Pathologie en kokerdenken

Ik heb het onderwerp al vaker besproken, maar het blijft actueel. "Waar aan herken je een persoonlijkheidsstoornis?"

Dat vroeg de psychiater aan een verzameling congresgangers. Overal zag ik hersencellen ratelen. Er kwamen ook diverse antwoorden. De meeste heb ik niet verstaan. Mijn gehoor is aan verval onderhevig.

+/-

Voor mezelf gebruik ik vaak het +/- schema. Je hebt een psychisch probleem als je alleen maar positief denkt over jezelf en negatief over de ander.

Of omgekeerd: als je alleen maar negatief denkt over jezelf en positief over de ander. Mensen die geestelijk gezond zijn denken kunnen positief naar de ander kijken, maar hebben ook een positieve kijk op zichzelf. In ieder geval zijn ze in staat om genuanceerd te kijken. Oftewel in grijstinten.

Eenzijdige oplossingsstrategie

Maar dat antwoord bedoelde de psychiater niet. Hij gaf als sleutelwoord voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis: ze kiezen een eenzijdige oplossingsstrategie.  Deze mensen zijn dus niet in staat om te variëren in hun reacties.

De narcist wordt getriggerd als hij geen aandacht krijgt en reageert daarop met boosheid. Iemand die paranoïde is denkt dat anderen het altijd op hem voorzien hebben. Een persoon die obsessief-compulsief is heeft maar één oplossing voor zijn spanningen en dat is ordenen. Iemand met borderline is zó bang voor verlating dat daar steevast met agressie (schelden, zelfverwonding) op wordt gerageerd.

Er wordt dus geen andere reactie ‘bedacht’. Het vermogen om anders te gaan denken en handelen ontbreekt.

Pathologisch gezinssysteem

Wat individueel gebeurt kan – vertelde de psychiater – ook in groepsverband gebeuren. In bijvoorbeeld sektes: wij zijn goed, de ander is fout. Wie fout zit wordt uitgebannen, een gesprek is niet meer mogelijk.

Maar ook in gezinnen. Een aantal familieleden leeft in onmin met elkaar. Daaruit ontstaat in pathologische gezinssystemen (net als bij sectes) vaak het idee van de zondebok. Eén van de gezinsleden staat ‘model’ voor de vaak onuitgesproken spanning binnen het gezin.

De reactie van de andere gezinsleden is – volgens de psychiater – vervolgens patroonmatig voorspelbaar. Er is maar één oplossing: de zondebok moet zich voegen naar de eisen van de andere familieleden of hij wordt uitgebannen.

Daarop komt er waarschijnlijk weer een andere zondebok. Want het patroon is dat de ander moet worden overheerst. Er is geen gelijkwaardige communicatie. De één bepaalt voor de ander (hoe hij moet denken of handelen). Wie dat niet doet wordt uitgesloten.

De schizotypische persoonlijkheid (3)

Eerst even een algemeen uitstapje. Wat is geestelijke gezondheid? Daar kun je natuurlijk tot diep in de nacht over discussiëren, maar daarmee kom je er niet uit. Hoe later op de avond, hoe ingewikkelder het wordt.

Daarom een simpele indeling:

a) hoe kijkt de persoon in kwestie naar zichzelf?

b) Hoe kijkt die persoon naar de ander?

Wie ben ik?

Mensen met een schizotypische persoonlijkheid ervaren zichzelf als anders dan anderen. Daarin zit een overlap met de theatrale persoonlijkheid. Maar bij mensen met een theatrale persoonlijkheid zie je vooral de verhevenheid: de ander moet naar mij kijken. Zonder ‘publiek’ zijn ze niets.

Mensen met een schizotypische persoonlijkheid hebben de ander als klankbord. Zoals ze tegen zichzelf praten, zo kunnen ze ook tegen de ander praten. Het gaat minder om het publiek, maar meer om het kunnen praten. “Als ze ergens een oor zien moeten ze er tegenaan praten.”

Voorspellen

Daarnaast gaan ze er vaak vanuit dat ze een voorspellende geest hebben. Daar hoort ook de neiging bij om veel zaken op zichzelf te betrekken. Als er iemand op het fietspad van zijn fiets valt terwijl ik op de stoep loop zal ik mijn wandeling niet snel in verband brengen met het valgevaar van de fietser. Iemand met een schizotypische persoonlijkheid zal kunnen vertellen dat hij of zij al een voorgevoel had dat er iets mis zou gaan. “Had ik daar niet gelopen, dan was die meneer niet van zijn fiets gevallen.”

Wie is de ander?

Mensen met een schizotypische persoonlijkheidhebben een negatief beeld over anderen. Niet in de vorm van een oordeel over de ander, maar in de vorm van het op de hoede zijn voor de ander.

