Fantaseren (1)

Fantasie hoort bij kinderen, maar ook bij volwassenen.

We dagdromen allemaal. En ook voor volwassenen is het een manier om het leven hanteerbaar te houden.

Wát we fantaseren is per persoon verschillend. In trainingen moest ik (om me te kunnen ontspannen) nogal eens (verplicht) fantaseren over witte stranden met palmbomen. Maar als ik í­ets erg vind, dan zijn dat witte stranden met palmbomen. Die docent sloot dus bepaald niet aan op mijn belevingswereld. Die van mij zit meer in de richting van eeuwige fietspaden langs orgelconcerten.

Van volwassenen mag je wél verwachten dat ze fantasie en realiteit in redelijke mate kunnen scheiden. Hoewel ook daar het onderscheid gradueel is. Als iemand zichzelf een groot dichter noemt omdat hij niet onverdienstelijk Sinterklaasgedichten schrijft is dat wel een beetje vreemd, maar nog niet echt abnormaal. Je hoeft er in ieder geval niet voor in behandeling.

Er zijn allerlei psychiatrische stoornissen waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Berucht zijn de wanen en hallucinaties van psychotische mensen (een beetje te vergelijken met het ijlen vanwege hoge koorts). Maar ik beperk me verder tot fantasie bij mensen bij wie de waarneming niet echt verstoord wordt.

Er zijn echter ook (andere) volwassenen voor wie de fantasie een werkelijkheid is geworden. Dat zie je bijvoorbeeld bij de theatrale persoonlijkheid. Je zou deze mensen verslaafd kunnen noemen aan het fantaseren. Ze zijn daar zó ver in gekomen dat ze vaak zelf overtuigd zijn van hun eigen beweringen.

In de politiek werd Tara Singh Varma bekend. Ze verscheen zelfs in een rolstoel in de Tweede Kamer en nam officieel afscheid omdat ze kanker in een ver gevorderd stadium zou hebben. Dat bleek allemaal niet waar. Achteraf bleek dat er al veel eerder allerlei kwesties waren geweest die vragen opriepen. Was ze een daarmee een leugenaar? Nee, ze wist zelf niet meer dat ze niet de waarheid sprak. Ze was in haar eigen fantasie gaan geloven.

Andere mensen weten nog wel het verschil tussen realiteit en fantasie, maar ze gaan zó ver in hun fantasie dat het wel echt lijkt. En dan toch: op den duur geloven ook zij echt in hun fantasie. Een voorbeeld iemand die als arts jarenlang patiënten behandelde zonder ooit een studie medicijnen te hebben gevolgd. Zelfs het feit dat hij geen diploma’s kon overhandigen en dat zijn diploma ook nergens was geregistreerd overtuigde hem niet. Hij was dus uiteindelijk in zijn eigen fantasie gaan geloven.

Ook narcistische mensen hebben de neiging om hun leven draaglijk te maken door zichzelf veel beter en ‘meer’ voor te doen dan ze zijn. Ze gebruiken andere mensen om hun doel te bereiken. Deze mensen zijn verslaafd aan waardering. In wezen zijn narcistische mensen zó kwetsbaar dat die waardering voortdurend nodig hebben om hun eigen zwakke ego op te vijzelen. Dat wat de omgeving ziet als een groot ego blijkt dus in de praktijk juist een kwetsbaar klein ego te zijn.

Bij narcistische mensen zie je vaak dat ze neerzien op anderen, bijvoorbeeld op mensen die volgens hen minder intelligent zijn of die uit een lagere sociale klasse afkomstig zijn. Een dure sportauto en een mooi huis zijn ingrediënten die het verkrijgen van status gemakkelijker maken. Maar narcistische mensen blijven er even eenzaam door.

(wordt vervolgd)