Een volwassen peuter? (2)

Gisteren heb ik Dennis ontmoet. Hij is veertig jaar oud. Tijdens die ontmoeting kreeg ik van zijn moeder een beeldvormingsverslag. Het verslag is geschreven door een behandelaar in de GGZ. Zij geeft het volgende beeld:

Het performale IQ van Dennis ligt op de leeftijd van acht jaar. Performaal heeft o.a. te maken met de manier waarop je je kennis weet toe te passen. Sommige mensen hebben een goed geheugen, maar weten niet hoe ze hun kennis in de praktijk toe kunnen passen. Dat ‘scoor’ je lager op het performale IQ. Het meet hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je praktisch een probleem op bijvoorbeeld. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Dit performale IQ meet ook hoe je kunt plannen en organiseren.

Het verbale IQ van Dennis is qua leeftijd vergelijkbaar met een kind van zes jaar. Daarbij valt ook op dat wat hij begrijpt lager ligt dan wat hij zegt. Hij gebruikt waarschijnlijk soms moeilijke woorden, waarvan hij de betekenis niet kent. Dennis kan een beetje lezen en een beetje schrijven. Maar hij wist bijvoorbeeld niet wat 10.30 uur op de uitnodiging betekende.

De zelfredzaamheid van Dennis ligt op het niveau van zeven jaar. Hij woont zelfstandig, maar dat is allemaal best ingewikkeld voor hem. Hij kan stofzuigen in huis en een pannenkoek bakken. Hij trekt eens in de week schone kleren aan. Maar een heel huishouden runnen is te hoog gegrepen.

De emotionele ontwikkeling van Dennis is vergelijkbaar met een peuter van drie jaar. Hij reageert sterk impulsief. Zijn denken is zwart-wit. Hij is nauwelijks in staat om zich in te leven in anderen. Dennis kan zijn emoties nauwelijks benoemen: hij weet wat boos is en wat blij is, maar de emotie angst is al veel ingewikkelder.

Kunnen en aankunnen

Een cursus die ik regelmatig geef is ‘kunnen en aankunnen’. Wat betekent zo’n profiel nu voor het dagelijks leven? Globaal kun je zeggen dat Dennis zoveel kán als een kind halverwege de basisschool. Maar wat hij áán kan is lastiger. Hij heeft de kwetsbaarheid van een peuter.

Om een voorbeeld te noemen: als een kind van 8 jaar iets niet voor elkaar krijgt zal hij proberen om op een andere manier alsnog iets te regelen. Hij gaat hulp vragen of hij zoekt een andere manier om het doel te bereiken. Bij Dennis gebeurt dat niet. Hij stopt ermee en laat de boel liggen. Als er een paar van die dingen achter elkaar gebeuren stapt hij in bed en komt er voorlopig niet meer uit. Een naar verhouding kleine frustratie heeft voor hem grote gevolgen.

Is Dennis daarmee een peuter van drie jaar? Nee: hij is een man van middelbare leeftijd met veertig jaar levenservaring. Maar bij stress valt hij terug op ‘coping-mechanismen’ (omgang met stress) die passen bij de peuter: heel boos worden, er mee stoppen, niets meer willen. Hij heeft niet genoeg emotionele kracht om zelf actiever naar oplossingen te zoeken.

Vader en zoon

Onlangs kwamen vader en zoon el Hassan op het spreekuur. Het is de eerste keer dat ze een afspraak hebben. De zoon is 20 jaar en heeft een lichte verstandelijke beperking. Hij heeft een slechte mondzorg, en vindt het ook niet nodig om te poetsen. Bovendien drink hij zo’n 10 blikjes energydrank per dag: dat is één van de beste manieren om je gebit in een paar jaar tijds helemaal te verwoesten. Waarschijnlijk moeten er dan ook allerlei tanden en kiezen worden getrokken.

De zoon wil eigenlijk niet praten. Hij houdt zijn jas aan en zijn pet (achterstevoren) op. Dat de zoon niet praat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vader. Dat zijn zoon dwars ligt bij de behandeling is geen wonder. Dat ligt niet aan zijn zoon, maar aan het feit dat ze lang moesten wachten in de wachtkamer. Dat is een kwestie van organisatie.

De tandarts legt uit dat er een spoedgeval tussendoor kwam. Maar daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Ook dat is een kwestie van organisatie. Dan had een andere tandarts dat spoedgeval maar moeten doen.

De tandarts probeert meneer el Hassan uit te leggen dat soms dingen anders lopen dan zij zelf zou willen. Maar ook daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Hij heeft speciaal vrij genomen voor de afspraak met zijn zoon en nu moet hij nog meer vrij nemen omdat de tandarts te laat is. Daarbij richt hij zich vooral tot mij, alsof er met mannen beter te praten valt dan met vrouwen.

