Narcisme en opvoeding (1)

Kan een narcistische ouder wel goed opvoeden? Ze vinden zelf meestal van wel. Maar hoe pakt dat in de praktijk uit? 

De Amerikaanse pedagoge Diana Baumrind (vertaald: de godin van de jacht die als koe in een boom is geklommen) maakte al meer dan een halve eeuw geleden het onderscheid tussen:

  • de toegeeflijke opvoedingsstijl (‘permissive’) : er worden weinig eisen gesteld aan het kind, er zijn weinig grenzen, het kind krijgt vaak zijn zin.
  • de autoritaire opvoedigsstijl: de ouder is de baas en legt de regels eenzijdig op, er is sprake van (soms) belonen, maar vooral vaak van sancties, van straffen
  • de autoritatieve opvoeding: een opvoedingsstijl die zowel betrokken, begripvol en accepterend als controlerend, veeleisend en gezaghebbend is tegenover het kind.

Uit alle onderzoeken komt naar voren dat de autoritatieve opvoedingsstijl tot de minste gedragsproblemen leidt bij het kind en ook tot het hoogste gevoel van eigenwaarde: ‘te mogen zijn die ik ben’. Met als kanttekening: een kind is geen appeltaart (Professor Wim ter Horst). Het is niet: ‘ik stop deze stijl er in en dan komt er zo’n kind uit’.

Wat kun je verwachten bij narcistische ouders? Mensen met narcisme zijn egocentrisch, ze hebben ‘grandioze’ gevoelens over zichzelf en ze vertonen weinig empathie.

Tijdens de zitting verscheen de eigenaar van een Amsterdamse buurtwinkel die was overvallen en die sindsdien in een rolstoel zat. De overvaller: "Dan had hij maar niet zo'n winkel moeten runnen. Dan vraag je er om."

De consequentie van de kenmerken van mensen met narcisme is dat ze wel uit kunnen blinken in oppervlakkige contacten (‘keeping up appearances’), maar dat ze zwak zijn in het onderhouden van dieperliggende contacten. Een huwelijk, het opvoeden van kinderen: dat zijn relaties die het moeten hebben van dieperliggende contacten.

  • Je kunt verwachten dat narcistische ouders vaker autoritair zijn in de opvoeding (strenge regels, straffen). Verzet tegen de ouders roept een narcistische krenking op. En dus ook buitenproportionele straffen (zie de documentaires over Ruinerwold).
  • Er zullen ook narcistische ouders zijn die zó met zichzelf bezig zijn dat ze er een ‘laat maar waaien-opvoeding’ op na houden (pedagogische verwaarlozing). Misschien krijgt het kind wel veel luxe kado’s, maar het krijgt weinig aandacht en begrenzing. ‘Als ik er maar geen last van heb.’
  • Je kunt verwachten dat narcistische ouders weinig autoritatief zullen zijn. Bij zo’n opvoedingsstijl hoort een grote mate van empathie. Een kenmerk van narcisme is: weinig empathische vermogens.

Allerlei observatie-onderzoeken laten zien dat narcistische ouders veel minder responsief zijn. Ze pikken de signalen van de kinderen minder op en spelen niet goed in op de behoeften van het kind. Je zou kunnen zeggen: ze hebben er geen antenne voor, ze zien het niet. En ze stellen zichzelf op de eerste plaats.

"Alles is voor niets geweest" zei de vader van een 14-jarige dochter. Hij had ten doel gesteld dat ze topzwemster zou worden. Maar opeens wilde de dochter niet meer. "Mijn hele leven is naar vernieling, elke ochtend om zeven uur naar het zwembad, alles voor niets." 

Het opvoeden van twee kleindochters

Hoe doe je dat ook alweer: bezig zijn met een peuter en een kleuter? Tineke heeft iedere week de oppas op twee (of soms vier) kleinkinderen. Dan kom je nergens anders aan toe. Hoe regelden we vroeger dan een huishouding?

Om half één was het de bedoeling dat kleindochter H (15 maanden) ging slapen. Al heel snel klonk er gesputter. Mevrouw ging niet slapen. Ze was nog netjes verschoond voordat ze naar boven ging. Maar ja, de stoelgang laat zich nu eenmaal niet sturen. De smurry zat ondanks een stevige luier en slaapzak tot boven aan haar rug.

