Freud had tóch gelijk!

De telefoon ging. Een bekend nummer. Het was dokter Jansma, alias Hajé, emeritus zielenknijper te L. 

“Goed gedaan, man!’ zei hij. Ik vroeg me af of ik iets goeds had gedaan. Althans, waar Hajé op doelde. “Je ingezonden in de Volkskrant. Je broer kwam ik ook twee keer tegen, maar dat was weer andere koek. Deventer Koek, Deventer Koek, past in iedere broek.” Voor de mensen die die laatste regels niet kennen: dat komt uit een gedicht van drs P. “En is het al wat stiller op het fietspad?” wilde Hajé weten. “Vandaag wel, want het regent” zei ik. “Och, al die mooiweerfietsers, daar kunnen we de oorlog niet mee winnen,” reageerde Hajé. “Maar gelukkig is de oorlog al geweest. Mensen menen tegenwoordig dat het allemaal oorlog is, maar je kunt zelfs met de avondklok alle kanten uit. Als je de wekker maar niet vergeet te zetten. En thee natuurlijk. Maar dat is voor mietjes. Geef mij maar een driedubbele espresso. Maar hoe is het nu met jou? Pincode nog niet vergeten? Dan hoef je nog niet naar het verpleeghuis. Henkie, Henkie is niet dom, Henkie Henkie luiertje om.”

Het was duidelijk, Hajé zat op zijn praatstoel. Hij associeerde weer eens van alles aan elkaar. Er viel geen speld in een hooiberg tussen te krijgen. De vraag naar mijn welbevinden was dan ook helemaal niet relevant. Daar hoefde ik geen antwoord op te geven. Ik vroeg me af hoe de in zijn werk behoorlijk gestructureerde dokter Jansma na zijn pensioen in zo’n verbale incontinentie had kunnen vervallen. Maar waarschijnlijk was dat een gevolg van de opruimwoede van zijn robuuste roodharige assistente.

Wachtkamer van Sigmund Freud in Wenen

De werkkamer van dokter Jansma deed mij destijds meer denken aan een Stasi kantoor dan aan de huiselijk ingerichte therapiekamer met hond en pluche kleedjes van Sigmund Freud. De robuuste roodharige assistente (Jansma sprak van ‘aardbeiblond’) had waarschijnlijk ook gefunctioneerd als zijn ambulant begeleider. Hij maakte rommel en zij ruimde het op.

Heb je nog gefietst, de afgelopen tijd? vroeg Jansma. Jazeker, zei ik, duizend kilometer per maand, antwoordde ik. ‘De neurosen bloeien weer welig’ reageerde Hajé. Gaat er iemand met pensioen, wil hij doelen behalen. Nog gekker, mijn buurvrouw telt haar stappen. Dat deed één van de patiënten ook. Ik kan je wel vertellen, die was ver heen. Zelfs met een gezinsverpakking largactil liep ze nog stappen te tellen. Waarom zou je dat moeten weten? Of je gepoept hebt, dat is belangrijk. Als dat niet meer lukt heb je een probleem. Dan moet je aan de zemelen. En mensen die zemelen zijn niet de leukste patiënten. Het is dat ik geen behang had, anders had ik ze er achter geplakt. Nu moest ik het drie kwartier zien vol te houden. Ja, daar heeft Freud al heel wat over geschreven. Dat was vakwerk.

Vasthouden of loslaten, that’s the question. Maar als je je kilometers telt dan ben je bezig vast te houden. Stop daar maar mee. Gewoon alles uit je handen laten vallen. Ga op de bank liggen en met pensioen. Maar ja, jij hebt natuurlijk een vrouw in huis rondlopen. Die vindt dat je weer iets moet doen. “Heinrich, was machtst du? Ich sitze. Aber Heinrich, du musst nicht sitzen. Gehe etwas tun! Gehe spazieren!” (voor de lezers: hier citeert Jansma de Duitse dokter Loriot).

