Terug naar Friesland

Anderhalf jaar lang heb ik alleen zoombijeenkomsten gehad voor mijn werk in Friesland. 
De haven van Harlingen

Op de maanden september en oktober na. Toen waren er teambijeekomsten in een plaatselijke kerk.

Bezoek aan de woningen was niet toegestaan. De bewoners heb ik 1½ jaar niet kunnen zien. Behalve op enkele filmpjes die mij waren toegestuurd ter beoordeling van bepaald gedrag. En sommige bewoners hebben mij gebeld. En er kwam natuurlijk af en toe post.

Deze week is het eindelijk weer zo ver. Ik werk drie dagen in Friesland. Dat blijft toch een thuisbasis voor mij. Niet alleen Friesland met die heerlijke taal van thuis, het Fries. Maar vooral de woningen met de bewoners en de begeleiding in Harlingen.

Mijn fiets is er inmiddels helemaal toegedekt door spinnenwebben. En de banden staan leeg.  Maar hij staat er nog...

Kiezen voor tanden

Hoe ziet de dag voor een pensionado er uit? Nou, dat pensioen lukt me nog niet helemaal. Wat wél lukt is om de dag rustiger op te starten met een krantje en een croissantje.

Je kunt ergens je tanden in zetten. Daar kun je zelfs voor kiezen. De meeste klussen waar ik op dit moment mee te maken heb gaan over de mondzorg. Deze week begon met een bezoek aan de endodontoloog. Daar lag ik zelf in de stoel. Een endodontoloog is een wortelkanaaldeskundige. Dat klinkt eng, maar ook zonder verdoving heb ik niets gevoeld. Je ligt alleen soms wel twee uur in de stoel. Maar deze keer was ik snel klaar. Daarna hebben we nog even geboomd over de mondzorg voor ouderen.

Deze maand moet ik een reader schrijven over (mondzorg) en ouderen. De opdracht van dinsdag was: hoe vertaal ik de fasen van dementering in kwaliteit van mondzorg? Hoeveel ondersteuning hebben mensen daarbij nodig? Dat was een pittige klus. Maar in het kader van het gebit is het je ergens in vast willen bijten geen slechte zaak.

Ben ik klaar met die opdracht, dan moet ik aan de slag met een casusboek over mondzorg voor gehandicapten. Een aantal tandartsen heeft daar een crowdfunding-actie voor gehouden. Dat geld is binnen. Nu móét ik dus wel aan de slag. Deze week moesten er ook afspraken met de uitgever worden gemaakt. Het wordt het jubileumboek van de beroepsgroep van tandartsen in de bijzondere tandheelkunde.

Daarnaast waren er deze week een bijeenkomst over ‘autismevriendelijke mondzorg’, en moest ik een cursus geven over de behandeling van mensen bij autisme bij de mondhygiënist.

Ondertussen is de folder over autismevriendelijke mondzorg eindelijk persklaar, hij wordt vrijdag gedrukt. Weer een gezamenlijk project afgevinkt.

Nee, het werk is niet meer zoals vroeger. Ik hoef niet iedere dag vroeg op. Dat is het voordeel van pensionado zijn. De tijden zijn veel meer flexibel. Ook word ik niet meer achtervolgd door procedures en protocollen.

Op mijn vak ben ik – anders dan dokter Jansma – helemaal niet uitgekeken. Vanmiddag kan ik weer aan de bak: supervisie voor tandartsen in opleiding.

Volgende week mag ik zélf bij de tandarts in de stoel. Kijken of hij me autismevriendelijk en ouderenproof bejegent...

Stichtelijke gestichtsherinneringen (5)

Omdat mijn jaargenoot van de baan op de instelling af zag was er een vacature. Dus benaderde ik een andere jaargenoot of hij wilde solliciteren. Hij kwam op bezoek en deze keer was de directeur aanwezig. Een maand na mij begon hij aan zijn eerste baan.

Voorlopig trokken we als duo op. Dat was ook wel zo prettig in een nieuwe omgeving waar bijna alles van de grond af aan moest worden opgebouwd. Een probleem was dat wij heel vaak door elkaar werden gehaald, maar dat had ook zijn voordelen.

