Splitting (3)

Marjanne heeft een begeleidster die op een voetstuk wordt gezet (Sanne) én ze heeft een begeleidster die het niet goed kan doen (Dorien). 

Soms zie je dit verschijnsel ook bij opvoeders. Het ene kind wordt op een voetstuk gezet, het andere is per definitie de zondebok. Wat er dan gebeurt is dan een ouder kennelijk niet in staat is om in grijsdenken te denken en te voelen. Elk kind roept pretttige dingen op, maar kan jou ook confronteren met vervelende herinneringen.

Stel dat het gedrag van je dochter je aan je moeder doet denken en je hebt negatieve herinneringen aan je moeder en misschien zelfs wel elk contact met haar verbroken: loopt er opeens een kopie van je moeder door het huis... 

Een ouder hoort volwassen genoeg te zijn om hier over na te kunnen denken en in te zien dat je dan de boosheid op je moeder projecteert op je kind. Helaas zijn tal van ouders daar niet toe in staat. En zeker niet als ze een stevig emotioneel rugzakje met zich meedragen dat hun sociale en emotionele ontwikkeling heeft belemmerd. Je krijgt dan eigenlijk een kind dat een kind moet opvoeden.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgeplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boevn water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleem-gedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De optimale houding is: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er van vindt’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.
Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Splitting (2)

Splitting is één van de meest kenmerkende psychologische verschijnselen bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Het komt ook veel voor bij kinderen uit disfunctionele gezinnen. 

Bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis zie je dat de één op een voetstuk wordt gezet en dat de ander nergens voor deugt. Echter: degene die op het voetstuk gezet wordt kan er ook heel gemakkelijk weer afgegooid worden. De val is vervolgens diep. Van de beste dokter die er ooit geweest is word je opeens de slechtste huisarts van Nederland. Wat zeg ik? Van de héle wereld!

Gisteren schreef ik over Marjanne. Ze heeft een favoriete begeleider én ze heeft iemand die het nooit goed kan doen. Sterker nog: als begeleidster Dorien binnen komt staat het gezicht van Marjanne meteen op ‘zwart’. De hele dienst door blijft ze mokken, negatief gedrag vertonen, en ze weigert elk verzoek van Dorien. Marjanne is voor haar de zwarte Piet (dat schijn je niet meer te mogen zeggen en schrijven, maar als ik me daar ook al druk over moet gaan maken…).

Marjanne’s vader was zeer onvoorspelbaar in zijn gedrag De ene keer kwam hij boos thuis uit zijn werk en was er niets goed. De andere keer kwam hij thuis en had hij direct positieve aandacht voor zijn dochter. Het gevolg was dat Marjanne eigenlijk altijd op haar hoede was.

De combinatie van die twee ‘vaderbeelden’ is voor Marjanne niet te vatten. ze heeft voor zichzelf de wereld voorspelbaar gemaakt door de ene begeleidster op een voetstuk te zetten, te idealiseren. De andere begeleidster symboliseert de kwade vader, voor wie nooit iets goed was.

Anja: twee werelden                                                                                                                 

Anja is een vrouw van middelbare leeftijd met een matige verstandelijke beperking. Ze vertoont op de woning veel gedragsproblemen. Dagelijks zijn er stevige incidenten. Regelmatig verscheurt ze haar kleren, gooit met spullen (‘verplaatst meubilair op horizontale wijze door de ruimte’ staat er dan eufemistisch in de rapportage) en vertoont fysieke agressie naar met name de begeleiding. Op het dagcentrum gaat het echter altijd goed. Ze heeft een goede band met activiteitenbegeleider Saskia.

Geleidelijk ontstaat er spanning tussen wonen en de dagbesteding. Op de dagbesteding verwijt men de woning dat er te zware maatregelen worden ingezet bij de begeleiding van Anja. Dagelijks krijgt ze straf. Dat wordt als barbaars ervaren. Anja klaagt ook dagelijks op de dagbesteding over de begeleiders op de woning. Het gevolg is dat begeleider Saskia een steeds negatiever beeld krijgt van de medewerkers op de woning. Ze doen wel aardig, maar eigenlijk zijn het beulen.

