De theatrale persoonlijkheid (4)

Ook Professor Willem van der Does besteedt aandacht aan de theatrale persoonlijkheid. Hij zal wel moeten, want hij geeft colleges over klinische psychologie. En voor klinisch psychologen is het behandelen van mensen met een theatrale persoonlijkheid een hele klus.

Volgens Van der Does proberen mensen met een theatrale persoonlijkheid eerst via een charme-offensief de ander aan zich te binden. Maar als dat niet voldoende lukt (en voor mensen met een theatrale persoonlijkheid is het nooit genoeg) gaan ze over op meer dramatische expressies: heftige woede, schelden, dreigen met flauwvallen of nog erger, of aan de andere kant met kinderlijk gejengel, gekibbel of lichamelijke klachten.

Bron: Willem van der Does: Zo ben ik nu eenmaal! (met prachtige illustratieve tekeningen door Peter van Straaten, 16e druk, 2016)

Volgens Van der Does is de emotiehuishouding van mensen met een theatrale persoonlijkheid op een kinderlijk niveau blijven steken. Dat betekent dat het denken en de emoties zwart-wit zijn. Een klein beetje ongemak leidt tot een heftige reactie. Oftewel: de prises op de erwt. Een positieve ervaring kan leiden tot een extatische beleving. Daarin overlappen borderline trekken en theatrale trekken elkaar.

Mevrouw Veenstra kende ik als een dame die altijd achter de rollator liep en voor noodgevallen was er ook nog een stok of een rolstoel. Tot ik haar opeens zonder hulpmiddelen voor haar leeftijd behoorlijk kwiek zag lopen. Dat was bij een bijeenkomst waar ze naar voren werd gehaald omdat ze vanwege een jubileum in het zonnetje werd gezet. Een week later liep ze weer achter de rollator. Kennelijk was het feit dat ze in het zonnetje werd gezet voldoende aandacht om tijdelijk geen fysieke ondersteuning nodig te hebben.

Vindplaatsen

Waar vind je mensen met een theatrale persoonlijkheid? Volgens Van der Does is er een grote trefkans in beroepen met veel publiek of media-aandacht. Maar ook beroepen waarbij je ondanks een beperkte opleiding ‘omhoog kunt vallen’ en waarbij anderen tegen je opkijken, zoals coach (‘goeroe’) of alternatief therapeut.

Man of vrouw?

De diagnose theatrale persoonlijkheid wordt veel vaker bij vrouwen dan bij mannen gesteld. Dit is – zoals eerder al geschreven – niet terecht. Bij vrouwen valt het uiterlijk vertoon vaak eerder op (bijvoorbeeld in kleding, make-up of in de stem). Bij vrouwen zou je mogelijk eerder een overlap met borderline zien en bij mannen eerder een overlap met narcisme. Van der Does wijst daarbij op het machogedrag van sommige mannen dat volgens hem een onderliggend hysterisch beeld moet camoufleren.

Bij vrouwen zie je vaker de overlap tussen theatraal gedrag en borderline, bij mannen eerder de overlap met narcisme

Eerste omgangsregel 

De eerste omgangsregel die Van der Does geeft is dat hoe heftiger iemand met een theatrale persoonlijkheid reageert, des te meer gedoseerd jij moet reageren. “Probeer jezelf in toom te houden.” Het gedrag van theatrale mensen suggereert diepgang, maar het is allemaal zeer oppervlakkig. Kom je tijdens een date in contact met een theatraal persoon, dan worden er de eerste avond al geweldige verwachtingen gewekt: een diepgaande vriendschap zoals je nog nooit eerder hebt gehad en uiteraard stomende sex. Maar dat wordt allemaal niet waargemaakt: het is de buitenkant.

Hoeveel aandacht?

Peuters willen vaak een continu lijntje met de opvoeder. Laat je hen hun gang gaan, dan zit je s’avonds van zeven tot tien uur voor te lezen en dan slapen ze nog niet. Het stoppen met voorlezen wordt als een ‘verlating’ ervaren. Dat wordt niet minder als je drie uur voorleest. Veel helderder is als je begrenst: pappa leest twee verhaaltjes voor en dan is het klaar.

Voor mensen met een theatrale persoonlijkheid gaat het nét zo. De aandacht is nooit genoeg. Ook als je 25 uur aandacht in een etmaal geeft is het nóg niet genoeg. Je put dus vooral jezelf uit. Dus ook op dat punt is doseren belangrijk. Ga je op bezoek: maak het niet te lang. Beter een paar kortere bezoeken dan een lang bezoek waarna je bedenkt dat je liever nooit meer komt.

