De bovenste lip bewimpelen

Ook in Bijbelse tijden kwamen al epidemieën voor. Om dat te voorkomen had God regels ingesteld. Het Joodse volk mocht geen onreine dieren houden . Het waren dieren waarvan werd verondersteld dat ze een gevaar konden opleveren voor de volksgezondheid. 

De Joodse wet telt heel veel regels om besmetting tegen te gaan, zoals de vele reinigings-en spijswetten. Tijdens de epidemieën in de Middeleeuwen ging de ziekte nogal eens aan de Joden in de stad voorbij. In plaats van dat de bevolking zich af vroeg wat de Joden anders deden dan de rest van de stad keerde zich dit soms tegen de Joodse inwoners: ze waren door de duivel bezeten. Een soort van Middeleeuwse complottheorie dus.

Een beruchte ziekte was de melaatsheid (in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met huidvraat, maar dat zegt me eigenlijk veel minder). Melaatsheid verspreidt zich – net als bij corona – door de lucht: niesen, hoesten, praten of zingen. De Bijbel heeft het niet over aerosolen, daar hadden ze toen nog nooit van gehoord.

Er werd ook diagnostiek gepleegd. Dat gebeurde niet door de dokter. Er waren ook nog geen teststraten. De priester deed onderzoek. Als iemand een verdachte oneffenheid had op de huid volgde een diagnostisch onderzoek door de priester. Was er duidelijk sprake van melaatsheid, dan kreeg de persoon het label ‘onrein’.

Als de huiduitslag voor twijfels zorgde moest die persoon zeven dagen in quarantaine. Daarna volgde een hertest. Bleef de uitslag onduidelijk, dan moest je nog een keer zeven dagen in quarantaine. Na uiterlijk 14 dagen volgde de definitieve diagnose. Het was een sneltest: je kreeg meteen de uitslag.

Melaatse mensen moesten duidelijk herkenbaar zijn. Ze moesten hun kleren scheuren, mannen moesten hun baard laten staan, ze moesten bij de nadering van anderen roepen dat ze onrein waren zodat anderen de 1,5 meter afstand in acht konden nemen.

En... ze moesten de bovenste lip bewimpelen (Leviticus 13 vers 45). Zou dat Oudtestamentische taal zijn geweest voor het dragen van een mondkapje?