Persoonlijkheidsstoornis en gedragsstijl (2)

"Bij elke persoonlijkheidsstoornis is er sprake van aanpassingsproblematiek die zichtbaar wordt in de interactie met anderen."

In een kwadrant taakgericht versus emotiegericht en introvert versus extravert vat Marc America de meest voorkomende persoonlijkheidsstoornissen als volgt samen:

  1. Taakgericht en sturend: antisociaal

2. Taakgericht en analytisch: obsessief-compulsief

3. Extravert en sturend: narcistisch

4. Extravert en expressief: theatraal

5. Emotiegericht en expressief: borderline

6. Emotiegericht en vriendelijk: afhankelijk

7. Introvert en vriendelijk: ontwijkend

8. Introvert en analytisch: paranoïde

Een paar voorbeelden: 

  1. Mensen met een antisociale persoonlijkheid willen hun doel bereiken (taakgericht). Bijvoorbeeld: zoveel mogelijk winst maken uit een bepaalde deal. Daarbij zijn ze zeer sturend: ze willen de ander koste wat het kost een bepaalde kant uit manoeuvreren zodat zij hun slag kunnen slaan.

3. Mensen die narcistisch zijn gaat het veel meer om de waardering en erkenning door anderen. Ook zij zijn sturend: ze willen controle over andere mensen hebben. Maar daarbij zijn ze minder taakgericht en meer mensgericht: ze hebben mensen nodig zodat ze op een voetstuk gezet kunnen worden.

8. Mensen die paranoïde zijn kijken heel gedetailleerd. Ze houden alles in de gaten en zoeken alles op. Ze zoeken bijvoorbeeld alle bijwerkingen van medicatie tot in detail op (analytisch). Ze zijn niet zozeer op andere mensen gericht (dus meer introvert), maar op zaken die fout kunnen gaan.

Somatische aandoening

Nieuw in de DSM V is de persoonlijkheidsstoornis als gevolg van een somatische aandoening. Het blijkt dat mensen die op zich een redelijke aanpassing laten zien in leven toch bij ziekte alsnog veel meer problemen laten zien (ze kunnen zich minder aanpassen).

Dit proces zien we o.a. bij ouderen bij wie de aanvankelijk milde problemen in de omgang met anderen opeens veel scherper worden.

Advertenties

Narcisme en ouder worden

Vanmorgen scoorde ik hoog op de verstrooidheidsindex. Omdat de tandpasta op de plek stond waar anders de shampoo staat scheelde het een haartje (...) of ik had tandpasta op mijn washand uitgeknepen. Maar misschien komt met de fluor de haargroei wel weer terug. Dat zou een fraai gevalletje serendipiteit zijn...

Volgens mijn wettige huisgenote Tineke zou er ook iets anders aan de hand kunnen zijn. Ze sprak de hoopgevende woorden: “Zulke dingen zullen we de komende jaren wel vaker mee gaan maken.” Hoogste tijd dus om me weer eens te verdiepen in de gevolgen van het ouder worden…

Meneer Dijkstra is op zijn 63e jaar zijn baan kwijt geraakt. Dat was niet op vrijwillige basis. Hij kon echter zonder gezichtsverlies een beroep doen op een overgangsregeling die zijn werkgever hem had aangeboden.

Voor Meneer Dijkstra was zijn werk erg belangrijk: het verschafte hem een belangrijk deel van zijn identiteit. Hoewel hij de laatste tijd de snelle ontwikkelingen op het werk niet meer bij kon benen hield hij naar zijn omgeving het beeld op van een man om wie alles draaide. Zonder zijn ervaring en inbreng zou de afdeling helemaal instorten.

Omdat meneer Dijkstra moeite had met de snelle veranderingen op zijn werk zou je kunnen denken dat het een opluchting voor hem zou zijn om er eerder uit te stappen. De laatste jaren had hij vaker last van allerlei lichamelijke klachten, was hij meer geïrriteerd en sliep hij slechter. Dat waren allemaal signalen van ‘overvraging’.

