, ja, …., …., …., vieze kale! Wie denk je wel dat je bent? Denk je dat je hier alles kunt maken? Denk je dat je beter bent dan mij?”

De man zette zijn fiets recht voor de uitgang. Helaas met het voorwiel de verkeerde kant uit. Dus de deur ging aan die kant niet open. Hij eiste van een andere reiziger dat die op het knopje drukte. Dat deed die man niet, want de deuren aan de andere kant gingen open.

Dat was aanleiding voor een nieuwe scheldkannonade. “Zie je wel. Allemaal jouw schuld. Dat heb jij veroorzaakt met je stomme …gedrag!…. die je bent!”

Moet je nagaan wat voor invloed ik heb. Zelfs het spoor van de trein wordt speciaal door mij gewijzigd. Om deze man te pesten, natuurlijk.

De man zwaaide zijn fiets om en raakte ondertussen een andere reiziger. Daarna denderde hij met fiets en al het perron op. Met een typisch loopje van iemand die aan middelen verslaafd is liep hij naar de lift. Die bleek defect. Kun je nagaan wat voor invloed ik heb!

Ook al moest ik van perron wisselen, voor deze keer vond ik het helemaal niet erg dat de lift stuk was. Maar ik bleef voor de zekerheid wel even een beetje uit de buurt van de man...

Erps-Kwerps

Dan toch ook nog maar even wat aandacht voor het Belgische dubbeldorp Erps-Kwerps. Naar dat plaatsje is het Erps-Kwerps gesprek (blog van gisteren) genoemd. 
Erps Kwerps 1

Dit oord heeft één van onze meest geliefde plaatsnamen.

Acteur en columnist Justus van Oel beschrijft in het boek ‘Kunt u Breukelen?’ het Erps-Kwerps-gesprek. Dit is een conversatie, beoefend door oudere echtparen in treincoupe’s. Een voorbeeld staat in het blog van gisteren.

Van Oel voegt daar aan toe: “Schrijvers van het Nederlands televisiedrama hoeven niet met de trein te reizen om deze gesprekstechniek te oefenen. Ze krijgen jaarlijks een speciale cursus Erps-Kwerps in een hotel in Lage Vuursche.”   

Erps Kwerps landingsbaan

Vanwege onze voorliefde voor het observeren en beluisteren van mensen die zich oefenen in het Erps-Kwerpsgesprek was ben ik speciaal naar dit tweelingdorp in de buurt van Brussel gefietst.

Erps-Kwerps ligt temidden van glooiend akkerland in de tuinbouwstreek van Vlaams-Brabant. In de omgeving groeit de witlof de spuigaten uit. Er vindt jaarlijks een zogenaamd crisisfestival plaats. Het schijnt dat men maar niet uit de crisis kan komen.

De vliegtuigen die vliegveld Zaventem naderen vliegen vlak langs de bebouwing van Erps-Kwerps. Nadat het vliegtuig gepasseerd is voel je bij windstil weer een minuut later een windvlaag. Je hoort hem ook in de ruisende coniferen. Eén dorp verder landen de vliegtuigen bijna in de voortuin van de inwoners.

Erps Kwerps Kerkplein

De plaats Erps-Kwerps telt zo’n 6000 inwoners. Het heeft een aardig dorpscentrum met een aantal historische gebouwen. Het station ligt 2 km. buiten de plaats. Hier loopt ook de HST-fietsroute, een snelle fietsroute tussen Brussel en Leuven. 

De Belgen zijn geen echte fietsers, maar ze doen wel hun best om de fiets wat meer op de vervoerskaart te zetten.

OV-conversatie

In het OV kun je voorspelbare conversaties opvangen. Vooral buiten de spits, als de reizigers minder op hun telefoon zitten te kijken en meer om een praatje verlegen zijn. 

Zoals gesprekken over de gezondheid. “Och, ik mag niet mopperen. De ene keer wat beter, de andere keer wat minder. Maar mag niet klagen. Dat doe ik dan ook niet. Je moet maar zo denken: de ouderdom komt met gebreken. Pijntje hier, pijntje daar. Och ja, elk mens mankeert wel eens wat. Zo is het leven nu eenmaal.

