Dokter Jansma revisited (13)

In de serie 'Zelfbeelden' zijn jullie mogelijk geneigd om dokter Jansma een psychologisch etiket op zijn voorhoofd of zijn fiets te plakken. Ik ben ook af en toe op zoek. Wie is deze emeritus-zielenknijper nu werkelijk?

Dokter Jansma lijkt mij nogal solistisch van aard, qua zijnswijze en qua zienswijze, maar ik ken hem ook alleen in de hoedanigheid van gequaranteerde huisbewoner, danwel uit één op één-ontmoetingen in diverse horeca-gelegenheden. Ik heb geen idee hoe hij zich beweegt tijdens bruiloften en partijen. Trouwens: de vraag is nog steeds of hij ooit zelf in de echt verbonden is geweest.

In mijn idee hebben slechts twee vrouwen een rol in het leven van dokter Jansma gespeeld. Dat waren zijn moeder en zijn robuuste roodharige assistente. Zijn moeder heb ik nooit ontmoet, zij is gaan hemelen (in de woorden van dokter Jansma). Zijn roodharige assistente was vooral in dienst genomen ter systematisering van de chaos die voortdurend ontstond in de omgeving van dokter Jansma. Als je hem zijn gang zou laten gaan zouden er drie patiënten tegelijk op hetzelfde moment in therapie zijn geweest, waarbij de dokter zelver niet wist dat er patiënten kwamen, want hij was een fietstochtje gaan maken.

“Ging je wel eens naar congressen?” zo wilde ik weten. “Ik moest wel” zei dokter Jansma. Zien en gezien worden: daar gaat het om in de medische wereld. Wie het meest gezien wordt heeft het meeste gelijk. Kijk maar naar hedentendaage: hoe vaker die Diederik met zijn blote billen gezicht op het scherm verschijnt, des te meer heeft hij gelijk. En die Van Dissel bedisselt ook een hele achterban. En dan heb je ook nog die club van viruswaanzin. Dat zijn net peuters. Ik ben twee en ik zeg nee.”

Ik hoorde het al: Hajé kwam weer op stoom. Maar hoe zat het nu met die congressen? Hoe zou Hajé zich bewegen tussen vakgenoten die uit de aard van hun vak beslist niet van plan waren om naar andere vakgenoten te luisteren?

Dokter Jansma: “Kijk, het eerste wat opvalt van een congres is dat je per definitie drie kilo zwaarder weer naar huis fietst. Ik gaf de voorkeur aan de fiets, maar de rest van het gezelschap kwam met een Mercedes en er was ook een heel kleine vakgenoot die ter compensatie van zijn fysieke verschijning in een Jaguar reed waarbij hij nauwelijks over het stuur kon kijken. Waarschijnlijk zat hij op een kussentje. En ter compensatie van zijn lengte had hij ook nog eens plateauzolen, net zoals die mafkees in Noord-Korea. In de zaal was hij dat compensatiemiddel kwijt, dus daar moest hij het hebben van zijn gladde betogen en in de pauze van zijn grootse sigaren. Die kwamen uit zijn eigen doos, dat dan nog wel.

Die toespraken op zo’n congres, dat is gewoon een herhaling van zetten. Daar wordt in een uur verteld wat een debiel ook nog wel in vijf minuten kan lezen. Dat heb je zo’n verandermanager die zegt dat de boodschap van de vernieuwing pas kan beginnen als de metaforen binnen de organisatie helder boven water zijn gekomen. Dan ben ik al afgehaakt. Laat zo’n spreker toch eerst zwemles nemen. En voor dat soort flauwekul krijgt hij dan ook nog duizend euro, een fles wijn en een bos bloemen voor het thuisfront. Ik heb ook wel eens zo’n bos bloemen gekregen vanwege een jubileum dat aan mijzelf voorbij was gegaan. Ik was 25 jaar lid van de beroepsvereniging. Maar ik kon ze niet meenemen op de fiets. Ik heb ze buiten aan een medefietser met een lekke band overhandigd. Ter compensatie. Want alles draait in ons vak op de compensatie.

De laatste tijd waren er ook dames die het spreekgestoelte bestegen. Triptriptrip, kwamen ze aangetrippeld. Hoge hakken natuurlijk. Let maar op, al die vrouwen met hoge hakken op het spreekgestoelte, die denken dat ze meer geloofd worden als ze op hoge hakken met de microfoon in de hand hun boodschap en hun aerosolen de lucht in blazen. Allemaal compensatie, die hoge hakken. Je groter willen voordoen dan je bent. En het schijnt nog te werken ook. Als Willemijn Hoebert niet zeker is van haar eigen weerbericht trekt ze een rok aan en hoge hakken. Die hoge hakken, daar gaat het om. Dan geloven de mensen haar toch nog.

Kijk, zo’n congres is niet veel anders dan dat iedereen langs elkaar heen praat en gewoon aan zijn eigen standpunt vasthoudt. Dat begon thuis al. Ze waren allemaal eigenwijs. Mamma zei A en zij zeiden B. Pappa’s waren er niet. Die kwamen alleen op zondag het vlees snijden terwijl ze aan tafel in gedachten met heel andere zaken bezig waren. Dat vlees was biefstuk uiteraard. Allemaal biefstuk. Daar zijn wij door gevormd. Goed doorbakken. Let maar op: psychiaters hebben allemaal inflexibilitas mentis. Daar hebben ze geen last van, maar vooral gemak. Ze hoeven niet na te denken, ze houden koers. “Ik heb met veel plezier naar uw betoog geluisterd, maar…” Om vervolgens weer het eigen theoretische gelijk te willen bewijzen. Alleen voor zichzelf, want de rest van het publiek vraagt zich voornamelijk af wanneer het tijd is voor de kroketten en de borrel.

Kerel, nu ik het zelf zeg, ik vind het tijd voor een kroket. Of een portie bitterballen. Bitterballen maken het bittere leven zoet. Allebei een portie, dat is een symbool voor het aardse leven, want we hebben onze portie bitterheid in dit leven wel gehad...

Dokter Jansma revisited (12)

Dokter Jansma, alias Hajé, is emeritus-zielenknijper. Na zijn pensionering was hij zijn structuur kwijt. We ontmoetten elkaar af en toe in een etablissement aan zee. Maar de afgelopen drie maanden was er geen contact. Dokter Jansma had zichzelf opgesloten in zijn huis. Inmiddels heeft hij zichzelf uit zijn zelfverkozen quarantaine ontslagen. En hij wilde meteen maar een afspraak maken. Gezamenlijk aan de koffie.

