Lastige kwetsbaarheid (5)

De ‘behoefte’ om ziek te zijn en dus even niet op je tenen te hoeven lopen begint vaak op jonge leeftijd. Peuters willen al groot zijn en toch ook weer klein. 

De dingen waar je tegen op ziet (oftewel: waar je te groot voor moet zijn) kun je ontlopen door je ziek voor te doen, of dat nu het eten van spruitjes is, de afwas, een logeerpartij of een tentamen op school.

Als je eczeem hebt en je houdt niet van zwemmen kun je dat ook weer in je voordeel gebruiken: je hoeft niet te zwemmen. Dat wordt ook wel  ziektewinst genoemd.

In extreme vorm worden psychische problemen soms vertaald in zelfverwonding. Hulpverleners beschouwen de behoefte aan aandacht te vaak als de enige of belangrijkste functie van zelfverwonding (Vandereijcken). Inderdaad komt het voor dat mensen zich ‘exhibitionistisch’ verwonden (“kijk mij eens!”; piercings op gevoelige plekken zijn daar een variant op), maar er zijn ook veel andere verklaringen mogelijk (in mijn werk kon ik meer dan 20 verschillende ‘oorzaken’ bij mijn cliënten bedenken).

Piercings op gevoelige plekken van het lichaam kunnen een vorm van verkapte zelfverwonding zijn

 

Ook ziekte van anderen kan emotionele winst opleveren. Zo kan het voor een moeder plezierig zijn als haar kind ziek is: het is extra aan haar gebonden en gaat niet naar school. Een andere extreme uiting van onderhuidse spanning is het syndroom van Münchhausen by proxy, waar op dit blog al meerdere maken aandacht aan is besteed.

Deze moeders (meestal met enige medische scholing, bijv. verpleging)  máken hun kind echt ziek. Vaak zie je ook dat de echtgenoot het erg druk heeft (wat weer als verlating wordt ervaren). Met die ziekte kopen ze aandacht van (meestal) artsen én ze hopen hun echtgenoot te binden. Vaak krijgen ze voor hun zorg veel waardering uit de omgeving; ‘dat je dat allemaal voor je kind over hebt!’ Soms is er ook materieel voordeel: een aangepaste auto of een verbouwd huis. Er zijn situaties bekend waarbij jaren later bleek dat die voorzieningen werden getroffen op basis van een ziekte die door de moeder zélf in stand werd gehouden.

Minder extreem, maar vaker voorkomend is het verschijnsel waarbij iemand via ziekten van andere mensen aandacht vraagt. Opeens is iemand die ernstig ziek is een héle goede vriend. De boodschap is dat niet dat die ‘vriend’ ziek is, maar dat jij er zo onder lijdt.

Ontwikkeling en verstoring van het ik (3)

De belangrijkste en meest ingewikkelde emotionele opdracht voor de peuter is om los te komen van zijn moeder. De belangrijkste emotionele opdracht voor de kleuter is om te komen tot een verdere uitbouw van zijn eigen ik, zijn ego. 

Voor de peuter (rond de twee jaar) liggen de bouwstenen van dat ego al klaar, maar het is allemaal erg weinig georganiseerd. Daardoor weet de (jonge) peuter vooral wat hij niet wil.

De kleuter gaat meer plannen maken, bedenken wat hij wél wil en ook ziet hij zichzelf meer als een persoon los van andere personen, met een eigen identiteit.

Er zijn echter mensen die stagneren in hun emotionele ontwikkeling. Dat kan in alle fasen van de ontwikkeling gebeuren, ook al vóór de kleuterperiode en zelfs al in de babytijd. Deze serie gaat er over wat er gebeurt als iemand in de kleuterfase emotioneel stagneert.

Stagnatie en blokkade

Mensen die in de kleuterperiode emotioneel stagneren kunnen vaak in cognitief opzicht goed mee komen.  Bij een blokkade in de sociaal-emotionele leeftijd is het beeld ernstiger, dan zie je op deze leeftijd al allerlei gevolgen op verschillende terreinen van de ontwikkeling, zowel lichamelijk als psychisch en in verstandelijk opzicht.

Bij een stagnatie van de emotionele ontwikkeling merk je in de eerste 15 levensjaren vaak niet zoveel aan het kind. De kwetsbaarheid komt vooral tot uiting als het op eigen benen moet gaan staan. En dan extra als de persoon veel stress ervaart. De zogenaamde 'coping mechanismen' (manieren om met problemen om te gaan) functioneren onvoldoende.

Kenmerken van een gestagneerde ontwikkeling in de eerste identificatiefase

Deze gestagneerde ontwikkeling kan (o.a.) leiden tot de volgende kenmerken) :

1. Afhankelijk zijn van goedkeuring door belangrijke anderen en zeer gevoelig zijn voor (vermeende) afwijzing.  De onzekerheid is zó groot dat er voortdurend bevestiging moet worden gegeven. Iedere keer weer wil men weten of het wel goed gaat. Als iemand geen waardering uitspreekt leidt dat tot onzekerheid. n worden ze onzeker. Dat maakt hen in zekere zin ‘verslaafd’ aan uitgesproken waardering door anderen.