Hoe gek het ook klinkt: vaak hou je zo het contact met iemand met een theatrale persoonlijkheid naar verhouding langer 'goed'. Waarom: omdat je - als je je grenzen bewaakt - zelf fitter blijft. En daar heeft iemand met een theatrale persoonlijkheid uiteindelijk toch meer baat bij.

Trots en narcisme

Narcissus was in het spiegelende water aan het kijken. Hij was zó geobsedeerd door zichzelf dat het zijn ondergang werd. Hij verdronk.

Wat is de overeenkomst tussen trots en narcisme? Volgens mij zijn het twee loten uit dezelfde stam: de mens die zichzelf centraal stelt.

Ontwikkelingspsychologisch past narcisme bij de peuter, die zichzelf als het middelpunt van de wereld ziet. De peuter is ook nog niet in staat om zich in te leven in de ander (‘Theory of Mind’). Mamma wil vlug boodschappen doen, maar de peuter begrijpt daar niets van, op die wipkip zitten is toch veel leuker? De peuter kan zich niet voorstellen dat voor mamma iets anders belangrijker is dan voor hemzelf.

Dat onvermogen tot naast elkaar zetten van wensen, mogelijkheden komt in onze narcistische cultuur tot uiting in uitspraken als ‘Iedereen is het met mij eens dat’, ‘Alle mensen vinden dat’.

De andere kant van deze sociaal-emotionele ontwikkeling is dat je de controle wilt houden. Alles moet geregeld worden zoals de persoon dat in zijn hoofd heeft. Hij wil dus ook veel bepalen voor anderen. “Zoals ik het in mijn hoofd heb moet het gebeuren”.

Relaties zijn binnen het narcisme ik-gecentreerd: de ander moet iets toevoegen aan mijn leven. De ander is er dus om mij te dienen. Ik neem een kind, en dat kind moet mij gelukkig maken. En als de ander mij niet meer dient heeft de relatie (voor mij!) geen zin meer.

Vanuit de transactionele analyse gezien kiezen narcistische, trotse mensen voor de bovenpositie en dan meestal de kritische ouderpositie: mijn mening telt, dus ik oordeel over jou, ik mag jou veroordelen. Er een andere mening naast zetten wordt als tegenspreken ervaren. Je hebt dus zomaar een conflict.

Als je ontwikkelingspsychologisch verder kijkt zie je de ontwikkeling van kijken vanuit je eigen positie naar samen delen en samen kunnen werken. Bij kinderen is een mooi ‘meetpunt’ in die ontwikkeling: het moment dat ze er tegen kunnen dat ze een spelletje verliezen. Dat betekent ook dat ze de ander iets kunnen gunnen. Dat is ‘het narcisme voorbij’. Je kunt dan ‘delen’.

Toch blijft dit altijd een valkuil. Gunnen is gemakkelijker wanneer je in goede omstandigheden verkeert. Maar wanneer we klem komen te zitten vallen we vaak weer terug op ‘ik eerst’. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de strijd die ontstaat als een deel van de medewerkers ontslagen moet worden of als er te weinig plaatsen in de trein zijn. Dan denken we weer vanuit onszelf.

Het draait vanuit het narcisme vooral om het houden van de controle over je eigen leven en dat van anderen. In zijn boek ‘Karakter en aanleg in verband met het ongeloof’ heeft Prof. dr. H.C. Rümke aangegeven hoe deze behoefte aan controle de bloei van het geloofsleven belemmert. Dat wil niet zeggen dat iemand die sterk op de controle zit ongelovig is, maar dat zijn geloof niet tot levensvervullende bloei kan komen. Geloven betekent (voor Rümke) dat je tot overgave kunt komen. Oftewel: de controle loslaten. Van gebalde vuisten naar open handen, klaar om te ontvangen (Ann Voskamp). Pas dán kom je tot rust.

Narcisme én trots (Psalm 131) zijn loten van de stam waarbij je jezelf centraal stelt. Het was Herman Finkers die met deze Psalm het programma begon waarin hij sprak over zijn ziekte. Hoe ga je om met een ziekte waarvan je weet dat het steeds slechter met je zal gaan en waarbij je hoopt uiteindelijk tot overgave te komen:

 (‘n Bedevaartsleed, van David)

Mien herte is nich greuts,
ik kiek nich astraant oet de ogen;
ik hoal miej nich gängs met grote zaken,
met wat miej boaven ‘t benul geet.
Nee, ik heb miejzölf tot röstbracht,
ik bin stiller wörden,
zo as nen kleanen biej de moder lig,
as zonnen kleanen, zo bin ik.