Splitting tussen personeel

Wat je in het verhaal van Anja ziet is dat de splitting in het gedrag van Anja leidt tot splitting tussen medewerkers. De ene medewerker is goed, de andere is fout. En dat is precies het in pedagogisch opzicht meest desastreuze effect voor de begeleiding van cliënten met complexe hulpvragen.

Ik zag Anja regelmatig uit de dagbesteding naar de woning lopen. Je kon aan haar motoriek zien dat het eigenlijk maar nét goed ging. Ze sloot zich helemaal af van de buitenwereld, want ieder contact zou de vlam in de pan kunnen doen slaan. Eenmaal op de woning gebeurde dat dan ook meerdere malen per week. Eén opmerking van een personeelslid (‘wil je je jas even ophangen?’) kon al tot gevolg hebben dat het gedrag van Anja totaal escaleerde.

Wat er in feite gebeurde was dat Anja koste wat het kost het positieve beeld van de begeleidster Saskia vast wilde houden. Dat kostte haar zóveel energie dat ze eigenlijk mentaal helemaal uitgeput raakte. Het ging nog maar nét goed. Eenmaal op de woning móest alle spanning eruit. Met heftige gevolgen….

Twijfelen aan jezelf

Dan nu terug naar begeleider Dorien. Wat betekent het gedrag van Marjanne voor Dorien?  Ze voelde zich als begeleider steeds minder ‘competent’ en ging steeds meer twijfelen aan zichzelf. De relatie tussen Dorien en Marjanne stond steeds minder centraal, het zelfbeeld van Dorien raakte er door besmet. Was ze eigenlijk wel een goede begeleider? Had ze wel het goede vak gekozen?

Paradoxaal genoeg: om zichzelf te beschermen ging ze extra haar best doen. Ze wilde extra proberen om de relatie met Marjanne meer op orde te krijgen. Maar Marjanne liet zich niet helpen. Hoe meer Dorien haar best deed, des te dwarser werd het gedrag van Marjanne. Precies zoals de peuter de groente nog méér weigert als mamma extra lekker heeft gekookt…

Opnieuw een paradox: juist het feit dat Dorien extra haar best deed maakte dat de angst bij Marjanne toenam. Het betekende voor haar niet: het is gezellig, maar: straks is het niet meer gezellig. Alsof je een verjaardag niet leuk mag vinden omdat je morgen niet meer jarig bent.

Splitting (1)

Elke hulpverlener kent het verschijnsel wel: de ene begeleider wordt op een voetstuk gezet, de ander deugt voor geen meter. En hoe goed je het ‘splitten’ ook kent, je komt ook altijd weer de valkuilen bij jezelf tegen. Want als je als behandelaar op een voetstuk wordt gezet, dan streelt dat je ego.

Per persoon en door de tijd

Splitting komt binnen het team voor: de één is erg goed, de ander moet direct ontslagen worden. Het verschijnsel kan zich ook door de tijd heen voordoen. Eerst ben je een topper en een half jaar later krijg je een klacht aan je broek(rok).

Als medewerker in de zorg moet je alert zijn als iemand jou op een voetstuk zet: de kans is bepaald niet denkbeeldig dat je er vervolgens heel hard afvalt. Hoe meer je op een voetstuk wordt gezet, des te groter zal de kans zijn dat je er af valt.

(Te) hard je best doen

Een andere valkuil is dat de complimenten verslavend werken. Je wilt de relatie immers goed houden. De (onderbewuste) boodschap van de cliënt is: ‘als jij altijd voor mij klaar staat ben jij de beste behandelaar die ik ooit heb gehad’. De manier waarop je op die boodschap reageert is dat je hard wilt werken om aan de verwachtingen te kunnen blijven voldoen. Doe je dat niet, dan val je inderdaad zómaar van je voetstuk.

Splitting en hechting

Naar mijn mening heeft splitting vaak te maken met hechting. Bij de zogenaamde angstig-ambivalente hechting spelen drie tendensen een rol:

  • De behoefte aan nabijheid,
  • De angst voor verlating en
  • De boosheid om de verlating.

Een andere vorm van verstoorde hechting die zich kan uiten in splitting is de zogenaamde gedesorganiseerde gehechtheid. Hierbij is vooral sprake van een onvoorspelbaar patroon van reacties. Je komt tien minuten te laat op de afspraak en er is niets aan de hand. De volgende keer kom je twee minuten te laat en het huis is te klein.