Ik kon mijn ogen niet geloven: Hajé verscheen met heuse knickerbrockers. Voor het geval jullie die niet kennen: het is een soort pofbroek die in de jaren ’20 van de vorige eeuw door jongens en mannen werd gedragen. De broek reikte tot net onder de knie. Daaronder droeg je kousen. Een soort padvinderskostuum, maar dan wat sjieker, of in dit geval: wat chicquer.

Vanwaar deze gigantische metamorfose? Was Hajé een man van twee gezichten? Wat maakte een zielenknijper in ruste die er uit zag als een landloper opeens tot een heer van stand? Had hij een vriendin aan de haak geslagen? Was hij toegetreden tot de Lions of een andere verheven mannenclub? Ik hoopte het aan de koffie te weten te komen. Maar eerst moest ik maar eens weten hoe het kwam dat Hajé aan de zelfverkozen quarantaine was ontsnapt. Was hij niet bang meer voor besmetting?

Maar voordat ik mijn vraag kon stellen stak Hajé al van wal. Hij was met vakantie geweest. Hij had een advertentie gezien van een Hajé Hotel. Dat was voor hem een teken aan de wand en in zijn ziel dat hij het pand oftewel zijn woonstede kon verlaten. Helaas bleek de reis met hindernissen geplaveid. Hij wilde uiteraard op de fiets, maar de fiets mocht niet mee in de trein. Belachelijk, vond Hajé dat, alsof een fiets besmettelijk kon zijn. Toen had hij maar besloten om helemaal naar zijn bestemming te fietsen, via de Afsluitdijk. Gelukkig kwam hij er net op tijd achter dat de Afsluitdijk afgesloten was voor fietsers. Ook weer zo belachelijk, laten ze die dijk afsluiten voor auto’s. “Kies de fiets, dan vervuil je niets, dat ben jij toch geheel en al met mij eens, beste vriend?”

In dit alles zag dokter Jansma een complot. De chinezen hadden de Nederlandse fietsenmarkt verloren, nu wilden ze chinese auto’s af gaan zetten op de Nederlandse markt, maar dan moest eerst de fiets worden uitgeschakeld. En om zijn woorden kracht bij te zetten vervolgde Hajé met: “En als de chinezen niet zoveel zouden kezen, dan zouden er niet zoveel chinezen wezen”. Aldus geciteerd van een vaderlands dichter.

Uiteindelijk was hij geheel op eigen kracht met een tussenstop in een ander Hajé-hotel naar de plaats van bestemming gefietst. Voorafgaand had hij – naar eigen zeggen – nog een goede hiernamaalsverzekering afgesloten, want hij wilde niet dat ‘het nageslacht voorzover ik dat verwekt heb’ met schulden zou worden opgezadeld. Dat was voor het eerst dat ik Hajé hoorde over een mogelijk nageslacht. Had hij een relatie gehad? Ik had al die tijd de indruk dat de nabijheid van vrouwen hem al snel tot razernij bracht. Maar ja, vragen aan hem stellen zat er niet in bij dokter Jansma, hij voer in verbaal opzicht volstrekt zijn eigen koers.

Hajé zag mij aarzelen. “Ik begrijp natuurlijk heel goed dat jij onder een hiernamaalsverzekering iets anders verstaat. Ik bedoel een verzekering die opgebouwd is uit aards slijk en jij denkt natuurlijk aan de hemelse gewesten. Verschil moet er zijn. Laten we een koffie bestellen. Wat zal het zijn? Een borrel van Florijn.” Daarop wenkte hij met een knip van zijn vingers de bedienmevrouw die aan kwam gesneld. “Hoho, 1,5 meter afstand alstublieft,” zei Hajé, “anders leg ik u een poging tot doodslag ten laste tenzij u zich vanmorgen nog hebt laten testen en de uitslag negatief en voor u positief was.”

Hajé bestelde twee cappucino met appelgebak en slagroom “en als jij moet afvallen van je wettige huisgenote eet ik beide gebakjes zelf wel op. Ik begrijp dat het in therapeutisch opzicht verdacht is om in te vullen voor een ander, maar we zijn hier als vrienden bij elkaar dus ik betaal, maar dan kies ik meteen ook maar voor jou. Het is hier per twee voordeliger.”

Daarop vervolgde Hajé het verslag van zijn reis. Hij had zijn fiets op zijn hotelkamer geparkeerd. “Ik had een tweepersoonskamer geboekt, de tweede persoon was mijn fiets, ze keken er wel raar vanop, maar ze mogen blij zijn met enige klandizie in deze donkere tijden. Het voordeel was dat ik direct bij mijn fietstas kon teneinde enige artikelen tot mij te nemen die een gezonde nachtrust ten goede konden komen.”

Maar wat Hajé opeens was opgevallen was dat het fietsverkeer sinds zijn zelfverkozen quarantaine totaal was veranderd. “Het is mij opgevallen dat de beentjes van de gemiddelde Nederlander aan verval onderhevig zijn geraakt. Het land is massaal aan de elektrieke fiets geraakt. Niemand die meer de beentjes laat wapperen. Nergens meer ballonkuiten te zien. Bij de oplaadpunten leek het wel een slagveld. Alle fietsen moesten opgeladen worden. Volkomen van de zotte. Mijn vroegere collegiale vriend en cardioloog Jasper zei dat de E-bike het begin van het einde is: als je daar aan begint leer je je hart om vooral lui te worden. Je kunt net zo goed sigaretten gaan roken, dat is net zo slecht voor je hart.”

Ook deze ontwikkeling zag dokter Jansma als een complot. “Let maar op mijn woorden, die Chinezen hebben eerst de Oeigoeren ingepakt, daarna Hongkong en binnenkort kopen ze al onze electriciteitscentrales op. Dan zijn alle Nederlanders met heel hun wezen gevangen in het wereldwijde web dat de Chinezen aan het spannen zijn. In Hongkong zagen ze de bui al hangen en kwamen ze in opstand, maar hier komt niemand in verzet. Zelfs de Friezen niet!”

Ondertussen was de koffie in aantocht. "Kijk, de koffie loopt" grinnikte dokter Jansma, om vervolgens tegen de vrouw van de bediening te zeggen: "Mevrouw doet u mij en mijn vriend een pleizier, houd u in acht, neem afstand, dan overleven wij u en de koffie die u hebt gezet."