2. Faalangst: uit het voorgaande valt af te leiden dat ook faalangst erg voor de hand ligt. Het vertrouwen in het eigen ik is onvoldoende ontwikkeld. Maar faalangst wordt vaak gecamoufleerd door ‘stoer’ gedrag, door de suggestie alles aan te kunnen. Als de faalangst overheersend wordt liggen zowel fobieën als het ontwikkelen van een depressie op de loer.

3. Egocentrisch denken en handelen: de peuter bekijkt de wereld vanuit zijn eigen perspectief. Als iemand stagneert in ontwikkeling in de eerste identificatiefase blijft dat een zwak punt. Wat de persoon zo ziet ‘moet’ de ander ook zo zijn.

Kenmerkend is een zin als “Iedereen is het met mij eens dat.” Of: “We zijn het er allemaal over eens dat…” Dat kan natuurlijk zo zijn, maar kenmerkend voor egocentrisch denken is dat het niet gecheckt wordt.

4. Autoriteitsconflicten: een kleuter vecht (net als de peuter) voor zijn eigen autonomie. Hij heeft al snel het gevoel dat anderen de baas over hem spelen. De angst die daar achter ligt is de angst voor controleverlies. Dat zien we ook bij deze mensen. Ze hebben het gevoel in verzet te moeten komen als er van hoger hand iets wordt beslist. “Ik kan niet tegen onrecht” hoor je hen vaak zeggen. Ze voelen zich heel snel opzij geschoven. De moeite met alles wat naar autoriteit riekt is regelmatig de oorzaak van arbeidsconflicten.

(wordt vervolgd)

Ontwikkeling en verstoring van het ‘ik’ (2)

Tussen drie en zeven jaar zijn de contouren van het huis van de persoon al duidelijk, maar het moet nog verder worden uitgebouwd. De fundering is aanwezig, de betonnen zijkanten staan er al, maar het huis is nog niet bewoonbaar voor de toekomst. Ramen en deuren zijn er niet, er moet nog van alles gemetseld worden, het dak moet er nog op.

Dit is de eerste indentificatiefase. Je ziet al wat voor ‘persoon’ het kind gaat worden, maar alles moet nog wel zijn plek krijgen. Er wordt ook wel gezegd: het kleine ‘ikje’ is al wel aanwezig, maar het is nog te fragmentarisch om echt een persoon te zijn. Peuters en kleuters zijn wispelturig, ze kunnen zomaar veranderen van idee, van eigenschappen, van voorkeuren. Ze hebben nog geen goed beeld van zichzelf en van de ander.

Wat gebeurt er als de stenen niet op hun plek komen? Als kinderen om de één of andere reden (vaak een interactie tussen allerlei factoren) hun identiteit in deze periode niet goed kunnen ontwikkelen?

Gestagneerd of geblokkeerd

We spreken dan van een gestagneerde (of bij ernstiger vormen: een geblokkeerde) sociaal-emotionele ontwikkeling.

Bij een gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling ontstaat een disharmonisch profiel. Delen van de ontwikkeling gaan gewoon door. In het dagelijks functioneren (bijvoorbeeld binnen de structuur van het werk) kan iemand prima zijn of haar draai vinden. Maar bij ernstige stress of langdurige overbelasting valt iemand terug op het vroege sociaal-emotionele niveau van de kleuter.

Bij een geblokkeerde sociaal emotionele ontwikkeling is iemand over de hele lijn van het functioneren ‘geïnvalideerd’ geraakt. De ontwikkeling van de intelligentie kan nog wel verder gaan, maar het kind (of de volwassene) komt minder ver dan je vroeger gedacht zou hebben. Er ontwikkelen zich angststoornissen, er is een groot risico op verslavingen (vooral vanaf de puberteit) en ook het risico op een psychose neemt toe. Er kan ook sprake zijn van voortdurende – vaak onbegrepen – lichamelijke klachten.

De puberteit en de adolescentie zijn hierbij cruciale perioden. Kinderen worden nog 'gestut' door het gezin en de school, maar de puber die los wil komen van zijn ouders moet voor een deel zelf het emotionele wiel zien uit te vinden. En net zoals bij de peuter is dat voor de puber een zware klus.

Mevrouw Eringa

Neem mevrouw Eringa. Ze heeft een baan met vrij veel verantwoordelijkheid. De afgelopen jaren functioneerde ze daar goed in. Haar leidinggevende gaf haar de benodigde ruimte, maar ook structuur. Als het ingewikkeld werd kon ze altijd bij hem terecht. Ze is inmiddels twintig jaar getrouwd. Het echtpaar heeft geen kinderen. Financieel hebben ze alles goed op orde. Een degelijk stel in een degelijk huis. Maar als je wat beter kijkt, dan zie je dat het goed gaat bij de gratie van de structuur. Het moet allemaal gaan zoals mevrouw Eringa in heer hoofd heeft. Dat geldt voor de zaken op haar werk. Alle medewerkers moeten volgens haar lijnen werken. Een eigen idee hebben over de inrichting van het werk wordt niet gewaardeerd. Die medewerkers hebben al snel een probleem. Ze heeft dan ook meteen haar oordeel klaar. Dat zijn niet gemotiveerde medewerkers. Vooral bij stress wordt de wereld voor haar zwart-wit. Je hebt goede mensen én je hebt slechte mensen.