Ik was toen al een veelschrijver. Voor het personeelsblad had ik een instemmend stuk geschreven over een boek van Joop Fennis: 'Het vuile schort'. Fennis schreef kritisch over de gang van zaken op zorginstellingen. De directeur was woedend dat ik zo'n stuk had durven schrijven. Hij wilde mij op dat vergrijp aanspreken. Hij kwam mijn collega tegen en gaf hem er stevig verbaal van langs. Mijn collega hoorde het allemaal aan. Daarna gaf hij mij het advies om maar even uit de buurt te blijven.

In april verhuisden Tineke en ik naar de Kop van Noord-Holland. Het was afgelopen met de nachtelijke logeerpartijen op de instelling. Daardoor kon ik ook wat gemakkelijker afstand nemen, want als je op het terrein woont en werkt neem je ook wel erg veel mee van wat er gebeurt.

Op 1 september was het nieuwe hoofdgebouw klaar. Het tijdelijke gebouw kon worden ingeruimd voor 44 nieuwe bewoners. Maar toen we op 1 september daar naar binnen zouden bleek de hele benedenverdieping onder water te staan. Er werd door sommige mensen gedacht aan een actiegroep die het management wilde molesteren. Uiteindelijk is nooit bekend geworden of deze natte situatie het gevolg was van een actie of dat het een fout was bij de oplevering van het gebouw. Maar de oorzaak was al wel snel gevonden: de slang van de koffieautomaat was losgesprongen en daardoor was er een heel weekend water blijven stromen.

Onze metalen bureaus hadden geen schade geleden, de dossiers lagen hoger in dossierkasten. Computers waren er niet. Alleen de vloerbedekking was kletsnat en de telefoonleidingen waren ontregeld. We konden dus nog niet in het gebouw aan de slag. Hoewel de nieuwe leslokalen boven droog waren  gebleven vielen ook de lessen uit. Maar op de paviljoenen was zoals altijd genoeg te doen.

Het verhaal van de koffieautomaat brengt mij op een nieuwe anekdote. In het oude gebouw zette de directiesecretaresse koffie. Nu kwamen er twee heuse koffiedames in dienst. Maar er was sprake van een streng regime. Twee maal op een ochtend en één maal op een middag kwam de koffie langs. Wie niet op zijn kamer zat kon de koffie wel vergeten. Alleen de directeur had (ook) een sleutel van de koffiekamer.

Omdat de koffiedame al om half negen met de eerste ronde begon zorgde iedereen er voor dat hij of zij om half negen aanwezig was. Want de koffie missen, dat was een ernstige zaak.

Stichtelijke gestichtsherinneringen (1)

Begin jaren '70 studeerde ik als orthopedagoog aan de VU. De studie vond ik niet zo spannend. Mijn stage was achter de rug. Misschien zou wat meer praktijkervaring mij motiveren. Dus besloot ik te solliciteren.

Mijn ervaring op een kinderdagverblijf was dat als het daar goed ging met een kind, dat het dan gepromoveerd kon worden naar de BLO-school. Ging het minder goed, dan kon het op het kinderdagverblijf blijven. Was er geen enkel perspectief, dan moest het naar een inrichting.

De stage verliep overigens wat anders dan gepland. Ik werd niet begeleid door een orthopedagoge, want zij was zojuist ontslagen. Er was geen andere orthopedagoog beschikbaar binnen de stichting.

Geen perspectief: dan maar naar de inrichting. Toch besloot ik voor mijn werk voor een inrichting te kiezen. De eerste twee sollicitaties die de deur uit gingen waren meteen raak. Ik kon zowel in Twenthe als in de Kop van Noord-Holland op gesprek komen, samen met een medestudente (wij waren de eersten aan de VU die voor de ‘zwakzinnigenzorg’ hadden gekozen). De instelling in Noord-Holland reageerde als eerste, dus gingen we daar op gesprek.

We trokken met trein en bus naar het hoge Noorden van Noord-Holland. Op een kaal stuk bollenveld werd een nieuwe inrichting uit de grond gestampt. Daar moesten in korte tijd 600 mensen worden opgenomen, voor het grootste deel uit Amsterdam, omdat daar geen opnamemogelijkheid beschikbaar was.

