Slaap bij peuters en kleuters (2)

Wat kan nog meer een rol spelen bij het moeilijk gaan slapen van de peuter of de kleuter? 

5. Het probleem van de tijd

Ouders leven met de klok, kinderen met de ‘beleefde tijd’. Dat merk je vooral ’s morgens als kinderen al klaar wakker zijn en de ouders nog uit willen slapen. Om zes uur ’s morgens is het in het weekend al feest. Wat zijn mogelijkheden om het kind meer grip op de tijd te geven? Als dit gebeurt is het tijd. Als de wijzer boven aan staat gaan we naar boven.

6. Verkeerde verwachtingen en emoties van de opvoeder (‘het moet goed gaan, anders doe ik het niet goed en hebben we continu ellende)

Ieder kind kent verzetsfasen. Dat het naar bed gaan op verzet stuit is volstrekt normaal. Maak het dus niet te groot. Peuters zijn erg gevoelig voor de emoties van de opvoeder. Hoe spannender de opvoeder het naar bed gaan vindt, des te ingewikkelder wordt het bedritueel voor de peuter. Wat gebeurt er als je als opvoeder werkt vanuit een ‘lage expressed emotion’ (‘we zien wel, maar het gebeurt wel’).

7. Niet gezien worden tussen de anderen, aan tafel tussen de gesprekken van de ouders, doordat ouders de hele tijd achter de PC zitten:

Het bedmoment is dan een moment om gezien te worden, en dan wordt eindeloos gerekt, want nu heeft het kind alle aandacht. De vraag is overdag of je regelmatig even persoonlijke aandacht hebt gehad voor het kind. Daarnaast kun je het naar bed gaan begrenzen in de tijd. Er komt altijd een ‘nog even’ na, maar dat hoort er bij. Een kind wil nu eenmaal het laatste woord hebben.

8. Aangeleerde gewoonte: teveel prikkels.

Bijvoorbeeld in de avond wordt er nog van alles van stal gehaald: stoeien, intensieve spelletjes. Ouders denken: als het kind moe is gaat het wel slapen. Maar dat is juist niet zo. Dit is teveel. De dag rustig afbouwen, geleidelijk minder licht en geluid en minder prikkels.

9. Ontdekken dat niet gaan slapen, niet naar boven willen, uit bed komen iets oplevert.

Naar beneden gaan en toch weer even een stukje TV kijken. Niet gaan slapen, er wordt van alles beloofd voor de volgende dag. De opvoeder hoort de regie te houden. Wel even aandacht, maar niet veel: terugleggen met geruststellende woorden, vooral niet veel doen

10. Strijd

Het kind zit in de strijdmodus, er is sprake van oppositioneel gedrag ( ík ben twee en ik zeg nee’). Dit kan ook voorkomen bij kinderen die zichzelf stout vinden. Omdat ze zichzelf als dwars en niet gezien ervaren wordt de strijd nóg heftiger. Deze strijd is deels persoonsgericht. De valkuil is dat je de strijd aan gaat en dat beide partijen willen winnen. Je kunt een beetje minder strijd aangaan als je meer patronen en rituelen inbouwt (‘eerst dit, dan dat’) en daarbij de peuter/kleuter een rol geeft (‘kiezen uit twee’).

NB: er zijn wat de moeite met het gaan slapen betreft grote verschillen tussen kinderen. Zo zijn prikkelgevoelige kinderen vaak moeizame inslapers. Ze hebben des te meer en langer rust nodig voor het naar bed gaan. 

Slaap bij peuters en kleuters (1)

Gaan slapen is voor peuters en kleuters ingewikkeld. Ze zijn net een stukje eigen ‘ik’ aan het opbouwen, moeten ze dat ‘ik’ weer loslaten. Daarom hebben – zelfs peuters en kleuters die erg moe zijn – vaak grote moeite om in te slapen. 

Gaan slapen is een vorm van controleverlies. Bij sommige volwassenen kun je dat vergelijken met de angst voor de narcose. Hoe help je het kind bij een stukje vertrouwen (en daarmee controle) te ervaren en daarmee het gemakkelijker zich durven overgeven?

  1. Niet durven slapen als gevolg van angst

Peuters leven in een magische wereld. Overdag verzinnen ze van alles en ’s nachts wordt dat alles opeens erg groot (‘de tijger onder het bed’).