Verschoond en dan toch nog maar even slapen? Niet dus. Om twee uur was mevrouw weer klaarwakker en beneden. We besloten naar de kinderboerderij in Schipluiden te fietsen. Maar kleuter T wilde helemaal niet naar de kinderboerderij. Die kende ze al. Ze wilde samen met Oma knutselen.

Lastige kleinkinderen? Welnee. Het zijn schatten van meiden. Met elk een eigen wil. Dat hebben ze in deze tijd ook wel nodig. De vraag is alleen: hoe vind je de goede pasvorm? Je zult maar op tijd op je werk moeten zijn. Als pensionado's hebben we dáár geen last van...

Ondertussen had kleindochter H ontdekt dat er een kastje open kon. De kindersluiting zat kennelijk niet goed dicht. Ze wilde een snoepje gaan opeten. Dat was een (gelukkig) stevig verpakt vaatwastablet.

De zon scheen. Jammer om er niet even uit te gaan. Dat zijn pedagogische argumenten van opa’s en oma’s. Kleinkinderen denken daar soms anders over. Dat heeft kleindochter T. niet van haar vader. Als die niet iedere dag buiten kwam brak hij de tent af. Maar kleindochter T vindt dat ook eigenlijk altijd leuk, maar vandaag dus toch liever knutselen met haar knutseloma.

Kleindochter H, door haar opa Droffel genoemd, werd niettemin klaargestoomd voor een ritje op de fiets. Ik pakte de sokken van kleindochter T. Ze had uiteindelijk haar jas al aan. Reactie: “Ik wil vandaag geen sokken.” Moet je dan het KNMI-weerbericht af laten luisteren? Op de thermometer laten kijken?

De afgelopen zomer wilde ze overigens persé met handschoenen aan naar school, want het KNMI had voorspeld dat het een stuk frisser zou zijn (van 30 naar 22 graden...). Ze is die dag met handschoenen aan naar school gegaan.

Maar voordat je onderweg bent gaat er nog een hele tijd overheen. Fietsen klaar, zitjes klaar, kinderen netjes ingegespt. En dan zie je Brigitte Kaandorp voor je. Net alles op orde, heeft er een kind gepoept. Kind weer van de fiets af, uitpellen, verschonen en weer terug in het zitje, wil de andere dochter niet meer… Maar het viel allemaal nog mee: een half uur na het vertreksein zaten we op de fiets naar Schipluiden. 

Kleindochter H. alias Droffel heeft dat allemaal niet meegemaakt. Al na vijf minuten fietsen viel ze in slaap. Bij de kinderboerderij hebben we haar om beurten ‘gesteund’ zodat ze rustig door kon slapen. Kleindochter T vermaakte zich ondertussen met de kippen, de cavia’s en de schommels.

Ook op de terugweg bleef Droffel slapen. Ze werd pas weer wakker toen we de fietsen weer in de achtertuin zetten. Ga je dáárvoor leuk naar de kinderboerderij...

De kleine professor (1)

Je ziet hem niet, maar je voelt hem wel. De kleine professor. En hij heeft altijd met je jeugd te maken. In je reactie op mensen en situaties word je met elastiekjes terug getrokken naar je positie als kind.

Maar als je hem voelt, weet je toch niet waar hij vandaan komt. Wat maakt dat ik me nu opeens onzeker voel? Waarom reageer ik zo op deze persoon?

De kleine professor gebruikt de redeneringen die je als kind uitprobeerde om je omgeving verklaarbaar verklaarbaar en voorspelbaar te maken. Die rol is niet uitgespeeld als je volwassen bent. De ‘schema’s’ uit je jeugd spelen nog door als je groot gegroeid bent. Ze vormen de ‘prints’ voor (een deel van je) huidige gedrag.

Mevrouw Kuiper is erg precies

Mevrouw Kuiper is in behandeling bij de psycholoog. Ze is ontzettend stipt. Alles moet precies in orde zijn. Ook wil ze het naadje van de kous weten als het gaat om de verzekering, het behandelplan, de verdere gang van zaken. Daar kan deze psycholoog niet goed tegen. Ze doet hem denken aan zijn moeder, die ook altijd zo precies was. De psycholoog heeft het gevoel dat mevrouw Kuiper hem te dicht op de huid zit. Dat hij daar zo gevoelig voor is heeft met zijn voorgeschiedenis te maken.