Zee noar UM oet, Israël,
van now of an veur aaltied.

Narcisme én trots stellen de mens zelf centraal. Je probeert onaantastbaar te blijven. Als ik nu maar goed genoeg presteer, er mooi genoeg uit zie, genoeg volgers op Facebook heb of de meest wonderbaarlijke tatoeages en piercings op en in mijn lichaam bevestig, dan mag ik er zijn. De wijze waarop mensen tegenwoordig met piercings omgaan is volgens de Belgische psychiater Dirk De Wachter zelfs een vorm van automutilatie: pijn ervaren om er toch te mogen zijn, jezelf te kunnen voelen.

Narcisme kan niet omgaan met gebrokenheid. Dat je er met het ouder worden anders uit gaat zien past niet in het narcistische beeld. Dus moet er fysiek verbouwd worden. Helaas is het - als je zo denkt - allemaal nooit genoeg. Dus ben je steeds aan het falen. Mensen die gewoon mogen zijn wie ze zijn hebben het uiteindelijk toch een stuk gemakkelijker in hun leven. 

Narcisme en cortisol

Cortisol is een stress-hormoon. Meer stress betekent meer cortisol. Teveel cortisol in je lichaam is ongezond. Je energie gaat in de verkeerde dingen zitten.

Narcistische mensen vinden zichzelf erg belangrijk. Het zijn net ballonnen die te hard zijn opgepompt. Een klein prikje kan leiden tot een grote ontploffing. De Amerikaanse psycholoog R.S. Edelstein schrijft dat narcistische mensen overgevoelig zijn voor sociale evaluatie. Ze zijn voortdurend bezig met de vraag hoe de ander naar hen kijkt. Je zou ook kunnen zeggen: ze kunnen eigenlijk zichzelf niet zijn.

Als je zó in het leven staat moet dat wel leiden tot veel stress. Is die stress ook terug te vinden in het cortisol-gehalte in het lichaam? Ja, zeggen Edelstein en zijn collega’s, maar dat is vooral bij mannen het geval. Ze vermoeden o.a. dat dat komt omdat mannen ook de neiging hebben om ‘streberig’ te zijn, ze willen vooral ‘scoren’. Ze kunnen totaal afknappen als een promotie aan hun neus voorbij gaat. Vrouwen hebben andere manieren om met zo’n verlies om te gaan, o.a. in hun ‘verbaliteit’.

Bij narcisme is sprake van veel schaamte, maar van weinig schuldgevoel

Opvallend is dat narcisten vooral gaan voor de snelle winst. Ze willen direct indruk maken op de ander. Ze willen bijvoorbeeld een mooie vrouw ‘veroveren’. Ze houden zich niet bezig met de langere termijn. Als de ander eenmaal ‘overwonnen’ is gaan ze zich te buiten aan manipulatieve en controlerende tactieken. Het boeit hen niet dat ze op termijn niet meer aardig gevonden worden.

Mijn indruk is vooral dat het bij narcisme vooral gaat om aanzien, om bezit. Verlies van dat bezit roept angst op, maar vooral schaamte. De schaamte neemt de plaats in van de schuldgevoelens.

Edelstein e.a. (in: Journal of Research in Personality) constateren dat narcistische mannen een verhoogd cortisol-gehalte hebben. Er is niet alleen sprake van psychologische problematiek, maar de stress uit zich daarnaast in lichamelijke (fyiologische) factoren en daarmee ook in een verhoogde kans op tal van medische problemen (zoals cardio-vasculaire problematiek). 

Narcisme en egocentriciteit

Professor R.E. Abraham plaatste in zijn Ontwikkelingsprofiel het narcisme in de fase van de egocentriciteit. Het is in zijn schema de derde fase van de sociaal-emotionele ontwikkeling. 

Vervolgens splitst hij de kenmerken op. Hij vat ze samen in één steekwoord.