Ieder kind kent angsten. Die kan een opvoeder niet wegnemen, wel doseren (bijv. de tijger wegjagen). De eigen houding is belangrijk: serieus nemen, maar ook uitstralen dat het allemaal goed komt. Er is een periode waarbij je hoorbaar aanwezig moet zijn. Met een keukenwekker of timetimer kun je de tijd zichtbaar maken (‘dan komt mamma nog even kijken’). Het kind zielig vinden roept nieuwe emoties op die de angst versterken.

2. Niet durven te gaan slapen als gevolg van een heftige belevenis.

Na een ruzie thuis. Een ongeluk. Maar ook na een ziekenhuisopname. In bed ervaren kinderen vaak meer pijn. Bijvoorbeeld: bij een ziekenhuis-opname en dan alleen zijn: daar lig je dan. Dat komt thuis terug.  

Wél erkennen dat het heftig is maar ook vasthouden aan de wereld die door gaat (‘het herstel van het gewone leven’). Pijn kun je niet altijd oplossen, wel verzachten (‘bakkie troost’). Angst voor pijn door gerust te stellen.

3. Onregelmatig opvoedingspatroon leidt tot inslaapproblemen

De ene keer vroeg, de andere keer laat, de ene keer voor Sesamstraat, de andere keer na Sesamstraat, soms is er visite en dan blijft de peuter lang op.

Bij peuters is een ijzeren regel: structuur van ruimte en tijd. Peuters hebben grote behoefte aan vaste patronen met soms een uitzondering. Vaste  rituelen zijn essentieel bij het naar bed gaan.

4. De TV (of de Ipad) brengt het kind naar bed, bijvoorbeeld uitkleden met de TV aan, omdat het kind zich anders niet uit wil kleden.

Dit is een vorm van pedagogische vervuiling van een belangrijk moment van de dag. Wat je moet doen is het investeren in het persoonlijk contact, in combinatie met vaste rituelen en een vaste plek (bijv. een uitkleedmat).

Morgen verschijnen er nog een aantal slaapproblemen en mogelijke oplossingsrichtingen op dit blog. Boeiend is natuurlijk ook de vraag wat je moet doen als je als volwassene een slaapprobleem hebt. 

Geheugen en slaap

Presteer je beter op een examen als je goed geslapen hebt? Kun je beter je boek onder je kussen leggen dan de hele nacht doorblokken?

Een eeuw geleden werd een positief effect van de slaap aangetoond in Amerikaans onderzoek. Als proefpersonen die een examen moesten doen na het leren even gingen slapen en vervolgens examen deden presteerden ze beter dan degenen die wakker waren gebleven maar op dezelfde tijd gestopt waren met studeren.

De onderzoekers verklaarden dat uit het feit dat je – als je slaapt – geen invloeden meer van buitenaf hebt. De slaap zou dus goed zijn om informatie te consolideren.

Uiteraard is dat onderzoek later vele malen herhaald. De uitkomsten zijn niet unaniem. Kennelijk is er meer aan de hand. Maar het is wél zo dat de meerderheid van de onderzoeken laten zien dat met slaap een positief effect bereikt kan worden. s men de proefpersonen tussen het leren en de toetsing van het geleerde laat slapen. Honderden studies in alle soorten en maten volgden. Soms bevestigden ze het effect niet, maar vaker wel.

Men denkt dat slapen leidt tot een ‘replay’: het nogmaals afdraaien van de lesstof, zodat de kennis dieper in de hersenen wordt opgeslagen. Dat werkt natuurlijk alleen als je overdag ook stevig hebt gestudeerd. Ik kan me overigens weinig momenten herinneren waarbij ik ’s nachts met de lesstof bezig was. Er zijn leukere zaken om van te dromen.

Meer waarschijnlijk is nog dat de verschillende fasen van de slaap verschillende geheugenfuncties activeren. De diepe slaap zou belangrijk zijn voor het declaratief geheugen (kennis die je bewust opslaat). De lichte slaap zou dan belangrijker zijn voor het emotionele geheugen: de verwerking van dingen. 

Inslapen bij peuters en kleuters (2)

Als jullie weer wakker zijn geworden kan ik verder met het tweede deel van deze serie. Het is meteen het laatste deel, dus je hoeft er niet wakker van te liggen. 
  • 6. Het probleem van de tijd

Ouders leven met de klok, kinderen met de ‘beleefde tijd’. Dat merk je vooral ’s morgens als kinderen al klaar wakker zijn en de ouders nog uit willen slapen. Om zes uur ’s morgens is het in het weekend al feest. Wat zijn mogelijkheden om het kind meer grip op de tijd te geven? Als dit gebeurt is het tijd. Als de wijzer boven aan staat gaan we naar boven.