Dokter Jansma revisited (11)

"Hoe is het nu met dokter Jansma?" willen sommige lezers weten. Welnu: dokter Jansma heeft zich uit het openbare leven teruggetrokken.

Dokter Jansma, alias Hajé, is gepensioneerd zielenknijper. Een soort dokter Sigmund uit de Volkskrant. Hij wilde na zijn pensionering op vriendschappelijke basis contact houden met een semi-vakgenoot en medefietser. En ik mocht hem Hajé noemen.

Wat mij na zijn pensionering op viel was dat er sprake was van een aanzienlijke teloorgang. De verschijning van dokter Jansma leek meer op die van een fabrieksdirecteur die na het failliet gaan van zijn bedrijf elk doel in zijn leven miste. Slechts zijn taalgebruik, sommige onderdelen van zijn kleding en zijn antieke fiets deden een min of meer rijk verleden vermoeden.

Het meest bijzondere wat de kleding van dokter Jansma betreft was overigens zijn zakdoek. Die zag er zeer aristocratisch uit, een heuse zijden zakdoek die zo ongeveer de oppervlakte had van een klein tafeltje. Van het ontwerp zou je ook zomaar een chique stropdas kunnen fabriceren. De zakdoek was zó groot dat hij er ook mee kunnen gaan picknicken, samen met zijn robuuste roodharige assistente. Zij zou dan alles georganiseerd en meegenomen hebben terwijl Hajé als enige toegevoegde attribuut het bijpassende tafelkleedje had geregeld. Alleen kon hij dan even niet zijn neus snuiten. Maar daar had de assistente dan ongetwijfeld weer aan gedacht en zij had als zijnde zijn organizer papieren zakdoekjes meegenomen. En zonnebrand. Maar daar wilde Hajé niets van weten. Geen vieze troep aan mijn lijf, vroeger werkten mensen de hele dag buiten zonder zonnebrand, want kon er dan nu in een uurtje met al die vervuilde lucht gebeuren, daar kwam maar de helft van de zon door heen.

Het snuiten van de neus was overigens een heel ritueel. Ik heb dat een paar keer mee mogen maken. Hajé vouwde eerst de zakdoek helemaal uit, snoot dan krachtdadig de neus en vouwde daarna de zakdoek weer keurig op. Hoe lang hij met één zakdoek deed heb ik nooit durven vragen. In ieder geval: tijdens een consult bij dokter Jansma werd het gesprek gedurende twee minuten stilgelegd als hij zijn neus moest snuiten.

Sinds 20 maart heeft dokter Jansma zich in zijn huis opgesloten. Hij beschouwt mij als iemand die bewust risico’s neemt door hele einden te gaan fietsen. “Ik wil niet al op mijn 68e geconfronteerd worden met de eindigheid. Er komt natuurlijk een moment dat de Lieve Heer mij haalt, maar voor mij is dat moment nu nog niet aangebroken. Voor jou misschien wel. We zullen het zien. Hou me op de hoogte.” Dat laatste laat ik aan Tineke over.

Ik was ook een keer in de buurt van het huis van dokter Jansma en belde hem op of een raamgesprek mogelijk was, maar zelfs dat werd door hem niet als passende optie gezien. Ik hoorde wel dat hij nog in leven was, want hij nam de telefoon op. “Hoe of het dan met de voedselvoorziening ging en of ik misschien even in de Sleutelstad zou kunnen shoppen voor hem?” wilde ik weten. “Daar heb ik mijn eigen wegen voor” antwoordde dokter Jansma.

"In ieder geval heb ik nog voldoende WC papier. Gebruik in deze dure Coronatijden het WC-papier aan beide zijden."

Na lang aandringen stelde ik voor dat we een Zoom-afspraak zouden maken. Die zou dinsdag plaats hebben gevonden. Helaas kwam dokter Jansma maandagavond tot de conclusie dat er geen camera op zijn PC zat. En Hajé was niet van plan om zich in een nieuw technisch avontuur te storten dat ongetwijfeld weer helemaal fout af zou lopen.

Ik was eerlijk gezegd ook wel benieuwd of ik via de Zoom een inkijkje kon krijgen in het huishouden van Hajé. Ooit werd cabaretier Kees Torn in huis geïnterviewd. Het huis was voornamelijk chaos, met een rookstoel in het midden met daarnaast een tafeltje met sigaren, asbak en kranten. Zoiets verwacht ik dus ook bij Hajé. Maar ik zou het ook helemaal mis kunnen hebben...

We hadden dus een telefonische afspraak. “Nee, niet met een datumprikker” grinnikte dokter Jansma, “daar heb ik slechte ervaringen mee. Gewoon dinsdagmiddag om 3 uur. Dan hoop ik wakker te zijn en anders bel je me maar uit bed.” Ik wilde natuurlijk weten of dokter Jansma van de dag een nacht maakte, maar ik hield me in. Anders zou ik weer het verwijt krijgen dat ik me als hulpverlener opstelde. En daar was Hajé allergisch voor.

In tegenstelling tot de radiostilte van de afgelopen twee maanden bleek Jansma dinsdag bijzonder spraakzaam. Het leek wel of hij de achterstand in moest halen.

Hij leek op een vroegere kennis die op een verjaardag na één borreltje een goed klinkend maar volstrekt onbegrijpelijk verhaal over de plaats van de postbode in de oud-Griekse samenleving neer kon zetten. En wat de apostel Paulus had kunnen doen om al die Griekse wijsgeren tot het christelijk geloof te bekeren.

De monoloog hield ongeveer een uur stand. Als ik even te zwijgzaam was vroeg hij: “Ben je er nog? Kun je mij nog volgen?” Toen begon zijn telefoon te piepen ten teken dat de batterij bijna leeg was. Hij vroeg nog snel even naar mijn welstand en of de corona-verschijnselen al aan mijn fietsbenen geknaagd hadden.

"En geen lekke banden gehad?" Nee, geen lekke banden gehad. "Ik zéker niet" zei Hajé, "van binnen zitten slijten de buitenbanden niet." Na deze opmerking viel de verbinding weg.

Dokter Jansma revisited (10)

Dokter Jansma - alias Hajé - wilde deze keer eens 'elders' afspreken, maar wel aan het strand. Het werd Noordwijk. Omdat Noordwijk een chique badplaats is had dokter Jansma zich omgekleed. Hij verscheen nog nét niet in maatpak voor het raam van een plaatselijk etablissement.

Het was een hele gedaanteverwisseling. Qua kleding was er dit keer geen sprake van decorumverlies. In Katwijk had hij geleken op een al jaren geleden aan lager wal geraakte notabele, maar nu kon hij zo Hotel Oranje  binnen lopen.