Te verwachten is dat de zoon van meneer el Hassan niet goed behandelbaar zal zijn als er zoveel stress vooraf is. Eerst moet er rust komen. Maar daar is meneer el Hassan het niet mee eens. Hij heeft het volste recht om boos te worden. Hij laat zich de mond niet snoeren door een tandarts. Hij is namelijk voor niemand bang.

Ontwikkelingsprofiel

Zou je het ontwikkelingsprofiel van dr. R.E. Abraham naast het gedrag van de heer el Hassan leggen, dan zou je daar een aanzienlijk aantal gedragingen in kunnen zien die passen bij het egocentrische wereldbeeld van de peuter. Hij ziet zichzelf als superieur aan de ander en de ander is er om zijn doelen te verwezenlijken (‘leverancier’). Hij heeft een overwaardig beeld van zichzelf: hij weet het beter hoe gebitten in elkaar zitten dan de tandarts. Het oplossend vermogen bestaat vooral uit het ageren tegen de ander en het benadrukken van de eigen kennis.

De wereld draait om hem en de wereld moet zich aan zijn wensen en behoeften aanpassen. Dat andere mensen met andere omstandigheden te maken hebben, daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Dat beeld past o.a. bij mensen die veel narcistische kenmerken hebben.

Kwetsbaarheid kleurt conflict

Zie ik in het gesprek nu een peuter voor me? Natuurlijk niet. Meneer el Hassan is een man die veel heeft bereikt en zich heus niet overal op deze manier zal gedragen. Wat ik daarnaast zie is dat diezelfde meneer kennelijk soms erg kwetsbaar is. Onder invloed van spanningen (bijvoorbeeld als de dag niet zo verloopt als hij gepland heeft) valt hij terug op een veel vroeger niveau van sociaal-emotioneel functioneren. Maar daarmee is meneer el Hassan natuurlijk geen peuter geworden.

Hoe iemand in emotioneel opzicht functioneert is een stukje van de totale persoon, waarbij ook veel andere aspecten (levensverhaal, ervaring, verstandelijke ontwikkeling enzovoorts) een rol spelen. Wie alleen maar in termen van leeftijden denkt doet de werkelijkheid van de persoon geweld aan.

Wat je wel ziet is dat de emotionele basiskleur meer een rol gaat spelen op het moment dat er sprake is van spanning. Wat meneer el Hassan doet is eigenlijk de controle over de situatie terug te halen door zichzelf ‘paradoxaal genoeg’ emotioneel kleiner te maken. Juist door zo hoog van de toren te blazen komt het kleine kind meer tevoorschijn.

Een volwassen peuter?

Marieke (22 jaar, ernstige verstandelijke beperking) is een patiënt die ik heb geobserveerd tijdens de behandeling bij de tandarts. Ik heb net een verslag afgerond waarbij ik aangeef dat ze tijdens de behandeling veel kenmerken liet zien die passen bij een sociaal-emotionele ontwikkeling van zes tot achttien maanden (de zogenaamde socialisatiefase).

Angelman syndroom

Eén van de meest in het oog springende kenmerken van die fase is dat een persoon zeer afhankelijk is van de stemming van de omgeving. Is er stress bij de ouders, hebben de ouders onvoldoende vertrouwen in de tandarts óf is de tandarts gespannen, dan merk je dat direct aan het gedrag van de patiënt. De behandeling van deze vrouw (met het Angelman Syndroom, ook wel het Happy Puppet Syndroom genoemd) zal dan moeizamer verlopen.

Reductionisme?

Dan laat ik nu weer Jan Gielen aan het woord (NTZ, december 2017): “De behandelaar dient zich te realiseren dat het herleiden van het totale sociaal-emotionele functioneren tot één ontwikkelingsfase een vorm van reductionisme is die méér in lijn zijn met het veronderstelde niveau van functioneren.”

Inderdaad: als je al het gedrag van Marieke zou relateren aan dit ene niveau van functioneren, dan doe je haar geen recht. Marieke is namelijk niet een vrouw die alleen maar functioneert als een baby/peuter van ongeveer een jaar oud.

Meerdere niveau van emotioneel functioneren

  1. In de eerste plaats hebben volwassenen (en dus ook Marieke) veel meer levenservaring

2. In de tweede plaats omvat het sociaal-emotionele niveau van functioneren een aantal verschillende aspecten, zoals de differentiatie in emoties (bepaalde emoties zijn nog niet aanwezig bij kleine kinderen), de afhankelijkheid van vertrouwde personen en de omgang met leeftijdgenoten.

3. In de derde plaats zijn er veel momenten waarin cliënten zoals Marieke aanzienlijk ‘hoger’ functioneren dan die zes tot achttien maanden.

