Op de grens van twee naar drie

"Ik ben twee en ik zeg nee." "Ik ben drie en ik wil de regie."

Daar gaat ze: onze tweejarige kleindochter H. Ze moest achterop de fiets, maar dat wilde ze niet. Zie haar dán maar eens te vangen. “Ik ben twee en ik zeg nee!”

Een kind van twee zegt vooral nee. Maar een peuter van drie weet ook al wat hij of zij wél wil. Dat heeft met de executieve functies te maken: het vooruit kunnen denken. “Ik ben drie en ik wil de regie.” Bij H was dat: “Ik wil zélf naar huis lopen!” In dit geval rennen. Op ongemakkelijke laarzen. Een kilometer lang. In het voetspoor van haar vijfjarige zus T op de fiets.

Volgende maand wordt kleindochter H drie jaar. Dan kan ze voluit uitproberen wat ze wél wil. 

Mentaliseren en kinderspel (16)

In de vorige afleveringen werd beschreven hoe kinderen geleidelijk aan leren om de emoties van anderen te (her)kennen en zich in te leven in de emoties van anderen. Hoe veiliger de hechting verloopt des te gemakkelijker is het om zich in te kunnen leven.

Spelen is een manier voor kinderen om zich in te kunnen leven in de belevingswereld van anderen. Kinderen leren niet van zichzelf om te spelen, ze hebben volwassenen nodig om te leren spelen. Ouders die hun kinderen voornamelijk naar de televisie of naar de Ipad laten kijken (en zelf met hun telefoon bezig zijn) belemmeren het kind in de ontwikkeling van het mentaliseren.

Als het kind een jaar oud is begint het steeds meer andere mensen te imiteren. De jonge peuter houdt bijvoorbeeld een telefoon bij zijn oor en begint te brabbelen. Of hij pakt een stokje en ‘roert’ in een teiltje.

Op de leeftijd van 18 maanden gaan kinderen over tot meer symbolische vormen van spel. Er wordt een doekje gepakt en het droge beertje wordt zogenaamd toch afgedroogd. Ook de poes moet het ontgelden: die moet ook meedoen in het spel. De peuter kan zich nog niet verbeelden dat de poes dit geen leuk spel vindt.

De oudere peuter kan fantasie en werkelijkheid nog niet onderscheiden. Hij ontwikkelt steeds meer fantasie (dat zie je ook in het spel), maar die fantasie gaat ook met hem op de loop. Daardoor kan de peuter erg bang worden voor zijn eigen fantasie.

Onze zoon A. maakte toen hij bijna twee jaar was met zijn vinger een geluid op het blad van de kinderstoel. Het klonk een beetje als een bromvlieg. Daar ging hij even mee door. Toen hij zijn vinger weghaalde werd hij bang: hij was de bromvlieg kwijt. Die kon overal zitten, misschien ook wel in zijn trui.

Vanaf de kleuterleeftijd leren kinderen geleidelijk beter onderscheid te maken tussen datgene wat ze gefantaseerd hebben en datgene wat werkelijk gebeurd is. Ze doen alsof de poes een eng monster in de kamer is, maar ze weten ook dat de realiteit is dat de poes geen leeuw of tijger is. Ze kunnen als het ware bedenken dat ze zelf iets bedacht hebben. Dit is een essentiële stap in de richting van het mentaliseren: kunnen nadenken over je eigen denken.

Kleuters die onveilig gehecht zijn zijn minder in staat om fantasie en werkelijkheid te scheiden. Kinderpsychiater Christine Lafeber schrijft over zo’n meisje: “Als ze op de pony zit heeft ze niet meer dat ze op dat dier zit, ze is zelf een pony geworden.” 

Om te leren mentaliseren moet je je kunnen verplaatsen in verschillende perspectieven. Aan de ene kant speel je een spel, aan de andere kant kun je ook beseffen dat je het dus zelf bedacht hebt.

De kleuter past deze perspectiefname ook toe op anderen. "Als ik een doek over mijn hoofd doe en een spook speel is dat voor mij een spel. Maar mijn jongere broertje vindt het heel eng, want hij denkt dat ik écht een spook ben."

