Fleur botst met haar ouders

Men neme: een meegaand meisje van veertien jaar oud. Maar opeens wordt ze erg dwars. Er is niets meer goed of het deugt niet. Wat is er aan de hand?

Ja, dat weet ik ook niet. Het kan zijn dat er iets (voor haar) traumatisch is gebeurd. Het kan ook zo zijn dat er iets medisch aan de hand is. Of dat ze bijvoorbeeld opeens drugs is gaan gebruiken. Drugs doen rare dingen met je (‘begin er nooit aan’ sprak opa).

Maar stel dat er in al die opzichten niets te vinden is, wat kan er dan aan de hand zijn? Kan het iets met de puberteit te maken hebben?

Volgens antropologe Margareth Mead is de puberteit een typisch westers verschijnsel. Op Samoa, waar ze veel onderzoek heeft gedaan, kwam volgens haar deze 'Sturm und Drang-periode' nauwelijks voor. Of dat nu nóg zo is weet ik niet. Ik ben nooit op Samoa geweest. Het is te ver fietsen.

Laten we het meisje Fleur noemen. Ze is in sociaal-emotioneel opzicht in ontwikkeling. Maar dat maakt het er voor haar en voor haar omgeving niet gemakkelijker op. Zelfs een meegaand kind kan opeens een lastige puber zijn. Dat krijg je als je volop op zoek bent naar wie je zelf bent en wat je relatie tot de ander is.

Aan de ene kant wordt die puber meer een eigen ‘ik’. Maar als je meer dingen zelf kunt en wilt word je ook banger dat je de ander kwijt raakt (dat zien we al bij peuters die overdag denken zonder mamma kan te kunnen maar ’s nachts niet durven te gaan slapen, want mamma moet in de buurt blijven).

Aan de andere kant ervaart Fleur de zorg van anderen ook als een bedreiging voor haar autonomie. ‘Waar bemoeien ze zich mee?’ Ze wil de ander dichtbij hebben én de ander moet zich niet met haar bemoeien.

Als puber wil Fleur zelf bepalen hoe laat ze thuis komt, maar ze wil ook graag dat mamma haar brood klaar maakt voor op school.  

Pubers kunnen erg zwart-wit denken (ambitendentie): de één doet het goed en de ander doet het niet goed. Dit past binnen het ontwikkelingspatroon van iemand die volop bezig is met het bevechten van de eigen autonomie: groot willen zijn en klein willen zijn. Oftewel: ‘kom eens wat dichter bij mij uit de buurt’.

Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt

Maar dan die felle en ongenuanceerde boosheid… Die richt zich in de eerste plaats op de belangrijkste opvoeders (BA). Het kan ook leiden tot ‘uitspelen’ van ouders tegen elkaar. De één wordt op een voetstuk gezet (die doet het goed) en de ander doet het fout (opnieuw: ambitendentie). In de theorie wordt dat splitting genoemd.

Als dat binnen teams gebeurt kun je soms als gevolg zien dat er conflicten ontstaan binnen het team en dat een heel team ‘gespleten’ wordt. De één is de goede groepsleider en de ander(en) zit(ten) fout. 

Maar de kern van het probleem zit bij de persoon zelf die bezig is met (meestal onbewust) splitten: met de zoektocht naar wie je zelf bent omdat je moet leren de ander los te laten.

"Ik zoek wanhopig naar een voorbeeld, want ik weet nog niet genoeg van mezelf. Maar als ik een voorbeeld nodig heb raak ik ook weer mezelf kwijt."

Wie is Sebastiaan? (8)

En nu volgt er een hypothese die op zijn minst ‘gewaagd’ is. Ik kwam hem tegen in een boek over ontwikkelingsdynamiek. Alleen ben ik helaas vergeten bij welke auteur. Dus mocht iemand die zin herkennen, dan lees ik het graag terug.

“Om zich los te maken uit de emotionele omklemming van de moeder heeft het kind een vader als identificatiefiguur nodig”.