Die sollicitatiedag was misschien wel typerend voor de organisatie. We zouden namelijk een gesprek hebben met de directeur. Deze bleek echter zijn afspraak vergeten te zijn. Hij was elders en zijn secretaresse wist niet hoe ze hem kon bereiken.

Wel hadden we een gesprek met het hoofd van de pedagogische dienst. Ze had een kamer in een paviljoen. We moesten via de badkamer naar haar kantoor, dat vol hing met namen van aangemelde personen. Daarna hadden we ook nog een gesprek met een psycholoog. Hij had drie muren behangen met kaartjes waarop de naam, geboortedatum en het niveau van de bewoners stond.

Ik wilde ook nog even op een woning kijken, maar daar was geen tijd voor. Na 1½ uur was de tijd rijp om weer te vertrekken. Ik kreeg het verzoek om nog een keer op te bellen (we hadden zelf geen telefoon) voor een gesprek met de directeur.

Na twee weken waren we weer op het terrein. De directeur bleek een bijzondere man: een langharige psychiater met enorme stapels papier op zijn bureau. Het gesprek verliep weinig gestructureerd. De psychiater was kennelijk Rogeriaans georiënteerd, en wilde vooral weten hoe we ons voelden. Er was ook een gesprek gepland met iemand van het bestuur, maar kennelijk was de communicatie niet optimaal: het bestuurslid was niet aanwezig.

We konden mee terug rijden met een maatschappelijk werker, die hier de titel van sociaal pedagoog bleek te hebben. Hij vertelde dat er nogal wat spanningen waren binnen het gesticht en dat we uit moesten kijken met wie we in vertrouwen namen. Vooral het activiteitencentrum was een bron van anarchistisch denken.

Na twee weken kwam het bericht dat ik per 1 januari 1975 als assistent-pedagoog door drie dagen in de week kon beginnen op de instelling. Ik kreeg een kamer in het paviljoen dat tijdelijk als kantoor dienst deed. Daar kon ik ook blijven slapen.

Ik moest me om half negen op maandagmorgen melden bij het hoofd van de pedagogische dienst. En dan zouden we wel verder zien.

Waar zijn we nu helemaal mee bezig?

Goed, omdat allerlei lezers wilden weten wat ik tegenwoordig allemaal uitspook nu even een ‘slipje van de sluier’, zoals iemand dat noemde (een mogelijk Freudiaanse verspreking). Nu dus even een persoonlijk praatje in plaats van een stukje vakgebied.

Halverwege oktober eindigden mijn werkzaamheden bij de werkgever waar ik 24 uur per week een vast dienstverband had. Omdat ik veel vrije tijd niet had kunnen opnemen had in tien weken aan vrije dagen, die ook nog opgenomen moesten worden. Pas per 31 december was ik officieel uit dienst.

Helaas werd ik ook meteen ziek, en dat hield weken lang aan. Dus ik had niet het gevoel dat ik nu opeens vakantie had. Ik was gewoon te ziek om te werken. Zelfs schrijven lukte me in die periode niet goed.

Maar de kachel moest wel branden, ik heb nog geen pensioen. Vanaf januari kon ik mijn werkzaamheden weer opstarten. En tot mijn verbazing heb ik het inmiddels behoorlijk druk. Zo noteerde ik vorige week 44 werkuren. Normaal hield ik mijn werkuren niet zo bij, maar dat ben ik nu verplicht vanwege allerlei richtlijnen die met het ZZP-bestaan te maken hebben.

Door het land

Stiltecoupé Bobeldijk 2

Deze week ben ik twee dagen in Friesland aan het werk, één dag in Amsterdam en vandaag in Zwolle (een cursusdag over autisme). De treincoupé functioneert als studeerkamer, op de langere treinreizen heb ik nog twee uur ruimte om alles nog een keer door te nemen.

De vrijdag heb ik dan nodig om allerlei zaken te verwerken en om me voor te bereiden op de volgende week. Maar ondertussen kreeg ik ook alweer een omroep om vandaag alsnog op mijn werk in Amsterdam te verschijnen. Een vijfdaagse werkweek dus. Dat was ik al een tijdje niet meer gewend.