  1. Hoe verhouden narcistische mensen zich ten opzichte van anderen? Ze voelen zich superieur aan anderen. Superioriteit.
  2. Wat is de rol van anderen ten opzichte van de narcist? De ander is er om aan de behoeften van de narcist te voldoen. Leverancier.
  3. Hoe ziet het zelfbeeld van de narcist er uit? Hij voelt zich beter dan hij is, hij blaast zichzelf op. Overwaardig.
  4. Hoe gaat de narcist om met normen, met regels? Hij interpreteert de regels zó dat hij er zelf beter van wordt. Zelfzuchtig.
  5. Hoe gaat de narcist om met zijn behoeften? Hij verwacht dat anderen zijn opvattingen bevestigen. In dat kader wordt de ander ook beoordeeld. “Het is een intelligente man. Hij vindt net als ik dat een rookverbod discriminatie is.” Spiegelen.
  6. Hoe gaat de narcist om met cognities, met standpunten? Zie ook onder 5. Hij kan alleen maar vanuit zijn eigen kader denken. Hij verwacht van anderen dat ze zijn opvattingen delen. Als de ander ergens anders over denkt is die persoon dom of gek. “Ieder weldenkend mens weet dat….” Zelfbeperkt.
  7. Hoe lost een narcist problemen die zijn emoties raken op? Belastende gegevens worden ontkend of gebagatelliseerd. Verwerping.
  8. Hoe lost een narcist problemen op in zijn handelen? Door te fantaseren over zijn almacht. Hij kan alles voor elkaar krijgen. Lukt dat niet, dan ligt het aan de omstandigheden. Almacht.
  9. Dan nog een los thema: de relatie blijft standhouden zolang de ander nuttig is om aan de behoeften van de narcist te voldoen. Als de ander niet meer aan de behoeften voldoet wordt die persoon schijnbaar zonder enige emotie ingeruild voor een ander. Kilheid.
Vanuit sociaal-emotioneel perspectief gezien is het denken, voelen en handelen van mensen met narcisme kenmerkend voor de leeftijd van 1½ jaar tot 3 jaar. Hij ziet zichzelf als centrum van de wereld. 

In je eigen fantasie geloven (1)

Fantasie hoort bij kinderen, maar ook bij volwassenen. Er bestaan tal van vormen van fatasie. Ik bedoel fantasie nu als een vorm van dagdromen. 

Dagdromen hebben de functie om het leven hanteerbaar te houden. In de dagelijkse realiteit maak je van alles mee. Daar zitten ook minder leuke en ronduit vervelende zaken bij. En dan kun je zomaar gaan dagdromen. Je zit naar een oersaaie spreker te luisteren, zijn verhaal gaat nog een uur door en zomaar ga je aan een leuke fietstocht denken.

Wát we fantaseren is per persoon verschillend. In trainingen moest ik (om me te kunnen ontspannen) nogal eens (verplicht) fantaseren over witte stranden met palmbomen. Maar als ik í­ets erg vind, dan zijn dat witte stranden met palmbomen. Die docent sloot dus bepaald niet aan op mijn belevingswereld. Die van mij zit meer in de richting van eeuwige fietspaden.

Als ik iets erg vind is dat een verblijf op een wit strand onder de palmbomen

Van volwassenen mag je verwachten dat ze fantasie en realiteit in redelijke mate kunnen scheiden. Hoewel ook daar het onderscheid gradueel is. Als iemand zichzelf een groot dichter noemt omdat hij niet onverdienstelijk Sinterklaasgedichten schrijft is dat wel een beetje vreemd, maar nog niet echt abnormaal. Je hoeft er in ieder geval niet voor in behandeling.

Over die glijdende schaal van realiteit naar fantasie heb ik ooit geschreven. Waar is het nog normaal en waar begint de pathologie? 

Er zijn allerlei psychiatrische stoornissen waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Berucht zijn de wanen en hallucinaties van psychotische mensen (een beetje te vergelijken met het ijlen vanwege hoge koorts). Maar ik beperk me verder tot fantasie bij mensen bij wie de waarneming niet echt verstoord wordt.

Er is vooral sprake van pathologie als de fantasie voor de persoon in kwestie tot werkelijkheid is geworden. Dat zie je bijvoorbeeld bij de theatrale persoonlijkheid. Je zou deze mensen verslaafd kunnen noemen aan het fantaseren. Dan gaat het zó ver dat ze overtuigd zijn geraakt van hun beweringen. Ze beelden zich bijvoorbeeld een ziekte in en uiteindelijk geloven ze dat ze echt ziek zijn. Daar is geen twijfel meer over mogelijk. De dokter die niet ziet hoe ziek ze zijn deugt niet als dokter.

