Persoonlijkheid en ouder worden

Je hoort vaak zeggen dat – als mensen op leeftijd komen – de persoonlijke problematiek afvlakt. De problemen worden milder. Maar is dat wel zo?

In navolging van psychiater Bére Miesen meen ik dat de hechting op jonge leeftijd de oudere leeftijd mede kleurt. Zo zal iemand die zich op jonge leeftijd voortdurend verlaten voelde waarschijnlijk op oudere leeftijd veel claimend gedrag vertonen.

Zieke moeder met borderline

Een tijdje geleden sprak ik een mevrouw die dochter is van een moeder met borderline-problematiek. Ze vertelde dat ze als kind altijd in angst zat vanwege het onvoorspelbare gedrag van haar moeder. Bovendien moest alles verlopen zoals haar moeder dat in haar hoofd had (controle).

Nu was haar moeder ziek geworden. Ze lag meestal op bed. Dat is niet de beste manier om de controle te behouden. Ik vroeg deze mevrouw daarom hoe het nu ging in de relatie met haar moeder. Volgens de dochter waren de problemen alleen maar erger geworden. Vanuit haar bed probeerde moeder over alles de controle te houden, maar bovendien was het nooit goed.

“Kom ik met een kopje thee aan, omdat ze dat ’s middags drinkt, begint ze te schelden dat ze koffie wilde, vraag ik wat ze wil drinken dan wordt ze boos, want ik kan toch als volwassen dochter weten dat ze ’s middags altijd thee drinkt?”

“Ben ik in huis, dan klaagt mijn moeder dat de hele tijd de kinderen over de vloer komen. Ben ik er niet, dan is het wéér niet goed, want ik laat als dochter haar zieke moeder in de steek.”

Ouderen met een gebruiksaanwijzing

Oudere mensen die op zo’n manier op de omgeving reageren worden wel eens ‘ouderen met een gebruiksaanwijzing’ genoemd (in: Noud Engelen en Bas van Alphen: Ouderen met karakter, Garant, 2016). De ouderen zelf vinden dat overigens meestal niet, ze vinden dat de omgeving een gebruiksaanwijzing nodig heeft.

Evenwicht

Ouderen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen redelijk functioneren als er weinig sprake van stress is. Maar als het evenwicht verstoord raakt, raakt meteen ook alles ontregeld. Het zet ook meteen de relatie met anderen onder druk.

Iemand die zich vaak afhankelijk opstelde zal opeens totaal hulpeloos zijn, iemand die doorgaans dominant was zal nu opeens alles precies zo willen hebben zoals het in zijn of haar hoofd zat.

Plascontract

Het was niet de eerste keer dat zorgorganisatie Careyn onder het vergrootglas werd gelegd door de inspectie. De ene keer is het het salaris van topbestuurders, de andere keer weer de kwaliteit van zorg op sommige locaties.

Deze keer was het dus het ‘plascontract’. Drie maal per dag was de norm, aldus het bestuur. Maar dat bericht berustte, aldus de bestuurders, op een misverstand. Hoe vaak zouden deze bestuurders zelf trouwens naar het toilet gaan. Misschien eens uitproberen wat er gebeurt als ze maar drie keer per dag ‘mogen’.

Maar was deze organisatie daarmee zo uniek? De toiletgang is één van de meest kwetsbare aspecten van de ouderenzorg. In de meeste verpleeghuizen kunnen niet-ambulante bewoners niet naar de WC op momenten dat ze voor hun gevoel ‘moeten’. Maar nu opeens duiken de media en de politiek op het ‘plascontract’. 

In een overwogen bijdrage in het Nederlands Dagblad beschreef een ouderenpsychologe beide kanten van het verhaal. Ze constateert o.a. dat de Nederlandse samenleving niet klaar is voor instellingen als verpleeghuizen. Achter al dit soort discussies zitten weer andere problemen.

36 keer?

