Komt een man bij de tandarts

Binnen de Roos van Leary kun je aan de bovenzijde aan de ene kant het samen zien, aan de andere kant het (elkaar) tegen werken.

Boven hoeft niet verkeerd te zijn: het kan ook gewoon leiding geven zijn. En met leiding geven is niets mis.

Narcisme

Het gaat pas mis als de bovenpositie ontaardt in competitie (“Ik weet het beter dan jij”) of in de aanval (“Jij moet bang voor mij zijn”). Als er sprake is van competitie zul je vaak zien dat de persoon in kwestie narcistische trekken heeft. Hij kan er niet tegen als een ander ook kennis van zaken heeft en al helemaal niet als de persoon in kwestie meer kennis van zaken heeft.

Martin Appelo geeft op dit gebied trainingen aan o.a. hulpverleners en artsen. Want zeker in de tijd dat internet hoogtij viert zijn er nogal wat patiënten die alles al op internet uitgezocht hebben.

Trouwens, want stelt zo’n opleiding voor dokter eigenlijk nog voor? Je kunt alles toch ook op internet vinden. En psychologie is natuurlijk helemaal onzin. Dat is allemaal studeerkamertaal, en het leidt tot psychologische adviezen van de koude grond.

Komt een man bij de tandarts

De patiënt weet precies wat er moet gebeuren aan zijn gebit. Hij gaat in de stoel zitten en meldt de tandarts wat er allemaal aan de hand is en wat daarvoor de beste oplossing is. Hij heeft drie implantaten nodig en dan is het leed geleden.

De tandarts gaat in discussie. Hij vraagt zich hardop af of deze oplossing wel de beste oplossing is vanwege allerlei bijkomende problemen met het gebit van meneer.

Op dat moment kan er al een probleem ontstaan. De patiënt heeft zichzelf groot gemaakt en de tandarts gaat zichzelf nu ook groter maken.

Daarop vertelt de patiënt dat hij op internet gekeken heeft en dat daaruit blijkt dat implantaten toch echt de beste oplossing zijn. Dat wordt door de tandarts betwijfeld. Hij haalt nog een paar argumenten van stal.

tandarts

Maar de patiënt laat zich niet uit het veld slaan. Hij heeft ook een goede vriend geraadpleegd. Die goede vriend is toevallig een internationaal bekend implantoloog. De tandarts probeert het nóg eens allemaal te onderbouwen waarom hij denkt dat implantaten geen goed idee zijn.

Het betoog van de tandarts heeft bij deze patiënt geen enkele zin. Hoe meer de tandarts laat zien welke kennis hij heeft, des te meer zal de patiënt zichzelf uitputten in argumenten om te bewijzen dat de tandarts ongelijk is.

Het kan zelfs nog verder gaan: de patiënt kan gaan denigreren. “Dat u dat nog niet eens weet. En dat met zó’n salaris!”

Uiteindelijk besluit de tandarts om de zaak even te parkeren. Hij wil nog even studeren op het voorstel van de patiënt. Dat is een goede ontsnapping. Even de stoom van de ketel.

Diploma’s

Na een maand is er een nieuwe afspraak. Het gedrag van de patiënt zit de tandarts niet helemaal lekker. Hij is zich meer onzeker gaan voelen. De reactie is dat hij een paar nieuwe diploma’s aan de muur van de wachtkamer gaat hangen. Hij is immers bepaald geen tandarts van de koude grond.

Bij een narcist heeft deze manier van argumenteren van de tandarts geen enkele zin. Een narcist kan er namelijk niet tegen dat een ander meer kennis in huis heeft. Dus hoe meer de tandarts probeert te overtuigen, des te meer zal de patiënt proberen om zijn gelijk te halen.

Het hele handelen vanuit de tegen-positie door de patiënt kan zelfs tot een volgende fase leiden: die van de aanval: je moet bang voor mij zijn! Als u deze behandeling niet wilt doen stap ik naar de verzekering (of desnoods naar de inspectie).

Is de klant koning?

Moet de tandarts dan maar de patiënt gaan volgen? De klant is immers koning? Dus toch maar die implantaten? Nee, want dat is strijdig met de beroepscode. Je moet geen behandelingen uit gaan voeren waarvan je zelf denkt dat ze geen zin hebben.

De oplossingsrichting is niet dat je jezelf groter maakt, maar ook niet dat je in de onderpositie alles maar gaat doen wat de patiënt eist. Een manier kan zijn dat je verwoordt dat de patiënt er veel werk van heeft gemaakt om tot een oplossing te komen (bevestigen) , maar dat je helaas niet aan de vereisten voldoet om deze behandeling naar behoren uit te voeren.