“Jawel, stappen tellen. Zo zitten die vrouwen in elkaar. Alles onder controle, ook de man. Controle. Kontrollen. Het zit al in het woord. WC papier. 24 rollen in de Bonus bij Albert Heijn. En de vrouwtjes maar hun man op die aanbiedingen afsturen. Freud had tóch gelijk!”

De theatrale persoonlijkheid (1)

De zogenaamde theatrale persoonlijkheid is een 'psychiatrisch beeld' dat sterk tot de verbeelding spreekt. 
In de DSM V wordt gesproken over de histrionische persoonlijkheid en vroeger sprak men van de hysterische persoonlijkheid. De naamsveranderingen geven al aan dat de bedenkers van de DSM zelf een beetje met dit beeld in hun maag zitten.

Vrouwen met psychische problemen

Het woord hysterie komt van het Griekse woord voor baarmoeder (‘hysteria’). Men dacht namelijk destijds dat dit beeld alleen bij vrouwen voor kwam. Op die manier beschreef Sigmund Freud ook zijn vrouwelijks patiënten. Dat waren allemaal chicque dames uit de Weense elite. Freud behandelde namelijk alleen maar particuliere patiënten. Verschil moet er zijn. de dames dronken thee met een pink omhoog en vielen bij een spannende gebeurtenis spontaan in katzwijm. Volgens Freud lagen er onder dit gedrag verdrongen psychische problemen. Dat was in die tijd een revolutionaire gedachte.

Hysterical Men

In mijn boekenkast stond jarenlang een publicatie met als titel: De hysterische neurose bij de man. Dat was een opzienbarend geschrift. Dat ik die publicatie kwijt ben is trouwens waarschijnlijk een vorm van verdringing.

Zo verklaart ook Mark S. Micale in Hysterical Men: The Hidden History of Male Nervous Illness het feit dat er eeuwen lang niet over een hysterisch beeld bij de man geschreven werd. De destijds uitsluitend mannelijke zenuwartsen wilden er gewoon niet aan dat ook mannen op een ‘hysterische manier’ gevloerd konden worden door psychische problemen.

Vrouwen én mannen

Tegenwoordig gaat men er vanuit dat de histrionische persoonlijkheid zowel vrouwen als mannen betreft, maar dat deze stoornis bij vrouwen en mannen een verschillende kleur krijgt. Bij vrouwen zou meer het onvermogen centraal staan (bijvoorbeeld het zeer heftig reageren op situaties die spanning oproepen).

Mannen zouden die kwetsbaarheid juist camoufleren door zich groots te gedragen. "Kijk mij eens, met mij is niks mis!" Maar, schrijft Marc America, "dat stoere gedrag is een voorgevel waar geen huis achter staat."

Paradijsvogel

Een voorbeeld is de Meneer de Paradijsvogel. Deze veertiger lijkt robuust in het leven te staan en is voor geen kleintje vervaard. Dat etaleert hij ook in zijn lichaamstaal. Vaak gaat hij op zijn racefiets door het dorp, uitgedost in een fietspak dat zó kleurrijk is dat een paradijsvogel er flets bij afsteekt. Het hoofddeksel zou een woeste zeepiraat niet misstaan. Aldus Marc America.

Bij de huisarts blijkt dat deze meneer een verwoed gevecht voert om zijn kwetsbare binnenkant te verhullen. Dat doet hij door alle aandacht op zijn buitenkant te richten. Maar naarmate hij ouder wordt, wordt zijn verschijning minder imponerend. Uiteindelijk zakt hij met zijn stoere buitenkant door het ijs. Hij komt in de ziektewet terecht en heeft langdurige psychiatrische hulp nodig.

Kleding en attributen vormen volgens Marc America voor mannen een belangrijk attribuut om de aandacht op zichzelf te vestigen. Tegenwoordig wordt die kleding vervangen door extreme piercings en tattoos. 