Schizotypische mensen zoeken wel contact, maar ze zijn vooral op hun hoede. Komt de ander te dichtbij, dan kunnen ze onverwachts opeens het contact verbreken. Ze maken als het ware voortdurend een inschatting. Als ze zich bij iemand wat meer op het gemak voelen hebben ze de neiging om die persoon langdurig aan de praat te houden. Maar als de ander teveel nabijheid zoekt of vragen stelt die te dichtbij komen sluiten ze zich af.

Voor mensen met een schizotypische persoonlijkheid zijn sociale media vaak wel een goed contactmiddel. Je hoeft de ander niet aan te kijken, je hoeft niet direct in te gaan op wat de ander zegt, je kunt het contact verbreken. 

Mensen met een schizotypische persoonlijkheid hebben dan ook veel tijd voor zichzelf nodig.

Verdwaald in het leven

Iemand met een schizotypische persoonlijkheid ervaar ik vaak als min of meer verdwaald in het leven. Er is behoefte aan contact, maar zo’n persoon voelt zich maar moeilijk ergens werkelijk thuis. De eigen wereld lijkt meer een thuis dan het zich bewegen in familie en kennissenkring.

De criteria voor het zelfbeeld, het beeld van de ander en het model van de kerngedachten zijn ontleend aan een schema van psychiater Aäron Beck. 

Stil en borderline

Mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis vallen vaak 'nadrukkelijk' op. Ze zijn nadrukkelijk aanwezig, expressionistisch en ook wel theatraal. Maar er zijn ook mensen bij wie de borderline trekken niet snel opvallen. Je zou hen de introverte mensen met borderline kunnen noemen.

De borderline persoonlijkheidsstoornis wordt wel een emotieregulatiestoornis genoemd. De gevoelsthermostaat is voortdurend van slag. ‘Een klein steentje in de schoen kan leiden tot een explosie aan emoties.’ Meestal merkt de omgeving dat vanzelf: mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis winden er geen doekjes om.

Je zou kunnen zeggen: het stormt in emotioneel opzicht bij stille mensen met borderline even hard, maar de omgeving heeft er minder last van. De drukte van de emoties wordt van binnenuit verwerkt. Dat wil niet zeggen dat mensen met stille borderline er minder last van hebben. Ze kunnen veel last hebben van de heftige wisselingen in stemming. Een paar minuten geleden was zo iemand super-vrolijk en nu opeens slaat de somberheid als een donkere deken over de persoon heen.

Mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis kunnen zeer heftig reageren op frustratie. Als je leest dat vrouwen hun man fysiek ernstig mishandelen is er vaak sprake van borderline-kenmerken. Angst en woede overlappen elkaar dan vaak. De trigger is dan doorgaans de angst voor verlating.

Bij mensen met een stille borderline valt de woede de omgeving niet echt op. Er wordt niet gegooid of geschreeuwd en het serviesgoed blijft heel. De woede slaat naar binnen toe. Overdag merkt de omgeving weinig spanning op, maar ’s avonds kan de persoon in kwestie zichzelf ‘opeens’ gaan snijden.

Mensen met een stille vorm van borderline houden rekening met hun omgeving. Ze willen geen gedoe. Ze proberen sociaal wenselijk gedrag te vertonen. Op den duur leren ze om mensen te mijden die ‘op hun allergie zitten’. Maar als zo’n persoon toch in de buurt komt loopt de spanning op, bijvoorbeeld in een enorme behoefte om de ene sigaret na de andere te gaan roken en naar de fles te grijpen. Maar je ziet het ook aan lichaamsgebonden signalen, zoals zweten en trillen.

De ingehouden woede kan zich vertalen in o.a. eetproblemen: teveel of juist te weinig. De moeite om de eigen emoties onder controle te houden vertaalt zich in controle over het eten (ongeremd eten is ook een vorm van controle ervaren).

Mensen met een stille vorm van borderline hebben de neiging om zich als een kameleon aan te passen aan de kleur van de omgeving. Ze onderdrukken hun emoties. Dat hebben ze vaak van huis uit mee gekregen. In hoeverre er werkelijk sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis is voor mij de vraag. 

Heeft mevrouw een persoonlijkheidsstoornis?

Mevrouw van der Meijden leidt een geïsoleerd bestaan. Als er wordt aangebeld houdt ze de deur bij voorkeur dicht.

Als ze wel iemand toelaat heeft die persoon moeite om haar echt te benaderen. Het is net of ze een psychologisch muurtje om zich heen optrekt. Daarnaast valt op dat mevrouw van der Meijden voortdurend negatieve uitspraken doet over andere mensen. Zowel over haar ex-man als over haar kinderen als over de buren, de huisarts of wie dan ook.

