Moeilijke momenten

De mensen denken wel dat je als therapeut een gemakkelijk beroep hebt. Je hoeft immers als behandelaar alleen maar af en toe instemmend te hummen. En daarnaast te zorgen dat je tijdens de sessie niet in slaap valt...

Toch kent ook de behandelaar momenten die hij (of zij) als moeilijk ervaart.

Eerst even een anekdote. Ik was betrokken bij de begeleiding van een vader en een zoon. Die konden er wat van. De vader mopperde een uur en als de vader uitgemopperd was mopperde de zoon een uur. Hoe hou je dat vol als ambulant begeleider? Er waren begeleiders die er prima mee overweg konden. Anderen zagen als een berg tegen het bezoek op. Dat breng mij op de eerste groep cliënten die behandelaars energie kunnen kosten.

  1. De klagende cliënt. Het is nooit goed of het deugt niet. Tsja, dan kun je als behandelaar gaan zeggen: “Mevrouw, kijkt u eens naar buiten! Het zonnetje schijnt. Niet zo somberen hoor. Ik besteed een uur van mijn kostbare tijd aan u, dan moet u niet zo gaan mopperen.” Kijk maar eens wat er dan gebeurt…

2. De cliënt neemt geen verantwoordelijkheid voor de behandeling. Hij is toch maar gestuurd en de therapeut is er voor om zijn probleem op te lossen. Daar word je inderdaad als behandelaar voor betaald. De loodgieter wordt immers ook gebeld als je toilet defect is? En als hij dat toilet niet repareert heeft hij zijn werk niet goed gedaan. Behandelaars zijn het loodgieters, ze moeten zorgen dat de boel in het hoofd weer netjes doorstroomt.

3. De cliënt voert zijn opdrachten niet uit of vertoont weerstand tegen opdrachten. Wat zullen we nú krijgen? Huiswerk maken? Ik ben al twintig jaar bevrijd uit de ketenen van het onderwijs! Ik ga geen opdrachten maken. Als de tandarts zegt dat ik mijn gebit moet flossen ga ik dat ook niet doen. Probeer maar eens als behandelaar tegen dergelijke logica in te gaan…

4. De cliënt komt regelmatig te laat of zegt afspraken af. Als je er wat van zegt heeft de cliënt natuurlijk wel een reden. Het meest voor de hand ligt dat hij nu eenmaal zo is. Hij werd ook al te laat geboren en sinds die tijd komt hij overal te laat. Het lag dus aan zijn moeder die hem niet los kon laten.

5. De cliënt neemt zelf geen beslissingen, de behandelaar moet maar zeggen wat wijs is. Dat kan ik ook helemaal begrijpen. Ik bel de loodgieter ook niet om hem aan mij te laten vragen wat de oplossing van het verstopte toilet is. Veel te gemakkelijk: dat beroep van therapeut. Alleen maar hummen en er ook nog voor betaald worden. Daar trap ik niet in!

6. De cliënt zet therapeut op voetstuk. Als behandelaar zou ik daar natuurlijk geen moeite mee hebben. Ik ben nu eenmaal veel beter dan mijn collega’s. Ik zou dit gedrag van cliënten dan ook van harte ondersteunen.

7. Er zijn ook cliënten die verliefd worden op hun therapeut. Dat mag. Het zit in de prijs van de behandeling inbegrepen dat dat tot de mogelijkheden behoort. Als de behandelaar maar niet verliefd wordt op de cliënt. Daar is in het kader van de beroeps-ethiek al heel wat over geschreven. In dat kader biedt de 1½ meter-regel in corona-tijd extra bescherming.

8. De cliënt behandelt therapeut op laatdunkende of uitdagende manier. Dat zegt vooral veel over de cliënt. Dat je een psycholoog van de koude grond bent zit ook bij de prijs inbegrepen. Een betere psycholoog heeft ook een hoger tarief. Zo lang de cliënt niet bereid is om dat te betalen zit hij aan deze behandelaar vast.