Scheepshoorn en tattoo

Wat de attributen betreft kun je ook denken aan de dreunende muziek die uit sommige gepimpte auto’s met bij voorkeur geblindeerde ramen komt, de scheepshoorn op het dak van de auto en de Hells Angels outfit op de motor. Gelukkig heb ik geen rijbewijs, dus ik kom niet in de verleiding om mee te doen…

En ja, die mannen die van top tot teen onder de tattoos en de piercings zitten... Het lijkt wel of er een mist rond de persoon moet worden opgetrokken. De buitenkant moet helemaal gepimpt worden omdat de binnenkant te kwetsbaar is. Ik denk er dan als ondertitel soms bij: "Binnenkort in dit theater..."

Conversiestoornis

Meneer van Voorden kreeg vrij akuut een verlamde arm. Geen enkele specialist kon een oorzaak vinden. Als gevolg van deze verlamde arm kon hij zijn werk niet meer uitvoeren. Toen hij psychotherapie kreeg kwam daar een traumatische ervaring uit naar voren. Toen dit trauma besproken was keerden ook de functies in zijn arm weer terug.

Sigmund Freud zou dit verschijnsel verklaren vanuit het idee dat trauma’s kunnen leiden tot ernstige lichamelijke complicaties. Een innerlijk psychisch conflict wordt vertaald in lichamelijks verschijnselen. Bij Sigmund Freud was deze zogenaamde ‘conversie’ passend bij een neurotische ontwikkeling: je verdringt zóveel ellende dat je lichaam op een bepaald moment ‘ho!’ zegt.

Het leek me een aannemelijke verklaring, maar tegenwoordig staat deze ontwikkelingsdynamische visie toch ter discussie. Hoewel in de DSM 5 (‘het spoorboekje van de psychiater’) de conversiestoornis nog wel als psychische classificatie is blijven staan wordt er aan toegevoegd: ‘de functioneel-neurologische symptoomstoornis’.  Een gevolg is dat niet meer de psychiater, maar de neuroloog de belangrijkste onderzoeker is.

(G) een trauma

Ook nieuw is dat trauma of stress niet meer als aanleiding gezien hoeven te worden voor het ontstaan van een conversiestoornis.

In het verleden werd gedacht dat trauma’s uit de jeugd vaak de oorzaak van deze stoornis zouden zijn. Of nog meer: dat een recent trauma problemen uit het verleden deed opleven en dat daardoor de stoornis zou ontstaan. Zoals bij meneer Van Voorden: als hij zich bijvoorbeeld vroeger thuis machteloos voelde en nu ook weer bij zijn baas (zijn boosheid niet mogen uiten), dan zou dat herbeleefde trauma nu leiden tot een conversiestoornis.

Simulatie?

Volgens Sigmund Freud was er bij de conversiestoornis sprake van simulatie. Dat was vanuit zijn praktijk verklaarbaar. Hij zag nogal wat patiënten met (wat hij) hysterisch gedrag (noemde). Ze vielen spontaan flauw als het onderwerp te spannend was.

Een voorbeeld van hedendaagse simulatie is de voetballer die na een lichte aanraking bewegingloos blijft liggen op het voetbalveld. Maar dat is geen conversie.

Conversie is neurologisch en ‘motorisch’ zó ingewikkeld dat het eigenlijk niet gesimuleerd kan worden. Iemand die echt zijn arm niet meer kan gebruiken en dat blijkt dag en nacht door, dat kun je niet ‘nadoen’ als vorm van simulatie.

Recent onderzoek geeft aan dat het op deze manier willen verklaren van de symptomen van een conversiestoornis niet voldoende onderbouwd kan worden. Het klonk allemaal als een aannemelijke theorie, maar het valt niet bewijzen.

Afweermechanismen (1)

Mensen doen van alles om ongewenste impulsen het hoofd te bieden. Dat was de ontdekking van Sigmund Freud. Omdat het Super-Ego (ongeveer het geweten) steeds sterker wordt stoppen we onze behoeften ondergronds.

Wat zijn de meest bekende afweermechanismen?

