Lastige kwetsbaarheid (5)

Groot én klein zijn lijkt een centraal thema te zijn in het leven van mensen met emotionele problemen. Groot zijn roept angst op: je moet het zelf uit zoeken. Klein zijn maakt afhankelijk én het wordt niet gewaardeerd (‘kinderachtig’).  

“Deze mensen zitten vast in een gedachtepatroon dat geen middenweg kent tussen eenzame onafhankelijkheid en kinderlijke hulpeloosheid” (Les Parrot). De stoere buitenkant is het groot zijn en ook het willen controleren van de ander. Het klein zijn zit in de slachtofferrol. Er bestaan dus eigenlijk geen volwassen verhoudingen.

Groot én klein

Het psychologische spanningsveld van de peuter (groot moeten en klein willen zijn) kan zich voortzetten bij het groter worden: het wordt een gedragspatroon en daarmee een deel van de persoon. Bij volwassenen komt dit o.a. tot uiting in het zich snel  gekrenkt voelen (vooral in het contact met ‘leidinggevenden’).

Een peuter kan pruilen als de dingen niet gaan zoals hij dacht (“jullie houden niet van me”). Ook volwassenen kunnen ‘zielig’ doen. “Ik heb me zó ingezet en nou mag ik toch niet eens mijn eigen mening zeggen” zei iemand die werd aangesproken op zijn negatieve taalgebruik over collega’s.

Opvallend is dat deze mensen zich slachtoffer voelen, maar dat ze niet actief hulp durven te vragen. De ander moet maar zien dat ze hulp nodig hebben. Hulp maakt kwetsbaar en is dus bedreigend. Hun boodschap luidt: Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt (Weisfelt).

Hechting

Veel moeilijk te hanteren gedrag bij mensen komt voort uit een onveilige hechting: er is onvoldoende vertrouwen gegroeid (dit heeft vaak ook met gevoeligheid en temperament van het kind te maken). Adriaenssens: “Veilige hechting betekent dat je iemand kunt loslaten omdat je vertrouwt dat die persoon weer terugkomt. Voor angstige peuters is langdurig huilen vaak een efficiënt wapen geworden om te voorkomen dat de ouders weg gaan”. Bij volwassenen komt deze angst o.a. terug in de behoefte om mensen in de omgeving te willen controleren en in het claimen.

De verlatingsangst herhaalt zich vaak van generatie op generatie. Adriaenssens: “Het zijn niet alleen kinderen die moeten leren om met kwetsbaarheid om te gaan, ook volwassenen moeten dit leren.”  Daarbij spelen de eigen levenservaringen een grote rol. Bastiaans (die zich specialiseerde in oorlogstrauma’s): “Sommige mensen zijn door hun vroegere als traumatisch ervaren verlatings-ervaringen voorbeschikt om later, onder nieuwe moeilijke omstandigheden, opnieuw te reageren met patronen die met die eerdere verlating verbonden zijn”. Hij voegt toe dat de uitingen heel verschillend kunnen zijn: zoals het dwars liggen, depressief worden, claimen, ‘onecht’ (theatraal) gedrag.

Lichamelijke klachten

Eerder werden al lichamelijke klachten genoemd. Vooral bij kwetsbare mensen vormen die klachten ook de uiting van het emotionele functioneren. In de psychiatrie is een breed scala van ‘onbegrepen lichamelijke klachten’ bekend. Daarmee bedoelt men dat er niet direct een bekende lichamelijke oorzaak voor de klachten gevonden kan worden. “Mensen tobben zich soms daadwerkelijk ziek, ze worden écht ziek” (Ellis & Diekstra). En daarmee zitten we meteen in een dilemma: zijn al die onbegrepen klachten aanstellerij?  

Nee, zelfs als lichamelijke klachten een psychische oorzaak zouden hebben valt dat nog niet samen met  aanstellerij. Bovendien: of het nu lichamelijk of psychisch is, je voelt je echt ziek.