Mevrouw Kuiper komt ook altijd stipt op tijd. Dat hoort bij haar. Maar deze keer is ze tien minuten te laat. Daar reageert de psycholoog geïrriteerd op. De spanning die hij bij haar opbouwde komt er op een onhandige manier uit.

Mevrouw Kuiper is duidelijk van slag. Ze probeert altijd alles zo netjes te doen en natuurlijk was het dom dat ze te laat was. Het is ook allemaal haar schuld.

De bedoeling was dat mevrouw Kuiper een beetje minder volgens de regels zou durven te werken. Je zou dus – vanuit het kader van de therapie – kunnen zeggen: prima dat ze te laat is. Er gebeurt geen ramp als je een keer te laat bent, en er wordt niemand boos.

Alles onder controle

Dat gebeurt niet. De psycholoog zet mevrouw Kuiper weer terug in haar oude schema. Ze is perfectionistisch omdat ze daarmee alle kritiek vóór kan zijn: alles onder controle.

Dat is de kleine professor in haar. Haar moeder raakte erg van slag als ze knoeide, als er iets stuk ging, als er iets vies was. En de kleine mevrouw Kuiper heeft als kind geleerd: ‘als ik nu maar voorkom dat er iets fout gaat wordt mijn moeder niet boos’.

Dat doet ze ook nu ze de vijftig jaar al is gepasseerd. ‘Als ik nu maar zorg dat alles volgens plan verloopt wordt er niemand boos.’ Dat gebeurt ook thuis. Ze heeft altijd het eten klaar als haar man thuis komt. De heg is punctueel geknipt, zodat de buren niet boos worden. En de opdrachten op haar werk zijn al klaar voordat haar baas er naar vraagt.

Maar ja, nu kwam ze te laat op de therapie. En; zie je wel, als ik er niet voor zorg dat alles volgens plan verloopt wordt zelfs de therapeut boos… Eigen schuld: ik moet me beter aan de regels houden. Ik heb een fout gemaakt en daar moet ik voor boeten.

En de therapeut heeft een kans laten liggen. Maar ja, de therapeut is ook 'maar' een mens. En ook hij is gekleurd door vroegere ervaringen...

Moeilijke kinderen (?)

“Bestaan er moeilijke kinderen?” vroeg één van mijn vroegere docenten.

Volgens hem niet. Er bestaan wel moeilijke opvoeders.

Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Het leven zit wel wat complexer in elkaar.

opvoeding die pastOoit schreef ik een boekje over temperament bij kinderen. Daar schrijf ik over het ‘als moeilijk ervaren temperament’.
De Amerikaanse onderzoekers Alexander Thomas en Stella Chess hebben intensief onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van het temperament bij kinderen. Eén van de groepen kinderen noemen ze kinderen met een moeilijk temperament.

Moeilijk temperament

Kinderen met een moeilijk temperament hebben:

a. grote moeite met veranderingen (bijv. logeren, ander eten),

b. zijn moeilijk af te leiden van ‘lastig gedrag’ (moeilijk te sussen),

c. reageren heftig als het niet gaat zoals ze in hun hoofd hebben (het gedrag wisselt vaak, is onvoorspelbaar)

d. en hebben doorgaans een minder vrolijke stemming (vaak en veel huilen of gillen, dreinen, maar je kunt ook denken aan veel heftige stemmingswisselingen).

Vaak zijn deze kinderen ook zeer prikkelgevoelig. Maar dat onderwerp stond tijdens het onderzoek van Thomas en Chess nog niet zo in de belangstelling.

Diezelfde kenmerken heb ik gevat onder het als moeilijk ervaren temperament. Daarmee bedoel ik dat er twee kanten aan dit opvoedingsverhaal zitten: dat van het kind en dat van de opvoeder.

Aangeboren gedragsstijl

Bij temperament gaat het om een aangeboren gedragsstijl van het kind. Karakter en persoonlijkheid ontwikkelen zich in de loop van het leven, maar het temperament krijgt een kind vanaf de geboorte mee. En dan weten we ook: ieder kind heeft een unieke combinatie van genen en heeft dus ook zijn eigen gedragsstijl.

Dat betekent ook dat het bij het ene kind moeilijker is om de goede pasvorm voor de opvoeding te vinden dan voor het andere kind. Daar heeft het kind geen schuld aan, de ouder ook niet. Blijf dus uit het oordeel!

