Dwang en winderigheid

Een mens produceert gemiddeld een 0,5 tot 1,5 liter darmgas. Dat heb ik niet zelf berekend, ik las het in een boek. Dat gas moet er ook weer uit, anders zouden we ontploffen. 'Flatulare necesse est'. Eén van die manieren is het 'op anale wijze laten ontsnappen van lucht' zoals ik dat las in een wetenschappelijke studie. Gemiddeld laten mensen zo'n 25 winden per dag, gelukkig voor een aanzienlijk deel reukloos. In ieder geval voor jezelf.

De heer Jansen is een gepensioneerd boekhouder. Zijn kracht lag in de zorgvuldigheid waarmee hij zijn werk verrichtte. Ook na zijn pensioen ziet hij er altijd keurig verzorgd uit. Het huis is ook pico bello op orde, behalve dan de stapels kranten. Hij weet nooit wanneer hij ze weg kan doen, want er kan altijd nog een artikel in staan dat van pas kan komen.

Na zijn pensioen heeft de heer Jansen van zijn winderigheid een vak gemaakt. Waar andere mensen nauwelijks iets merken van het op anale wijze laten ontsnappen van lucht heeft de heer Jansen het verschijnsel tot buitenproportionele omvang opgeblazen. Hij heeft elke kramp, elke ontlasting en zelfs elke wind in grafieken en zelfs in kleur in kaart gebracht.

De perfectionistische, dwangmatige benadering van zijn werk, zijn huishouden, maar ook van zijn lichamelijke klachten zou bij Sigmund Freud passen binnen de kaders van het anale karakter. Alles moet zó precies in kaart worden gebracht dat het het eigen leven van de heer Jansen, maar ook het gezonde leven van zijn omgeving dreigt te verstoren. Daarbij valt het analytische en detailgerichte aspect op: de aandacht voor het detail is zó nadrukkelijk aanwezig dat het grote geheel zoek raakt.

Spreekuur bij de huisarts

Met die grafieken en analyse komt meneer Jansen op het spreekuur van de huisarts. Hij wil alles tot in detail bespreken. De huisarts meldt: “Elke poging van mijn kant om de exercitie kort te houden is gedoemd om te mislukken. Van zijn ritueel (alles doornemen) kan geen millimeter worden afgeweken.” (aldus Marc America, 2016)

De huisarts meldt dat meneer Jansen niet in staat is de spreekkamer te verlaten zonder dat hij alle details heeft kunnen bespreken. Ook als de huisarts zegt dat de tijd om is en dat andere patiënten zitten te wachten weerhoudt dit de heer Jansen niet om verder te gaan met zijn analyse van de winderigheid die hem voortdurend parten speelt.

Obsessief-compulsief

Het gedrag van de heer Jansen past bij de obsessief-compulsieve  persoonlijkheidsstoornis. Kenmerkend zijn het analytische denken dat tot in detail wordt doorgevoerd, het perfectionisme (de andere kant van ditzelfde palet aan gedragingen) en de behoefte om ook tot in detail het gesprek te bepalen. De heer Jansen geeft niet alleen zichzelf weinig ruimte, hij laat aan anderen ook weinig ruimte. Het is in dermate sterke mate aanwezig dat het grensoverschrijdend is.

Ouder worden

Toen de heer Jansen boekhouder was viel het gedrag thuis minder op. Hij kon het meeste van zijn analytische energie kwijt in zijn vak. Wel was hij niet gemakkelijk voor de andere mensen op de administratie. Het werk moest allemaal op zijn manier worden uitgevoerd. Nu hij met pensioen is wordt het gedrag in zijn eigen (woon)omgeving nog meer als verstorend ervaren. Het is voor voorbeeld van hoe een persoonlijkheidsstoornis met het klimmen van de jaren niet milder, maar juist ernstiger wordt.

Advertenties

Controle en perfectie (2)

"Dwangmatige persoonlijkheden zijn zeer georganiseerd, maar ze zijn zó bezig met de organisatie, dat ze daardoor weer improductief zijn." Aldus Professor Willem van der Does.