7. Verkeerde verwachtingen en emoties van de opvoeder (‘het moet goed gaan, anders doe ik het niet goed en hebben we continu ellende)

Ieder kind kent verzetsfasen. Dat het naar bed gaan op verzet stuit is volstrekt normaal. Maak het dus niet te groot. Peuters zijn erg gevoelig voor de emoties van de opvoeder. Hoe spannender de opvoeder het naar bed gaan vindt, des te ingewikkelder wordt het bedritueel voor de peuter. Wat gebeurt er als je als opvoeder werkt vanuit een ‘lage expressed emotion’ (‘we zien wel, maar het gebeurt wel’).

8. Niet gezien worden tussen de anderen, aan tafel tussen de gesprekken van de ouders, doordat ouders de hele tijd achter de PC zitten:

Hetbedmoment is dan een moment om gezien te worden, en dan wordt eindeloos gerekt, want nu heeft het kind alle aandacht. De vraag is overdag of je regelmatig even persoonlijke aandacht hebt gehad voor het kind. Daarnaast kun je het naar bed gaan begrenzen in de tijd. Er komt altijd een ‘nog even’ na, maar dat hoort er bij. Een kind wil nu eenmaal het laatste woord hebben.

9. Aangeleerde gewoonte: teveel prikkels.

Bijvoorbeeld in de avond wordt er nog van alles van stal gehaald: stoeien, intensieve spelletjes. Ouders denken: als het kind moe is gaat het wel slapen. Maar dat is juist niet zo. Dit is teveel. De dag rustig afbouwen, geleidelijk minder licht en geluid en minder prikkels.

10. Ontdekken dat niet gaan slapen, niet naar boven willen, uit bed komen iets oplevert.

Naar beneden gaan en toch weer even een stukje TV kijken. Niet gaan slapen, er wordt van alles beloofd voor de volgende dag. De opvoeder hoort de regie te houden. Wel even aandacht, maar niet veel: terugleggen met geruststellende woorden, vooral niet veel doen

11. Strijd

Het kind zit in de strijdmodus, er is sprake van oppositioneel gedrag ( ík ben twee en ik zeg nee’). Dit kan ook voorkomen bij kinderen die zichzelf stout vinden. Omdat ze zichzelf als dwars en niet gezien ervaren wordt de strijd nóg heftiger. Deze strijd is deels persoonsgericht. De valkuil is dat je de strijd aan gaat en dat beide partijen willen winnen. Je kunt een beetje minder strijd aangaan als je meer patronen en rituelen inbouwt (‘eerst dit, dan dat’) en daarbij de peuter/kleuter een rol geeft (‘kiezen uit twee’).

NB: er zijn wat de moeite met het gaan slapen betreft grote verschillen tussen kinderen. Zo zijn prikkelgevoelige kinderen vaak moeizame inslapers. Ze hebben des te meer rust nodig voor het naar bed gaan.

Inslapen en doorslapen bij peuters en kleuters (1)

Gaan slapen is voor peuters en kleuters ingewikkeld. Ze zijn net een stukje eigen ‘ik’ aan het opbouwen, moeten ze dat ‘ik’ weer loslaten. Daarom hebben – zelfs peuters en kleuters die erg moe zijn – vaak grote moeite om in te slapen. 

Gaan slapen is een vorm van controleverlies. Hoe help je het kind bij een stukje vertrouwen (en daarmee controle) te ervaren en daarmee het gemakkelijker zich durven overgeven?

Oorzaken en interventies in telegramstijl:

  1. Niet durven slapen als gevolg van angst. Peuters leven in een magische wereld. Overdag verzinnen ze van alles en ’s nachts wordt dat alles opeens erg groot (‘de tijger onder het bed’). Ieder kind kent angsten. Die kan een opvoeder niet wegnemen, wel doseren (bijv. de tijger wegjagen). De eigen houding is belangrijk: serieus nemen, maar ook uitstralen dat het allemaal goed komt. Er is een periode waarbij je hoorbaar aanwezig moet zijn. Met een keukenwekker of timetimer kun je de tijd zichtbaar maken (‘dan komt mamma nog even kijken’). Het kind zielig vinden roept nieuwe emoties op die de angst versterken.