Het ene kind heeft het moeilijker met zichzelf en bij het ene kind kost het de opvoeder meer energie om de goede weg te vinden, dan bij het andere kind.

We moeten dus altijd uitkijken met allerlei causale verklaringen als zou iemand met een als moeilijk ervaren temperament dus ook een opvoeder hebben die niet op de juiste manier opvoedt.

Oorzaak van alle ellende?

“De emotionele deuken uit onze jeugd die we ons bewust zijn vormen niet de ernstigste belemmeringen voor onze ontwikkeling.” Aldus een psychiater bij wie ik ooit een nascholing volgde. Zijn redenering was dat je –als je je iets bewust was – er ook mee aan de slag kon. Je wist waar de vijand zat. Maar de vijand die je niet ziet, die is uiteindelijk veel gevaarlijker.

Deze psychiater ging er vanuit dat je trauma’s bewust moest maken. Ooit heb ik op dit weblog als therapeutisch hulpmiddel een boomtekening genoemd. Bij de boom die ik tekende zou een boomfluisteraar een trauma aan hebben gewezen. Ik schreef toen dat ik werkelijk geen idee had welk trauma dat zou kunnen zijn. De psychiater bij wie ik de cursus volgde zou daar geen genoegen mee nemen. Dat trauma moest boven water komen!

Alle ellende naar boven halen?

Tegenwoordig zijn er steeds effectievere behandelmethoden om trauma’s te kunnen behandelen. Het meest effectieve middel is de EMDR (zie elders op dit weblog).

Woensdag maakte ik met één van mijn cliënten nog zo’n sessie mee. Toch is het wel de vraag of je alle trauma’s perse op moet willen duiken. Met name bij kwetsbare mensen (zoals mensen met een verstandelijke beperking) is een andere overweging om sommige thema’s maar te laten liggen (zo lang tenminste niet duidelijk is dat iemand ergens last van heeft). Dit is omdat het opsporen van trauma’s ook weer tot nieuwe emotionele onrust kan leiden. Je moet dus een afweging maken hoeveel baat iemand heeft bij het opsporen bij trauma’s in verhouding tot de vraag hoeveel onrust de behandeling met zich meebrengt.

Ik ga nog even in op het citaat aan het begin van dit blog. Wat de psychiater ook bedoelde is dat we er met onze ideeën over frustraties wel eens helemaal naast kunnen zitten. We zoeken één oorzaak en dat zou dan dé oorzaak moeten zijn van onze ellende. Als je dat denkt voelt het eerst als een opluchting. Later blijkt dat er toch weer nieuwe problemen opduiken. Wat je dacht dat dé oorzaak was van de ellende is slechts één van de aspecten in je leven geweest die hebben gemaakt die je bent wie je bent.

Er is meer aan de hand: Van Dis en Schilder

Een voorbeeld uit de literatuur is het al eerder genoemde boek van Adriaan van Dis: Ik kom terug. Altijd heeft Van Dis gedacht dat zijn autoritaire en onvoorspelbare vader de oorzaak was van zijn welig bloeiende neurosen. Na vele jaren intensieve psychotherapie meent hij nu dat zijn moeder een veel meer schadelijk is geweest voor zijn welbevinden. Je kunt je afvragen wat die zoektocht waard is geweest. Bovendien is Van Dis één van de weinige Nederlanders die zich zo’n lange behandeling kunnen veroorloven. En: moet je perse weten wat de oorzaak is van alle ellende? ‘De’ oorzaak bestaat niet eens: er is altijd sprake van een complex aan factoren.

In de jaren ’70 en ’80 was het ‘in’ om allerlei psychische problematiek te wijten aan een strarre Gereformeerde opvoeding. Daar is Aleid Schilder een voorbeeld van. Vanuit haar eigen levensverhaal ontwikkelde ze een tunnelvisie die maar één uitkomst kon hebben: het lag allemaal aan een stukje van de Gereformeerde leer. In de herdruk komt ze enigszins op deze uitkomst terug: de problemen lagen breder én meer genuanceerd.

Open blik

In dit verband wil ik een lans breken voor ‘de open blik’. Dat is waar die psychiater (aan het begin van dit blog) op wees. Het is ook een uitkomst van behandelingen met traumafobietherapie.

