Samen fietsen voor gevorderden

Zoals ik vorige week meldde ontwikkelen vrouwen (gemiddeld) meer lichamelijke ongemakken en mannen meer cognitieve ongemakken. 

Omdat ik dat verteld had ontwikkelde Tineke in de afgelopen maanden tal van ongemakkelijke blessures die het fietsen moeizaam maakten. Maar over tien dagen gaan we met vakantie en zonder fiets zijn wij niets. Dus moest er geoefend worden. Ik smeerde brood en Tineke stapte op de fiets.

Voor de mensen die haar niet kennen: Tineke is een krachtdadige en oplossingsgerichte vrouw. Soms heeft ze zelfs al een oplossing bedacht voordat er een probleem is ontstaan.

De krachtdadigheid komt ook tot uiting in het fietsen. We maken al meer dan een halve eeuw gezamenlijke fietstochten. Maar als Tineke op de fiets stapt ben ik haar meteen kwijt. Ze gaat gewoon veel te snel. Dat kan mijn hoofd niet bijhouden (cognitieve achteruitgang). Gisteren was dat ook weer zo. Ze was zo ongeveer Delft al uit toen ik aan de eerste dwarsstraat toe was. Uiteindelijk hebben we elkaar in de Vinexwijk Ypenburg weer ontmoet. Ze belde mij net op waar ik bleef. Dat heeft overigens geen zin, want ik hoor de telefoon niet.

Het enige probleem is dat Tineke – passend bij de gevorderde leeftijd van een vrouw – eerder last krijgt van lichamelijke ongemakken. Dat gebeurde al ter hoogte van Voorschoten. De vuistregel is dat ik na 50 kilometer een beetje op gang begin te komen en dat Tineke rond de 50 kilometer begint af te haken. Maar dat is al een halve eeuw zo, dus daar zijn we al lang aan gewend. Het is ook niet storend: zo zit onze fietswereld nu eenmaal in elkaar.

Ik denk dat we met vakantie een hangmat mee moeten nemen. Dan hang ik Tineke na 30 kilometer op. Daarna fiets ik 60 kilometer. Vervolgens haal ik haar weer op en fietsen we 30 kilometer terug. Omdat ze lekker in de hangmat heeft kunnen liggen kan die tien kilometer boven de tax van 50 kilometer er wel bij. 

Treinreis zonder mondkapje

Ik mag weer op bezoek in het verpleeghuis. Wel vind er eerst een screening plaats. Of ik me wel goed voel enzo. 

Veel afdelingen psycho-geriatrie kenmerken zich door gesloten deuren. Je kunt er wel in, maar niet meer uit. En als je eenmaal binnen was kun je de deur naar buiten niet meer vinden. Die is bijvoorbeeld gecamoufleerd als boekenkast.

Ik ken verpleeghuizen met nagebootste bushaltes. Daar kun je eindeloos wachten, want de bus komt niet.

Er zijn ook verpleeghuizen waar je op een hometrainer door je woonplaats kunt fietsen. Naarmate je sneller fietst gaan de beelden ook sneller bewegen. Probleem is wel dat het recente opnames zijn. Als je als gevolg van het oprollend geheugen bij Alzheimer weer in de jaren ’50 bent beland klopt er niets meer van en fiets je door een onherkenbare futuristische omgeving.

In dit verpleeghuis was een treincoupé nagebootst. Al zittend op de rode banken (eerste klasse) zag je een zomers landschap aan jou voorbij trekken. Je hoefde niet in te checken, want de meeste oudere bewoners hadden niet de OV-chipkaart (bewust) meegemaakt. Een mondkapje was ook niet verplicht.

Mocht ik ooit vanwege verregaande ‘teloorgang’ (zoals het wel eens wordt genoemd) op een gesloten afdeling terecht komen, dan zou dit mogelijk nog een afleiding voor mij kunnen zijn. Of anders beelden, gemaakt door een fietscamera, van Den Helder, Alkmaar of misschien ook nog van Delft. 

Woon ik op de begane grond, dan loopt de begeleiding de kans dat ik weer een honderdjarige ben die uit het raam klimt en verdwijnt...