Lastige kwetsbaarheid (5)

De meest spannende ontwikkelingsfase voor kinderen is de periode tussen 1½ jaar en drie jaar. Dat is de peuter die groot wil zijn, maar ook bij zijn moeder (m/v) wil blijven.

Onafhankelijk of hulpeloos?

Dit spanningsveld zet zich bij mensen met emotionele problemen voort tot in de volwassenheid. Groot zijn roept angst op: je moet het zelf uit zoeken. Maar klein zijn maakt afhankelijk en dat is ook weer bedreigend en soms krenkend. Bovendien voelt het soms als ‘kinderachtig’. “Deze mensen zitten vast in een gedachtepatroon dat geen middenweg kent tussen eenzame onafhankelijkheid en kinderlijke hulpeloosheid” (Les Parrot).

Het psychologische spanningsveld tussen groot en klein zijn kan iemand dus het hele leven met zich meedragen. Bij volwassenen komt dit o.a. tot uiting in het zich snel gekrenkt voelen of het zich zielig opstellen (de slachtofferpositie).

Een peuter kan pruilen als de dingen niet gaan zoals hij dacht (“jullie houden niet van me”). Ook volwassenen kunnen ‘zielig’ doen. “Ik heb me zó ingezet en nou mag ik toch niet eens mijn eigen mening zeggen” zei iemand die werd aangesproken op zijn negatieve taalgebruik over collega’s.

Opvallend is bij deze mensen vaak dat ze zich slachtoffer voelen, maar dat ze niet actief hulp durven en willen te vragen. Wie hulp vraagt toont immers zijn afhankelijkheid. Dat maakt kwetsbaar en is dus bedreigend.

Groot en klein

Nog even terug naar de peutertijd. Peuters hebben behoefte aan bewondering en waardering door de ouders. Bij alles wat ze doen vragen ze ook om een stukje erkenning en bevestiging door de ouders.

Veel kinderen krijgen het gevoel dat vooral het ‘groot’ zijn gewaardeerd. En dus wil de peuter flink zijn. “Sommige kinderen moeten flink zijn. Ze onderdrukken hun behoefte aan liefde en zorg. Ze lijken daardoor bijzonder flink en aan-gepast” (Bastiaans).

Vooral van het oudste kind in het gezin en van broers of zussen van een gehandicapt kind broer of zus is bekend dat ze zich vaak verantwoordelijk voelen en gedragen (‘jij bent de oudste’). Daar is niets mis mee, behalve wanneer er onvoldoende ruimte is om ook klein te mogen zijn. Als dat evenwicht zoek is betaalt het kind –aldus Bastiaans- daar een prijs voor: emotionele spanningen die het kind niet kan verwoorden worden vertaald in lichamelijke klachten.

Als dit ‘gewoon’ wordt leert het kind a.h.w. om zijn emotionele spanningen via lichamelijke klachten te uiten (uiteraard mag je het niet omdraaien: lichamelijke klachten hebben niet per definitie een psychische oorzaak).

Zorgen voor de ander

Als de peuter het gevoel krijgt dat hij alleen gewaardeerd wordt als hij groot is, durft hij niet meer klein te zijn. Bij gevoelige (‘sensitieve’) kleuters ontstaat een ‘omkering’: ze nemen de rol van de ouder over en gaan zorgen voor mamma die hoofdpijn heeft en voor pappa die het altijd druk heeft. Als dit ‘de gewoonte’ wordt van het kind spreken we over onveilig controlerend gedrag: om de omgeving te vriend te houden gaat het kind zorgen, maar dit gaat ten koste van de zorg die het zelf nodig heeft.

Misschien zijn de ouders vertederd over de zorgzaamheid van hun kind, maar dan stimuleren ze gedrag dat emotioneel teveel gevraagd is. Overigens geldt ook hier: op zichzelf is het niet slecht als een kind leert te ‘zorgen’, maar de zorgzaamheid moet wel in evenwicht zijn met de behoefte aan zorg.

