We-dentity en I-dentity

Dat klinkt heel ingewikkeld. Ik heb er al eerder over geschreven. De begrippen komen uit de theorie achter de schaal voor emotionele ontwikkeling (SEO R 2). De theoretische onderbouwing werd voor een deel geschreven door de Belgische orthopedagoge Lien Claes (2016).

Het eigen ‘ik’

In de sociaal-emotionele ontwikkeling is de grootste verandering de ‘ik-ontwikkeling’. De baby en de jonge peuter hebben nog geen eigen ‘ik’. Lien Claes schrijft in dat verband over we-dentity: het kind valt in emotioneel opzicht nog samen met belangrijke anderen. Vanaf ongeveer anderhalf jaar begint het eigen ‘ik’ op gang te komen. Het kind ontdekt dat hij ook iets anders kan willen dan de volwassene.

Twee jaar en drie jaar

In de cursussen die ik geef over sociaal-emotionele ontwikkeling noem ik voor peuters twee fasen:

2 jaar: “Ik ben twee en ik zeg nee”

3 jaar: “Ik ben drie en ik wil de regie.”

Het verschil tussen die twee jaar en die drie jaar is dat een kind van twee jaar nog niet goed kan ‘plannen’. Het weet dus wel wat het niet wil, maar nog niet (goed) wat het wél wil.

Gestagneerd of geblokkeerd? 

Vroeger dacht ik dat de meest spannende fase in de ontwikkeling het zich leren hechten was. Inmiddels denk ik daar anders over: de meest spannende emotionele opdracht is het leren loslaten. Er zijn kinderen bij wie dat niet lukt. Prof. dr. Anton Dosen spreekt daarbij van twee varianten:

a) De gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling gaat op allerlei terreinen wél verder, maar de sociaal-emotionele ontwikkeling stagneert)

b) De geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling op alle gebieden loopt vast, dus ook de intelligentie blijft vér achter).

In vogelvlucht

Er kunnen tientallen aspecten genoemd worden rond de kenmerken van een vroege sociaal-emotionele ontwikkeling. Ik licht er nu uit mijn eigen bevindingen één aspect uit: de sociale ontwikkeling. Hoe reageren mensen in een bepaalde fase op andere mensen? Dat doe ik heel kort, want ook hier valt weer een boek over te schrijven.

a) Tot zes maanden overheerst de chaos. Het kind kan zelf geen structuur in het leven aanbrengen. Dat betekent ook dat de reactie naar anderen toe ‘chaotisch’ is. Het kan uiteindelijk zo zijn dat iemand die op dit niveau functioneert zichzelf af gaat sluiten van de omgeving en daardoor juist heel star wordt.

b) Van zes tot achttien maanden vallen de emoties van kinderen voor een belangrijk deel samen met die van belangrijke personen uit de omgeving.

Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een volwassene die in deze fase is gestagneerd de kleur van de ander aanneemt: houdt de bezoeker van Ajax, dan wordt die persoon ook een fan van Ajax; houdt de bezoeker van klassieke muziek, dan luistert de betrokken persoon ook graag naar klassieke muziek. Maar dat kan dus zomaar omslaan in Feijenoord en in heavy metal. 

c) Van achttien tot zes-en-dertig maanden zie je dat de angst voor controleverlies groot is. Het eigen ik is kwetsbaar. Daarom zijn deze mensen iedere keer weer bang dat een ander de regie overneemt. Deze fase vertaalt zich bijvoorbeeld in verzet tegen alles wat een ander vraagt (‘als het moet doe ik het niet’).

In sociaal opzicht valt o.a. op dat mensen goed weten wat ze zelf willen. ‘Dat wil ik’ is een sleutelbegrip. Maar ook ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken’. ‘Wat wil jij’ komt als wisselwerking en als beurtverdelen nog niet ter sprake.

En als je om je heen kijkt zul je ontdekken dat er heel wat volwassenen zijn die in sociaal-emotioneel opzicht zich vaak nog als peuters gedragen…

Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.