“Wie van vér komt is het eerste van de partij” zo werd ik door hem begroet. Mijn Batavus had er al bijna 50 kilometers opzitten, zijn Gazelle had ongeveer 20 fietskilometers aangetikt. “Kerel, wat zal het zijn, vast geen borrel van Florijn, neem ik aan…” Gewone koffie vond hij niet passend in deze omgeving, als ik dan koffie wilde moest het iets speciaals zijn. Het  werd een koffie die rond op de tong rolde. Op die manier had ik nog nooit over koffie nagedacht.

“Van mijn ouders moest ik bij de Padvinderij” zo ging Hajé verder. “Ze vonden me wereldvreemd en dat zou er bij die verzameling hoog opgehesen sokken wel uit gaan. Daar zouden ze een man van me maken.

Ik vond het daar maar helemaal niks. Je leerde er knopen leggen en broodbakken. Net als wat ze me op school hebben bijgebracht: je hebt er héélemaal niks aan. Een knoop in je veter, dat is nog tot daar aan toe. Maar ik moest mensen later uit de knoop halen. Nou, dan heb je niks aan dat getoeter van die padvinders. En dan moest je – als de akela vroeg of het allemaal ging – zeggen: “Akela, we doen ons best!”

En denk je dat ik ooit brood heb gebakken? Ik heb alleen af en toe zoete broodjes gebakken. Dat moest dan omdat ik het weer eens ergens verknald had. Maar daar waren geen gist en deeg voor nodig. Eén keer heb ik zo’n brood mee naar huis genomen. Je kon er iemand de hersens mee inslaan. Zware jongens, die padvindersbroden.

Maar jij hebt natuurlijk nooit bij de padvinders gezeten. Je zat al jong op de fiets en zocht zelf je pad wel uit. Daar heb je dus mazzel mee gehad. En dan die groepsdruk. Voor mij waren er twee slechte mogelijkheden: de groepsdruk van de Padvinders of de druk van mijn moeder, dat was minstens zo zwaar als veertig padvinders. Terwijl mijn klasgenoten op zaterdagmiddag naar de Top 40 zaten te luisteren moest ik weer ergens in korte broek een knoop in zien te leggen.”

Het was duidelijk, Hajé zat weer op zijn praatstoel. Opeens ging hij anders zitten. “Het is toch wel apart: eerst kom je bij mij om uit de knoop gehaald te worden, en nu maak ik afspraken met jou om mijn verhaal te doen. En dat allemaal in Noordwijk. Maar je hebt geen contract met de verzekeraar, dus er valt niets te declareren. Daarom betaal ik de koffie.”

Ondertussen was ik nog steeds benieuwd naar het verhaal van emeritus zielenknijper dokter Jansma. Hoewel: een opmerking over zijn moeder had ik nog niet eerder gehoord. Verder had ik de indruk dat hij nog geen enkele keer ‘to the point’ was gekomen. Hij was zoals een dominee die tien keer om de tekst heen draait en dan opeens Amen zegt. Je hebt geen idee wat die dominee nu precies wilde zeggen.

“De geest rein houden, dat moesten we bij de padvinders. Alleen heb ik nooit begrepen hoe we de geest rein moesten houden. Ik had als 14-jarige geen idee wat daarmee bedoeld werd. Ik dacht aan de Rijn, die bij Katwijk de Noordzee in plompt. Natuurlijk begreep ik later wel iets van dit hoge gedachtengoed, maar bij de padvinders werd het mij niet duidelijk. Het was een mooie gedachte zonder fundament en daarmee ook zonder praktische uitwerking. Een vorm van sublimatie, zou collega Freud hebben gezegd, mooie woorden die moeten toedekken wat er werkelijk aan de hand is.”

Ondertussen komt er een man met een zanderige Duitse herder binnen. “Hoe komt zo’n man eigenlijk op het idee om zo’n hond als verlengstuk van zichzelf aan de dierkundige verzameling toe te voegen?” zo vraagt Hajé zich wat al te nadrukkelijk hoorbaar af. “Neem dan onze collega Sigmund, die heeft een hele reeks aan honden versleten, maar dat waren niet zulke nadrukkelijke exemplaren. Het waren chowchows, als je dat wat zegt. Een chinese keeshond. “En als de chinezen niet zoveel zouden kezen zouden er niet zoveel chinezen wezen” dichtte de Dichter des Vaderlands ooit, grinnikt Hajé.

Kijk, dat heb ik dus nooit gedaan, tijdens de therapie een hond bij me houden. Ik heb een verschrikkelijke hekel aan honden. De enige goede hond is een hotdog. Het zijn ongegeneerde kruissnuivers die het op de kuiten van wereldvreemde fietsers voorzien hebben.

Maar Freud gebruikte die hond voor zijn vak. Het was zijn metgezel, maar hij gebruikte ze ook om zijn patiënten te observeren. Hoe ze op zijn hond reageerden zei veel over hun innerlijke angsten. Maar tegelijk durfden ze niets over die hond te zeggen. En dat was ook van belang voor de therapie. Je ergert je suf aan de geur van natte hond en van een kleffe sigaar, maar Freud was toch een beetje de vader voor al die hysterische Oostenrijkse vrouwen. Dus hielden ze zich in. Daar waren ze dus ook hysterisch door geworden, door al die ingehouden woede. Trouwens, Bill Clinton is met die sigaar en zijn hondjes op hetzelfde pad terecht gekomen. Honden en sigaren, daar zit psychologisch een connectie tussen.”

Maar dat die man daar aan een Duitse herder is begonnen, daar moet ook iets achter zitten.  Een zekere Adolf Hitler had ook zo’n beest, die mocht zelfs in zijn slaapkamer slapen. Dat vond Eva Braun niet goed, maar de hond ging voor. Daar werd Eva dan weer hysterisch door, want ze durfde het niet tegen Adolf te zeggen. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Hoe is het trouwens met jouw boek?”

Een boek schrijven was een voorstel waar Hajé als zijnde zielenknijper dokter Jansma destijds tijdens een therapeutische sessie mee om de hoek kwam zeilen. Hij wachtte het antwoord niet af. Eerst maar een tweede kop koffie" zo onderbrak hij zijn eigen vraag... Voor mij was de vraag: komt hij op zijn vraag terug of gaat hij weer verder met zijn eigen verhaal...