En volgende week alwéér in Friesland, in Amsterdam en in Zwolle. Dat dreigt dus wat te saai en te voorspelbaar te worden. Voor de verandering ben ik de week daarna in Amsterdam en Amersfoort aan het werk.

Wat valt er te doen?

Voor ongeveer 30% van mijn werktijd ben ik bezig met onderwerpen die te maken hebben met de thema’s mondverzorging voor gehandicapten en mondverzorging voor geriatrische patiënten. Niet dat ik tandarts ben, ik probeer (mee te helpen om) manieren te vinden om die zorg goed te laten verlopen.

Voor ook 30% van de tijd ben ik bezig met wat mijn oorspronkelijke vak is: zorg voor mensen met een verstandelijke beperking, met als accenten het coachen van medewerkers, het geven van adviezen en het (mede) bepalen welke zorg cliënten nodig hebben.

De overige tijd zit in cursussen en congressen (maart en april zijn gewilde maanden voor dit soort activiteiten), het schrijven van artikelen en het bestuderen van vakliteratuur. Voor dat laatste zijn de treinreizen ideaal.

Ik hoef me dus niet te vervelen. En ik moet zorgen dat er wel voldoende fietstijd over blijft, want dat heb ik nodig om fit te blijven…

Hoe sterk is de eenzame orthopedagoog?

Ik dacht dat ik beter was, maar ik ben na een dag werken weer ziek geworden. Gelukkig kan ik nog wel knutselen achter de PC en eens een blik werpen in oude stukken.

Zo kwam ik een interview tegen dat ik tien jaar geleden had gegeven voor studenten orthopedagogiek. Ik wist helemaal niet meer dat ik ooit zo’n interview had gegeven. Het geheugen van de PC is beter dan dat van mijn hoofd. Hoe keek ik toen aan tegen mijn werk? Ik heb een deel van de vragen en antwoorden uitgelicht.

Ik werkte toen in Amsterdam, voor 28 uur op woonlocaties die door de stad verspreid waren (o.a. voor kinderen die in een crisis zaten) en voor de rest van de werktijd voor een andere organisatie.

1. Kunt u een omschrijving van de functie geven? (bureaufunctie, veld­werkfunctie of anders).

Het hangt er vanaf wat je met die benamingen bedoelt…. Als je vraagt of ik veel achter mijn bureau zit, dan komt er uit dat dat ongeveer één derde van mijn werktijd is. Tweederde van de tijd ben ik dus ‘op stap’, maar daar zit veel fietstijd bij door heel Amsterdam.

2. Hoe vond u destijds de studie. Bereidde die voor op het werk?

Ik had niet voor deze studie gekozen, het kwam uit een test, al klinkt dat misschien gek. De studie vond ik weinig boeiend, ik ben zelfs gestopt om in de praktijk te gaan werken. Toen zag ik de beelden voor me en kon ik de studie afmaken. Maar de werkelijkheid leer je pas in de praktijk. En dan is de vraag: durf je je oorspronkelijke uitgangspunten los te laten?

3.Zijn de werktijden regelmatig?

In principe waren de werktijden regelmatig, maar dat gaat steeds meer verschuiven. Voor een deel komt dat door de aard van de cliënten. Ik kan ze alleen maar zien en spreken als ik ook deels ’s avonds werk. 

4. Wie is verantwoordelijk voor de pedagogische beslissingen? Voor welke beslissingen draagt u de verant­woordelijkheid?

Voor de inhoud van mijn advies ben ik altijd zelf verantwoordelijk. Maar ik werk hier op consultbasis, dus in feite als er vragen zijn. Dat is onvoldoende als het gaat  om intensieve doelgroepen.

5. In hoeverre is direct contact met kinderen mogelijk?

Er komt veel te weinig van, maar het is wel mogelijk. Ik zie of spreek vier of vijf cliënten per week. Vaak is dat voor een intake (die doe ik bewust in de thuissituatie) en soms in verband met concrete problemen. De meeste contacten zijn met begeleiders.