Maar terug naar de WC-gang. Moet je iemand die 36 keer per dag naar de WC wil 36 keer op de WC zetten? En in hoeverre gaat die tijd dan ten koste van de schaarse beschikbare tijd voor andere bewoners?

Ik kende ook bewoners die werkelijk om de tien minuten naar de WC wilden. En soms werkte ik dan mee aan een afspraak dat het ‘slechts’ één keer in het uur kon. Een klok gaf zichtbaar aan wanneer het weer tijd was. Want één van de ergste dingen die je kan overkomen is dat je iets wilt, maar je hebt geen idee wanneer het gaat gebeuren.

Natuurlijk weet ook ik heel goed weet dat een blaas zich niet in een tijdsklok laat vangen. Je moet dan ook altijd een multidisciplinair overleg organiseren.

Wat zit er achter het gedrag?

Wat je daarbij uit moet proberen te zoeken is wat er ‘achter’ dit gedrag zit. Er kan een rijtje van zeker tien verschillende oorzaken aan gekoppeld worden die allemaal om een andere aanpak vragen. En daarnaast moet je een balans zien te vinden: drie keer is echt te weinig, maar is 36 keer niet teveel?

Veel ouderen durven trouwens niet veel te drinken omdat ze bang zijn dat ze dan weer moeten plassen. Zeker als ze afhankelijk zijn is dat lastig en ze willen niet lastig zijn. En dat terwijl voldoende vochtinname één van de pijlers voor de gezondheid is.

Mevrouw Damstra wil naar de WC

Dan nog een schrijnend voorbeeld dat ik meemaakte ik een verpleeghuis.

Mevrouw Damstra geeft aan dat ze naar de WC moet. Ze is incontinent en volledig van de zorg van begeleiding afhankelijk. Mevrouw Damstra wordt niet echt gehoord, de begeleiding rent zich de benen uit het lijf. Ze begint te jammeren dat ze moet poepen en dus naar de WC wil. Dan zegt een begeleider: “Doet u het maar in uw broek, mevrouw Damstra, dat ruimen we dan later wel weer op.”

Het gaat me niet om de begeleiding, maar om de norm die hier kennelijk is vastgesteld. “Als mevrouw een luier om heeft hoeft ze ook niet zo vaak naar de WC.”

Het trieste aan dit voorbeeld is dat mevrouw Damstra weliswaar helemaal van zorg afhankelijk is, maar dat ze nog wel het besef heeft dat ze niet vies wil worden. Ze heeft ook nog controle over haar darmen en haar blaas. Maar die controle wordt haar op deze manier uit handen genomen. Ze moet het gewoon maar in haar broek (luier) doen. Daar zijn luiers immers voor? En dat terwijl ik weet dat mevrouw Damstra altijd ontzettend netjes op zichzelf was. Hier is sprake van opgedrongen decorumverlies.

Had ik mevrouw Damstra op de WC moeten zetten. Helaas, dat zou me niet zijn gelukt. Ze weegt 100 kilo en dat red ik niet in mijn eentje. Dan zouden we beiden van alles breken. Ik ben toch al niet zo onhandig in dat soort zaken. Ooit viel ik zelf in het bad toen ik iemand er uit zou halen…

Begeleiding moest haar altijd met twee man (m/v) op de WC zetten. Dat stond ook in het protocol…

Ouderen en persoonlijkheidsstoornis

Kunnen 65-plussers alsnog een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen?

Over het algemeen wordt verondersteld dat de contouren van een persoonlijkheidsstoornis tussen de 16 en 25 jaar helder worden. Dus dan zou je zeggen: “Pas rond de 65? Is dat niet een beetje laat?”

Noud Engelen en Bas van Alphen schrijven in hun recent verschenen boek ‘Ouderen met karakter'(Garant, 2016) dat zich ook rond de 65 jaar een persoonlijkheidsstoornis kan openbaren. Als ik er al niet eentje had, wordt het nu de hoogste tijd om duidelijkheid te verschaffen. Welke zal het zijn?