Het weer is ook vaak favoriet. Wat een weertje, vandaag! Zo schijnt de zon, zo komt het weer met bakken naar beneden. Je weet ook nooit waar je aan toe bent. Neem je je paraplu mee, blijft het droog. Denk je, nou kan het wel even, regen je kletsnat. Dat hadden we vroeger niet. Dan wist je veel beter waar je aan toe was. Tegenwoordig doen ze maar wat. Vroeger keek je in de lucht en dan wist je hoe laat het was. Maar door al die computers weten we het niet meer. En die Buienradar, daar klopt ook helemaal niks van. Mijn dochter had hem op mijn telefoon gezet. Ik denk dat ik hem er maar weer af laat halen. Vanmorgen heb ik er nog op gekeken. Ik denk, ik kan nu mooi droog naar de halte. Ik was halverwege, en wat denk je? Een hele lading zure appels. Ik ben maar gauw onder een afdakje gaan staan. Tram gemist. Maar ik heb de tijd. Maar ja, met dat weer moeten we leren leven. Iets met de opwarming van de aarde, zeggen ze. Nou, ik moet het nog zien. Bar koud vandaag.

Station Erps Kwerps

Dan nog de conversatie tussen een ouder echtpaar. (a) We staan stil. (b) Ja, we staan stil. (a) Misschien moeten we op een andere trein wachten. (b) Ja, misschien staan we daarom wel stil. (a) Kijk, daar komt een trein voorbij. (b) Volgens mij was het een sneltrein. (a) Ja, dat was een sneltrein, daarom moesten we hier wachten. (b) Nou, dan zullen we ons zo wel weer verder laten gaan. (a) Ja, als-t-ie voorbij is kunnen we weer verder. (b) Kijk, daar gaan we alweer. (a) Ja, daar gaan we alweer.

Die laatste vorm wordt door acteur en columnist Justus van Oel het Erps-Kwerps gesprek genoemd. Erps-Kwerps is een dorp bij Brussel. De naam riep kennelijk deze associatie bij Van Oel op. Sinds ik die omschrijving heb gelezen valt dat type gesprekken me vaker op. Soms doe ik er zelf aan mee. Ik ben dan ook de helft van de ouder echtpaar.

“Heb ik iets over het hoofd gezien bij hem?”

Aanhakend op het blog van gistermorgen over persoonlijkheidsproblemen en ouder worden: een treingesprek.

Sommige mensen zien de trein als een mogelijkheid om tegen iemand aan te gaan praten. Zodra ze een oor zien gaan ze van start. Ik vind dat dat moet kunnen, tenzij ik dringend andere bezigheden heb. Maar dan ga ik in de Stiltecoupé zitten.

Zo ook de mevrouw die tegenover mij komt zitten en die ziet dat ik in een psychologieboek zit te lezen. Ze wil me wat vragen. Dat mag. Ik heet dan wel niet de Kwaadsteniet, maar ik ben ook de kwaadsteniet.

De vrouw vertelt dat ze 45 jaar getrouwd is, en dat ze een bijzonder huwelijk had. “Mijn man ging altijd zijn eigen gang.” Het echtpaar ontmoette elkaar tijdens de maaltijd en daarna ging elk zijn eigen weg. Of ze het bed deelden heb ik niet gevraagd.

Mevrouw vertelde ook dat elk zijn eigen routine had. De taken waren goed verdeeld in huis. Wat zij deed, daar bemoeide haar man zich niet mee en omgekeerd. Dan krijg je ook geen ruzie.

“Ging u ook samen op vakantie?” wilde ik weten. Ja, het echtpaar ging samen op vakantie. “Mijn man bepaalde waar we heen gingen. Hij stippelde alles keurig uit. Het programma was duidelijk: ‘dag 1 werd dit bezocht, dag 2 werd dat bezocht’. “Achteraf was dat toch wel een beetje bijzonder” zei mevrouw, “maar daar dacht je vroeger misschien niet zoveel over na. Ik vond het ook wel prettig dat hij alles regelde.”

“Mijn man had een prima baan, maar sinds hij met pensioen is valt er geen land meer met hem te bezeilen” aldus de vrouw. “Hij is opeens helemaal zijn structuur kwijt. Maar hij staat nog steeds om half zeven op en gaat dan op de trap zitten wachten totdat de krant door de brievenbus valt. Als de krant na 7 uur wordt bezorgd zijn de rapen gaar en gaat er meteen een klacht over de bezorging weg. Ook op zaterdag staat hij om half zeven op om te kijken of de krant op tijd is.”