Invloed van stress

Wat ik bij de tandarts zie is het functioneren op het moment van stress. De tandarts is voor haar een nieuwe en spannende situatie en zo’n situatie veroorzaakt bij iemand met kenmerken van autisme (zoals Marieke) altijd veel stress. Bij stress vallen mensen altijd terug op een lager niveau van sociaal-emotioneel functioneren en ook op een lager communicatief niveau. Wat ik bedoel te beschrijven is: wat gebeurt er op een moment van stress? Waar moet je als behandelaar dan rekening mee houden?

Met Jan Gielen ben ik het helemaal eens dat een statische beschrijving van het sociaal-emotionele niveau van mensen geen recht doet aan de persoon. Er bestaat niet één niveau van sociaal-emotioneel functioneren. Mensen zijn soms aanzienlijk sterker in hun functioneren.

Maar wat gebeurt er bij stress? Hoe afhankelijk is de cliënt dan bijvoorbeeld van zijn ouders, of van de rust vanuit de omgeving? Van dat laatste heb je een beter beeld als je de sociaal-emotionele basiskleur van de persoon herkent. Vanuit die basiskleur kun je gerichte adviezen geven over aspecten die bij de behandeling van belang zijn. Je hebt ook een beter beeld van de kwetsbaarheid van de patiënt.

De boze vader

Bij Marieke is het allemaal nog niet zo ingewikkeld. De verschillende niveaus van functioneren liggen niet zo erg ver uit elkaar. Verstandelijk functioneert ze (globaal) op de leeftijd van drie jaar, qua zelfredzaamheid ook op de leeftijd van drie á vier jaar en de sociaal-emotionele basiskleur valt te vergelijken met een kind van één jaar.

Maar hoe zit het dan met meneer el Hassan? Hij komt binnen met zijn zoon en heeft meteen al een oordeel over wat er niet goed is en niet goed gaat. Dat er omstandigheden zijn waarom dingen soms anders lopen, daar heeft hij geen boodschap aan. Is meneer el Hassan in emotioneel opzicht eigenlijk ook een peuter? Daarover morgen meer.

 

Een volwassen peuter? (4)

Wat is de zin van het vaststellen van de sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd? Met die zin zit ik eigenlijk al fout. Die leeftijd bestaat niet. Je kunt hem dus ook niet vaststellen.

Begeleidingsbehoefte

Maar waarom is het wel handig om een indicatie te hebben van het niveau van de sociaal-emotionele ontwikkeling? Omdat je daarmee de aard van de begeleidingsbehoefte beter in kaart kunt brengen.

Een aardige sleutel in dit verband is de vuistregel die Dorothea Timmers-Huygens ooit noemde: de effectieve afstand in meters staat gelijk aan de emotionele leeftijd in jaren. Een peuter van twee jaar geef je geen opdracht op een afstand van tien meter. Dan ben je veel te ver van die peuter vandaan. Je moet naar hem toe lopen. Pas binnen de afstand van twee meter komt jouw boodschap goed binnen.

Het betekent dat iemand die sociaal-emotioneel klein is altijd de begeleiding op voelbare afstand nodig heeft om goed te kunnen functioneren en om zich veilig te kunnen voelen.

Vier fasen

In dat verband maak ik zelf wel onderscheid tussen:

a. Het wieg/box kind (tot 1½ jaar)

b. Het huis en tuin kind (van 1½ jaar tot 4 jaar)

c. Het kind in huis, tuin en straat (5 jaar tot 10 jaar)

d. Het kind dat zich in het dorp of de stedelijke omgeving thuis kan voelen (> 10 jaar)

Uiteraard zijn die leeftijden dan heel globale aanduidingen. En als je kijkt naar de omgeving hangt het er ook vanaf hoe die omgeving er uit ziet. Een veilige straat in een rustige woonwijk is heel wat anders dan in een buurt waar veel hectiek en problematiek is.

De zaak Maddy

Een voorbeeld is de zaak van de destijds 3-jarige Madeleine Mc Cann die uit het vakantiehuis verdween toen haar ouders elders aan het eten waren.

Maddy was nog maar een huis-en-tuin kind. De ouders moesten op gehoorsafstand bereikbaar kunnen zijn. Dat geldt zeker voor een onbekende omgeving. Het alleen laten van een 3-jarige peuter in een onbekend huis is in pedagogisch opzicht een grote fout. Een peuter zal zich dan echt onveilig voelen. Hij/zij moet weten dat de ouders ‘beroepbaar’ zijn.

Dynamisch begrip

Er zijn volwassenen die in sociaal-emotioneel opzicht net zo kwetsbaar zijn als Maddy. Moet meneer De Vries (27 jaar) dan altijd in hetzelfde huis blijven wonen als zijn moeder?

