Borderline Times (8)

Ik voeg een extra kenmerk in bij de borderline-times. Dat wordt niet specifiek uitgelicht door Dirk de Wachter. Het gaat om de neiging tot zwart-wit denken.

Ik begrijp wel waarom Dirk de Wachter dat niet noemt, omdat het ook een verschijnsel van alle tijden is. Het gaat om het zwart-wit denken. Maar als je het over kenmerken van borderline hebt, dat vind ik het zwart-wit denken toch wel het meest opvallende verschijnsel. De één wordt op een voetstuk gezet, de ander is slechts voetveeg.

Dat zwart-wit denken, het splitten, is volgens mij via social media sterk aan het toenemen. Voortdurend ontstaan er twee kampen: de één is helemaal goed, de ander zit helemaal fout. Of je bent een ‘deugmens’ (je houdt je aan de corona-maategelen) óf je bent een ‘wappie’. Maar zo simpel zit de wereld niet in elkaar.

Winston Churchill wordt alom geprezen als één van de grootste staatslieden van de wereld. Hoe komt dat? Mede omdat hij zich sterk heeft gemaakt om Europa te bevrijden van het nazi-regime. En daar mogen we dankbaar voor zijn. Maar tegelijkertijd is diezelfde Churchill verantwoordelijk geweest voor één van de grootste slachtingen in de Eerste Wereldoorlog en voor het volkomen zinloze bombardement op Dresden in april 1945. Je kunt zeggen dat dat soort rampen inherent is aan het voeren van een oorlog, maar het is een welbewuste keuze geweest om uitgerekend een historische stad vol met vluchtelingen totaal te verwoesten.

Journalist Peter Middendorp noemt in dit verband Volodymyr Zelensky, de president van Oekraïne. Hij heeft inmiddels een heldenstatus gekregen. Dat is de winst van het aangevallen worden: het slachtoffer krijgt al snel een heldenstatus. Maar diezelfde Zelensky heeft ook veel verdachte financiële transacties op zijn naam staan.

Naar mijn mening bestaan zuivere helden niet. Niemand is zo wit of er zit toch niet ergens een vlekje aan. 

Het voorgaande is van alle tijden. Maar waar het mij om gaat is de snelheid waarmee via social media geoordeeld wordt. Er wordt een suggestie geopperd en binnen een dag is die suggestie werkelijkheid geworden. Dat treft vooral mensen die op een voetstuk staan. Het bekende verschijnsel van de splitting: je was helemaal goed en opeens ben je helemaal fout. Je kunt het dan ook niet meer goed doen.

Bij de behandeling van borderline leren mensen om minder in zwart-wit te denken. Dat gaat via het mechanisme van het mentaliseren. Met gedrag en opvattingen kun je het oneens zijn. Maar dat wil nog niet zeggen dat je de persoon als persoon af moet wijzen. Het ontwikkelen van dat besef ou ook een goede oefening voor de samenleving kunnen zijn. 

Splitting (8)

De één wordt op een voetstuk gezet en de ander kan het nooit goed doen. Dat is kenmerkend voor het verschijnsel 'splitting'. Het is één van de meest bekende karakteristieken van borderline, maar je ziet het ook breder bij o.a. narcisme. 

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van aantrekken en afstoten – liggen.

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Affecthonger

Desondanks zie je vaak dat een deel van deze kinderen naar volwassenen trekt. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Dat is een klempositie waarin vooral opvoeders terecht komen die zelf ook emotionele tekorten hebben ervaren en het daardoor extra goed willen doen. Dat is een mooi mechanisme, maar het werkt juist bij deze kinderen averechts. Je moet op een vriendelijke manier jezelf beschermen en de grens stellen. 

Splitting (7)

Dan nu terug naar begeleider Dorien. Wat betekent het gedrag van Marjanne voor Dorien?  

Ze voelde zich als begeleider steeds minder ‘competent’ en ging steeds meer twijfelen aan zichzelf. De relatie tussen Dorien en Marjanne stond steeds minder centraal, het zelfbeeld van Dorien raakte er door besmet. Was ze eigenlijk wel een goede begeleider? Had ze wel het goede vak gekozen?