Andere mensen weten nog wel het verschil tussen realiteit en fantasie, maar ze gaan zó ver in hun fantasie dat het wel echt lijkt. En dan toch: op den duur geloven ook zij echt in hun fantasie. Een voorbeeld iemand die als arts jarenlang patiënten behandelde zonder ooit een studie medicijnen te hebben gevolgd. Zelfs het feit dat hij geen diploma’s kon overhandigen en dat zijn diploma ook nergens was geregistreerd overtuigde hem niet. Hij was dus uiteindelijk in zijn eigen fantasie gaan geloven.

Ook narcistische mensen hebben de neiging om hun leven draaglijk te maken door zichzelf veel beter en ‘meer’ voor te doen dan ze zijn. Ze gebruiken andere mensen om hun doel te bereiken. Deze mensen zijn verslaafd aan waardering. In wezen zijn narcistische mensen zó kwetsbaar dat die waardering voortdurend nodig hebben om hun eigen zwakke ego op te vijzelen. Dat wat de omgeving ziet als een groot ego blijkt dus in de praktijk juist een kwetsbaar klein ego te zijn.

Er zijn overeenkomsten tussen de narcistische en de theatrale persoonlijkheid. Dat is logisch: ze hebben iets groters nodig omdat ze zichzelf als te klein ervaren. Dat is voor hen onverdraaglijk. Dus moeten ze zichzelf opblazen.

De theatrale persoonlijkheid maakt zichzelf groter door de aandacht naar zich toe te trekken. Krijgt hij de aandacht niet, dan worden de klachten erger. De narcistische persoonlijkheid zoekt naar waardering. Krijgt hij die waardering niet, dan moet hij zijn prestaties nóg meer etaleren. 

Neuroot en narcist

"We bewegen ons allemaal ergens op de schaal tussen neuroot en narcist." Dat zei ds. Jeannette Westerkamp vanmorgen bij de dagopening op de podcast van IZB en EO. 

Als de neuroot omver wordt gelopen verontschuldigt hij zich omdat hij in de weg stond. Als de narcist met zijn auto tegen een boom rijdt klaagt hij de gemeente aan omdat ze een boom geplant hebben op de plek waar zijn auto langs moest.

Uit mijn oude psychologieboek: “De neuroot kust de hand die hem slaat en de narcist slaat de hand die hem streelt.”

Dat idee van die schaal is trouwens zo gek nog niet. Je bent nooit alleen neurotisch, weinig mensen gedragen zich alleen maar narcistisch.

De neuroot kust de hand die hem slaat en de narcist slaat de hand die hem streelt.”

Er bestaat nog een andere invalshoek. Die komt van alwéér een dominee: ds. Wim Rietkerk. Hij maakt het onderscheid tussen schuld en schaamte. Neurotische mensen gaan gebukt onder hun schuldgevoel. In onze samenleving is dat schuldgevoel vaak vervangen door schaamte. Mensen gaan minder onder schuldgevoelens gebukt, maar ze hebben er vooral last van dat ze in hun reputatie zijn aangetast.

Dat laatste is dan weer kenmerkend voor een narcistische samenleving. De tendens is niet meer schuld erkennen en met jezelf in het reine te komen. De drijfveer is: "Hoe voorkom ik reputatieschade?" Daar verdienen advocaten tegenwoordig flink geld aan. 

Kenmerken van narcistisch opvoeden (2)

Omdat narcistische ouders zo'n kwetsbaar zelfbeeld hebben moeten ze hun eigenbelang 'opblazen'. Dat doen ze o.a. door juist de voor hen meest belangrijke anderen (echtgenoot, kinderen, schoonouders) te kleineren. 

In de engelstalige literatuur wordt geschreven over marginalization: het buitensluiten van de ander. De ander wordt gekleineerd. Het kind moet zich vooral niets voorstellen van zichzelf. Heeft het een goed cijfer op school gehaald: het onderwijs van nu stelt toch niets voor. Een 8 nu zou vroeger een 5 zijn geweest. Dus stel je niet voor dat je goed in Nederlands bent, eigenlijk is het een onvoldoende.