 

Sociaal kunnen zijn

"Hoe ontwikkelt het sociale gedrag zich eigenlijk?" Dat is een vraag die ik regelmatig tegen kom. Daar kun je eigenlijk geen kort antwoord op geven. Toch waag ik een poging.

Kinderen ontwikkelen het meeste sociale gedrag door goede voorbeelden. Als het van de ouders nooit ziet dat die rekening houden met anderen zullen de kinderen meestal ook asociaal gedrag blijven vertonen.

Maar wanneer kun je van een kind verwachten dat het rekening houdt met anderen?

Psycholoog Shantz heeft de volgorde aardig op een rijtje gezet:

a) een kind denkt alleen vanuit zichzelf (jonge peuter)

b) het kind ontdekt dat de ander iets anders ziet dan hij zelf (de peuter is iets ouder)

c) het kind bedenkt wát de ander anders ziet (begin van de kleutertijd)

d) een kind ontdekt hoe het komt dat de ander iets op een andere manier ziet (in de loop van de kleutertijd).

Daarbij is overigens sprake van een aanzienlijk verschil tussen kinderen op dezelfde leeftijd. Dat heeft deels met cognitie te maken (de verstandelijke ontwikkeling) en voor een ander deel met de emotionele gevoeligheid. Gevoelige kinderen voelen de emotie van anderen vaak eerder aan dan dat ze kunnen bedenken hoe het komt dat een ander zich op een bepaalde manier voelt.

Eerlijk delen

Interessant is wat er gebeurt als een kleuter een doosje snoepjes heeft en zijn broertje heeft niks. Als je als opvoeder niet stuurt zal de jonge kleuter meestal niet eerlijk gaan delen. Hij zal geneigd zijn het snoep te verstoppen of zijn broertje een heel klein beetje geven. De controle ligt nog helemaal aan de kant van het kind dat het snoep in zijn bezit heeft. Het eerst de ander laten kiezen is voor jonge mensen een erg moeilijke opgave.

Een andere graadmeter is het tegen het verlies kunnen. Met beide aspecten houdt een aanzienlijk aantal volwassenen hun hele leven grote moeite.

Parkietentaal

De afgelopen dagen logeerden twee kleindochters bij opa en oma. Dus gebeurde er weer van alles in huis.

Kleindochter T is een blonde krullenbol. Ze wordt door opa ‘Droppie’ genoemd. T is vier jaar oud en zit dus al op school. Ze kent opa en oma goed, ze kent het huis goed, ze weet waar ze alles moet vinden. De ochtend is altijd wat spannend: wat wil ik vandaag aan? Dat kun je ’s avonds klaar leggen, maar de volgende dag blijkt opeens een andere kleur van toepassing te zijn.

Kleindochter T. staat graag met oma in de keuken: eten klaarmaken of koekjes bakken. En ze is dol op fietsen. Daar klaart ze helemaal van op. Ik weet niet van wie ze dat heeft (…).

Soms heeft ze behoefte aan alleen zijn. Dan kijkt ze graag even Buurman & Buurman. Hoe meer er in de omgeving verandert, des te meer heeft ze behoefte aan voorspelbaarheid. Dan moeten het de bekende voorleesverhalen zijn en de bekende stukjes van de TV. Mooi is dat ze dat zelf reguleert.

Haar zus H, door opa ‘Droffel’ genoemd, is veertien maanden oud. Ook al een dame met een mooie krullenbol, iets donkerder, maar met dezelfde blauwe ogen. Dat zit in de familie van opa en pappa.

Veertien maanden: dat is net de leeftijd waarbij je je steeds meer bewust wordt van een binnen-en een buitenwereld. Dan wordt het ook spannend om te logeren. Als H. ging slapen of als ze wakker werd hoorden we haar steeds ‘pappa, mamma’ zeggen. Ze riep niet om pappa of mamma, maar de woorden leken wel een formule om pappa of mamma toch in de buurt te hebben.  En midden in de nacht was er ook een half uurtje waarin pappa en mamma met woorden in de kamer gebracht werden.

Zus H loopt nog niet, ze heeft een snelle manier van voorthoppen op de grond bedacht. In mijn jonge jaren waren er boeddhistische monniken die beweerden zich door meditatie aan de zwaartekracht te kunnen onttrekken. Ze stegen dan een beetje op boven de grond. Kleindochter H is bijna zo ver. Ze is een soort hovercraft boven de houten vloer.