Paradoxaal genoeg: om zichzelf te beschermen ging ze extra haar best doen. Ze wilde extra proberen om de relatie met Marjanne meer op orde te krijgen. Maar Marjanne liet zich niet helpen. Hoe meer Dorien haar best deed, des te dwarser werd het gedrag van Marjanne. Precies zoals de peuter de groente nog méér weigert als mamma extra lekker heeft gekookt…

Opnieuw een paradox: juist het feit dat Dorien extra haar best deed maakte dat de angst bij Marjanne toenam. Het betekende voor haar niet: het is gezellig, maar: straks is het niet meer gezellig. Alsof je een verjaardag niet leuk mag vinden omdat je morgen niet meer jarig bent.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgesplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boven water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleemgedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De houding moet meer zijn: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er mee doet’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.

Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Meer splitting

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden
Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Splitting (4)

Ik ga (eindelijk) weer verder met het onderwerp 'splitting'. Volgens de meest simpele omschrijving houdt dat in dat de één op een voetstuk wordt gezet en dat de ander juist totaal verguisd wordt. Splitting is o.a. een bijproduct van narcisme en van de borderline persoonlijkheidsstoornis.

Een belangrijk verschil daarbij is dat het splitting bij narcisme de ander treft. De persoon met narcisme zet zijn volgelingen op een voetstuk en trapt degene die hem tegenspreekt de grond in. Mensen met narcisme verheffen zichzelf boven de ander en dat gaat ten koste van de ander.

Het zelfbeeld van mensen met narcisme is daarbij vrij consistent, al zit er bij het ‘verborgen narcisme’ meer variatie in. Maar ook dan zal de ‘klassieke narcist’ ontkennen dat het probleem bij hem ligt. Het ligt altijd aan de ander. Alleen als er winst de behalen valt (bijvoorbeeld strafvermindering, of iemand terughalen binnen de relatie) zal iemand met narcisme voor de buitenwacht erkennen dat hij fout zat.

De borderline persoonlijkheidsstoornis wordt tegenwoordig wel omschreven als een emotieregulatiestoornis. Niet alleen het beeld van de ander, maar ook het beeld dat de persoon van zichzelf heeft kan sterk wisselen. Mevrouw Janssen vindt zichzelf geweldig, maar een klein beetje kritiek is al voldoende om zichzelf totaal niets waard te vinden. Het is dus himmelhoch jauchzend oder bis zum Tode betrübt.

Mensen met een borderline stoornis zetten anderen vaak op een voetstuk, maar diezelfde persoon kan daar ook heel hard vanaf storten. Er bestaan geen grijstinten. En soms kan iemand vervolgens weer opeens ‘dé’ held zijn en opnieuw op dat voetstuk terecht komen.

Een oud voorbeeld dat ik toch weer even noem: ik was betrokken bij een patiënt die tegen de tandarts zei: "Eindelijk iemand die me begrijpt. Wat bent ú een geweldige tandarts!" Daarop zei ik tegen de tandarts: "Hou je dossier op orde!" Na het volgende consult lag er een klacht bij de directie van dezelfde patiënt. Ze had nog nooit zó'n slechte behandelaar meegemaakt. 

Splitting (2)

Je bent met een peuter aan het spelen. Bijna elke peuter vindt één op één contact  geweldig. Maar je hebt niet de hele dag de tijd. Er moet ook nog gewerkt worden.  Je bouwt het spel af. Hoe reageert de peuter?

A. De peuter is teleurgesteld. Dat is een normale reactie. Je kunt het vergelijken met het uit bad halen van de baby. Vanuit het warme water de koude wereld weer in. In het geval van de peuter: hij is even teleurgesteld, maar gaat daarna weer verder met dit spel of met een ander spel. Het kind kan het stoppen van het contact verdragen en herstelt zich weer.