Casus Marjanne   
Marjanne woont op een woning met zes andere cliënten met een lichte verstandelijke beperking. Ze woont met vrij stevige begeleiding, omdat het steeds weer mis ging toen ze begeleid zelfstandig woonde. Marjanne is het helemaal niet eens met alle afspraken die (voor haar) gelden op de woning.  Opmerkelijk is dat ze zich in aanwezigheid van haar persoonlijk begeleider Sanne redelijk ‘aangepast’ gedraagt: er zijn opvallend weinig conflicten. Ze toont zich meegaand en soms zelfs opvallend coöperatief.  Bij begeleidster Dorien laat Marjanne heel ander gedrag zien. Er zijn continu botsingen. Ze is het niet eens met de afspraken, wil zich er absoluut niet aan houden en trekt zich vaak mokkend terug op haar kamer. Wat is er aan de hand?

Zwart-wit

Marjanne heeft in de loop van haar leven veel negatieve ervaringen gekend. Ze is gefrustreerd geraakt en door het leven getekend. Toch heeft ze nog steeds een ideaalbeeld van hoe anderen zouden kunnen of moeten zijn. Er is dus wel een stukje hechting op gang gekomen, maar het is ambivalent. Aan de ene kant is er dus het ideaalbeeld: dat is Sanne geworden. Ze wil Sanne koste wat het kost te vriend houden en het positieve beeld in stand houden.

Maar Marjanne heeft ook veel negatieve ervaringen meegemaakt. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat betekent o.a. dat ze ‘langzaam lerend’ was en daardoor anderen vaak niet goed kon volgen. Het tempo van haar ouders lag bijvoorbeeld te hoog: ze was hen vaak ‘kwijt’. Eén van de gevolgen is vaak een verstoorde hechting.

Dat is volgens de criteria van Boris en Zeanah (2005) bij Marjanne op jonge leeftijd ook al duidelijk geweest. Op volwassen leeftijd laat ze veel kenmerken van een borderline-persoonlijkheidsstoornis zien.

Lastige kwetsbaarheid (4)

De meest complexe opdracht voor kinderen en ouders is het elkaar loslaten. Orthopedagoog Chiel Egberts heeft daar meerdere boeken over geschreven en hij is nog niet uitgeschreven.

Er zijn gezinnen waar dat loslaten niet lukt. Kinderpsychiater Sanders-Woudstra noemt dit kluwengezinnen. Er is in het gezin veel angst, onderhuidse woede en schuldgevoel. Eén van de ouders houdt het systeem in stand en de partner en de kinderen zijn volgelingen. Als een kind zich los wil maken is dit zeer bedreigend. Om te voorkomen dat meer gezinsleden de ‘verkeerde’ kant uit gaan krijgt het ‘opstandige’ kind de rol van zondebok. Alle gezinsproblemen worden voortaan als de schuld van dit kind gezien.

In een groot gezin waren bijna alle kinderen met ernstige problemen het huis uit gegaan. Enkele kinderen waren op last van Jeugdzorg uit huis geplaatst. De vader zei dat dat allemaal de schuld was van zijn oudste zoon: hij had het verkeerde voorbeeld gegeven.

Splitting

Verwant aan het aanwijzen van een zondebok is de splitting, waar ik al eerder over schreef. Sommige mensen staan op een torenhoog voetstuk. Vaak zijn dat in eerste instantie artsen, soms andere hulpverleners en in kerkelijke kring zijn het meestal predikanten. Van andere mensen deugt helemaal niets.

De huisartsenpraktijk wordt 'gerund' door een echtpaar. Ik hoorde daar het volgende gesprek: "Met hém kun je maar beter niks te maken hebben. Hij stelt domme vragen, weigert mij medicijnen te geven die ik nodig heb en heeft nooit tijd. Ik heb hem ook een keer thuis aan mijn ziekbed gehad. Nou, die hoeft van mij nooit meer te komen. Alleen al de vragen die hij stelde…. Nee, dan zijn vrouw, die begrijpt mij tenminste! Die voelt helemaal aan hoe moeilijk ik het heb. Ze staat echt dicht bij de mensen, dat voel je aan alles. Ze is ook een vrouw, die zijn gevoeliger voor wat er aan de hand is. Mijn kinderen zijn ook helemaal weg van haar. Maar mijn buren zweren bij hem, ze vinden haar helemaal niet goed. Maar ja, dat weet je, de goeden moeten altijd onder de kwaden lijden, dat zie je maar weer. En ze komen we wel achter. Ik weet maar al te goed waar ik het over heb…. ik heb al zóveel meegemaakt in mijn leven..."