Johannes wilde graag alles goed doen. Hij wilde ook goed plannen. Iedere ochtend was hij twee tot drie uur bezig met het plannen van wat hij die dag zou gaan doen. Als hij zich niet aan dat zelf bedachte schema kon houden raakte hij gefrustreerd en ging weer een nieuwe lijst maken. Hij besteedde uiteindelijk meer tijd aan het maken van lijsten, dan aan het daadwerkelijke werk. 

Het is een vreemd verschijnsel. Mensen die hun werk niet afkrijgen kunnen dwangmatige perfectionisten zijn. Maar omdat ze zo perfectionistisch zijn verliezen ze zich in de details. En daardoor komt hun werk niet af.

Nemen van beslissingen

Het nemen van beslissingen is voor dwangmatige mensen erg moeilijk. Ze willen een perfecte keuze maken. Maar als ze het één kiezen zijn ze bang dat ze daar achteraf spijt van zullen krijgen. In de moeite om te kiezen zit een overlap met depressieve mensen, maar de oorzaak van het probleem ligt anders.

Koppig vasthouden

Als er eenmaal een besluit is genomen zie je bij depressieve mensen dat ze al snel weer gaan twijfelen. Maar dwangmatige mensen zijn niet van hun eenmaal genomen besluit af te krijgen. Ze houden koppig vans aan hun manier van denken en van doen. Dat vasthouden aan de eigen manier geeft hen het gevoel van controle.

Dwangmatige mensen ook koppig vasthouden aan een eenmaal ingenomen standpunt, zelfs als er ondertussen andere informatie beschikbaar is. De angst om de controle kwijt te raken is zó groot dat ze in hun eigen waarheid gaan geloven.

Controle over andere mensen

Daarmee zitten we meteen bij een ander thema. Dwangmatige mensen zijn geen teamplayers. In een team waarin iedereen in principe gelijk is ervaren ze onvoldoende controle. Ze hebben liever een wat meer solistische functie of gaan aan de slag als bijvoorbeeld ZZP’er.

Zitten ze in een meer leidinggevende functie, dan valt de behoefte aan controle over andere mensen op. Ze willen alles tot in detail weten. Om eventueel onverwachtse zaken voor te zijn moet allerlei procedures minitieus worden uitgeschreven.

Het is voor medewerkers niet gemakkelijk om onder een dwangmatige leidinggevende te werken, want je doet het zelden goed. En als de baan die leidinggevende boven het hoofd groeit wordt de controlebehoefte ook nog eens veel sterker.

Persoonlijkheidsstoornis en normaliteit (2)

Op welke terreinen kun je een persoonlijkheidsstoornis signaleren?

  1. Op het gebied van de cognities. Het gaat om waarnemen, informatie verwerken, leren, denken, problemen oplossen. In verband met de persoonlijkheidsstoornissen is vooral het interactieve aspect van belang: hoe neemt de persoon zichzelf en anderen waar, hoe interpreteert hij het gedrag van de ander, hoe kijkt hij naar bepaalde gebeurtenissen?
Mevrouw Loonstra heeft visite. Ze is gespannen. Ze heeft de hele tijd de indruk dat er over haar wordt gesproken. Als er gelachen wordt denkt ze dat ze uitgelachen wordt. Na afloop van het bezoek weet ze het zeker: de visite kwam niet op bezoek om aardig te zijn. Ze hadden het op haar geld en sieraden gemunt.Ze wilden weten waar ze dat verstopt had.

2. Op het terrein van de affecten: de wijze waarop de emoties worden geuit, de adequaatheid van de emotionele reacties.

De buurvrouw heeft mevrouw De Vries een tijdje niet gezien. Als ze haar op straat tegen komt vraagt ze hoe het gaat. Mevrouw de Vries gaat helemaal uit haar plaat. "Waar bemoei je je mee? Anders kijk je ook niet naar mij om. Ik praat nooit meer met jou!"

3. Op het terrein van het functioneren in het contact met anderen. Dat zit ook al in de twee voorgaande voorbeelden. Maar nu gaat het om de rol die anderen voor de persoon spelen. Zijn ze bijvoorbeeld een gelijkwaardige gesprekspartner of is er sprake van een zeer asymmetrische relatie?