Engelen en Van Alphen schrijven dat er rond de 65 zóveel verandert dat reeds bestaande maladaptieve persoonlijkheidstrekken alsnog duidelijk naar voren kunnen komen. Dus: het zat er al in, maar door de veranderde levensomstandigheden ga je rond de 65 jaar pas echt zien wat er met iemand aan de hand is. De deuken en blutsen van het leven worden niet meer verstopt en soms zelfs uitvergroot.

Drie voorbeelden uit het boek:

a) Een persoon met narcistische trekken die veel waardering in zijn werk kreeg mist – eenmaal zonder werk – die erkenning. Daardoor kan o.a. de jaloezie, de afgunst naar anderen toe sterk toenemen (jaloezie is één van de basiskenmerken van narcisme). Ook de grootheidsfantasieën kunnen verder toenemen ter compensatie van het gemis aan waardering in het werk.

b) Een vrouw met afhankelijke persoonlijkheidstrekken kan na het overlijden van haar zorgende en relativerende echtgenoot sterk claimend gedrag gaan vertonen. Ze is erg bang dat ze haar leven niet op orde krijgt nu haar echtgenoot niet meer de dagelijkse beslissingen neemt en heeft voortdurend geruststelling van anderen nodig.

c) Een oudere met een dwangmatige persoonlijkheidstrekken krijgt als gevolg van zijn leeftijd, zijn vergeetachtigheid en de complexe leefomgeving niet meer voldoende onder controle. Hij wordt daardoor nog obsessiever in zijn denken en kan er helemaal niet meer tegen als de wereld niet meer klopt. Hij is niet meer in staat om mee te bewegen met het denken en handelen van anderen. Die trekken waren altijd al aanwezig, maar hij had in zijn denken nog wat ruimte over om om te gaan met wisselende situaties. Dat vermogen is nu – onder de stress van de angst voor controleverlies – helemaal verdwenen.

Dementees (2)

Nicole Krauss schreef de roman Geschiedenis van de liefde (2005). In haar boek schrijft ze dat taal niet nodig om anderen te begrijpen. Ook zonder de taal kunnen we bij anderen signalen opvangen hoe het met hem of met haar gesteld is. Dat zit ons – als het goed is – in de genen.

Dat vermogen hebben ouders van baby’s nodig om hun kind te ‘lezen’. Hoe beter dat vermogen ontwikkeld is, des te meer zal het kind zich richten op de ouders. Met andere woorden: het kunnen lezen van de emoties van het kind is één van de basisvoorwaarden voor de hechting.

Maar hoe zit het dan aan het einde van het leven? Hoe gaat het als oude mensen onze taal niet meer begrijpen? Of als wij hun gesproken woorden niet meer kunnen vatten? Kunnen we dan nog een passend antwoord geven zodat iemand zich niet meer zo eenzaam voelt, of zo vervreemd van menselijk contact? Dat vraagt verpleegkundige Ingrid H. van Delft zich af (in: MvG, 2007/2). 

Opmerkelijk is een citaat van Theo van Doesburg: “Het zwerven door vreemdsprakige landen deed mij klanken en temperaturen opvangen. Hoe minder men van de taal begrijpt – beter: begrippelijk verstaat – des te meer dringt de innerlijke temperatuur tot ons door.”

Gehandicaptenzorg

Ik trek even een vergelijking tussen de gehandicaptenzorg en de ouderenzorg. Het is mijn interpretatie, dus zeker geen wetenschappelijk onderbouwde redenering.

Het tweede onderzoek dat ik deed in de gehandicaptenzorg ging over communicatie met mensen met een ernstige verstandelijke beperking (1977). In het rapport een citaat van Judith Herzberg, het heet Ziekenbezoek, en ik ben dat gedicht nooit meer kwijt geraakt:

Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed/ Toen hij zijn hoed had opgezet/ zei ik, nou dit gesprek/ is makkelijk te reproduceren/ Nee, zei hij, toch niet/ je moet het maar eens proberen. 

