Kriebeltrui en andere ongemakken

In mijn cursussen besteed ik aandacht aan zintuiglijke over-en ondergevoeligheden. Dat is vooral het vakgebied van de Sensomotorische Integratie (SMI), maar ik heb er ook een graantje van meegepikt.

Zowel vanwege de cursussen die ik geef over hechting als die over autisme kan ik niet om de werking van de zintuigen heen. Ik noem de zintuigen ook wel de voertuigen van de hechting.

Als er iets ‘mis’ is met de zintuigen heeft dat consequenties voor de hechting. Een kind dat niet aangeraakt wil worden heeft veel meer moeite om zijn moeder te leren kennen, een kind dat niet hoort mist de stem van zijn moeder, een kind dat een overgevoelig gehoor heeft kan last hebben van de stem van zijn moeder. Kinderpsychiater Stanley Greenspan heeft over dat laatste aspect in zijn boeken op indrukwekkende aandacht aan besteed.

Als ik naar de zintuigen kijk, zit ik meestal aan de overgevoelige kant (hypersensitief). Dat leidde als kind tot veel last met kriebeltruien, borstrokken, wollen sokken en andere kledingstukken die rond 1960 als warm en dus gezond door gingen. Ik had goede tijden (zonder kriebels) en slechte weken (mét al die kriebeltoestanden). De halve winter jeuk… En dan heb ik het nog niet over pap met klonten… Dat is weer een andere (over)gevoeligheid.

Maar nu las ik in een artikel een wel erg interessante hypothese over handenarbeid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Mensen met Syndroom van Down houden van dikke wollen draden, mensen met autisme hebben een grote voorkeur voor dunne niet kriebelende touwtjes. Het zou (althans in zijn algemeenheid) best eens waar kunnen zijn…