Dokter Jansma revisited (3)

Toen hij nog dienstdoend zielenknijper was wist dokter Jansma precies wat er goed voor mij was. Maar dat zei hij niet. Ik moest het zelf bedenken.

Een behandelend zielenknijper die geen advies geeft, die moet wel gratis zijn… Nee, want het geven van een advies is niet zo moeilijk. De kunst van hulpverlening is juist vaak dat je geen advies geeft. Laat de ander maar lekker bungelen en tot een eigen oplossing komen. Dat levert vaak het beste resultaat op.

Dus had ik bij dokter Jansma mijn eigen advies bedacht. Twee pillen per dag en één dag in de week fietsen. Dat vond dokter Jansma een prachtig plan. Zijn ogen begonnen te glinsteren. Het leek hem ook wel wat. Maar dokter Jansma vond toen dat hij geen tijd had. Nóg niet. Inmiddels is hij met pensioen.

Dokter Jansma leek het wel wat om elkaar als ‘rustend behandelaars’ nog eens persoonlijk te ontmoeten. Dat lukt wel. Maar van zijn mooie plannen om fietsend te gaan freewheelen komt helemaal niets. Hij zit op zijn stoel alsof hij een kerk is die onlangs is afgebrand. Het vuur is uit en hij is uitgeblust.

Uit: de Sigmund Almanak, 2018

Ik vraag dokter Jansma naar zijn gemoedstoestand. En dat voelt alsof de rollen zijn omgedraaid. Nu is hij aan de beurt. Als je zijn ogen ziet en zijn stem hoort het lijkt erop dat hij een vraag stelt. Hoe zou jij dat nu oplossen? Maar ja, als ik hem advies ga geven ben ik zijn hulpverlener. Dat is de bedoeling niet. Bovendien moet de dokter zelf maar een laatje open trekken en zijn oplossingen zien te bedenken.

“Die structuur van het werk was zo gek nog niet, zegt dokter Jansma. En als de structuur er niet was hield Gretha mij wel bij de les.” “Wie is Gretha?”  wil ik weten. “Dat was mijn assistente”, zegt dokter Jansma. “Die stevige rooie. Kon ook wel over de rooie gaan, trouwens. Zij plande alles voor mij, zelfs mijn fietstijden. Daarvóór had ik Dora, maar die ging zich zelfs met de inrichting van de behandelkamer bemoeien. Dat werd me te gek. Mijn behandelkamer is heilig. Ik wilde ook niet dat er gestoft en gezogen werd. Maar dat schijnt tegenwoordig wel te moeten. Dus ik heb het oogluikend toegestaan, maar alleen als ik zelf op de fiets zat.”

“Dat gebeurt bij mij thuis ook” zeg ik. “Maar het gaat toch iets anders. Soms zet Tineke mij op de fiets. Ik mag niet thuisblijven. En dan kom ik ’s avonds thuis en dan heeft de muur een andere kleur.” “Ik moet er niet aan denken” zegt dokter Jansma, “dat iemand zómaar je huis verandert zonder dat je inspraak hebt, dat moeten ze bij mij niet proberen. Vind jij dat dan wél goed?” “Ik vind het prima” zeg ik. Voor een behandelaar als dokter Jansma is dat een inkoppertje, maar hij bijt op het puntje van zijn tong en zegt “Vrouwen, ik heb ze nooit begrepen. Maar dat schijnt ook niet de bedoeling te zijn…”

“Had jij meer mannen dan vrouwen onder behandeling?” wilde ik weten. “Dat spreekt vanzelf” zegt dokter Jansma, “kijk maar eens naar de wachtlijsten van de GGZ. En eenmaal in de stoel willen ze niet meer uit de stoel. Behalve bij borderline. Er is wel eens iemand zó kwaad de deur uit gelopen dat ik zelf de deur niet meer open kreeg, die was uit zijn voegen gebarsten. Later heb ik die vrouw als grap ook de rekening van de deur gestuurd. Haar man kreeg die rekening onder ogen en schreef terug dat het die week thuis rustig was gebleven en of ik nog meer verbouwingsplannen had. Want dan had hij weer een week rust. Maar dat ik vrouwen niet begrijp is geen probleem in de behandeling. De meeste behandelingen verlopen raadselachtig. Daar kunnen verzekeraars niet tegen. Die willen alles SMART. Nou, met al die vrouwen in de gezondheidszorg kunnen ze dat wel op hun buik schrijven. Ik ben er hélemaal klaar mee!”

Het is duidelijk, dit is een gevoelig thema. Dokter Jansma is duidelijk boos. Daar zou Erik Erikson in deze leeftijd wel wat van vinden. Een behoorlijke emotionele stagnatie op oudere leeftijd, vermoedelijk terug te voeren op vroegere teleurstellingen… Dokter Jansma was trouwens van plan geweest om nog privé een aantal patiënten te behandelen. “Heb je privé nog patiënten?” wil ik weten. “Ik moet er niet aan denken” zegt dokter Jansma. “Eerst al die ellende aanhoren en dan ook nog eens de ellende van de verzekeraars omdat het vinkje verkeerd staat.” 

Of heeft de toestand van dokter Jansma met de visie van Belgische psychiater Dirk De Wachter te maken? Hij heeft het over de kunst van het ongelukkig kunnen zijn. Dat lijkt dokter Jansma aardig te lukken. Maar ik kan er maar beter niks van vinden.

Ik vind wel dat dokter Jansma meer moet gaan fietsen. En misschien twee pilletjes op een dag nemen. Maar ik kan hem geen advies geven. Dat moet hij zelf bedenken. Zou het tussen dokter Jansma en zijn fiets ooit nog goed komen?

Dokter Jansma revisited

Het is al een tijd geleden dat ik de spreekkamer van zielenknijper dokter Jansma betrad. Vorige week had ik weer een afspraak met hem. Maar nu in de vrije tijd.

Dokter Jansma heeft inmiddels zijn praktijk aan de wilgen gehangen. Hij is weliswaar een stukje jonger dan ik (hij is van na de watersnood), maar hij vond het inmiddels ‘welletjes’. Volgens hem had hij zo langzamerhand alles wel meegemaakt.

Ik kan me dat allemaal niet zo voorstellen. Ik ben nog lang niet uitgekeken op mijn vak. Volgens mij heb je als zielenknijper (en als orthopedagoog) levenslang, maar dokter Jansma wilde echt een punt achter zijn vak zetten.

Maar het had dokter Jansma leuk geleken om mij nog af en toe te spreken. Niet als behandelaar, maar als mens. Dat had mij de opmerking ontlokt dat je als behandelaar toch óók een mens bent. Maar dat was niet de bedoeling. Sommige zaken lagen wat gevoelig bij dokter Jansma.