In het kader van het narcisme zou je bij wijze van spreken kunnen (be)denken (niet zeggen): "U hebt zo'n speciaal gebit, u verdient dus ook een heel speciale behandeling. Ik ben niet speciaal genoeg om in uw speciale situatie goed te kunnen handelen. Misschien kunt u een consult aanvragen bij die internationaal bekende implantoloog. Hoe heette die ook alweer?" Grote kans dat de patiënt die naam helemaal niet eens weet...

Het narcistische slachtoffer

Een bekend verschijnsel binnen het narcisme is dat van de rol-omkering. Zodra een persoon met narcisme wordt aangesproken op zijn gedrag schiet hij in de verdediging. Hij weet het verhaal binnen een minuut om te draaien. Hij is het slachtoffer van het gedrag van anderen.

Mensen met narcisme zijn experts in het verschijnsel LAADA (Ligt Altijd Aan De Ander). Het zijn mensen die graag voor de spiegel staan om zichzelf te bekijken zonder er echt goed in te kijken. Dat vermogen (zelfreflectie) ontstaat pas later in de ontwikkeling.

De slachtofferrol die mensen met narcisme zichzelf aanmeten kom je niet zoveel tegen in de literatuur. Als je de woorden narcisme en slachtoffer opzoekt op internet gaat het over slachtoffers van mensen met narcisme.

Toch vind ik het aspect van de slachtofferrol die mensen met narcisme zichzelf aanmeten belangrijk, omdat het om een mechanisme gaat dat ook de slachtoffers in verwarring kan brengen. Van mensen die het slachtoffer zijn geworden van een narcist hoor je vaak dat ze voortdurend aan zichzelf twijfelen. Kennelijk wordt de redenering steeds zó geplooid dat de ander toch minstens een groot aandeel heeft gehad in wat er in de relatie mis is gegaan.

Vanuit de Transactionele Analyse kun je de slachtofferrol begrijpen als ‘Onderpositie’: de dader wordt een slachtoffer. Narcistische mensen zijn niet goed in samenwerking. Zij willen de ander controleren: bepalen voor de ander. Er is dus geen sprake van een Volwassen positie (‘dat wil ik, wat wil jij?’). Als de Bovenpositie niet meer werkt duikt de narcist onder in de onderpositie: hij is het slachtoffer geworden van wat anderen hem hebben aangedaan.

Datzelfde patroon zie je ook in de Dramadriehoek. De narcist stelt zich op als de Redder en ook als de Rechter. Hij zorgt ervoor dat de ander de hulp krijgt die die persoon nodig heeft. En meteen voegt hij er ook een oordeel aan toe wat de omgeving van de ander allemaal fout heeft gedaan.

Als de opstelling als Redder niet meer werkt kiest de narcist voor de positie van het Slachtoffer. Hij heeft álle tijd en ál zijn geld er in gestopt om alles in goede banen te leiden, maar iedereen laat hem als een baksteen vallen. 

De kleine professor (1)

Je ziet hem niet, maar je voelt hem wel. De kleine professor. En hij heeft altijd met je jeugd te maken. In je reactie op mensen en situaties word je met elastiekjes terug getrokken naar je positie als kind.

Maar als je hem voelt, weet je toch niet waar hij vandaan komt. Wat maakt dat ik me nu opeens onzeker voel? Waarom reageer ik zo op deze persoon?

De kleine professor gebruikt de redeneringen die je als kind uitprobeerde om je omgeving verklaarbaar verklaarbaar en voorspelbaar te maken. Die rol is niet uitgespeeld als je volwassen bent. De ‘schema’s’ uit je jeugd spelen nog door als je groot gegroeid bent. Ze vormen de ‘prints’ voor (een deel van je) huidige gedrag.

Mevrouw Kuiper is erg precies

Mevrouw Kuiper is in behandeling bij de psycholoog. Ze is ontzettend stipt. Alles moet precies in orde zijn. Ook wil ze het naadje van de kous weten als het gaat om de verzekering, het behandelplan, de verdere gang van zaken. Daar kan deze psycholoog niet goed tegen. Ze doet hem denken aan zijn moeder, die ook altijd zo precies was. De psycholoog heeft het gevoel dat mevrouw Kuiper hem te dicht op de huid zit. Dat hij daar zo gevoelig voor is heeft met zijn voorgeschiedenis te maken.