De afgelopen jaren neemt dit denken en handelen steeds duidelijker vormen aan. Er lijkt steeds minder variatie in te zitten.

Is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis bij mevrouw Van der Meijden? Dat weet ik niet. Als psycholoog heb je een korte vragenlijst tot je beschikking om het één en ander in te schatten. Maar dat is natuurlijk geen diagnose. Het is een eerste indicatie.

DSM V

De DSM V criteria over de persoonlijkheidsstoornis zeggen het volgende:

“Er is sprake van een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van de betrokkene wordt verwacht.”

Die cultuur maakt de vaststelling wat relatiever. In het voorbeeld van mevrouw Van der Weijden: er zijn namelijk ‘hele volksstammen’ die wantrouwend naar anderen kijken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de kwestie van de sociale interpretatie. Veel mensen uit ‘achterstandswijken’ kijken met een wantrouwende blik naar anderen. Er zijn ook groepen ‘allochtonen’ die zeggen ‘vertrouw niemand, zelfs je eigen familie niet.’ Daarnaast zijn er sekten die een zeer wantrouwend mensbeeld kennen.

Mevrouw van der Weijden woont niet in een achterstandswijk, ze is geen lid van een secte en ze komt niet uit een bevolkingsgroep die anderen per definitie wantrouwt.

We gaan verder: de criteria toegespitst

a. De persoonlijkheidsstoornis komt tot uiting in de cognities: de wijze waarop ze zichzelf, anderen en gebeurtenissen interpreteteert. Daarvan kun je zeggen: ja, dat zou best eens kunnen. Ik heb geen idee hoe ze naar zichzelf kijkt, maar als er iets om haar heen gebeurt is het per definitie verdacht. Iedereen is op haar onheil uit.

b. De persoonlijkheidsstoornis komt tot uiting in de affectiviteit (zoals de intensiteit en de adequaatheid van de reacties). Ook daar zou je ja op kunnen zeggen. Zelfs op een kleine verandering (zoals een verschuiving van de winkeltijd) reageert mevrouw van der Weijden heftig.

c. De persoonlijkheidsstoornis komt tot uiting in het interpersoonlijk functioneren. Ook dat is aan de orde. Mevrouw laat nauwelijks mensen in haar leven toe en houdt naar iedereen toe afstand.

d. De persoonlijkheidsstoornis komt tot uiting in de impulsbeheersing. Daar kan ik geen ‘ja’ op zeggen. Als mevrouw in haar huis is worden er geen impulsieve ‘doorbraken’ geconstateerd.

Op drie van de vier kenmerken wordt ‘Ja’ geantwoord. Daarnaast is het patroon duurzaam: het is al jaren aan de gang. Het wantrouwen gaat dus niet samen met een tijdelijk ziektebeeld, met een verstoring van het lichamelijk functioneren (bijvoorbeeld de suiker of de schildklier) of met een acute gebeurtenis (bijvoorbeeld een inbraak).

Alle reden om mevrouw nader te onderzoeken op een persoonlijkheidsstoornis. Als ze dat tenminste wil. Waarschijnlijk wil ze het niet. Daarbij kan trouwens ook worden opgemerkt dat deze kenmerken vaak toenemen bij het ouder worden, dus dat de lijdensdruk ook toe kan nemen.

Hechting en psychopathologie (2)

Ik waarschuw jullie alvast. Nu volgt er een ingewikkeld stukje. Er is een nieuw onderzoeksgebied dat zich richt op het vermogen om na te denken over het eigen denken. In hoeverre ben je in staat om na te denken over hoe je handelt. We hebben het dan o.a. over reflectie.

Stel dat je kritiek van iemand krijgt en je schiet direct in de verdediging. Het is allemaal niet waar! Op zo’n moment ben je niet in staat om na te denken over je eigen gedrag. Je slaat een paar stappen over en je gaat in de aanval of je trekt jezelf terug (‘vechten’ of ‘bevriezen’).

Op een simpele manier zou je dit vermogen vanuit de Transactionele Analyse kunnen omschrijven als de Volwassen-positie: je bent in staat om te geven en te nemen (‘dat wil ik, wat wil jij’). Als je direct in de aanval gaat kies je voor de Boven-positie ( de Ouder-Positie), als je ‘bevriest’ is het gevolg dat je in de Onderpositie terecht komt (de Kind-Positie).

Het vermogen om na te denken over je eigen gedrag heeft volgens recent onderzoek te maken met de kwaliteit van hechting. Dat geldt ook voor de andere kant van hetzelfde proces: de wijze waarop je in staat bent om je te verplaatsen in de motieven van de ander (dus achter het gedrag van de ander kijken). Voor mensen die dat kunnen is de ander ook beter voorspelbaar.