 “Altijd heb ik gedacht dat de echtscheiding van mijn ouders er de oorzaak van was dat het me niet lukte om goed te functioneren in de maatschappij. Ik maakte mijn opleiding niet af en ik ben zelf ook weer gescheiden.” Aldus Miranda. “Ik gaf hen overal de schuld van en heb het contact met mijn moeder destijds helemaal verbroken. Maar inmiddels ben ik er dankzij mijn therapie achter dat er veel meer met mij aan de hand is. Dat is confronterend, maar het is ook bevrijdend. Ik hoef mezelf niet als slachtoffer van de echtscheiding van mijn ouders te zien. Ik hoef me niet levenslang te koesteren in de rol van slachtoffer. Ik kan met mezelf aan de slag.”   

 

 

Week van de opvoeding

Ik weet niet of jullie het door hadden, maar dit is de week van de opvoeding.
Kennelijk is het nu ook al nodig dat we een week over de opvoeding moeten organiseren.

Je kunt je afvragen waarom dat zo is. Nooit eerder was er zóveel kennis over opvoeding, nooit eerder hadden ouders de beschikking over zóveel literatuur én nooit eerder waren ouders zó onzeker over de opvoeding.

Daar komt nog iets anders bij. Zonder het verleden te willen idealiseren was opvoeding vroeger veel meer een gemeenschappelijke taak van de samenleving. Als het in een bepaald gezin niet zo goed ging was er vaak familie of waren er buren die stukjes van die opvoeding over namen. Dat zie je bijvoorbeeld nu in veel Marokkaanse gezinnen als een probleem: in Nederland gebeurt dat niet met als gevolg dat de kinderen de weg kwijt raken. Niemand heeft in de gaten wat de kinderen ‘uitspoken’.

In de westerse wereld zijn gezinnen teveel geïsoleerd geraakt. Bovendien wordt zicht van buiten op de opvoeding als betutteling, als ongewenste bemoeienis gezien. Ouders staan direct op scherp als er door anderen commentaar op de opvoeding wordt gegeven. Nu is dat commentaar ook vaak niet zo ‘handig’, maar stel dat we het zouden kunnen omdraaien in een positieve richting: ‘een steentje bijdragen’, dan hoef je ook minder op scherp te staan.

Naar mijn mening zitten er twee grote gevaren zitten in de hedendaagse opvoeding.

Het eerste is: pedagogische verwaarlozing. Er is veel te weinig samen. ‘Als mijn kind maar zoet is’. Het mag dus zichzelf ook uren achter de computer vermaken.

Het tweede is: perfectionisme. Ik mag als opvoeder geen fouten maken. Mijn kind moet het op alle levensterreinen goed doen. Het kind als visitekaartje voor de ouders.

Maar, om met mijn leermeester Prof. dr. W. ter Horst te spreken: “Een kind is geen appeltaart”. Het is niet zo dat als je dit er in stopt, dat dát er dan uit komt…

De perfecte opvoeding bestaat niet. Gelukkig maar. Dat geeft eigen ruimte aan de kinderen…

Meer rust in de opvoeding

Jarenlang is het al één van mijn pedagogische thema’s.
Kinderen raken in de problemen door een teveel aan indrukken.
Vandaar mijn pleidooi (ook in een krant en een weekblad) voor meer rust in de opvoeding.

Terug dus naar meer rust en meer regelmaat. De reinheid laat ik even buiten beschouwing, volgens mij is het nu over het algemeen schoner dan vroeger.

Maar het is niet alleen deze oude knar die vindt dat onrust schaadt. Zo besteedt Psychologie Magazine deze maand een artikel aan de gevolgen van overprikkeling voor kinderen.

Er zijn vier boosdoeners die kinderen storen in hun ontwikkeling.
1. chronisch lawaai (dat heeft vooral gevolgen voor de concentratie, voor het geheugen en de taalontwikkeling)
2. teveel drukte, een ‘volle omgeving’ (dat heeft vooral gevolgen op de prestaties en denktaken)
3. afwezigheid van rituelen (dat leidt vooral tot gedragsproblemen).
4. rommeligheid en gebrek aan organisatie bij opvoeders (dit leidt ook weer tot taalproblemen bij kinderen).