Woordeloze communicatie

In het onderzoek – dat ik deed op mijn woningen – bleek dat slechts één op de vier bewoners in staat was tot betekenisvol, gearticuleerd woordgebruik. Twee op de drie bewoners spraken niet of gebruikten slechts enkele woorden.

Ik schrok van die uitkomsten. Want het was me helemaal niet opgevallen. Ik was na een paar jaar werk in de gehandicaptenzorg al zó gewend aan ‘tonen’ en ‘ritmes’ van geluiden, dat ik die woorden eigenlijk niet meer zo miste. Er waren heel andere mogelijkheden voor contact.

Later werd het onderzoek nog veel verder uitgebouwd, eerst samen met drie andere Noord-Hollandse onderzoekers en uiteindelijk kwam er zelfs een proefschrift uit voort. Maar niet van mij, ik ben niet wetenschappelijk aangelegd.

Ouderenzorg

In de ouderenzorg zie ik ook bewoners die geen woord (meer) spreken. Maar er zijn er ook opvallend veel, die juist wél spreken. Maar wat zéggen ze dan eigenlijk?

Ingrid van Delft citeert een man: “Is dit de laatste of de vroegste vraag? Want als U maar doorvraagt aan de praat, dan kom ik er wel. Dat is nou net de klats, omdat het altijd zo in mekaar is geweven. Maar weet je wat het is… ik had die als vriend en die als vriend en die als vriend. En die andere vriend, dat was zijn vriend. Dat was ook weer een vriend. Veel vrienden. Hopelijk wel…”

Wat ik leerde in de gehandicaptenzorg moet ik in de ouderenzorg op een andere manier zien te ‘vertalen’.

Taal zonder woordenboek

Alle gedrag is communicatie. En communicatie betekent letterlijk: iets samen delen. Mijn indruk is dat als iemand spreekt, dat je dan eerder op de betekenis van de woorden gaat letten. Dat betekent dat je meer cognitief aan de slag gaat.

Maar zou het kunnen zijn dat je dan andere aspecten niet hoort: de klank, het ritme, de muziek áchter de woorden?

Dementees is een taal. Maar die moet je lezen zonder een woordenboek…

 

 

Wachten

Rudi Westendorp, hoogleraar ouderengeneeskunde, schrijft in de Volkskrant: “De gezondste manier om oud te worden, is als dat op een waardige manier kan. Wat er in de ouderenzorg vaak gebeurt is dat mensen aan het eind van hun leven in een keurslijf worden gedwongen.”

Eén van die keurslijven is het geen grip meer hebben op het eigen bestaan. Het gevolg is dat een deel van de ouderen vooral bezig is met wachten. Dat ligt vaak niet aan de begeleiding: ze kunnen niet op alle plekken tegelijk zijn. Maar het is voor een deel wel de cultuur van de instelling.

Groepscultuur

Eén van de aspecten in de meer klassieke ouderenzorg is dat het een groepscultuur is: je eet bijvoorbeeld gezamenlijk aan tafel. En als je pech hebt woon je als oudere ook nog eens in een instelling waar de activiteiten gemeenschappelijk worden gedaan.

Tante Truus moet naar de kermis

Een familielid dat altijd op haar rust was gesteld kwam door medische problemen in een zorginstelling terecht. Buiten was er inderdaad volop rust: de instelling stond in een parkachtige omgeving. daar viel dus niets te beleven. Maar om aan de wensen van de bewoners tegemoet te komen werden er allerlei uitjes ondernomen. Zo belandde dat familielid o.a. in een zaal waar stevige Hollandse muziek werd gezongen. Het ergste vond ze nog een verplicht bezoek aan de kermis. Ze werd helemaal gek van de geluiden en had een paar dagen nodig om bij te komen. Het stond nauwelijks ter discussie dat ze niet mee zou gaan: iedereen vindt de kermis toch leuk?