Vragenlijsten

Er bestaan vragenlijsten die in kaart brengen in hoeverre volwassen mensen veilig zijn gehecht. Eén van de opvallende uitkomsten van deze onderzoeken is dat slechts een deel van de mensen in staat is om tijdens het gesprek met nieuwe inzichten te komen door na te denken over het eigen denken.

“Ik zei dat ik de neiging heb om wat afstand in te bouwen jegens mijn vader.  Nu ik er wat meer over nadenk besef ik dat ik ook afstand houd omdat ik bang ben voor zijn cynische opmerkingen. Maar als ik er zo naar kijk besef ik ook dat mijn afstandelijke houding kan maken dat hij zich ook bij mij thuis minder op zijn gemak voelt. Nu ik dat allemaal op een rijtje zet bedenk ik dat we elkaar dan misschien op die manier wel emotioneel gevangen houden.”

Beeld van de ander en innerlijk observator

Wat je in het bovenstaande voorbeeld ‘ziet’ gebeuren is dat deze persoon een innerlijk observator heeft: hij kijkt naar zijn eigen denken en komt daarmee tot nieuwe inzichten. Maar diezelfde persoon heeft ook een beeld van de ander. Op basis van het kijken naar zichzelf en het beeld van de ander komt hij tot nieuwe inzichten.

Complexe zorgprocessen

Ontwikkelingen in de gezondsheidszorg laten zien dat het met name bij complexe zorgprocessen belangrijk is dat medewerkers en behandelaars in staat zijn om zowel achter het gedrag van de ander te kunnen kijken als om een goede innerlijke observator te hebben. ‘Als zij dat op die manier zegt zou dat wel eens te maken kunnen hebben met de manier waarop ik me op dit moment opstel’. En dat laatste heeft dan weer te maken met de thema’s overdracht en tegenoverdracht.

Beide termen werden door Sigmund Freud bedacht. Dokter Sigmund is al lang overleden maar zijn vindingen galmen nog steeds na. De overdracht kan twee kanten uit gaan.

Het kan zijn dat de patiënt in de behandelaar iets van (bijvoorbeeld) zijn eigen vader herkent. De boosheid op zijn vader kan een rol gaan spelen in de relatie tussen patiënt en behandelaar.

Afbeeldingsresultaat voor Sigmund therapieHet kan ook omgekeerd. De behandelaar herkent in de patiënt iets van zijn eigen ouders (zie het cartoon van dokter Sigmund). Op dat moment is het erg nodig dat de behandelaar inziet wat er nu met hem gebeurt…

Persoonlijkheidsstoornis

Als je naar de kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis kijkt, dan zie je dat één van de kenmerken is dat mensen met een persoonlijkheidsstoornis vaak vast zitten in één patroon van reageren.

Bijvoorbeeld bij de narcistische persoonlijkheid: zodra iemand kritiek heeft wordt dat als een narcistische krenking gezien. Kritiek wordt ervaren als controleverlies en die controle moet direct worden teruggewonnen. De ander wordt meteen overdonderd met een spervuur aan woorden of gedrag. Er vindt geen nadenken over het eigen handelen plaats, maar ook geen ‘inleven’ in het waarom de ander zo handelt zoals hij handelt.

Volgens recente inzichten is er bij persoonlijkheidsstoornissen sprake van een gestagneerde emotionele ontwikkeling. Je zou daarmee ook kunnen zeggen: de hechting is niet voldoende tot rijping gekomen. En daardoor zijn mensen niet in staat om naar hun eigen emoties en gedrag te kijken en evenmin in staat om achter het gedrag van de ander kunnen kijken.

Wat is een persoonlijkheidsstoornis?

Op dit blog heb ik regelmatig geschreven over de persoonlijkheidsstoornis. Maar het kan zijn dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Daarom nu een min of meer officiële samenvatting.

De diagnose van een persoonlijkheidsstoornis kan volgens het diagnostisch handboek voor psychische stoornissen (DSM-V) dat wereldwijd gebruikt wordt, gesteld worden als een persoon voldoet aan de volgende criteria:

A. Een patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van de persoon wordt verwacht.

Het kriterium van de ‘cultuur’ is bewust geïntroduceerd, omdat mensen zich in de ene cultuur anders gedragen dan in de andere cultuur. Iemand die zich op de grond laat vallen en vervolgens krijsend op de grond ligt na het horen van een onprettig bericht zouden we in Nederland al snel verdacht vinden, maar er zijn culturen waarbij dit gedrag als heel normaal wordt gezien. 

B. Dit patroon komt op twee of meer van de volgende gebieden tot uiting (je moet het zien én in één van onderstaande kenmerken én in minstens nog één ander kenmerk).