Nee-fase

Op station Den Haag Hollands Spoor werd gewaarschuwd voor zakkenrollers. Even later bleek ik in de tram mijn zonnebril kwijt te zijn. Toen ik opzij keek bleek dat mijn buurvrouw nét zo’n zonnebril op had als die ik kwijt was.

De dame was zich natuurlijk van geen kwaad bewust. Ze vond het eigenlijk wel een leuke grap. Haar opa trouwens ook.

Onze kleindochter Thiska (in januari werd ze twee jaar) is een actieve jongedame die de hele dag klimt en klautert, vingerverft, knipt en kleit, zingt, speelt en kletst.

Vraag van opa: “Thiska, zullen we een eindje met de tram?” Antwoord: “Dat is een goed idee, opa! Jij eerst!” Toen de tram iets verder door reed dan verwacht: “Ho, tram, wacht op mij, ik moet ook nog mee!”

Maar ze zat gisteren ook wel in de nee-fase. Dat hoort er ook bij op die leeftijd. Opa vraagt: “Thiska, zit je vandaag in de neefase?” Antwoord van onze kleindochter: “Neehee!”

Verzet en machtsstrijd

Twee vuistregels die ik noem bij het behandelen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de peuter zijn:

a).  Ik ben twee en ik zeg nee

b).  Ik ben drie en ik wil de regie.

De peuter van twee weet wel wat hij niet wil. Hij is echter nog niet goed in staat om te plannen wat hij wél wil.

De peuter van drie is verder in zijn ontwikkeling en kan ook al een beetje bedenken dat hij wél wil. Hij zegt niet alleen ‘nee’, maar wil ook zelf bepalen wat er wel moet gaan gebeuren.

Volwassenen

Er zijn volwassenen die in sociaal-emotioneel opzicht op de peuter lijken. Om met een variant op een poster van Loesje te spreken: De ware peutertijd duurt bij hen een heel leven lang.

Kenmerkend voor hun gedrag is het verzet. Als iemand anders met een bepaald idee komt hebben ze de neiging om ‘aversief’ te reageren. Het is één van de thema’s waar Prof. dr. R.E. Abraham over schrijft. Kenmerkend voor dit gedrag noemt prof. Abraham de innerlijke onvrijheid. Onder het mom van vrijheid zijn ze eigenlijk onvrij. Ze kunnen namelijk niet kiezen. Ze zijn alleen maar ‘tegen’.

Dit streven kan heel ver gaan. Er zijn mensen die heel duidelijk hulp nodig hebben, maar die absoluut niet toestaan dat een ander hen hulp biedt. Het betekent dat de persoon zichzelf in feite kwaad berokkent. Het is een patroon dat regelmatig wordt gezien bij de ‘zorgmijders’. Ze zijn zó bang dat ze de controle kwijt raken, dat ze daardoor alle invloed van buitenaf vermijden, zelfs als dat overduidelijk ten koste van hun gezondheid gaat.

Kenmerken van volwassenen in deze fase van de sociaal-emotionele ontwikkeling (bijvoorbeeld):

1). Overgevoeligheid voor onrecht. Ook besluiten die met instemming van alle betrokkenen zijn genomen worden met grote achterdocht bekeken.

2). Machtsstrijd met belangrijke anderen (bijvoorbeeld een voortdurende autoriteitsconflict met de leidinggevende).

3). Zeer grote gevoeligheid voor kritiek (in deze fase van de ontwikkeling worden persoon en zaak nog niet goed van elkaar gescheiden).

4). Een grote mate van perfectionisme

5). Streven naar dominantie, preoccupatie met manieren om de ander de baas te worden (zie de blogs over rivaliteit)

6). Vaak een rigide vasthoudenheid aan eigen besluiten en het niet in (kunnen) gaan op inbreng van anderen

Voorbeelden van uitspraken van mensen die (vooral) in de fase van het verzet functioneren (ontleend aan R.E. Abraham):

“Ik neem het altijd op voor de onderdrukten”.