Het blijkt nu thuis niet meer zo te gaan zoals het veertig jaar lang ging. “De keuken was altijd mijn domein. Misschien wat ouderwets, maar zo ging dat nu eenmaal. Maar hij bemoeit zich nu ook met de keuken en zelfs met de besteklade. Daar krijgen we dan ruzie over omdat hij vindt dat het bestek op een andere manier gesorteerd moet worden.”

De vrouw sloot af met de vraag:  "Heb ik vroeger iets over het hoofd gezien bij hem?"

Man aan de diarree

In Friesland stapte een man in de trein, in gezelschap van twee dames. Dat is op zichzelf niet zo bijzonder. Sommige mannen lopen nu eenmaal rond met twee dames. En zelfs zijn nadrukkelijke stem was nog niet zo ongewoon. Sommige Friezen praten nogal hard. Waarschijnlijk hebben ze dat overgehouden aan het leven tussen de weilanden.

Maar het luidkeels verkondigde gespreksthema was wel ongewoon. Hij begon al direct luidkeels te vertellen dat hij aan de diarree was geweest. Niet zomaar een beetje, het was een tsunami geworden. En dat allemaal onderweg en in de broek.

Het was begonnen met een vreemde geur in zijn neus. Iedere keer als hij moest boeren was die vreemde geur er weer. En even later kwam er ongecontroleerd uit. Van onderen, wel te verstaan. Hij had al aan het begin van de reis verschoning nodig gehad. Maar helaas, de trein was een sprinter, en die sprinter had geen WC.

Daarna moest hij met de bus. De bus had óók geen WC. Maar hij was wel naar een patatkraam bij het busstation gelopen, om daar een paar papiertjes te scoren. Die had hij in zijn broek gestopt. En ondertussen kwam er nog meer van onderen uit.

‘Hoe kwam dat nu?’ zo vroeg deze meneer zich af. Welnu, hij had een zwartgeblakerde blinde vink in een restaurant gegeten. Want je gaat je toch afvragen waar het nu toch van komt, al dat ongemak. En of de dames dachten dat het daar ook van kwam. De dames zeiden dat het ook de warmte kon zijn of de stress, maar de man dacht toch echt dat die zwarte blinde vink de boosdoener was. Hij zou nog een keer bij het restaurant langs gaan om te vragen of er meer mensen onwel waren geworden vanwege een blinde vink.

Op de plaats van aankomst was meneer naar het hotel gelopen. Daar had hij zich meteen verschoond. Gelukkig had hij verschoning bij zich.

Maar ja, het einde was nog niet in zicht. Zodra hij op de WC ging zitten kwam er nog véél meer ongemak uit. Hele ladingen , je wilt niet weten hoeveel, alles zat er onder. En ’s nachts had zijn bed ook nog verschoond moeten worden.

Het opvallende was dat hij de volgende dag helemaal geen honger had. Hij had een kamer met ontbijt, maar het smaakte helemaal niet. Maar dat was zonde van het geld. Dus had hij toch nog thee en een broodje en een beschuitje genomen. Maar wat nu zo gek was: het kwam er allemaal meteen weer uit. Alsof hij geen maag meer had. Gewoon een doorlopende voorstelling.

Hij wilde ook niet de hele dag op zijn hotelkamer blijven, dus had hij maar een handdoek in zijn broek gedaan. Want je wist immers maar nooit. En die handdoek had hij op de terugreis ook maar in zijn broek gehouden. Maar ja, nu bedacht hij opeens dat het hotel een handdoek zou missen. Moest hij die dan terugbrengen. Of kon die handdoek met de post verzonden worden.

Het antwoord op die vraag heb ik niet vernomen. De man moest de trein uit, samen met de beide vrouwen. In ieder geval heb ik me twintig minuten mogen verbeelden wat deze meneer allemaal heeft moeten doorstaan. Het leven is soms best wel ingewikkeld. Vooral als je een zwarte rundervink hebt gegeten.

Overdekt winkelcentrum en scheerapparaat

Als ik in Alkmaar met mijn Batavus in de trein richting Den Helder over stap, raakt een medepassagier lichtelijk in paniek. Ik heb namelijk mijn fiets vóór zijn fiets geparkeerd.

Waar of ik er uit moet? Ik vertel hem dat ik er in Anna Paulowna uit moet. Hij vraagt: “Wat valt dáár dan te doen? Daar is toch niks te doen?”