Deze splitting kan zomaar omslaan. Als de vrouwelijke huisarts weigert om de medicatie voor te schrijven die mevrouw wenst of een kritische vraag stelt over de gezondheid van één van haar kinderen kan ze opeens van haar voetstuk vallen. Dan is ze plotseling de slechtste huisarts die er is…

Overigens gaat de man van de mevrouw die dit verhaal vertelde naar de mannelijke huisarts. Moet ze daar iets van vinden? Ja, natuurlijk vindt ze daar iets van. Lees maar:

"Mijn man gaat naar hem. Hij vindt hem gewoon prettiger. Dat moet hij zelf weten, hij is oud en wijs genoeg. Maar ik maak me wel zorgen, want die dokter ziet lang niet alles. Ik heb mijn man wel eens naar hem gestuurd, maar dat zegt mijn man dat er niks aan de hand is en dat hij nergens last van heeft. Ik heb die dokter wel eens opgebeld, kreeg ik nul op het rekwest. Wat heb je nou aan zo'n dokter, ík ben toch met hem getrouwd? Dan weet ik ook wel wat er met hem aan de hand is. Maar ja, soort zoekt soort. Ze kunnen allebei niet over hun gevoelens praten, dus er komt niks uit."

De achtergrond van ‘splitting’

Iedere hulpverlener krijgt er mee te maken. Met mensen die de ander op een voetstuk zetten of juist de grond in trappen. Dat verschijnsel wordt wel 'splitting' genoemd.

Wat is de achtergrond van dat splitten? Dat heeft alles met de hechting te maken. En dan in het bijzonder met het kunnen omgaan met emoties.

Mevrouw Zandstra was een nieuwe patiënt bij tandarts Rots. Na de intake zei mevrouw Zandstra: "Ik heb nog nooit in mijn leven zó'n goede en inlevende tandarts meegemaakt." Als iemand dat bij de intake zegt is het een signaal dat er gemakkelijk iets mis kan gaan. En dat was ook zo. Na het volgende consult kreeg diezelfde tandarts een klacht aan zijn witte en hygiënisch gewassen tandartsbroek.

Teleurstelling of ramp?

Naarmate kinderen groter groeien kunnen ze gemakkelijker uitstel verdragen. Mamma is niet altijd meer beschikbaar, mamma is nu even aan het eten koken, straks komt mamma bij jou kijken. Een kleuter die zich emotioneel gezond ontwikkelt vindt het niet leuk dat mamma even geen tijd heeft, maar het is geen ramp.

Een kleuter met onvoldoende eigen ik reageert veel heftiger. Hij is niet teleurgesteld, maar woedend, want hij voelt zich als persoon afgewezen. Dat is echter een niet te verdragen gevoel. De boosheid wordt geprojecteerd op de buitenwereld.

Beeld van jezelf en van de ander

Kinderpsychiater Margareth Mahler (1975) omschreef twee kernbegrippen in de hechting:

a) de zelfconstantie: wat er ook gebeurt, ik ben ik

b) de objectconstantie: wat er ook gebeurt, de ander is te vertrouwen

Die twee aspecten heb je nodig om genuanceerd naar anderen te kunnen kijken.

Als mamma geen tijd voor mij heeft is dat niet omdat ik er niet mag zijn, maar omdat ze even iets anders moet doen. Als mamma nu iets anders doet is dat niet omdat ze een stomme mamma is, maar omdat ze eerst moet koken. Daarna komt ze vanzelf weer naar mij toe.

Onvoorspelbaarheid

Het splitten is het mechanisme dat een kind ontwikkelt als het er niet in slaagt om de positieve ervaringen vast te houden. Er bestaan geen grijstinten meer. De ander is óf helemaal goed óf helemaal fout.