Het kan ook anders

Gelukkig zijn er allerlei nieuwe kleinschalige initiatieven waar dit denken zoveel mogelijk los wordt gelaten. Als meneer de Vries graag in zijn eentje op zijn kamer zijn broodje op eet wordt dat heel gewoon gevonden. En als hij ’s nachts niet kan slapen, dan mag hij gewoon op een stoel gaan zitten. En deuren op slot is geen cultuur meer, maar een grote uitzondering. Onlangs was ik bij zo’n woning op bezoek en het voelde als een verademing.

Meneer Damstra dekt de tafel

Het voorbeeld heb ik al vaker genoemd, nu nog een keer in de herhaling. Meneer Damstra dekt zelf de tafel voor het middag-eten. Daar is hij soms wel een uur mee bezig. De begeleiding vindt dat te belastend voor meneer Damstra. Dus dekken zijn nu voor hem de tafel, dat is in twee minuten gebeurd. “Dan kunt u zo fijn eten, meneer Damstra!” Sinds de begeleiding dit heeft overgenomen zit meneer Damstra een uur te wachten totdat de boterhammen, het beleg en de melk worden gebracht. Ondanks de goede bedoelingen is ook dit een keurslijf: meneer Damstra raakt – zonder dat de vraag aan hem is gesteld – de regie over zijn eigen bestaan kwijt.

Mevrouw Jongsma wacht op de krant

Mevrouw Jongsma was gewend om ’s morgens de krant te lezen. Het hield haar bij de les. Ze pakte s’ morgens altijd direct de krant, las de koppen en maakte dan haar ontbijt klaar. Na het ontbijt ging ze verder met lezen.

Helaas gaat het op de zorginstelling anders. Mevrouw Jongsma kan niet zelf de krant halen. “Dat is hier niet de gewoonte”. Ze moet wachten totdat één van de personeelsleden tijd heeft gehad om de post te halen. Nu zit mevrouw Jongsma dus na het ontbijt te wachten op de krant. De regie over haar eigen tijd is ze kwijt.

Gehandicaptenzorg

Jacques Heijkoop noemt als één van de fundamenten voor de kwaliteit van bestaan de eigen regie over het leven. Veel oudere cliënten in de gehandicaptenzorg groeiden op in een cultuur waar alles voor hen bepaald werd. Ik heb daar zelf ook aan mee gedaan als behandelaar. Want, zo dachten we, het gaat mis als de cliënten alles zelf gaan bepalen, dan raken ze het overzicht kwijt…

De afgelopen 20 jaar is er veel ten goede veranderd. Er is sprake van een voortdurende groei in de richting van meer eigen regie. Dat zit soms maar in de heel kleine dingen, zoals de keuze uit twee soorten beleg op de boterham. Maar de tijd dat alles van tevoren vast werd gelegd is gelukkig voor een groot deel voorbij.

Ouderenzorg

Ouder worden betekent inleveren. Het verschil met de gehandicaptenzorg is dat daar mensen woonden die nauwelijks enige regie hadden over hun leven. Dat waren ze inmiddels zo gewend en de begeleiding wist ook niet anders.

In de ouderenzorg wonen mensen die wél gewend waren de regie te hebben over hun leven, maar die nu afhankelijk zijn geworden. Er zijn dingen die dan inderdaad niet meer kunnen. Dat is een gevolg van het ouder worden. Misschien kan ik over tien jaar niet meer zelfstandig naar het toilet. Dan moet ik wachten totdat er iemand tijd voor mij heeft. Dat betekent inderdaad wachten.

Maar er zijn ook ingeslepen gewoontes in de ouderenzorg die niet nodig zijn. Waar best oplossingen voor te bedenken zijn. Als je maar de regie (zoveel mogelijk) voor het eigen bestaan voor de cliënten op je netvlies hebt staan. Wat dat betreft heeft (een deel van) de ouderenzorg nog nét zo’n cultuuromslag nodig als de gehandicaptenzorg heeft gehad in de afgelopen 20 jaar.

Persoonlijkheidsstoornis en ouder worden

Je wordt ouder en je hebt psychische of psychiatrische problematiek.