Ik dacht ook nog dat we als collega’s van gedachten konden wisselen. Het leek me leuk om van dokter Jansma nog enige privé colleges psychiatrie te mogen ontvangen.

Maar de emeritus zielenknijper maakte een vermoeid gebaar. Dat had hij ook allemaal al meegemaakt. Bovendien veranderden inzichten naar gelang de financiering van de zorgverzekeraars. Volgens hem hing het maar net af van de het collectief van de zorgverzekeraars welke psychische ziekten er in Nederland bestonden. “Let maar eens op, over tien jaar is autisme uitgestorven en burn out bestaat ook niet meer” aldus dokter Jansma.

Dokter Jansma en de fiets

We gingen het dus maar eens over onze gezamenlijke hobby hebben: het fietsen. Dokter Jansma berijdt een antieke racefiets. Van een bovenmodaal zielenknijper zou ik verwachten dat hij een chique trendy sportfiets zou berijden, maar het blijkt dat de fiets aan alle kanten knerst en piept en aan zware bronchitis lijkt te lijden.

Dokter Jansma is ook meerdere malen van zijn fiets gestort. De laatste keer was dat omdat zijn broek tussen de ketting vast was gelopen. Hij moest kiezen tussen tijdens het fietsen zijn broek uittrekken of ter plekke neerstorten. Omdat hij niet wist of zijn onderbroek publiekelijk toonbaar was was het het  laatste geworden.

Ik vroeg me af welke psychische hoedanigheid achter het berijden van een krakkemikkige fiets kan zitten. Eén van mijn vroegere collega’s is 40 jaar lang op een fiets zonder versnellingen (en meestal zonder licht) naar zijn werk gefietst, 10 km heen en 10 km terug. Bij hem ben ik uiteindelijk gaan begrijpen welk ideaal achter deze keuze zat, maar bij dokter Jansma weet ik het nog niet. Ik heb hem geadviseerd om mijn Batavus Dinsdag te bestijgen, maar dat vond dokter Jansma geen strak plan. Zou hij misschien faalangst hebben?

De dip van dokter Jansma

Gaandeweg werd me tijdens onze ontmoeting duidelijk dat de rollen enigszins omgekeerd waren geraakt. Dokter Jansma zat in een pensionado-dip. Hij moest zijn werkzame leven achter zich laten en leek op zoek naar een nieuw perspectief. Ik zou hem een boek van Professor Lievegoed over de levensloop van de mens aan kunnen raden, of anders een serie publicaties over verlies-ervaringen, maar we zouden het niet over ons werk hebben. Volgens mij kon dokter Jansma op dit moment niet veel meer aan dan de Donald Duck en misschien was zelfs dat te hoog gegrepen.

Die dip herkende ik wel bij mezelf, het eerste jaar na mijn vaste baan, toen de structuurloosheid om zich heen greep. Maar inmiddels was ik weer uit dat dal omhoog geklauterd. Maar om nu tegenover dokter Jansma over mezelf te beginnen…

Daarnaast had dokter Jansma het probleem van een jonge vrouw. Weinig mannen schijnen zich voor te kunnen stellen dat dat een probleem is, maar als je een vrouw hebt die een generatie jonger is schijnen die vrouwen te verwachten dat je als pensionado toch nog van alles gaat ondernemen. Zo wilde zijn vrouw de afgelopen winter met dokter Jansma op een cursus bobsleeën. Dat leek me vrij gevaarlijk, gezien de kennelijke fysieke onhandigheid van dokter Jansma.

Het leven viel dus allemaal niet mee voor dokter Jansma. Helaas kon ik hem geen pilletje voorschrijven. Maar ik had me kunnen voorstellen dat hij - als hij zichzelf had zien zitten - wel eigenhandig een recept op eigen naam had geschreven....

Met glans gezakt

Soms heeft een zielenknijper een goed gesprek nodig. Ook dokter Jansma moet dag in, dag uit allerlei menselijke ellende aanhoren. Dat valt niet altijd mee. Dus het kwam goed uit dat ik vorige week weer een afspraak had met dokter Jansma. Daar zou hij vast van opknappen (...).

Dokter Jansma zag er gebruind uit. Niet omdat hij naar de zon was geweest, maar omdat de zon hier had geschenen. Ik zag aan zijn handen dat hij op de fiets had gezeten. Fietsers hebben namelijk in de zomer bruine handen en witte vingers. Die zijn namelijk langdurig om het stuur geklemd geweest. Zo stel ik mijn diagnoses.

“En” vroeg dokter Jansma, “is het gelukt?” Als een dokter dat vraagt kan het overal over gaan. Maar een goed verstaander heeft maar een half woord nodig, en hoewel mijn gehoor aan aanzienlijk verval onderhevig is begreep ik toch meteen wat hij bedoelde. Ik had namelijk een opdracht aan mijn broek. Ik moest vijftig bladzijden aan tekst produceren. Dan zou ik er zelf wel achter komen in welke disfunctionele communicatieschema’s ik verstrikt zat.

Die vijftig bladzijden waren inderdaad uit de printer gerold. Daartoe had ik het lettertype wat groter gemaakt. Dokter Jansma ging op de punt van zijn stoel zitten. “Vertelt u eens, welke inzichten en vergezichten zijn u door het opschrijven geopenbaard geworden?” Ja, dokter Jansma is een krasse zestiger, dus dan kun je niet verwachten dat hij zich van een al te hip taalgebruik bedient.

Dokter Jansma is nogal gepokt en gemazeld in de Transactionele Analyse. Dus hij was benieuwd welke ego-posities er aan bod waren gekomen. Bijvoorbeeld: die van de Kritische Ouder, van het Opstandige Kind, van het Speelse Kind misschien? En hij houdt ook van de Dramadriehoek: Redder, Aanklager,  en Slachtoffer. Dat zijn ook thema’s die ik bij groepen regelmatig aan de orde stel. Dus hij vond het wel spannend wat ik nu zou zeggen…

Ik noemde een paar voorbeelden en dokter Jansma zei: "U bent met glans gezakt!" Daarna viel er een gepaste stilte.