Peuters zijn nog niet goed in samenspel. Ze spelen vooral naast andere peuters. Kleuters kunnen (onder enig toezicht) beter samenspelen. Maar bij spanning en zonder begeleiding vallen ze terug op het willen controleren van het spel. Ze worden 'baasjes' die anderen willen controleren.

Er komt een nieuwe leidinggevende. Zoals veel nieuwe leidinggevenden moet ook deze vrouw ‘scoren’ op een aantal veranderingen. Dat kan zinvol zijn, het kan ook vooral poeha zijn. Maar in ieder geval gaat het mis bij mevrouw Eringa. Ze heeft er al moeite mee dat ze onder een vrouw moet werken. Eigenlijk vindt ze dat zij die functie dan ook wel had kunnen krijgen. Het gaat nu op alle fronten mis. Mevrouw Eringa gaat steeds meer de werknemers controleren op hun werk. Ze moeten zich heel erg precies houden aan háár regels. Ze heeft meer nog dan voorheen over alles en iedereen haar woordje klaar. Ze weet precies hoe de wereld in elkaar zit.

Mevrouw Eringa was er altijd van overtuigd dat ze goed naar zichzelf kon kijken. Ze meende ook goed te kunnen relativeren. Maar van die vaardigheid blijkt niets meer over te zijn. Als iemand te dicht bij haar emoties komt ‘ontploft’ ze. Nog nét niet letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk. Ze scheldt een ander de huid vol, ze smijt met spullen, ze verscheurt papieren. Mensen die haar kennen verbazen zich er over. Hoe kan iemand met veel verantwoordelijkheid zó de controle over zichzelf verliezen? Wat is er met mevrouw Eringa aan de hand?

Wat je ziet zijn de gevolgen van een zwakke sociaal-emotionele basis. Er is sprake van veel aangeleerd gedrag, waardoor mevrouw Eringa het onder normale omstandigheden redelijk redt. Maar bij stress komt de kwetsbaarheid en het wisselvallige gedrag van een kleuter boven. Dan functioneert ze bij wijze van spreken opeens als een volwassen kleuter.

SEO Poes

De SEO is een schaal die de sociaal emotionele ontwikkeling in kaart brengt. Ooit heb ik van onze vorige kat, poes Poes, haar sociaal emotionele ontwikkeling op die manier vastgelegd. Op verzoek plaats ik die 'meting' nog een keer.

Het is niet gebruikelijk dat dossiers zomaar op een website komen te staan, maar Poes had mij destijds toestemming gegeven, in ruil voor een extra lekker hapje.

Hier zijn de samenvattende conclusies uit het onderzoek:

* Poes functioneert voornamelijk in de eerste twee fasen van de sociaal-emotionele ontwikkeling: de adaptatiefase en de socialisatiefase. Dat wil zeggen dat haar sociaal-emotionele basisniveau beneden de 18 maanden ligt, met een accent tussen 12 en 18 maanden.

De afzonderlijke items van de SEO loop ik niet langs, maar ik vat het sociale aspect samen: Poes is voornamelijk gericht op verzorgers, er is geen sprake van samenspel met leeftijdgenoten. Die jaagt ze bij voorkeur direct de tent uit.

En één specifiek emotioneel aspect: er is sprake van een heftige reactie op lust en onlust, van opwinding bij veranderingen, van paniek in onbekende situaties.

Er is nog niet echt sprake van een zelfbeeld, waardoor ook de differentiatie van emoties en de agressieregulatie in een vroeg stadium verkeren: deze uitingsvormen zijn minder gedifferentieerd en kunnen snel wisselen.

Mogelijk worden angsten beïnvloed door een sensorische overgevoeligheid, met name op het auditieve vlak.

Het gedrag van Poes wordt niet veroorzaakt door een basale hechtingsstoornis, wel is er sprake van een stagnatie in de hechting: de ik-ontwikkeling is niet voldoende op gang gekomen. Mogelijk is Poes in de symbiotische fase te snel gescheiden van haar moeder. Dat maakt Poes kwetsbaar voor de stemming van belangrijke anderen. Onrust bij haar verzorgers leidt direct tot onrust bij Poes.

Gezien haar leeftijd (bijna 19 jaar) lijkt een langdurige en intensieve behandeling niet geïndiceerd.

Wel is het van belang om bij de omgang met Poes rekening te houden met het kunnen volgen, herkennen, voorspellen en eigen invloed ervaren door Poes. Dat betekent dat de communicatie aangepast moet worden aan haar tempo van betekenisverlening. Als dat goed gebeurt kan het stress-niveau dalen.

Vanwege haar leeftijd is het invullen van een dementie-vragenlijst (DSVP) als basismeting gewenst. Daarbij moet ter correctie rekening worden gehouden met een versnelde schildklierfunctie.

Was getekend: Henk 50, Poezoloog

Inmiddels zijn er twee nieuwe versies van de SEO. Die zou ik los kunnen laten op Ringo. Maar hij heeft een lichte verstandelijke beperking en kan de consequenties van zijn toestemming onvoldoende overzien. Ik zie hem als wilsonbekwaam ter zake. Daarom plaats ik de uitkomst van de SEO R 2 van Ringo niet op dit weblog.