Vaak horen we dat bij ouderen de problemen milder worden. Maar is dat wel altijd zo. Kan het allemaal ook niet ingewikkelder worden?

Daarover ging het tijdens een andere lezing tijdens het congres waar ik vrijdag bij aanwezig was.

Cluster A: het vreemde cluster

Cluster A in de DSM (het spoorboekje van de psychiater) betreft het vreemde en excentrieke cluster. Daar onder vallen de schizoïde persoonlijkheid (vooral sociale angst), de paranoïde persoonlijkheid (vooral wantrouwen) en de schizotypische persoonlijkheid (opvallend door bijvoorbeeld het voortdurend spreken over magische krachten of over een zesde zintuig). Deze mensen gaan vaak slechter functioneren als ze meer zorg nodig hebben. Ze waren vooral gewend om hun eigen gang te gaan. Het is dus ingewikkeld als een ander voortdurend jou psychische territorium binnenkomt.

Cluster B: het dramatische cluster

Cluster B in de DSM omvat het dramatische en onvoorspelbare cluster. Daar vallen de narcistische persoonlijkheid, de antisociale persoonlijkheid, de theatrale persoonlijkheid en de borderline persoonlijkheid onder.

Zowel bij de narcistische persoonlijkheid als bij de borderline persoonlijkheid zie je op oudere leeftijd vaker depressieve beelden. De persoon in kwestie raakt de controle kwijt en dat vreet psychische energie.

Bij de antisociale persoonlijkheid zie je dat de mogelijkheden van grensoverschrijdend gedrag vaak minder worden, de problematiek lijkt daardoor milder te worden. Maar met je scootmobiel kun je nog altijd ‘toevallig’ over de tenen van je buurman rijden.

Bij de theatrale persoonlijkheid zie je een terugval in functioneren doordat de zorgbehoefte toeneemt. Er wordt veel gesomatiseerd: er ontstaan allerlei nieuwe en vaak moeilijk te verklaren klachten. De huisarts heeft het er maar druk mee.

Cluster C: het angstige cluster

Cluster C betreft het angstige en onzekere cluster. Hier onder vallen de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (ernstig dwangmatig). Hoe gaat dat allemaal aflopen?

Bij de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis zie je dat opname in een verzorgingshuis nogal eens tot een betere stemming leidt: je hoeft niet zelf meer te beslissen. Een hogere indicatie leidt tot een betere stemming…

Bij de ontwijkende persoonlijkheid zie je dat fobische klachten nogal eens toenemen. De controle en het overzicht worden minder en dat vertaalt zich in meer fobische klachten.

Bij de obsessief compulsieve stoornis zie je dat er veel behoefte is aan extra controle. Zo worden medische uitslagen niet vertrouwd. De persoon in kwestie weet het zeker: hij is dement. Daarom wil hij graag extra onderzoeken om precies te weten hoe het zit. De dokter krijgt er soms een punthoofd van. Zie je een verpleeghuisarts met een punthoofd, dan heeft zij waarschijnlijk veel dwangmatige patiënten op de afdeling.

Ouderen met autisme

Tenslotte gaf de spreker nog een toegift: hoe zit het met mensen met autisme? Omdat mensen met autisme grote moeite hebben om hun wereld onder controle te houden en de achteruitgang in cognitieve vermogens maakt dat controle moeizamer wordt zullen mensen met autisme meer krampachtig, gespannen gaan functioneren, de stress neemt toe.