B. De peuter is boos. Als er sprake is van ik-ontwikkeling is het een signaal van het zich afgewezen voelen. De peuter voelt zich als persoon afgewezen door een oppermachtige en bedreigende omgeving. Soms komt hij uit boosheid en frustratie ook niet meer tot constructief spel. Er zijn kinderen die vervolgens passief worden, maar de boosheid vertaalt zich in bijvoorbeeld fanatiek duimzuigen of wiebelen (‘rocking’).

C. De peuter is boos, maar ook bang. Boosheid en angst liggen als emoties vlak naast elkaar en zijn voor peuters nauwelijks van elkaar te scheiden. Hij camoufleert zijn angst door zichzelf groot te maken. Hij kan bijvoorbeeld erg brutaal reageren en iets uithalen wat niet mag. In de broek plassen is ook een bekend fenomeen bij peuters.

D. Elk kind wil graag controle (alle volwassenen trouwens ook). Bij het gedrag van kinderen kan zich dat uiten in uitdagend gedrag. De herhaling van patronen: ervoor zorgen dat je (opnieuw) straf krijgt.

Bij volwassenen kun je dit gedrag terug zien bij mensen die zich snel terkort gedaan voelen. Even wat minder aandacht wordt ervaren als afwijzing. Deze reactie past o.a. in sterke mate bij de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Splitting (1)

Bij splitting gaat het om het voetstuk zetten van de één en het degraderen van de ander. Het schijnt tegenwoordig niet meer gezegd te mogen worden, maar de  één is de heilige Sint Nicolaas en de ander is Zwarte Piet. 

Aan de basis van het splitten liggen de separatie en de individuatie (Margareth Mahler, 1975). Dat wil zeggen dat de baby los moet komen van de ouder (separatie, 6 tot 18 maanden) en dat hij een eigen ‘ik’ moet gaan vormen (individuatie, 18 tot 36 maanden).

Die laatste ontwikkeling gaat uiteraard nog veel verder door en in de puberteit ontstaat er ook weer een hobbel in deze ontwikkeling. Bij sommige mensen gaat die hobbel hun leven lang door (Loesje: De ware puberteit duurt je leven lang).

Hoe is het beeld dat je van jezelf ontwikkelt? Dat kan positief en negatief zijn. In de praktijk is het uiteraard vaak gemengd. Dat heet de zelfconstantie.

Maar je ontwikkelt ook een beeld van de ander. Zijn andere mensen te vertrouwen of niet? Dat heet de objectconstantie.

Bij ‘splitting’ kun je stellen dat iemand niet in staat is om zichzelf en de ander in grijstinten te kunnen zien. Hij ziet zichzelf als helemaal goed of als helemaal fout. Je moet perfect zijn of er deugt niets aan je.

Dat geldt ook voor andere mensen. Of ze doen alles goed, óf ze vallen van hun voetstuk en ze deugen nergens meer voor. Iemand die goed is mag geen fouten maken.

Dat elk mens goede en slechte kanten heeft gaat er bij mensen die 'splitten' niet in. Je moet perfect zijn of je deugt helemaal niet.  

Splitting bij kinderen (2)

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van - vaak aantrekken en afstoten - liggen. 

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Er zijn twee vormen van angstige (onveilige) hechting. De vorm die het meest voor komt is de angstig-ambivalente hechting (er zijn onderzoekers die menen dat ruim 20% van de kinderen angstig-ambivalent is gehecht). Kenmerkend is dat deze kinderen dicht in de buurt van de moeder (of een andere belangrijke hechtingspersoon) willen zijn, maar dat ze aan de andere kant die persoon ook afwijzen. Behoefte om in de buurt te zijn en boosheid om verlating liggen bij hen dicht bij elkaar. Het kind kan zijn moeder knuffelen en direct daarna een klap midden in het gezicht geven.

Affecthonger

Je ziet vaak dat deze kinderen vooral naar volwassenen trekken. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Overdracht

We hebben hier te maken met een situatie van overdracht, een psychologisch mechanisme waar iedere hulpverlener mee te maken heeft. Als je als begeleider iets voor kinderen wilt betekenen ontkom je niet aan dit appèl. Je behoefte is om een goede hulpverlener te zijn, om mensen te helpen. Daarvoor heb je immers dit vak gekozen?