Wie de sociaal-emotionele ontwikkeling als een star cijfer in beeld probeert te krijgen doet geen recht aan de werkelijke situatie. Het sociaal-emotionele functioneren van volwassenen fluctueert voortdurend. Is er sprake van veel stress, dan vallen volwassenen terug op vroegere niveaus van sociaal-emotioneel functioneren. De zeer intelligente meneer De Vries blijkt opeens gedrag te vertonen dat ook bij een koppige peuter zou kunnen passen.

Je doet meneer De Vries geen recht als je alleen van dat (stukje) gedrag uit gaat. Meneer De Vries is geen peuter in een volwassen lichaam, in stress-situaties kan hij terugvallen naar het niveau dat kan passen bij een peuter van 2½ jaar.

Ik spreek in dit verband dan ook liever van de sociaal-emotionele basiskleur.

Een volwassen peuter (3)

Kun je wel spreken van een sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd? Dat is de vraag die o.a. Jan Gielen stelde in het NTZ van december 2016. Maar hij is niet de eerste die kritische kanttekeningen plaatst. Professor P.C.C Duker beweerde destijds tijdens een congres zelfs dat dit begrip helemaal niet bestaat, ‘want je kunt het niet meten’. Wat je niet ziet bestaat niet.

Inmiddels heeft met name de Universiteit van Gent veel onderzoek gedaan naar dit begrip en ook enige wetenschappelijke onderbouwing aangereikt. Toch blijven de kritische vragen komen. Kun je stellen dat een volwassen man een kalenderleeftijd heeft van 32 jaar, een verstandelijke ontwikkeling heeft die past bij die leeftijd en een sociaal-emotionele ontwikkeling heeft van 3½ jaar?

Een mens is geen cijfer

Mijn mening is dat je – als je de totale ontwikkeling vastlegt in een cijfer – de persoon altijd tekort doet. Dan heb je het over het ‘wat’, maar niet over het ‘wie’. Maar dat geldt zowel de sociaal-emotionele ontwikkeling als de verstandelijke ontwikkeling. En het geldt ook voor het uitdelen van allerlei etiketten aan mensen, zoals bijvoorbeeld autisme of dementie.

Een volwassen man is geen peuter die op de leeftijd van 3½ jaar functioneert, hij is ook geen IQ van 102, hij is ook niet ‘de autist’. Dat bijna alle gemeentes en indicatieorganen zich op zo’n cijfer blindstaren getuigt van grote moeite om in nuances te kunnen denken. Beneden een IQ van 75 heb je wel recht op ondersteuning, boven het IQ van 75 heb je géén recht op zorg…

Positieve eigenschappen

Het denken in statische getallen doet daarnaast geen recht aan de positieve aspecten van de persoonlijkheid. Die man van 32 jaar ‘met een sociaal-emotionele ontwikkeling van 3½ jaar’ heeft ondertussen wel 32 jaar levenservaring. Hij heeft geleerd om zich op een bepaalde manier aan te passen aan zijn omgeving. Bovendien heeft hij vast ook een aantal specifieke eigenschappen ontwikkeld waarmee hij boven anderen uitsteekt.

Meneer Baanstra

De heer Baanstra heeft een middelbare beroepsopleiding gevolgd. Hij functioneert naar tevredenheid als beheerder van de inventaris in een magazijn. Hij heeft er een vrij solistische functie. Meneer Baanstra woont zelfstandig en heeft geen begeleiding nodig.

In zijn vorige functie moest de heer Baanstra veel met andere mensen samenwerken, maar dat ging hem niet goed af. Uit een psychologisch onderzoek kwam naar voren dat hij moeite heeft om zich te verplaatsen in andere mensen, met name als het tempo van de interactie hoog ligt. ook op school was hij een buitenbeentje: hij zonderde zich meestal af.

Het niet goed kunnen samenwerken en zich niet goed kunnen verplaatsen in anderen zou in sociaal opzicht geduid kunnen worden als kenmerkend voor de sociale ontwikkeling van de oudere peuter. Oudere peuters spelen ‘langs’ andere oudere peuters, maar ze zijn nog niet goed in staat tot samenspel, tot geven en nemen.  

Meneer Baanstra is geen peuter

Meneer Baanstra is een gewaardeerd medewerker van het bedrijf. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat hij op de één of andere manier ondersteuning nodig zou hebben om zich te handhaven in de samenleving. Als je over meneer Baanstra zou zeggen dat hij in sociaal opzicht functioneert zoals een 3½-jarige peuter zou iedereen uit zijn omgeving met de ogen knipperen.

Wat wel duidelijk zal zijn is dat het aangaan van een vaste relatie (met geven en nemen) voor meneer Baanstra ingewikkeld zou zijn. Laat staan de opbouw van een gezin met kinderen.

Sociale attitudes (4)

Een volgende fase in de ontwikkeling van de sociale attitudes wordt door R.E. Abraham de fase van de bevrijding genoemd.