Mevrouw Kuiper komt ook altijd stipt op tijd. Dat hoort bij haar. Maar deze keer is ze tien minuten te laat. Daar reageert de psycholoog geïrriteerd op. De spanning die hij bij haar opbouwde komt er op een onhandige manier uit.

Mevrouw Kuiper is duidelijk van slag. Ze probeert altijd alles zo netjes te doen en natuurlijk was het dom dat ze te laat was. Het is ook allemaal haar schuld.

De bedoeling was dat mevrouw Kuiper een beetje minder volgens de regels zou durven te werken. Je zou dus – vanuit het kader van de therapie – kunnen zeggen: prima dat ze te laat is. Er gebeurt geen ramp als je een keer te laat bent, en er wordt niemand boos.

Alles onder controle

Dat gebeurt niet. De psycholoog zet mevrouw Kuiper weer terug in haar oude schema. Ze is perfectionistisch omdat ze daarmee alle kritiek vóór kan zijn: alles onder controle.

Dat is de kleine professor in haar. Haar moeder raakte erg van slag als ze knoeide, als er iets stuk ging, als er iets vies was. En de kleine mevrouw Kuiper heeft als kind geleerd: ‘als ik nu maar voorkom dat er iets fout gaat wordt mijn moeder niet boos’.

Dat doet ze ook nu ze de vijftig jaar al is gepasseerd. ‘Als ik nu maar zorg dat alles volgens plan verloopt wordt er niemand boos.’ Dat gebeurt ook thuis. Ze heeft altijd het eten klaar als haar man thuis komt. De heg is punctueel geknipt, zodat de buren niet boos worden. En de opdrachten op haar werk zijn al klaar voordat haar baas er naar vraagt.

Maar ja, nu kwam ze te laat op de therapie. En; zie je wel, als ik er niet voor zorg dat alles volgens plan verloopt wordt zelfs de therapeut boos… Eigen schuld: ik moet me beter aan de regels houden. Ik heb een fout gemaakt en daar moet ik voor boeten.

En de therapeut heeft een kans laten liggen. Maar ja, de therapeut is ook 'maar' een mens. En ook hij is gekleurd door vroegere ervaringen...

Ouder, kind, volwassene

Vorige week moest er weer geoefend worden met de Transctionele Analyse. Daar heb ik al vaker over geschreven. In feite zijn de reeksen die je kunt bedenken onuitputtelijk.

De basis is dat iedereen ego-posities inneemt: die van Ouder, van Volwassene of van Kind. Bij gelijkwaardige communicatie spreek je elkaar als Volwassene aan. Maar je kunt ook meer in de Ouderpositie terecht komen of meer in de Kindpositie zonder dat dat ‘verkeerd’ is. Het hangt van de situatie af waar je in verkeert.

Als ik een consult bij de dokter heb en hij constateert een longontsteking zit ik meer in de kindpositie en de huisarts meer in de ouderpositie. Alleen de betweter (Gerard Geldingsdrang) probeert dan alsnog de ouderpositie in te nemen en de dokter voor te schrijven wat hij moet doen.

Vorige week gaf ik als opdracht om je voor te stellen dat iemand in huis de afstandsbediening van de televisie heeft. Dat was een aantal jaren geleden nog dé machtspositie in huis: zo kon je bepalen welk TV-programma er gekeken werd. Ook volwassenen kunnen zich op zo’n moment als kleine kinderen gedragen.

Willem wil voetbal kijken en Truus wil Goede Tijden, Slechte Tijden kijken. En ik denk vanuit de Kritische Ouderpositie meteen al: wat een stelletje mafkezen dat je daarnaar wilt kijken: heb je niets beters te doen? Maar het gaat nu om Willem of Truus.

Truus heeft de afstandsbediening. Daar is Willem niet blij mee. Hij wil voetbal kijken. Willem: “Jij hebt ook altijd de afstandsbediening.” Het woord ‘altijd’ is een alarmsignaal van discommunicatie.  Je zou de positie van Willem die van een opstandig (rebellerend) Kind kunnen noemen. Hij neemt de onderpositie in en ziet zichzelf als slachtoffer van Truus.

Twee volwassen kinderen

Hoe reageert Truus daarop? Ze gaat (liefst met een hogere stem) zeggen dat Willem altijd al voetbal kijkt, maar nu toevallig (lekker puh!) net een keertje niet. Ook dat is de positie van een opstandig (rebellerend) kind: verongelijkt. Voer voor een avondje flink kibbelen en daarna gezellig naar bed.

