De eerste observatie

Mijn eerste ervaring met de bijzondere tandheelkunde was bij 'Bijter' in Rotterdam, een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Het was een toevallige ontmoeting. De daar werkzame tandarts vroeg of ik een keer bij hem in de praktijk wilde kijken. 

Er kwam een meisje van een jaar of zes langs bij de tandarts. Ze bleek een totaal verwaarloosd gebit te hebben. Volgens de moeder lag dat aan de tandwolf. Tandwolf is erfelijk, daar kun je dus niets aan doen.

Die wolf is nu op de Veluwe, maar toen is hij al waargenomen in Rotterdam. Hij bleek o.a. ’s avonds langs te komen als de dochter met een flesje met zoete limonade naar bed ging. Maar dat vertelde moeder niet.

Vanuit de behandelstoel had moeder oogcontact met haar dochter. En de dochter hield haar moeder in de gaten. De tandarts stelde allerlei vragen aan de moeder, o.a. over het eten en drinken. Moeder zei dat haar dochter maar weinig snoep kreeg. En wat krijg je ’s avonds? vroeg de tandarts aan de dochter. Voordat ze kon antwoorden zei moeder: een flesje water. Je zag aan het oogcontact tussen de twee dat dit een geheim was. Het was water met een kleurtje…

Even later moest de dochter haar mond open doen. Haar moeder keek angstig en de dochter ving de oogopslag van moeder. Meteen deed ze haar mond dicht. 

Na afloop van het consult zei ik tegen de tandarts: “Dit gaat je zo niet lukken!” De tandarts had het oogcontact niet gezien. Ook niet kunnen zien. Maar wat er aan de hand was, was duidelijk: dit verbond tussen moeder en dochter: een nog bijna symbiotische band tussen moeder en dochter. Zo’n twee-eenheid doorbreek je niet als behandelaar.

Die eerste observatie is me bijgebleven. Er gebeurt bij de tandarts veel meer dan in of rond de mond. Je kunt ook niet alles waarnemen als behandelaar, als je je dit gegeven maar bewust bent.

Het betekent dat je bij de bijzondere tandheelkunde altijd de driehoek in de gaten moet houden. In dit geval: ouder-kind-behandelaar.

Gelukkig ging de volgende behandeling goed. Niet moeder was mee, maar een stevige oudere zus. De zus ging in de stoel liggen, haar kleine zusje op schoot en de hele controle verliep goed.

Dit meisje was zó gevoelig voor de stemming in de omgeving, en vooral voor de stemming van haar moeder, dat dat de hele eerste behandeling kleurde. Het meisje zoog de angst van de moeder op en werd daardoor extra angstig.

Soms denk ik wel eens: 'niet de dochter, maar de moeder zou eerst behandeld moeten worden'. 

Symbiotische opvoedingsrelatie

Eén van de cursisten vroeg vorige week wat symbiotische gezinsinteractiepatronen zijn... Mijn handboek kinderpsychiatrie heb ik uitgeleend, maar ik weet niet meer aan wie. Dus moet ik dit verhaal uit mijn hoofd doen. Om chaos te voorkomen zal ik het kort houden.

Als een peuter ongeveer 1½ jaar oud is moet hij los komen van zijn moeder. Om een eigen ‘ik’ te ontwikkelen moet hij ‘nee’ durven zeggen. Soms zijn peuters hier niet toe in staat. Het komt ook voor dat moeders niet in staat zijn om het kind de ruimte te geven om los te laten. En soms zie je ook een combinatie van beide factoren.

Bij een symbiose blijft het kind te afhankelijk van (bijna altijd) de moeder. Komt de moeite met het loslaten bij de moeder vandaan, dan ervaart het kind dat het eigenlijk niet groot mag groeien. Het ervaart dat het een slecht kind is als het niet aan de emotionele behoeften van de moeder voldoet.

Voorbeelden van problemen die te maken kunnen hebben met deze problematiek (waar moeder staat kan soms ook vader worden gelezen, maar dit is een uitzondering): 

  • De moeder verlangt van het kind dat het zich aanpast aan het ritme van de moeder, bijvoorbeeld pas eten als moeder GTST heeft gezien. Ook als het kind erg moe is of zich ziek voelt: de behoefte van moeder gaat voor.
  • De moeder heeft het kind nodig om aan haar eigen knuffelbehoefte te voldoen. Het kind moet te veel op schoot zitten, krijgt te lang geen vast voedsel (bijvoorbeeld: de peuter krijgt vooral borstvoeding) en het kind moet altijd bij moeder in de buurt blijven.
  • Er wordt veel kinderlijke taal gesproken, zowel qua inhoud als qua toon (Tegen een kleuter van vier jaar: “Marieke vindt het helemaal niet fijn dat mamma even weg moet, hé Marieke?”)
  • De moeder heeft er grote moeite mee als het kind naar school moet. Er worden voortdurend redenen gegeven waarom het kind thuis moet blijven. Het kind krijgt het gevoel dat het eigenlijk niet op school zou behoren te zijn.
  • De opvoeding heeft als kleur: ‘mamma is niet boos, mamma is wel erg verdrietig’.
  • Er wordt nauwelijks een appél gedaan op het eigen geweten van het kind. Het kind leert zelf niet na te denken over het begrenzen van het gedrag, de moeder vult voortdurend emoties en afspraken in voor het kind.
  • Op latere leeftijd (basisschool) mag het kind zich niet bezighouden met passende sociale taken en interacties (bijvoorbeeld spelen met vriendjes). “Dat is veel te druk voor jou”. “Je weet hoe gemeen kinderen zijn, blijf jij maar lekker bij mamma”).
  • Het kind groeit dus te weinig bij de moeder weg. Op een leeftijd dat de school en de straat het speelterrein zouden moeten zijn ervaart dit kind dat het eigenlijk nog steeds in huis zou moeten zitten, dicht bij de moeder.