Bovendien ben je bang dat het kind nóg een keer afwijzing ervaart. Gevolg: je gaat (te ver) op de vraag in die het kind stelt. Het kind strikt jou in je eigen behoefte om een goed hulpverlener te zijn. Zo raak je in elkaar verstrikt.

Uiteindelijk wordt het jou teveel en stap je gespannen uit de situatie. Pas dán zal het kind zich echt verlaten voelen. En dat was nu juist wat je had willen voorkomen. Bovendien help je het kind op deze manier niet verder in de grote opdracht: om van separatie naar individuatie te komen.

De andere kant

Maar als begeleider kun je ook in een andere valkuil stappen. Je hebt als begeleider geleerd om grenzen te stellen. Immers: deze kinderen zijn grenzeloos. Maar dan gebeurt er weer iets anders. Het kind staat niet centraal: jij zet jezelf centraal. Ik ben hier de baas en ik bepaal wat er gebeurt. Is het niet jouw behoefte om controle te houden die maakt dat je deze grenzen stelt?

Hoe minder je controle hebt, des te meer zul je naar sancties grijpen. Ook hierbij kan het gebeuren dat je een stap mist. Je merkt de behoeften van het kind niet op, omdat je de begrenzing centraal hebt gesteld. Kinderen hebben zeker grenzen nodig, maar ze moeten ook gezien worden.

Ik gebruik hier elke keer weer de metafoor van het kleine scheepje op de ruwe zee. De begeleider is de vuurtoren, die blijft op zijn plek, ook al wiebelen ook vuurtorens een beetje mee met de wind. Het kind is het scheepje op de ruwe zee dat bezig is te overleven. Die begeleider is in de storm toch een stuk houvast: 'die kant moet ik uit.'

Splitting bij volwassenen

Ik maak de overstap naar volwassenen. Als je als kind gewend bent om te 'splitten': welke gevolgen heeft dat dan voor de volwassenheid? Daar kun je hele boeken over vol schrijven. Maar ik schrijf nu even geen nieuw boek. 

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Bij een ernstige borderline-persoonlijkheidsstoornis wordt de ander óf op een voetstuk gezet óf de ander is de zondebok. Dat proces kan ook in de tijd na elkaar plaats vinden. Dus eerst ben je de beste behandelaar die er is en als je dan een keer ‘iets verkeerds’ hebt gezegd krijg je een aanklacht aan je broek.

'Hou je dossier op orde!' zei ik tegen een behandelaar. De vrouw had de behandelaar de hemel in geprezen. Iemand die zó rustig was en die zó goed kon luisteren had ze nog nooit in haar leven meegemaakt. Na het volgende consult kwam er een klacht tegen de behandelaar bij de directie binnen. Gelukkig had hij zijn dossier op orde...

Splitting bij kinderen (1)

"De één is de heilige Sint Nicolaas, de ander is de zwarte Piet." Zo beschrijft klinisch psycholoog Luk Steemans het verschijnsel van het splitsen ('splitting') bij kinderen.

Dat hij Zwarte Piet beschrijft valt hem niet euvel te duiden, zijn artikel is al een aantal jaren oud. Bovendien is hij een Belg. Daar houden ze zich minder bezig met het thema racisme en Zwarte Piet.

Hoewel Zwarte Piet inmiddels taboe is ga ik het vandaag tóch ook over dit beeld hebben in het kader van een cursus die ik moet geven over omgaan met hechtings-problemen bij kinderen. Vijf kilometer van de Belgische grens, dus mocht ik belaagd worden door de zogenaamde fatsoensrakkers in Nederland, dan kan ik snel de grens over fietsen.

Zelfconstantie en objectconstantie

Kinderpsychiater M.S. Mahler heeft een halve eeuw geleden de vroege emotionele ontwikkeling van kinderen beschreven. Een deel van haar theorie is inmiddels achterhaald, maar andere termen hebben allerlei ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie overleefd. Mahler introduceerde de begrippen separatie (loskomen van je moeder) en individuatie (een eigen persoon worden). Daar hangen twee andere begrippen mee samen.