Manieren om de ander te kleineren zijn o.a.:

  • muggenziften
  • vormen van onredelijke en ongefundeerde kritiek
  • het maken van vergelijkingen die voor de persoon in kwestie altijd negatief uitvallen (je neef zou het veel beter hebben gedaan)
  • het in diskrediet brengen van positieve bedoelingen (‘je stuurt een kaart naar oma omdat je op je verjaardag graag een mooi kado van haar wilt hebben’)
  • het negeren van prestaties van het kind (niet reageren op een goed werkstuk)

Het negatieve oordeel over de ander vindt vaak plaats in de vorm van het maken van vergelijkingen. Eén van de gedragskenmerken van narcisme is rivaliteit. Narcistische opvoeders gebruiken graag vergelijkingen. “Als ik zoveel kansen had gehad als jij was ik al lang gepromoveerd.” “Als ik in jouw schoenen had gestaan had ik het al lang geregeld.”

Narcistische opvoeders hebben de neiging om hun kinderen klein te houden. Ze moeten vooral niet gaan denken dat ze iets voorstellen. De nederigheid en bescheidenheid die een narcistische opvoeder oplegt aan kinderen heeft niets met gezonde bescheidenheid te maken. Het kind moet klein gehouden worden. 

De ontwikkeling van het zelfbeeld (5)

De voorgaande fasen waren het ontbrekende zelfbeeld, het vage zelfbeeld en het externe zelfbeeld. Dan nu het overwaardige zelfbeeld.  

4. Overwaardig zelfbeeld.

In zekere zin is het omgekeerde van een vaag zelfbeeld (2): een overwaardig zelfbeeld. Bij een vaag zelfbeeld kun je jezelf niet sturen, je kunt niet kiezen, je bent helemaal afhankelijk van de sturing van anderen.

Bij een overwaardig zelfbeeld laat je je niet sturen, je wilt zélf bepalen. Dat is het beeld dat goed past bij een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Het is de egocentrische peuter die zichzelf als het centrum van het heelal ziet (dat is bij de peuter wat anders dan egoïstisch: dat kun je pas zijn als je een eigen ik hebt ontwikkeld).

Volwassenen met een overwaardig zelfbeeld zijn niet in staat om hun beperkingen te accepteren. Zelfreflectie (wat is je eigen inbreng in een conflict?) is daardoor bijna onmogelijk. Kritiek wordt door de persoon als krenking, als persoonlijke afwijzing ervaren. Als je tegen iemand zegt dat er nog en foutje uit het ontwerp moet worden gehaald zal een persoon met een overwaardig zelfbeeld dat niet als feitelijke bijsturing ervaren, maar als afwijzing van de persoon zien. Het korte lontje leidt tot een heftige reactie. Kritiek op de zaak en op de persoon lopen dus in de beleving door elkaar heen.

Als je emotioneel sterker bent, kun je beter tegen een stootje

In sociaal-emotioneel opzicht functioneren mensen met een overwaardig zelfbeeld zoals een peuter die nog niet voldoende ik-besef heeft. Dat klinkt vreemd, omdat ze zo overtuigd over kunnen komen, alsof ze alles kunnen en alsof ze de hele wereld aankunnen. Maar dat is de buitenkant. De binnenkant is erg kwetsbaar. Als je sterker zou zijn zou je beter tegen een stootje kunnen. .

Mensen met een overwaardig zelfbeeld kunnen eindeloos over hun mogelijkheden fantaseren. In dat verband spreken we wel van ‘pseudologica fantastica’. Je vindt ze bijvoorbeeld regelmatig in het programma ‘Tros Opgelicht’.

Renée Vervoorn schreef een boek over de relatie met haar ex die een pathologisch leugenaar bleek te zijn.Hij wist haar o.a. wijs te maken dat jij piloot bij de KLM was. Hij zag zelfs kans om veel ‘collega’s’ op zijn verjaardag te ontvangen. Maar het waren geen collega’s. De intelligente Vervoorn trapte er niettemin jarenlang in.

Mensen met een overwaardig zelfbeeld zijn niet gemotiveerd om zich te laten behandelen. Als ze bijvoorbeeld na een ernstig delict weer vrij komen hebben ze niets geleerd en beginnen ze gewoon weer van voren af aan. Want voor deze mensen is het niet te verteren als de therapeut iets zou kunnen en zou kunnen weten wat hij zelf niet kan.

Het gaat heus niet allemaal mensen die persé anderen willen benadelen. Sommigen zijn er heilig van overtuigd dat ze anderen kunnen helpen. En ook zonder opleiding en diploma’s kun je toch een groot bedrijf ‘managen’ en kijkt iedereen tegen je op. Uit de frequente faillissementen en het tóch door gaan blijkt dat ze van hun fouten niets leren. Ze hebben die fantasieën nodig om hun eigen leegheid te camoufleren.