De stelling uit dat boek is gewaagd. Toch neem ik hem even mee in het verhaal van Sebastiaan. Tijdens de gesprekken met Sebastiaan valt op dat zijn vader nauwelijks een rol speelde als persoon die een voorbeeld voor hem was. Sebastiaan was en bleef een moederskindje.

————–

Bij verklaringen voor gedrag wordt veel te vaak gezocht naar een monocausale oorzaak. Bijvoorbeeld: het is ‘alleen’ een neurologisch probleem. Het kind heeft dit…. en dus vertoont het dat gedrag. Dat vind ik een veel te ‘platte’ redenering. “Alles beïnvloedt altijd alles.”

Als ik naar de ontwikkelingsdynamiek kijk zou ik ook kunnen zeggen: Sebastiaan was een gevoelige en daardoor ook gemakkelijk angstige baby. Die angst maakte dat hij extra de veilige nabijheid van zijn moeder op zocht. De angst veroorzaakte vervolgens dat de ‘ik-ontwikkeling’ moeizaam op gang kwam. Sebastiaan ging niet op onderzoek uit. Hij bleef in de buurt van zijn moeder. Dat heeft niet met een onjuiste houding van zijn moeder te maken, maar wel met de gevoeligheid van Sebastiaan.

Om groter te groeien heeft het kind een tweede, een derde, een vierde en een vijfde hechtingsfiguur nodig. Die sprong heeft Sebastiaan te weinig gemaakt. Zonder zijn moeder was hij als peuter ‘nergens’. Bij zijn vader voelde hij zich niet veilig. Er waren ook geen andere directe hechtingsfiguren. Dat betekende voor Sebastiaan dat in emotioneel opzicht alle eieren in één mandje waren gelegd.

—————-

Dit is één van de verklaringen waarom de ontwikkeling van Sebastiaan stagneerde. Het is niet dé enige mogelijke verklaring. Het heeft ook niet met schuld van welke ouder dan ook te maken. Het zijn processen die op de één of andere manier hun loop hebben bij kwetsbare kinderen.

Middelbare school

Erik Erikson ziet de puberteit als een soort herkansing.

Alle ervaringen uit de eerste levensjaren worden nog een keerte door elkaar gehusseld en opnieuw op een rijtje gezet.

In zekere zin is de puberteit een herhaling van de peutertijd: de puber moet, nét als de peuter, leren los te komen van zijn ouders. Maar de peuter deed dat in een veilige omgeving: de beschutting van huis en tuin. Voor de puber is de wereld veel groter, met een oneindige reeks aan keuzemogelijkheden.

Tijdens de puberteit bleek dat het emotionele fundament van Sebastiaan niet zo stevig was als hij nodig had om deze turbulente periode door te komen. Hij had grote moeite om zijn wereld te ordenen en voldoende te kunnen plannen en organiseren.

Sebastiaan had er bijvoorbeeld grote moeite mee om zijn huiswerk te maken. Hij was zó lang bezig met het maken van lijstjes wanneer en hoe hij zijn huiswerk zou maken dat de tijd dat hij werkelijk aan zijn huiswerk zat er onder leed.

Zowel op school als bij zijn vader bestond het beeld dat Sebastiaan onder zijn niveau functioneerde. Helaas leidden zijn onvoldoende schoolprestaties er toe dat hij niet op het VWO kon blijven. Volgens zijn vader lag dat aan het schoolsysteem. De school zou zijn luie zoon meer op zijn verantwoordelijkheden moeten wijzen en een veen strakker regime moeten hanteren.

De communicatie tussen vader en zoon verliep overigens voornamelijk via de moeder van Sebastiaan. Voor Sebastiaan was zijn vader vooral een afwezige vader. Hij was zéker geen voorbeeld voor zijn vader. Het liefste zat Sebastiaan bij zijn moeder aan tafel. Of hij hield zich op zijn kamer bezig met schema’s en plannen voor het huiswerk of met dagdromen.