Emotionele ontwikkeling en kwetsbaarheid (2)

Ambulante begeleiding   

Om ‘teloorgang’ (zoals dat wel genoemd wordt) te voorkomen en vanwege de zorg voor het zoontje wordt Sandra ambulant begeleid. Meerdere malen per week komt er iemand langs en in het weekend extra vaak. Zonder die ondersteuning zou ze helemaal vastlopen. Maar de ambulant begeleiders hebben een zware klus aan de begeleiding van Sandra. Ze hebben het gevoel dat ze voortdurend op eieren moeten lopen. Eén ‘foute’ opmerking en je komt er niet meer in.

Financieel beheer

Omdat er ook steeds strijd was over de financiën van Sandra is het geldbeheer losgekoppeld van de begeleiding. Ze verwijzen direct door naar de bewindvoerder. Dat scheelt momenteel een hoop kopzorgen.

Opvoeding van het zoontje

De zorg voor haar zoontje werd vooral ingewikkeld toen het jongetje koppig gedrag vertoonde en niet meer deed wat Sandra wilde. Daar kon ze helemaal niet mee omgaan. Eigenlijk functioneerde Sandra in emotioneel opzicht als een peuter die ook nog eens een peuter op moest voeden. Toen werd er een kantelpunt bereikt waarbij het jongetje in een pleeggezin werd geplaatst.

Controle

Wat maakt dat begeleiders het gevoel hebben dat ze op eieren moeten lopen? Op het moment dat Sandra denkt dat iemand kritiek op haar heeft stort haar hele wereld in. Eén kleine opmerking of een blik zelfs wordt al gezien als een persoonlijke afwijzing. Dat is dan ook het moment dat ze de deur dicht houdt. Het is haar manier om de controle te houden: ze laat de ander niet toe en sluit zich af. Als ze vermoedt dat iemand zal vinden dat haar huis niet netjes is, is haar reactie: ‘Dan kom je er ook niet meer in’. Ze steekt haar kop in het zand. Ze wil wel graag dat de ander haar rommel opruimt, maar ze moet niet het gevoel hebben dat de ander ook maar een klein beetje denkt dat ze dat ook zelf wel had kunnen doen.

Passief

Als begeleiding in huis is, valt op hoe passief Sandra blijft. Het lijkt wel of ze de ambulant begeleiders als haar personeel ziet. Ze zit op de bank en kijkt toe wat de begeleiding doet. Ze gaat er vanuit dat zij de rommel wel op zullen ruimen. Het samen doen lijkt al een te grote stap te zijn. Als haar zoontje er is laat ze de begeleiding met hem spelen. Er komt niets uit haar handen. Ze ligt op de bank, heeft een Ipad in haar hand en lijkt het verder allemaal wel best te vinden. Als er van haar inzet wordt gevraagd ontsteekt ze in woede. Ziet de begeleiding dan niet hoe moe ze is?

Kwetsbaar  

Sandra is afhankelijk van wat anderen van haar ‘vinden’. Maar dat maakt haar ook emotioneel erg kwetsbaar. Ze wordt steeds weer overspoeld door de gedachte dat ze geen grip heeft. Ze is als het ware een eiland dat bij het minste of geringste zuchtje wind wordt overspoeld door de golven. Haar kwetsbaarheid reageert ze direct en heftig af op de ‘stomme’ begeleiding die er allemaal niets van snapt.

Executieve functies

In neurologisch opzicht kun je zeggen: de delen van de hersenen die het gedrag moeten sturen (de ‘bovenste en voorste lagen’, de executieve functies) vallen bij een klein beetje stress direct uit. Sandra kan dan alleen nog maar reageren vanuit ongeremde en heftige emotie.

Vechten of vluchten als controle

Hoe reageert Sandra in haar gedrag op (vermeende) kritiek? Ze kan vluchten of vechten: óf ze sluit zich af (vluchten: de deur dichthouden) óf ze zet de aanval in. Prof. Abraham noemt dit onthechten: nét doen of de persoon geen enkele betekenis meer heeft. Je kunt beter zélf iemand verlaten, dan dat de ander jou zou verlaten. Het vechten doet Sandra door de ander als persoon te diskwalificeren.

Een begeleidster vroeg aan Sandra of het tijd was voor de was: er was bijna geen schone kleding meer. Toen schold ze de begeleidster de huid vol: die was gewoon ontzettend lui, zo’n lui iemand had ze nog nooit meegemaakt; ze was zelfs nog te lui was om een was te doen. Ondertussen lag Sandra op de bank TV te kijken…

Uit de plaat

Op de film zien we een expert op wetenschappelijk gebied, die internationaal faam heeft verworven. Vanwege zijn verdiensten is hij uitgenodigd om in een ander land op een congres te komen spreken. Zoals gebruikelijk hoort er bij zo'n internationaal congres ook een excursieprogramma. Dus bezoekt het gezelschap een plaatselijke tempel.