Psychische veranderingen bij het ouder worden

Wat rapporteren ouderen over hun leven nu in vergelijking tot hun jongere jaren? Met 'ouderen' wordt bedoeld: een bevolkingsonderzoek onder 65-plussers. Ik val dus al ruimschoots onder deze groep...
  1. We worden introverter. Dat is geen psychopathologie. Ouderen hebben minder behoefte aan frequente contacten. Ze willen meer op zichzelf zijn. Contacten blijven belangrijk, maar je kunt er beter tegen om ook even alleen te zijn.
  2. Onze activiteiten nemen in aantal af. Je plant niet alles meer achter elkaar. Ik hoor met name 80-plussers zeggen dat één activiteit per dag buiten de deur voldoende is. En ook dat ergens gaan logeren niet meer zo nodig hoeft (‘ik slaap het liefste in mijn eigen bed’).
  3. Ouderen hebben van zichzelf de indruk dat ze minder impulsief handelen. Ze hoeven niet overal direct bovenop te zitten.
  4. Er treden veranderingen op in de controle over emoties. Daarbij vertellen ouderen bijvoorbeeld dat ze zomaar ‘in tranen’ kunnen zijn als ze iets op televisie zien.
  5. Ouderen rapporteren dat ze meer op hun hoede zijn. Je gelooft niet iedereen zomaar meer. Daar zijn de media ook op van invloed: vertrouw nooit zomaar iemand die bij jou aan de deur komt.

Al deze verschijnselen worden door ouderen als ‘passend’ gerapporteerd, ‘het hoort nu eenmaal bij mijn leeftijd’. Ze vechten er niet tegen, het is nu eenmaal zo. Sommigen merken op dat het zelfs een verrijking van hun leven betekent. “Ik ben immers geen twintig meer.”

Uit: Ouderenpsychiatrie, de praktijk. Martin G. Kat, Bohn, Stafleu en Van Loghum, 2019.

Ochtendwandeling

In onze vakantie konden we kiezen tussen het zitten aan de vóórzijde of aan de achterzijde van ons huis.

Aan de achterkant hadden we een prachtig zicht op de Elbe. Aan de voorzijde wandelden de toeristen of hobbelden de fietsers van de Elberadweg over de kinderhoofdjes.

De toeristen hadden een hoog 65 plus gehalte. Daar wil ik verder niet over oordelen, dat overkomt je. Wij zijn ook 65-plus, dus we kunnen het weten.

Op een ochtend zagen we dit echtpaar. Ik neem tenminste aan dat het een echtpaar is. Ze zagen er op zijn paasbest uit, en beiden hadden een hoed op en een paraplu bij zich. Je weet immers maar nooit.

Bij ieder huis bleven ze even staan en lazen de tekst op het bord. Bijna alle huizen hebben namelijk een bord dat verwijst naar de geschiedenis. Er valt dus heel wat te lezen. Daarna stapte hij als eerste weer weg naar het volgende bord en daarna volgde zij. Dan wees hij weer op het bord en zij ging lezen.

Ze waren mooi op elkaar ingesteld. De rollen waren duidelijk. En ze leefden vast lang en gelukkig.

Ouderen en autisme

Wat gebeurt er met mensen die op leeftijd komen en die 'een stoornis binnen het autistisch spectrum' hebben?

De ervaring vanuit mijn werk is dat de omgeving bij het ouder worden extra aangepast moet worden. Mensen met autisme hebben veel moeite om controle over hun leven te (be)houden. De verminderde vaardigheden maken dat de grip op de wereld meer energie kost.

Het gevolg is dat de eisen omlaag moeten en dat het allemaal wat meer ‘simpel’ moet. Het wordt nog belangrijker om één ding tegelijk te laten doen. Dat betekent ook dat het tempo omlaag moet.

Mijn ervaring betreft echter vooral een selecte groep mensen, namelijk mensen met een combinatie van autisme en een verstandelijke beperking. Hoe denken andere hulpverleners over de gevolgen van het ouder worden bij mensen met autisme?

In het Tijdschrift voor Psychiatrie (58/11, december 2016) wordt een aantal mensen -werkzaam in de GGZ – bevraagd over de gevolgen van het ouder worden bij mensen met autisme. Men meent dat het ouder worden bij deze mensen vaak anders verloopt dan bij andere mensen.