Kenmerkend is dat de persoon zelf wil bepalen. Hij vindt dat niemand zich met hem moet bemoeien. Hij mag zelf denken en doen wat hij wil.

Als pubers en volwassenen in deze fase zijn blijven steken hebben ze een voorkeur voor het doen van spannende, verboden dingen. Ze rebelleren tegen alles wat vast ligt. “Als het moet doe ik het niet.” Ze dagen voortdurend uit om te kijken waar de grens ligt. Een voorbeeld uit het nieuws zijn de gedragingen die op TV zagen naar aanleiding van de problemen in de wijk Poelenburg in Zaandam.

Maar ook de beroepsquerulant die als een macho vecht tegen alle onrecht (de vaste ingezonden brievenschrijvers in regionale dagbladen) zou hier onder kunnen vallen.

Liever gelijk dan geluk

Opmerkelijk is dat het verzet tegen overheersing bij deze mensen zó bepalend is voor hun gedrag dat ze dóór gaan, ook als dat henzelf ernstige schade berokkent. “Liever gelijk dan geluk” (R.E. Abraham). Een gevangenisstraf of een zware boete heeft dan weinig effect. Het versterkt deze mensen juist in het gevoel dat hén onrecht is aangedaan.

Narcisme

In feite gaat het om narcistisch gedrag: “Ben ik in beeld?” Dat de ander schade wordt berokkend doet er dan niet toe. De empathie en zeker het kunnen mentaliseren (wat doe ik met mijn gedrag de ander aan en hoe kijkt de ander vervolgens naar mij?) is nauwelijks ontwikkeld.

Bij de bevrijding staat het streven naar ongebreidelde autonomie centraal. De persoon is vooral tégen, omdat iedere begrenzing kan leiden tot inleveren van autonomie. En dat pikt hij niet. Qua diagnose kom je bij kinderen in de buurt van de ODD: de oppositionele gedragsstoornis.

Ik noem het een stoornis, omdat samenwerking met anderen bijna niet mogelijk is. Binnen de kortste keren ontstaan er conflicten. Van mensen die psychisch gezond functioneren mag je verwachten dat ze in staat zijn om langdurig samen te werken.

Sociale attitudes (3)

 Opnieuw de stappen samengevat

In de eerste fase van het leven hebben kinderen nog geen ‘ik’ en daarmee geen structuur. Ze zijn afhankelijk van anderen die structuur bieden. Maar ze zijn ook erg gevoelig voor de stemming van anderen. Aan zichzelf overgeleverd overheerst de chaos.

In de tweede fase begint het kind een eigen ik op te bouwen. Maar hij is niet in staat om samen te werken. Hij wil vooral bepalen.

Tegenwind is nodig

Als een kind daar niet in wordt gecorrigeerd wordt dat een eigenschap die nauwelijks te doorbreken valt. Dat wordt o.a. genoemd als risico bij hoogbegaafde kinderen (hoe vervuild die ‘diagnose’ ook is, ik noem hem hier toch even). Ze leren niet om met tegenwind om te gaan, want ze zijn altijd sneller dan anderen. Het wordt een geautomatiseerde manier van denken.

Om emotioneel sterk te worden moet je regelmatig tegenwind ervaren en daardoor jezelf bij leren sturen. Als dat niet gebeurt kan dat leiden tot het alleen maar denken vanuit de Bovenpositie (Transactionele analyse). Het komt (deels) overeen met de Superioriteit in het boek van Prof. R..E. Abraham over het Ontwikkelingsprofiel.

Je komt het op allerlei niveaus tegen. De manager die bepaalt wat er moet gebeuren, de behandelaar die alleen maar zijn eigen lijn volgt, de echtgenoot die alles controleer en bepaalt in het gezin.

Mijn huwelijk is stukgelopen. Mijn man bepaalde alles. Ik ben van nature meegaand en flexibel. Maar daardoor gaf ik hem geen tegengas. Het ging van kwaad tot erger. Toen ik er niet meer tegen kon was het al te laat: we zaten al teveel vast in onze eigen patronen.

Mijn zoon lijkt veel op mijn ex-man. Als kind was hij de slimste, ze noemden hem wel hoogbegaafd. Maar ik vraag me af of hij niet ook trekken van autisme heeft. Net als mijn man voelt hij het niet goed aan wat anderen nodig hebben. Hij heeft ook een meegaande vriendin. Hij bepaalt wat ze gaan doen en zij vindt alles best. Daarom lijkt het goed te gaan in hun relatie, maar ik houd mijn hart vast. Maar ja, als moeder moet je je daar niet mee willen bemoeien. 

Mensen die van jongs af aan geen tegengas krijgen oefenen niet in het omgaan met gedeelde opvattingen. Ze willen anderen naar hun hand zetten. Lukt dat niet, dan worden ze boos, of nog meer bepalend, of ze kiezen ze voor een status aparte: ze gaan gewoon hun eigen gang.  uitzondering.