Hij vraagt zich af of daar wel een overdekt winkelcentrum is. “Is er dan ook werk?” wil hij weten. Ik zeg tegen hem dat dat nog wel mee valt. Er zijn heel veel bollenboeren. Vervolgens wil hij weten waarom ik naar Anna Paulowna ga. Ik zeg dat dat met mijn werk te maken heeft. Zijn conclusie is dat ik dan bollenboer moet zijn. Want in Anna Paulowna zijn bollenboeren. Maar rond Anna Paulowna zijn niet alleen bollenboeren aan het werk.

Ik wil van hem weten waar hij de trein uit moet. “Nog twee stations” zegt hij, maar hij weet niet meer hoe het daar heet. Ik zeg: “Heerhugowaard”. Nu wil ik weten wat hij daar wil gaan doen. “Daar is een overdekt winkelcentrum” zegt hij.

Vanwege zijn oostelijke accent vermoed ik dat de meneer een lange reis achter de rug heeft. Hij vertelt dat hij in de Hof van Twente woont. Ik vraag hem of hij hier gaat fietsen. Nee, dat gaat hij niet. Hij heeft zijn fiets meegenomen omdat die anders misschien op het station gestolen wordt. Dat kan nu niet gebeuren, hij heeft zicht op zijn fiets. Hoe hij in een overdekt winkelcentrum zijn fiets in de gaten wil houden heb ik maar niet gevraagd. Je moet geen mensen nodeloos in paniek brengen.

De meneer heeft een kersvers scheerapparaat bij zich. Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil wél alles weten. Of de meneer soms gaat logeren. Nee, hij was alleen zijn scheerapparaat vergeten mee te nemen. “Dat ligt thuis nog op de tafel, denk ik.” Vanavond gaat hij weer naar huis, maar omdat hij geen scheerapparaat bij zich had heeft hij er onderweg eentje gekocht. Want hij weet niet zeker of het thuis inderdaad op de tafel ligt. En anders kan hij zich morgenochtend niet scheren. “Was maar 20 euro, dus dat is niet duur.” Zou hij wel een tandenborstel bij zich hebben? Die vraag stel ik maar niet, straks koopt hij ook nog een tandenborstel…

De meneer vindt het overigens geen weer. Het is bewolkt en toch is het warm. Maar de zomer is helemáál erg. Dáár heeft hij wel zo’n hekel aan! Hij ziet nu alweer vreselijk tegen de zomer op. In de zomer heb je het namelijk koud als je om 6 uur op de fiets stapt, maar om 10 uur is het al zó heet dat je je helemaal kapot zweet met die jas aan. Maar je kunt maar één jas meenemen, dus houdt hij dan toch maar de winterjas aan, want kou vatten is nóg erger. Maar tegen kou kun je je kleden en niet tegen de warmte, dat blijkt maar weer… In ieder geval houdt hij veel meer van de winter, die zomers zijn gewoon verschrikkelijk…

Ondertussen is het zes minuten later. Je kunt heel wat levenswijsheid opdoen in zes minuten… We rijden Heerhugowaard binnen. Ik help de meneer met uitstappen.

Als de trein wegrijdt zie ik hem de verkeerde kant uit fietsen, richting Broek op Langedijk. Is daar ook een overdekt winkelcentrum?

Alles moet er uit!

Er stapt een man samen met zijn moeder in de trein. Tenminste, ik neem aan dat het zijn moeder is. De man kijkt mij aan. En dan barst hij op luide toon los.

“Alles moet er uit! Alles moet er uit!”

Zijn moeder probeert zijn toon wat te dempen. Ze probeert ook te zeggen dat hij het er hier niet in de trein over moet hebben.

Maar de man is niet te stoppen. “Als hij een oor ziet moet hij praten” zeg ik wel eens in een bespreking.

“Mijn moeder moet naar het ziekenhuis. Volgende maand. Alles moet er uit. Alles moet er uit. Dat heeft de dokter gezegd.”

Ik probeer hem wat gerust te stellen. “Dat is wel spannend. Maar het komt allemaal goed.”

Maar hij herhaalt: “Volgende maand al, alles moet er uit!”

Zijn moeder legt mij uit dat het niet de bedoeling was, maar dat hij het verhaal kennelijk heeft opgevangen toen zijn moeder aan de telefoon was.

“Tegen tante Sjaan. Alles moet er uit, alles moet er uit.”

Tsja, wat zeg je dan tegen deze man. Het is allemaal erg onduidelijk. Hij wil weten hoe het zit. Maar valt het hem uit te leggen? En zo’n les is dan weer niet passend in de trein. Trouwens, wat moet er eigenlijk allemaal uit. En ik zit hier in de trein niet als hulpverlener, maar als toevallige passant.