Het ouder worden levert meer last op

  • Het zich moeilijk een beeld kunnen vormen van de gevolgen van het ouder worden (bijvoorbeeld: Wat zijn de consequenties van het met pensioen gaan en het missen van de structuur van het werk? Wat is het alternatief als je geen lange inspannende vakanties meer kunt volhouden? Wat als je partner ziek wordt?).
  • Toenemende afhankelijkheid wordt door mensen met autisme vaak moeilijk verdragen omdat het wordt gezien als een inbreuk op het eigen ‘territorium’.
  • Het feit dat het geheugen achteruit gaat, dat het plannen en organiseren meer moeite kost, dat het overzicht minder wordt leidt bij ouderen met autisme tot veel angst (het thema controleverlies). 

Dementie?

Een kanttekening die geplaatst wordt is dat ouderen met autisme op de gangbare neuropsychologische meetinstrumenten (als gevolg van stress) vaak slechter scoren. Dat leidt er waarschijnlijk toe dat bij ouderen met autisme vaker ten onrechte de diagnose dementie wordt gesteld.

Anderzijds zijn er verschillende onderzoekers die menen dat met mensen met autisme een hogere kans hebben op dementie en op de ziekte van Parkinson. Ander onderzoek geeft aan dat ouderen met autisme vaker aangeven last te hebben van cognitieve klachten. Oftewel: ze hebben er meer last van dat hun geheugen in vaker in de steek laat en/of dat ze niet meer weten hoe ze dingen moeten regelen.

Er moet rond het ouder worden en autisme nog veel worden onderzocht. Voor hulpverleners die met ouderen werken is het in ieder geval van belang dat ze zich realiseren dat het ouder worden voor mensen met autisme een complicerende factor kan zijn bij de diagnostiek en het zich staande kunnen houden in de samenleving.

Ouderen en apparaten

Welke tandenborstel is passend bij ouderen? Dat is een thema waar ik momenteel mee bezig ben.

Neem mevrouw De Jong. De tandarts had haar een elektrische tandenborstel geadviseerd. En als de tandarts dat zegt moet je dat wel doen natuurlijk. Helaas heeft mevrouw de Jong daarna haar tanden niet gepoetst met die elektrische borstel. Het snoer was te kort, ze kon niet met de borstel (en op oplader) bij de spiegel komen. Dus had ze maar weer de oude tandenborstel gebruikt.

Dementie en tandenborstel

Als het om demente mensen gaat zou je volgens mij per persoon moeten kijken van welke vorm van dementie er sprake is. Dan kun je ook een beetje voorspellen waar zich de problemen voordoen. Dat thema moet ik de komende weken verder uitwerken. Volgende maand toets ik deze gegevens bij een aantal medewerkers in de ouderenzorg.

Henk en telefoon

Voor mensen die handig zijn met knoppen is het onbegrijpelijk dat er mensen zijn die zelfs met het bedienen van een beperkt aantal knopjes moeite hebben. Zoals ik.

Ik kreeg een smartphone van mijn werk. Ik zei tegen de helpdesk dat het me waarschijnlijk veel tijd zou kosten om met dit nieuwe apparaat om te gaan. Maar volgens de helpdesk was het een kwestie van een kwartiertje oefenen.

De klacht van medewerkers was in de maand daarna dat ik nauwelijks bereikbaar was. Dat kon kloppen: ik begreep dat hele apparaat niet. En zeker in de drukte van het werk kon ik niet snel schakelen van een ingewikkeld gesprek naar het bedienen van een ingewikkeld apparaat.

Toen kreeg ik – omdat men kon begrijpen dat het voor mij toch echt te ingewikkeld was – alsnog een antiek exemplaar. Kijk, zó’n werkgever voert nu eens een levensloopbestendig personeelsbeleid.

Overigens werk ik ook samen met een professor die niet eens een mobiele telefoon heeft. Daar wil hij niet aan beginnen. Hij wil – naar eigen zeggen – de inhoud van zijn hersenen gebruiken voor nuttiger bezigheden.

Afstandsbediening

Mevrouw Muller was verhuisd. In haar nieuwe appartement moest de televisie opnieuw worden aangesloten. Maar de oude afstandsbediening werkte daar niet meer bij. Dus kreeg mevrouw Muller een nieuwe afstandsbediening. Niet moeilijk, een kwestie van een paar knopjes indrukken, aldus degene die de TV aansloot.

Het lukte mevrouw Muller echter helemaal niet om die afstandsbediening onder controle te krijgen. Maar wat was er dan zo moeilijk? Haar zoon legde het nog een keer netjes in stappen uit. Zó simpel! Toen moest het toch wel duidelijk zijn?