Sebastiaan gaat van school

Erik Erikson heeft het over ‘waden door de stroop’.

Daarmee bedoelt hij dat mensen die vastlopen zwoegend hun weg gaan. Alle bezigheden kosten energie.

De energie gaat in feite in de verkeerde dingen zitten. Het op zien tegen het schrijven van een werkstuk kostte hem meer energie dan het schrijven van het werkstuk zelf.

Uiteindelijk liep Sebastiaan vast op de Havo. De eindstreep heeft hij nooit gehaald. Zonder diploma op zak verliet hij in de vierde klas de school.

Sebastiaan ervoer dat niet als ramp. Het was meer iets wat bij het leven hoorde. Zo ging dat nu eenmaal met hem. De enige die zich vreselijk opwond over zijn ‘lamlendige zoon’ was zijn vader. Hij had veel meer aangepakt moeten worden. Hij verweet zijn vrouw dat ze van hun zoon een ‘watje’ hadden gemaakt.

 

Omgang met moeilijk invoelbaar gedrag (3)

Psycho-educatie

Een interactionele prothese is in dit verband een ‘kan niet’. Het gaat om een stukje psycho-educatie. Het toedichten van vijandige intenties aan anderen is één van de kenmerken van een psychose. Hoe graag de ouders ook zouden willen: daar viel nu niets aan te doen. Zoals je bij een oorontsteking veel pijn aan je oor hebt, zo hoort bij een psychose de pijn van de afwijzing. Het was belangrijk dat de ouders zich realiseerden dat Merel daarmee haar ouders niet als persoon, als vader en als moeder afwees. Ze waren juist ontzettend belangrijk voor haar. Dat was zelfs –paradoxaal genoeg – de reden waarom ze nu zo boos leek op haar ouders.

Gepaste afstand

Het tweede aspect was dat ouders moesten leren om ‘de oude intimiteit’ los te laten. In plaats van meer nabijheid had Merel gepaste afstand nodig. De neiging die (vooral) moeder had was om haar dochter in de watten te leggen. Dat deed ze door allerlei ‘lokmiddelen’ in te zetten.

Dat was vroeger ook gebeurd. Merel was een meisje met een moeilijk temperament. Het had de ouders heel wat moeite gekost om een beetje een goede pasvorm in de opvoeding te vinden. Zo was Merel een moeilijke eter. Het menu was jarenlang grotendeels bepaald geweest door wat Merel lekker vond, ‘zo kreeg ze tenminste nog een beetje binnen’. Dat beeld moesten de ouders nu loslaten: op die manier konden ze niet meer voor hun dochter zorgen.

Taken verdelen

Het derde aspect betrof de samenwerking tussen beide ouders. Daar kwam oud zeer bij naar voren. Merel had zóveel tijd en energie gevraagd van moeder, dat vader zich wel eens op een zijspoor voelde gezet.

Heel veel dingen die vader graag had gedaan hadden thuis niet gekund, omdat Merel het niet leuk vond. Een reis naar een ver land zat er niet in, want Merel wilde niet in een vliegtuig en wilde geen ander eten. Dat verklaarde ook de boosheid op zijn vrouw, uitgerekend na  het moment dat Merel haar moeder buiten de deur had gezet. Toen vader dat begreep zag hij ook in dat zijn vrouw op dat moment geen uitbrander, maar juist een arm om de schouder nodig had. De situatie van hun dochter was een gegeven die hen beiden diep raakte. Ze zouden ook beiden moeten werken aan een oplossing. Ouders kwamen tot de conclusie dat er een betere taakverdeling moest komen. Vader moest meer zichtbaar worden, en moeder moest meer afstand inbouwen en dat beiden rekening zouden houden met de grotere behoefte aan emotionele ruimte voor Merel.

Dat wil ik, wat wil jij?