De richtlijn geeft aan dat bezoekers aan de tempel hun schoenen uit moeten doen. En dan gebeurt het. De hooggeleerde meneer, keurig in het pak, weigert zijn schoenen uit te doen.

Nu kunnen er allerlei redenen zijn waarom mensen hun schoenen niet uit willen doen. Als ik op huisbezoek ga bij een gezin waarbij ik kan verwachten dat de schoenen uit moeten check ik bijvoorbeeld thuis altijd even mijn sokken. Die moeten in redelijke conditie zijn.

Misschien heeft de hooggeleerde meneer thuis niet gecontroleerd of hij vandaag wel zijn goede sokken aan heeft getrokken. Dan durft hij niet zijn schoenen uit te trekken, want je weet maar nooit… Hij zou dan ook kunnen beslissen om buiten te blijven. Hij deelt discreet mee aan de reisleider dat hij het niet gepast vindt om naar binnen te gaan. Desnoods met een smoes: “Ik ben allergisch voor de geur van wierook.”

Maar de hooggeleerde meneer doet iets heel anders. Hij gaat geheel uit zijn plaat. Het verzoek om zijn schoenen uit te doen ontaardt ter plekke in een enorme scheldpartij. En wat nog meer opvallend is, is dat het helemaal niet uitmaakt dat er andere aanzienlijke mensen om hem heen staan. Die zien nu hoe deze hoog in aanzien staande meneer zich opeens heel anders kan gedragen.

De meeste mensen die in zo’n situatie terecht komen zullen proberen zich in te houden. Eenmaal thuis gekomen krijgt de poes een schop, of de vrouw krijgt er van langs dat ze weer niet goed gekookt heeft. Maar deze meneer gaat dus temidden van collega’s uit de wetenschappelijke wereld (en voor het oog van de camera) enorm uit zijn dak.

Je kunt diverse wetenschappelijke titels op je naam hebben staan, maar die kennis is slechts wat je in je hoofd hebt zitten. Maar in stresssituaties zie je vaak het werkelijke functioneren van mensen. Deze meneer viel op dat moment behoorlijk door de mand. "Hij gedroeg zich als een klein kind" zei later één van zijn collega's.

Wat heeft Sandra nodig? (2)

Wat heeft Sandra nodig? Ik geef de antwoorden in telegramstijl:

  1. Hulpvraag: ben jij te vertrouwen of moet ik jou wantrouwen?
  2. Afstand en nabijheid: nabijheid op afstand, afstand helpen overbruggen door ‘trucjes’, bezigheden (bijv. ‘help je me even met de stoel te tillen?’, samen naar muziek luisteren, in de keuken naast elkaar bezig zijn), lichaamscontact (stevig een hand om de schouder leggen, niet bestraffend vasthouden) of containment (ik begrijp dat je boos bent, ik voel aan wat je emoties zijn, ik ben er om jou gerust te stellen).
  3. Structuur en grenzen: ‘in mijn wereld is het een chaos, daarom heb ik jou als gids nodig. En omdat het een chaos is, zie ik tegen iedere nieuwe stap op. Daarom heb ik ondersteuning nodig bij overgangen. Als je zegt dat ik moet douchen krijg ik dat niet voor elkaar’. Antwoord van de begeleider: ‘ik help jou een handje, want ik weet dat het moeilijk voor jou is om onder de douche te gaan’.
  • Daarnaast moet je als begeleider te volgen zijn, te herkennen, te voorspellen, zodat je een stabiel houvast bent: Sandra vertrouwt zichzelf niet, maar als begeleider ben je voor haar een baken in de woelige zee.
  1. Activiteiten: eenvoudig (dus van een lager niveau dan je Sandra inschat, ze kan zichzelf aankleden, maar het kost erg veel energie, het is bijvoorbeeld goed als je haar op gang helpt of haar kleren in de goede volgorde voor haar klaar legt).
  • Terugkerend (daarmee maak je de wereld voorspelbaar): voor iemand die in chaos leeft zijn patronen die zich herhalen goed. Het maken van een puzzel kan een goede activiteit zijn, omdat er structuur in zit.
  • Aandacht voor de relatie, voor het persoonlijke contact, mits je jezelf daarbij veilig voelt (wie ben jij?). Begeleiders die bang zijn voor het gedrag van Sandra of zich in haar nabijheid om een andere reden onveilig voelen moeten meer nadruk leggen op de activiteiten (‘in de activiteit’, Heijkoop). 
  1. Communicatie: in het hier en nu (‘waar zijn we nu mee bezig?’), altijd een paar stappen lager en eenvoudiger dan je denkt dat Sandra begrijpt. Een andere vorm zijn de contact-reflecties van Prouty. Je verwoordt wat je ziet en hoort: “Sandra loopt door de kamer, Liz is bij  Sandra”. Dit klinkt kinderachtig, maar het kan op dit niveau ook rustgevend werken. De intonatie in de stem is essentieel, want daar is Sandra heel gevoelig voor. Een harde stem valt samen met boosheid, een angstige stem betekent dat je voor Sandra geen baken in de woelige zee meer bent.
  2. Houding: de term ‘emotioneel neutraal’ roept veel vragen op, maar het is belangrijk om emotioneel niet dichtbij te komen. Hierbij speelt de theorie over de lage Expressed Emotion een belangrijke rol. Ik ben er voor jou, maar wat jij er mee doet, dat zien we wel. De vraag die Sandra stelt is of je betrouwbaar bent. Dat ben je niet als je een dosis emoties en verwachtingen over haar uitstort: “pas als je weer rustig bent heb ik mijn werk goed gedaan en heb jij aan mijn verwachtingen voldaan” (dat is de loden last van een emotionele hypotheek).