Helaas kreeg mevrouw Muller met geen mogelijkheid het nieuwe systeem in haar hoofd. Nee, mevrouw Muller was niet ernstig dement. Ze wist precies waar de afstandsbediening voor was.

Dat werd dus heel veel wachten op hulp. Regelmatig miste ze het Journaal. Ook na een jaar had mevrouw Muller de afstandsbediening niet onder controle. Maar ze durfde het niet meer te vragen. Er was toch gezegd dat het allemaal heel simpel was?

Helaas was niet goed ingeschat hoe moeilijk veel oudere mensen nieuwe systemen leren beheersen. En al helemaal niet dat het tempo waarin dingen worden uitgelegd voor ouderen bijna altijd veel te snel gaat. Verbale uitleg werkt zelden meer, wat je met je woorden uitlegt is de volgende dag alweer vergeten. Je zult bij de instructie moeten visualiseren.

Er was geen rekening gehouden met de manier waarop veel ouderen verwerken. Het apparaat was te ingewikkeld en de instructie was veel te snel gegaan.

Het trieste was dat mevrouw Muller door deze wijze van instructie afhankelijk was geworden van de begeleiding. En dat vond ze heel vervelend.

Stappen in de betekenisverlening

Ooit heb ik een onderzoek mogen doen naar communicatie. Dat was erg leerzaam. Vooral ook vanwege de samenwerking met orthopedagoog dr. F.J.M. Velthausz, voor vrienden Frank.

Waarom is kennis van de stappen in communicatie zo belangrijk? Omdat wij vaak veel te snel gaan. Dat geldt vooral voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking, voor mensen met autisme en voor ouderen. Volgens mij is de belangrijkste reden voor verzet: ons te hoge tempo.

Als we ons tempo vertragen, meer autismevriendelijk worden, verdwijnt een aantal van de scherpe kantjes. Dan blijken mensen met autisme beter contact te kunnen maken, mensen die als ernstig dement worden gezien blijken soms veel meer waar te nemen dan wij denken.

Volgens Frank zijn er de volgende stappen te onderscheiden:

1). diffuus waarnemen: je neemt waar, maar je concentreert je er niet op

2). feitelijk waarnemen: de aandacht wordt gericht op de omgeving, je probeert te achterhalen wat er gebeurt

3).  gewaarworden: je verbindt een betekenis aan datgene wat je waarneemt.

4).  het handelen: met de informatie die je binnen hebt gekregen ga je iets doen.

Persoonlijkheidsstoornis en ouder worden

Je wordt ouder en je hebt psychische of psychiatrische problematiek.

Vaak horen we dat bij ouderen de problemen milder worden. Maar is dat wel altijd zo. Kan het allemaal ook niet ingewikkelder worden?

Daarover ging het tijdens een andere lezing tijdens het congres waar ik vrijdag bij aanwezig was.

Cluster A: het vreemde cluster

Cluster A in de DSM (het spoorboekje van de psychiater) betreft het vreemde en excentrieke cluster. Daar onder vallen de schizoïde persoonlijkheid (vooral sociale angst), de paranoïde persoonlijkheid (vooral wantrouwen) en de schizotypische persoonlijkheid (opvallend door bijvoorbeeld het voortdurend spreken over magische krachten of over een zesde zintuig). Deze mensen gaan vaak slechter functioneren als ze meer zorg nodig hebben. Ze waren vooral gewend om hun eigen gang te gaan. Het is dus ingewikkeld als een ander voortdurend jou psychische territorium binnenkomt.

Cluster B: het dramatische cluster

Cluster B in de DSM omvat het dramatische en onvoorspelbare cluster. Daar vallen de narcistische persoonlijkheid, de antisociale persoonlijkheid, de theatrale persoonlijkheid en de borderline persoonlijkheid onder.

Zowel bij de narcistische persoonlijkheid als bij de borderline persoonlijkheid zie je op oudere leeftijd vaker depressieve beelden. De persoon in kwestie raakt de controle kwijt en dat vreet psychische energie.

Bij de antisociale persoonlijkheid zie je dat de mogelijkheden van grensoverschrijdend gedrag vaak minder worden, de problematiek lijkt daardoor milder te worden. Maar met je scootmobiel kun je nog altijd ‘toevallig’ over de tenen van je buurman rijden.