Vervolgens zei dokter Jansma : “Wat mij zo verbaast is dat u er steeds weer intuint. Aan de ene kant weet u precies hoe het zit. Maar aan de andere kant neemt u toch weer die onhandige ego-posities in. U hebt een zwemdiploma, u springt in het water en u gaat niet zwemmen. En toch blijft u maar denken dat u de boel kunt redden door netjes te blijven. Dat zit natuurlijk in uw vak, mensen in de zorg gaan oneindig lang door, ze willen redden, dat begrijp ik ook wel. Maar het wordt de hoogste tijd dat u mijn volgende stelling eens gaat overdenken:

'Wie lang als idioot behandeld wordt gaat zich vanzelf een keer als idioot gedragen.'

Nu moet u uzelf gewoon eens als idioot gedragen, net zoals koning David bij de Filistijnen. Dat had een wonderbaarlijk effect. Dus stapt u uit uw vaste gewoontes, sla eens met de vuist op tafel en doe eens iets geks wat niemand verwacht!”

Na afloop van het gesprek was dokter Jansma duidelijk opgeknapt. Hij zag zijn vak weer helemaal zitten. En dat allemaal dankzij mijn bijdrage van deze ochtend (…). Nu moet ik de komende maand iets geks bedenken. Ik heb nog geen idee wat dat moet zijn…

Zenuwarts (5)

Dokter Jansma heeft het vermoeden uitgesproken dat mijn fietsneigingen van obsessief-compulsieve aard zijn. Het bezit van de fiets is de obsessie en de compulsie is de onbedwingbare neiging om aan dat fietsen gestalte te geven.

Natuurlijk heb ik de neiging om hem nu ook te gaan bevragen. Hij was immers van zijn fiets gestort, waardoor ik extra moest wachten op dit eerste consult! Maar de rollen liggen hier anders, dat begrijp ik ook wel. Ik ben hier niet degene die de vragen stelt.

“Zonder fiets is Henk niets” heb ik vaak gedacht en ook wel eens gezegd. Als dat zo is heb ik geen eigen ik ontwikkeld. Ik leef in symbiose met mijn fiets. Ik ben niet Henk, mijn naam is Batavus. Als mijn fiets niet in orde is voel ik me ziek.

Maar die symbiose, die komt altijd uit de vroege jeugd. Zeg maar tussen de zes en achttien maanden. Dan is deze fiets te groot voor mij. Ik moet aan de kinderfiets.

“Wat is het ergste wat er kan gebeuren als u geen fiets meer hebt?”, vraagt dokter Jansma. En nu realiseer ik me dat hij me die vraag al eerder stelde. Alleen was ik nog in gedachten verzonken. Zijn vraag komt zo uit een cursus over socratisch motiveren. Wat is het ergste dat er kan gebeuren….

“Het zou even wennen zijn” hoor ik mezelf zeggen. “Is dat werkelijk zo?” vraagt dokter Jansma. “Volgens mij denkt u er eigenlijk anders over…” Ik vermoed wat hij bedoelt, maar ik zwijg maar even. Even kijken hoe hij verder gaat. “U zegt het onderkoeld, maar volgens mij durft u uw gevoel niet onder woorden te brengen. Als u niet meer kunt fietsen heeft het leven voor u geen enkele zin.”  

Ik vertel hem dat ik een paar maanden niet heb kunnen fietsen, maar dat ik toch nog wel enige zin in mijn leven kon ontdekken. “Had u toen ook het perspectief dat u nooit meer zou kunnen fietsen?”, vraagt dokter Jansma.

Nee, dat kan ik bepaald niet zeggen. Vanaf de tweede dag in het ziekenhuis probeerde ik alweer mogelijkheden te onderzoeken om op de fiets te stappen.

Ik vertel de dokter zielenknijper dat ik al 1700 kilometer op de teller had staan toen de orthopeed me eindelijk met veel aarzeling toestond om ‘voorzichtig op de fiets te stappen’.

“Dat bedoel ik dus”, zegt dokter Jansma, “het fietsen was u fysiek onmogelijk gemaakt, maar eigenlijk had u gewoon door willen fietsen na het ongeval. Dat is een typisch voorbeeld van een obsessief-compulsieve stoornis, in dit geval een cyclomania.”

Dokter Jansma vervolgt: “Het blote feit dat u nog mogelijkheden zag om weer te gaan fietsen heeft u destijds voor een diepe depressie behoedt. Maar u moet wel onder ogen leren zien dat er een einde komt aan uw fysieke danwel mentale mogelijkheden om te fietsen. Goedschiks danwel kwaadschiks.

We kunnen vanaf nu de proef op de som nemen. Dan weten we alvast een beetje welke afkickverschijnselen u ten deel gaan vallen. U zet straks uw fiets in mijn garage, daar staat hij warm en droog. Uw fiets zal zeker niet klagen. U gaat lopend naar huis en u raakt tot het volgende consult geen fiets meer aan. Eventueel kan ik rustgevende medicatie voorschrijven, voor het geval u vanwege deze periode in een diep emotioneel dal terecht komt.” 

Ik heb de neiging om aan mijn fiets te vragen wat hij van het voorstel van dokter Jansma vindt, maar ik vrees dat ik dan in psychiatrisch opzicht geheel ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard.

Zenuwarts (4)

Een hernieuwd bezoek aan de voormalige praktijk van Sigmund Freud stond in Wenen ook weer op onze agenda, maar deze keer won Friedensreich Hundertwasser het van Sigmund Freud. Eigenlijk lag dat aan het pasje van de City Bike Wien. Maar Sigmund Freud zou zeggen dat er bij mij onderbewuste motieven een rol speelden. Ik deed onbewust onhandig met het pasje, om zo niet met mijn Freudiaanse verleden geconfronteerd te worden.

De Nederlandse Freud heet dokter Jansma, hoewel ik hem tot nu toe niet op Freudiaanse neigingen heb kunnen betrappen. Ook heeft hij geen comfortabele ligbank waar ik kan gaan liggen navelstaren. En er ligt ook geen grote hond onder zijn bureau die aan kan geven dat het tijd is.

Dokter Jansma vindt het tijd om het eens even over mijn lichamelijke gesteldheid te hebben. Dat praat meestal wat gemakkelijker, zolang het maar niet over aambeien en andere nog meer interne ongemakken gaat.

Als je zo tegen de 70 bent loop je natuurlijk de kans dat er van alles gaat rammelen aan je lijf.

Mijn haardos valt gedurig uit, voorts mis ik nu twee kiezen, zo krijgt men na verloop van tijd steeds minder te verliezen.