Deze keer is (voor mij) de oplossing eenvoudig. Bij mij moet niet alles er uit, maar ik moet op het volgende station wel de trein uit. Ik zeg tegen de man dat ik moet overstappen en dat het allemaal goed komt. “Alles moet er uit, alles moet er uit!” zegt hij nog een keer.

Als ik op het perron sta zie ik hem kijken en zijn mond bewegen. Volgens mij herhaalt hij nog een keer de mededeling dat alles er uit moet…

 

Overdekt winkelcentrum

Als ik in Delft met mijn Batavus de trein in stap, raakt een medepassagier lichtelijk in paniek. Ik heb namelijk mijn fiets vóór zijn fiets geparkeerd. Waar of ik er uit moet? Ik vertel hem dat ik er in Roosendaal uit moet. Hij vraagt: “Wat valt dáár dan te doen? Daar is toch niks te doen?”

Vervolgens vraagt hij zich af of er in Roosendaal wel een overdekt winkelcentrum is. “Is er dan ook werk?” wil hij weten. Ik zeg tegen hem dat ik denk dat nog wel mee valt. Er is een fabriek voor snoep en drop.

Vervolgens wil hij weten waarom ik naar Roosendaal ga. Zijn eigen conclusie is dat ik naar mijn werk ga. Ik ga drop maken, want dat maken ze in Roosendaal.

Ik wil van hem weten waar hij de trein uit moet. “Nog één station” zegt hij, maar hij weet niet meer hoe het daar heet. Ik zeg: “Schiedam-Centrum.”  Nu wil ik weten wat hij daar wil gaan doen. “Daar is een overdekt winkelcentrum” zegt hij.

Vanwege zijn oostelijke accent vermoed ik dat de meneer een lange reis achter de rug heeft. Hij vertelt dat hij in de Hof van Twenthe woont. Ik vraag hem of hij hier gaat fietsen. Nee, dat gaat hij niet. Hij heeft zijn fiets meegenomen omdat die anders misschien op het station gestolen wordt. Dat kan nu niet gebeuren, hij heeft zicht op zijn fiets en blijft in de trein angstvallig in de buurt van zijn fiets zitten.

Hoe hij in een overdekt winkelcentrum zijn fiets in de gaten wil houden heb ik maar niet gevraagd. Je moet geen mensen nodeloos in paniek brengen.

De meneer heeft een kersvers scheerapparaat bij zich. Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil wél alles weten. Of de meneer soms gaat logeren. Nee, hij was alleen zijn scheerapparaat vergeten mee te nemen. “Dat ligt thuis nog op de tafel, denk ik.” Vanavond gaat hij weer naar huis, maar omdat hij geen scheerapparaat bij zich had heeft hij er onderweg eentje gekocht. Want stel je voor dat het thuis niet op tafel ligt, dan kan hij zich morgenochtend niet scheren. Want morgen is het zondag en dan zijn de winkels dicht. “Was maar 20 euro, dus dat is niet duur” zegt hij. Zou hij wel een tandenborstel bij zich hebben? Die vraag stel ik maar niet, straks koopt hij ook nog een tandenborstel…

De meneer vindt het overigens geen weer. Maar de zomer is helemáál erg. Dáár heeft hij wel zo’n hekel aan! Hij ziet nu alweer vreselijk tegen de zomer op. In de zomer heb je het namelijk koud als je om 6 uur op de fiets stapt, maar om 10 uur is het al zó heet dat je je helemaal kapot zweet met die jas aan.

Maar in de winter kun je gewoon je jas meenemen en die de hele dag aanhouden. Dat is veel eenvoudiger. Tegen de kou kun je je kleden en niet tegen de warmte, dat blijkt maar weer… In ieder geval houdt hij veel meer van de winter, die zomers zijn gewoon verschrikkelijk…

Ondertussen is het zes minuten later. Je kunt heel wat levenswijsheid opdoen in zes minuten… We rijden Schiedam binnen. Ik help de meneer met uitstappen. Als de trein wegrijdt zie ik hem de verkeerde kant uit lopen. Hij moet eerst een zoektocht ondernemen naar de uitgang. Dan wordt het vinden van een overdekt winkelcentrum in Schiedam nog een stuk ingewikkelder.

Gelukkig heeft hij een scheerapparaat bij zich….