  1. Verdringing. Je ontkent (en vergeet zelfs) wat je van plan was of wat er met jou gebeurd is. Een voorbeeld is een klasgenoot die zakte voor zijn examen en zich daar twintig jaar geleden niets meer van kon herinneren.
  2. Isolering. In tegenstelling tot het voorgaande voorbeeld herinner je je wel dat je gezakt bent voor je examen, maar de emotionele lading ben je kwijt. “Ik zakte toen wel, maar het deed me niks. Ik dacht gewoon: ‘volgend jaar beter’.” 
  3. Ontkenning. Bij de ontkenning wil je een bepaald bericht (dat teveel je emotie raakt en een bedreiging voor jou vormt) niet horen. Een voorbeeld is de peuter die zegt dat hij niet van de pindakaas heeft gesnoept. Of de andere peuter die een zusje kreeg en die vond dat haar moeder niet de moeder van het nieuwe meisje kon zijn. Ontkenning speelt een rol in de rouwverwerking: de boodschap is zó heftig dat je hem niet aan kunt horen en ontkent dat het waar is.
  4. Reactievorming. Je weert de ongewenste impuls af door het tegenovergestelde te gaan doen of te denken. Zoals de pedofiel die een stille tocht voor een misbruikt kind organiseert. Of de persoon die graag met vuur speelt en bij de brandweer gaat. Zo zijn er ook mensen met potentieel homoseksuele gevoelens die homoseksualiteit te vuur en te zwaard bestrijden.
  5. Regressie. Je valt terug in een vroegere fase van de sociaal-emotionele ontwikkeling.Regressie zien we veel bij peuters. Bijvoorbeeld de peuter die weer onzindelijk wordt nadat er een zusje is geboren. Maar het kan ook in de activiteiten gebeuren. Bijvoorbeeld: je vond als kind veel rust in puzzelen en nu je volwassen bent en de spanning te hoog wordt ga je in je vrije tijd weer puzzelen. In de Freudiaanse theorie is regressie heel breed: veel psycho-analytici zien bijvoorbeeld roken als een vorm van regressie. Ook dwanghandelingen worden door hen vaak als regressief gedrag gezien.

Zenuwarts

Het bord bij de deur meldt: dr. A.Jansma, zenuwarts. De Friese naam klinkt mij vertrouwd in de oren, maar dat zenuwarts, is dat voor zenuwenlijers? Gelukkig had ik een oom die ook een bordje zenuwarts naast zijn deur had hangen. Een zenuwarts was niet perse voor stresskippen, maar voor allerlei mensen die hun hoofd om wat voor reden dan ook even moeten ordenen. Dat komt in de beste families voor.

Ik bel aan en de deur floept direct open. Dat is verdacht. Kennelijk word ik in de gaten gehouden. Maar dat zal wel een gevalletje paranoia zijn. De hal geeft toegang tot een klapdeur met het opschrift ‘Wachtkamer’. Het leven is één grote wachtkamer, dus dat kan er ook nog wel bij.

In de wachtkamer staat een bank. Dat is misschien om te oefenen. Speciaal voor behandelingen bij psychoanalytisch geschoolde psychiaters. Maar voor andersdenkenden zijn er ook losse stoelen klaar gezet. Misschien ziet de zenuwarts wel direct wat voor vlees hij in de kuip heeft aan de hand van de plek die de patiënt in de ruimte gekozen heeft. Iemand die de bank in beslag neemt is toe aan psycho-analyse.

Ik ben de enige in de wachtkamer. Het zou trouwens ook wel vreemd zijn als er meerdere wachtenden zouden zijn. Gesprekken met een psychiater duren doorgaans geen zes minuten, maar drie kwartier. Dat komt omdat de hond van Sigmund Freud, die onder zijn bureau de wacht hield, na drie kwartier weer gapend wakker werd. Dan wist Freud dat het tijd was om de sessie te stoppen. Daarom duren nu al een eeuw lang sessies bij de psychiater gemiddeld drie kwartier.

Zo’n wachtkamer met meerdere wachtenden kan trouwens wel spontane uitingen van groepstherapie uit kunnen lokken. Zoals in de wachtkamer van een andere zenuwarts. Eén van de wachtenden vertelt dat hij Napoleon is. Een andere wachtende zegt: “Dat kan niet. Wie heeft dat gezegd?” “Jezus!”, antwoordt de man. Daarop klinkt er uit een hoek een stem: “Wat heb ik nú weer gezegd?”