De 8 'knelpunten' zijn ontleend aan het Tijdschrift voor Directieve Therapie, jaargang 35, nummer 4. Het commentaar komt van Henk50

De eerste indruk

Komt een cliënt bij de behandelaar. Hoe verloopt het eerste gesprek? Je moet nog aan elkaar wennen. Sommige cliënten zijn erg op hun hoede. Maar de behandelaar ervaart ook wél of niet een eerste 'klik'. Wat kan er allemaal gebeuren?
  1. De cliënt stelt zich afwachtend op en toont weinig initiatief. Soms lijkt het wel of hij door een ander gestuurd is, het was niet zijn eigen keuze. Hij werd bijvoorbeeld gestuurd door zijn vrouw. ‘Ga jij nu eens met een psycholoog praten, want het gaat niet goed met je’. Nou ja, baat het niet, dan schaadt het misschien ook niet. Maar echte motivatie, dat is er nog niet. Gevolg is dat de behandelaar aan het werk gaat en de cliënt steeds meer achterover gaat leunen.
  2. De cliënt stelt zich afhankelijk op en zegt (te) gemakkelijk ‘ja en amen’. Dat begint al bij het antwoord op de vraag ‘wilt u iets drinken?’ De cliënt zegt: ‘net wat u in huis hebt’. Als het gaat om voorstellen hoe het verder gaat zegt de cliënt: ‘Zegt u het maar, ik vind alles best, u hebt er verstand van.’ Zelfs bij de vraag naar een volgende afspraak zegt de cliënt: ‘het maakt mij niet uit, u moet het maar zeggen wanneer u weer tijd hebt’. ’s Morgens of ’s middags? ‘vraagt de therapeut nog maar eens. Ook dat maakt helemaal niets uit.
  3. De cliënt komt gespannen en angstig over en lijkt op zijn hoede te zijn. Zo had ik ooit een cliënt die meende dat ik dwars door haar heen kon kijken. Ze meende dat ik van buitenaf kon zien wat zij dacht. Dat probeer ik natuurlijk wel eens, maar zo werkt het dus niet (zeg ik maar eens ten overvloede). Ik heb geen paragnostische gaven, geen zesde zintuig, ik kan geen gedachten lezen. Deze cliënten herken je o.a. aan hun blik, aan de wijze waarop ze de omgeving ‘scannen’, de manier waarop ze gaan zitten en nogal eens de dwanghandelingen en rituelen die (moeten) worden uitgevoerd. Het drinken van een kopje koffie gaat vaak al gepaard met een reeks aan rituelen.
  4. De cliënt heeft zóveel woorden nodig dat de behandelaar niet aan het woord komt. Tot in detail wordt uitgelegd hoe de reis is verlopen, wie wat zei onderweg, welke straat was afgesloten en dat er eerst op de verkeerde deurbel was gedrukt waarvoor alsnog vele malen excuses.
  5. De cliënt zoekt vooral naar bewondering en waardering van de kant van de therapeut. Hij wil vooral horen hoe goed hij het doet. Een complimentje wil iedereen wel eens krijgen. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Ik zou ook graag nog een keer van Sigmund Freud willen horen dat ik het best aardig heb gedaan in mijn werk. Maar dit gegeven is waarschijnlijk ook een groot probleem voor de cliënt. Dus moet er toch aan gewerkt worden dat je als cliënt niet altijd bewonderd hoeft te worden door je therapeut.
  6. De cliënt vindt therapie maar onzin. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar waarom zit hij hier dan? Dus ook dit thema vraagt om een uitwerking naar een zinvol samenzijn. Concrete doelen stellen wil dan nog wel eens uitdagend werken.
  7. De cliënt stelt zich zelfverzekerd op, hij weet wel hoe het zit. Het kan ook zo zijn dat de cliënt zich heel speciaal vindt en dat hij dus een speciale behandeling nodig heeft. Niet door een gewone huis-tuin en keuken-psycholoog, maar door een supergespecialiseerd psychiater. Deze houding ligt nogal eens in het verlengde van het voorgaande. Daar heb ik al eerder over geschreven, want zulke cliënten kunnen gemakkelijk op je ‘allergie’ gaan zitten (‘wie is hier de behandelaar?’). Als je de strijd aan gaat ga je het echt verliezen. Dus je moet iets anders verzinnen…
  8. Als iemand een specifieke fobie heeft (bijvoorbeeld angst voor spinnen) is het doel doorgaans duidelijk: daar wil de cliënt vanaf. Maar er zijn ook cliënten die geen enkel idee hebben wat ze met een behandeling zouden willen bereiken. ‘Ik wil graag een beetje meer geluk hebben in het leven’. Dat is op zichzelf natuurlijk een mooi doel, maar als de cliënt geen enkel idee heeft waar hij gelukkig door zou worden wordt het waden door de stroop en roeren in de klei.
  9. De cliënt wil helemaal geen doel stellen voor zichzelf: de anderen moeten veranderen. Dat is natuurlijk een lovenswaardig streven. Het zou het leven een stuk gemakkelijker maken. Maar dan ligt de verkeerde persoon nu op de sofa. Als je als dochter vindt dat je 88-jarige moeder miet veranderen moet je haar in de rolstoel zetten en haar naar jouw therapeut rijden. Hij kan namelijk niet iemand veranderen die er niet is. Kortom: dat doel werkt niet. Er moeten andere doelen komen.
  10. De cliënt heeft een enorme reeks aan mislukte behandelingen achter de rug. Die begint hij meteen maar op te noemen. Hij is dus een hopeloos geval. Dit zal wel de zoveelste mislukking worden. Tsja, ook dat vraagt om een speciale manier van omgang door de behandelaar….
De manier waarop de cliënt zich manifesteert tijdens de intake geeft weer hoe hij zich voelt en wat zijn houding is ten opzichte van de behandeling. Elke vorm vraagt om een specifiek type interventie. De vraag is: kent de behandelaar zichzelf en over welk therapeutisch gereedschap heeft hij de beschikking in zijn therapeutische timmerkist? 