  1. Cognities (de wijze waarop we onszelf, andere mensen en gebeurtenissen waarnemen en interpreteren).
  2. Affectiviteit (de adequaatheid, intensiteit, – heftigheid -, variëteit en labiliteit van de emotionele reacties).
  3. Interpersoonlijk functioneren (manieren hoe je met andere mensen omgaat, het sociale functioneren).
  4. Impuls beheersing (in welke mate een persoon beheersing heeft van zijn natuurlijke impulsen, bijvoorbeeld boosheid).
  • Het patroon is inflexibel en komt tot uiting in verschillende persoonlijke en sociale situaties. Als je op je werk en in de vrije tijd goed functioneert, maar thuis allerlei problemen geeft is het de vraag of er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Maar ook: als je soms wel en soms niet goed functioneert kun je vragen stellen bij de persoonlijkheidssproblematiek.
  • Het patroon veroorzaakt lijdensdruk voor de omgeving of beperkingen in het sociale, beroepsmatige of andere belangrijke terreinen.
  • Het patroon is stabiel en van lange duur, het begin ervan kan worden herleid tot op zijn laatst de adolescentie of de jonge volwassen leeftijd. Je hebt dus niet van je 18e tot je 21e een persoonlijkheidsstoornis en daarna – zonder behandeling – een tijdje niet om vanaf je 34e toch weer een persoonlijkheidsstoornis te hebben.
  • Het patroon kan niet worden verklaard door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld een angststoornis of een depressie).
  • Het patroon kan niet komen door de effecten van een middel (drugs, medicijnen) of aan een lichamelijke aandoening.
"Henk, ik heb het allemaal" zei een cursist na een aantal lessen over persoonlijkheidsstoornissen. Niet dus. Iedereen kan (soms) wel een paar kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis bij zichzelf aanwijzen. Maar een echte persoonlijkheidsstoornis is zeer 'massief': je manier van leven wordt er door beheerst.

Vermijdende persoonlijkheid

Mensen met een vermijdende persoonlijkheid zijn in feite voortdurend sociaal angstig. Schaamte en faalangst zijn hun meest in het oog springende emotionele reacties op de omgeving.

Parallel aan de vermijdende persoonlijkheid bestaat de schizoïde persoonlijkheid. Deze laatste persoon heeft weinig behoefte aan contact. Hij vindt het geen ramp om met kerst gewoon ‘gezellig’ in zijn eentje thuis te zitten.

Mensen met een vermijdende persoonlijkheid hebben wél behoefte aan sociaal contact. Maar ze zijn voortdurend bang voor wat anderen van hen vinden. Professor Willem van der Does schrijft dat deze gevoeligheid vooral wordt veroorzaakt door de hypersensitiviteit voor wat er in het eigen lichaam gebeurt.

Bijvoorbeeld: het wordt een beetje spannend. De persoon in kwestie krijgt het wat warm. Maar hij meent dat hij een kop als een biet heeft en dat dat anderen meteen maximaal op zal vallen. Bovendien zal die ander dat een heel stomme reactie vinden. Je gaat immers niet in gezelschap uitgebreid zitten te blozen.

Wat mensen met een vermijdende persoonlijkheid missen is het vermogen om te relativeren over zichzelf in relatie tot de ander. Het komt niet in hen op dat de ander waarschijnlijk helemaal niet ziet dat je bloost, of dat als hij het ziet daar helemaal niets van hoeft te vinden. Het ‘vermijden’ is dus eigenlijk een gevolg van rampdenken: ik krijg een kleur als een biet en dat vindt de ander ontzettend stom van mij, ik kan dus maar beter ter plekke door de grond zakken.

Zo raken mensen met vermijdende persoonlijkheid in een vicieuze cirkel terecht. Ze moeten voortdurend redenen bedenken waarom ze bijvoorbeeld niet naar een verjaardag kunnen. Dat is namelijk bij uitstek een gelegenheid waar je kunt gaan blozen en dat is een ramp.

Daardoor hebben mensen met een vermijdende persoonlijkheid op volwassen leeftijd vaak een klein netwerk. Ze willen ook niet opvallen. Als ze op een verjaardag zijn kan het gebeuren dat het iemand anders niet is opgevallen dat ze aanwezig waren. Ze zitten in neutrale kleding verstopt achter de plaatselijke plantenbak.

Als ze een baan hebben maken ze weinig kans op promotie. Ze doen niet aan netwerken, ze mijden koffiepauzes en vergaderingen. Een kantoortuin is een ramp, het liefste werken ze vanuit een afgesloten ruimte. Of natuurlijk vanuit huis.