Huilbaby’s

Ook al jaren geleden schreef ik over huilbaby’s (n.a.v. een boek van Aletha Solter). Ook in mijn ervaring in gesprekken met ouders bleek dat haar zienswijze leidde tot een sterke vermindering van het huilen (althans: bij de ouders met wie ik toen in gesprek was).  

Nu komt via een andere route opnieuw dit onderwerp aan de orde. Psychologie Magazine citeert een onderzoek waarbij het huilen van baby’s drastisch vermindert (met 75%) als er meer rust en minder stress is in het gezin. Vreemd is dat niet, want baby’s zijn buitengewoon gevoelig voor stress bij ouders.

Alleen: het is natuurlijk geen wondermiddel. En je mag de stelling ook niet omdraaien. Het is natuurlijk niet zo dat een huilbaby het gevolg is van gestresste ouders. Maar stress kan zeker in een aantal situaties een grote rol spelen.

Ik ben twee en ik zeg nee…

De sociaal-emotionele basis van het kind is klaar als het drie jaar oud is.

Daar kwamen vragen over. Want waarom is dat zo? En wat gebeurt er als er in die eerste drie jaar van alles mis gaat?

Die eerste drie jaar heeft alles te maken met hechting. Een veilige hechting betekent dat het levenshuis een fundament heeft. De rest van het leven wordt er aan de emotionele ontwikkeling verder gebouwd op basis van dat fundament. Bij kinderen met een onveilige hechting zitten er scheuren in dat fundament. Dat betekent dat alle volgende fasen van de ontwikkeling moeizamer verlopen. 

Tegenwoordig bestaan er zgn. inhaalstrategieën voor kinderen die zich in de eerste drie jaar niet goed hebben kunnen hechten. Het zijn intensieve vormen van behandeling waarbij de therapeut terug gaat naar dat wat het kind in de eerste drie jaar gemist heeft. Er moet alsnog geheid worden om het emotionele fundament steviger te maken. Maar dat is dan wel een intensieve therapeutische kunstgreep die soms jaren duurt. Het huis is in aanbouw en dan moet er ondertussen ook nog gesleuteld worden aan het fundament.

Symbiose en loslaten
In de eerste acht maanden groeit het kind steeds meer naar de moeder toe. Uiteindelijk ontstaat er een vorm van symbiose: moeder en kind zijn heel sterk met elkaar verbonden. Dat betekent ook dat mensen niet meer inwisselbaar zijn: wij horen bij elkaar. De vader doet ook wel mee, trouwens, maar bij bijna alle kinderen is de moeder op deze leeftijd nog de meest intensieve hechtingspersoon. 

Maar het kind moet ook weer leren los te laten.  Inmiddels ben ik van mening dat dat de meest complexe emotionele opdracht voor het kind is. Maar het is ook een noodzakelijke stap. Want alleen dan kan het kind een eigen ‘ik’ ontwikkelen. Dat eigen ‘ik’ vormt op zijn beurt weer de basis voor de verdere ontwikkeling richting puberteit.

Eigen ik

De periode van de ontwikkeling van het eigen ‘ik’ is een lastige periode omdat de peuter eigenlijk steeds groot én klein wil zijn. Net zoals de puber trouwens die wil dat zijn moeder zijn brood smeert én die zelf wil bepalen hoe laat hij thuis mag komen…

Op tweejarige leeftijd weet de peuter nog niet goed wat hij wél wil. Het is”: ‘Ik ben twee en ik zeg nee’.

Op driejarige leeftijd is het kind beter in staat om plannen te maken. Dan wordt het: ‘Ik ben drie en ik wil de regie’. De peuter wil bepalen wat er gaat gebeuren. Dat kan ook lastig zijn, hoewel ik het als vader ook een boeiende periode vond. Sommige ouders vragen zich in deze periode af of er toch niet behangen moet worden met tegelijk een peuter achter het behang.

Maar deze ‘dwarse’ periode is opnieuw noodzakelijk voor de verdere groei. Zonder eigen ‘ik’ durft de peuter onvoldoende op onderzoek uit te gaan (de vierde stap in de Cirkel van Veiligheid, blog van 18 januari).

Kinderen zonder voldoende ‘ik’-ontwikkeling leren vaak onvoldoende om eigen denken en handelen te organiseren. Want om dat te leren moet je steeds weer oefenen met afstand, nabijheid en spel, ook als je ouders niet zo dicht in de buurt zijn…