Kernwoorden zijn daarnaast ook:

– rustig handelen (een laag, doelbewust tempo hanteren; hoe sneller Sandra handelt, des te langzamer moet jij als begeleider handelen)

-begrenzen (dit kan wel, dat doen we niet) en

– beveiligen (omstandigheden die een risico inhouden zo mogelijk weghalen, zonder hier teveel nadruk op te leggen, bijvoorbeeld een schaar, glas enz).

Misschien klinkt het allemaal als vaagtaal. Dat is het ook voor een deel. Uiteraard moet iedereen zich dit soort stappen ook nog eigen maken. Daarbij is het erg belangrijk dat je weet wie je zelf als begeleider bent (je eigen kwetsbaarheid) en dat je sensitief (=gevoelig) en responsief (= weten wat je moet doen) bent voor de dingen die Sandra nodig heeft.

Het achterliggende model van dit advies werd ontleend aan Claes, Declerq e.a.: Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking (Garant, 2012 en 2016)

Wat heeft Sandra nodig? (1)

Bij de afname van de SEO- R2, een schaal voor emotionele ontwikkeling, kwam ik bij Sandra (uiteraard een gefingeerde naam en ook andere gegevens heb ik vermengd) uit op een sociaal-emotionele basiskleur van tussen de één of twee jaar. Ze zit in de zogenaamde socialisatiefase en nét een klein stukje in de eerste identificatiefase. Welke consequenties zou dat kunnen hebben voor de benaderen van Sandra? Een poging… 

Puber

Sandra is een kwetsbare puber. Aan de ene kant wil ze met de grote mensenwereld meedoen. Aan de andere kant is die wereld voor haar véél te groot en te bedreigend. Het liefste kruipt ze bij een begeleider op schoot om samen naar Sesamstraat te kijken.

LVB

Sandra heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat wordt vaak niet op tijd opgemerkt, omdat ze best goed haar woordje kan doen. Maar uit een intelligentie-onderzoek kwam naar voren dat haar ontwikkeling te vergelijken is met die van (heel globaal aangegeven) een kind van 7 á 8 jaar. Dan kun je al wel heel veel, maar dat binnen de veilige beschutting van een vertrouwde omgeving. Eenmaal los van je opvoeders is die wereld te groot en te onoverzichtelijk.

Diagnose?

Emotioneel loopt Sandra sterk achter bij haar verstandelijke ontwikkeling. Op de basisschool werd bij haar de diagnose PDD-NOS vastgesteld. Die diagnose zegt niet zoveel, omdat het een vergaarbak is van moeilijk plaatsbare gedragingen. In de nieuwe DSM-V is PDD-NOS dan ook vervallen als aparte diagnose. Een volgende psychiater sprak tijdens de puberteit van een hechtingsstoornis. Een derde opperde borderline…

Geen planning

Opvallend is de grote moeite die Sandra heeft bij het plannen en organiseren. Ze kan zich nauwelijks voorstellen welke stappen ze moet nemen om iets te regelen en te organiseren. Dat is vooral moeilijk voor haar als er iets buiten de deur plaats moet vinden. Ze kan zich dan helemaal geen beeld vormen: ze moet het voor zich zien. Een wegomlegging kan een groot probleem zijn: ze durft dan al helemaal de deur niet meer uit omdat ze bang is dat ze de weg kwijt raakt.

School

Sandra heeft op school gezeten, maar dat was emotioneel erg zwaar voor haar. De bedoeling was dat ze na de schooltijd naar dagbesteding zou gaan, maar tot nu toe is die stap te groot gebleken.

Hoewel je het heel anders zou verwachten is Sandra niet in staat om aan dagbesteding mee te doen. Ze gaat slechts met een begeleider op stap en ze doet in huis klusjes. Die moeten allemaal stap voor stap opgeschreven worden, anders krijgt ze het niet voor elkaar. Het oorspronkelijke idee van begeleid wonen is helemaal losgelaten: ze woont op het terrein van een instelling.

Sociaal-emotioneel

Bij een onderzoek naar zijn sociaal-emotionele ontwikkeling kom ik uit op een basis op de leeftijd van 1 á 2 jaar. Maar dit niveau wisselt ook sterk. Als Sandra gespannen is functioneert ze op een veel lager niveau dan wanneer ze ontspannen is.

Geen ik

Bij Sandra is nog geen sprake van een I-dentity. Ze heeft nog geen eigen ik ontwikkeld. Er wordt wel gesproken over een We-dentity. Ze bestaat slechts bij de gratie van de ander. Dat is in de eerste plaats haar moeder.  Als haar steun van de ander wegvalt, verzinkt Sandra in een emotionele chaos, óf ze trekt zich terug in haar eigen wereld.