Merle is een moeder die zeer heftig reageert op haar kinderen. op het ene moment heeft ze alle tijd en alle aandacht voor hen, maar op het andere moment is niets goed. Dan is ze heel onvoorspelbaar in haar boosheid. Haar beide kinderen zijn voortdurend op hun hoede: hoe zit mamma vandaag in haar vel?

Goede moeder en kwade moeder

Kinderen die voortdurend deze ervaringen met de belangrijkste personen in de hechting hebben slagen er vaak niet in om een vast beeld van andere volwassenen te ontwikkelen. Dat zou één van de belangrijkste oorzaken van het splitten zijn. Degene die op een voetstuk wordt gezet herinnert dan aan de ‘goede moeder’,  degene die de zondebok wordt herinnert dan aan de ‘kwade moeder’.

Het meest ingewikkelde is dit beeld dus zo snel kan wisselen. Je denkt dat je het vertrouwen hebt gewonnen, maar opeens blijkt dat je het allemaal fout doet. Zoals tandarts Rots die een klacht aan zijn witte tandartsbroek kreeg, nadat hij twee maanden eerder nog de beste tandarts van Nederland was...

Splitting (3)

Twijfelen aan jezelf

Dan nu terug naar begeleider Dorien. Wat betekent het gedrag van Marjanne voor Dorien?  Ze voelde zich als begeleider steeds minder ‘competent’ en ging steeds meer twijfelen aan zichzelf. De relatie tussen Dorien en Marjanne stond steeds minder centraal, het zelfbeeld van Dorien raakte er door besmet. Was ze eigenlijk wel een goede begeleider? Had ze wel het goede vak gekozen?

Paradoxaal genoeg: om zichzelf te beschermen ging ze extra haar best doen. Ze wilde extra proberen om de relatie met Marjanne meer op orde te krijgen. Maar Marjanne liet zich niet helpen. Hoe meer Dorien haar best deed, des te dwarser werd het gedrag van Marjanne. Precies zoals de peuter de groente nog méér weigert als mamma extra lekker heeft gekookt…

Opnieuw een paradox: juist het feit dat Dorien extra haar best deed maakte dat de angst bij Marjanne toenam. Het betekende voor haar niet: het is gezellig, maar: straks is het niet meer gezellig. Alsof je een verjaardag niet leuk mag vinden omdat je morgen niet meer jarig bent.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgesplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boven water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleemgedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De houding moet meer zijn: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er mee doet’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.

Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Meer splitting

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden

Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Splitting (2)

Zwart-wit

Marjanne heeft in de loop van haar leven veel negatieve ervaringen gekend. Ze is gefrustreerd geraakt en door het leven getekend. Toch heeft ze nog steeds een ideaalbeeld van hoe anderen zouden kunnen of moeten zijn. Er is dus wel een stukje hechting op gang gekomen, maar het is ambivalent. Aan de ene kant is er dus het ideaalbeeld: dat is Sanne geworden. Ze wil Sanne koste wat het kost te vriend houden en het positieve beeld in stand houden.

Maar Marjanne heeft ook veel negatieve ervaringen meegemaakt. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat betekent o.a. dat ze ‘langzaam lerend’ was en daardoor anderen vaak niet goed kon volgen. Het tempo van haar ouders lag bijvoorbeeld te hoog: ze was hen vaak ‘kwijt’. Daarnaast was haar vader onvoorspelbaar in zijn gedrag: de ene keer kwam hij boos thuis uit zijn werk en was er niets goed. De andere keer kwam hij thuis en had hij direct positieve aandacht voor zijn dochter. Het gevolg was dat Marjanne eigenlijk altijd op haar hoede was.

Die negatieve ervaringen uit haar leven uit Marjanne op haar zwarte Piet. Dat is begeleidster Dorien geworden. Wat betekenen deze ervaringen voor Dorien? Maar eerst ga ik even door naar Anja, een ander verhaal waarbij splitting een rol speelt.

Anja: twee werelden

Anja is een vrouw van middelbare leeftijd met een matige verstandelijke beperking. Ze vertoont op de woning veel gedragsproblemen. Dagelijks zijn er stevige incidenten. Regelmatig verscheurt ze haar kleren, gooit met spullen (‘verplaatst meubilair op horizontale wijze door de ruimte’ staat er dan eufemistisch in de rapportage) en vertoont fysieke agressie naar met name de begeleiding. Op het dagcentrum gaat het echter altijd goed. Ze heeft een goede band met activiteitenbegeleider Saskia.