Tenslotte gingen de ouders aan de slag met de vraag ‘Dat wil ik, wat wil jij?’ (Jesper Juul). Ouders moesten leren om actief te luisteren naar Merel – zonder zich direct bedreigd te voelen. Het kwam neer op het beter leren omgaan met een lage expressed emotion.

Tegelijkertijd moesten ze leren om hun eigen grenzen aan te geven. Vooral moeder had de neiging om ‘volgend’ te zijn, vanwege de angst om haar dochter te verliezen. “Als ik maar genoeg doe wat zij wil raak ik haar niet kwijt”. Maar juist daardoor legde moeder een –goedbedoelde – zware emotionele hypotheek op het welzijn van haar dochter. Merel had behoefte aan ouders die emotioneel duidelijk waren: ‘dat wil ik, wat wil jij’?

Het zicht wordt beter

Het was voor de ouders bijzonder om te ervaren dat juist de grotere duidelijkheid en het steviger grenzen stellen de afstand tussen hen en hun dochter kleiner maakte. Kennelijk was er sprake van een passende interactionele prothese. De kwetsbaarheid van Merel was niet verdwenen, maar het zicht was wél beter geworden.

 

 

Omgang met moeilijk invoelbaar gedrag (2)

Merel

Merel sluit zich op in haar kamer. Uren lang ligt ze onder het dekbed. Alleen via sociale media heeft ze nog enig contact met de buitenwereld. Haar moeder maakt zich grote zorgen. Ze probeert zo aardig mogelijk voor haar dochter te zijn. Ze probeert allerlei dingen te organiseren die Merel vroeger leuk vond. Extra lekker eten, een spelletje doen, even naar het strand. Het effect van de pogingen van moeder is precies averechts.

Hoe meer liefdevol moeder naar Merel toe is, hoe meer ze probeert te investeren in een goede relatie met haar dochter, des te bozer lijkt Merel te worden. Op een ochtend wil Merels moeder haar bed verschonen. Dan jaagt Merel haar moeder luid schreeuwend de kamer uit. Die rotmoeder die haar hele leven verkloot heeft moet nu eindelijk eens opzouten.

Psychose    

Een ambulant team binnen de hulpverlening stelde bij Merel een psychotische decompensatie vast. Mensen met een psychose hebben de neiging om vijandig naar de omgeving te kijken. Ze zijn vaak achterdochtig en denken dat anderen het op hen gemunt hebben (betrekkingsidee). Het gevolg is meestal dat ze afstand houden, soms kiezen ze zelfs voor een isolement. Is er toch contact, dan is dat vaak ‘afwerend’ en beschuldigend. Het gebeurt nogal eens dat met name de meest vertrouwde mensen de meeste kritiek te verduren krijgen. Dat is begrijpelijk, want zij zijn ook degenen die het dichtste bij komen. En dan moet tegenover hen het eigen territorium dus des te meer bewaakt worden.

Relatie

Waar is de vader van Merel? Hij houdt zich zoveel mogelijk afzijdig. Eigenlijk wil hij de verhalen van zijn vrouw ook niet horen. Gelukkig heeft hij genoeg andere dingen te doen. Hij is er echter getuige van dat Merel zijn vrouw de deur uit jaagt. Voor hem is nu ook de maat vol. Zijn vrouw moet nu eindelijk eens ophouden om zich op te dringen aan haar dochter. Ze wil zo nodig haar leven zelf bepalen. Laat ze dat dan ook doen! Stinkt ze haar bed uit, dan is dat haar eigen keuze.

Prothese

Uit het voorbeeld wordt duidelijk dat niet alleen Merel een probleem heeft, maar dat de gevolgen veel groter zijn. Zelfs de relatie tussen beide ouders staat onder druk.

Wat zou kunnen helpen als ‘interactionele prothese’? De eerste vraag is wat er op dit moment met meest zwaar weegt voor de ouders van Merel. Hebben beide ouders hetzelfde probleem. Of vindt moeder het ene aspect het meest lastig en kijkt vader weer naar heel andere aspecten?