Een volwassen peuter? (2)

Gisteren heb ik Dennis ontmoet. Hij is veertig jaar oud. Tijdens die ontmoeting kreeg ik van zijn moeder een beeldvormingsverslag. Het verslag is geschreven door een behandelaar in de GGZ. Zij geeft het volgende beeld:

Het performale IQ van Dennis ligt op de leeftijd van acht jaar. Performaal heeft o.a. te maken met de manier waarop je je kennis weet toe te passen. Sommige mensen hebben een goed geheugen, maar weten niet hoe ze hun kennis in de praktijk toe kunnen passen. Dat ‘scoor’ je lager op het performale IQ. Het meet hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je praktisch een probleem op bijvoorbeeld. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Dit performale IQ meet ook hoe je kunt plannen en organiseren.

Het verbale IQ van Dennis is qua leeftijd vergelijkbaar met een kind van zes jaar. Daarbij valt ook op dat wat hij begrijpt lager ligt dan wat hij zegt. Hij gebruikt waarschijnlijk soms moeilijke woorden, waarvan hij de betekenis niet kent. Dennis kan een beetje lezen en een beetje schrijven. Maar hij wist bijvoorbeeld niet wat 10.30 uur op de uitnodiging betekende.

De zelfredzaamheid van Dennis ligt op het niveau van zeven jaar. Hij woont zelfstandig, maar dat is allemaal best ingewikkeld voor hem. Hij kan stofzuigen in huis en een pannenkoek bakken. Hij trekt eens in de week schone kleren aan. Maar een heel huishouden runnen is te hoog gegrepen.

De emotionele ontwikkeling van Dennis is vergelijkbaar met een peuter van drie jaar. Hij reageert sterk impulsief. Zijn denken is zwart-wit. Hij is nauwelijks in staat om zich in te leven in anderen. Dennis kan zijn emoties nauwelijks benoemen: hij weet wat boos is en wat blij is, maar de emotie angst is al veel ingewikkelder.

Kunnen en aankunnen

Een cursus die ik regelmatig geef is ‘kunnen en aankunnen’. Wat betekent zo’n profiel nu voor het dagelijks leven? Globaal kun je zeggen dat Dennis zoveel kán als een kind halverwege de basisschool. Maar wat hij áán kan is lastiger. Hij heeft de kwetsbaarheid van een peuter.

Om een voorbeeld te noemen: als een kind van 8 jaar iets niet voor elkaar krijgt zal hij proberen om op een andere manier alsnog iets te regelen. Hij gaat hulp vragen of hij zoekt een andere manier om het doel te bereiken. Bij Dennis gebeurt dat niet. Hij stopt ermee en laat de boel liggen. Als er een paar van die dingen achter elkaar gebeuren stapt hij in bed en komt er voorlopig niet meer uit. Een naar verhouding kleine frustratie heeft voor hem grote gevolgen.

Is Dennis daarmee een peuter van drie jaar? Nee: hij is een man van middelbare leeftijd met veertig jaar levenservaring. Maar bij stress valt hij terug op ‘coping-mechanismen’ (omgang met stress) die passen bij de peuter: heel boos worden, er mee stoppen, niets meer willen. Hij heeft niet genoeg emotionele kracht om zelf actiever naar oplossingen te zoeken.

Vader en zoon

Onlangs kwamen vader en zoon el Hassan op het spreekuur. Het is de eerste keer dat ze een afspraak hebben. De zoon is 20 jaar en heeft een lichte verstandelijke beperking. Hij heeft een slechte mondzorg, en vindt het ook niet nodig om te poetsen. Bovendien drink hij zo’n 10 blikjes energydrank per dag: dat is één van de beste manieren om je gebit in een paar jaar tijds helemaal te verwoesten. Waarschijnlijk moeten er dan ook allerlei tanden en kiezen worden getrokken.

De zoon wil eigenlijk niet praten. Hij houdt zijn jas aan en zijn pet (achterstevoren) op. Dat de zoon niet praat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vader. Dat zijn zoon dwars ligt bij de behandeling is geen wonder. Dat ligt niet aan zijn zoon, maar aan het feit dat ze lang moesten wachten in de wachtkamer. Dat is een kwestie van organisatie.

De tandarts legt uit dat er een spoedgeval tussendoor kwam. Maar daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Ook dat is een kwestie van organisatie. Dan had een andere tandarts dat spoedgeval maar moeten doen.