Geleidelijk ontstaat er spanning tussen wonen en de dagbesteding. Op de dagbesteding verwijt men de woning dat er te zware maatregelen worden ingezet bij de begeleiding van Anja. Dagelijks krijgt ze straf. Dat wordt als barbaars ervaren. Anja klaagt ook dagelijks op de dagbesteding over de begeleiders op de woning. Het gevolg is dat begeleider Saskia een steeds negatiever beeld krijgt van de medewerkers op de woning. Ze doen wel aardig, maar eigenlijk zijn het beulen.

Splitting tussen personeel

Wat je in het verhaal van Anja ziet is dat de splitting in het gedrag van Anja leidt tot splitting tussen medewerkers. De ene medewerker is goed, de andere is fout. En dat is precies het in pedagogisch opzicht meest desastreuze effect voor de begeleiding van cliënten met complexe hulpvragen.

Ik zag Anja regelmatig uit de dagbesteding naar de woning lopen. Je kon aan haar motoriek zien dat het eigenlijk maar nét goed ging. Ze sloot zich helemaal af van de buitenwereld, want ieder contact zou de vlam in de pan kunnen doen slaan. Eenmaal op de woning gebeurde dat dan ook meerdere malen per week. Eén opmerking van een personeelslid (‘wil je je jas even ophangen?’) kon al tot gevolg hebben dat het gedrag van Anja totaal escaleerde.

Wat er in feite gebeurde was dat Anja koste wat het kost het positieve beeld van de begeleidster Saskia vast wilde houden. Dat kostte haar zóveel energie dat ze eigenlijk mentaal helemaal uitgeput raakte. Het ging nog maar nét goed. Eenmaal op de woning móest alle spanning eruit. Met heftige gevolgen….

Splitting (1)

Iedere hulpverlener kent het verschijnsel wel: de ene begeleider wordt op een voetstuk gezet, de ander deugt voor geen meter. En hoe goed je het ‘splitten’ ook kent, je komt ook altijd weer de valkuilen bij jezelf tegen. Want als je als behandelaar op een voetstuk wordt gezet, dan streelt dat je ego.

Per persoon en door de tijd

Splitting komt binnen het team voor: de één is erg goed, de ander moet direct ontslagen worden. Het verschijnsel kan zich ook door de tijd heen voordoen. Eerst ben je een topper en een half jaar later krijg je een klacht aan je broek(rok). Als medewerker in de zorg moet je alert zijn als iemand jou op een voetstuk zet: de kans is bepaald niet denkbeeldig dat je er vervolgens heel hard afvalt. Hoe meer je op een voetstuk wordt gezet, des te groter zal de kans zijn dat je er af valt.

(Te) hard je best doen

Een andere valkuil is dat de complimenten verslavend werken. Je wilt de relatie immers goed houden. De (onderbewuste) boodschap van de cliënt is: ‘als jij altijd voor mij klaar staat ben jij de beste behandelaar die ik ooit heb gehad’. De manier waarop je op die boodschap reageert is dat je hard wilt werken om aan de verwachtingen te kunnen blijven voldoen. Doe je dat niet, dan val je inderdaad zómaar van je voetstuk.

Splitting en hechting

Naar mijn mening heeft splitting vaak te maken met hechting. Bij de zogenaamde angstig-ambivalente hechting spelen drie tendensen een rol:

  • De behoefte aan nabijheid,
  • De angst voor verlating en
  • De boosheid om de verlating.

Een andere vorm van verstoorde hechting die zich kan uiten in splitting is de zogenaamde gedesorganiseerde gehechtheid. Hierbij is vooral sprake van een onvoorspelbaar patroon van reacties. Je komt tien minuten te laat op de afspraak en er is niets aan de hand. De volgende keer kom je twee minuten te laat en het huis is te klein.