Uit een emotioneel gesprek komt uiteindelijk naar voren dat beide ouders grote moeite hebben met het vijandige gedrag van hun dochter. Ze hebben het gevoel dat ze niets goed kunnen doen, maar ze hebben daarnaast het gevoel dat ze al 20 jaar lang niets goeds hebben gedaan. Ze hebben hun eigen dochter naar de vernieling geholpen. Daaronder ligt het gevoel dat ze hun dochter kwijt gaan raken, een voor (de) ouders niet te verdragen emotie.

 

 

Vervelende mensen (2)

Natuurlijk, ik weet het, het gaat om verveelde mensen. Maar deze kop vond ik leuker klinken. Al ben ik dan wel wat vervelend voor de mensen die ik op een verkeerd spoor zet.

Ongestructureerde tijd

Hoe zit het met die verveling thuis? Het blijkt dat de auteur het toch iets breder opvat: het gaat om ongestructureerde tijd. Het heeft dus ook te maken met de mogelijkheden die mensen hebben om hun tijd te structureren.

Pubers en LVB

Voor pubers is dat bijvoorbeeld lastig, omdat de delen van de hersenen die helpen bij het organiseren nog lang niet volledig zijn uitgegroeid. Dat leidt er toe dat ze zich ontzettend vervelen, de bank in huis volledig in beslag nemen en toch niet tot enige activiteit kunnen komen.

Hetzelfde probleem zie ik bij veel mensen met een lichte verstandelijke beperking. Ze krijgen hun leven niet georganiseerd en hebben daardoor paradoxaal genoeg het gevoel dat ze het altijd druk hebben.

Oorzaken verveling thuis

Als oorzaken van verveling thuis noemen de auteurs:

  • het alleen zijn in huis, geen gesprekken kunnen voeren
  • vermoeidheid
  • onvoldoende in staat zijn tot time-management
  • geen afspraken hebben
  • gebrek aan geld en dus aan mogelijkheden

Marina is een vrouw van 25 jaar. Ze is vandaag de hele dag thuis. Maar er komt niets uit haar handen. ’s Avonds voelt ze zich ontzettend vermoeid, terwijl ze niets heeft ondernomen. Ze voelt zich ook heel vervelend: er lag veel werk in huis, maar ze heeft 12 uur lang voor haar gevoel niets zitten doen. 

Chronische vermoeidheid, bore-out

Als zo’n situatie zoals van Marina lang aanhoudt leidt dat gemakkelijk tot gevoelens van leegte en depressiviteit. Daar hangt een prijskaartje aan: de neiging tot verslavend gedrag neemt toe.

Oververmoeidheid als gevolg van het onvermogen om de dag goed in te delen noemen we wel een bore-out. Zo’n bore-out laat dezelfde verschijnselen zien als een burn-out, maar de oorzaak ligt in het gevoel van het langdurig niets doen en/of tot niets kunnen komen.

Perspectief

Wat zijn beproefde middelen om uit deze negatieve spiraal te komen?

Het zijn:

  • dagelijkse fysieke inspanning
  • aanbrengen van structuur, bijvoorbeeld iedere dag op dezelfde tijd opstaan
  • oefenen met mindfulness: ‘in de activiteit zijn’
  • het opzoeken en aangaan van contacten
  • volhouden: doorgaan met waar je mee bezig bent. Ook als het een dag regent toch je dagelijkse wandeling maken

Het moeilijke loslaten

Sommige ouders (her)kennen het van hun eigen kinderen. De zo vrolijke en goedlachse baby krijgt als peuter meer sombere trekken, alsof het leven meer moeite kost. De peuter kind heeft perioden dat hij meer in zichzelf is gekeerd. De blik is donkerder. Soms wordt hij ’s nachts huilend wakker. Wat is er gebeurd? Waarom deze verandering van grondstemming?