9. Heeft u de indruk dat de pedagogische pro­blemen waarmee u wordt geconfronteerd in het werk kunnen worden opgelost?

De helft van mijn werk is ‘zorgen voor de begeleiders’. Daarmee bedoel ik dat als het niet goed gaat met de begeleiders, dat het dan ook niet goed gaat met de cliënten. Je komt jezelf in dit werk nadrukkelijk tegen.

Een deel van mijn werk is dus het verhelderen van de omgang met elkaar. De pedagogische problemen kan ik niet oplossen. Ik zie mezelf als een sleepbootje en het werk is een mammoettanker. Je kunt af en toe een zetje in de goede richting geven.

Mijn caseload is ook groot, in theorie 300 cliënten, maar daarvan ben ik maar bij zo’n 60 cliënten actief betrokken.  

10. Komt u ook in contact met ouders/verzorgers? Zo ja waarvoor?

Soms. Vooral in conflictsituaties als een team vastloopt. Daarnaast vind ik dat we veel meer moeten weten over de vroege ontwikkeling van cliënten. Uit die eerste jaren kun je vaak (mede) achterhalen waarom een cliënt zich nu zo ‘gedraagt’. Dat is dus een stukje beeldvorming/diagnostiek. Daar heb je de ouders heel hard bij nodig.

11. Krijgt u ruimte om uw werk naar eigen inzicht in te vullen?

Zeker. Ik krijg er alle ruimte voor. Ik kan mijn ideeën zondermeer kwijt binnen mijn werk.

15. Met welke problemen zou een pas afgestudeerde in deze functie te ma­ken krijgen? Waarvan hangt het af of je slaagt in deze functie?

Het werk is vaag. Je wilt meer zekerheid, maar die is er niet. Je wilt resultaat, maar dat zie je niet. Oftewel: je komt jezelf tegen.

Daarnaast zijn in mijn huidige werk veel medewerkers boven de 35  jaar. Ze hebben veel ervaring en zijn als Amsterdammers ook niet op hun mondje gevallen. Dat geldt ook voor de ouders.

Of je hebt met ouders te maken met een allochtone achtergrond, waarbij je juist niet weet wat ze werkelijk vinden. De ouders van de helft van de kinderen spreken nauwelijks Nederlands en denken -omdat ik wat ouder ben- dat ik dokter ben (een man moet zich niet met de opvoeding bemoeien). 

Sommige cliënten zijn ‘gediplomeerd’ als cliënt, ze hebben allerlei behandelcentra achter de rug. . Dan is het lastig om als jonge orthopedagoog iets over te brengen.

Dat alles kan je onzeker maken. Veel pedagogen hebben de neiging om dan in een theorie te vluchten of zich strak aan procedures te houden. Dat lijkt een veilige oplossing, maar uiteindelijk is het de pedagogische dood in de pot. Zoek je informatie vooral op de werkvloer: daar ligt de kennis in de  praktijk en met jouw theoretische opleiding kun je dat dan op een iets ander niveau tillen.

In mijn baan in Amsterdam werk ik erg solistisch, soms zie ik een hele week geen collega. Dat is een groot nadeel voor jonge orthopedagogen. Ik denk dat het gemakkelijker starten is binnen een team op een intramurale instelling, waar je veel vaker je collega’s ziet.

16. Welke aantrekkelijke en onaantrekkelijke kanten kent het werk?

Plus: Zeer afwisselend: iedere dag is anders. Je kunt ook voor een deel je eigen werk maken. Je bent als pedagoog ook zelf het instrument dat het werk doet.

Min: Het werk is nooit af. Er wordt altijd veel meer van je gevraagd dan je waar kunt maken. Je bent kwetsbaar, zowel juridisch (dat wordt steeds sterker: aansprakelijkheid) als als persoon. 

17. Heeft u over het algemeen plezier in uw werk en waar ligt dat aan?

Ik houd van mijn werk, ontdek nog iedere dag nieuwe dingen, geniet volop van cliënt-contacten (al zijn die er te weinig)  en ik werk in een organisatie waar ik me thuis voel met veel mensen om me heen met allemaal een flinke dosis idealisme en humor. 

18. Vindt u uw werk representatief voor het werk­veld waarin u werkt? Waaruit blijkt die represen­tativiteit?

Er hangt veel af van de organisatie. Je ziet orthopedagogen die heel erg ingekaderd worden door hun organisatie en die alles moeten verantwoorden wat ze doen. Naar verhouding heb ik erg veel vrijheid. 