Marjanne

Marjanne woont op een woning met zes andere cliënten met een lichte verstandelijke beperking. Ze woont met vrij stevige begeleiding, omdat het steeds weer mis ging toen ze begeleid zelfstandig woonde. Marjanne is het helemaal niet eens met alle afspraken die (voor haar) gelden op de woning.  Opmerkelijk is dat ze zich in aanwezigheid van haar persoonlijk begeleider Sanne redelijk ‘aangepast’ gedraagt: er zijn opvallend weinig conflicten. Ze toont zich meegaand en soms zelfs opvallend coöperatief. Bij begeleidster Dorien laat ze heel ander gedrag zien. Er zijn continu botsingen. Ze is het niet eens met de afspraken, wil zich er absoluut niet aan houden en trekt zich vaak mokkend terug op haar kamer. Wat is er aan de hand?

Lastige kwetsbaarheid (4)

Sommige gezinnen noemen we symbiotisch: men zit emotioneel ‘aan elkaar vast’. Kinderpsychiater Sanders-Woudstra noemt dit kluwengezinnen. Het thema is verwant met wat ik elders dysfunctionele gezinnen noemde.

Er is in het gezin veel angst, onderhuidse woede en schuldgevoel. Eén van de ouders houdt het systeem in stand en de partner en de kinderen zijn volgelingen. Als een kind zich los wil maken is dit zeer bedreigend. Om te voorkomen dat meer gezinsleden de ‘verkeerde’ kant uit gaan krijgt het ‘opstandige’ kind de rol van zondebok. De andere kinderen wordt verboden om met dit kind om te gaan. Alle gezinsproblemen worden voortaan de als de schuld van dit kind gezien.

Ook worden er achter dit gedrag andere boze machten gezien (zoals ‘de’ mensen die de plaats van het gezin in de samenleving willen ondermijnen). Ook hier is het schema weer zwart-wit: met het gezin is niets mis: de fout zit bij anderen die het gezag willen ondermijnen.

Drie begrafenissen

Ik heb in deze gezinnen regelmatig kinderen gezien die veel fantasieverhalen vertelden. Soms zó opvallend dat ze wel door de mand móésten vallen. Zo vertelde een jongen uit zo’n gezin in één jaar tijds drie maal dat één van zijn grootouders was overleden en dat hij daarom erg van slag was en op advies van de dokter een week vrij moest. De leidinggevende vond dat wel er veel achter elkaar. Toen hij de informatie maar eens ging checken bleken alle oma’s en opa’s kerngezond te zijn…

Ambitendentie

Verwant aan het zwart-wit schema is het verschijnsel van de ambitendentie (ook wel ‘splitting’ genoemd), waarbij mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. Sommige mensen staan op een torenhoog voetstuk. Vaak zijn dat in eerste instantie artsen, soms andere hulpverleners en in kerkelijke kring zijn het meestal predikanten. Van andere mensen deugt helemaal niets.

Goede en foute dominee

We hebben in onze kerk twee dominees. Met dominee Zoethout kun je maar beter niks te maken hebben. Hij kan niet preken en is te lui om zich goed voor te bereiden. Ik heb hem ook een keer aan mijn ziekbed gehad. Nou, die hoeft van mij nooit meer te komen. Alleen al de vragen die hij stelde….

Nee, dan dominee Molkenboer, die begrijpt mij tenminste! Die voelt helemaal aan hoe moeilijk ik het heb. Dat merk je ook aan zijn preken. Hij staat echt dicht bij de mensen, dat voel je aan alles. En de kinderen zijn ook helemaal weg van hem. Dát is nou echt een pastor! Helaas zijn er allerlei mensen die hem weg willen hebben. Maar ja, dat weet je, de goeden moeten altijd onder de kwaden lijden, dat zie je ook in de kerk. En ik weet maar al te goed waar ik het over heb….

Van goed naar fout

In dit voorbeeld zien we hoe ds. Molkenboer ook in de slachtofferpositie wordt gezet. De onderliggende (onbewuste) bedoeling is dat de ellende niet aan de vertelster ligt; de kerkleden maken niet alleen haar emotioneel kapot, ook de dominee loopt het op. Daarmee wordt ds. Molkenboer –zonder dat hij het weet- tot bondgenoot gemaakt. Grote kans dat deze dominee op een later moment van zijn voetstuk valt en ook helemaal niets goeds meer kan doen.