Mensen met een vermijdende persoonlijkheid zijn niet zo vreemd als ze denken dat ze zelf zijn. Veel mensen houden helemaal niet zo van verjaardagen of van grote groepen. Iedereen kent de angsten die de vermijdende persoonlijkheid heeft. Alleen wordt die persoon in grote mate geremd door zijn angst om 'tussen de mensen te zijn'."Hij komt niet uit de verf".

Zie je wel-isme (3)

Er zijn mensen die beweren dat de trein altijd te laat is. Ik zit vaak in de trein en soms is hij te laat. Dat kan aan het traject liggen of aan de tijd. Een medeforens die destijds vaak dezelfde trein nam was ook vaak aan het mopperen op NS.

Ik turfde toen een maand de vertragingen en hoe vaak ik had moeten staan. Zes keer vertraging en één keer gestaan. Hij bleef echter volhouden dat de trein bijna altijd te laat was en dat hij bijna altijd had moeten staan. Het was op zich al een hele concessie dat het woordje ‘bijna’ werd toegevoegd. Maar hoe kan het dan dat die meneer niet van standpunt verandert? Dat is een vraag die Gerben Hellinga aan de orde stelt.

Communistische vader

Jolande Withuis schreef een boek over haar communistische vader. Het kreeg de afgelopen weken in de media veel aandacht. Bij die vader zag je hetzelfde patroon. Rusland was de heilstaat en informatie die liet zien dat er onder Stalin ook wel eens iets mis ging kwam gewoon het denkraam van haar vader niet binnen. Die informatie werd weggefilterd.

Dit is de tweede stap van het ‘zie je wel-isme’: je neemt zó selectief waar dat er geen enkele opening meer is naar anders gekleurde informatie. Je bent alleen maar bezig met het bevestigen van je eigen standpunt.

De derde stap is wat er ook bij de CPN gebeurde: iedereen werd dusdanig gemanipuleerd dat er geen ontkomen meer aan was. Wie ‘anders’ geloofde werd geëxcommuniceerd. Je zou kunnen zeggen: psychose en de derde stap van het zie je wel-isme hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat de hele omgeving wordt ingekaderd en aangepast aan dat ene plaatje. Wie tóch anders denkt moet wel gek zijn. 

Kinderen maken schema’s

Volgens Gerben Hellinga kun je dit verschijnsel verklaren omdat de wereld te complex is. Er gebeurt zóveel dat we niet begrijpen, dat we schema’s nodig hebben om houvast te kunnen hebben. Peuters en kleuters zijn daar voortdurend mee bezig. Peter niest en valt van zijn krukje. Als je niest val je van je krukje. Mamma doet de deur open en er valt een spin op haar hoofd. Mamma gilt. Op die manier worden allerlei toevallige gebeurtenissen aan elkaar gekoppeld en beladen.

Kinderen op een wat oudere leeftijd (vooral tussen de acht en twaalf jaar) proberen dat soort toevalligheden met rituelen onder controle te krijgen. Je moet perse met je rechterbeen boven aan de trap uitkomen. En voordat je onder de douche gaat moet je drie keer de deurknop aanraken.

Eén van de mechanismen die helpt bij het ordenen van de wereld is dat je zaken die kloppen gaat accentueren en dat je gebeurtenissen die niet kloppen met jouw ‘denkraam’ gaat negeren. Zo blijft de wereld tenminste een beetje voorspelbaar.

Hoe aardig de donkere meneer in jouw straat ook doet, het kán niet waar zijn dat hij echt aardig is. Je negeert de informatie over hem, beschouwt het als toeval en je blijft bij je standpunt dat 'gekleurde' mensen onbetrouwbaar zijn.

Het gevaar opzoeken

Eén van de meest wonderlijke verschijnselen in de psychologie is dat mensen zichzelf schade toebrengen om de wereld kloppend te maken. Er vindt een herhaling van zetten plaats.

De dochter van een alcoholist trouwt op haar beurt weer met een alcoholist. En het meisje met negatieve seksuele ervaringen vertoont seksueel wervend gedrag. De mannen die daar op ingaan bevestigen weer het beeld dat alle mannen ‘hetzelfde zijn’.

Het verhaal van Mirjam

Mirjam groeide op in een gezin met een autoritaire vader en een dominante oudere broer. Zij heeft een beeld ontwikkeld dat mannen met macht per definitie die macht misbruiken.

Haar eerste baas is een autoritaire werkgever die geen tegenspraak duldt. Mirjam pikt het niet dat ze wordt aangesproken dat ze haar werk niet op tijd af heeft. Ze wordt binnen haar proeftijd ontslagen. Mirjam vindt dat ze  helemaal gelijk had. Opnieuw wordt haar beeld bevestigd: mannen met macht maken daar misbruik van.

Dan krijgt Mirjam een nieuw, veel milder denkende, werkgever. Op een gegeven ogenblik meent de werkgever dat ze op een bepaalde handeling moet worden aangesproken. Dat doet de werkgever op een milde manier. Maar Mirjam ontsteekt in woede: zó ga je niet met werknemers om.