Eén van de meest indrukwekkende museumbezoeken in mijn leven was het bezoek aan het Freudmuseum in Wenen. Wachtkamer en behandelkamer zijn in de oude toestand gehandhaafd, alleen de hond ontbreekt. De Nazi’s hebben geprobeerd om alles van deze Joodse zielenknijper te verdonkeremanen, maar het meubilair was goed in het Weense onderbewuste verstopt om pas na de Russische bezetting weer op te duiken.

Ik probeer de sfeer van die wachtkamer op te roepen, maar dat lukt maar gedeeltelijk in dit 20e eeuwse Amsterdamse herenhuis. De wachtkamer is te strak ingedeeld, al hangen er kunstwerken die Freud met waardering zou hebben bekeken.

Daarna is het tijd voor de vakliteratuur. Toen ik nog naar de kaper ging waren dat de Panorama en de Nieuwe Revu en als het een beetje mee zat ook nog De Lach. Maar deze psychiater houdt het degelijk, met Het Beste, Intermediair en Arts en Auto. Stel dat ik dokter was geworden, dan had ik de brievenbus dicht willen plakken uit angst dat zo’n blad tussen de post zou zitten. Wie bedenkt er nu zo’n combinatie. ‘Arts en fiets’ ben ik nog niet tegen gekomen. Trouwens: wat beweegt een arts om zo’n blad in de wachtkamer te leggen. Het wordt tijd voor een confrontatie.

“Komkom, tuuttuut, hoho!” hoor ik mijn alter-ego zeggen. Waarom trouwens al die woorden twee maal? Volgens neo-freudianen heeft de neiging om van alles twee te hebben te maken met narcisme (twee bloempotten in de vensterbank, bijvoorbeeld). Geldt dat ook voor iets twee keer zeggen?

Maar waarom moet Henkie van die Arts en Auto nu een probleem maken? Ieder mens is toch verschillend?  “Maar niet in mijn wachtkamer” hoor ik mezelf zeggen. “Het is jouw kamer helemaal niet, wat denk je wel?” antwoordt mijn alter-ego. “Zo’n kamer zou ik niet eens willen hebben” antwoord ik verongelijkt. “Wat ben jij een klein jongetje” zegt mijn alter-ego. “Heb je je sociaal-emotionele ontwikkeling al wel eens in kaart gebracht?”

Dan gaat de deur open. Een stevige vrouw van middelbare leeftijd met nochtans prachtig rood haar kijkt mij aan. Ik moet even schakelen. Ben ik op zoek naar een vaderfiguur en word ik nu opnieuw gebonden aan een moederfiguur? Veel tijd om hier over na te denken krijg ik niet. “Meneer Algra, hebt u geen afbericht van ons ontvangen?” Mij is geen afbericht bekend, maar gezien mijn leeftijd vergeet ik ook nog wel eens wat. “Dokter Jansma heeft gisteren een aanrijding met een auto gehad, hij kan deze week zijn afspraken niet nakomen.” “Dat komt er van” hoor ik mezelf zeggen. “Arts en auto, weet je wel”.

“Als u wilt kunt u nu meteen een nieuwe afspraak maken” zegt de assistente van dokter Jansma. Dat lijkt me ook wel handig. Ik heb een hekel aan telefoontjes plegen. Bij de balie vraag ik toch maar even hoe de toestand van de dokter is. Hij heeft een paar verwondingen opgelopen, maar de schade viel verder mee, alleen zijn fiets kon naar de schroothoop. “Op de fiets?” vraag ik. “Ja, dokter Jansma is een verwoed fietser” zegt de assistente. “Na een dag vol gesprekken stapt hij graag nog even op de fiets.”

Die opmerking brengt mij op een alternatief idee. Kunnen we niet een fietsconsult afspreken? Nee, zegt de assistente, dat kan ik u niet aanraden. U kunt hem toch niet bijhouden. Hij fietst als een gek. “Maar hij is het toch niet?” vraag ik. “Ik mag hopen van niet” zegt de assistente.