Voorbeelden:

* In een team wordt afgesproken voortaan eerst de tafel te dekken en dan de cliënten op te halen. Eén teamlid besluit om het anders te blijven doen. Zij zet eerst de cliënten aan tafel en dekt daarna de tafel.

* De eigenaren van een blok huizen dat onder architectuur is gebouwd besluiten gezamenlijk de voordeuren in de oorspronkelijke kleur te verven. Eén eigenaar doet niet mee. Hij wil zijn eigen kleur kiezen.

* Er wordt afgesproken dat de vergaderingen voortaan om half tien beginnen in plaats van om tien uur. Eén van de deelnemers is het hier niet mee eens en blijft om tien uur verschijnen.

 

Sociale attitudes (2)

Intermezzo

Ik ga nu nog even samenvattend terug naar de baby-en vroege peutertijd:

Het kind heeft nog geen eigen ‘ik’ en reageert dus op prikkels van binnenuit en vanuit de omgeving.

Babytijd

Je ziet bijvoorbeeld bij baby’s dat ze zeer gevoelig zijn voor de stemming van de moeder. Voor het welbevinden is de baby dus voor een groot deel afhankelijk van de vraag hoe het met de moeder gaat. Hopelijk zijn er in zo’n situatie (ook) andere opvoeders, zodat het kind minder afhankelijk wordt van (alleen) de moeder.

Prof. dr. Anton Dosen maakt in deze periode een tweedeling tussen de baby van 0 tot 6 maanden (dat noemt hij de adaptatiefase) en de baby/ jonge peuter van 6 maanden tot 18 maanden (socialisatiefase). In beide fasen heeft het kind nog geen eigen identiteit, geen eigen ‘ik’.

Bij volwassenen bij wie de sociale ontwikkeling is gestagneerd in deze vroege fase van de ontwikkeling zie je nog steeds dit gedrag. Chaos, structuurloosheid en wisselvalligheid zijn overheersende kenmerken. Ik zeg wel eens in gesprekken met begeleiders: ‘de cliënt is een stuurloos scheepje op de woeste baren, jullie moeten de vuurtoren zijn die op zijn plek moet blijven staan’.

De oudere peuter

In de volgende fase probeert het kind grip te krijgen op al die indrukken en stemmingen. Dat doet het o.a. door te proberen structuur in het leven te ‘organiseren’. Andere mensen zijn in principe onvoorspelbaar. Wat de peuter probeert is om andere mensen meer voorspelbaar te laten zijn. Dat verklaart ook waarom peuters zo dwingend en eisend kunnen zijn. Ze willen op die manier de wereld kloppend maken.

Helaas zijn er mensen die dat patroon nooit meer afleren. Ze kunnen nauwelijks samenwerken. Het gaat alleen goed als zij bepalen wat er gaat gebeuren. Ze blijven in sociaal opzicht peuters.

En dan nu de vierde fase:

4. Afhankelijkheid

Hoe vreemd het er ook uit ziet: een variant op de in het vorige blog genoemde superioriteit is de afhankelijkheid. In feite zie je in dit spanningsveld de peuter terug die het zelf wil doen en die tegelijkertijd geholpen wil worden. Of de puber die zelf wil bepalen, maar ook wil dat er voor hem gezorgd wordt.

Twee gezichten

Je vindt deze emotionele controverse bij cliënten die in hun sociale omgeving als zeer dominant worden gezien, maar die in de ogen van bijvoorbeeld de therapeut of de pastor ‘zo mak als een lammetje’ zijn. Deze mensen vertellen vaak omstandig wat ‘de psych’ of ‘pastor Peter’ hebben verteld. Ze vertellen niet hun eigen mening, waar verschuilen zich achter een ander tegen wie ze opkijken. Je komt dit kenmerk nogal eens tegen bij mensen met een bepaalde variant op de borderline-stoornis.

 Mevrouw Eringa

In de loop van een aantal jaren heeft mevrouw Eringa steeds meer problemen gekregen met mensen in haar omgeving. Ze is daardoor geïsoleerd geraakt. Regelmatig sluit ze zich op in haar huis. Volgens haar ligt dat allemaal aan de andere mensen die allemaal tegen haar zijn. In feite heeft ze daarmee uitvergroot wat er tussen haar en andere mensen gebeurt: ze wil bepalen hoe de zaken lopen, in de buurt, in het vrijwilligerswerk, in de kerk. Als mensen een andere mening hebben vindt ze dat die mensen niet samen kunnen werken en tegen haar zijn.

 In de therapie stelt ze zich echter klein en afhankelijk op. Ze kijkt hoog op tegen de therapeut. Alles wat hij zegt neemt ze voor waar aan. Naar anderen toe geeft ze steeds vaker niet haar mening, maar ze zegt: “Mijn psych vindt dat ik….” De psychiater functioneert als ‘hulp ik’. 