Ik teken daarbij aan dat ik ook het omgekeerde heb gezien: mensen met autisme die beter gingen functioneren omdat de druk vanuit de samenleving minder werd. Zoals een 85-jarige man die iedere ochtend met vaste rituelen opstond en om 10 uur na twee koppen koffie lekker aan het schilderen sloeg. Iedere dag twee schilderijen en dan was hij om vier uur weer klaar met zijn werk. Je kon er de klok op gelijk zetten. Daarna volgden de rituelen voor het eind van de dag. Als hij maar zijn eigen patronen kon volgen zat hij prima in zijn vel, ook toen hij fysiek wat kwetsbaarder werd. Hij werd geholpen om om 10 uur aan de slag te kunnen en zijn schilderijen werden geleidelijk wat kleiner en meer globaal. Maar veel stress: nee, dat zag ik niet aan hem. Misschien is hij inmiddels al wel honderd geworden…

Kwetsbaarheid bij ouderen (2)

Bij ouderen wordt vaak in de eerste plaats gedacht aan lichamelijke kwetsbaarheid.

Maar er zijn andere aspecten, die mogelijk van even groot belang zijn, maar die onvoldoende aandacht krijgen.

Compensatie

Ouder worden houdt in dat je te maken hebt met verlies-ervaringen. Om een goede kwaliteit van bestaan te kunnen behouden moeten mensen in staat zijn om te compenseren voor de dingen die niet meer kunnen. Bijvoorbeeld: je hebt geen baan meer, maar je kunt nog wel vrijwilligerswerk doen.

Het blijkt dat een deel van de ouderen niet voldoende in staat is zich aan te passen. Het vermogen om te compenseren blijkt sterk afhankelijk van psychologische factoren, vooral van persoonlijkheidskenmerken, zoals de behoefte aan zelfstandigheid en de mate van extraversie (op de buitenwereld gericht zijn). “Mensen die in hun leven altijd weinig controle over de dingen die gebeuren hebben gehad en die zich sterk afhankelijk van anderen opstelden zijn later vaak ook veel minder in staat om zich aan te passen aan veranderde omstandigheden.” (Hannie Comijs, GGZinGeest, 2011).

Geest en lichaam

Het is deze groep ouderen die een grotere kans loopt op psychische problemen als ze ouder worden. Er zijn meer angststoornissen en er is vaker sprake van depressieve gevoelens. Omgekeerd lopen deze mensen ook weer een groter risico op lichamelijke ziekten, o.a. door slechte zelfzorg, geen goede voeding, verminderde mobiliteit en onvoldoende sociale contacten. Er is dus een sterke wisselwerking tussen psychische, sociale en fysieke kwetsbaarheid.

De medische wereld ligt de focus op de lichamelijke kwetsbaarheid, maar door behandeling van de psychische kwetsbaarheid zou een deel van de ouderen een betere kwaliteit van bestaan kunnen ontwikkelen, met minder lichamelijke klachten.

Psychische aspecten

De ouderdom komt met gebreken. Daar valt niet aan te ontkomen. Maar wat is de rol van de psychische klachten?

In de klinische praktijk is duidelijk dat veel ouderen niet naar de dokter gaan als ze niet lekker in hun vel zitten. Gaan ze wél naar de dokter, dan is dat vaak voor lichamelijke klachten. Maar omgekeerd wordt een klacht als pijn of vermoeidheid ook vaak geduid als een somatische klacht, waardoor de vaak voorkomende depressies of angststoornissen bij ouderen niet worden onderkend.

Een ander misverstand is dat deze klachten nu eenmaal bij de leeftijd horen. Of dat deze klachten niet goed behandelbaar zijn. Inmiddels worden er allerlei therapieën ontwikkeld die ouderen helpen om meer psychisch weerbaar te worden.

Geheugen en psyche

Ruim 30% van de ouderen rapporteert geheugenklachten. Ook daarbij wordt gedacht ‘dat dat gewoon bij de leeftijd hoort’. Voor een deel is dat ook zo: je geheugen wordt minder goed naarmate je ouder wordt. Helaas wordt de lijn te gemakkelijk doorgetrokken naar een mogelijk dementieel beeld. Ook dat kan natuurlijk het geval zijn, maar geheugenproblemen worden aanzienlijk versterkt bij een slechte lichamelijk- of psychisch toestandsbeeld, zoals bij angst of depressie. Geheugenproblemen kunnen zelfs grotendeels verdwijnen als de psychische factoren goed behandeld zijn.