2. Niet durven te gaan slapen als gevolg van een heftige belevenis.

Na een ruzie thuis. Een ongeluk. Maar ook na een ziekenhuisopname. In bed ervaren kinderen vaak meer pijn. Bijvoorbeeld: bij een ziekenhuis-opname en dan alleen zijn: daar lig je dan. Dat komt thuis terug.  

Wél erkennen dat het heftig is maar ook vasthouden aan de wereld die door gaat (‘het herstel van het gewone leven’). Pijn kun je niet altijd oplossen, wel verzachten (‘bakkie troost’). Angst voor pijn door gerust te stellen.

3 Onregelmatig opvoedingspatroon leidt tot inslaapproblemen

De ene keer vroeg, de andere keer laat, de ene keer voor Sesamstraat, de andere keer na Sesamstraat, soms is er visite en dan blijft de peuter lang op.

Bij peuters is een ijzeren regel: structuur van ruimte en tijd. Peuters hebben grote behoefte aan vaste patronen met soms een uitzondering. Vaste  rituelen zijn essentieel bij het naar bed gaan.

4. De TV (of de Ipad) brengt het kind naar bed, bijvoorbeeld uitkleden met de TV aan, omdat het kind zich anders niet uit wil kleden.

Dit is een vorm van pedagogische vervuiling van een belangrijk moment van de dag. Wat je moet doen is het investeren in het persoonlijk contact, in combinatie met vaste rituelen en een vaste plek (bijv. een uitkleedmat).

Voor zover jullie nog niet in slaap zijn gevallen bij dit verhaal: morgen komt het vervolg. 

Slechte slapers

Goede slaap is deels een kwestie van een gezonde levenshouding. Bijvoorbeeld: van het geleidelijk 's avonds rust inbouwen en niet te lang naar de televisie, tablet of telefoon kijken.

Maar slaaponderzoeker Eus van Someren ontdekte ook een aantal kenmerken zijn van slechte(re) slapers die ‘aangeboren’ lijken te zijn.

1. Slechtere slapers hebben minder goed door of ze ‘goed liggen’.  Dat heeft met de hersenen te maken. Je slaapt in in een slechte slaaphouding (maar signaleert dat niet) en je wordt daardoor eerder wakker (weinig slaapcomfort).

2. Slechtere slapers zijn langer van slag na een negatieve emotionele ervaring. Je slaat overdag een blunder en ’s nachts blijft dat in je hoofd spoken. Omgekeerd: omdat je minder slaapt heb je er ook meer last van. Want de slaap wist ook een deel van je geheugen en haalt in ieder geval wat scherpe kantjes van je herinnering weg.

3. Slechtere slapers zijn meer gevoelig voor alcohol, cafeïne of theïne. Terwijl goede slapers ‘s avonds best een aantal glazen tot zich kunnen nemen werkt dat bij slechte slapers juist omgekeerd: ze slapen minder door het gebruik van alcohol.

Er bestaat geen algemeen recept voor een goede slaap. Slaapadviezen zijn deels individeel gekleurd. Zo zijn er mensen die vijf uur voor het slapen gaan geen druppel koffie of thee meer moeten nemen. Want dan kunnen ze het slapen wel vergeten... Anderen kunnen in slaap vallen terwijl ze 's avonds nog vijf koppen koffie hebben genuttigd.

 

Anneke wil niet naar bed

Anneke heeft een ernstige verstandelijke beperking en ze is autistisch. Ze hecht veel waarde aan vaste en voorspelbare patronen. Als ze iets niet begrijpt blokkeert ze. Ik noem dat wel eens bevriezen. Er kan niets meer bij in het hoofd.

De begeleiding wil haar naar bed brengen. Ze zit verstard op de rand van haar bed. Iedere keer als begeleiding probeert haar een verbaal zetje in de richting van het gaan liggen te geven wordt ze boos en gaat ze schreeuwen.

Het is bijna 10 uur en de late dienst zit er op. Wat moet je als begeleider dan doen? Naar huis gaan zonder dat Anneke gaat liggen? De druk opvoeren?

Mij advies is: niet naar huis (daar is ze te kwetsbaar voor) en niet de druk opvoeren (dat leidt tot meer weerstand). Iedere druk, alle woorden die je zegt maken haar hoofd voller. Ze zit ergens mee en daar heeft ze geen woorden voor. Verwacht niet dat ze dat onder druk gaat vertellen. Maar er moet wel eerst ‘iets uit’.