Het kan ook zo zijn dat Truus reageert als een Kritische Ouder. Die positie lijkt vaak op die van een Opstandig Kind. Maar daarbij ligt het accent op ‘moeten’.  Mensen die vaak in de Kritische Ouderpositie zitten zijn ‘moeters’. “Je moet niet zo verongelijkt doen, anders kijk jij altijd voetbal!”

Grote kans dat Willem vervolgens weer in de Opstandige Kindpositie schiet. Een Opstandig Kind gaat in verzet. Willem gaat bijvoorbeeld luid zitten bellen met een vriend.

Of wordt hij een Aangepast Kind en gaat hij mokkend de krant zitten lezen?  Of hij verdwijnt door de zijdeur en gaat boven zitten computeren.

Het kan ook zijn dat hij zich als een Vrij Kind gaat gedragen. Hij wordt balorig en gaat zich als een clown gedragen, met chips gooien, een balletje door de kamer rollen, gekke bekken trekken.

Volwassen volwassenen

De Volwassen positie houdt o.a. in dat je probleemoplossend aan de slag gaat. en dat je ook zelf verantwoordelijk bent. Nu is dat probleem oplossen ook wel eens tricky, want veel probleemoplossers vullen voor de ander in hoe het probleem moet worden opgelost. Het gaat nu dus echt om het samen. “Is het een idee dat ik nu eerst het aanrecht opruim en dat jij GTST kijkt? Mag ik dan straks het tweede deel van de voetbalwedstrijd zien?” Oftewel: dat wil ik, wat wil jij?

Psychiater Gerben Hellinga: "In de Kritische Ouderpositie klinken de zie-je-wel's door, de oude verwijten van vroeger ('altijd, nooit').  In de Kindpositie klinkt door hoe je vroeger reageerde op de opmerkingen en verwijten van je ouders of van andere gezinsleden."

Zie je wel-isme (2)

Nu even naar de Volkskrant van zaterdag. "Dat vind ik nu eenmaal en ik blijf er bij." Hoe komt het dat mensen zo vasthouden aan hun eigen standpunt?

Daar zijn veel psychologische onderzoeken naar gedaan. In De Volkskrant worden enkele onderzoeken genoemd. Daar bleek o.a. uit dat – als mensen ooit hebben gehoord dat ze het goed zien – het meer ingewikkeld wordt om later alsnog van standpunt te veranderen. Vertaald naar onze tijd: als je op Facebook honderd likes hebt gekregen word je mening versterkt dat je gelijk hebt en luister je nog minder naar het standpunt van de ander.

De wereld vergaat (niet)

Een ander interessant onderzoek is de gang van zaken bij een groepering die geloofde dat de wereld op 21 december 1960 zou vergaan. Hoe gaat die groep om met het gegeven dat de wereld toen niet is vergaan? Nu moet de bedenker van dat idee toch aan zichzelf gaan twijfelen en moeten de volgelingen (haar, in dit geval) toch massaal de rug toekeren? Het wonderbaarlijke is dat nadat de wereld niet verging de groep nóg meer zelfverzekerd werd van het eigen standpunt. De wereld was niet vergaan omdat ze zo intensief gebeden hadden. Ze hadden dus de mensheid gered. Het onderzoek is gepubliceerd onder de titel When Prophecy Fails. 

Inflexibilitas mentis

Voor een deel hangt het vasthouden aan het eigen standpunt samen met iemands persoonlijkheidsstructuur. Ik noem wel eens in een cursus het verschijnsel van de inflexibilitas mentis.  Dat bestaat helemaal niet, maar een deel van de cursisten schrijft het braaf op. Zo hebben mensen met narcistische trekken grote moeite om van standpunt te veranderen. Moeten toegeven dat je ongelijk hebt wordt als krenking ervaren.

"Als iemand een kritische vraag stelde, ging mijn hartslag door het plafond. In mijn antwoord kon je vervolgens de minachting voor de persoon horen." Aldus Ozan Varol, hoogleraar in de rechten.

Transactionele Analyse en mentaliseren

Hoe kun je die boosheid van de hooggeleerde professor verklaren?

Vanuit de Transactionele Analyse gezien: de hoogleraar ervaart de vraag als een krenking (dat is een kindpositie) en reageert daarop als kritische ouder door de ander te kleineren.  Immers: hoe durft iemand mij tegen te spreken? Er wordt geen volwassen positie ingenomen.

Vanuit de Theory of Mind (en/of het mentaliseringsproces) gezien: naarmate het moeilijker voor iemand is om naar zichzelf te kijken en de wereld vanuit het perspectief van de ander te zien zal iemand starder worden in zijn opvattingen en minder van gezichtspunt veranderen. Dit is o.a. een knelpunt bij mensen met sterk narcistische trekken en mensen met kenmerken van autisme.