Meer en meer heb ik ontdekt dat het loslaten van de moeder voor een kind de meest complexe emotionele opgave is. Dit loslaten is nodig om tot een eigen ‘ik’ te komen. Het loslaten vindt (vooral) plaats in de periode tussen 1½ jaar en 3 jaar (de individuatiefase). De meeste ouders verzuchten wel eens dat ze hun dwarse peuter wel achter het behang kunnen plakken.

Het is op dat moment een schrale troost, maar dit gedrag is noodzakelijk voor de ik-ontwikkeling. Een kind dat niet in verzet komt ontwikkelt geen eigen ik. Dat eigen ik is op zijn beurt weer noodzakelijk om bepaalde hersengebieden ‘te trainen’, zoals het organiseren, het maken van eigen plannen.

Dysthyme stoornis

Het meer teruggetrokken gedrag wordt wel eens benoemd als dysthyme stoornis. Kenmerkend is dat zo’n stoornis op jonge leeftijd zichtbaar wordt en dat deze lang aanhoudt en leidt tot het achter lopen in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Zo hebben deze kinderen vaak minder vriendjes op school en het kost hen moeite om aan groepsactiviteiten mee te doen.

Gedragskenmerken die onder ADD genoemd worden zouden vanuit ontwikkelingsdynamisch oogpunt wel eens gezien kunnen worden als een gevolg van het niet los kunnen komen van de belangrijkste opvoeder. Vanuit dit perspectief gezien is de verandering in stemming de vertaling van de energie die het kost om op eigen benen te staan. Er is een onbewust verlangen naar vroeger, het verloren paradijs, toen het allemaal veiliger was. Vroeger werd in dit kader (als het gedrag zeer extreem was) wel eens geschreven over een symbiotische psychose.

Pubers 

Er zijn twee cruciale en kwetsbare perioden in de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen: de peutertijd en de puberteit. Ook tijdens en na de puberteit kan zich zo’n terugval voordoen. In sociaal-emotioneel opzicht is de puberteit vergelijkbaar met de peutertijd: opnieuw moet het kind op eigen benen leren te staan.

De actieve puber kan dan een periode meemaken waarin er weinig meer lukt, waarin alle activiteiten energie kosten. “Waden door de stroop” wordt dit door Erikson genoemd. Eerst kun je als puber altijd op je ouders terug vallen. Je kon zo laat huis komen als je maar wilde, als het uit de hand liep wist je dat je ouders er voor je waren. Maar als je écht op eigen benen moet staan wordt het allemaal erg spannend. Het roept opnieuw het verlangen op naar de veiliger kindertijd.

Er zijn therapeuten die jongeren stimuleren om helemaal los te komen van hun ouders. Het is zeer de vraag of dat op die manier werkt. Een kind neemt zijn eigen levensverhaal mee. Binnen de zogenaamde contextuele therapie wordt gekozen voor een vorm waarbij de jongere wordt gestimuleerd om zichzelf te zijn, maar in samenhang met zijn levensverhaal, zijn geschiedenis.

Je leven lang?

Hoe dan ook: het is altijd worstelen in de ontwikkeling van het eigen ‘ik’. Er zijn perioden die meer energie kosten dan andere perioden. Maar als Loesje schrijft dat de ware puberteit je leven lang voortduurt, dan heeft ze daar zeker voor bepaald mensen helemaal gelijk in….

 

 

Te klein om groot te zijn, te groot om klein te zijn…

Roy is een echte puber. Pet achterstevoren op zijn hoofd, hoog opgeschoren haar, hippe kleding, een broek die half afgezakt is, mobieltje in zijn hand.

Pubers horen net als meisjes van 13 eigenlijk nergens bij. Ze zijn te klein om groot te zijn en te groot om klein te zijn. Maar als je mee kunt doen met jouw voorbeelden op TV ben je toch nog iemand. En dat mobieltje? Dat is een houvast in woelige tijden, precies zoals de knuffelbeer dat was toen Roy een peuter was.