Noud Engelen en Bas van Alphen voeren in hun boek Ouderen met karakter (2016) deze meneer Dijkstra op als iemand met wie het juist niet goed gaat na zijn vervroegde pensioen. Het mogen stoppen is voor hem geen opluchting. Dat komt door zijn narcistische persoonlijkheidsstructuur. Het werk (en de verhalen die hij vertelde over zijn werk) had hij nodig om bewondering van anderen te verkrijgen. Waar moet hij nu de erkenning vandaan halen?

Eén van de aspecten die de auteurs noemen is dat de afgunst ten opzichte van anderen toe zal nemen. De rivaliteit die in het leven van narcistische mensen vaak al vanaf hun vroege jaren een rol heeft gespeeld zal sterkere vormen aannemen.

Daarnaast valt te verwachten dat de grootheidsgevoelens zullen toenemen: het idee het meer en beter te weten dan de ander. Dit ter compensatie van de krenking door het ontslag en de nieuwe leefsituatie. Bart America beschrijft in Allemaal mensen 2.0 (2016) hoe deze veranderingen gevolgen kunnen hebben voor bijvoorbeeld het werk van de huisarts. Hoe ga je om met zulke patiënten in de huisartsenpraktijk?

Bij narcisme behoort ook het zeer beperkte vermogen om te kunnen mentaliseren. Bij mensen met narcisme is sprake van een onvermogen om te zien hoe het gedrag van jezelf van invloed is op het gedrag van de ander. Als de dagelijkse ‘hulpbronnen’ (bijvoorbeeld de waardering vanwege het werk) wegvallen betekent dat er nóg meer strijd in de communicatie gaat zitten.

Soms worden trekken bij het ouder worden milder. Maar bij iemand als meneer Dijkstra zie je dat hij er bepaald niet plezieriger op wordt in de omgang. Vooral niet voor mensen met voor wie hij rivaliteitsgevoelens koestert.

Persoonlijkheid en ouder worden

Je hoort vaak zeggen dat – als mensen op leeftijd komen – de persoonlijke problematiek afvlakt. De problemen worden milder. Maar is dat wel zo?

In navolging van psychiater Bére Miesen meen ik dat de hechting op jonge leeftijd de oudere leeftijd mede kleurt. Zo zal iemand die zich op jonge leeftijd voortdurend verlaten voelde waarschijnlijk op oudere leeftijd veel claimend gedrag vertonen.

Zieke moeder met borderline

Een tijdje geleden sprak ik een mevrouw die dochter is van een moeder met borderline-problematiek. Ze vertelde dat ze als kind altijd in angst zat vanwege het onvoorspelbare gedrag van haar moeder. Bovendien moest alles verlopen zoals haar moeder dat in haar hoofd had (controle).

Nu was haar moeder ziek geworden. Ze lag meestal op bed. Dat is niet de beste manier om de controle te behouden. Ik vroeg deze mevrouw daarom hoe het nu ging in de relatie met haar moeder. Volgens de dochter waren de problemen alleen maar erger geworden. Vanuit haar bed probeerde moeder over alles de controle te houden, maar bovendien was het nooit goed.

“Kom ik met een kopje thee aan, omdat ze dat ’s middags drinkt, begint ze te schelden dat ze koffie wilde, vraag ik wat ze wil drinken dan wordt ze boos, want ik kan toch als volwassen dochter weten dat ze ’s middags altijd thee drinkt?”

“Ben ik in huis, dan klaagt mijn moeder dat de hele tijd de kinderen over de vloer komen. Ben ik er niet, dan is het wéér niet goed, want ik laat als dochter haar zieke moeder in de steek.”

Ouderen met een gebruiksaanwijzing

Oudere mensen die op zo’n manier op de omgeving reageren worden wel eens ‘ouderen met een gebruiksaanwijzing’ genoemd (in: Noud Engelen en Bas van Alphen: Ouderen met karakter, Garant, 2016). De ouderen zelf vinden dat overigens meestal niet, ze vinden dat de omgeving een gebruiksaanwijzing nodig heeft.