Ergens tussen de één en drie jaar ontwikkelt een kind zowel de zelfconstantie als de objectconstantie. Die zelfconstantie maakt dat je een positief beeld van jezelf vast kunt houden, ook al krijg je af en toe straf. De objectconstantie houdt in dat je ook een positief beeld van de ander vast kunt houden. Ook al geeft die ander mij op dit moment straf, in zijn algemeenheid ben ik toch graag bij hem in de buurt. In principe is de ander te vertrouwen. Pappa is nu even boos, maar straks is het weer goed.

Het begrip van dat positieve zélf en van positieve mensen in je omgeving heb je nodig om een relatie aan te kunnen gaan. Je hebt dan altijd een ‘beeld’ bij je dat het jou mogelijk maakt om geleidelijk meer uitstel te verdragen. Je kunt beter teleurstellingen verdragen, je kunt je overgeven aan andere opvoeders (de oppas).

Splitting bij kinderen

Bij kinderen die wij als ‘gedragsgestoord’ beschouwen is dit vermogen niet voldoende ontwikkeld. Deze problemen hebben voor een groot deel met een verstoord proces van hechting te maken.

Volgens Luk Steemans proberen ook deze kinderen een positief beeld vast te houden. Ze zijn bang dat de negatieve ervaringen het zullen winnen van de positieve. Ze hebben onvoldoende vertrouwen dat het goed komt. Het mechanisme dat ze hiervoor zouden ontwikkelen is (dus) dat van het ‘splitten’: mensen die helemaal goed zijn en mensen die helemaal slecht zijn. Het beeld van de nuancering wordt niet vastgehouden.

Stel: je speelt met een kind en je moet daarna iets anders doen. Een kleuter die zich emotioneel goed heeft ontwikkeld houdt dat positieve beeld vast. Hij beseft dat pappa iets anders moet doen, maar houdt vast dat het leuk was, samen. De kleuter zal teleurgesteld zijn, maar niet woedend.

Een kleuter met onvoldoende ‘ik’ zal veel heftiger reageren. Hij voelt zich afgewezen. De reactie is: boosheid en woede. Het algehele gevoel: ik word totaal afgewezen. Ik heb dus verloren van een overmachtige vijand.

De angst zelf niet te deugen wordt geprojecteerd op de boze buitenwereld. De angst zichzelf als klein en nietig te ervaren wordt gecamoufleerd: ik ben de grootste, de sterkste, ik ben onaantastbaar. Eén van de gevolgen is dat deze kinderen op zoek gaan naar uitgerekend datgene waar ze bang voor zijn. Ze gaan in gevecht met de boze buitenwereld. “Kijk eens, hoe brutaal ik durf te zijn tegen Zwarte Piet!”

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Wat zit er achter het gedrag?

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het ogenschijnlijk onuitstaanbare gedrag liggen. De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Splitting (3)

Marjanne heeft een begeleidster die op een voetstuk wordt gezet (Sanne) én ze heeft een begeleidster die het niet goed kan doen (Dorien). 

Soms zie je dit verschijnsel ook bij opvoeders. Het ene kind wordt op een voetstuk gezet, het andere is per definitie de zondebok. Wat er dan gebeurt is dan een ouder kennelijk niet in staat is om in grijsdenken te denken en te voelen. Elk kind roept pretttige dingen op, maar kan jou ook confronteren met vervelende herinneringen.

Stel dat het gedrag van je dochter je aan je moeder doet denken en je hebt negatieve herinneringen aan je moeder en misschien zelfs wel elk contact met haar verbroken: loopt er opeens een kopie van je moeder door het huis... 

Een ouder hoort volwassen genoeg te zijn om hier over na te kunnen denken en in te zien dat je dan de boosheid op je moeder projecteert op je kind. Helaas zijn tal van ouders daar niet toe in staat. En zeker niet als ze een stevig emotioneel rugzakje met zich meedragen dat hun sociale en emotionele ontwikkeling heeft belemmerd. Je krijgt dan eigenlijk een kind dat een kind moet opvoeden.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgeplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boevn water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleem-gedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De optimale houding is: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er van vindt’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.
Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.