H kan zich prima vermaken op de grond met blokjes, emmertjes, dopjes en Dulploblokken. Ze schuift de kamer door, de gang in, de zijkamer in, komt weer terug en ontdekt onderweg van alles wat in en uit elkaar kan. Dit weekend heeft ze ook de stopcontacten ontdekt. Die zijn nu dus afgeplakt.

Tijdens die bezigheden on de grond is Droffel constant aan het praten. Ze kan alleen maar de namen van de familie noemen, maar in de gesprekken wordt er van alles bijgehaald. Het is een prachtige variatie aan klanken en losse lettergrepen, een soort van brabbelmuziek. Ze probeert ook opa en oma met klanken en allerlei mimiek van alles duidelijk te maken.

Opeens wist ik het. Dit is Parkietentaal. Let maar eens op twee parkieten in een kooi die aan het 'praten' zijn met allerlei variaties in klank en stemhoogte, met rollende klanken alsof ze de woorden proeven. En ze lijken ook elkaar op een bepaalde manier te imiteren. Zo is kleindochter H ook met haar eigen taal bezig.

Slakkengang

Kleindochter Thiska ziet veel details. Dat heeft ze trouwens van geen vreemde.

We wilden naar het station lopen, maar onderweg passeerde er in hoog tempo een slak (links op de foto). Die moest natuurlijk uitgebreid bestudeerd worden.

Het gevolg was dat we te laat op het station waren.

Gelukkig was de trein ook te laat. Dus ondanks de slak werd de trein toch niet gemist...

 

Mentaliseren: invoelen achter gedrag (1)

Plotseling staat Vanessa op. Ze loopt de kamer uit en ze laat de deur met een harde klap achter zich dicht slaan. Ze rent de trap op en laat zich niet meer zien. Haar man Peter blijft in verwarring achter. Wat is er gebeurd?

Wat zit er achter het gedrag van mensen? Dat is de ‘kunst’ van het mentaliseren. Wat er in deze situatie van Peter wordt verwacht is dat hij én kan nadenken over zijn eigen denken en voelen, maar ook over dat van Vanessa. Deze dubbele opdracht is complex.

Mentale topsport

Iedereen die een relatie aan gaat moet in staat zijn om te mentaliseren. Iedere opvoeder moet kunnen mentaliseren. Voor medewerkers en behandelaars in de zorg is het zelfs het belangrijkste deel van hun werk. Helaas blijkt in de praktijk dat lang niet iedereen deze ‘mentale topsport’ in de vingers heeft.

Mensen die niet goed in staat zijn tot zelfreflectie zijn zeker niet in staat om goed te mentaliseren. Ze kunnen zich niet indenken wat er achter het gedrag van de ander zit.

In de loop van hun ontwikkeling leren kinderen geleidelijk aan om te mentaliseren. Een peuter van twee jaar is daar nog niet toe in staat. Hij bekijkt de wereld vanuit zijn eigen perspectief. Als mamma haast heeft, maar hij ziet een leuke wip staan waar hij even op wil gaan zitten kan hij zich niet voorstellen dat mamma een ander doel voor ogen heeft. Een peuter denkt egocentrisch: hij heeft nog geen Theory of Mind ontwikkeld.

Om te kunnen mentaliseren is een veilige hechting noodzakelijk. Kinderen die zich niet veilig hebben kunnen hechten hebben grote moeite om naar hun eigen gedrag te kijken. Nog méér moeite hebben ze om áchter het gedrag van de ander te kijken.

Autisme

Bij mensen met een stoornis in het autistisch spectrum is één van de belangrijkste kenmerken dat het denken over het eigen gedrag en het kunnen kijken áchter het gedrag van de ander nauwelijks is ontwikkeld. De wereld wordt bekeken vanuit het eigen perspectief.

