De theatrale persoonlijkheid (4)

Ook Professor Willem van der Does besteedt aandacht aan de theatrale persoonlijkheid. Hij zal wel moeten, want hij geeft colleges over klinische psychologie. En voor klinisch psychologen is het behandelen van mensen met een theatrale persoonlijkheid een hele klus.

Volgens Van der Does proberen mensen met een theatrale persoonlijkheid eerst via een charme-offensief de ander aan zich te binden. Maar als dat niet voldoende lukt (en voor mensen met een theatrale persoonlijkheid is het nooit genoeg) gaan ze over op meer dramatische expressies: heftige woede, schelden, dreigen met flauwvallen of nog erger, of aan de andere kant met kinderlijk gejengel, gekibbel of lichamelijke klachten.

Bron: Willem van der Does: Zo ben ik nu eenmaal! (met prachtige illustratieve tekeningen door Peter van Straaten, 16e druk, 2016)

Volgens Van der Does is de emotiehuishouding van mensen met een theatrale persoonlijkheid op een kinderlijk niveau blijven steken. Dat betekent dat het denken en de emoties zwart-wit zijn. Een klein beetje ongemak leidt tot een heftige reactie. Oftewel: de prises op de erwt. Een positieve ervaring kan leiden tot een extatische beleving. Daarin overlappen borderline trekken en theatrale trekken elkaar.

Mevrouw Veenstra kende ik als een dame die altijd achter de rollator liep en voor noodgevallen was er ook nog een stok of een rolstoel. Tot ik haar opeens zonder hulpmiddelen voor haar leeftijd behoorlijk kwiek zag lopen. Dat was bij een bijeenkomst waar ze naar voren werd gehaald omdat ze vanwege een jubileum in het zonnetje werd gezet. Een week later liep ze weer achter de rollator. Kennelijk was het feit dat ze in het zonnetje werd gezet voldoende aandacht om tijdelijk geen fysieke ondersteuning nodig te hebben.

Vindplaatsen

Waar vind je mensen met een theatrale persoonlijkheid? Volgens Van der Does is er een grote trefkans in beroepen met veel publiek of media-aandacht. Maar ook beroepen waarbij je ondanks een beperkte opleiding ‘omhoog kunt vallen’ en waarbij anderen tegen je opkijken, zoals coach (‘goeroe’) of alternatief therapeut.

Man of vrouw?

De diagnose theatrale persoonlijkheid wordt veel vaker bij vrouwen dan bij mannen gesteld. Dit is – zoals eerder al geschreven – niet terecht. Bij vrouwen valt het uiterlijk vertoon vaak eerder op (bijvoorbeeld in kleding, make-up of in de stem). Bij vrouwen zou je mogelijk eerder een overlap met borderline zien en bij mannen eerder een overlap met narcisme. Van der Does wijst daarbij op het machogedrag van sommige mannen dat volgens hem een onderliggend hysterisch beeld moet camoufleren.

Bij vrouwen zie je vaker de overlap tussen theatraal gedrag en borderline, bij mannen eerder de overlap met narcisme

Eerste omgangsregel 

De eerste omgangsregel die Van der Does geeft is dat hoe heftiger iemand met een theatrale persoonlijkheid reageert, des te meer gedoseerd jij moet reageren. “Probeer jezelf in toom te houden.” Het gedrag van theatrale mensen suggereert diepgang, maar het is allemaal zeer oppervlakkig. Kom je tijdens een date in contact met een theatraal persoon, dan worden er de eerste avond al geweldige verwachtingen gewekt: een diepgaande vriendschap zoals je nog nooit eerder hebt gehad en uiteraard stomende sex. Maar dat wordt allemaal niet waargemaakt: het is de buitenkant.

Hoeveel aandacht?

Peuters willen vaak een continu lijntje met de opvoeder. Laat je hen hun gang gaan, dan zit je s’avonds van zeven tot tien uur voor te lezen en dan slapen ze nog niet. Het stoppen met voorlezen wordt als een ‘verlating’ ervaren. Dat wordt niet minder als je drie uur voorleest. Veel helderder is als je begrenst: pappa leest twee verhaaltjes voor en dan is het klaar.

Voor mensen met een theatrale persoonlijkheid gaat het nét zo. De aandacht is nooit genoeg. Ook als je 25 uur aandacht in een etmaal geeft is het nóg niet genoeg. Je put dus vooral jezelf uit. Dus ook op dat punt is doseren belangrijk. Ga je op bezoek: maak het niet te lang. Beter een paar kortere bezoeken dan een lang bezoek waarna je bedenkt dat je liever nooit meer komt.