Luisterthermometer

Hier past natuurlijk ook goed de Luisterthermometer bij. Wie luistert vanuit het oordeel, vanuit behoefte of vanuit angst luistert niet goed. Bij dat luisteren vanuit een vooraf opgesteld denkraam (oordeel) zal niet geneigd zijn zijn of haar standpunt bij te stellen.

Stress

Daarnaast zie je dat hoe meer spanning en stress er is, dat het steeds moeilijker wordt om van standpunt te wisselen. In een emotioneel onveilige omgeving houden mensen meer vast aan hun eigen standpunt en ze zijn minder geneigd om de wereld vanuit het standpunt van de ander te bekijken. Stress verhoogt dus de mate van inflexibilitas mentis.

Er zijn ook mensen die zich bij voorbaat indekken. Ze gaan het gesprek uit de weg. Een citaat:

"Er is kennelijk van alles mis gegaan in onze communicatie. Om dat uit de wereld te helpen wil ik graag met je in gesprek." Reactie: "Daar heb ik geen behoefte aan". Alleen al het woord 'ik' zegt al heel veel: de wereld wordt vanuit het eigen perspectief bekeken, dat de ander ergens last van heeft doet er niet toe.

Meer afstand

Opmerkelijk is de oplossing die Professor Ozan Varol voor zichzelf heeft bedacht: hij is anders gaan schrijven en daarmee anders gaan denken.

"Ik kon alleen nog maar van gedachten veranderen door mijn complete identiteit te veranderen."

Het veranderen van identiteit lukte Varel door meer afstand tussen zichzelf en zijn werk te scheppen. Hij heeft het niet meer over zijn onderzoek, maar over dit artikel. Daardoor kreeg hij toch minder het gevoel dat hij als persoon faalde. “Als de uitkomst toch niet bleek te kloppen had ik niet meer gefaald, de hypothese bleek niet te kloppen”.

De klagende patiënt (2)

Mevrouw Veenstra werd door verzorgenden, management en arts van het verpleeghuis als een lastige patiënt ervaren. De psycholoog probeerde de situatie vlot te trekken. Wat waren de alternatieven?

Psychiater Gerben Hellinga heeft een stappenplan bedacht om effectief met zo’n situatie om te gaan.

Stap 1: Formuleer in één zin het probleem. Hellinga vindt dit noodzakelijk om daarmee zoveel mogelijk de bijzaken en de emotionele bijkleuring weg te filteren. Het was inmiddels duidelijk dat de leidinggevende van de woning zó van slag was door het gedrag van mevrouw Veenstra dat ze dit bijna niet meer voor elkaar kreeg.

Stap 2: Formuleer eerlijk voor jezelf welke transactionele ik-positie je inneemt. Ben je een kritische ouder? Ben je een aanklager? Voel je jezelf slachtoffer? Ben je een aangepast kind dat zich woedend en machteloos voelt?

Stap 3: Probeer te analyseren hoe het komt dat je in deze positie terecht kwam. Wilde je mevrouw Veenstra helpen en wees ze die hulp af, waardoor je in de verdediging schoot? Zond je een dubbele boodschap uit? Zoals: “ik wil u wel helpen, de cliënt staat op onze instelling immers centraal, maar dan moet u wel tevreden zijn over de zorg die wij bieden “….

Of heeft er een zogenaamde kruistransactie plaatsgevonden: ik spreek mevrouw Veenstra als volwassene aan, zij reageert vanuit een kritische ouderpositie, ik raak daardoor van slag en raak mijn volwassen positie kwijt en reageer als een verongelijkt klein kind. En zo zijn er vanuit de Transactionele Analyse tal van varianten te bedenken.

Stap 4: Overweeg de vijf posities vanuit de Transactionele Analyse.

Als ik als Kritische Ouder reageer op mevrouw Veenstra, wat zeg ik dan? Bijvoorbeeld: “U moet nu eens stoppen met klagen, ziet u niet hoe we ons de benen uit het lijf rennen?”

Als ik als Zorgende Ouder reageer op mevrouw Veenstra, wat is mijn boodschap dan? “Het valt allemaal niet mee voor u, ik ga u zo snel mogelijk helpen.”

Als ik als Aangepast Kind reageer, wat zeg ik dan tegen mevrouw Veenstra? “Sorry, u hebt helemaal gelijk, die koffie is hier niet te drinken, ik ga gauw nieuwe zetten.”