Dokter Jansma revisited (4)

We zouden elkaar weer een keer ontmoeten. Deze keer aan zee. Dat leek me een goed plan. Dan zou voormalig zielenknijper dokter Jansma in ieder geval weer eens 'in de activiteit' moeten. Het leek me logisch dat hij als fietser op de fiets naar Katwijk zou komen.

Dokter Jansma wilde niet in de eigen woonplaats aan de koffie. Dan zou hij misschien weer worden aangeklampt worden door zijn patiënten en daar was hij nog steeds helemaal klaar mee. Ik moest dus ook incognito blijven, gewoon een medefietser.

Dokter Jansma kwam inderdaad opdagen. Zelfs op de fiets. Te laat weliswaar, maar dat hoort bij een jaren ’60 psychiater. Het viel me op dat hij veel moeite had om zijn fiets te stallen. Er moesten allerlei rituelen worden verricht voordat het rijwiel echt goed was geparkeerd. Ik vroeg me af: ‘heeft hij nou zelf niet door dat het een beetje apart is? Of maakt hem dat allemaal niets uit?’

Met een tas van de Dirk kwam de dokter de ruimte binnen lopen. Hij zag er wat sjofel uit met een afgezakte broek, een half open overhemd en op versleten sandalen, de zogenaamde Jerusalem-Nikes. Zijn warrige haar was nog wat warriger geworden. Maar de zeewind had het haar ook geen goed gedaan.

Bij de begroeting zag ik ook dat hij een tand miste. Als dat zo door zou gaan zou dokter Jansma er over een tijdje uit zien als de Dirk uit de serie van Kees van Kooten en Wim de Bie. Moest ik me zorgen gaan maken? Maar als er iets was wat dokter Jansma niet wil is dat dat mensen voor hem gaan zorgen. Dat ziet hij als bemoeizorg. Om maar weer met Kees van Kooten te spreken: “Ik wil vrij, ik wil blij, ik wil geen zorg en zeker geen thuiszorg.”

“Om te beginnen wil ik iets aan de orde stellen” zei dokter Jansma. Ik dacht: ‘wat krijgen we nu? Heb ik iets verkeerds gedaan?’ Maar dokter Jansma zei: “Laten we elkaar tutoyeren. Ik ben geen dokter meer en jij bent geen patiënt. Ik heb je genezen.” Voordat ik iets kon zeggen zei hij: “Haye, dus. Gewoon het Friese Haye. Op de opleiding dachten ze dat mijn voorletters H.J.  waren en dat ik niet bij de voornaam genoemd wilde worden, maar dat was niet aan de orde.” Om te vervolgen met: “Wat schaft de pot vandaag?”

Het was halverwege de middag en volgens mij was het tijd voor thee of desnoods muntthee, maar Haye had wel zin in een ontbijt. Alweer zo’n signaal dat het niet helemaal goed met hem ging… Maar Haye was me voor: “Hoe laat ik ontbijt dat gaat niemand wat aan. Ik heb lang genoeg het dictaat van de klok moeten volgen. Ik ben er klaar mee. Een ontbijt om deze tijd moet kunnen in deze ballentent. Neem jij maar een vrouwendrankje, ik wil een ontbijt.”

De bediening was met andere zaken bezig, vooral met het wegvegen van zand. Dat krijg je in een strandtent. Wat Boskalis opspuit verdwijnt vanzelf in strandtenten en in schoenen van Duitse toeristen. Opeens bulderde Haye door de ruimte: “Garcon, s’il vou plait!” Bediening in strandtenten verstaat doorgaans alleen maar Duits, maar er was iemand die begreep dat er iets besteld ging worden. Toch nog omzet op deze winderige en frisse lentedag.