Het volgende onderzoekje heb ik wel eens gedaan met kinderen. Ik laat ze drie kaarten zien: één met bloemen, één met een supersnelle auto en één met dansend prinsesje. Ik zeg vervolgens: “Henk houdt erg van bloemen. Dus hij wil op zijn verjaardag graag een kaart met bloemen. Als Henk jarig is, welke kaart ga jij dan naar Henk opsturen?” Jonge kleuters kiezen nog bijna altijd de kaart die ze zelf mooi vinden. Kinderen van een jaar of zeven willen meestal de kaart met de bloemen opsturen. Maar er zijn uitzonderingen. Zo hebben kinderen met een stoornis binnen het autistisch spectrum veel meer moeite om deze denkstap te maken. Een jongen met autisme kan zich nauwelijks voorstellen dat iemand een kaart met bloemen mooier vindt dan een kaart met een supersnelle auto (of natuurlijk: een trein).

Op dit onderzoekje valt uiteraard wel het één en ander af te dingen. Er kunnen ook nuanceringen worden aangebracht. Zo is inmiddels duidelijk geworden dat een deel van de kinderen met autisme wel tot andere oplossingen komt. Maar die ontwikkeling verloopt moeizamer, minder vanzelfsprekend, dan bij kinderen die geen kenmerken van autisme hebben.

Borderline

Bij veel mensen met psychiatrische problemen staat het vermogen om te kunnen mentaliseren eveneens onder druk. Zo valt bij mensen met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis de eigen werkelijkheid samen met de waarheid. Het lijkt wel of de manier waarop zij de werkelijkheid ervaren de enige manier van kijken is. Daarom verloopt de opvoeding in gezinnen met een ouder met een ernstige borderline stoornis vaak ook zo problematisch.

Zwart-wit denken

Zwart-wit denken en daarmee ook ket krampachtig proberen om iedereen onder controle te houden vormt één van de kenmerken van de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Maar het op die manier denken komt veel vaker voor.

Tijdens een gesprek over de toegenomen zorgbehoefte van een gehandicapte broer kwam het tot een heftige discussie tussen drie familieleden. Ik was er verbaasd over hóe snel de vlam in de pan sloeg. Eén van de zussen diskwalificeerde namelijk direct haar beide andere zussen. “Jullie weten niet wat Herman nodig heeft.” In haar ogen was er maar één oplossing en dat was dat Herman per direct op een instelling zou worden opgenomen. Ze was niet in staat om naar haar eigen houding te kijken, ze was zeker niet in staat om achter de goede zorgbedoelingen van haar beide andere zussen te kijken. Zij alleen wist wat haar gehandicapte zus nodig had.

De boze peuter

“Jonge kinderen zijn vaak onredelijk boos. Het is nog veel onredelijker als opvoeders daarom heel boos op hen worden. Want zo leren ze dat je boos mag worden op iemand die boos wordt.” Aldus Melanie de Ruiter (lector aan de Haagse Hogeschool).

Zo ontstaat dus een spiraal van agressie. Tot mijn verbazing hoor ik (bijvoorbeeld in het OV) volwassenen regelmatig zeggen dat het volkomen logisch is dat je met aanzienlijk verbaal of fysiek geweld iemand tot de orde mag roepen die boos op jou is. Een ander ‘argument’ is dat iemand beweert een rode waas voor zijn ogen te krijgen en dat hij er dus niets aan kan doen als de boel uit de hand loopt. Die persoon zou op zijn minst hebben kunnen leren dat je ook weg kunt lopen voordat je een rode waas voor je ogen krijgt.

Theory of Mind

Dat onredelijk boos worden hoort bij peuters, niet bij volwassenen. Bij peuters is de ‘Theory of Mind’ nog onvoldoende ontwikkeld (daar zijn tientallen onderzoeken naar gedaan). Dat betekent dat ze zich nog onvoldoende kunnen verplaatsen in de argumenten van de ander. Ze bekijken de wereld vanuit hun eigen perspectief: egocentrisch (dat is iets heel anders dan egoïstisch).

Als mamma haast heeft en boodschappen wil doen kan de peuter zich daar geen voorstelling van maken. Hij ziet nu net die leuke trap waar hij even op wil klimmen.

Het eigen perspectief

Vanuit zijn eigen perspectief bekeken is mamma dus heel onredelijk dat ze hem niet even die trap op en af laat gaan. En eigenlijk is mamma onredelijk als ze niet door heeft dat de peuter alleen vanuit zijn eigen perspectief kan kijken. Maar helaas zijn veel opvoeders op dit punt niet voldoende op de hoogte van de manier waarop de peuter naar de wereld kijkt.