Wat groot zijn inhoudt weet Roy niet zo precies. Hij weet wel wat hij niet wil. Hij wil niet meer klein zijn. Dus maakt hij zich groot. In de wachtkamer heeft hij het hoogste woord. Hij biedt anderen zijn stoel aan. Zelf blijft hij staan. Hij kan immers wel staan? Of is dat omdat je staande minder kwetsbaar bent dan wanneer je gaat zitten?

Wat gebeurt er als Roy zich bedreigd voelt?  Wordt hij dan opeens een klein mannetje dat zich timide opstelt? Of probeert hij nóg groter te worden? Hoe groter de vijand, des te sterker jij moet zijn…?

Jongens als Roy denken meestal dat de aanval de beste verdediging is. Ze doen net of ze niet bang zijn en maken zichzelf een stukje groter. Zij weten heel goed hoe de wereld in elkaar steekt, ze laten zich niets wijs maken.

In de communicatie met jongens zoals Roy is het verleidelijk om in de tegen-aanval te gaan. Hoho, jongetje, nou moet jij eens goed luisteren, je moet wel even weten wie hier de baas is. Of je haalt er iemand bij die een Bromsnor-gesprek gaat voeren: “dit is je laatste kans en als het wéér zo gaat dan hoef je niet meer te komen!”

Als je als werkgever de macht hebt kun je het zo aanpakken. Je ontslaat Roy, dan ben  je van hem af. Er zijn genoeg vakkenvullers te vinden. Maar als je in de hulpverlening zit is het niet verstandig om het baas-boven-baas-principe te hanteren. De instelling Glenn Mills in Wezep werkte zo en de resulaten bleken uiteindelijk allerbelabberdst.

Roy heeft een andere manier van werken nodig. De sleutel zou kunnen liggen in het Oplossingsgericht werken als methodiek en in de Gentle Teaching als houding…

Pubers opvoeden, kan dat?

Tijdens lezingen over opvoeding (dat doe ik trouwens zelden meer sinds hier in huis geen kinderen meer fysiek aanwezig zijn & aan een Poes valt nu eenmaal niets op te voeden…) zeg ik altijd: “Met twaalf jaar gaan je kinderen de deur uit.”

Met andere woorden: wie daarna nog een stevig potje wil gaan opvoeden is te laat. De opvoeding is ‘klaar’ als kinderen twaalf jaar oud zijn. De emotionele basis voor kinderen is al klaar als kinderen drie jaar oud zijn.

Van de Deense gezinstherapeut Jesper Juul citeer ik regelmatig uit zijn boeken over opvoeding. Maar hij heeft zich nu ook gewaagd aan de opvoeding van pubers.

Juul: “Als kinderen twaalf jaar oud zijn, zijn ze te oud om ze nog op te voeden. Dat vertellen ze ons ook, maar wij horen dat meestal niet.”

Dat wil niet zeggen dat ouders niet belangrijk zijn voor pubers. Alleen de rollen zijn anders geworden: ouders zijn volgens Juul sparringpartner geworden.

Over de vraag hoe dat er uit ziet gaan maar liefst 150 van de 200 bladzijden die het boek telt. Daarin geeft Juul antwoord op brieven van bezorgde ouders en daarin worden ook therapie sessies beschreven die hij met hele gezinnen voerde. Een veel voorkomend ‘probleem’ is daarbij de door de ouders ervaren ‘luiheid’ van het kind (niets opruimen, niet leren op school) en het gebruik van drank of het zich niet houden aan regels.

Het gaat Juul bij pubers om de dialoog (dat is nog wel wat anders dan een onderhandelingscultuur). Communicatie betekent letterlijk: iets samen delen.

Of Juul op alle punten gelijk heeft? Ik ga nog wel een paar kritische vragen stellen (ik moet het boek nog recenseren). Maar dat de puberteit om een andere rol van ouders vraagt, dat ben ik helemaal met Jesper Juul eens.

Jesper Juul: Pubers opvoeden, kan dat? Uitgeverij Forte, 192 blz., E 17,95