De tandarts probeert meneer el Hassan uit te leggen dat soms dingen anders lopen dan zij zelf zou willen. Maar ook daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Hij heeft speciaal vrij genomen voor de afspraak met zijn zoon en nu moet hij nog meer vrij nemen omdat de tandarts te laat is. Daarbij richt hij zich vooral tot mij, alsof er met mannen beter te praten valt dan met vrouwen.

Te verwachten is dat de zoon van meneer el Hassan niet goed behandelbaar zal zijn als er zoveel stress vooraf is. Eerst moet er rust komen. Maar daar is meneer el Hassan het niet mee eens. Hij heeft het volste recht om boos te worden. Hij laat zich de mond niet snoeren door een tandarts. Hij is namelijk voor niemand bang.

Ontwikkelingsprofiel

Zou je het ontwikkelingsprofiel van dr. R.E. Abraham naast het gedrag van de heer el Hassan leggen, dan zou je daar een aanzienlijk aantal gedragingen in kunnen zien die passen bij het egocentrische wereldbeeld van de peuter. Hij ziet zichzelf als superieur aan de ander en de ander is er om zijn doelen te verwezenlijken (‘leverancier’). Hij heeft een overwaardig beeld van zichzelf: hij weet het beter hoe gebitten in elkaar zitten dan de tandarts. Het oplossend vermogen bestaat vooral uit het ageren tegen de ander en het benadrukken van de eigen kennis.

De wereld draait om hem en de wereld moet zich aan zijn wensen en behoeften aanpassen. Dat andere mensen met andere omstandigheden te maken hebben, daar heeft meneer el Hassan geen boodschap aan. Dat beeld past o.a. bij mensen die veel narcistische kenmerken hebben.

Kwetsbaarheid kleurt conflict

Zie ik in het gesprek nu een peuter voor me? Natuurlijk niet. Meneer el Hassan is een man die veel heeft bereikt en zich heus niet overal op deze manier zal gedragen. Wat ik daarnaast zie is dat diezelfde meneer kennelijk soms erg kwetsbaar is. Onder invloed van spanningen (bijvoorbeeld als de dag niet zo verloopt als hij gepland heeft) valt hij terug op een veel vroeger niveau van sociaal-emotioneel functioneren. Maar daarmee is meneer el Hassan natuurlijk geen peuter geworden.

Hoe iemand in emotioneel opzicht functioneert is een stukje van de totale persoon, waarbij ook veel andere aspecten (levensverhaal, ervaring, verstandelijke ontwikkeling enzovoorts) een rol spelen. Wie alleen maar in termen van leeftijden denkt doet de werkelijkheid van de persoon geweld aan.

Wat je wel ziet is dat de emotionele basiskleur meer een rol gaat spelen op het moment dat er sprake is van spanning. Wat meneer el Hassan doet is eigenlijk de controle over de situatie terug te halen door zichzelf ‘paradoxaal genoeg’ emotioneel kleiner te maken. Juist door zo hoog van de toren te blazen komt het kleine kind meer tevoorschijn.

Een volwassen peuter?

Marieke (22 jaar, ernstige verstandelijke beperking) is een patiënt die ik heb geobserveerd tijdens de behandeling bij de tandarts. Ik heb net een verslag afgerond waarbij ik aangeef dat ze tijdens de behandeling veel kenmerken liet zien die passen bij een sociaal-emotionele ontwikkeling van zes tot achttien maanden (de zogenaamde socialisatiefase).

Angelman syndroom

Eén van de meest in het oog springende kenmerken van die fase is dat een persoon zeer afhankelijk is van de stemming van de omgeving. Is er stress bij de ouders, hebben de ouders onvoldoende vertrouwen in de tandarts óf is de tandarts gespannen, dan merk je dat direct aan het gedrag van de patiënt. De behandeling van deze vrouw (met het Angelman Syndroom, ook wel het Happy Puppet Syndroom genoemd) zal dan moeizamer verlopen.

Reductionisme?

Dan laat ik nu weer Jan Gielen aan het woord (NTZ, december 2017): “De behandelaar dient zich te realiseren dat het herleiden van het totale sociaal-emotionele functioneren tot één ontwikkelingsfase een vorm van reductionisme is die méér in lijn zijn met het veronderstelde niveau van functioneren.”