Gevoelsthermostaat

Er is nog een aspect waarom peuters behoorlijk extreem kunnen reageren. De gevoelsthermostaat raakt heel snel van slag. Dat is omdat de rem het nog niet goed doet. Ze reageren totaal, van top tot teen, op iets wat niet in hun denkraam past (uiteraard is ieder kind op dit punt ook wel weer verschillend. Dat heeft met het temperament te maken. Een vuistregel is dat de gedragsstijl van het kind voor de helft bepaald wordt door het –aangeboren- temperament).

Driftbuien horen erbij

Driftbuien horen bij de peuter zoals een onweersbui bij de zomer hoort. De spanning moet zich ontladen. Hoe goed en communicatief je je kind ook opvoedt: die peuter gaat af en toe uit zijn plaat, krijgt een driftbui, verzandt in langdurig dwars gedrag, weigert te eten of gaat niet slapen. Dat vraagt om fitte opvoeders die tegen een stootje kunnen.

Hoe groter iemand groeit, des te meer mag je verwachten dat iemand beter de rem kan vinden. Maar daarbij speelt de opvoedingsstijl van de ouders wel een belangrijke rol.

 Een paar tips:

– Zorg dat je als opvoeders op één lijn zit

– Deel de opvoeding: loopt de ene opvoeder vast, draag dan zo mogelijk over aan andere opvoeder

– Maak een afweging: moet ik dichterbij komen of juist even afstand nemen? Doseren van afstand en nabijheid.

– Zorg voor duidelijke grenzen. Opvoeden is judo: een beetje meebuigen, maar wel duidelijk afbakenen

– Hoe lager je hartslag blijft, hoe eerder het kind zal kalmeren (peuters zijn hier erg gevoelig voor)

– Zoek zo mogelijk naar alternatieven (wat kan het kind wél doen, wat zou mogelijk af kunnen leiden)

– Hanteer het JA-NEE-JA principe: JA, je ik begrijp dat je, NEE, dat kan niet nu, JA, als we hebben gegeten, dan

– Probeer samen met het kind naar woorden te zoeken zodat het kind leert om zijn boosheid te verwoorden

– Driftbuien zijn voor kinderen emotioneel zware momenten: troost het kind na afloop, zodat het weer bij kan komen

 

Een vreemde vader

Een half jaar lang was Johan op de grote vaart geweest.
Wekelijks was er contact geweest met zijn zoontje Bas, een peuter.
Dat ging via skype, zodat Johan en Bas elkaar konden horen en zien.
En Myrthe, zijn moeder, had steeds enthousiast verteld dat dát pappa was.

En nu kwam pappa bijna thuis. Wat zou de kleine Bas blij zijn dat hij zijn vader zag! Maar tot verbazing van Myrthe was Bas helemáál niet blij met de komst van zijn vader. Hij verstopte zich achter zijn moeder en wilde niets van zijn vader weten. De vraag van zijn moeder was of dit gedag van haar zoon ‘normaal’ was. Ze had hem goed voorbereid, ze had steeds contact gehouden en tóch wilde Bas geen contact met zijn vader.

Volgens mij is dit passend gedrag bij een peuter. Hij kan zich nog geen beeld vormen van zijn vader, ondanks alle contacten die er tegenwoordig mogelijk zijn (ik zag als kind mijn familie drie jaar niet en hoorde hen ook niet, er was alleen briefcontact mogelijk, dat is tegenwoordig heel anders).

Omdat Bas zich geen beeld had gevormd van zijn vader, was die vader een vreemde voor hem geworden. Maar diezelfde vader was wel heel enthousiast op zijn zoon afgelopen. Voor hém was zijn zoon allerminst een vreemde: hij had een beeld van hem én hij had zijn zoon ook nog eens regelmatig gezien, gehoord en ‘gesproken’. Johan was dus niet terughoudend in het contact geweest, maar had Bas direct opgepakt. Een vreemde man had Bas opeens wordt vastgehouden, terwijl Bas eigenlijk nog op een eenkennige, symbiotische manier aan zijn moeder verbonden was.