De volgende afspraak met de fietsende zenuwarts is over vijf weken. Ik ga dan op de fiets en zet mijn Batavus in de wachtkamer. Hebben we meteen een gespreksonderwerp.

Freudmuseum

Eén van de meest indrukwekkende ervaringen in mijn leven was het bezoek aan het Freudmuseum in Wenen.

Van tevoren was ik mij dat niet zo bewust. Maar toen ik de trap naar zijn wachtkamer en behandelkamer besteeg ging er heel wat door mij heen. Daar sta je dan oog in oog met de werkomgeving van een man die ook op mijn werk van zóveel invloed is geweest, al ben ik helemaal niet zo’n Freudiaan.

Hier was de man aan het werk geweest die aan de basis legde voor veel hedendaagse psychologie en psychiatrie. Ook mensen die vinden dat Sigmund Freud al lang achterhaald is kunnen er niet om heen dat zijn invloed enorm is geweest.

Seksualiteit en zindelijkheidstraining

Rond het denken van Freud bestaan veel misvattingen. Zoals het idee dat zijn hele denken gebaseerd zou zijn op de seksuele ontwikkeling van de mens. Er worden wel speciale potloden verkocht in het museum, maar dat wil nog niet zeggen dat Freud zélf een potloodventer was.

Een ander misverstand is dat Freud zou enken dat álle menselijke ontwikkeling te maken zou hebben met de zindelijkheidstraining. Peuters die teveel getraind (geforceerd) zouden zijn, zijn volgens hem een anaal (= dwangmatig) karakter ontwikkelen. Zéker, Freud legt daar te grote accenten bij, en dat is wel achterhaald.

Maar het totale concept van de ontwikkelingsdynamiek, waarbij mensen in iedere fase voor een nieuwe opdracht in hun leven komen te staan, vormt nog altijd de kern van veel hedendaags psychologisch denken. Later bouwde Erik Erikson daar op een meer genuanceerde manier op verder. Zijn manier van kijken is bepalend voor de manier waarop ik naar de menselijke ontwikkeling kijk.

Kind van zijn tijd

De accenten die Freud in zijn tijd legde zijn achterhaald. Hij was ook een kind van zijn tijd. Hij zette zich ongenuanceerd af tegen het geloof, dat hij als verdringing zag. Hij zag het dunne vernislaagje bij mensen die regels hadden ingeprent en daar bang voor waren geworden. Hij woonde in een stad waar de rijke bevolking boordevol complexen zat. De hoofdstad van een afbrokkelend wereldrijk. Ook een stad waar het nazisme in opkomst was. Freud zag die dreiging en werd er door beïnvloed.

Heel bijzonder zijn de filmpjes die zijn dochter (de eveneens wereldberoemd geworden kinderpsychiater Anna Freud) maakte van haar vader. Een wat eenzelvige solistische man, zittend en denkend in de tuin van zijn huis, die niet op mensen toe liep om hen te begroeten, maar die iedereen naar hém toe liet komen. Maar ook de filmpjes van de context van het leven in Wenen in 1938, waarbij kinderen op straat met nazivlaggen lopen…

Maar de invloed van Sigmund Freud En dat zal ook zo blijven. We kunnen er niet omheen dat de eerste jaren van het leven het fundament vormen voor wie je later zult zijn.

Wachtkamer Sigmund Freud

Freud wachtkamerMisschien denken jullie wel: “Die Freud, dat is toch al lang allemaal achterhaald?”

Of: “Freud, dat ging toch allemaal over oraal, anaal en sex?”

Dan heb je niet veel van de theorieën van Sigmund Freud begrepen. Er zijn opvattingen van hem achterhaald. Maar aan de andere kant is een groot deel van de hedendaagse psychiatrie uiteindelijk gebaseerd op het denken van Freud.

Pas toen ik het Freud Museum in Wenen bezocht realiseerde ik me pas echt hoezeer zijn denken ook mijn werk en mijn denken heeft beïnvloed. Ik was dan ook zeer onder de indruk van dit bezoek. Een aanrader, en dat niet alleen voor psychologen!