Bij de theatrale persoonlijkheid zie je een terugval in functioneren doordat de zorgbehoefte toeneemt. Er wordt veel gesomatiseerd: er ontstaan allerlei nieuwe en vaak moeilijk te verklaren klachten. De huisarts heeft het er maar druk mee.

Cluster C: het angstige cluster

Cluster C betreft het angstige en onzekere cluster. Hier onder vallen de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en de obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (ernstig dwangmatig). Hoe gaat dat allemaal aflopen?

Bij de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis zie je dat opname in een verzorgingshuis nogal eens tot een betere stemming leidt: je hoeft niet zelf meer te beslissen. Een hogere indicatie leidt tot een betere stemming…

Bij de ontwijkende persoonlijkheid zie je dat fobische klachten nogal eens toenemen. De controle en het overzicht worden minder en dat vertaalt zich in meer fobische klachten.

Bij de obsessief compulsieve stoornis zie je dat er veel behoefte is aan extra controle. Zo worden medische uitslagen niet vertrouwd. De persoon in kwestie weet het zeker: hij is dement. Daarom wil hij graag extra onderzoeken om precies te weten hoe het zit. De dokter krijgt er soms een punthoofd van. Zie je een verpleeghuisarts met een punthoofd, dan heeft zij waarschijnlijk veel dwangmatige patiënten op de afdeling.

Ouderen met autisme

Tenslotte gaf de spreker nog een toegift: hoe zit het met mensen met autisme? Omdat mensen met autisme grote moeite hebben om hun wereld onder controle te houden en de achteruitgang in cognitieve vermogens maakt dat controle moeizamer wordt zullen mensen met autisme meer krampachtig, gespannen gaan functioneren, de stress neemt toe.

Ik teken daarbij aan dat ik ook het omgekeerde heb gezien: mensen met autisme die beter gingen functioneren omdat de druk vanuit de samenleving minder werd. Zoals een 85-jarige man die iedere ochtend met vaste rituelen opstond en om 10 uur na twee koppen koffie lekker aan het schilderen sloeg. Iedere dag twee schilderijen en dan was hij om vier uur weer klaar met zijn werk. Je kon er de klok op gelijk zetten. Daarna volgden de rituelen voor het eind van de dag. Als hij maar zijn eigen patronen kon volgen zat hij prima in zijn vel, ook toen hij fysiek wat kwetsbaarder werd. Hij werd geholpen om om 10 uur aan de slag te kunnen en zijn schilderijen werden geleidelijk wat kleiner en meer globaal. Maar veel stress: nee, dat zag ik niet aan hem. Misschien is hij inmiddels al wel honderd geworden…

Bang voor vergeten

 Volgende week ben ik weer een  dag zoet met (het geven van) een cursus over de gevolgen van het ouder worden. Niet dat dat mijn vak is. Ik kan hooguit spreken uit ervaring: ik ben al meer dan 40 jaar bezig met mijn eigen mentale en fysieke verval. En soms word je ook gevraagd voor iets waar je geen verstand van hebt. Dat zie je trouwens ook breder binnen allerlei organisaties en vooral in de politiek. Daar zitten mensen op belangrijke posities uitspraken te doen zonder enige kennis van zaken. Dat moet dus kunnen.   

Bij de voorbereiding van deze cursus stuitte ik op een interessante stelling. “De angst voor mentaal verval maakt dat vooral ouderen zich makkelijk fixeren op geheugenklachten en snel in paniek raken wanneer ze wat vergeetachtig worden”.

Kijk je naar het functioneren van het werkgeheugen (daar sla je eerst de informatie op), dan zie je dat ouderen minder capaciteit hebben in dat werkgeheugen. Maar als je je geheugen vult met angst dat je dingen vergeet heb je weinig ruimte meer om dingen te onthouden. De angst dat je dingen vergeet maakt dus dat je meer dingen vergeet en minder nieuwe informatie opslaat.  

Je ziet dit ook als variant op het moment dat je heel gespannen probeert om informatie boven te halen. Dat lukt dus niet. Pas als je meer ontspannen bent kun je die informatie weer uit je voorbewuste putten.

Vergeten van dingen is meestal een onschuldig en zelfs een natuurlijk fenomeen. De snelheid waarmee informatie kan worden verwerkt neemt af met de leeftijd. Daarnaast kun je je -als je ouder wordt-  minder goed concentreren. En dat heeft er op zijn beurt weer mee te maken dat ouderen sneller vermoeid raken. Al die elementen samen betekenen dat men minder informatie kan opslaan en ook minder gemakkelijk opnieuw kan oproepen.