Zomaar een werkdag…

Mijn moeder vroeg: “Vertel nog eens, wat doe je nu de hele dag op je werk?”
En daarna: “Wanneer stop je er eigenlijk mee? Je bent óók de jongste niet meer!”
Ze verwijst dan naar mijn vader, die op mijn huidige leeftijd is overleden…
Dat vindt ze best confronterend. En dat is het natuurlijk ook.

Maar speciaal voor mijn moeder zet ik weer eens een werkdag op een rijtje.

Om tien voor zeven gaat de wekker. Nee, die gaat niet, ik ben altijd voor wektijd wakker. En dat is maar goed ook, want het ding maakt zó’n lawaai dat de buren er ook meteen wakker van worden.

Om half acht stap ik in Alkmaar op de fiets, naar het station. Ik trein 25 minuten naar Hoorn en lees ondertussen de krant. Daarna probeer ik om zonder ongelukken tegen de stroom van drie rijen dik aan Westfriese scholieren op mijn werk te komen. Na 6½ km. fietsen ben ik daar.

Computer meteen aanzetten om te kijken welke mails er binnen zijn gekomen. Daar vloeien nogal eens acties uit voort, dus dat moet ik eerst even in de gaten houden. De meeste mensen weten inmiddels wel dat een mobiele telefoon voor mij nogal onbegrijpelijk is, dus komt bijna alles via de mail binnen.

Afspraken

De eerste afspraak is samen met de persoonlijk begeleider met een logopedist. Ze heeft op mijn verzoek uitgezocht op welk communicatie-niveau een man van 40 functioneert. Mijn indruk is dat hij minder begrijpt dan gedacht wordt. Dat klopt ook: onze taal is voor hem veel te moeilijk.

Aansluitend een afspraak met de dokter over een medisch probleem in combinatie met veranderend gedrag van een 60-jarige man. Hoe gaan we daar mee om?

Vervolgens een gesprek met een medewerker die een heftig incident heeft meegemaakt. Ze wil even doorpraten wat er is gebeurd en of ze goed gehandeld heeft.

Dan een gesprek op een woning, waar het met vier mannen niet goed gaat. De onrust en de dwangmatigheden nemen toe. Wat is er aan de hand? Als het er vier zijn kun je veronderstellen dat er ergens in de omgeving problemen zijn, waar zij op reageren. Dat thema wordt daarna met de manager doorgesproken.

Ouderen

Vervolgens mag ik luchten & lunchen op de fiets. Een half uur fietsen naar een woonvoorziening voor ouderen. Eerst neem ik van één afdeling alle bewoners door. Ook stel ik via een vragenlijst de emotionele ontwikkeling van één van de cliënten vast. Het verslag moet ik later verder uitwerken.

Dan op een andere afdeling een inschatting maken van het antwoord op de vraag of een bewoner aan het dementeren is.

Vervolgens naar een woning waar één van de bewoners erg angstig en onrustig is. Met de begeleiding neem ik de situatie door en ook ben ik even bij de bewoner zelf.

Dan nog een gesprek met een bewoner op een andere afdeling die om een gesprek heeft gevraagd. Ze heeft een moeizame periode en is af en toe angstig en somber.

Aan het eind van de dag nog even de verder vandaag binnen gekomen mails lezen en beantwoorden.

Weer naar huis

Dan is het half zes. Tijd om weer op de fiets te stappen. Aan rapportage, verslaglegging, registraties en indicaties ben ik vandaag (evenals eerder deze week) niet toegekomen. Dat stapelt zich allemaal weer op. Maar de werkdag zelf was boeiend en afwisselend. Nee moeder, ik ben nog niet uitgekeken op mijn werk…

Om half zeven zet ik weer voet op Alkmaarse bodem. Thuis eten we witlof. Maar dat niet alleen: er zijn ook aardappelen bij en een paar stukjes kip. Ik ben dus geen vegetariër.

’s Avonds nog een gespreksgroep van de kerk. Dat is gelukkig bij ons thuis, dus ik hoef de deur niet meer uit.