In feite gaat het om twee keerzijden van hetzelfde verhaal. De persoon is zeer afhankelijk van anderen omdat zijn eigen ‘ik’ onvoldoende ontwikkeld is. Als je weinig eigen ‘ik’ hebt kun je dat ik ‘opblazen’ door voor de ander te gaan/willen bepalen. Je kunt ook je eigen ‘ik’ inleveren door de ander te laten bepalen wat er gaat gebeuren of hoe je moet denken.  

We-dentity en I-dentity (2)

Vanaf 1½ jaar begint geleidelijk de ik-ontwikkeling van kinderen op gang te komen. Voor die leeftijd kunnen ze al wel ‘dwars’ lijken (iets niet willen), maar dat is geen koppigheid. Al een aantal jaren geleden heb ik dat gedrag beschreven in het artikel ‘Koppig, dwars of eigenwijs?’ (Klik). Een kind van 1½ jaar kan nog niet koppig zijn. Het kan ook nog niet iets expres doen, om de opvoeder de pesten.

Voor de 1½ jaar werkt de gedragsregulatie van kinderen nog niet. Ze hebben nog geen I-dentity. Ze vallen samen met de opvoeder (We-dentity).

Ik schrijf hier over kinderen (baby’s en peuters), maar er zijn ook volwassenen die (zeker bij stress) functioneren op dit vroege sociaal-emotionele niveau.

Wat zijn kenmerken van kinderen zonder I-dentity?

1. Kinderen zonder I-dentity kunnen hun behoeften nog niet uitstellen. Sterker nog: ze vallen in feite helemaal samen met hun behoeften. Een baby die honger heeft denkt niet ‘ik lig hier lekker, maar ik zou wel een flesje melk lusten’. Hij heeft geen honger, hij is honger. Dat vraagt van de opvoeders dat ze hun behoeften even opzij zetten, om tegemoet te komen aan de behoeften van het kind.

De moeder vertelde dat haar dochter (10 maanden oud) om rond zes uur steeds harder begon te huilen. Ze ging er vanuit dat de baby honger had. Maar ze vond dat haar dochter maar even moest wachten totdat GTST was afgelopen. Voor de moeder waren het misschien goede tijden, maar op dat moment waren het voor de dochter slechte tijden. De moeder had geen enkel idee van de (on)mogelijkheid van haar dochter om haar behoefte uit te stellen.

2. Een tweede kenmerk van kinderen in de fase van de We-dentity is dat ze gemakkelijk van slag raken. Sterker nog: als ze van slag zijn geraakt is het gevolg meteen ook heftig. Wat bij de baby begint als een klein darmkrampje kan binnen één minuut ellende van top tot teen betekenen. Bij een baby is heftige reactie voor de ouders nog bij te sturen. In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking bevinden zich duizenden volwassenen die geen I-dentity hebben ontwikkeld. Ze zijn volwassen en fysiek erg sterk. Dat gedrag is vaak maar moeilijk bij te sturen.

 Klaas krijgt zijn schoenen aan. Als hij gaat staan doet het pijn. Klaas kan niet vertellen dat het zeer doet. Hij geeft een schreeuw en binnen een paar seconden krijgt Berend die naast hem staat een klap. Een steentje in de schoen kan leiden tot een groot gedragsprobleem.

3. Een derde kenmerk van kinderen in de fase van de We-dentity is dat stemmingen zomaar om kunnen slaan. Zoals de vrolijk lachende baby van een darmkrampje van top tot teen van slag kan raken, zo kan ook de stemming een volwassene met een in een vroege fase geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling van de ene op de andere minuut helemaal omslaan.

John zit vrolijk mee te zingen met de TV. Op bijna datzelfde moment gooit hij een kopje door de ruimte. Niemand begrijpt wat er aan de hand is. John was toch vrolijk?

Daarnaast zijn positieve ervaringen voor mensen met weinig I-dentity vaak ook belastend. Zoals de baby van slag kan raken van aandacht die hij op zichzelf leuk vindt, zo kan ook een volwassene met weinig I-dentity van slag raken van dingen waar hij van geniet. Ik zeg dan wel eens: “de gevoelsthermostaat is stuk”.

(wordt over een aantal dagen vervolgd).

Sociaal-emotionele basiskleur

Eén van de thema’s die iedere begeleider van cliënten in de vingers moet hebben is het sociaal-emotionele niveau van functioneren. Dat is een thema waar ik zelfs tandartsen mee bestook. Binnenkort geef ik voor hen weer een tweedaagse cursus over dit onderwerp.