Als er problemen zijn is meneer Doornspijk daar ook al heel snel te vinden. Hij heeft meteen zijn adviezen klaar en regelt van alles. Als iemand zegt dat het al goed geregeld is en dat er geen hulp nodig is voelt meneer Doornspijk zich zwaar gegriefd. Ze hebben niet op hem gewacht en nu is hij niet meer nodig. Meneer Doornspijk heeft andere mensen nodig om te laten zien dat hij een goede hulpverlener is.

4. Op het gebied van de beheersing van de impulsen: in hoeverre is de persoon in staat om wensen en behoeften uit te stellen en/of te doseren.

Overal waar mevrouw Jongsma komt heeft ze de neiging om spullen verplaatsen of recht te zetten. Tijdens het consult bij de dokter kan ze het niet laten om even een stapeltje papier op zijn bureau te ordenen.

Persoonlijkheidsstoornis en normaliteit (1)

Mijn grootvader schreef er al een boekje over. "Wat is normaal?" In de psychologie is het een voortdurende worsteling. Steeds meer mensen krijgen een etiket opgeplakt. Wie afwijkt van een bepaalde norm krijgt een diagnose. Kun je niet goed leren, dan heb je een verstandelijke beperking. Ben je op leeftijd, dan ben je bejaard. Laat je het eten aanbranden en kun je geen namen meer onthouden, dan ben je dement.

Als we het over persoonlijkheidsstoornissen hebben ontkomen we echter toch niet aan de vraag: ‘wat is normaal?’ Mensen met een persoonlijkheidsstoornis wijken af van datgene wat we als normaal zien in onze samenleving.

Een algemeen kenmerk van een persoonlijkheidsstoornis is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur van de betrokkene duidelijk afwijken van de verwachtingen.

Tegelijkertijd begeef je je met zo'n definitie op glad ijs. Op basis van deze definitie werden in de Sovjet-Unie duizenden mensen zonder vorm van proces opgesloten in psychiatrische instellingen. Ze weken af van de Sovjet-ideologie, dus ze moesten wel gek zijn.
  1. Bij een persoonlijkheidsstoornis gaat het om een duurzaam patroon van denken en van handelen. Wie een delier heeft (tijdelijk) heeft dus niet om die reden een persoonlijkheidsstoornis.

2. Een persoonlijkheidsstoornis is ook pervasief: het dringt door in alle lagen van het bestaan. Dus zowel thuis, als op het werk en bij sociale contacten.

3. In de derde plaats veroorzaakt een persoonlijkheidsstoornis lijden. Bij de meeste stoornissen lijdt de persoon er zelf niet onder, maar de omgeving ervaart wel lijdensdruk. Het inzicht in het eigen functioneren is bij de meeste mensen met een persoonlijkheidsstoornis zeer beperkt.

Empathie (2)

Empathie ontwikkelt zich in de relatie tot de mensen aan wie het kind zich het meeste hecht. Het identificeert zich met empathisch spiegelende ouders.

Bijvoorbeeld: de peuter doet zich pijn, de moeder herkent het signaal van de pijn en benoemt het, en biedt het kind troost. Of: het kind is boos omdat het zijn zin niet krijgt, de vader benoemt de emotie van het kind en ondersteunt het om ‘verder te gaan met de dag’.

Moeders die in aanwezigheid van hun kind vooral op hun smartphone zitten te kijken missen deze signalen en nemen ook niet de tijd om te reageren. Ze belemmeren daarmee de ontwikkeling van empathie bij hun kind.

Ontbreken van empathie (kinderen)

Als een kind van een jaar of zeven nog steeds én geen emotionele én geen cognitieve empathie heeft ontwikkeld zie je vaak dat het kind veel agressie vertoont en daar geen rem in heeft. Zo’n kind lijkt niet eens te beseffen dat het de ander pijn doet.

Als een kind van zeven jaar wél cognitieve empathie heeft ontwikkeld (het heeft geleerd wat het de ander aan doet en weet ook dat het daar straf voor kan krijgen), maar de emotionele empathie is weinig ontwikkeld, dan kan zo’n kind de agressie uitstellen (het heeft er weet van). Deze kinderen weten echter ook heel goed wat de zwakke plek van de ander is, en ze kunnen op een bepaald moment toch iemand perfect op de zwakke plek raken.

Ontbreken van empathie (persoonlijkheid)

Empathie het het vervoermiddel om intermenselijk gedrag te reguleren. Als je met de ander mee kunt leven zul je de ander minder snel pijn doen. Zoals jij behandeld wilt worden zul je ook de ander willen behandelen.