Zelfverwonding

De boosheid die ze laat zien is vooral in de vorm van zelfverwonding: zichzelf krabben, nagels pulken en soms ook snijden. Ook laat ze veel passief verzet zien: ze komt dan haar bed niet uit of blijft eindeloos treuzelen voordat ze aan tafel komt.  Maar in feite gaat het niet om boosheid, maar om angst, ontreddering:  ik begrijp er helemaal niets meer van. Ze kan de overgang gewoon niet maken. Als haar gedrag escaleert schopt, krabt en bijt ze de begeleiding.

We-dentity en I-dentity

Dat klinkt heel ingewikkeld. Ik heb er al eerder over geschreven. De begrippen komen uit de theorie achter de schaal voor emotionele ontwikkeling (SEO R 2). De theoretische onderbouwing werd voor een deel geschreven door de Belgische orthopedagoge Lien Claes (2016).

Het eigen ‘ik’

In de sociaal-emotionele ontwikkeling is de grootste verandering de ‘ik-ontwikkeling’. De baby en de jonge peuter hebben nog geen eigen ‘ik’. Lien Claes schrijft in dat verband over we-dentity: het kind valt in emotioneel opzicht nog samen met belangrijke anderen. Vanaf ongeveer anderhalf jaar begint het eigen ‘ik’ op gang te komen. Het kind ontdekt dat hij ook iets anders kan willen dan de volwassene.

Twee jaar en drie jaar

In de cursussen die ik geef over sociaal-emotionele ontwikkeling noem ik voor peuters twee fasen:

2 jaar: “Ik ben twee en ik zeg nee”

3 jaar: “Ik ben drie en ik wil de regie.”

Het verschil tussen die twee jaar en die drie jaar is dat een kind van twee jaar nog niet goed kan ‘plannen’. Het weet dus wel wat het niet wil, maar nog niet (goed) wat het wél wil.

Gestagneerd of geblokkeerd? 

Vroeger dacht ik dat de meest spannende fase in de ontwikkeling het zich leren hechten was. Inmiddels denk ik daar anders over: de meest spannende emotionele opdracht is het leren loslaten. Er zijn kinderen bij wie dat niet lukt. Prof. dr. Anton Dosen spreekt daarbij van twee varianten:

a) De gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling gaat op allerlei terreinen wél verder, maar de sociaal-emotionele ontwikkeling stagneert)

b) De geblokkeerde sociaal-emotionele ontwikkeling (de ontwikkeling op alle gebieden loopt vast, dus ook de intelligentie blijft vér achter).

In vogelvlucht

Er kunnen tientallen aspecten genoemd worden rond de kenmerken van een vroege sociaal-emotionele ontwikkeling. Ik licht er nu uit mijn eigen bevindingen één aspect uit: de sociale ontwikkeling. Hoe reageren mensen in een bepaalde fase op andere mensen? Dat doe ik heel kort, want ook hier valt weer een boek over te schrijven.

a) Tot zes maanden overheerst de chaos. Het kind kan zelf geen structuur in het leven aanbrengen. Dat betekent ook dat de reactie naar anderen toe ‘chaotisch’ is. Het kan uiteindelijk zo zijn dat iemand die op dit niveau functioneert zichzelf af gaat sluiten van de omgeving en daardoor juist heel star wordt.

b) Van zes tot achttien maanden vallen de emoties van kinderen voor een belangrijk deel samen met die van belangrijke personen uit de omgeving.

Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een volwassene die in deze fase is gestagneerd de kleur van de ander aanneemt: houdt de bezoeker van Ajax, dan wordt die persoon ook een fan van Ajax; houdt de bezoeker van klassieke muziek, dan luistert de betrokken persoon ook graag naar klassieke muziek. Maar dat kan dus zomaar omslaan in Feijenoord en in heavy metal. 

c) Van achttien tot zes-en-dertig maanden zie je dat de angst voor controleverlies groot is. Het eigen ik is kwetsbaar. Daarom zijn deze mensen iedere keer weer bang dat een ander de regie overneemt. Deze fase vertaalt zich bijvoorbeeld in verzet tegen alles wat een ander vraagt (‘als het moet doe ik het niet’).

In sociaal opzicht valt o.a. op dat mensen goed weten wat ze zelf willen. ‘Dat wil ik’ is een sleutelbegrip. Maar ook ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken’. ‘Wat wil jij’ komt als wisselwerking en als beurtverdelen nog niet ter sprake.

En als je om je heen kijkt zul je ontdekken dat er heel wat volwassenen zijn die in sociaal-emotioneel opzicht zich vaak nog als peuters gedragen…

Is meten weten?

Hoe exact is het IQ?

Trouwens, het is ook de vraag hoeveel de exacte uitkomsten in jaren en maanden bij IQ-testen zeggen. Veel onderzoekers zweren bij IQ-testen, maar die uitkomsten bieden regelmatig ook een aanzienlijke mate van schijnzekerheid. Toch gaan de indicatiestellers helaas veel te teveel op de uitkomsten af.