Het komt wel goed tussen Johan en Bas, maar het heeft even wat meer tijd nodig…

Kinderangsten (3): angsten bij de peuter (vervolg)

a. De meest genoemde en meest intense angsten bij de peuter zijn (volgens een onderzoek van Verhulst en Akkerhuis):
1. angst voor haren knippen en wassen
2. angst voor honden
3. angst voor insecten
4. angst voor donker

b. Een ander type angst bij de peuter  is de verlatingsangst. Het kind ‘ontdekt’ dat het bij zijn moeder vandaan kan lopen. Het kan er zelfs tegen dat zijn moeder even niet in het zicht is (een knuffel of de voorstelling van moeder vervangen de aanwezigheid van de moeder, als je ziet hoe sommige knuffels er uit zien vraag je je vervolgens ook wel weer af hoe die moeder er uit ziet…).

De keerzijde van het zélf weglopen is echter dat het kind ook bang wordt dat mamma bij hem weg kan lopen. We noemen dit de verlatingsangst. Dit is de periode waarin een nachtlampje aan moet. En je moet als ouder een tijdje hoorbaar op de overloop staan te strijken totdat de peuter in slaap valt. Zie je gezinnen met fraai gestreken kleding lopen, dan is waarschijnlijk één van de gezinsleden ongeveer twee jaar oud.

c. Een deel van de angsten wordt veroorzaakt doordat kinderen situaties niet kunnen begrijpen. Selma Fraiberg spreekt hierbij over de magische wereld van het kind. Als het legoblokje in de stofzuiger kan verdwijnen kun jij ook door de slang opgezogen worden. Als het water door het afvoerputje van het bad verdwijnt kun jij ook zomaar door het afvoerputje verdwijnen. Ook onze taal is voor peuters volkomen onbegrijpelijk. Vader zegt: “Je eet de oren van mijn hoofd”, waarop de peuter angstig naar de oren van zijn vader kijkt.

Kinderangsten (2): baby en peuter

Als de baby ruim een half jaar oud is, is hij al redelijk voorspellen wat er gaat gebeuren. Hij hoort zijn moeder de trap op lopen en hij weet: straks gaat de deur open. Hij is gewend aan vertrouwde patronen. Wat daarvan afwijkt roept nu angst op. Andere mensen passen niet in het bekende patroon. Dat verklaart ook nog voor een deel de eenkennigheid.

Waarom het ene kind deze eenkennigheid veel sterker vertoont dan het andere kind stip ik slechts even aan. Ik vermoed zelf dat dit met name een kwestie is van temperament én van gevoeligheid voor indrukken. Hoe prikkelgevoeliger het kind is, hoe eerder het ook eenkennig zal zijn.

Wat het huilen betreft: een jonge baby huilt o.a. van ongemak. Als hij mamma niet ziet bestaat mamma ook niet meer. Maar vanaf ongeveer een half jaar krijgt het huilen een nieuwe functie. Mamma is weg, maar door mijn huilen kan ik mamma weer terug halen.

3. DE PEUTERLEEFTIJD
Als de peuter ongeveer 1½ jaar oud is beginnen zich stukjes van het ‘ik’ te ontwikkelen. Het kind ontdekt dat hij zaken kan regelen. ‘Als ik dit doe gebeurt er dat’. De keerzijde van deze ontwik-keling is dat de angsten toenemen.

De peuter wordt bang voor dingen waar hij géén controle over heeft. Het thema van de controle is wezenlijk voor het begrijpen van de angsten van peuters en kleuters, maar ook voor álle levens-fasen die volgen.

a. Een aantal angsten die bekend zijn bij de peuter:
– angst voor natuurverschijnselen (onweer, storm)
– angst voor water (vooral voor grote wateroppervlakten)
– angst voor vreemde dieren
– angst voor het donker

De meest genoemde en meest intense angsten bij de peuter zijn (volgens een onderzoek van Verhulst en Akkerhuis):
1. angst voor haren knippen en wassen
2. angst voor honden
3. angst voor insecten
4. angst voor donker

Bij deze angsten zie je heel sterk de angst voor controleverlies terug. Kijk bijvoorbeeld eens naar het haren knippen. Er wordt een stukje van je lichaam afgeknipt, je kunt het voor een deel niet zien en dan zegt je moeder ook nog eens: “stil zitten, anders knipt de kapper een stuk van je oor af”. Peuters zijn erg bang voor beschadigingen aan hun eigen lichaam. Voor hen is het dan alsof ze geamputeerd worden.