Inderdaad: als je al het gedrag van Marieke zou relateren aan dit ene niveau van functioneren, dan doe je haar geen recht. Marieke is namelijk niet een vrouw die alleen maar functioneert als een baby/peuter van ongeveer een jaar oud.

Meerdere niveau van emotioneel functioneren

  1. In de eerste plaats hebben volwassenen (en dus ook Marieke) veel meer levenservaring

2. In de tweede plaats omvat het sociaal-emotionele niveau van functioneren een aantal verschillende aspecten, zoals de differentiatie in emoties (bepaalde emoties zijn nog niet aanwezig bij kleine kinderen), de afhankelijkheid van vertrouwde personen en de omgang met leeftijdgenoten.

3. In de derde plaats zijn er veel momenten waarin cliënten zoals Marieke aanzienlijk ‘hoger’ functioneren dan die zes tot achttien maanden.

Invloed van stress

Wat ik bij de tandarts zie is het functioneren op het moment van stress. De tandarts is voor haar een nieuwe en spannende situatie en zo’n situatie veroorzaakt bij iemand met kenmerken van autisme (zoals Marieke) altijd veel stress. Bij stress vallen mensen altijd terug op een lager niveau van sociaal-emotioneel functioneren en ook op een lager communicatief niveau. Wat ik bedoel te beschrijven is: wat gebeurt er op een moment van stress? Waar moet je als behandelaar dan rekening mee houden?

Met Jan Gielen ben ik het helemaal eens dat een statische beschrijving van het sociaal-emotionele niveau van mensen geen recht doet aan de persoon. Er bestaat niet één niveau van sociaal-emotioneel functioneren. Mensen zijn soms aanzienlijk sterker in hun functioneren.

Maar wat gebeurt er bij stress? Hoe afhankelijk is de cliënt dan bijvoorbeeld van zijn ouders, of van de rust vanuit de omgeving? Van dat laatste heb je een beter beeld als je de sociaal-emotionele basiskleur van de persoon herkent. Vanuit die basiskleur kun je gerichte adviezen geven over aspecten die bij de behandeling van belang zijn. Je hebt ook een beter beeld van de kwetsbaarheid van de patiënt.

De boze vader

Bij Marieke is het allemaal nog niet zo ingewikkeld. De verschillende niveaus van functioneren liggen niet zo erg ver uit elkaar. Verstandelijk functioneert ze (globaal) op de leeftijd van drie jaar, qua zelfredzaamheid ook op de leeftijd van drie á vier jaar en de sociaal-emotionele basiskleur valt te vergelijken met een kind van één jaar.

Maar hoe zit het dan met meneer el Hassan? Hij komt binnen met zijn zoon en heeft meteen al een oordeel over wat er niet goed is en niet goed gaat. Dat er omstandigheden zijn waarom dingen soms anders lopen, daar heeft hij geen boodschap aan. Is meneer el Hassan in emotioneel opzicht eigenlijk ook een peuter? Daarover morgen meer.

 

Een volwassen peuter? (4)

Wat is de zin van het vaststellen van de sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd? Met die zin zit ik eigenlijk al fout. Die leeftijd bestaat niet. Je kunt hem dus ook niet vaststellen.

Begeleidingsbehoefte

Maar waarom is het wel handig om een indicatie te hebben van het niveau van de sociaal-emotionele ontwikkeling? Omdat je daarmee de aard van de begeleidingsbehoefte beter in kaart kunt brengen.

Een aardige sleutel in dit verband is de vuistregel die Dorothea Timmers-Huygens ooit noemde: de effectieve afstand in meters staat gelijk aan de emotionele leeftijd in jaren. Een peuter van twee jaar geef je geen opdracht op een afstand van tien meter. Dan ben je veel te ver van die peuter vandaan. Je moet naar hem toe lopen. Pas binnen de afstand van twee meter komt jouw boodschap goed binnen.

Het betekent dat iemand die sociaal-emotioneel klein is altijd de begeleiding op voelbare afstand nodig heeft om goed te kunnen functioneren en om zich veilig te kunnen voelen.