Halvapottertjes

Ik zat in de trein naar Amsterdam. Na jaren van openbaar vervoer ben ik heel wat gesprekken gewend. Maar dit gesprek was toch wel heel bijzonder. Ik wist namelijk niet dat je ‘daar’ een gesprek over kon voeren.

De meneer en de mevrouw gingen naar een concert in het Concertgebouw. Tijdens een klassiek concert is het erg storend als je een hoestbui krijgt. Dat moet je dus zien te voorkomen. Volgens de meneer vormen Pottertjes dan een probaat middel tegen een onverhoopte hoest.

Hij: “Maar heb je de milde Pottertjes wel eens geproefd? Die heb ik nu bij me. Die zijn werkelijk fantastisch. Ze zitten in een rood doosje. Ze hebben er honing in verwerkt, naar ik vermoed. Daardoor zijn ze aanzienlijk zachter.”

Zij: “Hebben ze dan een andere kleur?”

Hij: “Nee, ze zijn gewoon zwart. Net zoals de Pottertjes die ik vroeger van opa kreeg. Maar die dingen waren verrekte heet. Dat vond ik als kind, maar ik vind ze tegenwoordig eigenlijk ook nog te scherp. Ik houd ook niet van een pikante chinese maaltijd. Doe mij maar een beetje soft.”

Zij: “Met die scherpe dingen krijg je gemakkelijk last van je slokdarm en van je maag. Dat moeten we niet hebben.”

Hij: “Dan kan ik je de milde Pottertjes uit het rode doosje zéker aanbevelen. Echt, een genot. Je proeft de honing.”

Zij: “Ik zal er eens naar uitkijken.”

Hij: “Ja, ieder bekend merk heeft tegenwoordig wel een light versie. Dit zijn Pottertjes Ligt. Een soort Halva dus. Niet te versmaden.”

Gevangen in een relatie

Tijdens een lange treinreis kan het zomaar gebeuren die je uitgebreid met iemand in gesprek raakt. En dat deze keer nog wel in de Stiltecoupé... Maar daar zat verder niemand...

Mijn medereizig(st)er was een mevrouw van rond de zestig. Ze vertelde dat haar man twee jaar geleden met pensioen was gegaan. En sinds die tijd liep het in huis helemaal vast. Hij wilde niet met pensioen, maar zijn baas wilde zijn contract niet verlengen. Dus ‘kwam hij thuis te zitten’.

“Zijn werk was zijn project” zei mevrouw. “Hij wist alles. En hij zorgde ook dat hij alles wist. Hij is ontzettend intelligent. Daarmee is hij iedereen te slim af. Hij is dus ook geen tegenspraak gewend.”

Ik vroeg of haar man er niet over had gedacht om na zijn pensioen andere dingen te gaan doen. Volgens haar had hij zich veertig jaar lang zó gefocust op zijn werk, dat hij eigenlijk geen idee had wat er verder nog in de wereld te koop was. Hij had ook helemaal geen hobby. Alleen reizen vond hij nog wel aardig, “als hij maar kon bepalen waar we heen gingen. Maar dat kwam er op neer dat we meestal op een station zaten, want hij is gek op treinen. Dat heb ik al die tijd allemaal best gevonden. Ik verwijt hem dus niks. Ik heb me aangepast en ik heb hem ook geen tegengas gegeven.”

“Hij heeft geprobeerd om na die tijd de politiek in te gaan. Maar dat was geen succes” zei mevrouw. Hij is zó gewend om te bepalen wat iedereen moet doen dat hij binnen de kortste keren ruzie had. Daar begreep hij niks van. Hij had alles goed voorbereid, daar had hij ook alle tijd voor. Sommige anderen hadden nauwelijks iets voorbereid. En toch accepteerden ze zijn gezag niet. Dat was voor hem onbegrijpelijk. Er is nog aangeboden om te bemiddelen tussen de kemphanen, maar dat wilde mijn man niet. Hij had gewoon gelijk, dus wat viel er dan nog te bemiddelen?” 

Mijn medereiziger benadrukte nog een paar keer dat ze haar man niet ‘de schuld’ wilde geven. En ook dat ze hem niet kwijt wilde. “Maar ik had gedacht dat als de druk van het werk eraf was, dat het thuis dan heel ontspannen zou zijn. Maar zoals het nu gaat zitten we elkaar in de weg. Je kunt bijna niet met elkaar hele dagen onder één dak wonen. We zijn elkaars gevangene geworden…”