Mijn fysieke conditie is nog redelijk OK, vind ik zelf, maar dokter Jansma wil toch weten wat er rammelt. Hij vindt eigenlijk dat ik meer mankementen zou moeten hebben. Die heb ik misschien ook wel, maar dat heb ik nooit laten onderzoeken. Ik kan hem niets zeggen over mijn hartslag en cholesterol, omdat ik geen aanwijzingen heb dat er iets niet klopt. Dat ik morgen weer naar de kaakchirurg moet lijkt mij voor het vak van dokter Jansma niet van zo groot belang.

En de hoofdpijn dan? Oei, nu gaan we mogelijk het terrein van de psychosomatiek binnen. Vroeger had ik dagelijks hoofdpijn, maar dat is al jaren voorbij. En rugklachten? Kijk, ik moet een beetje uitkijken, maar dat is meer mijn fysieke conditie. “Nee” zegt dokter Jansma, “Uw potentiële rugklachten kunnen heel goed een psychische oorzaak hebben. Dus daar wil ik het toch met u over hebben.”

Dat hoofdpijn tussen de oren zit was mij wel bekend, dat kan in fysiek opzicht niet anders. Maar mijn rug is toch echt onder mijn oren gelokaliseerd.

“En hoe is het met de verslavingen?” wil dokter Jansma weten. Het valt even stil in de kamer. Waar moet ik beginnen? Ik kijk naar de dokter, maar hij trekt een professioneel pokerface. Dat heeft hij waarschijnlijk in een cursus geleerd.

Ik kan natuurlijk een wedervraag stellen. “Mensen in de gezondheidszorg zijn verslavingsgevoelig, hoe zit dat eigenlijk met u?” Maar dokter Jansma is mij verbaal voor en daar is hij ook voor aangesteld. “In uw tak van sport is zelfmedicatie tamelijk gebruikelijk.” Probeert hij nu afstand te scheppen? Hij zit toch in dezelfde bedrijfstak?

“Uw fietsgedrag bijvoorbeeld. Welke functie heeft dat fietsen van u?” Kijk, nu zijn we op bekender en meer onschuldig terrein. Maar hoe weet deze dokter dat ik een veelfietser ben? En kan ik het nu ook over zijn fietsbehoeften hebben?

Dokter Jansma vervolgt: “Kan het zijn dat uw fietsen een obsessief-compulsieve component heeft? Ik kan u die vraag wel stellen, meen ik, wat u begrijpt denk ik wel wat ik daarmee bedoel.”

Opeens vraag ik me af of ik mijn fiets wel dubbel op slot heb gezet. Het is hier wel Amsterdam. Ik besluit open kaart te spelen en zeg tegen de dokter dat ik opeens bedenk dat mijn fiets op dit moment gestolen kan worden. “Tsja” zegt dokter Jansma, “u hebt het antwoord zelf al gegeven. En ik hoef u niet uit te leggen hoe het zit met dat fietsen van u.

Zenuwarts (2)

Zenuwarts A. Jansma was van zijn fiets gestort, maar is inmiddels weer hersteld. Ook de storm is gaan liggen. Dus ik kan me veilig melden voor een professionele kijk in de ziel.

De deur zit dicht. De vorige keer zwaaide hij vanzelf open. Dat was voer voor paranoïde gedachten. Ik moet nu dus aanbellen. Even later klinkt er een stem: “Wie is daar?” Een beetje helderziende zenuwarts moet toch kunnen zien wie er voor de deur staat? Maar het is een vrouwenstem. Waarschijnlijk weer de goedgevulde roodharige assistente die zich de vorige keer ook al afvroeg waarom ik verschenen was.

In de wachtkamer is het weer een stilte van belang. Wel hoor ik stemmen. Als je bij een psychiater meldt dat je stemmen hoort word je doorgaans voor gek versleten en krijg je pillen.  Drie maal daags voor de maaltijd innemen. “Maar dokter, ik eet maar twee keer per dag.” “Dan neemt u maar twee pillen per dag.” Zo eenvoudig is het dus in de winkel van de zielenknijpers.

De kwaliteit van mijn gehoor is aan verval onderhevig. Maar na een nadere analyse blijkt dat de stemmen uit de spreekkamer komen. Ik hoor een donkere en sonore mannenstem af en toe een zin spreken. Je zou denken: een geruststellende stem van een vriendelijk vaderfiguur. Lower your voice: dat werkt bijna altijd.

Maar de andere stem is bepaald niet gerustgesteld. Uiteindelijk barst deze stem in een hoog tranendal uit, compleet met hoge jammerlijke uithalen. Dat gaat de zenuwarts een complete gezinsverpakking met Hema-tissues kosten. Ik heb de neiging om aan de deur te gaan luisteren, want ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil wel alles weten. Maar ik weet me te bedwingen.

De tijdschriftenmap in de wachtkamer bevat dezelfde glossy’s als een aantal weken geleden, maar dan in een nieuwere versie. De zenuwarts heeft kennelijk zijn periode van lichamelijk ongemak besteed aan het bestuderen van glossy’s. Een zenuwarts is ook maar een mens. En nu zijn de wachtenden ook weer bij.

Dan klinkt uit de spreekkamer klinkt het geluid van verschuivende stoelen. Daarna gaat de deurknop naar beneden. Maar de deur gaat nog niet open. Bij dokters is dit vaak het belangrijkste onderdeel van het consult: het deurknopgesprek. Dan moeten opeens de meest belangrijke zaken, die te spannend waren om te bespreken, er alsnog uitgeperst worden.

Ik duik snel onder in een het populair wetenschappelijke Quest, zodat de zenuwarts kan zien dat ik me meer interesseer voor het leren van nieuwe feiten, dan voor vakanties met de caravan. Net als in een sollicitatiegesprek bepalen de eerste twee minuten voor 60% immers de indruk die je achterlaat. Ondertussen kan ik tevens even checken of mijn kleding op orde is.

De deur gaat open en een vrouw met rood aangelopen gezicht betreedt schuchter de wachtkamer. Ze hikt nog een beetje na van alle herleefde emoties. Ik heb een associatie met wat columniste Aaf Brandt Cortius gisteren in de Volkskrant noemde: “een Montessori-juf op middelbare leeftijd.”

De zenuwarts blijft even in de deuropening staan. Zo’n man moet natuurlijk ook even bijkomen. Eerst de hartslag omlaag voordat er ruimte is voor de volgende patiënt.

Bovendien mag hij eigenlijk niet zomaar mijn naam noemen. Dan zou de geëmotioneerde vrouw thuis met hoogrode kleur kunnen vermelden dat de hoofdredacteur van Henk 50 ook ‘de senuwe heeft’.