Vier fasen

In dat verband maak ik zelf wel onderscheid tussen:

a. Het wieg/box kind (tot 1½ jaar)

b. Het huis en tuin kind (van 1½ jaar tot 4 jaar)

c. Het kind in huis, tuin en straat (5 jaar tot 10 jaar)

d. Het kind dat zich in het dorp of de stedelijke omgeving thuis kan voelen (> 10 jaar)

Uiteraard zijn die leeftijden dan heel globale aanduidingen. En als je kijkt naar de omgeving hangt het er ook vanaf hoe die omgeving er uit ziet. Een veilige straat in een rustige woonwijk is heel wat anders dan in een buurt waar veel hectiek en problematiek is.

De zaak Maddy

Een voorbeeld is de zaak van de destijds 3-jarige Madeleine Mc Cann die uit het vakantiehuis verdween toen haar ouders elders aan het eten waren.

Maddy was nog maar een huis-en-tuin kind. De ouders moesten op gehoorsafstand bereikbaar kunnen zijn. Dat geldt zeker voor een onbekende omgeving. Het alleen laten van een 3-jarige peuter in een onbekend huis is in pedagogisch opzicht een grote fout. Een peuter zal zich dan echt onveilig voelen. Hij/zij moet weten dat de ouders ‘beroepbaar’ zijn.

Dynamisch begrip

Er zijn volwassenen die in sociaal-emotioneel opzicht net zo kwetsbaar zijn als Maddy. Moet meneer De Vries (27 jaar) dan altijd in hetzelfde huis blijven wonen als zijn moeder?

Wie de sociaal-emotionele ontwikkeling als een star cijfer in beeld probeert te krijgen doet geen recht aan de werkelijke situatie. Het sociaal-emotionele functioneren van volwassenen fluctueert voortdurend. Is er sprake van veel stress, dan vallen volwassenen terug op vroegere niveaus van sociaal-emotioneel functioneren. De zeer intelligente meneer De Vries blijkt opeens gedrag te vertonen dat ook bij een koppige peuter zou kunnen passen.

Je doet meneer De Vries geen recht als je alleen van dat (stukje) gedrag uit gaat. Meneer De Vries is geen peuter in een volwassen lichaam, in stress-situaties kan hij terugvallen naar het niveau dat kan passen bij een peuter van 2½ jaar.

Ik spreek in dit verband dan ook liever van de sociaal-emotionele basiskleur.

Een volwassen peuter (3)

Kun je wel spreken van een sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd? Dat is de vraag die o.a. Jan Gielen stelde in het NTZ van december 2016. Maar hij is niet de eerste die kritische kanttekeningen plaatst. Professor P.C.C Duker beweerde destijds tijdens een congres zelfs dat dit begrip helemaal niet bestaat, ‘want je kunt het niet meten’. Wat je niet ziet bestaat niet.

Inmiddels heeft met name de Universiteit van Gent veel onderzoek gedaan naar dit begrip en ook enige wetenschappelijke onderbouwing aangereikt. Toch blijven de kritische vragen komen. Kun je stellen dat een volwassen man een kalenderleeftijd heeft van 32 jaar, een verstandelijke ontwikkeling heeft die past bij die leeftijd en een sociaal-emotionele ontwikkeling heeft van 3½ jaar?

Een mens is geen cijfer

Mijn mening is dat je – als je de totale ontwikkeling vastlegt in een cijfer – de persoon altijd tekort doet. Dan heb je het over het ‘wat’, maar niet over het ‘wie’. Maar dat geldt zowel de sociaal-emotionele ontwikkeling als de verstandelijke ontwikkeling. En het geldt ook voor het uitdelen van allerlei etiketten aan mensen, zoals bijvoorbeeld autisme of dementie.

Een volwassen man is geen peuter die op de leeftijd van 3½ jaar functioneert, hij is ook geen IQ van 102, hij is ook niet ‘de autist’. Dat bijna alle gemeentes en indicatieorganen zich op zo’n cijfer blindstaren getuigt van grote moeite om in nuances te kunnen denken. Beneden een IQ van 75 heb je wel recht op ondersteuning, boven het IQ van 75 heb je géén recht op zorg…

Positieve eigenschappen

Het denken in statische getallen doet daarnaast geen recht aan de positieve aspecten van de persoonlijkheid. Die man van 32 jaar ‘met een sociaal-emotionele ontwikkeling van 3½ jaar’ heeft ondertussen wel 32 jaar levenservaring. Hij heeft geleerd om zich op een bepaalde manier aan te passen aan zijn omgeving. Bovendien heeft hij vast ook een aantal specifieke eigenschappen ontwikkeld waarmee hij boven anderen uitsteekt.