Wat zou er gebeuren als je gewoon een paar minuten naast Anneke gaat zitten? Je zegt niets, je bent er gewoon. Er hoeft even helemaal niets. Ook een kwestie van zelf je ademhaling laag houden. Dat is een vak apart. Maar het is de moeite waard om te proberen...

Slaap (3)

Als kind was ik geen goede slaper. Het kostte lang om in slaap te komen. Eindeloos duurden die avonden, vooral in de zomer. Mijn hoofd was nog met teveel zaken bezig die allemaal doorgepiekerd moesten worden. Ondertussen lag mijn broer naast mij al lang en breed te ronken.

Misschien speelde (achteraf gezien) wel mee dat ik als oudste op dezelfde tijd naar bed ging als de jongere kinderen. Mijn ouders hielden van regelmaat (dat was ook goed voor mij), maar waarschijnlijk was ik nog niet aan slaap toe.

Ook ’s nachts was ik regelmatig wakker en kon dan de slaap niet meer vatten. Meestal was dat het gevolg van een enge droom. Vervolgens signaleerde ik mogelijke insluipers. Overdag bleken het gewoon bewegende takken te zijn geweest. Die gedachte bevorderde de nachtrust ook niet. Ik durfde gewoon niet meer te gaan slapen.

’s Morgens was ik weer vroeg wakker. Ik wilde om 6.40 uur het weer ‘op  weersnelheid’ kunnen volgen op de radio. Pas later heb ik begrepen dat het het weer op dicteersnelheid was. Een voordeel van die ochtenden was dat het zo rustig was. Slechts mijn vader was in de kamer aanwezig, maar hij zei ook niet veel. Soms zat ik trouwens ’s morgens voor het ontbijt ook al op de fiets om even naar de rivier (in Gorkum) te gaan.

Pubers hebben meer slaap nodig (ongeveer 10 uur), maar van eventuele slaapperikelen in de puberteit herinner ik me niet veel. Het zou kunnen zijn dat ik goed sliep (en dat valt dan niet op) maar ik denk dat de puberale onrust mij heel wat nachtelijke waakzaamheid heeft opgeleverd.

Als student kon ik mijn dag-en nachtritme aanzienlijk verwisselen zonder grote gevolgen. De nacht werd soms een dag en de dag werd een nacht. Wat dat betreft lijken studenten op baby’s: ze hebben weinig dag/nachtritme.

Dat wisselende schema ging niet meer op toen ik een vaste baan had gekregen. De wekker liep steevast om vijf voor zeven af en in het weekend wat later. De vele bezigheden en allerlei toestanden die me bezig hielden leidden (achteraf gezien) vaak tot een chronisch slaaptekort. Om maar niet aan de slaapmedicatie te hoeven ontleende ik aan de psychiatrie de slaapdeprivatiemethode. Ik stapte ’s nachts rond middernacht op de fiets, fietste de nacht en de volgende dag door (sliep dus een etmaal niet) en kon de volgende nacht uitstekend slapen. Dan voelde ik me als herboren.

Slaap (2) : ouderen

Volwassenen hebben baat bij 7 á 8 uur slaap per nacht. Ouderen hebben niet minder slaap nodig. Wel slapen ze minder door.

Veel mensen van tot 40 jaar kunnen een hele nacht doorslapen. Dat geldt overigens niet voor zwangere vrouwen. Zij worden vaker wakker en hebben daardoor ook weer meer slaap nodig (9 tot 10 uur per nacht).

Ouderen slapen zelden een hele nacht door. Ze slapen minder diep en ze worden vaker wakker. Dat wakker worden heeft te maken met het feit dat ouderen sowieso minder diep slapen, maar ook met lichamelijk ongemak (pijnklachten, moeten plassen) of meer last hebben van geluiden (zoals een snurkende echtgenoot). 

 Helaas lukt het me niet om de slaapgrafiek van 50-plussers weer te geven op dit blog. Ik geef even in woorden weer wat je zou kunnen zien: meer lichte blokjes (moeite om in slaap te komen en tussendoor ’s nachts wakker zijn) en nieuw: een slaapblokje ’s middags. Oftewel: de introductie van de middagdut! 