Het klopt precies, maar toch klopt er iets niet. Dat is het gevoel dat ik soms heb bij mensen die een prachtige -en logisch opgebouwde - beschrijving geven over hoe mensen tot bepaalde keuzen komen. Cognitief zit het goed in elkaar, maar waar is de emotionele kant?

Marc America (2016) heeft in een schema een drietal persoonlijkheidsstoornissen geplaatst in relatie tot het vermogen tot empathie. Ik vul zijn schema nog iets aan met eigen bevindingen.

  1. Wel cognitieve, maar nauwelijks emotionele empathie: psychopatiform gedrag (kijk bijvoorbeeld naar het programma ‘Opgelicht’: precies wéten waar de zwakke plekken van de ander zitten en daar misbruik van maken).

2. Weinig cognitieve, maar wél emotionele empathie: borderline persoonlijkheidsstoornis. Mensen met borderline voelen de ander wel aan (emotionele empathie), maar ze kunnen niet denken vanuit de ander, door een onvermogen om te mentaliseren.

3. Weinig cognitieve en weinig emotionele empathie: narcisme. Bij mensen met narcisme draait alles om henzelf, ze (h) erkennen niet de bedoelingen, behoeften en wensen van de ander.

"Alle opvoeding is gedragstherapie. Een kwestie van goed belonen en op het juiste moment straffen". Aldus de gedragstherapeut. Volgens mij miste er iets in deze redenering...

 

Kokerdenken en gezinspathologie

“Waar aan herken je een persoonlijkheidsstoornis?”

Dat vroeg de psychiater aan een verzameling congresgangers. Overal zag ik hersencellen ratelen. Er kwamen ook diverse antwoorden. De meeste heb ik niet verstaan. Mijn gehoor is aan verval onderhevig.

+/-

Voor mezelf gebruik ik vaak het +/- schema. Je hebt een psychisch probleem als je alleen maar positief denkt over jezelf en negatief over de ander.

Of omgekeerd: als je alleen maar negatief denkt over jezelf en positief over de ander. Mensen die geestelijk gezond zijn denken kunnen positief naar de ander kijken, maar hebben ook een positieve kijk op zichzelf. In ieder geval zijn ze in staat om genuanceerd te kijken. Oftewel in grijstinten.

Eenzijdige oplossingsstrategie

Maar dat antwoord bedoelde de psychiater niet. Hij gaf als sleutelwoord voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis: ze kiezen een eenzijdige oplossingsstrategie.  Deze mensen zijn dus niet in staat om te variëren in hun reacties.

De narcist wordt getriggerd als hij geen aandacht krijgt en reageert daarop met boosheid. Iemand die paranoïde is denkt dat anderen het altijd op hem voorzien hebben. Een persoon die obsessief-compulsief is heeft maar één oplossing voor zijn spanningen en dat is ordenen. Iemand met borderline is zó bang voor verlating dat daar steevast met agressie (schelden, zelfverwonding) op wordt gerageerd.

Er wordt dus geen andere reactie ‘bedacht’. Het vermogen om anders te gaan denken en handelen ontbreekt.

Pathologisch gezinssysteem

Wat individueel gebeurt kan – vertelde de psychiater – ook in groepsverband gebeuren. In bijvoorbeeld sectes: wij zijn goed, de ander is fout. Wie fout zit wordt uitgebannen, een gesprek is niet meer mogelijk.

Maar ook in gezinnen. Een aantal familieleden leeft in onmin met elkaar. Daaruit ontstaat in pathologische gezinssystemen (net als bij sectes) vaak het idee van de zondebok. Eén van de gezinsleden staat ‘model’ voor de vaak onuitgesproken spanning binnen het gezin.

De reactie van de andere gezinsleden is – volgens de psychiater – vervolgens patroonmatig voorspelbaar. Er is maar één oplossing: de zondebok moet zich voegen naar de eisen van de andere familieleden of hij wordt uitgebannen.

Daarop komt er waarschijnlijk weer een andere zondebok. Want het patroon is dat de ander moet worden overheerst. Er is geen gelijkwaardige communicatie. De één bepaalt voor de ander (hoe hij moet denken of handelen). Wie dat niet doet wordt uitgesloten.