Prikkelreductie, prikkelselectie en prikkelregulatie werken dus minder goed. Daar alleen al zou je moe van worden. Een psycholoog sprak onlangs zelfs over ADHD als kenmerkende eigenschap voor ouderen. Maar dat lijkt mij weer nogal een tunnelvisie. 

In de eerste plaats is het handig om te weten of je vroeger ook al problemen had met bijvoorbeeld het onthouden van namen. Dan is dat karakteristiek voor jou en je hoeft je weinig zorgen te maken.

In de tweede plaats moet je je realiseren dat het persé willen onthouden van informatie juist averechts werkt. Je maakt je hoofd te vol.

In de derde plaats is het handig dat je als oudere minder dingen tegelijk kunt. Je springt niet meer op de fiets en trapt meteen snel weg. Je gaat eerst rustig zitten, daarna zet je je voet op de trapper en vervolgens rijd je weg. Als je alles tegelijk wilt doen in je geheugen vergeet je des te meer.

En tenslotte: ga eens lekker ontspannen. Wat je moest weten komt daarna meestal vanzelf wel weer boven…

Ouderen en visuele problemen (2)

Neurologische problemen

Bij het ouder worden kunnen zich neurologische problemen voor doen die maken dat het zien verstoord raakt. Als je te maken hebt met oudere mensen is het dus goed om dit aspect in de gaten te houden. Tussen het iets met de ogen zien én het weten wat is iets zit dus nog een stap. Het betreft hier de betekenisverlening van datgene wat waargenomen wordt. Een paar voorbeelden: 

a) Een verstoring in de ruimtelijke cognitie.

Je hebt geen idee meer van afstanden. Hoe breed is de straat die je moet oversteken? Vergelijk maar eens als je door een groothoeklens of met telelens afstanden moet inschatten. Dan vergis je je dus iedere keer weer… Als iemand een verstoorde ruimtelijke cognitie heeft wordt het dus erg moeilijk om te lopen en te fietsen, en zéker om auto te rijden.

b) Een verstoring van het dieptezien.

Op mijn werk kom ik dit regelmatig tegen, niet alleen bij ouderen, maar ook bij jongeren met een verstandelijke beperking (soms in combinatie met autisme). Ze hebben grote moeite om een drempel over te stappen omdat ze denken dat het een gat is. Ze lopen om een blauw vloerkleed heen omdat ze denken dat het water is. Ze durven niet uit bad omdat ze de diepte achter het bad (de vloer) niet in kunnen schatten. Het belangrijkste recept is: je tempo als begeleider verlagen.

c) Simultaanagnosie.

De begeleiding had met kerst de tafel leuk gedekt, maar Johan begreep er niets meer van. Hij kon nergens zijn bord vinden en de hagelslag al helemaal niet. Op een gegeven ogenblik probeerde hij de afbeeldingen van dennentakjes van het tafelkleed te plukken. Dat lukte niet en daar werd hij onrustig van. Bij simultaan-agnosie kun je de beelden niet meer van elkaar onderscheiden, ze gaan door elkaar lopen. Hoe voller de tafel, hoe slechter het eten verloopt.

d) Problemen met het bewegingszien:

niet kunnen inschatten hoe snel iets gaat en in welke richting. Dat zie je bijvoorbeeld in de gymzaal bij het overgooien van de bal. Deze verstoring van het zien leidt uiteraard ook tot grote problemen in het verkeer.

e) Problemen met het waarnemen en herkennen van vormen en objecten.

Een voorbeeld daarvan is natuurlijk het lezen (alexie): je moet letters herkennen om te kunnen lezen. In latere fasen van dementie, als de neurologische defecten groter worden, herkennen ouderen soms zelfs de meest gebruikte voorwerpen uit het dagelijks leven niet meer.

Als je deze kenmerken ziet bij je cliënten (en misschien ook wel bij de jongere cliënten, bij wie geen sprake is van dementering) is het zaak om ook aan neurologische problemen te denken.

Zien en vervolgens betekenis verlenen aan wat je ziet is een complex neuropsychologisch fenomeen. Dat merk je eigenlijk pas vooral als je ziet hoe moeilijk mensen het hebben bij wie dat niet meer vanzelf gaat…