Mensen met een overwaardig zelfbeeld hebben vaak een kring van mensen om zich heen die maken dat ze nog belangrijker over komen (zie de piloot die geen piloot was). Die mensen functioneren dan als een soort verlengstuk. Je ziet dat ook veel in Amerikaanse talkshows. “Hij is één van mijn beste vrienden…”. En bij voorkeur hebben ze vroeger ook nog met Ruud Gullit gevoetbald.

Hoe zit het met de relatie tot anderen bij mensen met een overwaardig zelfbeeld? De persoon ervaart de ander als iemand die de baas wil spelen, hem manipuleert. “Vertrouw nooit iemand, vertrouw alleen jezelf.” Of: “Dieren kun je vertrouwen, mensen niet.” Een variant is het wantrouwen van alle organisaties. “Ze zijn alleen maar op je geld uit.”

Teveel of te weinig ego (2)

    Ds Tim Keller (predikant van de Presbyterian Redeemer Church in New York) citeert in het boekje ‘Bevrijd van jezelf’ (uitgeverij Van Wijnen, Franeker) zangeres Madonna. 

In talentenjachten zie je mensen die dolgraag Madonna zouden willen zijn. Zolang ze dat niet kunnen bereiken hebben ze het gevoel dat ze falen. Je zou denken: Madonna heeft alles bereikt, dus zij moet toch wel tevreden met zichzelf zijn. Maar ze zegt: “Angst voor de middelmaat vormt de drive voor mijn leven. Hoeveel ik ook bereik, ik behoor nog steeds tot die middelmaat. Behalve als ik iets heel anders doe. Want zelfs nu ik iemand ben moet ik nog steeds elke dag bewijzen dat ik iets voorstel. Mijn worsteling blijft maar door gaan en het houdt nooit op.”

    Intermezzo: Professor R.E. Abraham schreef een boek over het ontwikkelingsprofiel. Bij volwassenen zie je – met name bij stress- veel gedrag terug dat past in de kinderleeftijd. Een voorbeeld is de rivaliteit. Dat begint al op jonge leeftijd in het gezin: de strijd tussen broers en zussen. Jacob probeerde als tweede de eerstgeborene Ezau van de troon te stoten. Een extreme gevoeligheid voor de vergelijking met anderen en daarmee ook jaloezie en rivaliteit zie je ook bij narcisme en bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarom kunnen deze mensen – als door een wesp gestoken – reageren op een klein beetje (vermeende) kritiek en accepteren ze ook de inbreng van anderen niet.

    Keller: Omdat het ego zo opgeblazen is, omdat het zoveel aandacht trekt heeft het het ook steeds erg druk. Het is namelijk steeds bezig met vergelijken. De manier waarop het ego probeert om de leegte op te vullen en het gevoel van onbehagen kwijt te raken is door zichzelf te vergelijken met de ander. Keller noemt in dat verband C.S. Lewis die schrijft dat veel mensen voortdurend leven in een vergelijking tot anderen. Daar zijn ze druk mee: heb ik meer of minder dan de ander, presteer ik meer of minder dan de ander?

    Het gevoel van meerderwaardigheid (in de volksmond: een te groot ego) en van minderwaardigheid (een te klein ego) is in wezen hetzelfde, schrijft Keller. Het gaat in beide gevallen om een ego dat is gevuld met leegte.Daarom reageert dat ego ook zo heftig op (vermeende) kritiek. 

De narcistische voorganger en de megakerk (8)

Voor iemand met narcistische trekken kan het ambt van predikant aantrekkelijk zijn. Dat geldt zeker ook voor vroegere tijden, toen dit beroep in hoog aanzien stond. Letterlijk (de hoge preekstoel) en figuurlijk stond de predikant in hoog aanzien.

Bovendien: vanuit de kerk word je niet tegengesproken. Tegenspraak is lastig voor narcistische mensen. Welnu: tijdens de preek kun je gewoon je gang gaan. Je wordt nooit geïnterrumpeerd.

Je zou kunnen zeggen: als er geen gezonde tegenkrachten zijn vormt de preekstoel een prima plek om sluimerend narcisme zich verder te laten ontwikkelen.

Nog steeds krijgt de voorganger tijdens de preek geen (of zelden) weerwoord. Maar in het kerkelijke werk is dat tegenwoordig toch anders geworden. Veel gemeenteleden hebben een eigen mening over de inhoud van de preek, over de muziek, over de standpunten van de kerkenraad. Een keerzijde is dat gemeenteleden in toenemende mate gaan ‘shoppen’.