Door haar levensverhaal ervaart Mirjam veel meer autoriteit in het verhaal van de baas dan hoe zijn werkgever het bedoeld heeft.

De werkgever vindt dat Mirjam buiten proportie reageert op zijn poging tot bijsturing. Ze krijgt een waarschuwing. Opnieuw ontsteekt ze in woede: nu wordt ze ook nog gechanteerd! Daarop is voor de werkgever de maat vol: Mirjam wordt ontslagen.

Door het gedrag van Mirjam is ze er zelf mede de oorzaak van dat haar  beeld van autoritaire bazen 'klopt'. "Je mag nergens een foutje maken, mannen deugen niet, en mannelijke werkgevers al helemaal niet."

Pathologie?

Is er sprake van pathologie? Dat hangt van veel meer factoren af. Het is wel zo dat als mensen geen inzicht hebben in hun eigen aandeel in de strijd en als blijkt dat ze dit kennelijk ook niet kunnen ontwikkelen dat dat een signaal is dat er mogelijk sprake is van veel meer onderliggende problematiek.

Onveranderbaarheid in het denken over anderen (ondanks aantoonbare bewijzen dat het anders is)  en geen inzicht in het eigen handelen houden – aldus psychiater Hellinga -nogal eens  eens verband met onderliggende persoonlijkheidsproblematiek.

Gerben Hellinga: Lastige lieden, een inleiding over persoonlijkheidsstoornissen; Boom, Amsterdam, 5e druk, 2007

Zie je wel-isme (1)

Hoe kan het dat je iemand niet kunt overtuigen? Hoe je ook je best doet, de ander blijft aan zijn standpunt vasthouden. En dat ook als je meent veel bewijsmateriaal te hebben. Daarover ging o.a. een artikel in de Volkskrant van zaterdag 17 maart 2018. Maar ik begin bij een inmiddels al klassiek geworden boek van een veelschrijvende psychiater.

Psychiater Gerben Hellinga noemt dit vasthouden aan het eigen standpunt een Zie je wel-isme (in: Lastige Lieden, Boom, 2007, 5e druk). Maar hij ziet er wel ‘graden van ernst’ in. Er zijn mensen die koste wat het kost, in alle omstandigheden, vasthouden aan een eenmaal ingenomen idee. Anderen zijn in staat om hun mening geleidelijk bij te stellen.

Brigitte heeft een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Ze meent dat alle mensen er op uit zijn om misbruik van haar te maken. "Alleen dieren kun je vertrouwen, mensen niet" (dat is een klassieker in de psychiatrie). Dit beeld van Brigitte over anderen wordt niet milder, ze ziet zichzelf dag-in, dag-uit bevestigd. De buurvrouw groet haar niet. Zie je wel: die buurvrouw deed gisteren misschien wel aardig door haar te helpen, maar dat was alleen maar de buitenkant.

Nooit, alwéér, altijd

Je ziet dit ‘zie je wel’ verschijnsel in veel relaties, aldus Hellinga. Het is o.a. te zien in de woordkeuze. Nooit, alwéér en áltijd zijn typische ‘zie-je-wel’ woorden. Je kunt als partner regelmatig de rommel proberen op te ruimen, en tóch krijg je te horen dat je nooit je troep opruimt. Je hebt vroeger wel eens ruzie gehad met je zus en nu meldt ze dat je haar altijd hebt gepest.

Persoonlijkheidsstoornis

Een persoonlijkheidsstoornis kun je – aldus Hellinga – o.a. herkennen aan de mate waarin iemand niet in staat is om zijn of haar mening te herzien. Als iemand – ondanks alle bewezen tegendelen – de nieuwe informatie niet meeneemt kan dat een signaal zijn van een onderliggende persoonlijkheidsstoornis.

Twintig jaar geleden heeft Arno de Vries een ernstig conflict gehad met zijn oom, die tevens zijn werkgever was. Sinds die tijd kan de oom geen goed meer doen bij Arno. Diezelfde oom heeft zich erg ingespannen om de ouders van Arno door een moeilijke periode heen te helpen, maar volgens Arno deed hij dat toch uit kwade bedoelingen. Onlangs heeft zijn oom geprobeerd om weer contact met Arno te leggen, maar dat voorstel werd afgewezen. De oom kan het in de ogen van Arno nooit meer goed doen. Zelfs al zou de oom alle schuld van het conflict op zich nemen: het komt niet goed. Arno is niet in staat om nieuwe informatie mee te nemen in het denken over zijn oom.