Doorgeslagen in de liefde

Mariska is de dochter van een alleenstaande moeder. Haar vader heeft ze nooit gekend.

Voor haar moeder is Mariska ontzettend belangrijk. Alles draait voor de moeder om haar dochter. Het lijkt wel of de moeder zonder de dochter geen bestaansrecht heeft.

De jeugd van Mariska

Aan aandacht is Mariska nooit te kort gekomen. Er is geen beeld van hoe het vroeger thuis ging. Maar de moeder vertelt dat ze dag en nacht voor haar dochter klaar stond. Vaak sliep de dochter bij haar moeder in bed. Op de vraag hoe het met het eten ging (als baby, als peuter) antwoordde de moeder dat ze tot haar vierde jaar borstvoeding heeft gegeven. Dat was het beste voor haar dochter.

Als kleuter ging Mariska wel naar de kleutergroep op school. Maar niet lang. Volgens haar moeder hielden de juffen onvoldoende rekening met de bijzondere behoeften van haar dochter. Op drie scholen is ‘het’ geprobeerd, maar dat duurde nooit langer dan een paar weken. Hoewel ze leerplichtig was is Mariska ook nooit naar de basisschool gegaan. Een test wees uit dat er sprake was van een ernstige verstandelijke beperking. Toen kwamen er kinderdagcentra in beeld. Ook daar is Mariska wel eens geweest. Maar altijd haalde moeder haar na een paar weken weer thuis. De zorg was niet ingesteld op de speciale behoeften die Mariska heeft.

Nog steeds thuis

Inmiddels heeft Mariska ruimschoot de volwassen leeftijd bereikt. Ze woont nog steeds bij haar moeder. Er is wel geprobeerd om haar ergens te laten logeren. Maar steeds haalde haar moeder haar vroegtijdig naar huis, want de zorg was niet goed.

Mariska heeft ondertussen allerlei lichamelijke klachten. Ze is volgens moeder volledig op háár zorg aangewezen. Mariska gaat nooit zonder haar moeder de deur uit. Alle hulp wordt door moeder geregisseerd. Onlangs zei moeder (toen er een voorstel kwam voor een ‘afwijkende maaltijd’): ‘daar kan haar maagje niet tegen’. Een begeleider op het logeerhuis vertelde dat moeder ’s morgens om 7 uur al opbelde of de pap wel 40 seconden in de magnetron ging en niet 35 seconden, want dan zou haar dochter de hele dag maagkrampen hebben.

En dat alles terwijl bij de mensen die haar kennen de indruk bestaat dat Mariska best een aantal zaken zelf zou kunnen doen en zelf zou kunnen regelen. De vraag komt zelfs aan de orde of ze ‘van oorsprong’ wel verstandelijk gehandicapt is. Maar moeders reactie is bij voorbaat al: ‘dat kan ze niet!’.

Perspectief

Wat is het perspectief van Mariska? Als begeleider of behandelaar is je eerste reactie: Mariska moet los worden gemaakt van haar moeder. Niet voor niets is de pedagogiek emancipatorisch georiënteerd. De behoefte bij onszelf om Mariska los te weken heeft trouwens ook met onze eigen persoonsstructuur te maken. Hebben we niet allemaal in meerdere of mindere mate te maken gehad met de behoefte om onszelf los te maken van onze ouders?

Wie gaat proberen om vanuit deze houding moeder en dochter van elkaar los te weken zal zelf vast gaan lopen. Je maakt één stap vooruit en moeder zet twee stappen achteruit (en zegt de zorg op). De strijd aangaan is de zorg verliezen. “Moeder is doorgeslagen in de liefde” zei een begeleider, “maar het is wél liefde”. Als je er zo naar kijkt wijs je de moeder niet af, maar probeer je geleidelijk ingangen te vinden voor samenwerking, voor meer vertrouwen. Maar daarbij schakel je dan de moeder niet uit, maar juist in.

Dezelfde patronen als tussen deze moeder en deze dochter kun je trouwens ook zien in verhoudingen binnen de ouderenzorg: de zorg van de dochter voor de moeder of de zorg van de echtgenoot voor de partner. Overal waar sprake is van persoonlijke relaties, van verbinding en van zorg kunnen zich vergelijkbare omstandigheden voordoen.

In zijn boek ‘Moeders met een missie’ beschrijft orthopedagoog Chiel Egberts vergelijkbare situaties. ‘Symbiose in de driehoek cliënt, familie en begeleider’. Uitgegeven door uitgeverij Agiel, 14,95 euro.