Als ik als Vrij Kind reageer trek ik me niets aan van protocollen of van oordelen. Ik reageer zoals ik me op dat moment voel. “Tsja mevrouw Veenstra, we hebben allemaal wel eens onze dag niet en als de hemel naar beneden komt hebt u ook een blauw hoedje op, dat staat u vast goed, tralalallala! Ik zal even voor u kijken of de zon vandaag nog gaat schijnen.”

In de Volwassen positie kan ik een afweging maken, plannen maken, ik kijk naar wat mevrouw Veenstra wil en naar wat ik kan en wil. Ik kan ook naar mezelf kijken: wat gebeurt er met mij in relatie tot mevrouw Veenstra. ”Wat is er met me aan de hand, wat gebeurt er, wat voel ik, denk ik,
wat heb ik nodig, wat wil en kan ik nu doen”.

Stap 5: Kijk welke posities je hebt ingenomen en wat het effect was op het gedrag van mevrouw Veenstra en hoe jij op dat moment weer op haar reageerde.

Stap 6: Voor welke reactie zou je vervolgens willen kiezen? Wat past bij jou (is ‘ego-syntoon’)? De Volwassen positie is in relaties van effectiever, maar het kan zo zijn dat je toch blijft kiezen voor de kritische ouderpositie of voor die van het aangepaste kind. Dan moet je weten waarom je dat doet. En in een  zorgrelatie zul je dan ook een antwoord moeten geven of je daarmee binnen de kaders van goed hulpverlenerschap werkt.

Gerben Hellinga: Lastige Lieden, Boom, Meppel, 2009, 5e druk.

Geestelijke gezondheid (3)

Het derde aspect dat Eric Berne noemt is Intimacy: verbonden kunnen zijn met andere mensen.

De Transactionele Analyse leert dat een voorwaarde om volwassen te communiceren is dat je verschillende rollen kunt wisselen. Soms neem je de bovenpositie in (bijvoorbeeld: ik leid jou), soms de onderpositie (bijvoorbeeld: jij hebt er meer kijk op, ik volg jou wel). Maar er zijn ook situaties waarin je gezamenlijk optrekt (‘dat wil ik, wat wil jij?’). Dat noemt Eric Berne de volwassen positie.

Voor (o.a.) mensen met een persoonlijkheidsstoornis is dat gelijkwaardig optrekken zelden mogelijk. Eén van de kenmerken van persoonlijkheidsstoornissen is de ongelijke egopositie. Bijvoorbeeld narcistische mensen of mensen die een borderline stoornis die de controle willen houden en daarmee willen bepalen hoe de ander moet denken of handelen. Dat is een voorbeeld van de bovenpositie.

Als een ander ook wil bepalen of feitelijk zelfs meer weet of meer kan vormt dat voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis een bedreiging. Ze gaan extra in de bovenpositie – ze willen nóg meer bepalen – óf ze belanden in de slachtofferrol. (de slachtofferrol is paradoxaal genoeg een verkapte bovenpositie: het is het wijzende vingertje: kijk eens wat jij mij hebt aangedaan!).

Een extreem voorbeeld van mensen die zo denken en handelen zijn de stalkers.

Een ander voorbeeld is het splitten: de één is alleen goed en de ander is alleen maar slecht.

Gelijkwaardig contact

Bij volwassenheid hoort volgens Erik Berne de bereidheid en de voortdurende behoefte aan gelijkwaardig contact. Het Engelse woord intimacy impliceert veel meer dan intimiteit: het gaat om vertrouwen en het je verbonden voelen. Daarmee veronderstelt dit begrip communicatie en dat betekent letterlijk: iets samen delen.

Eerder heb ik geschreven dat het kunnen uitwisselen van gevoelens een voorwaarde is voor communicatie. Mensen die het moeilijk vinden om gelijkwaardig te communiceren hebben de neiging om hun gevoelens in een doosje op te bergen. Ze zijn in emotioneel opzicht moeilijk toegankelijk. Als je jezelf pantsert is het denken in zwart-wit schema’s een nogal voor de hand liggende manier van overleven. Het is veel gemakkelijker om met één vinger naar de ander te wijzen dan om je eigen kwetsbaarheid onder ogen te zien.

Mentaliseren

Het leren om meer genuanceerd naar je eigen emoties en naar de ander te kijken wordt tegenwoordig in therapeutische settingen geleerd door te oefenen met mentaliseren (‘wat voel ik, wat ervaar jij?’). Het is o.a. een behandeling die wordt ingezet bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daar heb ik elders al over geschreven.