Volgens Gerben Hellinga nemen we dagelijks de informatie die bij ons binnen komt selectief waar. Dat kan niet anders. Voor een deel  verklaart dat ook onze (psychologische) allergieën.

Er stopte een dure Bentley voor ons huis en er stapte een dure meneer uit in een maatkostuum. Ik had al direct een plaatje bij hem klaar.  Geen idee wie het was, hij belde ergens anders aan. Toch had ik al een plaatje gemaakt en daarmee ook een voorraadje 'zie je wels' klaarliggen.

Drie stappen

  1. We selecteren allemaal de informatie die bij ons binnen komt. Dat is heel normaal en niet pathologisch.

2. Je interpreteert informatie van anderen verkeerd en je blijkt niet in staat om dit beeld bij te stellen

3. Je manipuleert je omgeving dusdanig waardoor de ander geen kant meer uit kan, zodat je voortdurend bevestigd wordt in het ‘zie je wel!’

De tweede en de derde stap van dit proces zijn wel pathologisch van aard. 

Dwang en winderigheid

Een mens produceert gemiddeld een 0,5 tot 1,5 liter darmgas. Dat heb ik niet zelf berekend, ik las het in een boek. Dat gas moet er ook weer uit, anders zouden we ontploffen. 'Flatulare necesse est'. Eén van die manieren is het 'op anale wijze laten ontsnappen van lucht' zoals ik dat las in een wetenschappelijke studie. Gemiddeld laten mensen zo'n 25 winden per dag, gelukkig voor een aanzienlijk deel reukloos. In ieder geval voor jezelf.

De heer Jansen is een gepensioneerd boekhouder. Zijn kracht lag in de zorgvuldigheid waarmee hij zijn werk verrichtte. Ook na zijn pensioen ziet hij er altijd keurig verzorgd uit. Het huis is ook pico bello op orde, behalve dan de stapels kranten. Hij weet nooit wanneer hij ze weg kan doen, want er kan altijd nog een artikel in staan dat van pas kan komen.

Na zijn pensioen heeft de heer Jansen van zijn winderigheid een vak gemaakt. Waar andere mensen nauwelijks iets merken van het op anale wijze laten ontsnappen van lucht heeft de heer Jansen het verschijnsel tot buitenproportionele omvang opgeblazen. Hij heeft elke kramp, elke ontlasting en zelfs elke wind in grafieken en zelfs in kleur in kaart gebracht.

De perfectionistische, dwangmatige benadering van zijn werk, zijn huishouden, maar ook van zijn lichamelijke klachten zou bij Sigmund Freud passen binnen de kaders van het anale karakter. Alles moet zó precies in kaart worden gebracht dat het het eigen leven van de heer Jansen, maar ook het gezonde leven van zijn omgeving dreigt te verstoren. Daarbij valt het analytische en detailgerichte aspect op: de aandacht voor het detail is zó nadrukkelijk aanwezig dat het grote geheel zoek raakt.

Spreekuur bij de huisarts

Met die grafieken en analyse komt meneer Jansen op het spreekuur van de huisarts. Hij wil alles tot in detail bespreken. De huisarts meldt: “Elke poging van mijn kant om de exercitie kort te houden is gedoemd om te mislukken. Van zijn ritueel (alles doornemen) kan geen millimeter worden afgeweken.” (aldus Marc America, 2016)

De huisarts meldt dat meneer Jansen niet in staat is de spreekkamer te verlaten zonder dat hij alle details heeft kunnen bespreken. Ook als de huisarts zegt dat de tijd om is en dat andere patiënten zitten te wachten weerhoudt dit de heer Jansen niet om verder te gaan met zijn analyse van de winderigheid die hem voortdurend parten speelt.

Obsessief-compulsief

Het gedrag van de heer Jansen past bij de obsessief-compulsieve  persoonlijkheidsstoornis. Kenmerkend zijn het analytische denken dat tot in detail wordt doorgevoerd, het perfectionisme (de andere kant van ditzelfde palet aan gedragingen) en de behoefte om ook tot in detail het gesprek te bepalen. De heer Jansen geeft niet alleen zichzelf weinig ruimte, hij laat aan anderen ook weinig ruimte. Het is in dermate sterke mate aanwezig dat het grensoverschrijdend is.

Ouder worden

Toen de heer Jansen boekhouder was viel het gedrag thuis minder op. Hij kon het meeste van zijn analytische energie kwijt in zijn vak. Wel was hij niet gemakkelijk voor de andere mensen op de administratie. Het werk moest allemaal op zijn manier worden uitgevoerd. Nu hij met pensioen is wordt het gedrag in zijn eigen (woon)omgeving nog meer als verstorend ervaren. Het is voor voorbeeld van hoe een persoonlijkheidsstoornis met het klimmen van de jaren niet milder, maar juist ernstiger wordt.