Meneer Baanstra

De heer Baanstra heeft een middelbare beroepsopleiding gevolgd. Hij functioneert naar tevredenheid als beheerder van de inventaris in een magazijn. Hij heeft er een vrij solistische functie. Meneer Baanstra woont zelfstandig en heeft geen begeleiding nodig.

In zijn vorige functie moest de heer Baanstra veel met andere mensen samenwerken, maar dat ging hem niet goed af. Uit een psychologisch onderzoek kwam naar voren dat hij moeite heeft om zich te verplaatsen in andere mensen, met name als het tempo van de interactie hoog ligt. ook op school was hij een buitenbeentje: hij zonderde zich meestal af.

Het niet goed kunnen samenwerken en zich niet goed kunnen verplaatsen in anderen zou in sociaal opzicht geduid kunnen worden als kenmerkend voor de sociale ontwikkeling van de oudere peuter. Oudere peuters spelen ‘langs’ andere oudere peuters, maar ze zijn nog niet goed in staat tot samenspel, tot geven en nemen.  

Meneer Baanstra is geen peuter

Meneer Baanstra is een gewaardeerd medewerker van het bedrijf. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat hij op de één of andere manier ondersteuning nodig zou hebben om zich te handhaven in de samenleving. Als je over meneer Baanstra zou zeggen dat hij in sociaal opzicht functioneert zoals een 3½-jarige peuter zou iedereen uit zijn omgeving met de ogen knipperen.

Wat wel duidelijk zal zijn is dat het aangaan van een vaste relatie (met geven en nemen) voor meneer Baanstra ingewikkeld zou zijn. Laat staan de opbouw van een gezin met kinderen.

Sociale attitudes (4)

Een volgende fase in de ontwikkeling van de sociale attitudes wordt door R.E. Abraham de fase van de bevrijding genoemd.

Kenmerkend is dat de persoon zelf wil bepalen. Hij vindt dat niemand zich met hem moet bemoeien. Hij mag zelf denken en doen wat hij wil.

Als pubers en volwassenen in deze fase zijn blijven steken hebben ze een voorkeur voor het doen van spannende, verboden dingen. Ze rebelleren tegen alles wat vast ligt. “Als het moet doe ik het niet.” Ze dagen voortdurend uit om te kijken waar de grens ligt. Een voorbeeld uit het nieuws zijn de gedragingen die op TV zagen naar aanleiding van de problemen in de wijk Poelenburg in Zaandam.

Maar ook de beroepsquerulant die als een macho vecht tegen alle onrecht (de vaste ingezonden brievenschrijvers in regionale dagbladen) zou hier onder kunnen vallen.

Liever gelijk dan geluk

Opmerkelijk is dat het verzet tegen overheersing bij deze mensen zó bepalend is voor hun gedrag dat ze dóór gaan, ook als dat henzelf ernstige schade berokkent. “Liever gelijk dan geluk” (R.E. Abraham). Een gevangenisstraf of een zware boete heeft dan weinig effect. Het versterkt deze mensen juist in het gevoel dat hén onrecht is aangedaan.

Narcisme

In feite gaat het om narcistisch gedrag: “Ben ik in beeld?” Dat de ander schade wordt berokkend doet er dan niet toe. De empathie en zeker het kunnen mentaliseren (wat doe ik met mijn gedrag de ander aan en hoe kijkt de ander vervolgens naar mij?) is nauwelijks ontwikkeld.

Bij de bevrijding staat het streven naar ongebreidelde autonomie centraal. De persoon is vooral tégen, omdat iedere begrenzing kan leiden tot inleveren van autonomie. En dat pikt hij niet. Qua diagnose kom je bij kinderen in de buurt van de ODD: de oppositionele gedragsstoornis.

Ik noem het een stoornis, omdat samenwerking met anderen bijna niet mogelijk is. Binnen de kortste keren ontstaan er conflicten. Van mensen die psychisch gezond functioneren mag je verwachten dat ze in staat zijn om langdurig samen te werken.