Vanessa werd drie jaar geleden getest. Daar kwam een Totaal IQ van 78 uit. Op basis van die gegevens kwam ze niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit de gehandicaptenzorg. Een half jaar geleden werd ze weer getest. Er kwam een IQ van 72 uit. Volgens de regels zou ze op basis van dat cijfer wel passen binnen de gehandicaptenzorg. Maar de gemeente weigert financiële ondersteuning. Op de leeftijd van 20 jaar kan het IQ-cijfer nog fluctueren, zegt de gemeente. Eerst moet er maar eens hard worden gewerkt in de richting van betaald werk. 

Als je naar de kwetsbaarheid van Vanessa kijkt kun je verwachten dat betaald werk geen haalbare kaart is. Die kwetsbaarheid komt tot uiting als je naar de sociaal-emotionele aspecten van Vanessa kijkt. Volgens Jan Gielen (NTZ, december 2016) loop je het risico dat je dan infantiliserend bezig bent. De gemeente meent dat het IQ de maatstaf is: Vanessa moet op basis van haar IQ gewoon in staat zijn om betaald werk te doen.

Inderdaad maakt het in kaart brengen van sociaal-emotionele aspecten van de persoon Vanessa kleiner. Maar dat is nog niet infantiliserend. Omgekeerd leidt het beroep van de gemeente op een IQ-cijfer tot overvraging, met mogelijk aanzienlijke emotionele schade. 

Exact meten?

In zijn algemeenheid leidt de hang naar evidence-based onderzoek naar een schijnzekerheid die tot verstarring leidt. Daardoor meent men te kunnen ‘meten’ of iemand wél of niet autistisch is, of iemand wél of niet depressief is, of iemand een persoonlijkheidsstoornis heeft en of iemand wél of niet dement is.

Alsof er een exact kantelpunt bestaat: bij zoveel score ben je net niet autistisch en bij zóveel score net wel. Dat wordt vervolgens een selffulfilling prophecy. 

Het is Jacques Heijkoop geweest die met betrekking tot autisme zijn hele werkzame leven lang heeft laten zien hoezeer het denken in termen van autisme kan leiden tot kokerdenken, waarbij je andere factoren over het hoofd gaat zien.

Jan is autistisch. Mensen met autisme hebben een vaste structuur nodig. Mensen met autisme hebben ook altijd picto’s of plaatjes nodig.

Dynamiek van de persoon

Wat je dan gaat missen is de dynamiek die er is tussen de persoonlijke omstandigheden en de persoon. Die dynamiek komt beter uit de verf in de huidige DSM V, waar veel meer in gradaties gedacht wordt. Dan kun je ook beter beschermende en belastende factoren opsporen.

Meneer Baanstra

Waar het volgens mij om gaat is dat er veel meer gedacht moet worden in omstandigheden waaronder de problematiek scherper en/of minder scherp wordt.

Meneer Baanstra werkt twintig jaar bij hetzelfde bedrijf. Vorige jaar is het bedrijf gefuseerd. Hij werkt nu op een grotere afdeling. De oude werkwijze is verlaten, medewerkers moeten op een heel andere wijze hun werk invullen. Sinds die tijd valt op dat meneer Baanstra een zeer kort lontje heeft. Hij kan er niet tegen als spullen op zijn bureau anders liggen. Hij wil absoluut niet gestoord worden. Om het minste of geringste wordt hij boos. Hij luistert veel minder naar wat zijn collega’s te zeggen hebben. Hij overlegt ook niet meer. In de pauze zondert hij zich af.

Is meneer Baanstra nu opeens in sociaal-emotioneel opzicht veel kleiner geworden? Dit zijn kenmerken die passen bij een vroeg gestagneerde sociale ontwikkeling. Loopt er nu opeens een eigenzinnige peuter door het bedrijf? Of is meneer Baanstra opeens autistisch geworden? Of was hij dat al en is dat niet eerder onderkend?

Is een narcist een peuter?

Daarmee kom ik terug op het startpunt: hoe zit het nu met die volwassen peuter? Als uit het Ontwikkelingsprofiel van R.E. Abraham naar voren komt dat narcisme past bij het egocentrische denken van de peuter, lopen er dan allerlei peuters grote bedrijven te besturen? En worden veel landen geregeerd door peuters?

En als uit onderzoeken naar voren komt dat borderline-trekken passen bij een onveilige peuterfase, ben je dan getrouwd met een emotionele peuter?

Zo zit de wereld natuurlijk niet in elkaar. Mensen functioneren nooit maar op één niveau.

Sociaal-emotionele basiskleur

Daarom kies ik niet voor het begrip sociaal-emotionele ontwikkeling, maar voor de sociaal-emotionele basiskleur. Die druk je niet uit in een leeftijd, maar in een fase. En daarbij moet je je ook realiseren dat mensen in verschillende omstandigheden ook nog eens in verschillende fasen kunnen functioneren.

Die kleur maakt samen met de aangeboren temperaments-eigenschappen de persoon. Daarbij tekenen de kleuren zich scherper af naarmate de stress toeneemt. En als de omstandigheden meer gunstig zijn verbleken allerlei aspecten en blijkt iemand opeens veel steviger te kunnen functioneren.

Inderdaad: niet zo concreet, niet zo meetbaar. Maar deze manier van kijken doet volgens mij mensen wel meer recht.