“Als je iets echt wilt, lukt het je ook.”

“Als iemand tegen mij meent te moeten zeggen hoe iets in elkaar zit word ik soms razend.” 

“Als ik merk dat iemand de baas wil spelen haak ik helemaal af”.

“Ik werk voor mezelf, dan kan ik tenminste zelf bepalen wat goed is en wat niet.”

“Opgaan in de massa, dat is het ergste wat je kan overkomen.”

 

 

 

 

 

Ik ben twee en ik zeg nee…

De sociaal-emotionele basis van het kind is klaar als het drie jaar oud is.

Daar kwamen vragen over. Want waarom is dat zo? En wat gebeurt er als er in die eerste drie jaar van alles mis gaat?

Die eerste drie jaar heeft alles te maken met hechting. Een veilige hechting betekent dat het levenshuis een fundament heeft. De rest van het leven wordt er aan de emotionele ontwikkeling verder gebouwd op basis van dat fundament. Bij kinderen met een onveilige hechting zitten er scheuren in dat fundament. Dat betekent dat alle volgende fasen van de ontwikkeling moeizamer verlopen. 

Tegenwoordig bestaan er zgn. inhaalstrategieën voor kinderen die zich in de eerste drie jaar niet goed hebben kunnen hechten. Het zijn intensieve vormen van behandeling waarbij de therapeut terug gaat naar dat wat het kind in de eerste drie jaar gemist heeft. Er moet alsnog geheid worden om het emotionele fundament steviger te maken. Maar dat is dan wel een intensieve therapeutische kunstgreep die soms jaren duurt. Het huis is in aanbouw en dan moet er ondertussen ook nog gesleuteld worden aan het fundament.

Symbiose en loslaten
In de eerste acht maanden groeit het kind steeds meer naar de moeder toe. Uiteindelijk ontstaat er een vorm van symbiose: moeder en kind zijn heel sterk met elkaar verbonden. Dat betekent ook dat mensen niet meer inwisselbaar zijn: wij horen bij elkaar. De vader doet ook wel mee, trouwens, maar bij bijna alle kinderen is de moeder op deze leeftijd nog de meest intensieve hechtingspersoon. 

Maar het kind moet ook weer leren los te laten.  Inmiddels ben ik van mening dat dat de meest complexe emotionele opdracht voor het kind is. Maar het is ook een noodzakelijke stap. Want alleen dan kan het kind een eigen ‘ik’ ontwikkelen. Dat eigen ‘ik’ vormt op zijn beurt weer de basis voor de verdere ontwikkeling richting puberteit.

Eigen ik

De periode van de ontwikkeling van het eigen ‘ik’ is een lastige periode omdat de peuter eigenlijk steeds groot én klein wil zijn. Net zoals de puber trouwens die wil dat zijn moeder zijn brood smeert én die zelf wil bepalen hoe laat hij thuis mag komen…

Op tweejarige leeftijd weet de peuter nog niet goed wat hij wél wil. Het is”: ‘Ik ben twee en ik zeg nee’.

Op driejarige leeftijd is het kind beter in staat om plannen te maken. Dan wordt het: ‘Ik ben drie en ik wil de regie’. De peuter wil bepalen wat er gaat gebeuren. Dat kan ook lastig zijn, hoewel ik het als vader ook een boeiende periode vond. Sommige ouders vragen zich in deze periode af of er toch niet behangen moet worden met tegelijk een peuter achter het behang.

Maar deze ‘dwarse’ periode is opnieuw noodzakelijk voor de verdere groei. Zonder eigen ‘ik’ durft de peuter onvoldoende op onderzoek uit te gaan (de vierde stap in de Cirkel van Veiligheid, blog van 18 januari).

Kinderen zonder voldoende ‘ik’-ontwikkeling leren vaak onvoldoende om eigen denken en handelen te organiseren. Want om dat te leren moet je steeds weer oefenen met afstand, nabijheid en spel, ook als je ouders niet zo dicht in de buurt zijn…