In het werk met mensen met complexe problemen (o.a. met multi-problemgezinnen en met mensen met verstoorde hechting) hebben begeleiders de door Berne beschreven kenmerken hard nodig. Kun je in het hier-en-nu werken? Val je bij stress niet automatisch terug op één reactiepatroon? Ben je in staat om je eigen gevoelens en de emoties van anderen te lezen en er mee aan de slag te gaan?

Het transactionele paard van Anja

Anja heeft een geschil met Boer Jan.
Haar paard Willem wordt gestald bij boer Jan en dat paard heeft een ernstige verwonding aan zijn been opgelopen. Hoe het allemaal precies zit zal ik hier niet uitleggen.

Wie zal dat betalen? Voor Anja is het duidelijk: boer Jan.
Maar boer Jan wil niet betalen. Dus hebben ze een conflict. En Anja benadert de rechter.

Boer Jan is een wat verlegen man met een bijzonder taalgebruik. In nette formuleringen probeert hij uit te leggen wat er is gebeurd. Af en toe wordt dat gezicht wat verwrongen als Anja hem van van alles en nog wat beticht, zoals dat hij een paard in een sloot zou hebben laten liggen. Dat vindt hij onzinnig. Hij bedoelt niet dat dat onzin is, maar hij bedoelt: zoiets doe je als boer niet. Als een dier lijdt, ga je er op af.

De rechter voelt wel aan dat Boer Jan tegen het verbale geweld van Anja niet is opgewassen. Toch wil Boer Jan haar niet veroordelen. Hij wil geen kwaad woord over Anja spreken. Waarschijnlijk hebben ze elkaar verkeerd begrepen.

Boer Jan constateert wel dat het nu niet goed gaat en dat is niet zijn bedoeling. Maar als hij (toch) zegt dat hij wel last heeft van de opmerkingen van Anja volgt er meteen een preek van Anja.

“En ben ik niet altijd goed voor je geweest? Heb je dat ook niet opgeschreven? Dat ik altijd warme oliebollen voor je meeneem met Oud en Nieuw. En dat ik spullen voor je meeneem uit het Noorden? En dat ik je help met vegen? En dat ik, en dat ik… Heb je dat óók allemaal opgeschreven, Jan? Ik dacht van niet, hé?”

Dit fragment is voer voor psychologen die gewend zijn met de Transactionele Analyse te werken. De kritische ouder die de ander in de kind-positie dwingt. Je ziet Jan letterlijk krimpen bij zóveel verbale terreur en het wijzende vingertje van Anja.

De rechter vindt op juridische gronden dat Jan niet aansprakelijk kan worden gesteld. Hij hoeft deze kritische ouder niets te vergoeden. Maar Jan lijkt helemaal niet zo gelukkig met de oplossing. Van de geldzorgen is hij af, maar wat hij eigenlijk wil is: gewoon geen ruzie. Kan de rechter daar niet voor zorgen?

In iedere kritische ouder schuilt in feite een klein kind. Dat zie je aan het eind van de uitzending. Anja bitst Jan cynisch toe: “Daar kom je toch weer even goed van af, hé Jan?” Zo van: dat heb je toch weer mooi bij elkaar weten te manipuleren.

Een kind moet nu eenmaal altijd het laatste woord hebben…

Aanklager én redder (3)

En nét had ik het voorgaande verhaal geschreven of ik werd benaderd door een mevrouw Schipper, die zich bedreigd had gevoeld door een buurman. Het kón bijna niet bijzonderder (…). Ik had het verhaal net klaar en wie stond aldaar: deze mevrouw.

Ze vertelde haar verhaal. De buurman is groot en zij is klein. Hij met jas aan, zij als alleenstaande vrouw in vrijetijdskleding voor de avond. Het eerste wat de buurman deed was in haar persoonlijke zone komen. Hij liep bijna de deur plat. Ze voelde zich fysiek klem gezet.

Daarna deed hij zijn verhaal. De opgeheven vinger kwam er aan te pas. En hij zei vermanend dat ze uit moest kijken want morgenochtend was het donker en stormachtig en dan zouden er zomaar takken van de boom in de steeg kunnen liggen waar ze over zou kunnen vallen.

Dat klonk heel aardig. Maar mevrouw Schipper zei: “Ik voelde me erg geïntimideerd. Ik had écht geen idee wat ik moest zeggen. Moest ik dankjewel zeggen? Ik wist het écht niet!”

