Emoties bij jonge kinderen (4, slot)

Sociale interacties: de baby

Vanaf de leeftijd van ongeveer 2 maanden groeit er een wederzijds interactief spel tussen het kind en de volwassene. Het kind kijkt naar de ogen van de volwassene, gaat lachen, daar reageert de volwassene op met geluiden, verandering van mimiek en bewegingen, waar het kind op zijn beurt weer met emoties op reageert. We noemen dat ook wel interactieve synchroniciteit. Dit wederkerige proces omvat ongeveer 30% van alle interacties tussen de volwassene en het kind. Het kind reageert positief als de moeder teruglacht, maar als de moeder weinig reactie toont stopt het kind, zijn reactie wordt vlakker.

Vanaf de leeftijd van ongeveer een half jaar gebeurt er iets nieuws: als de moeder vlak reageert probeert het kind haar uit te lokken. Met andere woorden: het kind neemt het initiatief om de moeder –bij wijze van spreken- op andere gedachten te brengen. Met andere woorden: in de loop van het eerste levensjaar neemt het kind in de interactie een steeds actievere rol op zich.

Ik zie dat tegenwoordig vaak in de trein gebeuren als moeders veel meer aandacht voor hun smartphone hebben dan voor hun kind. Het kind gaat op allerlei manieren proberen om zijn moeder uit te lokken om te reageren. Veel moeders ervaren dat als irritant, aandachttrekkend gedrag. Maar je zou er juist blij mee moeten zijn: mijn kind zoekt het contact op.

Terugtrekken uit het contact

Kinderen die niet de ervaring kennen dat de houding van de moeder kan veranderen hebben eerder de neiging om zich uiteindelijk terug te trekken uit het contact. Dat geldt niet alleen voor het contact met de moeder, maar ook voor de interactie met de omgeving. Een kind dat angstig is zal zich in de confrontatie met nieuwe situaties (nog) meer gaan terugtrekken, terwijl een kind dat gestimuleerd wordt nieuwsgierig zal reageren op veranderingen in zijn omgeving.

Invloed van de ouders

De manier waarop kinderen leren om hun emoties te hanteren heeft voor een deel te maken met de wijze waarop ouders het kind leren om ervaringen op te doen. Geeft de ouder bijv. aan het kind mogelijkheden om tot rust te komen, om te kalmeren, of raakt hij zelf ontregeld van het ontregelde gedrag van het kind?

Als de ouders voornamelijk straffend reageren op het ‘negatieve’ gedrag van het kind leert het kind hier weinig van, het laat dan vaak later dezelfde problemen zien.

Als ouders echter het kind coachen, de emoties benoemen, het kind helpen in het zoeken naar alternatieven, de verschillende mogelijkheden naast elkaar leggen (‘wat gebeurt er als je uit je dak gaat’) leren deze kinderen steeds beter om hun emoties te hanteren en om andere manieren te vinden om met hun boosheid om te gaan.

Uit:

Danuta Bukatko en Marvin W. Daehler, Child Development, A thematic approach, Houghton Mifflin Company, Boston/ New York, Hoofdstuk 11: Emotion