We hebben het altijd maar weer over schoolprestaties en over het IQ. Maar het sociaal-emotionele niveau van functioneren is veel meer bepalend voor het gedrag dan het cognitieve niveau. En om nog even een zijspoor te nemen: de mate waarin een kind in staat is om zijn gedrag bij te sturen is meer bepalend voor het kunnen functioneren in de samenleving dan het IQ. Het is trouwens niet helemaal een zijspoor: dat heeft ook weer met de sociaal-emotionele ontwikkeling te maken.

Ik spreek trouwens liever niet over het sociaal-emotionele niveau, want dat bestaat in feite niet. Ik spreek al helemaal niet over het EQ. Dat was enkele jaren een hype, waar je verder weinig mee kunt. Het gaat om de sociaal-emotionele basiskleur.

Een voorbeeld uit een bespreking die ik gisteren had. De vraag was: moet je bij Pieter steeds alles hetzelfde doen of kun je variëren? Binnen veel autisme-denken wordt er vanuit gegaan dat alles hetzelfde moet. Volgens Jacques Heijkoop is dat idee rampzalig. Hij propageert geplande variatie.  Als je de regel afspreekt moet je ook de variatie afspreken.

Bij Pieter, een volwassen man die ooit was gediagnostiseerd als ‘autist’ kwam ik uit op een sociaal-emotionele basiskleur van zes maanden. Dat betekent dat hij op de grens van twee fasen functioneert. Bij hem hoeft (daarom) niet een strak regime te worden gehanteerd waarbij alle begeleiders precies hetzelfde doen. Sterker nog: het zou zelfs kunnen leiden tot allerlei nieuwe problemen.

Hoe de dag wordt ingedeeld en in welke volgorde spreek je wél af. Je spreekt ook af op welke manier je met Pieter communiceert. De sfeer in je woorden is belangrijk, maar Pieter begrijpt weinig van onze gesproken woorden. Verwacht dus niet van hem dat hij jouw woorden begrijpt. Laat vooral zien wat je wilt gaan doen.

Maar verder: kies in je contact een vorm waarbij je met jezelf afspreekt wat je gaat doen. Pieter kan namelijk onderscheid maken tussen begeleiders. Precies zoals de baby van een half jaar. Mamma zingt altijd drie liedjes en pappa doet kiekeboe-spelletjes. Als pappa opeens liedjes gaat zingen en mamma doet kiekeboe-spelletjes, dan klopt het niet. Dus zoek een contact-vorm die bij jou past en hou dat voorlopig (de komende maanden) vol.

 

Transactionele analyse en sociaal-emotionele basiskleur

transactionele analyseAl veel vaker heb ik over dit onderwerp geschreven.

Gisteren in de trein kreeg ik een brainwave. Dat is het voordeel van het schudden van de trein als je over een rijtje wissels rijdt.

De brainwave was de volgende: de positie die mensen innemen heeft alles te maken met hun sociaal-emotionele basiskleur. 

Hoe verder iemand zich sociaal-emotioneel heeft kunnen ontwikkelen: des te meer zal hij in staat zijn om samen te werken (dat is de volwassen positie).

Baby’s, peuters en jonge kleuters kunnen niet samen werken. Een peuter kan vaak alleen samen spelen met anderen als er een volwassene in de buurt is. Is die volwassene niet in de buurt, dan zal die peuter proberen het spel van het andere kind te bepalen. Om maar niet te spreken van het doen van een spelletje en het tegen je verlies kunnen, dat is al helemaal moeilijk.

Mensen die tijdens deze vroege ontwikkelingsfasen emotioneel grote schade hebben opgelopen zullen vaak de Ouder-positie innemen. Dat is de boven-positie: ik bepaal hoe jij je moet gedragen, hoe jij moet denken, hoe jij moet handelen. Een voorbeeld is de narcist, die helemaal vanuit zichzelf denkt en bepaalt wat de ander moet doen. Dat is een vorm van egocentrisch denken. Er zit weinig samen in.

Als de hechting verstoord is verlopen (bijvoorbeeld angstig-ambivalent) zul je zien dat het beeld wisselend is. De boven-positie wordt snel en onvoorspelbaar afgewisseld door de onder-positie. De persoon is op het ene moment groot en bepalend en heel snel daarna zit de persoon in één van de kind-posities (‘ik ben zielig’, ‘niemand luistert naar mij’, ‘ze moeten altijd mij hebben’). Dat is vaak de slachtoffer-positie. Je ziet dit patroon o.a. vaak met mensen met borderline-problematiek.

Hoe gezonder de sociaal-emotionele basiskleur, hoe bredere de balk van de volwassen-positie zal zijn. De persoon kan goed samenwerken en weet in verschillende situaties de daarbij passende rollen aan te nemen…

Of het waar is weet ik natuurlijk niet. Het kwam door de wissels bij station Leiden dat ik op dit idee kwam. Maar volgens mij zit er wel iets in…