De serveerster kwam aangelopen en Haye zei: “Un petit dejeuner avec une grande tasse de café s’il vous plait!” Helaas, dat verstond de serveerster toch niet. Ze vroeg of het ook in het Engels kon. En zowaar, Haye was meegaand en bestelde een breakfast. Hij had er trouwens ook niets van gezegd dat de garcon die hij aan tafel had besteld een serveerster was.

Helaas, een breakfast zat er niet in, volgens de serveerster, want ze waren pas om 12 uur open gegaan, maar ze kon wel zorgen dat meneer met een goed gevulde maag het pand kon verlaten.

Voor de zekerheid bestelde ik maar koffie met een tosti, anders zou ik te horen krijgen dat ik een vrouwendrankje bestelde. Want thee is iets voor vrouwen, volgens de gewezen zielenknijper.

Toen ze weg was morde Haye: “Ik kan het zo’n meisje niet verwijten dat ze geen Frans spreekt. Het onderwijs stelt tegenwoordig niks meer voor, dat merk je aan alles. En met die gele hesjes kun je het Frans misschien ook maar beter afschaffen op school.”

Ik dacht ‘laat ik het eens over een andere boeg gooien’. “Wat is er met je tand gebeurd?” “Dat is de tand des tijds”  zei Haye. “Je moet de dingen nemen zoals ze gaan,” zoals mijn collega Dirk de Wachter zou zeggen. Hij viel dus toch even uit zijn rol als gewone man, nu was hij weer psychiater. “Als je die lijn doortrekt moet je accepteren dat je van alles verliest, en je moet blij zijn met alles wat je nog hebt. Welnu, er blijven nog genoeg tanden en kiezen over om heel veel taaie broodjes in ballententen te vermalen.”

Alweer had ik geen antwoord. Ik kreeg niet te horen wat er aan de hand was. Zou ik ooit een rechtstreeks antwoord van deze gewezen zielenknijper krijgen? Of speelde hij een psychologisch schaakspel met mij? Dan wist ik het wel: ik was de permanente verliezer.

Dokter Jansma revisited

Het is al een tijd geleden dat ik de spreekkamer van zielenknijper dokter Jansma betrad. Vorige week had ik weer een afspraak met hem. Maar nu in de vrije tijd.

Dokter Jansma heeft inmiddels zijn praktijk aan de wilgen gehangen. Hij is weliswaar een stukje jonger dan ik (hij is van na de watersnood), maar hij vond het inmiddels ‘welletjes’. Volgens hem had hij zo langzamerhand alles wel meegemaakt.

Ik kan me dat allemaal niet zo voorstellen. Ik ben nog lang niet uitgekeken op mijn vak. Volgens mij heb je als zielenknijper (en als orthopedagoog) levenslang, maar dokter Jansma wilde echt een punt achter zijn vak zetten.

Maar het had dokter Jansma leuk geleken om mij nog af en toe te spreken. Niet als behandelaar, maar als mens. Dat had mij de opmerking ontlokt dat je als behandelaar toch óók een mens bent. Maar dat was niet de bedoeling. Sommige zaken lagen wat gevoelig bij dokter Jansma.

Ik dacht ook nog dat we als collega’s van gedachten konden wisselen. Het leek me leuk om van dokter Jansma nog enige privé colleges psychiatrie te mogen ontvangen.

Maar de emeritus zielenknijper maakte een vermoeid gebaar. Dat had hij ook allemaal al meegemaakt. Bovendien veranderden inzichten naar gelang de financiering van de zorgverzekeraars. Volgens hem hing het maar net af van de het collectief van de zorgverzekeraars welke psychische ziekten er in Nederland bestonden. “Let maar eens op, over tien jaar is autisme uitgestorven en burn out bestaat ook niet meer” aldus dokter Jansma.

Dokter Jansma en de fiets

We gingen het dus maar eens over onze gezamenlijke hobby hebben: het fietsen. Dokter Jansma berijdt een antieke racefiets. Van een bovenmodaal zielenknijper zou ik verwachten dat hij een chique trendy sportfiets zou berijden, maar het blijkt dat de fiets aan alle kanten knerst en piept en aan zware bronchitis lijkt te lijden.