Evenwicht

Ouderen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen redelijk functioneren als er weinig sprake van stress is. Maar als het evenwicht verstoord raakt, raakt meteen ook alles ontregeld. Het zet ook meteen de relatie met anderen onder druk.

Iemand die zich vaak afhankelijk opstelde zal opeens totaal hulpeloos zijn, iemand die doorgaans dominant was zal nu opeens alles precies zo willen hebben zoals het in zijn of haar hoofd zat.

Big Five (2) : ouder worden

Maar hoe verlopen die factoren van de Big Five (neuroticisme, extraversie, openheid voor ervaringen, altruïsme en consciëntieusheid) nu als mensen ouder worden? Blijven die factoren even sterk aanwezig, worden ze sterker, of zie je er steeds minder van?

McCrea en Costa dachten dat alle vijf trekken stabiel zouden blijven, met als onderliggende beschrijvingen: wat is aangeleerd, wat is erfelijk? En: wat past meer bij mannen en wat past meer bij vrouwen? (zie het vorige blog).

Big Five factoren die toenemen

Recente onderzoeken geven toch iets anders aan. Er zijn 17 onderzoeken bekend en de tendens is het volgende: consciëntieusheid en altruïsme nemen toe bij het ouder worden.

Onder die consciëntieusheid vallen bijvoorbeeld: bedachtzaam reageren, ordelijk willen zijn, zelfdiscipline, iets voor elkaar willen krijgen.

Onder het altruïsme vallen facetten als: vertrouwen, oprechtheid, zorgzaamheid, bescheidenheid, medeleven.

Big Five factoren die afnemen

Extraversie, neuroticisme en openheid nemen af bij het ouder worden. 

Onder extraversie vallen facetten als hartelijkheid, energie, de neiging om te regelen en te bepalen voor anderen en sociabiliteit.

Onder neuroticisme vallen angst, ergernis, depressie, schaamte, impulsiviteit en kwetsbaarheid.

Onder openheid voor nieuwe ervaringen vallen facetten als: fantasie, esthetiek, gevoelens, veranderingen, ideeën en waarden.

De literatuurstudies geven geen onderscheid aan tussen mannen en vrouwen of in relatie tot de culturele achtergrond.

Uitgelicht

Als ik die facetten volg kan ik me er wel iets bij voorstellen:

Extraversie: bij veel leeftijdgenoten (ik ben 65-plusser) hoor ik dat ze ‘vroeger’ overal op af gingen, dat ze ook een aantal avonden per week nog sociaal bezig konden zijn en van alles konden organiseren. Ze vragen zich nu af hoe ze dat ooit vroeger voor elkaar hebben gekregen in combinatie met een baan en een gezin. De ruimte in het hoofd om op zoveel borden tegelijk te kunnen schaken wordt kennelijk minder.

Neuroticisme: met het ouder worden wordt de drang om te presteren waarschijnlijk minder. ‘Mag het ook een ietsje minder?’ Daardoor kunnen angst en schaamte ook minder worden: het hoeft allemaal niet meer zo nodig. Een uitzondering vormen volgens mij een deel van de mannen in de midlife-crisis, die opeens weer erg jong lijken te willen zijn.

Openheid voor nieuwe ervaringen: er komen waarschijnlijk niet zo snel allerlei nieuwe hobbies en studies bij. Passend bij de ontwikkelingslijn van Erik Erikson is het nu niet meer ontwikkelen, maar vooral rijpen, nadenken over.

Neuroticisme en cognitieve problemen

Er is een maar: boven de 70 jaar neemt het neuroticisme bij een deel van de ouderen weer toe. Dit hangt volgens de onderzoekers samen met lichamelijke en cognitieve problemen. Als je de controle kwijtraakt heb je de neiging om angstiger te worden, eerder een depressie te ontwikkelen en je te schamen voor alles wat je niet meer voor elkaar krijgt en waarbij je hulp nodig hebt.