Een reactie van voorgangers (maar ook van een synode) kan zijn dat ze het belang van het ambt gaan onderstrepen. Die discussie is niet verkeerd, maar het is wel van belang om te kijken in welke omstandigheden dat gebeurt. Wat is de achterliggende gedachte om je eigen beroep ‘groter’ te maken?

Mensen in de kerk zijn net gewone mensen. Als ze de Bijbel kennen weten ze dat ook. Ze zijn geen haar beter dan andere mensen. Eén van de kenmerken van narcisme is dat je je eigen fouten niet toe kunt geven. En als je ze wel toegeeft doe je dat om verdere reputatieschade te voorkomen. Er is wel zicht op de fouten van de ander, maar weinig zicht op de eigen gebrokenheid. Het berouw zit dus aan de buitenkant, maar niet van binnen. Hoe dat precies zit kunnen buitenstaanders moeilijk beoordelen, dat is vooral aan de persoon zelf. Maar als het berouw inderdaad alleen aan de buitenkant zit maakt dat de kans op herhaling ook groot.

Nog een keer: het verhaal van theoloog Chapman

Hoe is het ondertussen met Joshua Chapman gegaan (derde en zesde blog)? Het contact tussen Chapman en de eerste kerkelijke gemeente (geen mega-kerk, maar een wijkgemeente in een grote stad) die contact met hem zocht was vastgelopen. Kerkenraad en gemeenteleden lieten zich niet meteen door hem op sleeptouw nemen.

Maar er was een andere kerk die wel mogelijkheden zag om met de (bijna) predikant in zee te gaan. Het was een kerkelijke gemeente met veel doeners. Een streek met harde werkers, vooral tuinders. De kerk was een verlengstuk van het werk: niet kletsen maar doen. Men hield van aanpakken. De kerkenraad vond dat Chapman precies in het profiel paste: stevig aanpakken en niet moeilijk doen. Dat hij al tijdens de kennismaking tal van taken naar zich toe had getrokken zag men eerder als een pré dan als een nadeel. Drie maanden later werd hij als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente. De pastorie was door de hardwerkende gemeenteleden in korte tijd helemaal verbouwd. Het gezin kon er zó in.

Ruzie met de organist

Binnen enkele maanden ontstonden de eerste scheuren in het contact. Chapman had een bepaalde visie op de manier waarop sommige liederen gezongen moesten worden. Hij meende dat hij meer verstand had van de muziek dan de organist en dat hij dus kon bepalen hoe bepaalde liederen begeleid moesten worden. Dat was de organist niet van plan. Het werd al snel een fors conflict. De organist zei uiteindelijk: “Dominee, als u het zo goed weet gaat u zélf op de orgelbank zitten, ik speel op mijn manier.” Beiden gaven niet toe. De organist trok zich terug en kwam niet meer in de kerk. Voor Chapman was deze gang van zaken niet zo ongewoon. Hij had op zijn werk meerdere reorganisaties meegemaakt. Daar waren ook altijd mensen bij vertrokken. Hij zag het vertrek van de organist ook als een soort reorganisatie. Nu er een dwarsligger verdwenen was kon het er alleen maar beter op worden in de kerk.

Botsing met de kerkenraad

Maar ook binnen de kerkenraad ontstond al snel een verschil van mening. Maandelijks werden standaard de preken besproken. Enkele leden van de kerkenraad stelden kritische vragen bij sommige uitspraken die de dominee had gedaan. Ze vroegen zich af waar hij zich op baseerde en of de dominee wel voldoende rekening hield met het levensverhaal van sommige gemeenteleden. Was het wel pastoraal om vanaf de preekstoel een hard oordeel te vellen zonder dat je weet welk verdriet er speelt? Van die opmerkingen was dominee Chapman niet gediend. Hij baseerde zich op de Bijbel en als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Misschien waren ze dan misschien toch niet zo gelovig als ze zich voor deden.

De afgelopen decennia is er meer aandacht gekomen voor pastorale psychologie in de opleiding van voorgangers. Ook wordt het steeds belangrijker geacht dat aanstaande predikanten supervisie volgen. Voordat je de gemeente in gaat moet je jezelf goed kennen. Als Chapman dat traject had gevolgd had je kunnen verwachten dat hij zich niet meteen zo zou hebben opgesteld. Wat was er aan de hand?