Narcisme, borderline en uitlokkende gebeurtenis

Het cognitieve model van A.T. Beck omvat een aantal dimensies die passen bij persoonlijkheidsstoornissen.

Je kunt deze dimensies in een schema plaatsen. Mensen zijn meer dan schema’s. Maar ze helpen je soms om beter het verband tussen de uitlokkende gebeurtenis en de reactie van de persoon te begrijpen.

Twee voorbeelden:

  1. De narcist

Voor een narcist is kritiek eigenlijk ondraaglijk. Hij ervaart kritiek als krenking. De kritiek is dan de uitlokkende gebeurtenis. De kernbehoefte van de narcist is: gewaardeerd worden. Kritiek staat haaks op die waardering. Veel mensen met narcisme zullen vervolgens zichzelf nóg groter maken. Ze moeten nóg meer imponeren.

Chef van Zanten maakt geen fouten

Meneer van Zanten is trots op alles wat hij bereikt heeft. Iedere keer weer vertelt hij hoe hij als eenvoudige jongen zich helemaal opgewerkt heeft tot chef in een groot bedrijf. Dat zijn eigen afdeling maar uit zes mensen bestaat vertelt hij er niet bij. Daar kun je ook beter niet over beginnen. 

Als er controle komt op zijn afdeling blijkt dat allerlei papieren niet in orde zijn. Ook is er niet voldaan aan de eisen van de arbeidsinspectie. Meneer van Zanten is woedend. Hij heeft zijn hele leven hard gewerkt en dan komt er zo’n snotaap vertellen hoe hij zijn werk in moet delen. Maar tegen de inspecteur kun je toch maar beter niet te hoog van de toren blazen.

De volgende dag meldt meneer Van Zanten zich bij de directeur. Hij vertelt trots hoe hij de inspecteur heeft afgepoeierd. Ze hadden wel wat minimale foutjes gezien, maar dat hadden ze toch niet goed gezien. Het waren twee muggenzifters die gewoon waren aangesteld om bij iedereen fouten aan te wijzen. Gelukkig had hij allerlei bewijs kunnen leveren hoe goed hij als chef van de afdeling zijn verantwoordelijkheid waar maakte.

2. Borderline

Bij Borderline is een uitlokkende gebeurtenis vaak het gevoel van verlating. De kernbehoefte van mensen met Borderline is: controle. Als je de controle hebt heb je ook het gevoel dat je autonoom kunt zijn. Een vorm van probleemgedrag die het gevolg kan zijn van een uitlokkende gebeurtenis is: vechten (ageren, een klacht indienen) of vluchten (het kiezen voor het isolement).

Mevrouw Veenstra en haar huisarts

Mevrouw Veenstra heeft veel trekken die wijzen op kenmerken van borderline. Ze heeft zich er al een tijdje zorgen gemaakt, maar nu ligt er dan een schokkende brief in de brievenbus: de huisarts -dokter Abbema – gaat met pensioen. Mevrouw Veenstra ervaart het pensioen van de huisarts als een vorm van verlating. Die avond gaat ze eens stevig aan de drank. Met een zware kater bezoekt ze de volgende dag het spreekuur. Ze vraagt belangstellend of de dokter zijn huis gaat verkopen. Nee, hij blijft in zijn eigen huis wonen. “Dan behandelt u zeker ook nog af en toe patiënten?” vraagt mevrouw Veenstra. Nee, dokter Abbema gaat echt helemaal stoppen. Natuurlijk weet hij zelf wel dat hij af en toe standby zal zijn voor zijn opvolger, maar hij kent mevrouw Veenstra al een tijdje. Dus kiest hij voor een duidelijk antwoord.

Mevrouw Veenstra is helemaal onthutst. Blijft de dokter gewoon in de wijk wonen, kan ze niet meer bij hem aankloppen. Als hij was verhuisd was het beter te begrijpen geweest. Nu is het niet alleen verlating, maar ook afwijzing. Ze verlaat de spreekkamer zonder te groeten. Tijdens de afscheidsreceptie laat ze niets van zich horen. Zo heeft ze de controle. Ze hoopt dat de dokter zich later toch enigszins ongerust zal afvragen waar mevrouw Veenstra was gebleven.