De vraag is natuurlijk: als ouderen dat middagdutje over zouden slaan: zouden ze dan ’s nachts wél langer slapen? Dat blijkt niet het geval. De middagdut is een manier achteraf om het tekort aan diepe slaap ’s nachts in te halen. De middagdut leidt er slechts toe dat je als oudere ’s avonds gemiddeld 6 minuten later in slaap valt. Dat lijkt me niet echt rampzalig. Je hebt wél een probleem als je ’s avonds voor de TV in slaap valt. Dan zit de bankslaap te kort voor de bedslaap.

De middagdut blijkt zelfs veel voordelen te hebben voor vijftig-plussers. De dut leidt tot het gezonder functioneren van het hart en vooral tot opvallend verbeterde cognitieve prestaties. Ouderen die een middagdut doen komen dus veel slimmer over. En die middagdut mag volgens de door mij geraadpleegde bronnen ook nog eens zo’n 80 minuten duren…

Ik ga me nu dus afvragen waarom mijn werkgever niet een bed op mijn werkkamer heeft gezet. En waarom een deel van de meest intensieve besprekingen standaard tussen één en drie uur gepland is. Wil mijn baas werkelijk profijt hebben van een oudere werknemer zoals ik, dan zal hij de middagdut moeten legitimeren…

Ouderen slapen zelden een hele nacht door. Ze slapen minder diep en ze worden vaker wakker. Dat wakker worden heeft te maken met het feit dat ouderen sowieso minder diep slapen, maar ook met lichamelijk ongemak (pijnklachten, moeten plassen) of meer last hebben van geluiden (zoals een snurkende echtgenoot).

Hier onder zie je een kenmerkend slaappatroon van een vijftig-plusser. De lichte blokjes geven de momenten van wakker zijn aan. Opvallend is dat op deze leeftijd ook het middag-dutje wordt geïntroduceerd…

Slaap (1)

De afgelopen nacht heb ik onvoldoende geslapen. Gisteravond moest ik tot half tien cursus geven in Rotterdam. Daardoor was ik pas na middernacht thuis. Vanmorgen moest ik vroeg met de trein vanwege een belangrijke bespreking waar nogal wat vanaf hangt. Maar of ik werkelijk voldoende bij de les zal zijn… En waarschijnlijk ben ik zojuist ook vergeten om uit te checken…

Op mijn werk zit ik in het Dreamteam. Dat is een team dat zich bezig houdt met slaap en slaapproblemen van de cliënten.

Tot nu toe komt uit het onderzoek dat eigenlijk alle (onderzochte) cliënten een verontrustend slaaptekort laten zien. Vreemd is dat niet, want het is geen representatieve steekproef. Er werd alleen onderzoek gedaan bij mensen van wie al het vermoeden bestond dat ze slecht sliepen. Maar dat het slapen zó slecht en onvoldoende zou zijn (soms één tot drie uur per nacht), dat had ik niet verwacht.

Een slaaptekort en vooral een slaapschuld heeft ernstige gevolgen voor het dagelijks functioneren. Ik noem als voorbeelden:
– verhoogde prikkelbaarheid en gedragsproblemen
– concentratieverlies en vergeetachtigheid (soms bij ouderen leidend tot een pseudo-dementieel beeld)
– aanzienlijk risico op depressie of zelfs bij sommige mensen een psychose
– onvoldoende in kunnen schatten van risico’s én een toename van risicovol gedrag
– tekort aan alertheid in het verkeer (een deel van de verkeersongelukken is te wijten aan slaaptekort)
– en volgens recent onderzoek: de neiging om teveel en ongezond te eten.

Het is daarnaast van groot belang dat de kwaliteit van de slaap gemeten wordt. Mensen kunnen lang in bed liggen, schijnbaar vele uren slapen, en toch een zeer onvoldoende slaapkwaliteit hebben. Dat is vooral het geval als je te licht slaapt en onvoldoende of niet aan de diepe slaap (Non-REM-slaap) toe komt.

Dat REM betekent: Rapid Eye Movements.  De REM-slaap wordt ook wel de paradoxale slaap genoemd. Je slaapt wel, maar je bent ondertussen ontzettend druk in de weer, o.a. met dromen. Om werkelijk uit te rusten heb je perioden van diepe slaap nodig (gemiddeld 1½ uur tot 2 uur per nacht).

Als de slaapkwaliteit voldoende is hebben de meeste volwassenen genoeg aan 7 á 8 uur slaap per nacht.