Ambitendentie komt dus ook tot uiting in de extreme wisselingen in waardering die één en dezelfde persoon kunnen treffen. Op het ene moment is dokter De Vries de beste arts die er is, een paar weken later deugt er helemaal niets meer van hem. Dit is- als je dergelijke mechanismen niet kent- uiteraard zeer verwarrend.

Splitting bij kinderen

“De één is de heilige Sint Nicolaas, de ander is de zwarte Piet.”

Zo beschrijft klinisch psycholoog Luk Steemans het verschijnsel van het splitsen (‘splitting’) bij kinderen.

Dat hij Zwarte Piet beschrijft valt hem niet euvel te duiden, zijn artikel is al een aantal jaren oud. Bovendien is hij een Belg. Daar houden ze zich minder bezig met het thema racisme en Zwarte Piet.

Hoewel Zwarte Piet inmiddels taboe is ga ik het vandaag tóch ook over dit beeld hebben in het kader van een cursusdag over kinderen, ouders en hechting. Vijf kilometer van de Belgische grens, dus mocht ik belaagd worden, kan ik snel de grens over fietsen.

Zelfconstantie en objectconstantie

Kinderpsychiater M.S. Mahler heeft een halve eeuw geleden de vroege emotionele ontwikkeling van kinderen beschreven. Een deel van haar theorie is inmiddels achterhaald, maar andere termen hebben allerlei ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie overleefd. Mahler introduceerde de begrippen separatie (loskomen van je moeder) en individuatie (een eigen persoon worden). Daar hangen twee andere begrippen mee samen.

Ergens tussen de één en drie jaar ontwikkelt een kind zowel de zelfconstantie als de objectconstantie. Die zelfconstantie maakt dat je een positief beeld van jezelf vast kunt houden, ook al krijg je af en toe straf. De objectconstantie houdt in dat je ook een positief beeld van de ander vast kunt houden. Ook al geeft die ander mij op dit moment straf, in zijn algemeenheid ben ik toch graag bij hem in de buurt. In principe is de ander te vertrouwen. Pappa is nu even boos, maar straks is het weer goed.

Het begrip van dat positieve zélf en van positieve mensen in je omgeving heb je nodig om een relatie aan te kunnen gaan. Je hebt dan altijd een ‘beeld’ bij je dat het jou mogelijk maakt om geleidelijk meer uitstel te verdragen. Je kunt beter teleurstellingen verdragen, je kunt je overgeven aan andere opvoeders (de oppas).

Splitting bij kinderen

Bij kinderen die wij als ‘gedragsgestoord’ beschouwen is dit vermogen niet voldoende ontwikkeld. Deze problemen hebben voor een groot deel met een verstoord proces van hechting te maken.

Volgens Luk Steemans proberen ook deze kinderen een positief beeld vast te houden. Ze zijn bang dat de negatieve ervaringen het zullen winnen van de positieve. Ze hebben onvoldoende vertrouwen dat het goed komt. Het mechanisme dat ze hiervoor zouden ontwikkelen is (dus) dat van het ‘splitten’: mensen die helemaal goed zijn en mensen die helemaal slecht zijn. Het beeld van de nuancering wordt niet vastgehouden.

Stel: je speelt met een kind en je moet daarna iets anders doen. Een kleuter die zich emotioneel goed heeft ontwikkeld houdt dat positieve beeld vast. Hij beseft dat pappa iets anders moet doen, maar houdt vast dat het leuk was, samen. De kleuter zal teleurgesteld zijn, maar niet woedend.

Een kleuter met onvoldoende ‘ik’ zal veel heftiger reageren. Hij voelt zich afgewezen. De reactie is: boosheid en woede. Het algehele gevoel: ik word totaal afgewezen. Ik heb dus verloren van een overmachtige vijand.

De angst zelf niet te deugen wordt geprojecteerd op de boze buitenwereld. De angst zichzelf als klein en nietig te ervaren wordt gecamoufleerd: ik ben de grootste, de sterkste, ik ben onaantastbaar. Eén van de gevolgen is dat deze kinderen op zoek gaan naar uitgerekend datgene waar ze bang voor zijn. Ze gaan in gevecht met de boze buitenwereld. “Kijk eens, hoe brutaal ik durf te zijn tegen Zwarte Piet!”

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Wat zit er achter het gedrag?

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het ogenschijnlijk onuitstaanbare gedrag liggen. De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.