“Maar wat weerhield je om dat te zeggen?” wilde ik weten. Dat wist mevrouw Schipper niet. Toen bedacht ik de dubbelpositie van de aanklager en de redder. Zou het kunnen zijn dat de buurman wat de inhoud betreft zich als redder opstelde, maar dat de achtergrond van zijn verhaal de aanklager was. Dat was weliswaar een stevige invulling van mijn kant, maar het zou toch wel eens zo kunnen zijn.

Mevrouw de Vries zei: “Dat zou best eens kunnen!” Ik wilde weten: ‘heeft hij klachten over je tuin?’ Zij: “Ja, sinds hij bij zijn nieuwe vriendin in is getrokken is hij het niet eens met de boom in mijn tuin. Voor die tijd vond zijn vriendin dat de boom te groot was geworden, maar haar hoor ik er niet meer over…”

Aha, daar kwam misschien wel de aap uit de boom. Meneer is de redder voor zijn nieuwe vriendin, hij zal de zaak wel eens even regelen. Hij begon met opmerkingen over de boom, maar dat hielp niet.

Maar zo onaardig was de buurman nu ook weer niet: hij had het welzijn van zijn eenzame buurvrouw op het oog. Dat liet hij zien door zich bezorgd te zijn over haar welzijn. Dus dan kon ze niet boos worden, maar moest ze hem dankbaar zijn.

En zijn vriendin natuurlijk ook, want hij had weer bij de buurvrouw aangebeld.

De positie van een dubbele redder. Mooier kon hij het niet maken.

Maar eigenlijk was de boodschap van de redder de verpakking van de aanklager. Oftewel een perverse klempositie (Haley) voor zijn buurvrouw. Psychologische intimidatie. 

Aanklager en redder (2)

Meneer Zwier stond dus altijd klaar met zijn opgeheven vingertje. Van de kerk moest hij niets meer hebben, maar hij had de rol van onfeilbare gezagsdrager toch behoorlijk overgenomen.

Meneer Zwier won discussies altijd. Hij kreeg nauwelijks tegengas. Hiërarchisch kon hij dat maken: hij was immers de baas.

Maar kon meneer Zwier ook op een andere manier reageren? Wat dat laatste betreft is Eric Berne optimistisch: je kunt het leren. Maar laat nu net meneer Zwier een aanzienlijke aanvaring hebben gehad met een transactioneel therapeut…

Door de mand gevallen

Meneer Zwier kon er namelijk niet tegen dat iemand een andere mening had dan hij zelf. Hij vond dat deze therapeut zich belerend opstelde en dat het allemaal onzin was wat de therapeut zei.

Daarmee viel meneer Zwier in psychologisch opzicht behoorlijk door de mand. Hij bewees met zijn uitspraken dat hij inderdaad de kritische ouderpositie had gekozen.

Maar dat was volgens meneer Zwier natuurlijk helemáál niet waar (…). Daarmee kreeg Martin Appelo weer gelijk: een discussie met iemand als meneer Zwier heeft geen zin.

Martin Appelo (socratisch motiveren) zou meneer Zwier in de discussie met de therapeut een betweter hebben genoemd. Want meneer Zwier wist meer van het vak van een therapeut dan een therapeut zelf. Maar met betweters moet je niet in discussie gaan. De therapeut liet het dus ook maar zo.

Redder

De tweede Ouder positie is die van de Redder.

Deze rol ziet er op het eerste gezicht heel behulpzaam en vriendelijk uit. Maar een kenmerk van de redder is dat deze al heel gauw het roer overneemt. De redder lijkt empathisch: “Zal ik het even voor jou regelen, jij hebt het al zo druk…”

compromisMaar kenmerkend is dat er geen overleg is. De redder schakelt jou niet in, maar uit. Het is namelijk de redder die wil bepalen hoe het allemaal geregeld moet zijn. Het past in het principe van de controlerende communicatie.. Daarmee maakt ook de redder anderen onzeker.

Combinatie

De combinatie van beide rollen vraagt om nog meer stuurmanskunst in de communicatie. Die komt ook voor. De aanklager zet zichzelf in de positie van de redder en koopt daarmee loyaliteit en bewondering (bijvoorbeeld binnen de organisatie).

Een voorbeeld: “Het gaat ons om goede zorg, we willen geen ruzie maken.” Als er dan toch bonje komt ligt het dus aan de ander…

“Ik sta niet toe dat mijn ondergeschikten op deze manier bejegend worden.” had meneer Zwier gezegd.

Het zou kunnen vallen binnen het schema dat Haley een perverse triade noemt.

Zie ook: eerdere blogs (december 2015) over de Reddingsdriehoek.