Dokter Jansma is ook meerdere malen van zijn fiets gestort. De laatste keer was dat omdat zijn broek tussen de ketting vast was gelopen. Hij moest kiezen tussen tijdens het fietsen zijn broek uittrekken of ter plekke neerstorten. Omdat hij niet wist of zijn onderbroek publiekelijk toonbaar was was het het  laatste geworden.

Ik vroeg me af welke psychische hoedanigheid achter het berijden van een krakkemikkige fiets kan zitten. Eén van mijn vroegere collega’s is 40 jaar lang op een fiets zonder versnellingen (en meestal zonder licht) naar zijn werk gefietst, 10 km heen en 10 km terug. Bij hem ben ik uiteindelijk gaan begrijpen welk ideaal achter deze keuze zat, maar bij dokter Jansma weet ik het nog niet. Ik heb hem geadviseerd om mijn Batavus Dinsdag te bestijgen, maar dat vond dokter Jansma geen strak plan. Zou hij misschien faalangst hebben?

De dip van dokter Jansma

Gaandeweg werd me tijdens onze ontmoeting duidelijk dat de rollen enigszins omgekeerd waren geraakt. Dokter Jansma zat in een pensionado-dip. Hij moest zijn werkzame leven achter zich laten en leek op zoek naar een nieuw perspectief. Ik zou hem een boek van Professor Lievegoed over de levensloop van de mens aan kunnen raden, of anders een serie publicaties over verlies-ervaringen, maar we zouden het niet over ons werk hebben. Volgens mij kon dokter Jansma op dit moment niet veel meer aan dan de Donald Duck en misschien was zelfs dat te hoog gegrepen.

Die dip herkende ik wel bij mezelf, het eerste jaar na mijn vaste baan, toen de structuurloosheid om zich heen greep. Maar inmiddels was ik weer uit dat dal omhoog geklauterd. Maar om nu tegenover dokter Jansma over mezelf te beginnen…

Daarnaast had dokter Jansma het probleem van een jonge vrouw. Weinig mannen schijnen zich voor te kunnen stellen dat dat een probleem is, maar als je een vrouw hebt die een generatie jonger is schijnen die vrouwen te verwachten dat je als pensionado toch nog van alles gaat ondernemen. Zo wilde zijn vrouw de afgelopen winter met dokter Jansma op een cursus bobsleeën. Dat leek me vrij gevaarlijk, gezien de kennelijke fysieke onhandigheid van dokter Jansma.

Het leven viel dus allemaal niet mee voor dokter Jansma. Helaas kon ik hem geen pilletje voorschrijven. Maar ik had me kunnen voorstellen dat hij - als hij zichzelf had zien zitten - wel eigenhandig een recept op eigen naam had geschreven....

Therapeutische preek

 Sommige therapeuten leggen graag uit hoe iets werkt.

Ze zijn een soort leraar. Ze proberen cognitief (verstandelijk) in beeld te brengen hoe mensen op elkaar reageren. Of hoe iemand zélf reageert. Liefst met allerlei hulpmiddelen in de aanslag.

Dat is natuurlijk aardig bedoeld. En je weet maar nooit of het helpt. Als je er maar niet alles van verwacht. Want er zijn mensen bij wie iedere uitleg gedoemd is te mislukken.

De therapeut legde aan de vrouw uit dat het moeilijk kan zijn om met andere mensen om te gaan. Zéker als je zélf niet lekker in je vel zit. Het is dan belangrijk om je contacten te doseren. Om niet steeds de strijd aan te willen gaan.

Als het psychisch niet goed met je gaat val je terug op vroege reactiepatronen, aldus de therapeut. Je wilt bijvoorbeeld je eigen gang kunnen gaan, zelfstandig zijn en dat ook laten zien. Bij dat patroon hoort ook angst: de angst om verlaten te worden. Dat maakt je kwetsbaar. Je hebt het gevoel dat degene die eerst heel dicht bij jou stond je naar believen als een baksteen kan laten vallen.

Het leek wel een college. De mevrouw ging opgelucht naar huis. Ze had het altijd al zo gevoeld. En nu wist ze het zeker. De therapeut had het immers zélf gezegd? De mensen om haar heen konden niet met haar problemen om gaan. Ze zagen haar als een bedreiging. Daarom lieten ze haar zomaar vallen. Dat kwam omdat ze goed nadacht en een eigen mening had. Daar konden die anderen niet tegen. Die anderen hadden immers een zwakke identiteit. Dat er botsingen waren zei dus meer over de anderen en weinig over haar zelf.

Soms mist een therapeutische preek ieder doel… Hoewel: voor die mevrouw was het wel prettig.

Het lag dus allemaal niet aan haar….