Hoe gek het ook klinkt: vaak hou je zo het contact met iemand met een theatrale persoonlijkheid naar verhouding langer 'goed'. Waarom: omdat je - als je je grenzen bewaakt - zelf fitter blijft. En daar heeft iemand met een theatrale persoonlijkheid uiteindelijk toch meer baat bij.

In je eigen fantasie geloven (1)

Fantasie hoort bij kinderen, maar ook bij volwassenen. Er bestaan tal van vormen van fatasie. Ik bedoel fantasie nu als een vorm van dagdromen. 

Dagdromen hebben de functie om het leven hanteerbaar te houden. In de dagelijkse realiteit maak je van alles mee. Daar zitten ook minder leuke en ronduit vervelende zaken bij. En dan kun je zomaar gaan dagdromen. Je zit naar een oersaaie spreker te luisteren, zijn verhaal gaat nog een uur door en zomaar ga je aan een leuke fietstocht denken.

Wát we fantaseren is per persoon verschillend. In trainingen moest ik (om me te kunnen ontspannen) nogal eens (verplicht) fantaseren over witte stranden met palmbomen. Maar als ik í­ets erg vind, dan zijn dat witte stranden met palmbomen. Die docent sloot dus bepaald niet aan op mijn belevingswereld. Die van mij zit meer in de richting van eeuwige fietspaden.

Als ik iets erg vind is dat een verblijf op een wit strand onder de palmbomen

Van volwassenen mag je verwachten dat ze fantasie en realiteit in redelijke mate kunnen scheiden. Hoewel ook daar het onderscheid gradueel is. Als iemand zichzelf een groot dichter noemt omdat hij niet onverdienstelijk Sinterklaasgedichten schrijft is dat wel een beetje vreemd, maar nog niet echt abnormaal. Je hoeft er in ieder geval niet voor in behandeling.

Over die glijdende schaal van realiteit naar fantasie heb ik ooit geschreven. Waar is het nog normaal en waar begint de pathologie? 

Er zijn allerlei psychiatrische stoornissen waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Berucht zijn de wanen en hallucinaties van psychotische mensen (een beetje te vergelijken met het ijlen vanwege hoge koorts). Maar ik beperk me verder tot fantasie bij mensen bij wie de waarneming niet echt verstoord wordt.

Er is vooral sprake van pathologie als de fantasie voor de persoon in kwestie tot werkelijkheid is geworden. Dat zie je bijvoorbeeld bij de theatrale persoonlijkheid. Je zou deze mensen verslaafd kunnen noemen aan het fantaseren. Dan gaat het zó ver dat ze overtuigd zijn geraakt van hun beweringen. Ze beelden zich bijvoorbeeld een ziekte in en uiteindelijk geloven ze dat ze echt ziek zijn. Daar is geen twijfel meer over mogelijk. De dokter die niet ziet hoe ziek ze zijn deugt niet als dokter.

Andere mensen weten nog wel het verschil tussen realiteit en fantasie, maar ze gaan zó ver in hun fantasie dat het wel echt lijkt. En dan toch: op den duur geloven ook zij echt in hun fantasie. Een voorbeeld iemand die als arts jarenlang patiënten behandelde zonder ooit een studie medicijnen te hebben gevolgd. Zelfs het feit dat hij geen diploma’s kon overhandigen en dat zijn diploma ook nergens was geregistreerd overtuigde hem niet. Hij was dus uiteindelijk in zijn eigen fantasie gaan geloven.

Ook narcistische mensen hebben de neiging om hun leven draaglijk te maken door zichzelf veel beter en ‘meer’ voor te doen dan ze zijn. Ze gebruiken andere mensen om hun doel te bereiken. Deze mensen zijn verslaafd aan waardering. In wezen zijn narcistische mensen zó kwetsbaar dat die waardering voortdurend nodig hebben om hun eigen zwakke ego op te vijzelen. Dat wat de omgeving ziet als een groot ego blijkt dus in de praktijk juist een kwetsbaar klein ego te zijn.

Er zijn overeenkomsten tussen de narcistische en de theatrale persoonlijkheid. Dat is logisch: ze hebben iets groters nodig omdat ze zichzelf als te klein ervaren. Dat is voor hen onverdraaglijk. Dus moeten ze zichzelf opblazen.

De theatrale persoonlijkheid maakt zichzelf groter door de aandacht naar zich toe te trekken. Krijgt hij de aandacht niet, dan worden de klachten erger. De narcistische persoonlijkheid zoekt naar waardering. Krijgt hij die waardering niet, dan moet hij zijn prestaties nóg meer etaleren.